Tag: start-up

  • VS geven groen licht aan kweekvlees voor de consumentenmarkt

    VS geven groen licht aan kweekvlees voor de consumentenmarkt

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » IJsland schort de walvisjacht op vanwege dierenwelzijn

    » China: minstens 31 mensen gedood door een explosie in een restaurant

    Kweekvlees zal eerst in toprestaurants beschikbaar zijn

    De Verenigde Staten staan toe dat in het laboratorium gekweekt kippenvlees op de markt wordt gebracht. ‘Het is een historische stap die het voedsellandschap onherroepelijk zal veranderen’, aldus Time Magazine. Op woensdag werden de Verenigde Staten het tweede land, na Singapore, dat de weg vrijmaakt voor kunstmatig vlees op ons bord door goedkeuring te geven aan de Californische bedrijven Upside Foods en Good Meat om hun producten op de markt te brengen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Tal van start-ups streven ernaar om zogenaamd ‘kweekvlees’ te produceren en op de markt te brengen, zodat mensen dierlijke eiwit kunnen consumeren zonder dierenleed te veroorzaken. Time wijst er echter op dat de producten van Upside Foods en Good Meat naar verwachting niet onmiddellijk in supermarkten verkrijgbaar zullen zijn. De twee bedrijven plannen ‘een geleidelijke uitrol, te beginnen met toprestaurants’ in de VS.

    ‘Het nieuws uit de VS is een opwindende ontwikkeling voor het hele ecosysteem van cellulaire landbouw,’ zegt Maarten Bosch tegen Time. Bosch is de CEO van Mosa Meats, een in Nederland gevestigd bedrijf dat een van de eerste was die met deze technologie aan de slag ging. Kweekvlees wordt gemaakt van een klein aantal stamcellen dat in een bad met voedingstoffen in een bioreactor wordt opgekweekt tot een volwaardig stukje vlees.

    Lees ook:

  • Nigeria: start-up wil openbaar vervoer verbeteren met elektrische bussen

    Nigeria: start-up wil openbaar vervoer verbeteren met elektrische bussen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » De VS kunnen mogelijk hun rekeningen niet betalen vanaf 1 juni

    » Fietsstad Parijs: meer dan 400.000 fietsritten per dag

    Elektrische busjes voor Nigeria

    Ook al is Nigeria de grootste olieproducent van Afrika, de wachtrijen bij benzinepompen zijn er lang en de tarieven voor openbaar vervoer onberekenbaar vanwege de onbetrouwbare toevoer van brandstof. Daarom is Mustapha Gajibo (30) in Maiduguri begonnen met Phoenix Renewables, een start-up voor elektrische voertuigen, schrijft MIT Technology Review. Ondanks de scepsis over de beperkte oplaadmogelijkheden begon hij met het elektrisch maken van bestaande minibusjes en kekes, gemotoriseerde driewielers.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Veel mensen geloven niet dat elektrische mobiliteit mogelijk en commercieel levensvatbaar is,’ zegt Gajibo. Maar langzaamaan wint hij terrein. Zijn bedrijf onderhoudt nu een tiental elektrische minibussen die met een volle accu 150 kilometer kunnen afleggen; volledig opladen kost ongeveer 1,30 euro. Gajibo en medeoprichter Sadiq Abubakar Issa hebben een zelfontworpen oplaadstation op zonne-energie van 60 kilowattuur in hun stad neergezet en mikken op meer stations.

    Inmiddels zijn ze overgestapt van het ombouwen van benzinemotoren naar nieuwgebouwde elektrische voertuigen. De eerste is een bus met twaalf zitplaatsen, gemaakt van lokaal geproduceerde materialen, met een actieradius van 200 kilometer, die met zonne-energie in 35 minuten kan worden opgeladen via een geïntegreerd systeem. Tijdens een testmaand in Maiduguri vervoerden zijn busjes 35.000 passagiers. Een nieuwe minibus met verbrandingsmotor kost ruim 9000 euro; zoals de busjes op zonne-energie van Gajibo. Het uiteindelijke doel is om te concurreren met Tesla.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/de-snelst-groeiende-verstedelijking-ter-wereld/
  • Filosoof moet machocultuur in start-ups aanpakken

    Filosoof moet machocultuur in start-ups aanpakken

    De CEO van Kitu Life Inc., een start-up die superkoffie produceert, constateerde een probleem in zijn bedrijf: er werkten alleen maar ‘white dudes’. Dus belde hij een oud-docent van zijn filosofieopleiding.

    Op het hoogtepunt van de #MeToo-beweging, kregen bedrijven als Uber en Facebook te maken met een boycott. Jim DeCicco, de CEO van Kitu Life Inc., was niet helemaal gerust op de cultuur die binnen zijn eigen bedrijf heerste.

    Zowel hij als zijn twee broers – met wie hij samen de in Manhattan gevestigde start-up had opgezet die Super Coffee produceert, een drankje waaraan proteïne is toegevoegd – zijn jong en sportief, het soort mannen dat ze zelf zouden omschrijven als ‘white dudes’, en ook precies het soort mannen dat ze destijds hebben aangenomen in hun bedrijf.

    ‘Soms was het hier net een kleedkamer na een sportwedstrijd,’ zegt DeCicco.

    De sfeer was supercompetitief en het kwam wel eens voor dat een van de teamleden het uiterlijk van een vrouw becommentarieerde, of dat er antisemitische opmerkingen werden gemaakt.

    DeCicco was vastbesloten dit een halt toe te roepen op een moment dat het bedrijf nog betrekkelijk klein was.

    Zijn oplossing? Hij huurde een filosoof in.

    ‘Je kunt niet domweg zeggen dat je belang hecht aan vertrouwen en integriteit. Wat betekent dat in godsnaam?’

    ‘Het leek me een interessante manier om ethische en morele principes en bepaalde normen en waarden te vervlechten in het bedrijf zonder dat er meteen zo’n bureaucratische sfeer zou ontstaan waarin je allerlei HR-protocollen moet volgen,’ aldus DiCicco.

    De filosoof in kwestie was Reid Blackman, een zogeheten consultant ethische risico’s uit Brooklyn. Blackman had twintig jaar in de academische wereld gewerkt. Hij had ethica gedoceerd aan Colgate University, waar DiCicco een major filosofie had gedaan. Toen DiCicco een bericht van zijn voormalig docent op LinkedIn zag staan, stuurde hij hem een berichtje en stelde voor een keer koffie te gaan drinken.

    Witte mannen

    Blackman had al snel door waar de schoen wrong – hij zag een foto van het Kitu-team op LinkedIn. Vrijwel uitsluitend witte mannen. ‘Ik zei meteen: “Dat is vragen om problemen!”’ herinnert hij zich.

    Het was volkomen begrijpelijk dat het zo was gelopen. De drie DeCicco-broers, allemaal in de twintig, zijn opgegroeid in Kingston, New York. Hun ouders werkten bij de plaatselijke YMCA en in de bouw. Jordan, de jongste, ontwikkelde Super Coffee op zijn studentenkamer toen hij aan Philadelphia University zat. Hij stopte met zijn studie om zijn tijd volledig aan het bedrijf te kunnen wijden. Al snel voegden zijn broers zich bij hem, geholpen door hun tantes, die $30.000 in hun bedrijf staken.

    Het drietal huurde een appartement in Lower Manhattan. Ze werkten dag en nacht en namen hun vrienden in dienst. ‘Ons hoofd verkoop was de aanvoerder van Jordans basketbalteam,’ zegt DiCicco. ‘Onze regionale salesmanager was Jakes kamergenoot.’ Wat kon een filosoof voor hen betekenen?

    ‘Filosofie helpt je zin van onzin te onderscheiden,’ zegt Blackman, die zelf ook een zakelijke achtergrond heeft: vijftien jaar lang heeft hij zijn eigen groothandel in vuurwerk bestierd.

    Ethische uitgangspunten zijn niet subjectief, zegt hij, en normen en waarden moeten worden gedragen door je handelen. ‘Je kunt niet domweg zeggen dat je belang hecht aan vertrouwen en integriteit,’ zegt hij. ‘Wat betekent dat in godsnaam?’ Blackman was twee dagen per week op de werkvloer aanwezig en stelde als eerste een ethisch handvest van twee pagina’s op. Hij begon bij de drie broers en betrok gaandeweg het hele Kitu-team bij zijn project.

    Sommige onderwerpen sneuvelden zodra de medewerkers dieper ingingen op de bijbehorende normen en waarden. Zo wilden de broers graag in het handvest opgenomen hebben dat ze zich bekommerden om de arbeiders die de koffiebonen plukken, maar uiteindelijk moesten ze erkennen dat het niet binnen hun macht lag echt iets voor die mensen te doen. Dus dat punt werd geschrapt.

    Wat overbleef: Een toezegging om in een grotere en meer diverse vijver te vissen bij het aannemen van personeel. In het handvest staan concrete actiepunten, zoals: ‘Adverteren op plekken waar niet-witte mannen zijn.’

    Familie

    Het bedrijf zegt sindsdien te zijn gegroeid van een tiental medewerkers, onder wie 2 vrouwen en 2 minderheden, naar 66 medewerkers, waarvan 22 vrouwen en 11 minderheden. Het managementteam bestaat voor twee derde uit vrouwen en het gemiddelde jaarsalaris van de vrouwelijke medewerkers is $75.000 dollar, tegen $64.000 voor de mannen.

    Op het front van het welzijn biedt Kitu inmiddels een onbeperkt aantal vakantiedagen en men zorgt dat het aantal telefoontjes en mails na werkuren beperkt blijft.

    Om een cultuur van samenwerking te stimuleren krijgen ook de vertegenwoordigers een salaris in plaats van commissie. Vergaderingen zijn erop gericht strategieën te delen en ‘hulp’ te herkennen.

    Volgens Blackman, die $500 tot $600 per uur rekent, leidt een goede bedrijfsethiek tot goede resultaten

    Martin Chung, de regionale sales manager, die eerder bij twee andere drankjesstart-ups heeft gewerkt, zegt dat er een duidelijke cultuuromslag heeft plaatsgevonden sinds hij in 2017 bij Kitu is komen werken, en dat hij meer saamhorigheid voelt dan ooit. ‘We beschouwen elkaar als familie,’ zegt hij.

    Maar bij het creëren van een ethische cultuur komt meer kijken dan beleid uitstippelen. Blackman geeft ook workshops waarin Kitu-medewerkers op grond van logica onderwerpen analyseren, zoals de vraag wat nou precies een kwetsende opmerking is, of wanneer iemand zich bot gedraagt.

    Blackman, die $500 tot $600 per uur rekent en die voor allerlei bedrijven werkt, van softwarebedrijven tot een start-up in biochip-implantaten, zegt dat een goede bedrijfsethiek leidt tot goede resultaten. In het geval van Kitu lijkt dat inderdaad het geval.

    Volgens Alliance Sales & Marketing is Kitu zonder meer de snelst groeiende partij binnen het ready-to-drink koffiesegment in Amerika. In het afgelopen kwartaal is de verkoop aan supermarkten meer dan verviervoudigd ten opzichte van het jaar ervoor. Super Coffee is verkrijgbaar in 12.500 winkels verspreid over heel Amerika, waaronder Target en CVS, en de totale omzet over 2019 lijkt in de buurt te gaan komen van de $28 mln, aldus Kitu.

    En ja, het team bestaat nog altijd voor een groot deel uit mannen, en voorgenomen veranderingen zoals anonieme screening van sollicitatiebrieven moeten nog worden geïmplementeerd. Maar Jim DeCicco is blij met de vooruitgang die is geboekt. Iedereen kan een nieuwe koffiedrank op de markt brengen, zegt hij, maar door de bedrijfscultuur zal Kitu in staat zijn het succes ook vast te houden.

    ‘Bij ons werken zeventig gemotiveerde mensen,’ zegt hij, ‘en die hebben een bredere visie dan alleen koffie verkopen.’

  • Deze Zwitserse start-up staat voor een herculische opgave: het redden van de wereld

    Deze Zwitserse start-up staat voor een herculische opgave: het redden van de wereld

    Twee jonge ondernemers willen CO2 uit de lucht halen en opslaan, tegen prijzen die consumenten kunnen betalen. Als dat lukt, dan kan dat grote gevolgen hebben voor de toekomst van de mensheid. Maar hoe verkoop je iets wat nooit eerder heeft bestaan, wat misschien nooit goedkoop zal worden, op een markt die er nog niet is?

    Iets meer dan honderd jaar geleden verzamelde de Duitse wetenschapper Carl Bosch in Ludwigshafen een team technici om zich heen om te werken aan een nieuwe scheikundige techniek. Een andere Duitse scheikundige, Fritz Haber, had een jaar daarvoor een methode ontdekt om stikstof (N), uit de lucht te halen en te combineren met waterstof (H), en was er zo in geslaagd kleine hoeveelheden ammoniak (NH3) te produceren. Maar Habers methode was uiterst gevoelig, en vereiste hoge temperaturen en hoge druk. Bosch wilde een manier vinden om Habers ontdekking commercieel toepasbaar te maken – ‘op te schalen’, zoals we tegenwoordig zouden zeggen. Iedereen die de stand van de Europese industrie kende, kon zien dat dit een lastige opgave was: de technologie bestond gewoonweg niet.

    In de volgende tien jaar wisten Bosch en zijn team echter een groot aantal technische en metallurgische obstakels te overwinnen. Hij noemde ze op in zijn aanvaardingstoespraak voor de Nobelprijs voor Scheikunde – die hij won omdat het Haber-Bosch-proces, zoals zijn onderzoek uiteindelijk heette, de wereld veranderde. Zijn doorbraak maakte het mogelijk om op industriële schaal ammoniak te produceren, en zo de wereld te voorzien van een overvloed aan goedkope kunstmest.

    Wetenschapper en historicus Vaclav Smnil heeft Haber-Bosch ‘de belangrijkste uitvinding van de twintigste eeuw’ genoemd. Bosch was erin geslaagd om de beperkingen voor graanoogsten weg te nemen, en hij werd dan ook algemeen gezien als de man die ‘brood uit lucht’ maakte. Naar schatting heeft het werk van Bosch de afgelopen honderd jaar het leven van meer dan twee miljard mensen mogelijk gemaakt.

