Tag: solidariteit

  • Slachtoffers aardbeving worden in de steek gelaten. ‘Zijn wij niet ook deel van Marokko?’

    Slachtoffers aardbeving worden in de steek gelaten. ‘Zijn wij niet ook deel van Marokko?’

    De aardbeving in Marokko brengt de ellende aan het licht van de mensen die niets hebben in een land waar het bbp voortdurend groeit. Volgens de Marokkaanse schrijver Abdellah Taïa moet de manier waarop de machthebbers er naar burgers kijken veranderen.

    De verschrikkelijke aardbeving deed zich vrijdagavond [8 september] voor in de regio rond Marrakech. Om 23.11 uur werd de beving zelfs in Fez gevoeld. Ik hoorde het nieuws pas op zaterdagochtend. Ik nam onmiddellijk contact op met mijn familie en vrienden in Rabat, Salé, Casablanca, Azilal, Marrakech en Agadir. Ze waren in orde, al was het een eindeloze nacht geweest vol verschrikkingen. We waren heel erg bang, zeiden ze, we brachten het grootste deel van de nacht op straat door, op trottoirs, in tuinen, op lapjes grond, op pleinen, bij stoplichten. We begrepen het lot van vluchtelingen op de ijzige wegen van hun ballingschap, slechts beschikkend over hemel en aarde. We voelden ons ontworteld in ons land. Verlaten. We gaven ons over aan de onzichtbare en zeer destructieve macht van de nacht. We zijn niets, slechts nietig op aarde. We waren heel dicht bij het einde, voelden de dood naderen. We hebben die nacht veel gehuild, maar we zijn er nog, we leven nog. We zijn nog steeds bang.

    Ik was opgelucht, gerustgesteld. Ik bood mijn dierbaren de meest liefdevolle woorden en de sterkste aanmoedigingen die ik in mijn hart kon vinden. Maar toen begon ik het nieuws te volgen, op televisie en op sociale media. Net als veel anderen wilde ik beelden zien van deze catastrofe: de nasleep, de schade, de tragedies. Ik heb de hele zaterdag aan schermen gekluisterd gezeten. En hoe meer ik keek, hoe meer ik me schaamde voor mezelf. Uiteindelijk was ik niets meer dan een egoïstische man die in de eerste plaats denkt aan degenen die het dichtst bij hem staan, aan de mensen die hij kent. Met mijn familie en vrienden gaat het goed, dat is het enige wat telt. De anderen? Die zijn altijd abstract, vreemden.

    De beelden tonen overlevenden die dwalen, zoeken, niet weten wat ze moeten zeggen en huilen

    Alleen daar, in de korte video’s die circuleren op Instagram, Facebook, YouTube, zien we de naakte waarheid, een verschrikkelijk overweldigende waarheid. We zien het Marokko van de vergeten mensen die lijden, die vallen en die onophoudelijk huilen. Deze verschrikkelijke beving heeft inderdaad het grote Marrakech getroffen, maar de meeste slachtoffers zijn gevallen in de dorpen en kleine steden: Iguil, Moulai Brahim, Amizmiz, rond de stad Tarudant. De beelden tonen afschuwelijke taferelen: dorpen die volledig zijn verwoest, gebouwen die als kaartenhuizen in elkaar zijn gestort, moskeeën in puin, minaretten die in tweeën zijn gebroken. De beelden tonen overlevenden die dwalen, zoeken, niet weten wat ze moeten zeggen, huilen en vertwijfeld rondlopen. Ze hopen dat de regering en de strijdkrachten hen komen redden. Om hen te troosten, om met hen te praten. De overlevenden in de video’s hebben nog steeds hoop.

    J’accuse

    Op deze zwarte zaterdagmiddag is die hoop volledig vervlogen. De onvrede neemt toe. We ontdekken de levens en verhalen van dit achtergelaten Marokko dat op nauwelijks 100 kilometer van Marrakech en zijn luxueuze paleizen ligt. Ze moeten zich uiten. Een leraar post deze tweet: ‘Al mijn leerlingen zijn dood’. Nog een tweet, een andere leraar: ‘Al mijn leerlingen zijn dood.’ Een video van een vader die steun zoekt bij een muur. Hij heeft net zijn vrouw en al zijn kinderen verloren. Hij wil schreeuwen, hij kan het niet, hij wil praten over het onrecht arm te zijn in Marokko, iemand te zijn die niet meetelt. Hij beeft als een kind en schreeuwt dan uiteindelijk: ‘Zijn wij niet ook deel van Marokko?’

    Een vraag waar extreme pijn, extreme zachtheid en extreme hulpeloosheid in schuilen.

    De vraag zit veel Marokkanen dwars, achtervolgt mij, zit nu in ieders hoofd, in alle harten, in alle gewetens. Als een j’accuse van Émile Zola. We kunnen niet langer doen alsof we niet op de hoogte zijn van de levensomstandigheden van de allerarmsten, van de mensen die verborgen moeten blijven. We dachten dat ze ver weg waren, in plaats daarvan zijn ze heel dichtbij. De aardbeving toont hun ellende aan de hele wereld, via video’s die ver en wijd reizen en veel mensen aan het huilen maken.

