Tag: status

  • Waarom Amerikaanse immigranten zo dol zijn op Ferrero Rocher

    Waarom Amerikaanse immigranten zo dol zijn op Ferrero Rocher

    Voor Liana Aghajanian vormden de in goudfolie verpakte chocoladebolletjes in de jaren tachtig en negentig hét symbool van het goede leven in de VS. Dit gevoel bleek universeel onder immigranten.

    Voor mij en vele andere immigranten is leven in Amerika nauw verbonden met Ferrero Rocher. Ik kwam aan het einde van de jaren tachtig met mijn ouders vanuit het Midden-Oosten naar de Verenigde Staten. We waren Iraans-Armeense vluchtelingen die na de oorlog tussen Irak en Iran een nieuw bestaan probeerden op te bouwen. Zoals zoveel andere immigrantengezinnen omarmden we onwennig onze nieuwe, vreemde Amerikaanse identiteit terwijl we ons vastklampten aan de oude, die ons duizenden jaren lang van een bestaan had verzekerd.

    Naast de Amerikaanse dollar en de Iraanse toman was Ferrero Rocher het derde wettige betaalmiddel dat voor mij heilig en reëel was. De in goudfolie verpakte zoete lekkernij was een glanzend bolletje waarin tussen laagjes chocoladevulling en stukjes hazelnoot de pijn, de vreugde en de dromen van immigranten schuilgingen. Het was een verholen handdruk, een teken van respect en goede smaak. Het was een symbool van het ‘goede leven’, iets wat als geen andere eetwaar stond voor sociaaleconomische aspiraties.

    De meeste Amerikanen kennen Ferrero Rocher tegenwoordig van Nutella, maar lang voordat die hazelnootcrème als ingrediënt in bijna elk recept voor een hip dessert voorkwam, was de uitwisseling van een doosje Ferrero Rocher (met 48 stuks erin als je geluk had) een geheime, universele taal onder immigranten uit de jaren tachtig en negentig. Die was in zwang in de o zo gastvrije cultuur van je familie: je ging nooit zonder lege handen bij iemand langs, zelfs al waren het onbekenden. En nam je Ferrero Rocher mee, dan wisten je gastheren zeker dat ze met jou op goud gestuit waren. Ook stond de lekkernij steevast op tafel bij immigranten thuis, waar ze werd gepresenteerd ter ere van de gasten.

    Bij schrijfster Tasbeeh Herwees en haar Libisch-Amerikaanse familie hadden ze dankzij haar moeder altijd Ferrero Rocher in huis, maar was het een soort verboden vrucht die was voorbehouden aan bezoekers. ‘Het was het soort chocola dat ze altijd ergens verstopte,’ zegt ze. ‘Ze werd hels als we aan haar voorraad Ferrero Rocher kwamen.’ Herwees groeide in het Californische Culver City op in een appartementencomplex waar alleen maar Libisch-Amerikaanse gezinnen woonden, allemaal met een schaaltje Ferrero Rocher op tafel voor de gasten. Ze associeerde het chocoladesnoepje met de Libische cultuur, want ze hadden het alleen bij haar thuis, op Libisch-Amerikaanse bruiloften en in Libië zelf. ‘Ik had een tante die altijd een Ferrero Rocher tevoorschijn toverde wanneer ik bij haar langsging. Ik kon ervan op aan dat ze ze in huis had,’ zegt ze. ‘Daardoor werd ze een van mijn favoriete tantes. Voor mij had het iets decadents. Zelfs wanneer ik er nu een eet, heeft het nog iets speciaals.’


    De hevige emotionele reactie die dit ene chocolaatje bij immigrantengezinnen opriep was universeel. Hun leven was doortrokken van oorlog, geweld, politieke onrust en sociaaleconomische ongelijkheid. Terwijl hun wereld veranderde, was Ferrero Rocher een constante factor, een toegankelijke brug tussen heden en verleden. Inmiddels is het een nostalgische herinnering aan wat het voor immigrantenkinderen zoals ik betekende om in Amerika op te groeien.