    Van het begin af aan was het grote voordeel voor het Haber-Bosch-proces dat er al een markt voor bestond. Er was al veel vraag naar kunstmest, maar die moest voornamelijk komen uit beperkte natuurlijke hulpbronnen op afgelegen plekken – vogelpoep die van verre eilanden in de buurt van Peru werd geschraapt, bijvoorbeeld, of minerale stikstofafzettingen die uit de Chileense woestijn werden opgegraven. Synthetische ammoniak ging de concurrentie aan met bestaande producten en kon daardoor een bestaand innovatietraject volgen. Zoals ledlampen de tl- en gloeilampen hebben verdrongen (die op hun beurt weer de plaats van kerosinelampen en waskaarsen hadden ingenomen), neemt een nieuw product of proces vaak de plaats in van iets waar al vraag naar is. Als het beter of goedkoper is – en vooral als het beter én goedkoper is – komt het meestal als overwinnaar uit de concurrentiestrijd. Dat gold ook voor Haber-Bosch.

    Het zou zomaar kunnen dat er nu opnieuw een gas, namelijk koolstofdioxide (CO2), uit de lucht kan worden gehaald voor commerciële doeleinden, en dat de verwijdering van dat gas grote gevolgen kan hebben voor de toekomst van de mensheid. Maar het is misschien nog te vroeg om dat met zekerheid te zeggen.

    Direct air capture

    Op een zonnige dag in oktober klim ik met technici van een Zwitsers bedrijf, Climeworks, naar het dak van een afval verbrandende energiecentrale in Hinwil, een dorp op zo’n halfuur rijden van Zürich. Voor ons zien we twaalf grote apparaten die lijken op uit hun krachten gegroeide voorlaadwasdrogers, opgestapeld in twee rijen van zes. Dit is een installatie voor een techniek die ‘direct air capture’ wordt genoemd, en die binnenkort moet gaan functioneren. Dan gaan deze apparaten via hun luchtfilter koolstofdioxide uit de lucht zuigen. Eenmaal afgevangen wordt de CO2 overgeheveld in grote tanks en per truck naar een plaatselijke bottelfabriek van Coca-Cola gebracht, waar het de prik in de limonade moet worden.

    De apparaten verbruiken een grote hoeveelheid energie. Ze hebben elektrische ventilatoren die lucht naar binnen zuigen over speciale absorberende korrels die een verbinding aangaan met CO2; vervolgens wordt er bij tussenpozen hete lucht in geblazen, waardoor het gevangen gas weer vrijkomt uit het absorberende materiaal. De hele cyclus van afvangen en vrijgeven wordt geregeld door speciaal hiervoor ontworpen software. Climeworks heeft de apparaten op het dak van een energiecentrale geïnstalleerd om gebruik te kunnen maken van de CO2-neutrale elektriciteit en de warmte van de vuilverbranding. Enkele tientallen meters van de nieuwe installatie bevindt zich nog een oudere stapel van acht Climeworks-apparaten, die al meer dan een jaar op dit zelfde dak staan te zoemen. In dat jaar hebben ze zo’n duizend ton koolstofdioxide uit de lucht gevangen en die via een pijpleiding geleverd aan een enorme kas in de buurt, waar de CO2 dient om tomaten, avocado’s en veldsla te kweken. Tijdens een rondleiding door de kas laat bedrijfsleider Paul Ruser mij de proef op de som nemen. ‘Hier, probeer maar eens,’ zegt hij, terwijl hij me een knapperige, rijpe komkommer voorhoudt die hij van een plant naast zich heeft geplukt. Het is de lekkerste direct-air-capture-komkommer die ik ooit heb geproefd.

    Deze dakinstallatie vertegenwoordigt een noviteit: Climeworks is de eerste direct-air-capture-onderneming in de geschiedenis die CO2 per ton wil gaan verkopen. Toen de oprichters van het bedrijf, Christoph Gebald en Jan Wurzbacher, een aantal jaren geleden de plannen voor hun bedrijf openbaarden, kregen ze een stortvloed van scepsis over zich heen. ‘Ik denk dat negen van de tien mensen kritisch reageerden,’ vertelt Gebald. ‘Eerst zei iedereen: “Dit gaat technisch nooit werken.” Nadat we in 2017 de grote installatie in Hinwil hadden gebouwd, konden we laten zien dat het technisch wél werkt. Maar toen zeiden ze: “Nou, economisch gaat het niet werken.”’

    © Climeworks
    © Climeworks

    Voorlopig hebben deze sceptici gelijk: het bedrijf maakt geen winst. De kosten voor de bouw en installatie van de achttien collectoren in Hinwil, die in de eigen werkplaats in Zürich met de hand zijn geassembleerd, liggen tussen de 3 en 4 miljoen dollar, en dat is de belangrijkste reden waarom het de onderneming tussen de 500 en 600 dollar kost om een ton CO2 uit de lucht te halen. Ook al heeft Climeworks bij particuliere investeerders en via subsidies zo’n 50 miljoen dollar opgehaald, het bedrijf staat voor een even lastige opgave als Carl Bosch een eeuw geleden: hoe ver kan het de kosten omlaag brengen? En hoe snel kan het opschalen?

    Gebald en Wurzbacher zijn ervan overtuigd dat ze commercieel voet aan de grond kunnen krijgen door hun dure CO2 te verkopen aan bedrijven in de landbouw- of drankensector. Niet alleen hebben deze bedrijven toch al CO2 nodig, maar bovendien willen sommige er kennelijk ook extra voor betalen, om zo hun producten als milieuvriendelijk te kunnen etaleren.

    Toch vormen kassen en limonadeprik samen wereldwijd maar een kleine markt – waar misschien 6 miljoen ton CO2 per jaar valt af te zetten. En Gebald en Wurzbacher zijn niet aan het CO2-vangen begonnen met als doel om veldsla te verbouwen of prik in Fanta te stoppen. Ze verwachten de komende zeven jaar de kosten zo ver omlaag te kunnen brengen dat ze hun CO2 ook op lucratievere markten kunnen afzetten. Uit de lucht gevangen CO2 kan gecombineerd worden met waterstof en dan kun je er elke soort vervanging voor fossiele brandstof van maken die je maar wilt: geen brood uit lucht, maar brandstof uit lucht. Climeworks en een Canadees bedrijf, Carbon Engineering, werken nu al hard aan dit idee; de Canadezen hebben zelfs investeerders (onder wie Bill Gates) gevonden voor de productie in grote industriële complexen van synthetische brandstof uit in de lucht gevangen CO2.

    Het uiteindelijk doel van direct air capture is echter niet om er een product van te maken – tenminste niet in de traditionele betekenis van het woord. Wat Gebald en Wurzbacher eigenlijk willen is grote hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer halen en voorgoed diep onder de grond stoppen, en deze service verkopen aan andere bedrijven en instellingen die hun uitstoot moeten verminderen. Door Climeworks gevangen CO2 is inmiddels al diep in rotsformaties onder IJsland geïnjecteerd; eind dit jaar wil de firma vijftig installaties in de buurt van Reykjavik in werking hebben om de operatie uit te breiden. Maar wanneer het zover is, betreedt het bedrijf onontgonnen economisch terrein – als leverancier van een dienst die wel dringend nodig lijkt als bijdrage aan een oplossing voor de klimaatverandering, maar die op dit moment geen vervanging biedt voor iets anders in het consumenten- of industriële landschap. Om het nog ingewikkelder te maken: een ton CO2 onder de grond is niet iets waar bij mensen of overheden veel vraag naar is. En dus bevinden bedrijven als Climeworks zich in een lastig parket: hoe verkoop je iets wat nooit eerder heeft bestaan, wat misschien nooit goedkoop zal worden, op een markt die er nog niet is?

    ‘Als je zou uitrekenen hoeveel de investeringen in wind- en zonne-energie hebben opgeleverd, zou de rest van je aandelenportefeuille daarbij in het niet vallen. Het is alsof je hebt geïnvesteerd in een vroege Apple’

    Zelfs de grootste adepten zullen direct air capture geen wondertechnologie noemen. Vaker ziet men het als een oud idee dat nu radicaal wordt verbeterd voor nieuwe toepassingen: in onderzeeërs gebruikt men al minstens sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw ‘scrubbers’ om CO2 te verwijderen. Zeker is zelfs dat direct air capture beschouwd zal worden als een te dure mogelijkheid met een te bescheiden effect voor het verminderen van onze koolstofuitstoot. ‘Direct air capture kan alleen zinnig zijn als we alle andere dingen die we moeten doen, meteen doen,’ zegt de Californische energiedeskundige Hal Harvey, die onderzoek doet naar klimaatvriendelijke technologieën en beleidsmaatregelen. Harvey en anderen stellen dat we de grootste, snelste en goedkoopste vooruitgang in het uit de atmosfeer halen van koolstof kunnen boeken door geheel over te schakelen op hernieuwbare energie of stroom waarvoor weinig koolstof wordt verbruikt; door te kiezen voor elektrische voertuigen en door strengere regelgeving voor toegestane rijafstanden van auto’s en vrachtwagens die op gas rijden; en door meer energie-efficiënte gebouwen en apparaten verplicht te stellen. Kortom, miljoenen direct air capture-apparaten bouwen is op dit moment niet hét middel om vooruitgang te boeken op weg naar een wereld zonder CO2. Daarvoor moeten we in de eerste plaats stoppen met CO2 in de atmosfeer blazen.

    Maar er is niet veel tijd meer om die koolstofuitstoot terug te dringen, de CO2-concentraties in de atmosfeer nemen nog steeds toe. Als alle landen van de wereld op dezelfde weg voort gaan, wordt het onmogelijk om de doelen uit de Parijse klimaatakkoorden van 2016 te halen, waarin is afgesproken dat de aarde niet meer dan 2 graden Celsius, of liever nog 1,5, mag opwarmen. En dat brengt een wereld vol ellende en economische problemen met zich. Nu al zijn de temperaturen in bepaalde regio’s met meer dan 1 graad Celsius gestegen, volgens een rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Deze temperatuurstijgingen hebben geleid tot een toename van droogteperiodes, hittegolven, overstromingen en verlies van biodiversiteit en maken de chaos die zou ontstaan bij een opwarming van nog 2 of 3 graden onvoorstelbaar. Nog een probleem is dat te lang voortgaan op het huidige emissiepad het risico meebrengt dat de ecosystemen van de aarde onherstelbare schade oplopen – een schade die met geen enkele technologische innovatie meer te herstellen is. ‘Natuurlijke systemen hebben geen achteruit,’ zegt Harvey. ‘Als ze gaan, gaan ze. Als we de toendra ontdooien, is het einde verhaal.’

    Hetzelfde kun je zeggen voor de ijsplaten van Groenland en westelijk Antarctica, of van de koraalriffen. Deze natuurlijke hulpbronnen hebben een asymmetrie in hun opbouw: ze hebben zich in duizenden of miljoenen jaren gevormd, maar de afname kan binnen een paar decennia catastrofaal zijn.

    Op dit moment ligt de wereldwijde CO2-uitstoot rond de 37 miljard ton per jaar en koersen we af op een temperatuurstijging van 3 graden Celsius in 2100. Willen we een klimaat behouden waarin mensen kunnen leven, dan zullen de landen van de hele wereld de CO2-uitstoot waarschijnlijk drastisch moeten verlagen ten opzichte van het huidige niveau – tot misschien 15 miljard of 20 miljard ton per jaar in 2030. Vervolgens moeten we, middels een ongekende inspanning van politiek en bedrijfsleven, zorgen dat de koolstofemissies rond 2050 zijn teruggebracht tot nul. Als je het zo bekijkt, lijkt wat Climeworks doet – duizend ton CO2 verzamelen op een dak in de buurt van Zürich – misschien op een poging om met één emmertje de oceaan leeg te scheppen.

    Toch is het idee wel degelijk belangrijk. In het IPCC-rapport van vorig jaar stond dat een beperking van de opwarming tot 1,5 graden in 2100 misschien onhaalbaar is met alleen een snelle overschakeling op schone energie, elektrische auto’s en dergelijke. Misschien moeten we, om een leefbaar milieu te behouden, wel CO2 uit de atmosfeer halen. Zoals Wurzbacher het formuleert: ‘Tel je al die cijfers van het IPCC bij elkaar op, dan kom je uit op zo’n acht tot tien miljard ton – gigaton – CO2 die per jaar uit de atmosfeer gehaald moet worden, als we die 1,5 of 2 graden echt serieus nemen.’

    Nu is het zo dat er al een naam is voor manieren waarop dit soort werk, het uit de atmosfeer halen van CO2, wordt gedaan: negatieve-emissie-technologieën, oftewel NET’s. Sommige NET’s, zoals bomen en planten, waren er al eerder dan wij, en verdienen dit etiket waarschijnlijk niet. Via fotosynthese halen onze bossen buitengewoon grote hoeveelheden koolstofdioxide uit de atmosfeer, en als we meer ons best zouden doen om leeggekapte gebieden te herbebossen, zouden we in de toekomst miljarden tonnen meer koolstof kunnen opnemen. Daarbij zouden we ook speciale gewassen kunnen telen om CO2 op te nemen en die dan verbranden om energie op te wekken, waarbij we de uitstoot van de energiecentrales afvangen en die onder de grond pompen, een proces dat bekendstaat als ‘Bioenergy with carbon capture and storage’, oftewel BECCS. Andere negatieve-emissietechnologieën zijn het zo manipuleren van akkerland of moerassige kustgebieden dat die meer koolstof uit de atmosfeer vasthouden en het vergruizen van minerale formaties zodat die sneller CO2 opnemen, een proces dat ‘versnelde verwering’ wordt genoemd.

    Een miljard bomen planten

    Negatieve emissies kun je zien als een vorm van tijdreizen. Al sinds de Industriële Revolutie produceren menselijke samenlevingen een overschot aan CO2: ze nemen koolstofvoorraden uit het binnenste van de aarde – in de vorm van kolen, olie en gas – en van boven de grond (voornamelijk hout) en sturen die dan de atmosfeer in door ze te verbranden. Nu is het noodzakelijk geworden om dat proces om te keren, dus om de CO2 uit de lucht te halen en die ofwel weer diep in de aarde op te slaan, ofwel vast te houden binnen nieuwe ecosystemen aan het aardoppervlak. Dit is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. ‘Alle negatieve emissie is moeilijk – zelfs bebossing of herbebossing,’ legt Sally Benson, hoogleraar in energiebronnentechniek aan Stanford, uit. ‘Het is geen kwestie van zeggen “Ik wil een boom planten.” Het gaat erom dat je zegt: “We willen een miljard bomen planten.”’ Niettemin bieden dit soort praktijken een glimpje hoop dat de toekomstige emissiedoelen haalbaar zijn. ‘We moeten erkennen dat we te lang hebben gewacht en daardoor bepaalde mogelijkheden hebben uitgesloten,’ zegt Princeton-wetenschapper Michael Oppenheimer, die onderzoek doet naar klimaat en beleid. Vandaar dat NET’s niet langer alleen maar interessante ideeën lijken; ze lijken noodzakelijk. De apparaten van Climeworks op dat dak doen per jaar wel het werk van zo’n 36 duizend bomen.

