Tag: strategie

  • 1. Bondgenootschappen à la carte

    1. Bondgenootschappen à la carte

    NAVO, Comecon, Europese Unie, Warschaupact: het zijn straks begrippen uit het verleden. De allianties die vandaag de dag worden gesmeed, berusten niet meer op politieke ideologieën, maar op commerciële belangen.

    ‘Het anti-Sovjetcement dat ons tijdens de Koude Oorlog bij elkaar hield is allang verdwenen. Momenteel hebben we een liefdeloos huwelijk waarin de twee partijen onder hetzelfde dak blijven wonen zonder dat er nog sprake is van een werkelijke band.’ Zo beschreef Richard Haass, voorzitter van de Amerikaanse denktank Council on Foreign Relations en belangrijk beschouwer van de buitenlandse politiek van Amerika, in een recent artikel op de website van Project Syndicate de relatie tussen Turkije en de Verenigde Staten. Een beeld dat gemakkelijk valt te veralgemeniseren. De aard en het doel van bondgenootschappen, partnerschappen en belangengroeperingen zijn bepalend geworden voor de toekomst van het internationale systeem. Daaruit zullen de principes voortvloeien waarop het buitenlands beleid van grote mogendheden is gebaseerd.

    In feite hebben de Verenigde Staten geen reden om te klagen over de nieuwe werkelijkheid waarin de wereld zich bevindt. Het is juist Washington dat destijds twijfels uitte over de aard van de bondgenootschappen die als gevolg van de Koude Oorlog waren ontstaan. Tijdens een gesprek met tv-presentator Larry King in december 2001 zei de toenmalige minister van Defensie Donald Rumsfeld: ‘Er bestaat niet maar één coalitie. Er zijn verschillende coalities. Landen doen wat ze kunnen. Landen helpen zoveel ze kunnen. En dat is de benadering die omarmd zal moeten worden. Ik zal u zeggen waarom: het ergste wat je kunt doen is een coalitie over een missie laten beslissen. Het is de missie die de coalitie moet bepalen.’

    Rumsfeld sprak over de strijd tegen het terrorisme, een thema dat na 11 september 2001 alle andere issues van de Amerikaanse politieke agenda had gevaagd. Maar de commentatoren hadden zich onmiddellijk afgevraagd of het Pentagon niet van plan was de facto een eind te maken aan de relaties die werden bepaald door de NAVO en over te stappen op gelegenheidsbondgenootschappen. Hun ongerustheid was gegrond, want de minister van Defensie dacht inderdaad dat de tijd waarin men ‘als een verenigd front optrok’ voorbij was en dat de Verenigde Staten hun partners voortaan van geval tot geval zouden kiezen naargelang hun doelstellingen. De verdeeldheid die zich het jaar daarop in het Atlantisch bondgenootschap manifesteerde over de interventie in Irak (Frankrijk en Duitsland waren daar fel tegen gekant) hebben de door Rumsfeld geschetste tendens schijnbaar versterkt. Daarna verliep de inval in Irak zo rampzalig dat Rumsfeld moest aftreden en men weer van zijn ideeën over de relatie tussen de Verenigde Staten en hun bondgenoten is afgestapt.

    Trans-Atlantische retoriek

    George W. Bush heeft tijdens zijn tweede ambtsperiode de gebruikelijke trans-Atlantische retoriek, zoals gemeenschappelijke waarden, weer van stal gehaald, net als zijn opvolger Barack Obama. Toch is het zaadje dat Donald Rumsfeld had geplant ontkiemd, temeer omdat Washington steeds meer moeite had met de verdeling van de financiële lasten van de NAVO, die voor 75 procent door de Verenigde Staten werden gedragen. Onder Donald Trump, die niet de reputatie heeft zachtzinnig te werk te gaan, is het pas echt tot een uitbarsting gekomen: als bondgenoten hun steentje niet bijdragen, wat schiet je er dan mee op? Ook al kent de neiging om ‘in marmer gehouwen’ bondgenootschappen af te schaffen al een lange geschiedenis, ze is momenteel in een nieuw stadium beland. Rumsfeld bedoelde dat de Amerikanen weer de vrijheid moesten krijgen om de ‘menukaart’ te bestuderen en daarvan het gerecht te kiezen dat ze het liefste wilden. Maar wat Richard Haass beschrijft is de vrijheid om gerechten te kiezen die gisteren nog niet eens als garnituur werden beschouwd.