    Ook al zit er goudfolie om het snoepje, de maker was van eenvoudige komaf. (Niettemin bleek het vermogen van de erfgenamen van het Ferrero-Rocher-imperium uiteindelijk meer dan 20 miljard dollar waard.) Toen aartsvader Pietro Ferrero tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn banketbakkerszaak dreef, waren ingrediënten als chocola schaars. Vandaar dat hij ter compensatie hazelnoten toevoegde. Het smeersel dat hij uitvond heette eerst SuperCrema voordat het begin jaren zestig werd omgedoopt tot Nutella, een combinatie van het woord voor ‘noot’ en het Italiaanse achtervoegsel waarmee iets zoets wordt aangeduid, ella.

    Ferrero Rocher kwam in 1982 in Europa op de markt. Een variant met kokosnoot en amandel, Raffaello, volgde acht jaar later. Pietro’s zoon Michele, die de eer toekomt dat hij het buitenste chocoladelaagje toevoegde, was een vrome katholiek die elk jaar een pelgrimage naar het Franse heiligdom Lourdes ondernam. Toen hij op Valentijnsdag 2015 op negentachtigjarige leeftijd overleed, werd bekend dat zijn inspiratie voor Ferrero Rocher de Roc de Massabielle was geweest, een bolvormige grot in Lourdes waar de maagd Maria zou zijn verschenen aan de heilige Bernadette, een veertienjarige boerenmeisje dat hout aan het sprokkelen was.

    Het is dus niet zo vreemd dat het eten van een Ferrero Rocher een welhaast religieuze ervaring is. Onder de chocola en de stukjes hazelnoot zit een dun, krokant korstje, met daar weer onder een klodder romige, Nutella-achtige chocola. In het midden bevindt zich één hele hazelnoot, als het beeld van de Notre Dame van Lourdes in de grot waar Maria aan Bernadette verscheen.

    Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep

    Maar hoe kon een religieus geïnspireerd Italiaans snoepje zo geliefd worden onder Amerikaanse immigranten? Zoals zo vaak heeft het antwoord alles te maken met marketing. Terwijl andere fabrikanten van chocoladesnoepjes, bijvoorbeeld Godiva, zich in luxueuze winkelcentra positioneerden, was Ferrero Rocher overal te vinden in etnische supermarkten die het snoepje importeerden, en uiteindelijk ook in goedkope Amerikaanse drogistenketens als CVS en Rite Aid. Het had meer glans en was duurder dan Whitman’s en Russell Stover en het had dat exotische vleugje Europese verfijning, waardoor het op slag een betaalbaar luxeartikel werd. ‘Het lekkerste chocolaatje ooit!’ aldus Amerikaanse advertenties voor Ferrero Rocher, en we konden er geen genoeg van krijgen. Het werkte. Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep.

    In een poging de internationale chocolademarkt te domineren bouwde Ferrero Rocher fabrieken en productiecentra in Oost-Europa, Azië, het Midden-Oosten en Afrika. De lekkernij drong door tot het onderbewustzijn van Roemenen, Indiërs, Armeniërs, Libanezen, Chinezen, Nigerianen en vele anderen die zich door de aura van het geïmporteerde luxeartikel aangesproken voelden. In Hongkong, waar het chocolaatje bekendstaat als ‘goudzand’, vertegenwoordigde het van meet af aan een bepaalde sociale status. Zakenlieden uit Hongkong brachten het als geschenk mee naar het vasteland van China, vooral met Chinees Nieuwjaar. ‘De Hongkongse cadeautraditie en -gebruiken werden gretig overgenomen, vooral door de 80 miljoen Chinezen in Guangdong, en zo ontstond de band tussen Ferrero Rocher en de Chinese geschenktraditie,’ schreef Lawrence L. Allen in Chocolate Fortunes: The Battle for the Hearts, Minds, and Wallets of China’s Consumers. Chinese handelsbeperkingen hielden Ferrero Rocher eerst nog buiten de deur. Toen het snoepgoed in 2007 ten slotte toch voet aan de grond kreeg, waren er al nepversies in omloop. Een populaire was volgens Allen Fretate Relish, een andere Tressore Dore, dat in 2008 gedwongen werd de productie te staken en het Italiaanse bedrijf een schadevergoeding van 43.000 dollar moest betalen.

    Alice Chung, van wie de ouders vlak voor haar geboorte in 1984 vanuit Hongkong naar de VS emigreerden, herinnert zich het in ‘goud verpakte chocolaatje’ als een essentieel onderdeel van haar kindertijd. Ze weet nog dat haar ouders grote partijen bij Costco en Price Club insloegen. Niet alleen hadden ze altijd Ferrero Rochers in huis – en verstopten ze die zelfs omdat ze zo gewild waren –, ze namen ze ook in hun koffer mee naar China, tot groot genoegen van hun familie. ‘De verpakking is simpel, maar feit is dat we op goud belust zijn,’ zegt ze. ‘Het staat voor de voorspoed en de rijkdom die we anderen toewensen.’