    Afgelopen najaar publiceerden de National Academies of Sciences, Engineering and Medicine een uitgebreide studie over het verwijderen van koolstof. Volgens Princeton-hoogleraar Stephen Pacala, die de leiding had over het team van auteurs, hebben de diverse negatieve-emissietechnologieën allemaal eigen voor- en nadelen, en is een ‘portfolio-benadering’ – zet ze allemaal in en kijk dan welke de beste zijn – misschien de beste optie. Kunnen de kosten van direct air capture omlaag gebracht worden, dan ziet Pacala grote mogelijkheden in die techniek, zeker als de CO2-collectoren de emissies kunnen opvangen van economische sectoren die om technologische redenen langzamer de transitie naar koolstofneutraal kunnen maken dan andere. De commerciële luchtvaart, bijvoorbeeld, zal niet binnen afzienbare tijd op zonne-energie kunnen overstappen. Volgens Jennifer Wilcox, hoogleraar chemische techniek aan Worcester Polytechnic Institute in Massachusetts, zal direct air capture zo ook kunnen helpen de impact van verscheidene belangrijke industriële sectoren te verkleinen. ‘Bij het maken van ijzer en staal, cement en glas komen proces-emissies vrij,’ zegt ze. ‘Altijd als je die materialen maakt, is er een chemische reactie die CO2 uitstoot.’ Direct air capture zou zelfs de impact van de Haber-Bosch-processen voor het maken van kunstmest kunnen verkleinen; volgens schattingen neemt die industrie nu 3 procent van alle CO2-uitstoot voor haar rekening.

    Pacala vergelijkt de uitdagingen waar Climeworks en Carbon Engineering nu voor staan met die van de industrieën van wind- en zonne-energie in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen die producten duur waren vergeleken met fossiele brandstoffen. Die industrieën konden niet overleven op alleen de vraag uit de private sector. Maar bepaalde beleidsmakers zagen grote voordelen voor het milieu en voor de maatschappij als deze sector over die horde wist te komen. Dankzij overheidsinvesteringen in onderzoek en belastingvoordelen konden de jonge industrieën uitbreiden. ‘Wind en zon zijn nu de goedkoopste vormen van energie op de juiste plekken,’ zegt Pacala. ‘Als je zou uitrekenen hoeveel die investeringen hebben opgeleverd, zou de rest van je aandelenportefeuille daarbij in het niet vallen. Het is alsof je hebt geïnvesteerd in een vroege Apple. Dus het is een spectaculair succesverhaal. En direct air capture is net zo’n soort verhaal, met als enige barrière dat het proces te duur is.’

    © Climeworks
    © Climeworks

    De zestig medewerkers van Climeworks werken voor het merendeel op een groot industrieterrein in Zürich, in een laag gebouw waarvan het bedrijf twee verdiepingen huurt van een Duits luchtvaartbedrijf. De productiewerkzaamheden vinden plaats op de begane grond; boven bevinden zich de onderzoekslaboratoria, een kleine verzameling gedeelde kantoren, een keukentje in een gang en een zitruimte. Er hangt de sobere, nonchalante sfeer van een tech-start-up, afgezien van één ding: de muren zijn behangen met bovenmaatse foto’s van sleutelmomenten in de korte geschiedenis van Climeworks: de lompe vroege prototypes, de opening van de eerste fabriek in Hinwil die CO2 verzamelde voor de kas.

    ‘Het is een beetje bij toeval dat we in Zwitserland zijn gevestigd,’ zegt Wurzbacher. Hij en Gebald zijn allebei opgegroeid in Duitsland en hebben elkaar leren kennen toen ze allebei studeerden aan de E.T.H, de technische hogeschool in Zürich. ‘Op dag één, 20 oktober 2003, leerden we elkaar kennen,’ vertelt Gebald. ‘En op dag één besloten we dat we een bedrijf zouden beginnen.’ Hun ambitie was om ondernemer te worden, niet per se om een direct air capture-bedrijf te beginnen, maar allebei hadden ze belangstelling voor onderzoek naar hernieuwbare energie en het reduceren van emissies.

    Nadat ze allebei hun masterproject hadden afgerond, besloten ze om een prototype van een direct air capture-apparaat te maken en een onderneming te starten. Allebei noemden ze zich directeur. Met steun van een aantal kleine subsidies werd Climeworks in 2009 officieel opgericht.

    Zij waren niet de enigen die wilden proberen iets af te knabbelen van tientallen jaren CO2-uitstoot. Een Amerikaanse start-up, Global Thermostat, die op dit moment de laatste hand legt aan een eerste commerciële fabriek in Alabama, begon in 2010 met het ontwerpen van direct air capture-apparaten. En al vrijwel vanaf het begin zijn Gebald en Wurzbacher in een vriendschappelijke concurrentieslag verwikkeld met David Keith, de hoogleraar techniek van Harvard die rond dezelfde tijd in Canada zijn bedrijf Carbon Engineering is begonnen.

    Het bedrijf van Keith richt zich op een andere direct air capture-technologie; hij gebruikt een proces met grotere hitte en een vloeibare oplossing om CO2 te vangen, waarvan hij vervolgens synthetische brandstoffen wil maken. Het grote voordeel van Climeworks is dat het al vroeg kleinere fabrieken kan bouwen, zegt Keith. ‘Daar ben ik stikjaloers op. Het komt doordat zij een modulair model gebruiken en wij niet.’

    Aan de andere kant denkt Keith dat zijn bedrijf dichter bij de bouw van een grote fabriek is, die tegen lagere kosten koolstof kan vangen en substantiële hoeveelheden brandstof kan produceren. ‘Ik zie niet hoe zij daar tegenop kunnen.’ Gebald zegt te denken dat beide bedrijven succes zullen hebben, elk met hun eigen benadering. Voorlopig hebben de oprichters één ding gemeen: ze zijn ervan overtuigd dat de kosten om een ton koolstof te vangen binnenkort sterk zullen dalen.

    Geen revolutie

    Sommige buitenstaanders denken daar anders over. Howard Herzog van het Massachusetts Institute of Technology (M.I.T.), die jaren heeft gekeken naar de mogelijkheden voor deze apparaten, denkt bijvoorbeeld dat de kosten tussen de 600 en 1000 dollar per ton blijven liggen. De redenen waarom hij zo sceptisch is, zijn voor een deel zeer technisch en hebben te maken met de natuurkundige kant van het scheiden van gassen. Andere zijn makkelijker te begrijpen. Om een ton CO2 te verzamelen, moeten direct air capture-apparaten enorme hoeveelheden lucht door een filter of een oplossing laten stromen. Want hoe groot de mondiale impact van dat gas ook is, het maakt maar zo’n 0,04 procent van onze atmosfeer uit. Dat betekent dat voor dit proces heel veel energie en grote apparaten nodig zijn. Bij vergelijkbare industrieën die gassen scheiden heeft Herzog gezien dat bij de vertaling van de papieren plannen voor het vangen van CO2 naar concrete toepassingen veel verborgen kosten naar boven komen. ‘Hier is veel publiciteit over geweest, maar ik denk niet dat het een revolutie teweeg zal brengen,’ zegt hij. ‘Andere negatieve-emissietechnologieën zullen waarschijnlijk goedkoper blijken. Op zijn best kan direct air capture een bijrolletje spelen.’

    Volgens de cijfers die David Keith en zijn collega’s bij Carbon Engineering vorig jaar naar buiten brachten, zou hun technologie voor het vangen van koolstof de kosten omlaag kunnen brengen tot slechts 94 dollar per ton, maar Herzog is niet overtuigd. Toch betoogt Keith tegenover mij dat twee investeerders in Carbon Engineering – Chevron Technology Ventures en een dochteronderneming van Occidental Petroleum – zijn cijfers uitputtend onder de loep hebben genomen en het erover eens waren dat het ondernemingsplan solide genoeg was om er aanzienlijke bedragen in te steken bij een investeringsronde van 60 miljoen dollar. De beide oprichters van Climeworks zeggen dat zij het eens zijn met de kosteninschattingen van Keith en voor hun eigen technologie een vergelijkbare dalende lijn voorzien.

    Op dit moment streeft Climeworks ernaar om halverwege de jaren twintig 1 procent van de mondiale jaarlijkse CO2-uitstoot te kunnen verwijderen. Maar om dat doel te kunnen halen, als het al mogelijk is, moeten ze de kosten van direct air capture bijna met een factor tien terugbrengen en tegelijkertijd hun klantenkring behouden en zelfs substantieel uitbreiden. Wurzbacher en Gebald hebben plannen voor verscheidene generaties Climeworks-apparaten, waarin elk nieuw model een verlaging van de kosten belooft. ‘We hebben een routekaart – van 600 dollar omlaag naar 400 dollar, omlaag naar 300 en 200 dollar per ton,’ zei Wurzbacher. ‘Dit geldt voor de komende vijf jaar. Tot 200 dollar per ton weten we vrij goed wat we doen.’ Voorbij die 200 dollar wordt de route minder duidelijk, bedoelt hij. Of de kosten nog lager kunnen, hangt af van ‘nieuwe ontwikkelingen’ in technologie of fabricage.

    De beide Climeworks-oprichters zeggen dat ze enorme kostenbesparingen verwachten te kunnen halen uit het opschalen van de productie – waardoor ze materialen goedkoper in het groot kunnen inkopen en geautomatiseerd apparaten kunnen bouwen met behulp van lopende banden in plaats van met de hand, zoals nu gebeurt. Verbeteringen in het ontwerp van de apparaten kunnen verdere kostenreductie opleveren.

    ‘Onderhoud is erg duur,’ zegt Wurzbacher. ‘Als we nu de filters in de collectoren willen vervangen, moeten we een kraan huren, en dat kost veel manuren. Bij de volgende generatie apparaten hebben we daarin veel verbetering gebracht: relatief kleine veranderingen in ontwerp zouden de kosten van onderhoud met een factor drie kunnen terugbrengen.’ Climeworks wil ook besparingen realiseren door verbeteringen van essentiële onderdelen, zoals het materiaal dat CO2 aan zich bindt. Op dit moment vereist de technologie van het bedrijf dat de temperatuur in de apparaten regelmatig wordt verhoogd naar zo’n 1000 graden Celsius, om de CO2 uit de absorberende stof te laten vrijkomen zodat die afgezogen en opgeslagen kan worden. Als dat te bereiken is bij een lagere temperatuur, zullen de collectoren minder energie gebruiken en kan de levensduur van de materialen langer worden, wat de kosten nog verder omlaag brengt.


    De ambities voor massaproductie van het bedrijf lijken nog steeds erg hoog gegrepen. Om daadwerkelijk 1 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot te kunnen vangen zou Climeworks 250.000 direct air capture-installaties zoals die op het dak in Hinwil moeten bouwen. Dat zouden in totaal zo’n 4,5 miljoen CO2-collectoren zijn. Voor een bedrijf dat nog maar honderd collectoren heeft gebouwd (en veertien kleine installaties verspreid over Europa heeft staan), is dat een onthutsend groot aantal. De Climeworks-oprichters proberen hun product dan ook te zien zoals de auto-industrie dat zou doen – als een stuk in massa geproduceerde technologie en metaal, niet als de CO2 die ze hopen te verzamelen. ‘Wat wij doen is het scheiden van gassen,’ zei Wurzbacher, ‘en dat hoort traditioneel thuis in de procesindustrie, zoals olie en gas. Maar wij zien onszelf daar niet echt.’

    De twee oprichters wijzen erop dat Toyota meer dan tien miljoen auto’s per jaar maakt. ‘Elke CO2-collector heeft ongeveer hetzelfde gewicht en dezelfde afmetingen als een auto – ruwweg twee ton, en ruwweg twee bij twee bij twee meter,’ zei Gebald. ‘En alle methoden die worden gebruikt om de CO2-collectoren te bouwen zijn heel goed te automatiseren. Dus hebben wij de auto-industrie voor ogen als voorbeeld voor hoe je dingen in grote hoeveelheden tegen lage kosten produceert.’ De twee mannen hebben al advies gevraagd bij Audi. Ze zijn zich er ook van bewust dat de auto-industrie haar methoden in de loop van honderd jaar heeft geperfectioneerd. Wil Climeworks ook maar enige impact hebben, dan heeft het bij lange na niet zo veel tijd.

    Publieke goederen

    In 1954 kwam econoom Paul Samuelson met een theorie waarin hij onderscheid maakte tussen ‘particuliere consumptiegoederen’ – brood, auto’s, huizen en dergelijke – en goederen die buiten de gebruikelijke wetten van vraag en aanbod bestaan. De moderne mondiale markten slagen er goed in een prijskaartje te hangen aan de particuliere goederen die we nodig hebben en willen. Maar het andere type goederen dat Samuelson beschreef en dat we nu ‘publieke goederen’ noemen, is iets waarvan iedereen profiteert maar dat niet op die manier wordt gekocht, verkocht of geconsumeerd. De definities van publieke goederen lopen uiteen, maar vaak gebruikte voorbeelden zijn vuurtorens, defensie en schone lucht.

    Direct air capture kan ongetwijfeld particuliere consumptiegoederen opleveren, zoals koolzuur voor alcoholvrije dranken of brandstoffen. Wat de waarde van deze techniek zo moeilijk in te schatten maakt, is dat de leveranciers ervan met het begraven van CO2 voor een betere atmosfeer – en vrijwel zeker voor een betere toekomst – ook een publiek goed zouden creëren. ‘Als je alleen CO2 verzamelt en begraaft, is het probleem dat er nog geen markt is,’ zegt Julio Friedmann, een voormalig functionaris op het Amerikaanse ministerie van Energie, die nu aan de Columbia University werkt. ‘Waar het echt om gaat is dat je tegen betaling milieudienstverlening aanbiedt.’ En dat betekent, kort gezegd, dat het succes van direct air capture beperkt zou blijven tot de afmetingen van de markt voor particuliere goederen – prik in limonade, broeikasgas – tenzij overheden zouden besluiten om zich ermee te bemoeien en bij te dragen aan de financiering van het equivalent van verscheidene miljoenen (of meer) vuurtorens.

