De top 5 is samengesteld door de redactie van 360. Deze (en andere) titels zijn direct online te bestellen via de webshop.
De zin van het leven
Stefan Klein
Stefan Klein is de succesvolste wetenschapsjournalist van Duitsland. In dit boek presenteert hij een nieuw idee van de mensheid: in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is het niet de egoïstische mens die uiteindelijk zal zegevieren, maar degene die zich bekommert om het welzijn van de ander.
Tabita
Iben Mondrup
Groenland staat volop in de aandacht, maar wat weten we eigenlijk van het land? Mondrup verhuisde er met haar gezin heen toen ze drie jaar oud was, maar keerde op haar achttiende terug naar Kopenhagen om naar de kunstacademie te gaan. Deze roman gaat over een adoptie waarbij koloniale geschiedenis volop verweven is met het persoonlijke leven van de personages.
Over antisemitisme
Mark Mazower
Mark Mazower legt zorgvuldig uit waar de verwarring over het begrip antisemitisme vandaan komt en laat zien waarom die onduidelijkheid zo gevaarlijk is. Dit boek is een belangrijke poging om onderscheid te maken tussen racistische haat en maatschappelijk debat.
Het fortuin van Neptunus
Julian Sancton
Het boeiende en waargebeurde verhaal over een legendarisch Spaans galjoen dat zonk voor de kust van Colombia met meer dan een miljard dollar in goud en zilver aan boord – en de obsessieve zoektocht van één man naar dat schip. De lezer wordt meegesleept van grote zeeslagen op de oceaan en zonovergoten kustgebieden tot de archieven waar de geheime sleutels te vinden waren die toegang boden tot ver- loren gewaande schatten.
Niemand kan terug
Alba de Céspedes
In deze roman volgt De Céspedes acht jonge studenten die samen in een pension in Rome wonen. Ieder van hen worstelt op haar eigen manier met liefde, ambitie, seksualiteit en de vraag in hoeverre een vrouw haar eigen leven kan vormgeven binnen de maatschappelijke verwachtingen van het Italië van de jaren dertig.
Astrofysicus Guy Consolmagno is de baas van de sterrenwacht van het Vaticaan. Wetenschapsjournalist Stefan Klein van Die Zeit sprak met hem over de vraag of wetenschap en religie te verenigen zijn, het verschil tussen mens en dier, en buitenaards leven.
Als we de wereld met natuurwetten kunnen verklaren, waar blijft God dan? Wie zich bezighoudt met het ontstaan en de opbouw van het universum wordt onvermijdelijk met dit soort vragen geconfronteerd. In het lastige grens-gebied tussen weten en geloven beweegt zich de astrofysicus Guy Consolmagno. Hij is jezuïet en zwaait de scepter over de sterrenwacht van de paus in diens zomerresidentie Castel Gandolfo bij Rome, waar de telescoopkoepel al van verre is te zien. Het Vaticaanse observatorium werd in de huidige vorm in 1891 gesticht om de uitwisseling tussen wetenschap en religie te bevorderen; als internationaal onderzoeksinstituut heeft het ook een grote telescoop in de woestijn van Arizona.
Consolmagno komt uit Detroit. Hij is expert in meteorieten en doet onderzoek naar het ontstaan van de hemellichamen in het zonnestelsel. Hij heeft een lange witte baard, draagt een sweatshirt, praat snel en lacht veel. Als ik niet beter wist, dan zou ik denken dat hij een professor van een Amerikaanse universiteit in het Midwesten is.
Met ruimteobservatoria kunnen we tegenwoordig het eerste licht van het universum na de oerknal opvangen, de kosmische achtergrondstraling. De Amerikaanse astrofysicus George Smoot heeft enkele jaren geleden bij een presentatie over deze straling gezegd: ‘Als je religieus bent, dan is het alsof je oog in oog staat met God.’ Bent u dat met hem eens?
Guy Consolmagno: Smoot heeft die ervaring heel nauwkeurig beschreven. Plotseling zie je iets waarvan je nooit gedacht had het ooit te kunnen zien. Dat heeft inderdaad veel weg van een religieuze beleving.
Wat voelt u als u naar de sterrenhemel kijkt?