    Turkije is daarvan een goed voorbeeld. Recep Tayyip Erdogan gedraagt zich alsof de NAVO niet meer bestaat. De diepgaande meningsverschillen die Turkije heeft met zijn Europese bondgenoten en met Amerika zijn systematisch geworden. Het politieke model van Turkije beantwoordt niet langer, zelfs niet formeel, aan de criteria van moderne democratieën die voorwaarden zijn om tot een westers bondgenootschap te behoren. Het gevolg is dat Turkije vervangende partners zoekt, zoals Rusland, Iran en China, en overweegt zich aan te sluiten bij de Shanghai-samenwerkingsorganisatie [een veiligheidspact uit 2001 tussen Rusland, China, Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan en, sinds 2017, India en Pakistan] en de BRIC-landen [Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika, oftewel 40 procent van de wereldbevolking]. Het politieke model van ‘diversificatie’ dat Erdogan in het leven wil roepen, wordt momenteel zwaar op de proef gesteld. Turkije maakt een ernstige economische en financiële crisis door die het gevolg is van de sancties van Amerika. Op zoek naar steun heeft Turkije zich daarom tot Rusland en China gewend, verklaarde tegenstanders van Amerika, zoals Rusland tot voor kort ook een tegenstander van Turkije was. Duitsland heeft de internationale gemeenschap opgeroepen Turkije financieel te steunen, omdat Berlijn in het geval van een economische crisis een migratiegolf vreest. Duitsland is zelf bijna in een openlijke economische oorlog verwikkeld met de VS, zijn belangrijkste bondgenoot. En ga zo maar door.

    De presidenten Erdogan, Rouhani en Poetin houden een persconferentie na de drielandentop tussen Turkije, Iran en Rusland in Teheran, 7 september 2018. © Getty Images
    De presidenten Erdogan, Rouhani en Poetin houden een persconferentie na de drielandentop tussen Turkije, Iran en Rusland in Teheran, 7 september 2018. © Getty Images

    Het anti-Sovjetcement waarover Richard Haass schreef, had een sterk bindende werking. Het was niet alleen bedoeld om het hoofd te bieden aan een gemeenschappelijke militaire dreiging. De wereld was in ideologische en strategische blokken verdeeld, in twee systemen waarbinnen onenigheden tussen bondgenoten werden opgelost met een zekere doeltreffendheid, ook wel minnelijke schikking genoemd. De dreiging van buitenaf was te groot om de eenheid te laten verstoren door onderlinge conflicten.

    ‘Er bestaat niet maar één coalitie. Er zijn verschillende coalities. Die benadering moet omarmd worden’

    Toen het oude systeem verdween, kwamen er al gauw weer belangenconflicten aan de oppervlakte, vaak op zuiver economische gronden. Toen de globalisering in volle gang was, onder auspiciën van de Verenigde Staten, had vrijwel iedereen daar baat bij – niet in dezelfde mate, maar voldoende om meningsverschillen op een beschaafde manier op te lossen. Momenteel, nu een steeds groter aantal inwoners van westerse mogendheden niet langer genoegen neemt met de verdeling van de rijkdom, nu de ‘wereld zonder grenzen’ steeds gevaarlijker lijkt, worden de principes voor economische samenwerking opnieuw geëvalueerd.

    De slogan ‘America First’ is daar een perfect voorbeeld van. Het gaat in de eerste plaats om de economie, maar alles houdt ermee verband. De drastische sancties die aan concurrenten worden opgelegd (in sommige gevallen politieke bondgenoten), of om preciezer te zijn de nieuwe voorwaarden die hun voor een partnerschap worden opgelegd, verstoren het beeld van een evenwichtig bondgenootschap dat is gebaseerd op gemeenschappelijke waarden.