    Die bemoeienis kan verschillende vormen hebben. Te denken valt bijvoorbeeld aan ruime subsidies voor onderzoek naar betere absorberende materialen, wat te vergelijken zou zijn met de overheidsinvesteringen waarmee lang geleden de industrieën voor zonne- en windenergie zijn gevoed. Maar hulp kan ook komen door uitbreiding van de al bestaande regelgeving. Een nieuwe en onduidelijke Amerikaanse belastingmaatregel, die bekendstaat als 45Q en vorig jaar is ondertekend door president Trump, biedt lastenverlichting voor bedrijven die CO2 opslaan in geologische formaties. Die verlichting komt ten goede aan olie- en gasmaatschappijen die CO2 de grond in pompen bij boorwerkzaamheden, en aan energiecentrales die uitstoot rechtstreeks afvangen uit hun schoorsteenpijp. Ook Climeworks zou ervan kunnen profiteren, mocht het bedrijf installaties openen in de Verenigde Staten, maar alleen als het erin slaagt om honderdduizend ton CO2 per jaar te verwijderen en begraven.

    Ook kunnen overheden CO2 duurder maken. De oprichters van Climeworks geloven dat hun bedrijf alleen kan slagen op ‘klimaatimpact-schaal’, zoals zij het noemen, als de wereld aanzienlijke prijzen gaat rekenen voor emissies, in de vorm van een CO2-belasting of CO2-tarief. ‘Ons doel is het mogelijk te maken CO2 uit de lucht te vangen voor minder dan 100 dollar per ton,’ zegt Wurzbacher. ‘Niemand heeft een glazen bol, maar wij denken – en zijn er vrij zeker van – dat we zo tegen 2030 een mondiale gemiddelde prijs voor CO2 zullen hebben in de orde van 100 tot 150 dollar per ton.’ Dat is optimistisch gedacht, geeft hij toe; op dit moment hebben alleen nog maar enkele Europese landen vooruitgang geboekt met het vaststellen van een prijs voor CO2, en in de Verenigde Staten is de CO2-belasting onlangs in verkiezingen verworpen. Maar toch, als dat soort prijzen werkelijkheid zouden worden, zou dat op verschillende manieren de markt voor CO2-extractie stimuleren. Een bedrijf dat een product verkoopt of een proces gebruikt dat veel uitstoot oplevert – een luchtvaartmaatschappij bijvoorbeeld of een staalfabrikant – zou dan verplicht worden om bedrijven die CO2 verwijderen 100 dollar of meer per ton te betalen om hun uitstoot van CO2 te compenseren. Of een overheid zou de opbrengsten van de CO2-belasting kunnen gebruiken om bedrijven rechtstreeks te betalen voor het verzamelen en begraven van CO2. Bij gebrek aan een overheidsoptreden van betekenis, zou een miljardair die goed wil doen misschien al zijn geld kunnen stoppen in het vangen en begraven van CO2.

    Als koolstof een fatsoenlijke prijs zou hebben, zouden toezichthouders wereldwijd een CO2-boekhouding moeten bijhouden om erop toe te zien dat direct air capture-apparaten evenveel CO2 opzuigen en begraven als uitstoters produceren. Omdat CO2-emissies zich snel met de atmosfeer vermengen, zou de locatie van de installaties er weinig toe doen, afgezien van de noodzaak om ze in de buurt van schone energiebronnen en geschikte gebieden voor onderaardse opslag te plaatsen. Met andere woorden: een direct air capture-installatie in IJsland zou evenveel CO2 kunnen opnemen als een Boeing 747 in Australië uitstoot, en zo de impact daarvan op het milieu teniet kunnen doen. En het proces van onderaards opslaan levert geen beperkingen op. ‘Het kost niet zo veel om CO2 de grond in te pompen,’ zegt Sally Benson van Stanford. Bedrijven slaan per jaar al zo’n 34 miljoen ton CO2 op in de bodem, op een aantal plekken over de hele wereld, meestal ten behoeve van het olieboorproces. ‘De kosten lopen uiteen van 2 tot 15 dollar per ton. Dus de grootste kostenpost hiervoor zijn de kosten van het vangen van CO2.’

    ‘Je vliegt naar Europa en de app vertelt je dat je zojuist 1,7 ton CO2 hebt verbrand. Wil je die verwijderen? Nou, dat kan Climeworks voor je doen. Klik hier’

    In een denkbeeldige CO2-vrije toekomst, zouden de te verwachte inkomsten voor direct air capture-bedrijven enorm zijn. ‘Als we 100 tot 150 dollar per ton krijgen, zegt Wurzbacher, ‘dan is de markt vrijwel oneindig.’ Zo groot dat hij betwijfelt of zijn bedrijf alle potentiële klanten zou kunnen bedienen, zelfs al zou het een exponentiële expansie doormaken. Bij zulke lage prijzen zouden bedrijven mogelijk CO2-verwijdering in hun prijsstelling kunnen doorberekenen – of gedwongen kunnen worden om dat te doen – en dat zou leiden tot een explosie op de markt. ‘Christoph en ik zeggen altijd: als dit zich zo ontwikkelt als wij denken, zijn wij niet bezig met het oprichten van een bedrijf, maar van een hele bedrijfstak,’ zegt Wurzbacher. Hij noemt het werk in IJsland – een gezamenlijke inspanning die gedeeltelijk wordt gefinancierd door de Europese Unie – de eerste stap in de richting van die bedrijfstak. Op het ogenblik zuigt een enkele Climeworks-collector op een geothermisch veld in Reykjavik lucht binnen en haalt daar de CO2 uit; nadat het gas uit de filter van het apparaat is gespoeld, wordt het gemengd met water, waarbij het in feite warm prikwater vormt. Dan wordt de vloeistof geïnjecteerd in een basaltsteenlaag diep onder de grond. In zo’n twee jaar tijd mineraliseert de CO2, zodat het gas voorgoed ingesloten raakt.

    Op het hoofdkantoor van Climeworks in Zürich vraag ik Valentin Gutknecht, manager business development, of hij de uitstoot waarvoor ik verantwoordelijk ben door mijn vlucht van de VS naar Zürich, in IJsland kan begraven. Hij heeft daarvoor een geschreven overeenkomst die hij kan uitprinten en aan mij kan geven. Maar dat is niet goedkoop, waarschuwt hij. De prijs ligt nu op zo’n 600 dollar per ton, wat inhoudt dat mijn vlucht zo’n 700 dollar extra gaat kosten. Maar ik ben bepaald niet de eerste die dit aan hem vraagt. Vorig weekend, zo vertelt Gutknecht, heeft hij negenhonderd e-mails met verzoeken om informatie binnengekregen. Veel daarvan zijn van potentiële klanten die willen weten hoe snel Climeworks hun CO2-uitstoot kan begraven, of hoeveel een collector hun zou kosten. Ik heb het gevoel dat ik hier een glimp opvang van wat eraan komt: een hele gemeenschap – niet groot genoeg om een verschil te maken, maar daarom niet minder gemotiveerd – die kennelijk bereid is extra te betalen om haar CO2-uitstoot te terug te draaien.

    Later vertelt Wurzbacher me dat hij een ‘one click’-consumentenservice wil aanbieden, misschien over een jaar of twee, waarmee ze zouden uitbreiden wat ze nu al in IJsland doen voor individuele klanten en bedrijven. Op mijn telefoon zou ik dan een Climeworks-app kunnen installeren, legt hij uit, die wordt geactiveerd door de locatieservices op mijn mobiel. ‘Je vliegt naar Europa en de app vertelt je dat je zojuist 1,7 ton CO2 hebt verbrand. Wil je die verwijderen? Nou, dat kan Climeworks voor je doen. Klik hier. We verrekenen het met je creditcard. En dan krijg jij voor elke ton die je opslaat een steen van CO2.’ Hij leunt achterover en slaakt een zucht. ‘Dat is mijn droom.’

    Hoe paradoxaal het ook klinkt, waarschijnlijk bieden synthetische brandstoffen een praktischere weg naar een zakelijke toekomst voor direct air capture. De enorme en constante vraag van de markt naar brandstof is de reden waarom Carbon Engineering zijn kaarten voor de toekomst op synthetische brandstoffen heeft gezet. Op dit moment verbrandt de wereld zo’n honderd miljoen vaten olie per dag. David Keith denkt dat de vraag naar brandstoffen voor transport in 2050 vrijwel zeker zal zijn veranderd door de overschakeling naar elektrische voertuigen. ‘Dus laten we zeggen dat je in 2050 nog zo’n vijftig miljoen vaten brandstof per dag moet leveren,’ zegt hij. ‘Dat is nog steeds een megamarkt.’

    Volgens Steve Oldham, algemeen directeur van Carbon Engineering, hebben synthetische brandstoffen die worden gewonnen uit direct air capture een voordeel boven traditionele fossiele brandstoffen: ze kosten geen cent aan exploratie. ‘Wil je nu als splinternieuw bedrijf brandstof gaan produceren, dan krijg je te maken met enorme kosten voor het zoeken naar en winnen van fossiele brandstof,’ zegt hij. ‘Terwijl je onze installaties zo midden in Californië kunt bouwen, overal waar lucht en water is.’ Hij vertelt dat de eerste grootschalige fabriek van Carbon Engineering in 2022 in bedrijf moet zijn, en dan minstens vijfhonderd vaten brandstofgrondstof – het ruwe materiaal dat naar raffinaderijen gaat – per dag zal produceren.

    Een illustratie van Climeworks over de werking van hun product. Klink eronder voor nadere toelichting.
    Een illustratie van Climeworks over de werking van hun product. Klink eronder voor nadere toelichting.

    Lees hier de toelichting bij de illustratie.

    Ook Climeworks voorziet een grote markt voor brandstoffen. In een stad vlak bij Zürich, Rapperswil-Jona, heeft het bedrijf in een kleine fabriek op de lokale technische universiteit een collector geïnstalleerd om methaan te produceren. In een ruimte met ongeveer het formaat van een scheepscontainer zuigt het Climeworks-apparaat via een luchtfilter CO2 binnen en stuurt die door een netwerk van leidingen, om het gas te combineren met waterstof, die met behulp van zonne-energie uit water is gehaald. Als ik er ben, zal het nog een paar weken duren voor de fabriek operationeel wordt, maar het methaan uit de installatie kan als vervanging voor benzine dienen in zo’n beetje elke auto, bus of vrachtwagen die toegerust is om op aardgas te rijden. Bij een grotere fabriek in Italië is Climeworks ingestapt in een consortium van Europese landen om synthetische methaan te produceren, die gebruikt zal worden door een lokale vrachtwagenvloot. Met een paar veranderingen en verfijningen kan dit proces aangepast worden voor diesel, benzine of vliegtuigbrandstof of het methaan zou rechtstreeks via pijpleidingen naar plaatselijke wijken kunnen worden getransporteerd als brandstof voor de fornuizen in particuliere woningen.

    Vanuit economisch standpunt bekeken zouden producenten met deze synthetische brandstoffen gebruik kunnen maken van een enorme bestaande infrastructuur – raffinaderijen, benzinestations, auto’s, vliegtuigen, vrachtwagens, huizen, schepen – en zouden ze zo een product waar al vraag naar is, kunnen vervangen door iets wat duidelijk beter is. Maar de nieuwe brandstoffen zijn niet per se goedkoper. Carbon Engineering streeft ernaar om zijn product te leveren tegen een uiterste retailprijs van 1 dollar per liter, of 3,75 dollar per gallon (3,785 liter). Wat het product toch concurrerend zou maken zijn is de regelgeving in Californië, die nu bepaalt dat brandstofleveranciers brandstoffen moeten produceren met een lagere ‘koolstof-intensiteit’. Tot nu toe hield dit in dat benzine en diesel werden vermengd met een biobrandstof als ethanol, maar dat zou snel ook een synthetische brandstof uit opgevangen CO2 kunnen worden.

    In een zich uitbreidende markt zouden synthetische brandstoffen vreemde effecten kunnen hebben. Aangezien ze worden gemaakt van uit de lucht gevangen CO2 en waterstof en bijna overal te fabriceren zijn, zouden ze kunnen zorgen voor een herschikking van de geopolitieke orde – door de macht te verkleinen van het handjevol landen dat nu de markten voor aardgas en olie beheerst. Het methaanproject in Rapperswil-Jona is met name toegesneden op de behoeften van Zwitserland, vertelt Markus Friedl, hoogleraar thermodynamica, die de leiding heeft over het project. Dat land moet nu bijna al zijn aardgas importeren en kan in de koudere maanden slechts beperkt energie opwekken uit hernieuwbare bronnen. Brandstoffen van opgevangen CO2 zouden, als ze goedkoop genoeg worden, een vorm van energieopslag kunnen zijn – geproduceerd in de zomer met behulp van zonne- of windenergie, en gebruikt in de winter – die minder kost (en een langere levensduur heeft) dan batterijen.

    CO2-neutraal

    Vanuit milieu-oogpunt bekeken zijn brandstoffen uit direct air capture niet de utopische oplossing. Deze brandstoffen zijn CO2-neutraal, niet CO2-negatief. Ze kunnen geen CO2 van ons industriële verleden wegnemen en die dan weer terugstoppen in de aarde. Als alle auto’s, vrachtwagens en vliegtuigen van het jaar 2050 op deze synthetische brandstoffen draaien in plaats van op traditionele fossiele brandstoffen, moeten hun CO2-emissies uit de lucht worden gehaald, gerecycled tot hetzelfde product dat ze oorspronkelijk hebben opgebrand, en die cyclus zou zich tot in het oneindige moeten herhalen, wil de uitstoot niet groter worden. Toch zouden deze brandstoffen wel voor een enorme verbetering kunnen zorgen. Transport – op dit moment de grootste bron van uitstoot in de Verenigde Staten – zou niet langer een netto CO2-uitstoter zijn. Even belangrijk is dat de techniek van de direct air capture zou kunnen opschalen en zo beter en goedkoper zou worden.

    Een enorme uitbreiding kan ook enorme complicaties meebrengen. ‘Je zult echt heel grote uitdagingen tegenkomen als je op zo’n grote schaal gaat werken,’ zegt Glen Peters, onderzoeksdirecteur bij het internationaal centrum voor klimaatonderzoek Cicero in Oslo. ‘Als je één faciliteit voor CO2-opvang kunt inrichten, waar Carbon Engineering of Climeworks een grote fabriek kan bouwen, geweldig. Dat moet je vijfduizend keer doen. En wil je met direct air capture een miljoen ton CO2 vangen, dan heb je, alleen om die fabriek te laten draaien, een kleine energiecentrale nodig. Dus als je de komende dertig jaar één direct air capture-faciliteit per dag gaat bouwen om zo’n scenario uit te voeren, dan moet je daarbij ook elke dag een mini-energiecentrale bouwen.’ Het is ook zo dat je twee buitengewone problemen tegelijkertijd moet zien op te lossen, voegt Peters toe. ‘Om de 1,5 graden te halen, moeten we elke tien jaar onze uitstoot halveren.’ Dat zou betekenen dat landen als China en de Verenigde Staten overgehaald moeten worden om van het verbranden van kolen over te schakelen op het gebruik van hernieuwbare bronnen, juist op het moment dat we immense investeringen doen in negatieve-emissietechnologieën. En Peters wijst erop dat dit toch gedaan moet worden, ook als overheden een keus moeten maken die ten koste gaat van andere prioriteiten: gezondheidszorg, onderwijs, enzovoort.