Dezelfde verwondering die ik als kind voelde, maar met het voordeel meer te weten. Door wat ik weet waardeer ik de dingen die ik waarneem nog meer. Ik heb zelf een kleine telescoop. Wie daardoor naar de Orionnevel kijkt, zal zeggen: wat prachtig! Ikzelf kijk echter naar de Orionnevel in de wetenschap dat daar sterren worden geboren. Met een grotere telescoop kun je zelfs de processen waarnemen die leiden tot het ontstaan van planetenstelsels. Het is vergelijkbaar met naar muziek luisteren of een zonsondergang bewonderen. De bloedrode zon is mooi en hetzelfde geldt voor de maxwellvergelijkingen die beschrijven hoe haar licht ons bereikt. Die elegantie van de natuur ervaar je echter alleen als je kennis hebt van de wetenschap erachter.
Ik begrijp wat u bedoelt, een bijna extatische verwondering over het feit dat de schoonheid van de wereld zich op zo veel terreinen aan ons vertoont.
Het simpelste woord daarvoor is ‘vreugde’. Als ik me niet goed voel, kijk ik door de telescoop. Daarna ben ik gelukkiger.
Zou u dat geluk een religieus gevoel willen noemen?
Ja. Met de nadruk op gevoel. Religie is meer dan emoties. Maar de vreugde die ik ervaar bij een blik door de telescoop of ook wanneer ik gegevens uit de computer heb geprint en plotseling iets doorzie, is vergelijkbaar met de vreugde die ik in het gebed heb beleefd.
U hebt twintig jaar als wetenschapper gewerkt voordat u jezuïet werd. Hoe bent u bij de orde gekomen?
Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en heb me altijd zeer op mijn gemak gevoeld bij mijn Ierse moeder en mijn Italiaanse vader. En ik had bewondering voor mijn leraren, dat waren jezuïeten. Religie was een belangrijk deel van ons leven, maar ik heb me er nooit met schuldgevoelens beladen of onderdrukt door gevoeld. Integendeel, ik geniet van de religie. De dagelijkse gang naar de mis geeft me nog altijd grote voldoening en als ik niet ga, ervaar ik dat als een gemis.
U bent gelovig uit hedonisme.
Zou ik dat woord gebruiken? Maar inderdaad, ik heb nooit dingen gedaan die ik niet leuk vond. Toen we achttien waren dronken mijn vrienden whisky. Ik vond dat naar mondspoeling smaken. Waarom zou ik die rommel drinken?
Je moet wennen aan de smaak van whisky. Net als aan de mis.
Bij de mis heeft het in elk geval voor me gewerkt. Wetenschapper werd ik omdat ik sciencefictionfan ben. Dat was ik al in mijn tienerjaren. Toen ik in Boston de bibliotheek van de Science Fiction Society in het Massachusetts Institute of Technology (MIT) zag, wilde ik per se daar studeren. In een bevlieging schreef ik me in voor geowetenschappen. Het was geweldig. Wij studenten mochten onderzoek doen en ik schreef mijn eindscriptie over de oceanen op de ijsmanen van Jupiter. Destijds, in de jaren zeventig, was dat allemaal nog speculatie. De ruimtesondes die daar in de afgelopen jaren zijn geweest, hebben mijn voorspellingen over vloeibaar water onder de ijskorsten bevestigd. Mijn verklaringen ervoor waren evenwel onjuist. Toen ik naar de dertig liep, haalde ik geen voldoening meer uit onderzoek. Ik vroeg me af: wat ben je eigenlijk aan het doen met je leven? Hoe kun je je het hoofd breken over manen van Jupiter als mensen op aarde verhongeren?
En tot welke conclusie kwam u?
Ik nam ontslag bij het MIT en meldde me aan bij het Peace Corps, dat Amerikaanse vakmensen naar andere landen stuurt. Ik ging naar Nairobi om les te geven in astronomie, maar ik had wel gedacht praktischer bezig te zullen zijn voor de armen. In het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten kijken. Ze ervoeren natuurlijk precies die vreugde waarover we zojuist spraken. Toen begreep ik dat de vreugde om het universum te zien alle mensen verenigt.
In het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten kijken
Omdat we zien dat we deel uitmaken van een groter geheel. Ik denk dat daar een diep verlangen achter schuilgaat: we willen weten wie we eigenlijk zijn en waar we vandaan komen. Veel mensen hopen een antwoord te krijgen in de religie, anderen zoeken dat in de wetenschap.
Een vriend van mij zoekt de verklaring daarvoor in de omvang van onze hersenen. Kennelijk zitten daar delen in die meer willen dan alleen maar dat er de volgende ochtend genoeg te eten is. En ja, u kunt het verlangen toeschrijven aan het bewustzijn van onszelf, op wat de grote filosofen de menselijke ziel noemden. Ik zou dat gevoel omschrijven als de vreugde om dicht bij God te zijn. Maar ik probeer dat niet te verklaren. Ik observeer de vreugde alleen maar en neem die serieus. Ze hoort bij het menselijk leven. Met die gevoelens onderscheiden we ons van weldoorvoede runderen.