    Stormram

    Trump speelt op dit nieuwe toneel de rol van stormram. Zijn opvolger, wie het ook zal zijn, zal alle fouten op zijn lompe voorganger kunnen afschuiven en de Europeanen kunnen verleiden met zijn verfijnde manieren. In wezen echter vindt de basale benadering van Trump veel weerklank in Amerikaanse politieke kringen: onze bondgenoten dienen geen voorrechten te genieten die alleen maar bestaan bij de gratie van door ons verstrekte garanties. Maar deze overwegend economische benadering tast de fundamenten van de NAVO aan.

    Het lot van de gaspijpleiding Nord Stream 2, waardoor Russisch gas via de Oostzee naar Europa zal worden gepompt en waarover momenteel gesteggeld wordt, zal aan de ene kant de toekomst van de trans-Atlantische gemeenschap bepalen, en aan de andere kant de relatie EU-Rusland. Tijdens een persconferentie in Helsinki, na afloop van zijn ontmoeting met Poetin, verklaarde Trump: ‘Wat die gaspijpleiding betreft, daar gaan we mee concurreren.

    Ik weet niet zeker of de belangen van Duitsland daarmee het best zijn gediend, maar dat moeten ze zelf maar beslissen. Wij verkopen ook vloeibaar gas, we moeten concurreren met die gaspijpleiding en dat zullen we doen ook, ook al hebben ze enkele voordelen. Ik heb Angela Merkel flink de waarheid gezegd over deze kwestie.’ Helderder kon het niet worden verwoord, zonder dat er gewezen werd op de gevaren van de afhankelijkheid van één leverancier, de energieveiligheid van Europa, de toekomst van de Oekraïne et cetera.

    We stevenen af op een impasse, vergelijkbaar met de situatie met Iran. De Europese Unie heeft het opzeggen door de VS van het nucleaire akkoord met Iran scherp veroordeeld en verklaard vastbesloten te zijn haar verplichtingen na te komen.
    Maar de grote ondernemingen beginnen zich al uit Iran terug te trekken vanwege hun afhankelijkheid van de Amerikaanse markt. In het geval van de Nord Stream 2 is de situatie hetzelfde. Alle partners van het project aan Europese zijde zijn multinationals met grote belangen in de Verenigde Staten.

    De VS kan zijn bondgenoten 
laten capituleren, maar dat zal 
de alliantie er niet sterker op 
maken

    Schijn van daadkracht

    Zaken zijn zaken, maar de politieke kant van de zaak is verbazingwekkender. Duitsland, de grootste partner van de VS in Europa, wordt openlijk onder politieke druk gezet om af te zien van een project waaraan het veel belang hecht, vooral in economisch opzicht. Bulgarije heeft vier jaar geleden hetzelfde meegemaakt toen de regering daar na een bezoek aan Sofia van een delegatie Amerikaanse senatoren onder leiding van John McCain aankondigde zich terug te trekken uit het gaspijpleidingproject South Stream. Maar Bulgarije is een klein en erg afhankelijk land, terwijl er in het huidige geval druk wordt uitgeoefend op een van de politieke en economische leiders van de EU.

    Wat doe je in zo’n geval? Dat is de vraag. De schuchtere verklaringen over het versterken van de Europese strategische autonomie, bepleit door Emmanuel Macron, of de aankondiging van de oprichting van alternatieve organisaties zoals een Europese pendant van het netwerk Swift, op aandringen van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Heiko Maas, lijken voorlopig alleen nog maar boodschappen die bij de Europese kiezer de schijn van daadkracht moeten wekken.
    De Verenigde Staten beschikken over de middelen om hun bondgenoten te laten capituleren, maar dat zal de alliantie er niet sterker op maken. Het idee dat je alleen maar op jezelf kunt rekenen is al een wezenlijk onderdeel van de Europese retoriek.

    De NAVO, en in bredere zin de trans-Atlantische gemeenschap, is destijds als overwinnaar uit de Koude Oorlog gekomen en lange tijd als een voorbeeldig blok gepresenteerd, dat model zou moeten staan voor de oprichting van andere bondgenootschappen. Als daar al een kloof in is ontstaan, terwijl het bestaat uit historisch en cultureel homogene landen, dan kun je je nog moeilijker voorstellen dat landen met een uiteenlopendere bagage stabielere bondgenootschappen zullen kunnen vormen.