    Maar tot nu toe is er geen reactie gekomen van degenen aan wie deze vraag wordt gericht.

    Het bbp van Marokko groeit al enkele jaren gestaag, maar de economische groei komt niet iedereen ten goede. Dat wisten we. Nu, door deze aardbeving, zien we het pas echt, begrijpen we de uitsluiting, de marginalisatie. En die is ondraaglijk, onhoudbaar.

    Ook ik heb bijgedragen aan het lijden van het arme Marokko. Ik vergat te denken aan degenen die altijd weer vergeten worden

    We voelen schaamte, ik voel schaamte. Toen ik zaterdagochtend het nieuws hoorde, kon ik alleen maar aan mijn eigen wereldje denken. De levens van anderen telden niet zo zwaar als die van mijn dierbaren. Ook ik heb bijgedragen aan het lijden van het arme Marokko. Ik vergat te denken aan de mensen die altijd weer vergeten worden.

    Anderhalf jaar geleden viel de kleine Rayan in een klein dorpje in het noorden van Marokko in een put. Zijn tragedie schokte de hele wereld. Zijn trieste lot onthulde het harde leven en de absolute onzekerheid van de armen in Marokko.

    Sinds vrijdagavond dwingt de verschrikkelijke aardbeving ons opnieuw te kijken naar dit andere Marokko, het Marokko van de ellende. Het Marokko dat niets heeft. Wallou [‘niets’, in Marokkaans-Arabisch dialect]. Maar deze keer mogen we geen genoegen nemen met oppervlakkige solidariteit. Wat nu moet veranderen is de blik van de macht op haar eigen burgers.

    Lees ook:

  • Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Identiteitspolitiek, waarin het draait om gender en etniciteit in plaats van engagement en solidariteit, ondermijnt de notie van een algemeen en publiek belang, volgens hoogleraar politicologie Mark Lilla.

    Vlak nadat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten was verkozen, verscheen er een opiniestuk van politicoloog en filosoof Mark Lilla in The New York Times, met als titel: ‘Het einde van het identiteitsliberalisme’. Als het 
liberalisme weer een factor van belang wil worden ‘moeten we zorgen dat er een eind komt aan het tijdperk van het identiteitsliberalisme’, schreef Lilla. 
De obsessie met identiteit heeft volgens hem een ‘generatie narcistische liberalen en progressievelingen voortgebracht die geen weet hebben van 
de omstandigheden buiten hun zelf-gedefinieerde groep. Lilla’s stuk was het meest gelezen opiniestuk uit de Times dat jaar.

    Voorvechters van identiteitspolitiek mogen dan dol zijn op diversiteit binnen identiteit, maar ze kunnen maar weinig geduld opbrengen met diversiteit van meningen. De heersende moraal van dit moment probeerde Lilla de mond te snoeren met een kwalijke golf van woede, die al snel uitmondde in extreme bewoordingen, waarbij woorden vielen als ‘racist’. Dat was ook de term die enkele demonstranten naar het hoofd geslingerd kregen toen ze zich roerden bij een 
bijeenkomst aan Rutgers University, 
in New Jersey, waar Lilla zou spreken. Ik hield hem gezelschap. Ons uitstapje had een nostalgisch tintje: Op precies die plek hadden we elkaar vijftien jaar eerder leren kennen.

    Gevaren

    Lilla neemt een unieke positie in binnen de Amerikaanse intellectuele elite van dit moment. Zijn collega’s wisten niet altijd goed waar hij precies voor stond. Hij heeft het hun ook niet bepaald makkelijk gemaakt. Met zijn essays in The New York Review of Books ontpopte de hoogleraar zich als een afstandelijke Europese intellectueel 
die door een wrange speling van het lot was aangespoeld op de stranden van de Nieuwe Wereld, waar hij moest zien te overleven in het harde, helle licht van een cultuur zonder echt diepe wortels.

    In Amerika is het altijd ochtend [uit de campagne van Ronald Reagan] en dat is precies het probleem: de ochtend werpt schaduwen, grijstinten en 
kleurschakeringen, en wie die niet ziet realiseert zich wellicht niet welke gevaren er loeren achter allerlei filosofische sluiers. Lilla vond het nou juist interessant om die gevaren onder de loep te nemen, gevaren waar het 
Amerikaanse optimisme nauwelijks weerstand voor heeft gekweekt. Lilla heeft natuurlijk nooit beweerd dat hij geen Amerikaan zou zijn. Maar niets in zijn werk, de toon noch de inhoud, 
verraadt dat de schrijver afkomstig is uit een arbeidersmilieu. Een katholiek gezin in Detroit, met Poolse wortels. Mark heeft ooit gezegd – slechts half grappend, als je het mij vraagt – dat 
al zijn artikelen in de prestigieuze New York Times kunnen worden samengevat in drie woorden: Beteugel het enthousiasme. Amerikanen hebben er een handje van zich te laten meeslepen door intellectuele tendensen uit Europa, en Lilla zoekt naar de balans door er traditie, context en eruditie tegenover te zetten. Zowel in zijn essays als in zijn boeken neemt hij niet alleen een breed scala aan filosofische, literaire en culturele controverses 
bij de kop, maar ook verschillende 
politieke kwesties, waarbij hij kijkt naar verschillende intellectuele kringen: Duitse existentialisten, Franse post-structuralisten, flamboyante 
Russische bannelingen, gematigde Engelse liberalen, mystieke Joodse 
theologen, namen uit de Verlichting en de contra-Verlichting.