    Het streven om direct air capture halverwege deze eeuw of later te verhogen tot 10 miljard ton is zo’n herculische opgave dat er een industriële opschaling voor nodig is die de wereld nooit eerder heeft gezien,’ zegt Stephen Pacala van Princeton. En toch staat hij er niet pessimistisch tegenover. Blijkbaar vindt hij het nodig dat de federale overheid een begin maakt met substantieel onderzoek en investeringen in de technologie – om te zien hoe ver en snel daarin vooruitgang kan worden geboekt, zodat ze zo snel mogelijk klaar is. Bij Climeworks zeggen Gebald en Wurzbacher iets dergelijks. Zij benadrukken dat de discussie rond klimaatuitdagingen verder gaat dan de keus tussen schone energie en CO2-verwijdering. Ze zijn allebei nodig.

    Auteur: Jon Gertner
    Vertaler: Annemie de Vries

    The New York Times

  • 1. Generatie start-up doet haar intrede in de politiek

    1. Generatie start-up doet haar intrede in de politiek

    Met Sebastian Kurz en Emmanuel Macron staat in Europa een nieuwe generatie politici aan het roer. Zij verschillen fundamenteel van hun voorgangers, schrijft de Duitse journalist Sidney Gennies.

    Vroeger zou zoiets onmogelijk zijn geweest. Zo’n Sebastian Kurz die met een niet afgemaakte rechtenstudie binnen vijf maanden zijn partij ÖVP overneemt, overhoophaalt en er ook nog de parlementsverkiezingen in Oostenrijk mee wint – en kanselier wordt. Op zijn eenendertigste! De jongste regeringsleider ooit in de EU. Hoe kan dat?

    Jonge politici wachten niet meer tot eerbiedwaardige partijcommissies het besluit nemen dat hun tijd gekomen is. Er is een nieuw tijdperk aangebroken. En eigenlijk is het verbazingwekkend dat dat in de politiek zo laat gebeurt.

    Kurz is ondanks zijn jonge leeftijd een ervaren staatsman. Hij heeft als minister van Buitenlandse Zaken met succes positie gekozen tegenover Angela Merkel en bijna in zijn eentje de sluiting van de Balkanroute voor vluchtelingen doorgezet.

    Dat hij de coup waagde door de ÖVP in mei voor de keus te stellen ‘zoals ik het wil of helemaal niet’, een greep naar het partijvoorzitterschap deed en nieuwe verkiezingen eiste, was dus geen jeugdige onbezonnenheid die goed voor hem heeft uitgepakt. Het was berekenend en Sebastian Kurz is niet de eerste. In Frankrijk heeft de 39-jarige Emmanuel Macron in even korte tijd iets dergelijks voor elkaar gekregen. Een half jaar voor de presidentsverkiezingen van 2017 lanceerde hij zijn beweging En Marche – en won. De twee zullen niet de laatsten van deze generatie zijn die de macht zoeken en weten te grijpen.

    SEBASTIAN KURZ – Kanselier van Oostenrijk, 32 jaar

    ▶ In functie sinds december 2017
    ▶ Österreichische Volkspartei (ÖVP)
    ▶ De jongste in deze functie

    Beroepservaring:
    2009 Voorzitter van de jongerenafdeling van de ÖVP op 23-jarige leeftijd
    2010 Lid van de gemeenteraad van Wenen
    2011 Staatssecretaris
    2013 Minister van Buitenlandse Zaken
    Juli 2017: Gekozen tot leider van de ÖVP, die in oktober de algemene verkiezingen wint

    Het succes van de jongeren geeft blijk van de crisis waarin de zogenaamde volkspartijen verkeren, die tegenwoordig overal in Europa blij mogen zijn als ze nog eenderde van hun land vertegenwoordigen. En van de behoefte van de kiezers die daarvan is af te lezen, namelijk die aan echte, voel- en zichtbare verandering. Maar aan die behoefte konden bijvoorbeeld in de VS ook de samen bijna honderdvijftig jaar oude Donald Trump en Bernie Sanders voldoen.

    Het succes van de jongeren getuigt daarom eerder van het zelfvertrouwen van een nieuwe generatie politici. Toen Sebastian Kurz op zevenentwintigjarige leeftijd net minister van Buitenlandse Zaken was geworden, heeft hij eens op een vraag naar zijn voorbeelden geantwoord dat hij die niet had. En misschien is dat ook wel symptomatisch voor een generatie die is opgegroeid in de wetenschap dat niets zo hoeft te blijven als het is. Die is opgegroeid met Mark Zuckerberg, die – slechts twee jaar ouder dan Kurz – giganten als Microsoft en Apple passeerde en met Facebook een website neerzette die de wereld helemaal opnieuw met elkaar verbond. Een wereld waarin muzikanten niet meer hopen te worden ontdekt door producers, maar hun liedjes meteen op YouTube zetten. En waarin ondernemers hun businessplan niet aan een bank voorleggen, maar op Kickstarter zetten om aan startkapitaal te komen.

    De generatie start-up heeft nu haar intrede gedaan in de grote politiek. Dat betekent meer innovatie, meer flexibiliteit, meer kansen, maar ook minder zekerheid, minder planbaarheid, minder controle

    De generatie start-up heeft nu haar intrede gedaan in de grote politiek, met alles wat daarmee samenhangt. Dat betekent meer innovatie, meer flexibiliteit, meer kansen, maar ook minder zekerheid, minder planbaarheid, minder controle.

    Met de plannen van Emmanuel Macron om de arbeidsmarkt te dereguleren en het pensioenstelsel te hervormen krijgt Frankrijk een voorproefje van wat dat kan gaan betekenen. En Sebastian Kurz heeft weliswaar de verkiezingen gewonnen met de belofte van een harde lijn in de vluchtelingenkwestie, maar hoe hij die wil nakomen zonder Oostenrijk binnen Europa te isoleren, valt nog te bezien. Voor beiden geldt:
    dat ze aan de macht hebben weten te komen betekent alleen dat het anders wordt, niet noodzakelijkerwijs beter.

    Auteur: Sidney Gennies
    Vertaler: Pieter Streutker

    Der Tagesspiegel
    Duitsland | dagblad | oplage 132.000

    Degelijke kwaliteitskrant. Opgericht in 1945 in Berlijn, waar zich nog altijd het merendeel van de lezers bevindt.

    Sebastian Kurz, een man met haast

    Met zijn 31 jaar is de nieuwe Oostenrijkse kanselier Sebastian Kurz een model van politieke voorlijkheid. Hij meldt zich in 2004 als 17-jarige bij de Jonge Oostenrijkse Christen-Democraten (JVP) en wordt voorzitter van die club in 2009. In 2011 wordt hij als 24-jarige staatssecretaris voor Integratie en twee jaar later minister van Buitenlandse Zaken.

    In mei 2017 haalt hij het stoute stukje uit en werpt zich op tot leider van de Österreichische Volkspartei (ÖVP), als de voorzitter van die partij, Reinhold Mitterlehner, tevens vicekanselier in de regeringscoalitie, na geharrewar binnen de coalitie met de sociaal-democraten van de SPÖ en binnen zijn eigen partij, al zijn politieke functies neerlegt. Kurz wordt met 98,7 procent van de stemmen gekozen tot zijn opvolger. Hij weet voorwaarden te bedingen waaronder hij het vrijwel geheel voor het zeggen krijgt en verwerft bovendien de steun van een belangrijk deel van de Oostenrijkse haute finance en de industriëlen. Bij de algemene verkiezingen in oktober 2017 wordt de ÖVP met 31,7 procent de grootste partij.

    De sleutels tot het succes van Kurz zijn, naast zijn leeftijd, zijn verzet tegen de migratiepolitiek van Angela Merkel en zijn taalgebruik, dat aanschurkt tegen dat van de rechts-radicale FPÖ, waarmee hij in december 2017 een regeerakkoord sluit. Op 18 december wordt Kurz – die volgens het Weense weekblad Profil mikt op een conservatief beleid, politieke moed en persoonlijke bescheidenheid – officieel kanselier. Met zijn 31 jaar is hij de jongste regeringsleider binnen de EU.

  • Plots is Frankrijk een techland geworden

    Plots is Frankrijk een techland geworden

    Onder president Macron investeert Frankrijk fors in zijn nieuwe hightechindustrie. En dat begint te werken, constateert een verbaasde Amerikaanse journalist.

    Om de reuzen van Silicon Valley het hoofd te bieden grijpt Frankrijk terug op een geheim wapen: de staat.

    Van de financiering van durfinvesteerders tot de hervorming van een berucht complexe arbeidswetgeving, op alle gebieden wil Frankrijk de hardnekkigste sarcastische verhalen over het Franse ondernemingsklimaat logenstraffen (evenals de onterechte clichés van met wijn overgoten lunches en zomervakanties die een paar maanden duren) en de Franse hightechindustrie zo goed mogelijk in het zadel helpen.

    En dat begint te werken. Sinds begin dit jaar hebben Franse durfinvesteerders meer geld binnengehaald (twee miljard euro, en het eind is nog niet in zicht) dan hun Britse of Duitse tegenhangers. Ook bedrijven als Facebook en Cisco hebben geïnvesteerd in Franse onderzoeksteams die zijn gespecialiseerd in complexe terreinen als kunstmatige intelligentie. En de 39-jarige president Emmanuel Macron is geprezen omdat hij – in het Engels nog wel! – de lof heeft gezongen van start-ups en die als oplossing heeft genoemd voor de economische stagnatie en de jeugdwerkloosheid, die in de dubbele cijfers loopt.

    ‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling. Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind’

    ‘Dit is de eerste keer in onze geschiedenis dat een president zich voor start-ups interesseert,’ zegt Nicolas Brusson, medeoprichter van BlaBlacar, een Parijse autodeelonderneming die met vestigingen in twintig landen en een beurswaarde van 1,4 miljard euro tot een van de belangrijkste en meest internationaal georiënteerde Franse start-ups kan worden gerekend.

    ‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling,’ voegt hij eraan toe. ‘Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind.’ Maar in de ogen van sommigen staat een dergelijke staatsinterventie gelijk aan ketterij. Volgens veel digitale apostelen mag geen enkele staat op hun vakgebied de concurrentie met de privésector aangaan. En heeft Frankrijk dan niets geleerd van zijn kostbare fouten uit het verleden? Zo heeft het land publieke middelen ingezet om de Amerikaanse vloedgolf van hightechbedrijven te keren. Quaero, een mislukt plan om een Europese concurrent van Google te creëren, is daar een goed voorbeeld van.

    Deze zelfgenoegzame houding ten opzichte van de onzichtbare hand van de markt is een vergissing. Ze gaat ervan uit dat alle centra van technologische activiteit, van Parijs tot Praag, moeten stroken met de principes die van Silicon Valley de digitale hoofdstad van de wereld hebben gemaakt.

    Maar Frankrijk heeft nauwelijks pensioenfondsen of andere goudgerande investeerders die bereid zijn grote cheques uit te schrijven ter ondersteuning van start-ups. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het land publiek geld gebruikt om het gat te dichten dat het privékapitaal doet ontstaan. In Frankrijk kunnen alleen wetgevers – niet ondernemers met hoody’s – de arbeidswetgeving hervormen die er al decennialang voor zorgt dat een Franse programmeur 50 procent duurder is dan een Britse.

    Macron en zijn vrouw met o.a. Xavier Niel (oprichter van Iliad), Delphine Arnault (vicepresident van Louis Vuitton), Anne Hidalgo (burgemeester van Parijs) tijdens de inauguratie van startupincubator Station F in Parijs. – © Bertrand Guay / Reuters
    Macron en zijn vrouw met o.a. Xavier Niel (oprichter van Iliad), Delphine Arnault (vicepresident van Louis Vuitton), Anne Hidalgo (burgemeester van Parijs) tijdens de inauguratie van startupincubator Station F in Parijs. – © Bertrand Guay / Reuters

    In de Verenigde Staten is het in de wereld van de nieuwe technologie gebruikelijk de spot te drijven met de interventionistische strategie die de Franse staat hanteert om de nationale hightechsector op te bouwen. Maar diezelfde mensen die dat doen erkennen met tegenzin dat Beijing de ontwikkeling van lokale start-ups subsidieert, waarvan sommige inmiddels tot wereldleiders op digitaal gebied zijn uitgegroeid, en het functioneren van buitenlandse hightechondernemingen streng aan banden legt. Ze zijn soms ook geneigd de rol te vergeten die de Amerikaanse overheid heeft gespeeld bij de geboorte van de technologische sector aldaar, met name bij het creëren van het internet.

    ‘Ik dacht dat er een hele generatie nodig was om de Franse mentaliteit te veranderen,’ zegt Romain Lavault, partner in het Parijse investeringsfonds Partech Ventures. ‘Maar mensen staan opeens heel anders tegenover technologie.’

    Deze heropleving van de digitale activiteit in Frankrijk heeft in de eerste plaats met geld te maken: de staat stopt er enorme bedragen in. Sinds 2013 is de grootste investeerder, zowel in start-ups als de plaatselijke durfinvesteerders, niemand anders dan Bpifrance. Deze investeringsbank, die eigendom is van de Franse staat, heeft er de afgelopen jaren meer dan vier miljard euro in gestoken om de nationale hightechsector nieuw leven in te blazen. Volgens financieel analysebureau CB Insights komt dat neer op ongeveer 20 procent van de Franse markt voor durfinvesteringen.

    Paul-François Fournier, directeur innovatie van Bpifrance, legt uit dat het er niet alleen om ging Franse oplossingen voor Franse problemen te vinden. Buiten investeringen in binnenlandse start-ups en fondsen, licht hij toe, heeft de staatsbank ook Europese en Amerikaanse durfinvesteerders gefinancierd, met name om gespecialiseerde kennis op te doen over de mondiale hightechsector en buitenlandse fondsen ertoe over te halen in Frankrijk te investeren. Op dit moment zijn de Franse durfinvesteerders die door Bpifrance worden gefinancierd goed voor gemiddeld 160 miljoen euro, een verdubbeling ten opzichte van 2013, zodat deze lokale bedrijven op wereldschaal concurrerend kunnen zijn.