    Het vredesproces Astana [een samenwerkingsverband van Rusland, Turkije en Iran dat bedoeld is om een uitweg te vinden uit het Syrische conflict] is een voorbeeld van een nieuw soort partnerschap dat vrijwel op het ideologische erfgoed van Rumsfeld is gebaseerd: namelijk niet op sinds lang bestaande gemeenschappelijke waarden en overeenkomstige belangen, maar op de noodzaak om een concreet probleem op te lossen. We hoeven niet de illusie te koesteren dat er sympathie en vertrouwen heersen tussen Turkije, Rusland en Iran, maar ze delen de overtuiging dat zonder hun interactie de situatie in Syrië nog erger zou zijn voor iedereen. Een basis die solide is gebleken.

    Ander voorbeeld: de Russisch-Chinese relaties. Nogal moeilijk te definiëren. Zeker is dat het niet om een bondgenootschap gaat: de twee partijen zijn te zeer aan hun vrijheid gehecht om zichzelf beperkingen op te leggen ter wille van een bondgenoot. Het is ook geen exclusieve relatie: Rusland en vooral China zou niet willen dat hun toenadering ten koste van andere verplichtingen zou gaan. Het is een partnerschap dat op een subtiele mengeling van relaties op verschillende gebieden berust, zonder een overeenkomstige kijk op waarden. Maar de logica van de ontwikkeling van de twee staten leidt ertoe dat ze hun acties steeds meer coördineren met het oog op hun belangen. Het gaat alleen maar om belangen, om pure berekening, en niet om sentimenten.

    Nabije toekomst

    Het analyseren van de verschillende vormen van interactie is niet alleen een speculatieve exercitie. De actuele gebeurtenissen zullen de bondgenootschapskaart drastisch veranderen. 
De beslissingen over de Nord Stream 2; de tussentijdse verkiezingen in de 
Verenigde Staten in de context van een verwoede politieke strijd om het verzet tegen Trump te testen (niet zozeer tegen zijn persoonlijkheid als wel 
zijn beleid, dat openlijk op handel is gericht); de laatste fase van het gewapende conflict in Syrië; de spanningen rond Idlib, het laatste Syrische bolwerk in handen van de rebellen, die alleen kunnen worden opgelost door een duidelijke herdefinitie van de aanwezige krachten; de ontwikkeling van een nieuwe boodschap aan het adres van de wereld door China; de herdefinitie van het politieke en partijenlandschap van Europa, in de eerste plaats veroorzaakt door de migrantencrisis; de onzekere positie van Groot-Brittannië na de Brexit… Deze kwesties spelen niet in een verre toekomst, maar ergens in de komende maanden.

    De nieuwe aard van de politieke 
partnerschappen ligt vooral gevoelig voor Rusland, dat zich in de voorhoede van deze veranderingen bevindt. Sinds de pijnlijke val van het Oostblok en de Sovjet-Unie gelooft Rusland niet echt meer in bondgenootschappen, ook al heeft het land zich lange tijd ingezet voor het herstel van de organisaties 
die onder zijn vlag opereerden.

    De tijd heeft echter laten zien dat het creëren van multilaterale structuren om je prestige te behouden of gemeenschappelijke waarden te fabriceren, naar 
het voorbeeld van VS en NAVO, geen garantie is voor succes. En wat de onder druk bezegelde partnerschappen betreft met degenen die afhankelijk zijn van de baas (politiek of economisch), die leiden tot wankele 
constructies waarbij de ‘kleintjes’ voortdurend op zoek zijn naar een andere oplossing.

    De massale vlucht van vroegere politieke en militaire bondgenoten naar het kamp van de vroegere vijand heeft grote woede bij Rusland gewekt, maar de Russische kijk op dingen heeft zich ontwikkeld. De politicoloog Sergei Karaganov heeft dat mooi verwoord aan de hand van de hypothese dat de val van het Sovjetblok ‘Rusland onschatbare geostrategische voordelen heeft opgeleverd. Het verlies van onbetrouwbare en kostbare bondgenoten aan West-Europa heeft Rusland van een enorme last verlost. Het hoeft niet langer de republieken van de voormalige Unie te subsidiëren, waar de levensstandaard hoger was in de Sovjettijd en waarvan de inwoners inmiddels vaak naar Rusland emigreren om werk te vinden.’