    Toen ik destijds zonder afspraak voor de werkkamer van professor Lilla aan NYU stond, verwachtte ik een gereserveerde, gedistingeerde man te ontmoeten. Ik zat in het laatste jaar van mijn studie Amerikaanse geschiedenis en wilde een wel heel cynisch essay van hem vertalen: ‘The Politics of Jacques Derrida’. Die eerste ontmoeting met Mark kon niet geheel en al het beeld wegnemen dat ik me had gevormd 
op grond van zijn artikelen. Hij had een rond brilletje, een beetje interbellum-achtig, en een ernstige blik. In zijn kleine werkkamer, die uitpuilde van de boeken, stond een degelijke archiefkast met allemaal laatjes. Hij deed geen moeite om me meteen heel hartelijk tegemoet te komen – sterker nog, binnen de Amerikaanse context kwam zijn houding op mij over als vrij afwerend. Tot mijn verbazing vroeg hij 
me om er een kort stuk over te schrijven voor een publicatie, Correspondence getiteld, die hij samenstelde voor de Council on Foreign Relations.

    Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement

    Later voerden we nog enkele gesprekken over politiek die me geen van alle voorbereidden op het moment dat hij plotseling het Amerikaanse protocol liet varen. Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement. Dat was zo on-Amerikaans dat ik me ineens heel erg, nou ja, heel erg Israëlisch voelde. Binnen de individualistische, protestantse cultuur van de Verenigde Staten, zeker in de noordelijke staten, gaapt er een grote afstand tussen individuen, is er een duidelijke norm dat je voor jezelf zorgt, en is 
privacy een groot goed. Precies om 
deze redenen halen Israëli’s die naar Amerika verhuizen aanvankelijk 
opgelucht adem, om na enige tijd met heimwee terug te denken aan Israël.

    Zo kwam het dat we uren liepen te sjouwen met alle onderdelen van de Billy-boekenkasten – een eindeloze hoeveelheid van die zware spaanplaat planken – die naar Marks nieuwe appartement moesten, in de Stuyvesant-buurt in Manhattan, ten oosten van First Avenue. Vervolgens waren 
we nog veel langer in de weer om die kasten in elkaar te zetten. We hadden ruim de tijd om te praten, over van alles en nog wat, van het persoonlijke tot het politieke.

    Mark Lilla is niet de enige die ziet hoeveel schade de identiteitspolitiek heeft aangericht. Er zijn nog meer vooraanstaande mensen die dit signaleren, 
en Bernie Sanders is daar een van. Voor hem is en blijft de kwestie geworteld 
in klassenverschillen. Jazeker. Ook hier geldt: ‘It’s the economy, stupid.’ Dat 
is wat veel van de hardwerkende 
Amerikanen vooral bezighoudt. En veel van die mensen hebben uiteindelijk 
op Trump gestemd.

    Dat de Democratische Partij geen brede visie heeft die mensen verenigt, dat de partij zich heeft ‘vastgebeten’ in identiteitspolitiek, blijkt duidelijk als 
je naar hun website kijkt, zegt Lilla. 
Er is geen boodschap van eenheid, er is juist sprake van balkanisering. Dat is het effect van identiteitspolitiek – het staat de vorming van coalities in de weg. Op de website van de partij staan zeventien verschillende boodschappen voor zeventien verschillende identiteitsgroepen. Klik op de groep waartoe je behoort en je krijgt de boodschap te zien die is toegesneden op jou en je vrienden. Maar ‘de mensen in Amerika die het spel van identiteitspolitiek spelen, moeten goed uitkijken dat er niemand buiten de boot valt,’ zegt Lilla. Natuurlijk blijven in een dergelijke opsomming van groepen (en in de hele identiteitspolitiek) ontelbare mensen en hele categorieën Amerikanen buiten beschouwing. De enorme aantallen gelovigen in dit land, om maar iets te noemen, of de arbeiders. En je hoeft natuurlijk geen wit-nationalistische racist te zijn om je af te vragen of de Democratische Partij blanken niet ook iets te bieden zou moeten hebben.

    Mark Lila
    Mark Lila

    Volgens Lilla schuilt de oplossing er echter niet in om ‘witten’ of ‘doopsgezinden’ aan de lijst van groepen toe te voegen. Nee, de oplossing schuilt erin om los te komen van de obsessie met verschil en op zoek te gaan naar een visie die bindt.