    De liefde voor Ferrero Rocher is zo groot dat het snoepje zelfs als smeergeld wordt gebruikt. Een Ferrero-Rocher-liefhebber die halverwege de jaren negentig in Oekraïne woonde en anoniem wenst te blijven, vertelde dat hij als tolk uitstapjes en vervoer begon te regelen voor wie steden als Kiev en Charkov wilde bezoeken. Toen hij een keer op zeer korte termijn een verzoek voor zo’n reisje kreeg, waar speciale reserveringen voor nodig waren die niet alleen duurder bleken, maar ook uitsluitend weggelegd voor de hogere kringen, verzon hij een list. ‘Ik wilde best meer betalen, maar nam ook een bos bloemen of een doosje Rafaello’s of Ferrero’s mee naar het reisbureau, want die waren in Oekraïne helemaal je van het. De medewerkers waren diep onder de indruk,’ zegt hij. ‘De meesten zijn vrouwen die vaak overwerken zonder daarvoor betaald te krijgen, want de economie van Oekraïne is een zootje. Chocolaatjes en wat extra geld was beter dan extra geld zonder chocolaatjes. Het heeft diverse malen gewerkt.’

    Nutella zit tegenwoordig in elk hip dessert.
    Nutella zit tegenwoordig in elk hip dessert.

    Of we nu wel of geen Ferrero Rochers kregen of weggaven, ik vond altijd wel een manier om er een te jatten van een tafel vol zelfgebakken taart, dadels, noten en overvloedige hoeveelheden van de stroperige koffie die overal in het Midden-Oosten wordt gedronken. Dan at ik hem heel langzaam op, een eindeloos proces, wat iemand mogelijk op het idee bracht dat ik ondervoed was. Ik at me door elk laagje van het gouden ei heen totdat ik bij de hazelnoot in het midden was aanbeland. Ik wilde dat het eeuwig duurde, maar dat is nooit gebeurd. Als ik geen geduld had, slokte ik hem in één hap op, wat evenveel voldoening gaf. Daarna pulkte ik de stickertjes met ‘Ferrero Rocher’ in gouden letters van het doosje en plakte ze op mijn kleren, als een naambadge.

    De aantrekkingskracht was alleen niet zo universeel als ik dacht, en waarschijnlijk geeft niets de minachting voor Ferrero Rocher beter weer dan de uitzinnige reactie op de beruchte reclame die bekendstaat als ‘het ambassadeursfeestje’ en die in 1993 voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk werd vertoond. Hij vervulde het klassenbewuste Britse publiek, dat zich lang voor de Brexit al niet erg Europees voelde, met afschuw. De commercial, met beroerde nasynchronisatie en de gezwollen achtergrondmuziek van een Italiaanse soap, speelt zich af op de receptie in een anonieme Europese ambassadeursresidentie. Een plichtgetrouwe butler loopt door de zaal met een berg Ferrero Rochers op een dienblad en palmt de zwijmelende internationale gasten in, onder wie een Française: ‘Monsieur, wiz zis Rocher you are really spoiling us!’

    Met één iconisch zinnetje werden het chocolaatje én de merkpositionering op verrukkelijke wijze belachelijk gemaakt en voor eeuwig opgestoten in de Britse popcultuur. Achttien jaar geleden sprak William Cook in een artikel over de commercial in de New Statesman van de ‘eeuwige spagaat tussen de mythe van het ambassadeleven en de realiteit van de winkel op de hoek’. De boodschap van hang naar luxe en goede smaak was in de ogen van sommigen juist smakeloos. ‘Britse kijkers maken zich vaak vrolijk óver buitenlanders, niet mét buitenlanders,’ schreef Cook.

    Kapitalistisch spel

    Tientallen jaren later is de reclame-die-zo-slecht-was-dat-hij-weer-goed-werd en die compleet over the top is grappiger dan ooit. Maar juist die spanning tussen mythe en werkelijkheid sprak immigranten zo aan: wat fantastisch dat je je een luxeartikel kon permitteren met daaraan de herinnering dat je het al je hele leven met je familie deelde. Misschien was het gewoon niet te bevatten voor mensen die nooit door een verhuizing waren gedwongen hun in de loop van generaties gevormde welvaart en cultuur vaarwel te zeggen.