    Het idee dat Rusland geen bondgenoten zou hebben, blijft rondzingen. Zelfs in Rusland zelf, maar dat is vooral een kwestie van onverschilligheid. Want op het moment dat de multilaterale organisaties en bondgenootschappen vrijwel overal vleugellam zijn, lijkt Rusland zich ‘psychologisch’ beter te gedragen dan andere landen. Een ongebruikelijke en oncomfortabele situatie voor de welvarendste spelers op het internationale toneel. Rusland is bereid relaties aan te knopen om direct overeenkomstige belangen te dienen en concrete problemen op te lossen zonder te pretenderen bondgenootschappen ‘voor het leven, tot de dood ons scheidt’ te sluiten. Dat is in de huidige wereld een voordeel.

    Auteur: Fjodor Loekjanov

    Fjodor Loekijanov (51), een Russische journalist en politicoloog, werkte jarenlang als buitenlandspecialist voor Russische kranten voordat hij in 2002 het blad Rossia v Globalnoï Politiké oprichtte. Hij is tevens voorzitter of bestuurslid van een aantal Russische denktanks en stichtingen op het gebied van de buitenlandse politiek.

    Rossia v Globalnoï Politiké
    Rusland | kwartaalblad | globalaffairs.ru

    In november 2002 opgericht door Fjodor Loekjanov, een Russische journalist en politicoloog die jarenlang werkte als buitenlandspecialist voor Russische kranten. Hij richtte het blad op om de Russische politieke en economische elite te laten meepraten op het wereldtoneel. De Engelse versie heet Russia in Global Affairs.

  • Journalistiek in tijden van Facebook

    Journalistiek in tijden van Facebook

    Franklin Foer, broer van schrijver Jonathan Safran Foer, was hoofdredacteur van het tijdschrift The New Republic toen dat werd overgenomen door Facebookmiljonair Chris Hughes. In dit fragment uit zijn boek Ontzielde wereld beschrijft Foer hoe Hughes’ zucht naar digitale lezers het blad van de regen in de drup hielp.

    Chris Hughes was een mythische ridder – jongensachtig onschuldig, fantastisch rijk, intellectueel nieuwsgierig, onverwacht nederig en trots idealistisch. In mijn hele carrière bij The New Republic heb ik van zo’n weldoener gedroomd. Vele jaren lang dreven we van de ene eigenaarsgroep naar de andere, die stuk voor stuk het tijdschrift en zijn historische missie wilden redden. Maar deze investeerders ontbrak het aan de middelen om in onze toekomst te investeren of ze hadden onvoldoende vertrouwen om er volledig voor te gaan. We bleven onze edities ophoesten, maar steeds achtervolgd door het spookbeeld dat we in de handen van een Russische oligarch of een ideologische fanaticus 
zouden belanden. De eindeloze zoektocht naar een beschermheer putte me uit. Ik nam in 2010 ontslag als hoofdredacteur. Een jaar later ging The New Republic opnieuw dringend op jacht naar een nieuwe eigenaar. En toen kwam Chris binnenwandelen.

    Chris was niet alleen een redder: hij was een gezicht van de tijdgeest. Op Harvard had Chris een kamer gedeeld met Mark Zuckerberg, die hem tot een van de eerste werknemers van Facebook had gezalfd. Chris gaf ons duffe oude tijdschrift een millennium-fiat en een groter budget. Bovendien beschikte hij over een grondige kennis van de sociale media. We hadden het gevoel dat de hoop van de journalistiek op onze schouders rustte, die snakte naar een waardige oplossing voor alles wat haar mankeerde.