Maar dat is niet de reden dat u jezuïet bent geworden.
Nee. Nadat ik na twee jaar was teruggekeerd uit Kenia heb ik een paar jaar lesgegeven aan een Amerikaans college. Ik was gelukkig. Maar toen liep mijn relatie op de klippen en werd me duidelijk dat een gezin hebben niet strookt met mijn persoonlijkheid. De tijd leek me rijp om toe te treden tot de orde. Hier kan ik het onderzoek doen dat ik altijd al wilde doen en tegelijkertijd mijn geloof beleven.
U zag geen contradictie in het als wetenschapper afleggen van de kloostergelofte?
Waarom zou dat moeten?
Omdat een wetenschapper alleen gebonden zou moeten zijn aan kennis. Als jezuïet hebt u uw kerk echter onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gezworen. ‘Wat in mijn ogen wit lijkt te zijn, beschouw ik als zwart als de hiërarchische kerk dat zo beslist,’ heeft Ignatius, de stichter van uw orde, geschreven. Niet bepaald een heel wetenschappelijke instelling.
Een metafoor. Hopelijk.
Waarom denkt u dat Ignatius dat niet zo heeft bedoeld?
U moet die zin in zijn context zien. Wij jezuïeten hebben altijd al de naam gehad rebels te zijn. Maar rebellie en overgave zijn niet in strijd met elkaar. Het een brengt het ander met zich mee.
Soms.
In mijn geval is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Onze missie bij het Vaticaanse observatorium is heel eenvoudig om goede wetenschap te bedrijven. Niemand geeft ons opdracht waarnaar we onderzoek moeten doen en met welke resultaten.
In 1996 bent u voor de sterrenwacht van de paus in Antarctica geweest om naar meteorieten te zoeken.
Ja. Meteorieten bieden informatie over de geschiedenis van het zonnestelsel. Maar de meeste meteorieten die op aarde terechtkomen worden niet als zodanig herkend. De mensen denken dat het doodgewone stenen zijn en op een gegeven moment verdwijnen ze in de bodem. Maar in Antarctica beweegt het ijs zich vanuit het midden naar de rand van het continent, waar het smelt. Daarbij komen meteorieten tevoorschijn die duizenden jaren geleden zijn ingevroren. Je hoeft alleen maar je ogen open te houden: de zwarte stenen die zich tegen het blauwe ijsoppervlak aftekenen, zijn meteorieten.
Hoe lang bent u in die ijswereld geweest?
Maanden. Meestal waren we met z’n zessen, telkens twee onderzoekers in een tent. Elke ochtend reden we met de sneeuwmobiel verder naar een ander gebied. Als je langere tijd in zo’n kale omgeving doorbrengt, verandert je waarneming. Kleuren worden intenser, geuren worden krachtiger. Je begint zelfs de lucht te proeven. Hoewel je je een vreemde voelt in die natuur besef je dat ook die bij onze wereld hoort. En dat het universum veel rijker en gecompliceerder is dan we ons voorstellen.
Heb je nog behoefte aan religie als je dat soort ervaringen in de natuur hebt?
Ik wel. Ik had een plastic doosje met geconsacreerde hosties bij me. Elke nacht om twee uur nam ik er eentje en sprak een gebed uit. Voor mij was het in die volledige afzondering zelfs nog belangrijker om verbinding te zoeken, mezelf eraan te herinneren dat de wereld groter is dan onze drie tenten.
Omdat ik altijd wakker word rond dat uur. En omdat ik niet wilde dat mijn reisgenoten het zouden meekrijgen. Wat ik deed was te belangrijk en te intiem. Wie in die mate op elkaar is aangewezen, zoals wij dat waren, kan het best al het persoonlijke overboord zetten.
Uw collega’s in de tent zouden u waarschijnlijk ook niet hebben begrepen. Ik ken maar heel weinig wetenschappers die religieus zijn.
Die ervaring deel ik niet. Normaal gesproken schrikken wetenschappers ervoor terug om over religie te spreken. Maar toen ik toetrad tot de orde vertelden veel collega’s me over hún geloof. Wetenschappers zijn even religieus als andere mensen.
Onderzoeken leiden tot een andere conclusie. In de VS gelooft bijvoorbeeld bijna 90 procent van de bevolking in God, maar slechts 30 procent van de hoogleraren. En van de geleerden die vanwege bijzondere prestaties in de Amerikaanse Academie van Wetenschappen zijn gekozen, is zelfs maar 7 procent religieus.