    De vorige keer dat Amerika een dergelijke bindende visie heeft gekend, was die afkomstig van de rechtervleugel. 
De kracht van die visie is tanende, zoals de opkomst van Trump duidelijk heeft gemaakt. Wat doorging voor de ‘visie’ van de Republikeinen bleek een wankel staketsel dat vrijwel geruisloos in elkaar is gezakt. Zoals Lilla het ziet 
is Trump niet alleen een oorzaak, maar ook een symptoom. Trump is een 
destructieve kracht die niet tot iets constructiefs in staat is. Hij biedt een pastiche van een visie, geen echte visie. Er gaat geen enkele inhoud schuil achter zijn loze slogan ‘Make America Great Again’.

    De implicatie is dat er nu sprake is van een ideologisch vacuüm. En dat biedt een kans, denkt Lilla. Liberalen kunnen in dat gat springen, maar dan moeten ze twee dingen doen. Om te beginnen moeten ze met een visie komen die verenigt, niet met een visie die verdeelt. Ze moeten terug naar de basis 
en leren om ‘wij’ te zeggen, zoals de ‘wij, het volk’ uit de grondwet – ‘wij’ in de alomvattende zin, een ‘wij’ waar alle burgers zich onder kunnen scharen. Ten tweede moeten ze afstand doen van de politiek van protesten en 
activistische bewegingen, en terug-
keren naar de politiek van partijen en instellingen.

    Volgens Lilla is identiteitspolitiek een knieval van links voor het conceptuele universum van rechts. ‘Identiteits-politiek is niets nieuws, zeker niet bij rechts Amerika,’ schrijft hij in zijn boek. Een lange geschiedenis van denken in verschillen, gebaseerd op identiteit, is natuurlijk ook de grondslag geweest van slavernij en rassenscheiding. ‘Wat verbijsterend was aan de Reagan Dispensation was de opkomst van een linkse variant die 
de facto uitgroeide tot de geloofsovertuiging van twee generaties linkse intellectuelen.’ Dat is geen historisch toeval. Want de fascinatie, en later 
de obsessie, met identiteit, bracht de 
uitgangspunten van het reaganisme niet structureel in het nauw.’ Ondanks de nadruk op groepen is identiteits-
politiek een verruiming, en geen 
vernauwing, van de sterk individualistische tendens.

    Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig

    Dat is een belangrijke constatering, aangezien identiteitspolitiek iets 
misleidends heeft. Het lijkt of er wordt gehamerd op ‘wij’ in plaats van ‘ik’, maar in feite is het kloppende hart van de identiteitspolitiek een verregaand individualisme. Dat is ook de reden 
dat er binnen elke groep subgroepen ontstaan, of dat er individuen opstaan die, bijvoorbeeld, zeggen dat het 
feminisme in de praktijk exclusief wit is, of exclusief hetero, of dat het zwarte feminisme nog altijd lesbische vrouwen buitensluit, of dat het lesbische feminisme geen ruimte biedt aan 
Hispanics of dikke vrouwen. Of dat 
de letters LGBT in feite queers buitensluiten, evenals aseksuelen en een schijnbaar eindeloos aantal anderen, die allemaal het gevoel hebben dat geen van die letters voldoende nauwkeurig van toepassing is op hun unieke situatie. Want onder dit alles schuilt het principiële verbod om ‘mij’ om wat voor manier dan ook van buitenaf te definiëren. Elke poging om te kijken naar wat twee individuen bindt is daarmee een ontkenning van hun 
volstrekt unieke zelfdefinitie.

    Daaruit volgt dat er binnen deze 
kringen geen stabiele coalities zijn, of kunnen worden gevormd. Het duurt nooit lang of men verwijt elkaar over en weer onderdrukkend bezig te zijn.

    Terwijl overal om hem heen de jaren zestig losbarstten, zat Mark Lilla in de brugklas van een school in Detroit. Hij maakte deel uit van een groepje katholieke Jezusfreaks, liep rond in 
een T-shirt met opdruk ‘Eigendom van Jezus’ en droeg een groot leren kruis om zijn nek. Hij zong gospelnummers en begeleidde zichzelf op de gitaar. 
Hij voerde verhitte discussies met 
zijn klasgenoten en wilde hun het 
religieuze licht laten zien.

    Naarmate Lilla ouder werd, doofde het religieuze vuur. Hij ging studeren aan Wayne State University. Hij beschouwt zichzelf als links, in de ouderwetse zin van het woord. Hij sloot zich aan bij een groep die een radicaal-economische politiek bepleitte. Vervolgens ging hij naar de University of Michigan en haalde daar zijn bachelor, waarna hij doorging naar Harvard.

    Om van Wayne State op Harvard te komen is geen makkelijke opgave voor een jongen met arme ouders. In de 
Verenigde Staten bepaalt de middelbare school waarop je hebt gezeten gewoonlijk op welke vervolgopleiding je wordt toegelaten. En dat is dan weer bepalend voor je financiële toekomst. Maar Mark Lilla was niet zomaar iemand. Hij had drie bijbaantjes en 
kon zodoende zijn studie bekostigen aan de University of Michigan, waar hij omging met de hogere middenklasse. Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig.