    Ferrero Rocher speelde in op die relatie, bijvoorbeeld door het product in verband te brengen met het hindoeïstische lichtjesfeest Divali. ‘Waarom hebben we het zo speciaal gemaakt?’ zegt de voice-over van een in India uitgezonden commercial. ‘Omdat we weten hoe speciaal het is om met Divali bij je dierbaren te zijn.’ Het was een geniale zet in het wereldwijde kapitalistische spel, precies wat mijn familie nodig had toen we destijds de enorme veranderingen in ons leven doormaakten die ons thuisgevoel langzaam uitholden.

    Tegenwoordig is de Ferrero Group niet alleen doorgedrongen tot de Amerikaanse markt, hij neemt die ook over. Eerder dit jaar kocht het bedrijf voedingsconcern Nestlé voor een slordige 2,8 miljard dollar nadat het eerder al Fannie May Confections voor 115 miljoen dollar had overgenomen, evenals gomproducent Ferrara Candy Company. Het afgelopen jaar noteerde de Ferrero Group volgens het vakblad voor de snoepindustrie Confectionary News een wereldwijde omzet van 12,96 miljard dollar. In de VS is Ferrero Rocher volgens marketingdirecteur Shalini Stansberry van Ferrero Premium Chocolates USA het op drie na grootste chocolademerk.

    In een tijd vol jarennegentignostalgie en met een hevig Amerikaans immigratiedebat speelt Ferrero Rocher nog net zo’n grote rol in mijn leven als toen ik opgroeide. Ik koop de chocolaatjes nog altijd en neem ze nog steeds mee wanneer ik bij iemand op bezoek ga, zoals mijn ouders dat deden. Ik mag graag denken dat de Amerikaanse immigrantenbevolking Ferrero Rocher aan zijn succes in dat land heeft geholpen, zoals het ons ook ooit van dienst is geweest.

    Auteur: Liana Aghajanian
    Vertaler: Nico Groen

    Liana Aghajanian is een Armeens-Amerikaanse journalist. Ze is gespecialiseerd in narratieve journalistiek en internationale verslaggeving. Aghajanian werd geboren in Iran, en groeide op in Los Angeles.

    Thrillist.com
    VS | thrillist.com

    Opgericht in 2004. Amerikaanse website over eten, drinken, reizen en entertainment.

  • Chili is anders

    Chili is anders

    De Chileen is geen racist, aldus chroniqueur Óscar Contardo. Hij is zich alleen hyperbewust van wat de hoeveelheid pigment in zijn huid, de vorm van zijn hoofd, de stand van zijn jukbeenderen en de structuur van zijn haar betekenen voor zijn status.

    De Chileen is geen racist, hij is creatief. Hij heeft zo zijn eigen fantasieën over zijn plek in de wereld en vindt zichzelf net zo westers als een Belg of een Zweed, en in het diepst van zijn wezen rekent hij zichzelf tot het blanke ras, gewoon, omdat hij zich geen indiaan voelt en nog minder een zwarte. Zo eenvoudig is het. Van het woord ‘mesties’ wordt de Chileen onrustig, want als hij dat zou gebruiken, zou hij toegeven dat hij van gemengd bloed is. En daar wordt hij ongemakkelijk van. Bovendien weet hij niet hoeveel indiaans bloed hij heeft, want geen Chileen neemt de moeite om zijn stamboom na te 
pluizen op Picunche-oma’s of Diaguita-opa’s of nakomelingen van de Maule-stam. Waarschijnlijk heeft niemand dat ooit geregistreerd. Waarom zouden ze ook? Wat heeft het voor nut?