Ik denk dat wetenschappers de vraag bij dergelijke onderzoeken anders interpreteren dan andere mensen, niet of ze geloven maar of ze regelmatig bidden en naar de kerk gaan. Zo komt u natuurlijk op lagere percentages. En de Academie is een verzameling oude mannen. Wie in zo’n instituut wordt gekozen, heeft buiten zijn research nooit een leven gehad.
Wat mij betreft is er een veel voor de hand liggendere verklaring voor deze cijfers. De wetenschappers zijn niet gelovig omdat de religie hun niet plausibel voorkomt. De kerk verkondigt een leer die meer dan tweeduizend jaar geleden is ontstaan, in een heel andere wereld. En dat doet ze bovendien nog in een taal die geen mens meer begrijpt. Toen het Oude Testament werd geschreven, dacht men dat de aarde plat was. En men kon zich geen andere voorstelling maken dan dat een hoger wezen de mensen op de wereld had gezet. Tegenwoordig hebben we betere verklaringen.
Maar ook een rijkere theologie. In Babylon, waar het scheppingsverhaal van het boek Genesis zijn oorsprong vindt, dachten de mensen dat de aardschijf werd begrensd door gebergten en dat daaroverheen een firmament was gespannen. Men vroeg zich af wat daarachter zou zijn. Tegenwoordig weten we dat de horizon, waar we niet achter kunnen kijken, miljarden lichtjaren verwijderd is.
Zo’n horizon is er omdat het licht uit nog verder verwijderde delen van de ruimte sinds de oerknal niet genoeg tijd heeft gehad om ons te bereiken. Maar daarachter gaat het heelal verder. We kunnen alleen niet weten hoe het er daar uitziet.
We moesten astronomie bedrijven om daarachter te komen. In elk geval houdt de vraag wat er aan de andere kant van de horizon is ons nog altijd bezig. Die vraag is er alleen maar fascinerender op geworden. Er wordt vaak gezegd dat wij astronomen met onze telescopen naar de laatste antwoorden zoeken. Dat is niet zo. In werkelijkheid geven we de aanzet tot het stellen van filosofische vragen.
Hoe nuttig zijn geloofsbegrippen uit een tijd waarin de mensen dachten dat de wereld in zeven dagen is geschapen?
Ik geloof niet dat we te maken hebben met nieuwe vragen. We zien de oude vragen alleen op een nieuwe manier. Het boek Genesis verhaalt niet over wetenschap, want die was er toen nog niet. Maar alles wat er over de schepping in de Bijbel staat, heeft één thema gemeen: het universum is het werk van een bovennatuurlijke god die deze wereld wilde en liefheeft. Dat is een diepzinnige overweging die overeind blijft, ook al breidt onze kosmologische kennis zich uit.
Eens. In een wereldse taal zou ik die gedachte als volgt uitdrukken: het universum is in beginsel goed. Maar een dergelijk geloof heeft helemaal niets te maken met wat we over het ontstaan van de kosmos kunnen ontdekken.
Een ander voorbeeld: in de oudheid vermoedde men de aanwezigheid van monsters op de onbekende continenten aan de andere kant van de oceanen. Natuurlijk weten we nu dat die monsters er niet zijn. Maar in de afgelopen jaren zijn er wel bijna duizend planeten in andere zonnestelsels ontdekt. En het zou heel, heel merkwaardig zijn als niet op enkele van deze exoplaneten intelligente wezens wonen. Hoe denken die schepsels over de grote vraagstukken? Welke ideeën hebben zij over de reden van hun bestaan en het ontstaan van het universum? Dan kijk ik naar mijn religie en besef dat de wereld niet alleen maar uit de mensheid bestaat.
Als ik me goed herinner, spelen andere schepsels van de natuur nauwelijks een rol in de Bijbel.
De christenen in de middeleeuwen geloofden in elk geval helemaal niet dat de mensheid het middelpunt van alles vormde. Die fout hebben de humanisten pas veel later gemaakt.
Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven
In de Middeleeuwen geloofden de mensen in engelen. Die wilt u toch niet gelijkstellen met buitenaardse wezens?
Wie zich een voorstelling kan maken van engelen, heeft geen problemen met buitenaardse intelligentie.
Ik heb nooit echt begrepen wat het woord ‘god’ eigenlijk betekent.
Er zijn veel voorstellingen van God, verkeerde en zelfs gevaarlijke voorstellingen. Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven.