    Het is niet meer dan logisch dat de jonge Lilla moeite had met het feit 
dat allerlei ‘gebronsde middenklasse studenten’ hem uitlegden hoe het leven van de arbeidersklasse in elkaar stak. Ook zinde het hem niet te moeten aanhoren hoe docenten, die zeiden te spreken uit naam van de lagere klassen, ‘zich minachtend uitlieten over de feitelijke overtuigingen en meningen van de echte arbeiders’. Hij kende die mensen tenslotte als geen ander. Zijn vader had aan de lopende band gestaan in een autofabriek in Detroit, en was opgeklommen tot tekenaar. Zijn moeder was verpleegster.

    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP
    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP

    Zo werd Mark in de richting gedreven van de neoconservatieven, die zich in zijn ogen ‘veel volwassener’ toonden. Zij droegen geen utopische idealen 
uit, maar bepleitten realistische, 
concrete verbeteringen, gebaseerd op het besef dat er grenzen zijn aan wat 
er via de overheid kan worden bereikt. Ze waren, zo dacht hij destijds, ‘de 
vijanden van de vijanden van de 
arbeidersklasse.’ Dat was ‘voordat de neo-cons in het Reagantijdperk 
veranderden van intellectuelen in apparatsjiks.’

    Hij las hun publicaties en later, toen hij dankzij zijn studieresultaten een plek op Harvard had weten te bemachtigen, schreef hij er ook zelf stukken voor. Met een masterdiploma overheids-beleid van de John F. Kennedy School 
of Government op zak, werd hij aangesteld als redacteur bij The Public Interest. Later keerde hij terug naar Harvard om zijn doctoraal te halen in overheidsbeleid. Hij studeerde af bij de socioloog Daniel Bell. Bell zei dat er drie goede redenen waren om de academische wereld te verkiezen boven de journalistiek: juni, juli en augustus.

    Tijdens zijn lezing aan Rutgers sprak Lilla de hoop uit de verkiezing van Trump niet alleen zou leiden tot een visie die mensen verenigt, maar ook dat de vrijgekomen energie in institutionele politiek zal worden gestoken. ‘In Amerika,’ zei hij tegen de studenten, ‘is er maar één manier om de zwakkeren in bescherming te nemen, en dat is zorgen dat je politieke macht hebt. Institutionele macht. In alle lagen van de federale overheid.’

    En wat hebben de pleitbezorgers van identiteitspolitiek ons te bieden? Geen strijd om de politieke macht, maar een politiek van protestbewegingen. Geen solidariteit, maar de bekrompenheid van steeds kleinere groepen die zich terugtrekken in hun eigen hol. Een steeds sterkere gerichtheid op steeds meer verschillen. En dat gebeurt hier, op de universiteiten, waar het makkelijk is. Op een andere plek heeft Lilla ooit gezegd dat hij bereid is de reis-kosten te vergoeden van iedereen die bereid is ‘daarheen’ te gaan – naar de rode staten, om te bouwen aan een politieke machtsfactor waar de 
Democraten echt iets mee kunnen.

    Ontmanteling van coalities

    Het lijkt of Lilla gelijk heeft wanneer hij dit alles bestempelt als apolitiek. En misschien is hij nog niet streng genoeg wanneer hij zegt dat de middelen van dergelijke groepen niet hun doel dienen. Want de identiteitspolitiek-massa’s dienen vooral de belangen van de elite binnen hun groep. Een toch al geprivilegieerde lesbienne aannemen als presentatrice van het avondjournaal is, uiteindelijk, lang niet zo moeilijk als iets doen aan de problemen van de scholen in de binnensteden van 
Baltimore. Ook de mensen van Black Lives Matter houden zich uiteindelijk niet bezig met de sociale problematiek. Zij houden zich bezig met schuldgevoelens, en ze weten hoe ze die moeten aanwakkeren bij mensen die toch al aan hun kant staan. En zoals met alle vormen van politiek correct gedrag repareren ze de spiegel, maar niet 
het gezicht. En vervolgens verhult de spiegel de problemen van het gezicht. De prijs die daarvoor wordt betaald is, hoe kan het ook anders, de ontmanteling van coalities.

    Op landelijk niveau is de verschuiving naar identiteitspolitiek ten koste gegaan van de New Deal-coalitie van minderheden, met name de alliantie tussen Joden en zwarten. Het is mis-gegaan in 1966, met de opkomst van 
de linkse versie van identiteitspolitiek, onder haar eerste naam: Black Power. In datzelfde jaar kwam Stokely Carmichael aan het hoofd te staan van de SNCC, de zwarte studentenvereniging. Hij gooide ogenblikkelijk alle witten eruit. De meesten van hen waren Joods. Veel anderen binnen de burgerrechtenbeweging omarmden een 
paradigma dat we tegenwoordig postkoloniaal zouden noemen, en ze zeiden dat het zionisme ‘racistisch’ was. Tot groot verdriet van progressieve Joden werd de kloof dieper en dieper.