    Nog een lange weg

    Toch is er nog een lange weg te gaan voordat Parijs zich Silicon Valley aan de Seine kan noemen. Macron probeert het de Franse hightechkringen, die weer wat kleur op de wangen hebben, naar de zin te maken. Maar tegelijkertijd heeft hij het voortouw genomen in een Europese campagne om digitale bedrijven meer belasting te laten betalen in de hele EU – een offensief dat voornamelijk de reuzen van de Amerikaanse Westkust op het oog heeft (bekend onder de verzamelnaam Gafa: Google, Amazon, Facebook en Apple), maar ook ingrijpende gevolgen zal hebben voor kleine start-ups.

    De grote rol van de overheid in de technologiesector zou algauw tot marktbeïnvloeding kunnen leiden, wat geen goed idee is gezien de snelheid waarmee de digitale wereld zich ontwikkelt. Typerend voorbeeld: in 2013 verbood Frankrijk de verkoop van Dailymotion, een Franse start-up op het gebied van videostreaming, aan Yahoo, om twee jaar later de Franse mediareus Vivendi wél toestemming te geven het bedrijf te kopen, tegen een lagere prijs.

    Al deze staatssteun die recentelijk aan de technologiesector is verleend zal tevergeefs blijken als de Franse start-ups en durfinvesteerders niet aan de verwachtingen kunnen voldoen: wereldwijd concurrerende bedrijven creëren.

    De ‘eenhoorns’, digitale bedrijven die meer dan een miljard dollar waard zijn, blijven schaars in het Franse ecosysteem van nieuwe technologie. En de rentabiliteit van Franse fondsen die in start-ups investeren lag de afgelopen drie jaar gemiddeld op 6,3 procent, oftewel de helft van hun Britse tegenhangers in dezelfde periode.

    Maar juist op dit terrein zal het Franse initiatief om nieuwe technologie te bevorderen zich moeten bewijzen. Publieke programma’s en financieringen kennen hun grenzen als het op wereldwijde concurrentie aankomt. Op een gegeven moment zal ook de privésector zijn rol moeten spelen.
    Mark Scott

    Auteur: Mark Scott
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Politico
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000

    Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.

    CONTEXT: ‘Toekomst van Europa ligt in Frankrijk’

    Veel economische cijfers in Frankrijk, zoals op het gebied van werkloosheid of groei, zijn ‘rampzalig’, schrijft The Wall Street Journal. ‘Maar belangrijker is’, vervolgt het Amerikaanse dagblad, ‘dat Frankrijk jong is.’ 18,5 procent van de bevolking is vijftien of jonger, veel meer dan de 13 procent van Duitsland. ‘Zo bezien ligt de toekomst van Europa in Frankrijk, niet in Duitsland’, aldus de krant. Volgens WSJ is dit demografische gegeven bepalend voor het beleid dat door president Macron in werking wordt gezet, met name op het gebied van arbeidshervorming en onderwijs: ‘Hij verandert een land voor ouderen in een land voor jongeren.’

    De slagingskansen van deze transformatie zullen zich niet beperken tot werkloosheids- en groeicijfers, want men zal ook oog moeten hebben voor ‘de vlucht van jong talent, verbetering van de schoolresultaten en het aantal mensen dat beroepsonderwijs volgt’.

  • De start-upmedicus

    De start-upmedicus

    ResearchGate is een sociaal netwerk voor wetenschappers, opgericht door de Duitse viroloog Ijad Madisch. Het in Berlijn gevestigde bedrijf heeft inmiddels 87 miljoen euro opgehaald en mag Bill Gates en Matt Cohler tot zijn investeerders rekenen.

    Heb ik!’ roept Ijad Madisch. Hij trekt een sprintje, maar weet de bal net niet te achterhalen. Hij geeft zijn medespeler een tik op de schouder, maakt hem een compliment (‘mooie pass’), kiest met een sprongetje weer positie, focust zich op de bal en slaat die dit keer in het zand op de helft van de tegenpartij. Het is negen uur 
’s ochtends en Madisch heeft al zeven sets beachvolleybal achter de rug. Hij is ontevreden, want de laatste twee sets heeft hij verloren. ‘Ijad kijkt altijd naar de cijfertjes,’ zegt zijn trainer.

    Madisch is arts, gepromoveerd viroloog en oprichter van ResearchGate, een soort Facebook voor wetenschappers. Sommigen denken dat hij midden in Berlijn de droom van Silicon Valley aan het verwezenlijken is. Madisch zegt: ‘Misschien ben ik een goede verkoper. Dat is mijn Arabische bloed.’ Hij lacht. Natuurlijk is dat gekoketteer. Kenners zien het bedrijf van Madisch als de hoop van de Berlijnse start-upscene, de langverwachte innovatie met mondiale uitstraling, een soort Google uit Duitsland. Madisch heeft bondskanselier Angela Merkel al eens op bezoek gehad en mag Bill Gates en Matt Cohler, ooit de man achter Mark Zuckerberg bij Facebook, tot zijn investeerders rekenen. In de afgelopen jaren heeft Madisch 87 miljoen euro opgehaald.

    Soms gaat de wekker om drie uur ’s nachts, waarna hij snel een paar e-mails checkt en weer gaat slapen

    Het businessplan van Madisch is simpel: hij wil een wereldwijd netwerk van wetenschappers opbouwen die hun onderzoeksresultaten met elkaar delen, ook hun fouten. Tien jaar geleden kwam hij op het idee, toen hij nog geneeskunde studeerde aan de Universiteit van Hannover en onderzoek deed aan Harvard. Daar liep hij vast bij een experiment en wist zich geen raad. Juist dat zou wetenschappers dankzij ResearchGate niet meer mogen gebeuren.

    ‘We publiceren momenteel maar 5 procent van alle onderzoeken,’ zegt Madisch. Slechts een klein, succesvol deel wordt in de wetenschapstijdschriften gepubliceerd. Maar waarom zou die overige 95 procent interessant zijn? ‘Wij proberen alles realtime te tonen, ruwe data, veldonderzoek, mislukte experimenten, analyses, secundaire gegevens, definitieve gegevens, gedachte-experimenten, want ook dat is research.’ Madisch wil dat onderzoekers leren van de fouten van andere onderzoekers en die niet opnieuw maken. De geüploade publicaties hebben een tijdstempel, zodat niemand kan beweren dat hij al eerder op het idee was gekomen. Het wetenschappelijk publiceren is een enorm werkterrein, waarin Madisch verandering wil aanbrengen.

    Madisch is klaar met sporten. Fris gedoucht, houthakkershemd en sneakers aan, stapt hij in zijn antracietkleurige Tesla. De muziek begint te spelen. 
Uit de boxen klinkt rap, The Notorious B.I.G. Madisch trekt aan zijn Superman-baseballpet, zodat die niet meer helemaal recht zit. Een laatste blik op zijn smartphone en dan rijdt hij weg richting centrum. Voor hem liggen tien uur werk. ’s Avonds gaat hij nog een keer volleyballen.

    Ijad Madisch, viroloog en oprichter ResearchGate. ‘Wij proberen alles realtime te tonen, ruwe data, veldonderzoek, mislukte experimenten, analyses, definitieve gegevens, gedachte-experimenten, want ook dat is research.’ – © Jens Kalaene / Newscom
    Ijad Madisch, viroloog en oprichter ResearchGate. ‘Wij proberen alles realtime te tonen, ruwe data, veldonderzoek, mislukte experimenten, analyses, definitieve gegevens, gedachte-experimenten, want ook dat is research.’ – © Jens Kalaene / Newscom

    Madisch werkt veel. Soms gaat de wekker om drie uur ’s nachts, waarna hij snel een paar e-mails checkt en weer gaat slapen. Wanneer hij voor het laatst naar de film is geweest, kan hij zich niet herinneren. Hij leeft voor zijn bedrijf. Alleen de sport kan hem losrukken. Op het veld hoeft hij geen leiding te geven, daar gelden andere regels. Dat ontspant hem. Maar zelfs sport beoefent hij inmiddels op topniveau. Zijn volleybalpartner en zijn trainer hebben ooit in het nationale team gespeeld.

    De Tesla rijdt een parkeergarage in de Invalidenstraβe in, niet ver van het Nordbahnhof. Hier zetelt ResearchGate, op vier etages van een fabriek. Er vlak achter wordt gebouwd aan nog een kantoor van acht verdiepingen. Madisch loopt over de gangen en groet her en der met ‘Hi, how are you?’ Iedereen spreekt hier Engels. Hij wijst naar een paar collega’s. ‘Dat is het people team,’ zegt hij, ‘ik heb een hekel aan de term human resources. Het is onze belangrijkste unit, de mensen die doorslaggevend zijn voor het succes.’ Madisch let erop dat hij ook wetenschappers in dienst neemt; de afdeling personeelszaken staat onder leiding van een voormalige kinderarts. Hij loopt een stukje verder en steekt zijn hand op. De collega’s zwaaien terug. ‘Zij werken aan growth,’ zegt hij, aan de groei van het platform. Ook zij zijn ‘het belangrijkste team’.

    Michael Peter Manns

    Madisch doet de deur van een vergaderzaal open en fluistert: ‘Dit doe ik het liefst, onverwachts mijn hoofd om de deur steken.’ In de ruimte zitten drie mannen met baard en Birkenstocks; ze horen bij het growth-team. Dat team, aldus Madisch, probeert ‘de activiteit hoog te houden’. De mannen moeten ervoor zorgen dat wetenschappers die de site van ResearchGate bezoeken zo vaak mogelijk terugkomen, hun resultaten delen en nieuwe collega’s uitnodigen, zodat het platform kan groeien. De man met de langste baard is ‘head of growth’. Hij schakelt snel zijn beeldscherm uit zodra hij in de gaten heeft dat Ijad Madisch in het gezelschap is van een journalist.

    De vergaderzalen in het bedrijf zijn genoemd naar wetenschappers, onder wie de biologe Rachel Carson, de natuurkundige Galileo Galilei en de primatologe Jane Goodall. De laatste ruimte 
is versierd met boompjes in potten en knuffelaapjes. De Birkenstock-mannen zitten in de Michael Peter Manns-zaal. De muren zijn beschilderd met menselijke organen. ‘Dit is onze kleinste en lelijkste vergaderzaal,’ zegt Madisch. De anekdote over professor Manns behoort inmiddels tot de legende rond de oprichting van ResearchGate.

    Na zijn studie geneeskunde kreeg de 27-jarige Madisch van de gerenommeerde lever-, maag- en darmonderzoeker Michael Peter Manns een baan aangeboden als klinisch wetenschapper in de universiteitskliniek in Hannover. Madisch vroeg hem om een halve baan om meer tijd te hebben voor het opzetten van ResearchGate, maar Manns was weinig enthousiast. ‘Ik heb hele kerels nodig, geen halve,’ was zijn reactie. Hij verlangde volledige concentratie op de toch al tweesporige loopbaan als praktiserend arts en wetenschapper, hij had hoge verwachtingen van Madisch. Met Manns deed Madisch onderzoek naar darmkanker en begeleidde hij patiënten die een levertransplantatie hadden ondergaan.

    Een tijdlang deed Madisch alles naast elkaar. Overdag werkte hij in de kliniek in Hannover. ’s Avonds vloog hij voor een lezing naar een andere stad, bijvoorbeeld naar Oxford. Op een gegeven moment stond hij zo oververmoeid in de kliniek dat het hoofd van de afdeling hem naar huis stuurde. Professor Manns bleef de halve baan echter weigeren, waarna hem duidelijk werd: ‘Ik moet voor het een of het ander kiezen.’ Madisch koos voor zijn bedrijf.


    Er zijn niet veel Duitse grondleggers die bereid zijn zo’n groot risico te nemen, althans niet vanuit Silicon Valley beschouwd. Volgens Madisch zou hij zijn ondernemingszin wel eens van zijn ouders kunnen hebben, die decennia geleden uit Syrië naar Duitsland kwamen. Vader bouwde een eigen praktijk op als plattelandsdokter in Nedersaksen.

    Madisch, die in 1980 in Wolfsburg werd geboren, wist al vroeg dat ook hij dokter wilde worden, ook al zat hij als kind al stiekem achter de computer van zijn vader en sprak hij later met hem af dat hij bij zes tienen op zijn rapport een eigen computer zou krijgen. Die 386SX-16 staat nog altijd bij zijn ouders, vertelt Madisch. Na zijn eindexamen begon hij met zijn studie geneeskunde. En omdat hij goed kon leren, sloeg al in het tweede semester de verveling toe en koos hij er een tweede vak bij: informatica.

    In mei 2008 richtte Madisch samen met twee vrienden en oud-studiegenoten, arts Sören Hofmayer en informaticus Horst Fickenscher, de onderzoekersportal ResearchGate op. Een van zijn eerste financiers was investeerder Christian Vollmann. ‘De website was toen nog niet eens live,’ herinnert Madisch zich. Twintig andere investeerders hadden al bedankt. Ook Vollmann had aanvankelijk getwijfeld: ‘Mijn ene hersenhelft juichte: eindelijk iemand uit Duitsland met een echte visie. De andere dacht: hoogleraren die plotseling fouten transparant gaan maken, hoe gaat dat gebeuren?’ Hij besloot toch te investeren, omdat hij de passie van Ijad Madisch had opgemerkt, zegt hij. Hij gelooft niet dat Madisch zijn bedrijf zou verkopen, hoewel zo veel oprichters dat juist wel doen. ‘Dat zou voor hem aanvoelen als een nederlaag, alsof hij zijn doel om de wetenschap te veranderen niet heeft bereikt.’

    Hij is koppig, maar ook heel erg ijverig. Ijad Madisch is een geboren netwerker

    Ijad Madisch kan verhalen verkopen. Ook daar draait het om in het start-upwereldje. ‘Ik zou met ResearchGate graag de Nobelprijs willen winnen,’ zegt hij vaak in interviews. Dat klinkt arrogant en is het misschien ook wel. Maar van iemand die als visionair wordt beschouwd, verwacht je ook uitspraken die voorbehouden zijn aan mensen die toch al aan een inhaalactie bezig zijn.

    De aanmelding op ResearchGate is momenteel gratis voor de researchers. Eenmaal aangemeld krijgen de gebruikers een internationale vacaturebank te zien. ‘Als de NASA researchers bij ons zoekt, moeten ze ervoor betalen,’ zegt Madisch. Bovendien wordt er reclame gemaakt voor conferenties of producten, zoals voor laboratoriumproducten. Madisch geeft een voorbeeld: ‘Je begrijpt dat de onderzoeker een DNA-test wil doen en wijst hem op de nieuwste kit van een biotechbedrijf.’