    Daar komt bij dat de Chileen goede redenen heeft om te vermoeden dat zo’n verleden armoede en geweld heeft gekend, een zwarte periode die slecht combineert met zijn eigen ambities en de bewondering waarop hij kan rekenen als afstammeling van een blank geslacht. Zijn denkraam zal altijd Europees zijn: een dorpje in Extremadura waar zijn achternaam op rijmt, een Italiaans gehucht, een Baskisch dorp 
of – dat zou heel mooi zijn, hier kruist de Chileen hoopvol zijn vingers – een drupje Brits bloed dat aanleiding is om te kunnen opscheppen over een opa 
die zijn plek aan het hof inruilde voor avontuurlijke reizen naar het einde van de wereld. Want het is niet zo dat de Chileen racistisch is, hij is pragmatisch. Hij weet donders goed dat zijn indiaanse genen hem niets zullen opleveren, want in onze samenleving zijn je status en je positie afhankelijk van de afkomst die aan je uiterlijk is 
af te lezen. Welke kleur hebben zakenmannen en ministers? Hoe zien nieuwslezers eruit? En de actrices en acteurs die de hoofdrollen vertolken in televisie-
series? Fotomodellen voor bekende kledinglijnen? Lijken zij op de mensen die op een doordeweekse dag rondlopen op het Centraal Station of in een bus zitten naar de buitenwijken? Nee.

    Wij Chilenen zeggen liever dat we een lichtbruine of koffiekleurige huid hebben dan een donkere huid.

    De Chileen is niet wreed, hij is solidair. Probleem is wel dat solidariteit zo ongeveer wordt aangezien voor liefdadigheid die met neerbuigende vriendelijkheid gepaard gaat

    De Chileen is geen racist, hij is zich alleen hyperbewust van wat zijn huidskleur, de vorm van zijn hoofd, de stand van zijn jukbeenderen en de structuur van zijn haar betekenen voor zijn status. Hij laat dit blijken zonder dit met zoveel woorden te zeggen. Hij gebruikt met een ogenschijnlijk humoristische ondertoon een complex geheel van uitdrukkingen 
op basis van uiterlijke kenmerken: er zijn er met de uitstraling van hangjongeren (trainingspak, petje) en jongeren met het nette voorkomen van een kakker (polootje, kraagje). Je hebt er die eruitzien als kruimeldieven en als leden van de toekomstige elite. Wij 
verkneukelen ons graag om iemand met indiaanse trekken en dik, zwart haar en bewonderen de slanke meisjes met glanzend lang haar die de sociale media bevolken. Achter elk van deze creatieve taaluitingen schuilen niet alleen verschillen in uiterlijk maar ook in status en positie. Iemand met indiaanse trekken of een foute kop – om maar een greep te doen uit de o zo verfijnde beeldspraak die we gebruiken om een inheemse Chileen te typeren die de sociale ladder beklimt en te dicht bij de top komt – zal alles wat 
aan zijn afkomst herinnert onherroepelijk moeten wegmoffelen, alsof hij zich daarvoor zou moeten schamen of iets verkeerds zou hebben gedaan. Als een politicus aangepakt moet worden, dan doen we dat niet omdat hij fouten heeft gemaakt, niet consequent is of omdat we hem simpelweg niet mogen, nee, we richten ons op hoe hij zich presenteert, hoe hij eruitziet, vooral als hij een donkere huid heeft.

    De Chileen is niet wreed, hij is solidair. Probleem is wel dat solidariteit zo ongeveer wordt aangezien voor liefdadigheid die met neerbuigende vriendelijkheid gepaard gaat. Een jaarlijks of maandelijks ritueel waarmee we onszelf eraan herinneren hoe gul we 
zijn voor mensen die in armoede leven of in de kou staan. Medelijden vinden we belangrijker dan respect.

    Hoe reageert de weldenkende Chileen op de ordinaire en domme hysterie die de komst van Haïtianen 
bij een aantal opgewonden nationalisten heeft 
opgewekt, en op de slechte behandeling die de nieuwelingen zich dagelijks moeten laten welgevallen in de wijken waar ze rondzwerven op zoek naar werk en een dak boven hun hoofd? Hij slingert een hashtag 
op Twitter en herinnert ons eraan dat hij het achterachterkleinkind is van een Oekraïner en dat zijn oma uit België komt, voorwaar een schokkende onthulling waarover wij niet lichtzinnig moeten doen. Verwijzend naar zijn Europese roots maakt de progressieve Chileen ons duidelijk dat hij goed kan navoelen wat de huidige Latijns-Amerikaanse immigranten doormaken. En passant laat 
hij ons weten dat de Haïtianen meer dan welkom zijn en als onze hermanos behandeld moeten worden, alsof dit alles niet meer om het lijf heeft dan een weekendje weg naar zee. Zo denkt de linkse Chileen en dat tikt hij op in een goedbedoelde maar belerende tweet vol culturele vooroordelen, die hun fundament hebben in de geschiedenis van ontheemding en segregatie die de meeste Chilenen die met die immigranten moeten samenleven met elkaar gemeen hebben. De weldenkende Chilenen beseffen niet dat deze bevolkingsgroep het doelwit is van 
het politieke discours dat een zwakkere groep in de samenleving nodig had waarop de eigen frustraties geprojecteerd kunnen worden. De weldenkende Chilenen zouden intussen moeten weten dat de feiten – het werkelijke aantal immigranten, wat hun komst betekent voor de werkgelegenheid, 
dat ze de staatskas spekken omdat ze geld uitgeven – de angst waar politici gebruik van maken voor electoraal gewin of om hun positie te behouden niet zal wegnemen. Het gaat hier om politiek en niet om good vibes.