    De tendens om allianties te verbreken is geen betreurenswaardig neveneffect van identiteitspolitiek. Het is het wezen van identiteitspolitiek. Wie daar nog niet van is overtuigd, hoeft zich alleen maar te verdiepen in de verhitte discussies van een jaar geleden over Dana Schutz’ schilderij van Emmett Till, dat in het Whitney Museum hing. Schutz had een schilderij gemaakt 
van Till, die in de zomer van 1955 in Mississippi is gelyncht. Het was 
overduidelijk een blijk van medeleven met de slachtoffers van de zwarte gelijkheidsstrijd. Maar ineens eiste de zwarte kunstenares Hannah Black dat het schilderij zou worden verwijderd. Een witte kunstenares heeft het recht niet om zich het zwarte lijden toe te eigenen teneinde zichzelf te promoten, aldus Hannah Black.
    Het gedachtegoed van Mark Lilla zou een voorbode kunnen zijn van een nieuwe realiteitszin onder de Amerikaanse intelligentsia, na een halve eeuw van narcisme. Hij zou ook een roepende in de woestijn kunnen blijven. Misschien moeten er nog vele jaren overheen gaan voordat het postmoderne verval dat knaagt aan de wortels van de academische wereld, een halt wordt toegeroepen en er een begin kan worden gemaakt met de wederopbouw. Ondertussen is er weinig waaruit we hoop kunnen putten. Het overgrote 
deel van de hoogopgeleide Amerikanen 
verkettert Trump en zijn aanhang, maar lijkt zich nauwelijks af te vragen op welke manier zij zelf hebben bijgedragen aan de ondergang van hun eigen partij. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat ze open zullen staan voor de introspectie die Lilla voorstaat.

    Terwijl ik aan dit stuk werk, stuurt Mark een groep vrienden een screenshot van Nick Cave’s Instagram-account. Cave ziet eruit alsof hij net een tukje heeft gedaan op zijn stoel in de tourbus. The Once and Future Liberal ligt opengeslagen op zijn borst. Dat is wat hij onderweg leest. ‘Vrienden,’ schreef Mark, 
‘ik mag de academische wereld dan zijn kwijtgeraakt, de king of artrock staat achter me.’

    Auteur: Gadi Taub
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    ‘Sign of the Times: The struggle for Identity’.
    Stadsschouwburg, 2 juni, 20.30

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 
1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

  • 3. Het slachtoffersyndroom

    3. Het slachtoffersyndroom

    Waarom weigeren de Oost-Europese landen vluchtelingen op te vangen? Omdat ze nog steeds leiden aan een collectief trauma uit de communistische tijd, schrijft Slavenka Drakulić.

    Tot voor kort leek het erop dat de landen in Oost- en West-Europa naar elkaar toe groeiden en dat de mentaliteit in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie zich steeds meer aanpaste aan de democratische normen. Maar de vluchtelingencrisis heeft een hardnekkige kloof blootgelegd. Hongarije, de Tsjechische Republiek en Slowakije verzetten zich tegen de verdelingsquota’s, Bulgarije heeft zijn grens gesloten, ook Roemenië voelt niets voor vluchtelingenopvang en Slovenië en Kroatië zeggen dat ze te weinig opvangcapaciteit hebben. Na de laatste verkiezingen heeft Polen zich bij hen aangesloten. Solidariteit? Nee, dank u.

    In het Westen verbaast men zich over de weigering van de Oost-Europese landen om hun verantwoordelijkheid te nemen. Gisteren vroegen ze nog hulp aan Europa, en die hebben ze gekregen ook. Vanwaar dan deze huidige houding? Daar zijn diverse historische redenen voor.

    Grote verwachtingen

    Op het moment dat ze zich aansloten bij de EU hadden de Oost-Europese landen grote verwachtingen, groter dan kon worden waargemaakt. Naast vrijheid, democratie en respect voor de mensenrechten hoopten de burgers op een beter leven. Voor hun verwachtingen van ‘Europa’ (of van het ‘Westen’) hadden ze verschillende argumenten. Om te beginnen het feit dat zij ook Europeanen waren, die na de Sovjet-bezetting eindelijk in het Europa werden opgenomen waar ze ontegenzeglijk bij hoorden.

    Maar het belangrijkste argument was het leed dat hun bevolking was aangedaan tijdens tientallen jaren Sovjettotalitarisme. Dit leed gaf hun de status van slachtoffers. Dat was iets wat het Westen, dat zich in deze periode had ontwikkeld en steeds rijker was geworden, nooit mocht vergeten. De Oost-Europese landen hadden niet alleen recht op deze erkenning, maar ook op een soort schadevergoeding voor alles wat ze hadden ondergaan. Zo dacht men in Oost-Europa over de hulp en de solidariteit van het Westen, waaraan sommigen niet vergaten toe te voegen dat ze ook nog eeuwenlang onder Turkse bezetting hadden geleefd.