    Radioloog en Harvard-professor Rajiv Gupta, de mentor van Madisch en de man die hem destijds een halve baan in een laboratorium in Boston bezorgde, vindt dat Madisch twee slechte 
eigenschappen heeft: zijn overdreven competitiegeest en zijn tomeloze idealisme. Hij is koppig, zegt Gupta, maar ook heel erg ijverig. Nooit eerder heeft hij zo’n sociale wetenschapper ontmoet. Hij vindt Ijad Madisch een geboren netwerker.

    Madisch praat even snel als hij denkt en is allang bij het volgende onderwerp: automatic science, de poging om onderzoeksgegevens automatisch te koppelen met behulp van algoritmen. ‘Als je bijvoorbeeld onderzoek doet naar Alzheimer, kun je niet alles behappen wat er over dat thema beschikbaar is. Wij willen de gegevens zo combineren dat ze tot nieuwe doorbraken in het onderzoek leiden,’ zegt hij. ‘Nu gaat het pas echt beginnen.’

    Auteur: Silke Weber
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

    CONTEXT: Het businessmodel

    ResearchGate verkoopt personeels- en reclameadvertenties. Oprichter Ijad Madisch streeft naar winstgevendheid van het bedrijf in 2019. Het is een alternatief
    model voor dat van klassieke wetenschapsuitgeverijen zoals Springer en Reed Elsevier. Hun totale omzet bedraagt wereldwijd ruim 20 miljard euro. Critici verwijten hen hoge private winsten te realiseren met door de overheid gefinancierd onderzoek. Uitgeverij Reed Elsevier nam in 2013 Mendeley over, een concurrent van ResearchGate.

  • De magische bril die alles gaat veranderen

    De magische bril die alles gaat veranderen

    Magic Leap in Florida gold jarenlang als de geheimzinnigste start-up van de planeet. Niemand wist wat eigenaar Rony Abovitz precies uitspookte, maar hij harkte wel 1,4 miljard dollar durfkapitaal binnen. In een zeldzaam interview licht Abovitz nu een tipje van de sluier op. Binnen anderhalf jaar wil hij een ‘mixed-reality’-bril op de markt brengen die je elke mogelijke virtuele illusie kan voorschotelen: van de nieuwe bank die je wilt bestellen tot pijlen op de weg die je naar je afspraak loodsen. ‘Gooi je pc, laptop en telefoon maar weg.’

    In de hightechwereld doet iedereen een moord om te worden uitgenodigd op een anoniem bedrijventerrein in het zuiden van Florida, in wat aan de buitenkant een onopvallend kantoorgebouw lijkt. Maar binnen is het een heel ander verhaal. Daar stap je letterlijk een andere werkelijkheid in. Door de gangen lopen humanoïde robots, in de ontvangsthal zitten groene reptielmonsters te chillen. De verlichting wordt bediend door elfjes die zo uit een tekenfilm komen. Het parkeerterrein bewaakt door 25 meter hoge vechtmachines. Zelfs de kantoorapparatuur is niet van deze wereld. De hd-tv aan de muur lijkt doodnormaal – tot hij ineens verdwijnt. Even later verschijnt hij weer, maar nu midden in de kamer. Raar maar waar: hij zweeft daar gewoon in de lucht. Loop er maar naartoe, bekijk hem van alle kanten: een enorme breedbeeld-tv, afgestemd op ESPN, die vrij in de ruimte zweeft.

    Die tv lijkt echt, maar is het niet. Al deze wonderlijke taferelen zijn illusies die je worden voorgetoverd door een ‘mixed reality’-headset, de met veel geheimzinnigheid omgeven uitvinding van start-up Magic Leap. En zoals elke goede goochelaar legt oprichter Rony Abovitz (45) liever niet uit hoe zijn trucs precies werken. Sinds de oprichting in 2011 heeft Magic Leap zijn product in het grootste geheim ontwikkeld. Slechts een klein aantal mensen heeft het in werking gezien, nog veel minder mensen weten hoe het werkt, en allemaal hebben ze zulke strenge geheimhoudingsclausules moeten tekenen dat ze bijna niet eens mochten toegeven dat het bedrijf bestond.

    Toch stroomden er massa’s geld naar Dania Beach, een klein stadje ten zuiden van Fort Lauderdale. Magic Leap heeft al bijna 1,4 miljard dollar aan durfkapitaal bijeengeharkt – afgelopen februari haalde het weer 794 miljoen op, een recordbedrag voor een bedrijf in deze fase. Bijna elke grote investeerder heeft er geld in zitten, waaronder Andreessen Horowitz, Kleiner Perkins, Google, JPMorgan, Fidelity en Alibaba, naast minder conventionele investeerders als Warner Bros. en Legendary Entertainment, verantwoordelijk voor films als Godzilla en Jurassic World. In de laatste financieringsronde werd de waarde van Magic Leap geschat op 4,5 miljard dollar. Als Abovitz nog steeds 22 procent van het bedrijf in handen heeft (wat hij ontkent) is hij nu miljardair.

    Die dollarlawine heeft in het vak vreemde geruchten losgemaakt: Magic Leaps zou iets doen met hologrammen, of met lasers, of had een machine ontworpen die de werkelijkheid kan vervormen maar zo groot is als een gebouw en dus nooit, maar dan ook nooit commercieel uitgebaat zou kunnen worden. Het gebrek aan harde informatie gaf nog meer voeding aan de geruchtenmachine. Per slot van rekening heeft Magic Leap nog steeds geen product op de markt gebracht. Het heeft nog nooit een openbare demonstratie van een product gegeven, nooit een product aangekondigd en nooit enige uitleg willen geven over de zelf ontworpen ‘lightfield’-technologie waar zijn product op gebaseerd is.

    ‘Je moet het zien als de volgende fase in de evolutie van de computer, waarbij de hele wereld je bureaublad wordt’

    Maar nu treedt het bedrijf dan toch uit de schaduw. In een zeldzaam interview zegt Abovitz dat Magic Leap een miljard dollar in de perfectionering van een prototype heeft gestoken en bezig is in Florida een productielijn op te tuigen, ter voorbereiding op de lancering van een consumentenversie van zijn technologie. Als die er eenmaal is – ergens binnen nu en anderhalf jaar – kan het een heel nieuw tijdperk inluiden, een totaal nieuwe generatie computerinterface voor de komende decennia. ‘We bouwen een nieuw soort contextuele computer,’ zegt Abovitz. ‘We maken echt iets totaal nieuws.’

    De innovatie van Magic Leap is meer dan alleen een geavanceerde nieuwe display – dit apparaat zet alles op zijn kop. Deze technologie kan grote gevolgen krijgen voor elke sector waar computers en beeldschermen worden gebruikt en veel sectoren waar dat niet het geval is. Het kan de doodssteek zijn voor de hele flatscreenmarkt (waar 120 miljard dollar in omgaat) en kan de wereldwijde markt voor consumentenelektronica (1 biljoen dollar) op zijn grondvesten doen schudden. De mogelijkheden gaan heel ver: gooi je pc, laptop en mobiele telefoon maar weg. Alle rekenkracht die je nodig hebt, zit straks in een bril die jou een display voorschotelt waar en wanneer je maar wil, zo groot of klein als je wil.

    Zo’n bril kan je álles voorschotelen. Kan je bijvoorbeeld met grote gele pijlen op de weg naar je volgende afspraak loodsen. Kan je laten zien hoe een nieuwe bank in je woonkamer zou staan – vanuit elke denkbare hoek, met elke denkbare lichtval, en allemaal zonder dat je de deur uit hoeft. Zelfs iemand met twee linkerhanden kan straks zelf zijn auto repareren met een interactief programma dat precies aangeeft welk onderdeel moet worden vervangen en waarschuwt als je iets fout doet. En Magic Leap moet aan al die interacties geld kunnen verdienen: niet alleen aan de verkoop van hardware en software maar ook, zou je denken, aan de enorme hoeveelheid data die het kan verzamelen, analyseren en doorverkopen. ‘Er is bijna geen sector te bedenken die hierdoor niet totaal zal veranderen,’ zegt Abovitz.

    Je hebt vast al eens een virtualrealityproduct uitgeprobeerd. Sony, Google, Samsung en Facebook hebben de afgelopen maanden allemaal VR-producten uitgebracht. Virtual reality is een vorm van computersimulatie die nu vooral wordt gebruikt voor videogames. Een headset schermt je daarbij af van de echte wereld en vervangt die door een virtual reality. Misschien heb je ook al eens gespeeld met augmented reality (AR): digitale beelden die op je fysieke omgeving geprojecteerd worden. AR is inmiddels mainstream dankzij een van de grootste digitale hypes van het jaar: het in juli gelanceerde Pokémon Go van spellenmaker Niantic. Een app voor je smartphone waarin tekenfilmmonsters in de echte wereld rondlopen, althans op het schermpje van je mobiel. Maar VR-games en Pokémon Go verbleken bij de mixed reality van Magic Leap. Virtual reality voert je mee naar een andere wereld, augmented reality laat een Pikachu in je woonkamer verschijnen. Bij Mixed reality blijf je waar je bent én komt die Pikachu ook echt tot leven.


    Hoe dat kan? Het kroonjuweel van Magic Leap is nu nog een grote headset, maar uiteindelijk moet hun technologie in een simpele bril passen. Eentje die je het zicht op de werkelijkheid niet ontneemt. In plaats daarvan projecteert de hardware, verwerkt in een stukje halfdoorzichtig glas, een beeld regelrecht op je netvlies. (Het beschadigt je ogen niet en je kunt gewoon om je heen kijken in plaats van dat je naar een schermpje moet staren.) De hardware verzamelt ook continu informatie: het apparaat scant de omgeving op obstakels, luistert naar stemmen en volgt de bewegingen van je ogen en handen. Daardoor zijn de mixedrealityobjecten zich bewust van hun omgeving en kunnen ze erop reageren. Met de technologie van Magic Leap kan een Pokémon dus wegduiken achter de bank of – als je in een smart home woont – het licht uitschakelen zodat je hem niet meer ziet.

    In een van de demo’s van Magic Leap zie je een ‘interactieve virtuele mens’ die levensgroot en verrassend realistisch is. Abovitz willen zulke virtuele personen (of dieren of wat je maar wil) gebruiken als digitale assistent – een soort opgevoerde versie van Siri [de personal assistent van Apple], met een menselijke gedaante die haar makkelijker te gebruiken en moeilijker te negeren maakt. Als je een collega iets wilt mededelen, kan de virtuele assistent je kamer uit lopen, via de MR-headset van die collega naast zijn of haar bureau verschijnen en de boodschap persoonlijk overbrengen. In de wereld van mixed reality is de output van computers niet gebonden aan één apparaatje op je bureau. Ieder willekeurig object, echt of virtueel, kan een drager worden en is zich bewust van zijn locatie, zijn doel en wat jij ermee wilt. ‘Je moet het zien als de volgende fase in de evolutie van de computer,’ zegt Abovitz, ‘waarbij de hele wereld je bureaublad wordt.’

    Dromen over een hightech toekomst

    Rony Abovitz’ leven staat al vanaf het begin in het teken van dromen over een hightech toekomst. De in 1971 in Cleveland geboren zoon van Israëlische immigranten was als kind al gefascineerd door computers en sciencefiction. ‘De mensen van mijn generatie zijn de kinderen van Steve Jobs en George Lucas,’ zegt hij. ‘Daar zijn wij mee opgegroeid en dat heeft ons een klap van de molenwiek gegeven. Mijn vriendjes en ik wilden allemaal Luke Skywalker zijn en de Death Star vernietigen en C-3PO bouwen.’ Toen hij elf was, verkaste het gezin naar het zuiden van Florida. Abovitz sloeg een klas over en ging al op zijn dertiende naar high school. Daarna werd hij toegelaten tot MIT, maar hij bleef liever dicht bij huis en ging aan de University of Miami studeren. In 1993 haalde hij er een bachelor in werktuigbouwkunde en twee jaar later een master in biomedische technologie. En toen begon hij weer aan Star Wars te denken.

    In 1997 richtte Abovitz zijn eerste bedrijf op, Z-KAT. ‘Na mijn afstuderen wilde ik de medische droid uit Star Wars bouwen, omdat ik dacht, echt letterlijk: een X-Wing Fighter kan ik niet bouwen, want dat kan ik niet uitleggen aan mijn ouders,’ zegt hij. Met een paar van zijn medeoprichters bouwde hij de robotica-afdeling van Z-KAT in 2004 uit tot een nieuw bedrijf, Mako Surgical. Dat maakt robotarmen voor gebruik bij chirurgische ingrepen. Er was grote vraag naar dat product: toen het bedrijf in 2008 naar de beurs ging, bracht dat 51 miljoen dollar op.

    Abovitz, inmiddels getrouwd en met een jonge dochter, werkte fulltime bij Mako en had daarnaast een project waarin hij zijn creativiteit kwijt kon: Hour Blue. Dat is een fictieve wereld, een buitenaardse planeet met allerlei fantasiefiguren zoals pratende robots en vliegende walvissen. In 2010 richtte hij Magic Leap Studios op om zijn fantasie uit te bouwen tot een reeks stripverhalen en films. ‘Ik was de enige werknemer en het bedrijf zat letterlijk in mijn eigen garage,’ zegt Abovitz. ‘Mijn moeder maakte een spandoek met de tekst Magic Leap Studios in letters in allerlei kleuren.’

    Van het geld dat hij met Mako had verdiend huurde hij Weta Workshop in, de specialeffectstudio uit Nieuw Zeeland die vooral beroemd is vanwege zijn werk aan de _Lord of the Rings_-trilogie. Samen ontwikkelden ze graphics voor zijn verhaalideeën en diepten ze de fantasiewereld verder uit. Ondertussen raakte Abovitz gefrustreerd dat de augmented en virtualrealitytechnologie die hij kende van SF-romans als William Gibsons Neuromancer en Vernor Vinge’s Rainbows End nog steeds niet bestond. Hij begon na te denken over hoe hij dat zelf kon maken.

    ‘Het was een uniek moment. Werkelijkheid en sciencefiction begonnen in elkaar over te lopen,’ zegt Richard Taylor, CEO van Weta Workshop en bestuurslid van Magic Leap. ‘De fictieve technologieën die we bedachten voor Hour Blue gingen gelijk op met de echte augmented reality-applicaties waar Rony mee bezig was.’