En waarin kunt u geloven? Laten we het met een betekenis proberen waarover we het misschien eens kunnen worden: ‘god’ is de oorzaak van alles. Het woord is een omschrijving van de onbeantwoordbare vragen waarom de wereld bestaat en waarom die is zoals hij is.
Eens. Maar voor mij is het meer dan dat. De God die verantwoordelijk is voor de supernova’s en de natuurwetten hóúdt ook van mij.
Waarom zou hij uitgerekend in u geïnteresseerd zijn? Of in mij?
Tja, waarom vinden mijn vrienden me leuk? Als ik daarvoor een lijst van argumenten moet opstellen, ben ik verloren. Eigenlijk zijn er geen redenen. Desondanks is de vraag beslist niet triviaal. De liefde komt voor al het andere.
Gevoelens zijn menselijke emoties. Ik vind het moeilijk te begrijpen hoe je zoiets kunt toekennen aan een oergrond van het universum. Wilt u ook beweren dat God een wil heeft en handelend optreedt?
Ja.
Alsof hij een persoon is? De gedachte dat achter de laatste onbeantwoorde vraag uitgerekend een wezen met menselijke trekken schuilgaat, lijkt me zachtjes uitgedrukt onwezenlijk.
Onwezenlijk, ja. Zelfs wonderbaarlijk: God verricht wonderen. Maar dat vind ik niet ongelooflijk.
Dan moeten we maar eens een wonder tegen het licht houden. Gelooft u in de opstanding van het vlees?
Ja. Als het eenmaal gebeurd is, dan kan het opnieuw.
Wat doet u aannemen dat Jezus na zijn dood fysiek is opgestaan?
De mensen die de Verrezene hebben gezien, geloofden er zo heilig in dat ze liever zouden sterven dan die gebeurtenis te verloochenen.
Hebt u een verklaring voor het fenomeen?
Natuurlijk niet.
En als ik zeg dat ik mensen heb ontmoet die bij hun leven zweren dat ze een werkend perpetuum mobile hebben gezien, zou u dat geloven?
Nee. De opstanding gaat samen met alles wat ik verder over God weet. Het perpetuum mobile daarentegen is onverenigbaar met alles wat ik over machines weet.
Zowel de opstanding als het perpetuum mobile zijn onverenigbaar met alles wat we over de natuurwetten weten.
Inderdaad. Beide zijn in tegenspraak met het natuurwetenschappelijke model dat we van het universum hebben. Dus kloppen ofwel de data of het model niet.
Welke data?
De getuigenissen van de mensen die de Verrezene en naar u beweert het perpetuum mobile hebben gezien. Nu gaat u me natuurlijk vragen waarom ik in het ene geval de getuigenissen wel geloof en in het andere niet.
Of waarom u in de opstanding gelooft, maar niet in het scheppingsverhaal zoals het in de Bijbel staat.
Omdat er niet zomaar iemand is opgestaan en omdat de getuigen met hun leven instonden voor de waarheid van hun verklaring. En vooral omdat de opstanding de kern vormt van een hele theologie die het universum zinvol maakt en omdat die mij waarachtig in de oren klinkt.
Ik wil graag geloven dat de discipelen Jezus na de kruisiging echt hebben gezien. Ze moeten in een enorme shock hebben verkeerd en hallucinaties na een traumatische ervaring zijn een bekend verschijnsel. Ook ik vind dat de opstanding een krachtig verhaal is, maar ik kan dat verhaal niet letterlijk opvatten. Ik lees het als een parabel die laat zien hoe het goede soms op verbazingwekkende wijze de haat en het geweld overwint. Zoals ook u Genesis figuurlijk en niet letterlijk opvat.
Maar wat is dan het verschil tussen uw lezing en de mijne? Het komt op het volgende neer: als de opstanding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dan mogen ook wij die verwachten. En als God tegen mij zegt dat er een eeuwig leven is, dan zeg ik geen nee.
Twijfelt u wel eens aan uw geloof?
Natuurlijk. Een religieus leven zonder twijfel bestaat niet. Maar ik twijfel niet vaak. In wezen ligt het aan mijn hedonisme. Ik vraag me dan af wat ik eraan heb als ik afstand doe van mijn geloof.
Eerlijkheid. Waarheid is niet iets wat ik zo wil draaien dat het me het best uitkomt.
Goed. Maar dan moet u me eens vertellen waarom u zo veel waarde hecht aan de waarheid dat u er geen afstand van wilt nemen. Ik zou zeggen dat u ook daarmee een religieus besluit hebt genomen.
Tolerant en liberaal met grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.