    De psychologie van het slachtoffer heeft altijd een grote rol gespeeld in deze voormalige communistische landen, vooral omdat de slachtofferstatus materiële winst kon opleveren. Maar toen ze eenmaal onafhankelijk waren en deze status werd erkend, kwamen er plotseling nieuwe slachtoffers, die nog meer slachtoffer waren!

    Volgens de totalitaire mentaliteit hoeven slachtoffers zich niet verantwoordelijk te voelen, omdat ze niet verplicht zijn andere slachtoffers te helpen. Daar komt nog bij dat deze landen zich niet alleen solidair moeten tonen met de Europeanen, maar ook met moslimimmigranten met een andere cultuur, andere gewoonten en zelfs een andere huidskleur! De burgers van de voormalige communistische landen zijn niet alleen ondankbaar, ze zijn ook xenofoob geworden.

    Terwijl de EU steeds multicultureler werd, sloten de Oost-Europese landen zich steeds meer van de buitenwereld af

    Nog niet zo lang geleden werd er oorlog gevoerd in ex-Joegoslavië om onafhankelijke staten te creëren, en de Tsjechische Republiek en Slowakije gingen uiteen. Roemenië heeft voortdurend problemen met zijn Hongaarse en Romaminderheid. Bulgarije heeft geprobeerd zijn Turkse minderheid Slavisch te maken. De houding van Hongarije tegenover de Roma is nog schandaliger omdat er niet tegen wordt opgetreden.

    Dit alles valt te verklaren vanuit de wil van deze landen om nationale, liefst etnisch zuivere staten te stichten. Terwijl de EU steeds multicultureler werd, sloten de Oost-Europese landen zich steeds meer van de buitenwereld af.

    We mogen niet de rol vergeten die het nationale bewustzijn, de taal en de godsdienst hebben gespeeld bij de verdediging van de nationale en culturele identiteit, die door de totalitaire regimes werd bedreigd. Daarom roept het idee om vreemdelingen op te vangen en te laten integreren angsten op die de xenofobie aanwakkeren. De vraag die dan rijst is de volgende: waarom zou je oorlog hebben gevoerd met je buren en neven als je nu volstrekte vreemdelingen moet opnemen? Waarom zou je, nu je je staat hebt gesticht, omwille van solidariteit afstand moeten doen van je slachtofferstatus en je nationale homogeniteit?

    Hoogtepunt

    Deze weigerachtige houding is dus niet verbazingwekkend. ‘Ondanks alle druk zullen de Hongaren niet bereid zijn hun culturele model te veranderen, omdat ze binnen hun staat geen parallelle samenleving willen creëren, zoals het geval was toen het Westen een groot aantal migranten uit moslimlanden opving,’ heeft Viktor Orbán openlijk verklaard. Ook al is ze moreel onaanvaardbaar, zijn reactie komt niet helemaal uit de lucht vallen.

    In de huidige crisis wenden ook steeds meer West-Europese burgers zich tot conservatieve partijen. De populariteit van de conservatieve en rechts-radicale partijen beleeft een hoogtepunt. In Letland verwijt men de EU dat ze quota’s oplegt en zich gedraagt als Moskou toen dat tienduizenden Russen naar Letland en Estland stuurde. Om vooruitgang te boeken in de vluchtelingenproblematiek zullen we dus enig begrip moeten tonen voor de reacties en het collectieve trauma van de voormalig socialistische landen.

    Auteur: Slavenka Drakulić
    Vertaler: Peter Bergsma

    Slavenka Drakulić is een veel vertaald Kroatisch journalist en auteur die m.n. schrijft over feminisme, communisme en postcommunisme.

    Beeld bovenaan: Migranten rusten aan de Servisch-Hongaarse grens in de buurt van Morahalom. – © Laszlo Balogh / Reuters

    Jutarnji List
    Kroatië, dagblad, oplage 53.000
    Opgericht na de onafhankelijkheid van Kroatië in 1991. De ‘Ochtendkrant’ is de op een na grootste krant van het land, liberaal georiënteerd en biedt veel ruimte voor columns van nieuw Kroatisch schrijftalent.

  • 1. De EU-uitbreiding naar het oosten was een fout

    1. De EU-uitbreiding naar het oosten was een fout

    Noord-Europa heeft heel wat te stellen met de zuidelijke landen en de Britten, schrijft Der Spiegel. Maar de rechts-radicale en nationalistische partijen in het Oosten vormen een veel groter probleem.

    De ontmoeting, begin januari, tussen de Hongaarse premier Viktor Orbán en Jaroslaw Kaczynski [leider van de conservatieve Poolse partij Recht en Gerechtigheid, die sinds oktober 2015 aan de macht is], markeert het begin van de volgende crisis in de Europese Unie: een hernieuwde wig tussen oost en west. De EU kent al twee grote crises: het noorden tegenover het zuiden en Groot-Brittannië tegenover de rest. Beide dateren niet van vandaag of gisteren, alleen de omvang is veranderd.