    In 2011 verlegde Magic Leap Studios de koers en veranderde de naam in Magic Leap Inc. Abovitz stelde een klein team samen om te helpen met de ontwikkeling van zijn ideeën over mixed reality. Al snel hadden ze een stel werkende prototypes. ‘Toen we voor het eerst één enkele pixel in de ruimte konden laten zweven en door de kamer laten bewegen, waren we door het dolle heen,’ zegt Abovitz. ‘Ander mensen hadden iets van: Wat is dat nou helemaal? Gewoon een stipje. Maar wij wisten beter. Vanaf toen wist ik dat dit iets zou worden.’

    Hij wist ook dat hij veel meer geld nodig had. Abovitz had het bedrijf aanvankelijk gefinancierd uit de opbrengst van de beursgang van Mako. Toen Mako in 2013 voor 1,7 miljard werd overgenomen door Stryker Corp., een fabrikant van medische apparatuur, stak hij ook een deel van die opbrengst in Magic Leap. Abovitz wil niet zeggen hoeveel geld hij erin heeft gestopt (alleen dat het ‘miljoenen’ zijn), maar hij wist dat het bij lange na niet genoeg was. Gelukkig verkocht deze technologie zichzelf. ‘Als we mensen vertelden waar we mee bezig waren, geloofden ze ons eerst niet,’ zegt Abovitz. ‘En dan vlogen ze naar Florida om te komen kijken en was het: O, het is jullie echt gelukt. Zo ging het bij iedereen die erin geïnvesteerd heeft: van “dat bestaat niet” tot “wij willen meedoen”.’ In februari 2014 maakte Magic Leap bekend dat het meer dan 50 miljoen dollar van particuliere investeerders had gekregen. Acht maanden later volgde een door Google aangevoerde tweede kapitaalronde van 542 miljoen dollar.

    Weer eens wat anders dan Pokémon: een virtueel olifantje in je handpalm.
    Weer eens wat anders dan Pokémon: een virtueel olifantje in je handpalm.

    Rony Abovitz doet niet denken aan een typische captain of industry – tenzij je aan Willy Wonka denkt. Hij straalt hetzelfde enthousiasme als Roald Dahls briljante snoepgoedmagnaat uit als hij je rondleidt op zijn nieuwe bedrijfsterrein in Plantation (waar ze naartoe verhuizen omdat deze locatie beter bij Abovitz’ visie past dan de kleurloze kantoren in Dania Beach, een kwartiertje verderop). Hij wijst enthousiast op machines die hij cool vindt, bewondert apparatuur en spoort je aan even de ladder op te klimmen om de geavanceerde luchtfilters van dichtbij te bekijken. Hij is vriendelijk en opgewekt, heel informeel in de omgang en in zijn kleding (meestal een sweatshirt en een spijkerbroek). Je hoort mensen net zo vaak zeggen dat hij heel aardig is als dat hij heel slim is. En hij gaat vaak helemaal op in zijn werk. Onlangs was hij op vrijdagmiddag nergens te bekennen terwijl hij een half uur later gasten moest rondleiden op het nieuwe hoofdkantoor. Hij is wel vaker te laat, maar nu dreigde een probleem: Abovitz komt uit een orthodox-joods gezin en wil vrijdag ook op tijd naar huis voor de sjabbes. Uiteindelijk werd hij door een van zijn managers gevonden op het parkeerterrein, waar hij de hele tijd in zijn auto had zitten bellen. Straal vergeten dat hij die afspraak had.

    Magic Leap heeft deze campus van bijna tweeënhalve hectare in oktober 2015 betrokken en voor het eind van dit jaar moeten alle 850 werknemers van de oude locatie verkast zijn. Het bedrijf heeft ook nog werknemers in negen kantoren elders ter wereld. Niet alleen in hightech-hotspots als Silicon Valley en Austin, maar ook in verre oorden als Tel Aviv en het Nieuw-Zeelandse Wellington. Op de nieuwe locatie zijn sommige afdelingen al operationeel, waaronder een machinewerkplaats en verschillende ontwerpteams. Abovitz wil de belangrijkste ontwikkelingsteams per se dicht bij elkaar houden vanwege zijn ‘flexibel hardware-model’. Daardoor heeft het bedrijf nu al ‘letterlijk honderden versies’ van het prototype van de headset kunnen produceren. ‘Een van de redenen waarom we zo snel prototypes kunnen produceren is omdat we de juiste mensen bij elkaar hebben,’ zegt Abovitz. Op de campus in Plantation worden ook echte productiefaciliteiten ingericht. ‘Dit deel van Magic Leap doet nog het meest aan een ruimteschip denken,’ zegt Abovitz bij de productielijn: een reeks lange, zelfstandige modulaire compartimenten, als duikboten in een haven. Die kunnen ieder naar behoefte worden ingeschakeld, om de productie van enkele duizenden stuks per jaar op te schroeven tot meer dan een miljoen.

    Abovitz wil met Magic Leap in Florida blijven. Een van de voordelen daarvan is dat het bedrijf zijn geheimen beter kan bewaken. In Californië zou dat bijna onmogelijk zijn, vanwege de cultuur van jobhoppen en de geoliede geruchtenmachine in Silicon Valley. Hij zou daar natuurlijk wel makkelijker aan mensen kunnen komen, maar ook hier oefent de technologie van Magic Leap al vanaf het begin grote aantrekkingskracht uit op mensen uit Silicon Valley en andere hotspots. ‘We trekken een waanzinnige hoeveelheid talent op het gebied van ontwerp en productie naar Florida,’ zegt Abovitz.

    Hij is natuurlijk niet de enige ondernemer die hier brood in ziet. Alleen al in de afgelopen twaalf maanden is er volgens Digi-Capital 2,3 miljard dollar geïnvesteerd in virtual en augmented reality door durfkapitalisten die elkaar met argusogen volgen. International Data Corp voorziet dat de wereldwijde opbrengst van de markt voor VR en AR zal groeien van 5,2 miljard dit jaar tot 162 miljard in 2020. Met zulke groeiprognoses willen alle grote spelers graag een graantje meepikken. Google heeft in 2013 al een uitstapje naar augmented reality gemaakt met Google Glass, een bril die je een virtueel computerscherm voor ogen toverde. Die is de bètafase nooit ontgroeid vanwege kritiek op de privacy- en veiligheidsaspecten. Maar uit Googles investering in Magic Leap blijkt dat het bedrijf zijn interesse niet verloren heeft. ‘Al vanaf de eerste gesprekken die we met Rony en zijn team hadden, wisten we dat we ze wilden helpen hun visie te verwezenlijken,’ zegt Don Harrison, plaatsvervangend directeur Corporate Development bij Google.

    Magic Leap-CEO Rony Abovitz.
    Magic Leap-CEO Rony Abovitz.

    Magic Leap heeft deze campus van bijna tweeënhalve hectare in oktober 2015 betrokken en voor het eind van dit jaar moeten alle 850 werknemers van de oude locatie verkast zijn. Het bedrijf heeft ook nog werknemers in negen kantoren elders ter wereld. Niet alleen in hightech-hotspots als Silicon Valley en Austin, maar ook in verre oorden als Tel Aviv en het Nieuw-Zeelandse Wellington. Op de nieuwe locatie zijn sommige afdelingen al operationeel, waaronder een machinewerkplaats en verschillende ontwerpteams. Abovitz wil de belangrijkste ontwikkelingsteams per se dicht bij elkaar houden vanwege zijn ‘flexibel hardware-model’. Daardoor heeft het bedrijf nu al ‘letterlijk honderden versies’ van het prototype van de headset kunnen produceren. ‘Een van de redenen waarom we zo snel prototypes kunnen produceren is omdat we de juiste mensen bij elkaar hebben,’ zegt Abovitz. Op de campus in Plantation worden ook echte productiefaciliteiten ingericht. ‘Dit deel van Magic Leap doet nog het meest aan een ruimteschip denken,’ zegt Abovitz bij de productielijn: een reeks lange, zelfstandige modulaire compartimenten, als duikboten in een haven. Die kunnen ieder naar behoefte worden ingeschakeld, om de productie van enkele duizenden stuks per jaar op te schroeven tot meer dan een miljoen.

    Abovitz wil met Magic Leap in Florida blijven. Een van de voordelen daarvan is dat het bedrijf zijn geheimen beter kan bewaken. In Californië zou dat bijna onmogelijk zijn, vanwege de cultuur van jobhoppen en de geoliede geruchtenmachine in Silicon Valley. Hij zou daar natuurlijk wel makkelijker aan mensen kunnen komen, maar ook hier oefent de technologie van Magic Leap al vanaf het begin grote aantrekkingskracht uit op mensen uit Silicon Valley en andere hotspots. ‘We trekken een waanzinnige hoeveelheid talent op het gebied van ontwerp en productie naar Florida,’ zegt Abovitz.

    Hij is natuurlijk niet de enige ondernemer die hier brood in ziet. Alleen al in de afgelopen twaalf maanden is er volgens Digi-Capital 2,3 miljard dollar geïnvesteerd in virtual en augmented reality door durfkapitalisten die elkaar met argusogen volgen. International Data Corp voorziet dat de wereldwijde opbrengst van de markt voor VR en AR zal groeien van 5,2 miljard dit jaar tot 162 miljard in 2020. Met zulke groeiprognoses willen alle grote spelers graag een graantje meepikken. Google heeft in 2013 al een uitstapje naar augmented reality gemaakt met Google Glass, een bril die je een virtueel computerscherm voor ogen toverde. Die is de bètafase nooit ontgroeid vanwege kritiek op de privacy- en veiligheidsaspecten. Maar uit Googles investering in Magic Leap blijkt dat het bedrijf zijn interesse niet verloren heeft. ‘Al vanaf de eerste gesprekken die we met Rony en zijn team hadden, wisten we dat we ze wilden helpen hun visie te verwezenlijken,’ zegt Don Harrison, plaatsvervangend directeur Corporate Development bij Google.

    Ook Apple werkt aan AR, maar het is nog niet duidelijk of het een eigen headset wil ontwikkelen of vooral de functionaliteit van de iPhone wil uitbreiden. Silicon Valley-start-ups als Meta (heeft al 73 miljoen aan kapitaal binnen) en Atheer (23 miljoen) werken aan een eigen headset en zouden logische kandidaten voor een overname zijn als ze succes hebben. Maar de grootste rivaal van Magic Leap is voorlopig Microsoft, dat in 2014 de augmented-realityheadset HoloLens aankondigde. Een preproductieversie, de HoloLens Development Edition, is in maart van dit jaar naar een onbekend aantal hardware- en software-ontwikkelaars gestuurd en in 2017 zou er een consumentenversie op de markt kunnen komen. ‘Microsoft heeft een grote voorsprong met zijn zakelijke relaties,’ zegt Brian Blau, analist bij onderzoeksbureau Gartner. ‘Ze zitten diep in de zakelijke markt en daar willen ze zich met de HoloLens op richten.’

    Dus wat is de planning van Magic Leap? Ze hebben nu een productielijn, wanneer willen ze de markt op gaan? ‘Vrij snel,’ zegt Abovitz vaag. Hij laat ook weinig los over wat de headset moet gaan kosten. ‘Geen luxe-item,’ zegt hij uiteindelijk. Maar als Microsoft zijn HoloLens volgend jaar op de markt brengt, kan Magic Leap niet te lang achterblijven, wil het niet meteen terrein verliezen aan zijn grootste rivaal. En de headset van Meta kun je nu al voorbestellen voor zo’n 1000 dollar: ga er dus maar vanuit dat de prijs van de kijkbril van Magic Leap ook ergens in die buurt zal liggen.

    Begindagen van de film

    Uiteindelijk ziet Magic Leap vooral kansen in zakelijke toepassingen, met name in de medische sector en de detailhandel (stel je voor dat je kleding bijvoorbeeld thuis virtueel kunt ‘passen’). Maar zoals bij veel technologie moet entertainment de weg banen. Veel van de content voor de headset van Magic Leap wordt door het bedrijf zelf ontwikkeld. Het heeft al verschillende bekende videogame-ontwerpers, striptekenaars en schrijvers in dienst genomen. Neal Stephenson, de schrijver van Snow Crash, een belangrijke roman over virtual reality uit 1992, is de belangrijkste ‘futurist’ van Magic Leap. Op een kantoor in Seattle werkt hij aan een geheime game. Verder wordt er content geleverd door Abovitz’ partner Weta Workshop, waarmee Magic Leap een 25 man groot lab in Nieuw Zeeland heeft opgezet. Hun eerste project, Dr. Grordbort’s Invaders, is een actiegame in het steampunkgenre. Als speler vecht je dan met een laserpistool tegen boze robots die je in je eigen huis aanvallen.

    In juni kondigde Magic Leap ook een strategisch partnerschap aan met ILMxLAB, de virtualrealityafdeling van Lucasfilm. Ze hebben samen een onderzoekslab geopend op het terrein van Lucasfilm in San Francisco. ‘Het voelt alsof we in de begindagen van de film zitten,’ zegt Vicki Dobbs Beck, hoofd van ILMxLAB. De samenwerking heeft al geleid tot verschillende mixed-realityervaringen in het Star Wars-universum. Een daarvan, met C-3PO en R2-D2, is al onthuld bij de bekendmaking van de samenwerking. De andere is een nog geheime sequentie die plaatsvindt tijdens de fameuze slag om Hoth in The Empire Strikes Back. En zo is Rony Abovitz weer terug bij af. De man die ondernemer werd omdat hij eigenlijk X-Wing Fighters wilde bouwen, mag dat nu echt gaan doen.

    Auteur: David M. Ewalt


    Technologiewebsite The Information zet vraagtekens bij Abovitz’ verhaal.

    Volgens een bericht op The Information van begin december gaat het niet zo goed met de ontwikkeling van de bril van Magic Leap. Het bedrijf zou kampen met technische problemen, en voorlopig nog achterlopen op concurrent Microsoft. Tevens werd onthuld dat een van de spectaculaire video’s die Magic Leap gebruikt om investeerders te lokken, nep is. Het filmpje werd geproduceerd door Weta Workshops, een bedrijf dat visuele effecten maakt voor de filmindustrie. Het grootste technische struikelblok voor Magic Leap is blijkbaar om de techniek die mixed reality mogelijk maakt, tot een handzaam formaat terug te brengen. Oprichter Rony Abovitz onderkende de problemen.

    Forbes
    Verenigde Staten | tweewekelijks tijdschrift | oplage 925.051

    Forbes Magazine is een Amerikaans zakenblad dat opgericht is door B.C. Forbes en momenteel wordt geleid door zijn kleinzoon, Steve Forbes. Het tijdschrift is vooral bekend door de jaarlijkse lijstjes: de rijkste mensen, de grootste bedrijven, de machtigste vrouwen en de Celebrity Top 100.