    Soort eilandbewoner

    De Chileen, ten slotte, is geen vreemdelingenhater, maar een soort van eilandbewoner die hoogst gevoelig is voor de hoeveelheid pigment in zijn huid. De immigranten uit Haïti schudden die karaktertrek op en maken het beest wakker dat daar altijd heeft liggen slapen, maar dat we eeuwenlang hebben geprobeerd te negeren om de vieze adem die uit zijn ingewanden opborrelt niet te ruiken en de pijn van zijn beet niet te voelen.

    Auteur: Óscar Contardo
    Vertaler: Jos den Bekker

    Openingsbeeld: Een typisch avondje uit in een restaurant in de Chileense stad Valparaíso. – © Getty Images

    La Tercera
    Chili | dagblad | oplage 200.000

    Populaire krant, opgericht in 1950, die voornamelijk gelezen wordt door de middenklasse in Chili. Op zondag worden er nog eens 63.000 extra exemplaren verkocht.

    unnamed

    Óscar Contardo (1974) is journalist en auteur van verschillende boeken over het sociale leven in Chili. Hij wordt gelauwerd voor zijn columns en kronieken, en kreeg de Altazor-debuutprijs voor het boek Raro (Vreemd).

    Immigranten demonstreren tegen racisme in Santiago. – © (AP / Esteban Felix)
    Immigranten demonstreren tegen racisme in Santiago. – © (AP / Esteban Felix)

    Hervorming immigratiewet

    Op 9 april kondigde de Chileense president Sebastián Piñera een hervorming van de immigratiewetten aan. Op Twitter vertolkte hij zijn filosofie achter het vraagstuk: ‘Een nieuwe wet die onze deuren opent voor diegenen die op legale wijze Chili binnenkomen en zulks doen om bij te dragen aan de ontwikkeling van ons land. En die de deuren sluit voor diegenen die proberen op illegale wijze binnen te komen […]’

    Chili heeft te maken met een ongekende immigratiegolf, sinds 2016 met name vanuit Venezuela, waar een scherpe crisis heeft toegeslagen, en vanuit Haïti, waar de diepe armoede voortduurt. In vier jaar tijd is het aantal immigranten verdubbeld tot momenteel één miljoen, oftewel 5,5 procent van de totale bevolking van Chili.

    Eenderde van de immigranten komt illegaal de grens over, bericht de digitale krant El Mostrador. De nieuwe wet voorziet in het legaliseren van de situatie van 300.000 illegalen, maar het komt er uiteindelijk op neer dat een toeristenvisum wordt omgezet in een tijdelijk visum dat toegang biedt tot de arbeidsmarkt. Volgens de wet moet vervolgens vanuit het land van herkomst een werkvergunning worden aangevraagd.

    Sinds 16 april krijgen Venezolanen een speciaal visum dat een jaar geldig is, eenmaal kan worden verlengd en waaraan het recht verbonden is om een permanente verblijfsvergunning aan te vragen. Voor Haïtianen daarentegen geldt dat zij het land slechts kunnen binnenkomen op een toeristenvisum dat een maand geldig is en eenmaal kan worden verlengd voor een periode van negentig dagen, ‘zonder de mogelijkheid om te immigreren, te verblijven 
of betaalde activiteiten te ontplooien’, zo staat te lezen op de officiële website van het Chileense ministerie van Arbeid.

    Op BBC Mundo, de Spaanstalige tak van de BBC, zegt een Haïtiaan die in Chili verblijft dat de bevolking daar ‘niet gewend is aan zwarte immigranten en zich afvraagt of al die Haïtianen eigenlijk niet van plan zijn om van land te wisselen’.