    Vroeger waren er inkomensverschillen tussen het economisch sterkere noorden en het armere zuiden. Tegenwoordig zijn er economische onevenwichtigheden, wat niet hetzelfde is. Ook het conflict met Groot-Brittannië is al oud. Een kwart eeuw geleden onderhandelden de Britten al over een uitzonderingspositie binnen de Monetaire Unie. Dit jaar houden ze een referendum over het EU-lidmaatschap. Het oost-westconflict in deze vorm is echter nieuw.

    Het resultaat is een interessante geometrische constructie: een kloof tussen het noorden en het zuiden, tussen het westen en het oosten, en tussen het centrum en de periferie. Welkom in het nieuwe Europa.

    In West-Europa gaat de strijd tussen links en rechts, in Oost-Europa tussen rechts en extreemrechts

    Het conflict met de Britten zal dit jaar hoe dan ook worden beslecht. Het conflict tussen noord en zuid zal de EU misschien nog vijf of tien jaar verscheuren. Ik heb er steeds minder fiducie in dat Duitsland en Italië in één monetaire unie naast elkaar kunnen bestaan. Op een gegeven moment wordt de psychische druk gewoonweg te groot.

    Het oost-westconflict is daarentegen een politieke waterscheiding die zijn weerga in de EU niet kent. In West-Europa domineren normaal gesproken twee grote partijen het politieke spectrum, de ene centrumlinks, de andere centrumrechts. Maar in verscheidene Oost-Europese landen – zoals nu in Polen en Hongarije – gaat de strijd tussen rechts en extreemrechts. Van buitenaf lijkt het bijna onmogelijk Orbán nog rechts in te halen, ook al is zijn partij, Fidesz, in het Europese Parlement formeel aangesloten bij de fractie van de christendemocraten. Maar zijn gevaarlijkste tegenstander in Hongarije is de nationalistische partij Jobbik.

    Nieuw rechts in Oost-Europa veracht de liberale landen in het Westen. Vanuit hun optiek is Duitsland liberaal, en staat Merkel links van het midden. Een politiek van open grenzen voor vluchtelingen is wat hun betreft ondenkbaar. Orbán beveiligt zijn grenzen met prikkeldraad.

    Nieuw rechts in Oost-Europa is overigens niet volledig homogeen. Orbán bewondert Vladimir Poetin, Kaczynski haat de Russische president. Enkele rechtse politici, zoals de voormalige Tsjechische president Václav Klaus, zijn radicaal op het gebied van marktwerking. Kaczynski is dat bepaald niet.

    Ondemocratisch

    In Duitsland zouden Orbán en Kaczynski misschien als rechts-radicalen worden bestempeld en onder observatie van de binnenlandse veiligheidsdienst worden gesteld. Hun regeringen hebben de onafhankelijkheid van justitie, pers en zelfs de centrale banken aanzienlijk beperkt. Wat er in deze landen gebeurt, is absoluut niet verenigbaar met de democratische grondbeginselen van de EU.

    Vanuit onze optiek wekt echter nog iets anders verbazing. Hoe komt het dat in deze landen op dit moment nationalistische gevoelens bovenkomen, juist nu ze zijn toegetreden tot de EU? Als Orbán of de Kaczynski’s tien jaar eerder waren gekozen, dan was ons hun lidmaatschap bespaard gebleven. Nu is dat niet meer ongedaan te maken.

    Vergeleken met Oost-Europa zijn de Britten perfecte teamplayers

    En zelf willen ze niet uittreden, want het lidmaatschap van de EU is financieel aantrekkelijk. Dat is een belangrijk verschil met de Britten. De voorstanders van een Brexit verwachten duidelijke economische voordelen. Velen van hen zijn conservatief, maar er zitten ook veel linkse politici tussen. Als je naar Orbán en Kaczynski kijkt, zie je opeens dat we veel gemeen hebben met de Britten. Groot-Brittannië heeft weliswaar ook een rechts-conservatieve partij, UKIP, maar die is bij de laatste verkiezingen compleet geïmplodeerd. Nog meer dan bij ons bestaat politiek daar uit een klassieke strijd tussen een conservatieve en een sociaaldemocratische partij. Geschillen met EU-partners worden opgelost via onderhandelingen, niet met eenzijdige besluiten. De Britten respecteren geldend recht. Ze willen het veranderen, niet schenden.

    Het unilateralisme van het Oosten zal de volgende breuklijn zijn in de politieke geometrie van de EU. Met zo veel van die zwakke plekken moet je niet verbaasd staan als het vroeg of laat tot een echte breuk komt. Ikzelf beschouw de uitbreiding van de EU naar het Oosten achteraf als een grote fout. We hebben landen de EU binnengehaald die Europese integratie geen snars interesseert. Vergeleken met hen zijn de Britten altijd perfecte teamplayers geweest.

    Auteur: Wolfgang Münchau
    Vertaler: Pieter Streutker

    Beeld bovenaan: Migranten rusten aan de Servisch-Hongaarse grens in de buurt van Morahalom. – © Laszlo Balogh / Reuters

    Der Spiegel
    Duitsland, weekblad, oplage 976.000
    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.