    Tijdens mijn kennismakingsgesprek met Chris dwaalden we doelloos door het centrum van Washington met papieren koffiebekers in de hand. Het was een warme lentedag. We gingen zitten op 
de stenen trappen van een Georgische kerk. In die eerste weken als eigenaar had Chris voor zichzelf een eindeloze luistertoer geboekt. Hij leek met iedereen te willen spreken die bij het tijdschrift had gewerkt of die er een duidelijke mening over kon hebben. Maar tijdens ons gesprek leek hij duidelijk meer te willen dan mijn advies. Hij liet doorschemeren dat hij me graag in mijn oude functie zou willen zien.

    De eigenaren van The New Republic waren altijd oudere mannen geweest, met veel geld en uitgesproken meningen. Chris was op een intrigerende manier anders. Hij was achtentwintig jaar oud, en door zijn leergierigheid leek hij zelfs nog jonger. ‘Toen ik hoorde dat The New Republic te koop was,’ zei hij tegen me, ‘ging ik naar de openbare bibliotheek van New York en begon te lezen.’ Hij vroeg microfiches van oudere jaargangen aan. Uit elk decennium van het honderdjarig bestaan van het tijdschrift selecteerde hij een tiental nummers om door te ploegen. De romantische geschiedenis van het tijdschrift – zijn legendarische lijst van schrijvers zoals Rebecca West, Virginia Woolf, Edmund Wilson, Ralph Ellison en James Wood – prikkelde zijn verbeelding en deed de hand op zijn knip verslappen.

    Hoewel hij sinds de beursgang van Facebook honderden miljoenen achter de hand had, leek hij niet geïnteresseerd in zijn rijkdom of er op zijn minst moeite mee te hebben. Hij schaamde zich altijd een beetje wanneer mensen erop wezen dat hij twee landgoederen en een ruime loft bezat; hij droeg 
vaak elke dag van de week dezelfde blazer.

    De bron van zijn fortuin bepaalde niet wie hij was. Hij sprak altijd met een ontwapenende afstandelijkheid over Facebook. ‘Ik breng niet veel tijd op de site door,’ bekende hij eens tijdens een etentje. Die ontboezeming vond ik heel innemend. Al snel begonnen we het tijdschrift opnieuw te kneden. We wilden onze eigen onmogelijk hoge verwachtingen waarmaken.

    Dolle jacht op kliks

    Binnen één generatie is de journalistiek beetje bij beetje opgeslokt. De dominante mediabedrijven uit onze tijd beschouwen zichzelf niet als erfgenamen 
van een grootse, van drukinkt doordrenkte traditie. Sommige noemen zichzelf liever technologiebedrijven. Deze herdefiniëring is niet alleen een kwestie van modieuze restyling. Silicon Valley heeft het beroep geïnfilltreerd, zowel van binnenuit als van buitenaf. In het afgelopen decennium is de journalistiek ongezond sterk afhankelijk geworden van Facebook en Google. De grote tech-bedrijven voorzien de journalistiek 
van een enorm percentage van haar publiek – en daarmee van een groot deel van haar inkomsten.

    Afhankelijkheid leidt tot vertwijfeling – een dolle, schaamteloze jacht op Facebook-kliks, een meedogenloos streven om vat te krijgen op de Google-algoritmen. Het leidt ertoe dat de media afschuwelijke deals sluiten, die lijken op noodzakelijke ingrepen voor zelfbehoud maar in feite alleen maar Facebook en Google de gelegenheid bieden hen 
nog steviger in de greep te houden. Media verlenen Facebook het recht advertenties te verkopen en geven Google toestemming artikelen rechtstreeks 
op zijn supersnelle server te publiceren.

    Wat deze deals zo afschuwelijk maakt, is de wispelturigheid van de tech-bedrijven. Ze veranderen graag snel en radicaal van koers, wat geweldig is voor hun winstcijfers, maar een ramp voor alle mediabedrijven die afhankelijk zijn van de platforms. Facebook bepaalt dat zijn gebruikers de voorkeur geven aan video boven woorden of dat zijn gebruikers ideologisch aangename propaganda verkiezen boven harde nieuwsfeiten.
    Wanneer Facebook op deze manier zijn koers wijzigt of wanneer Google zijn algoritmen bijstelt, verstoren ze onmiddellijk het webverkeer naar de media, met alle gevolgen voor de inkomsten van dien. Media weten dat ze aan de greep van Facebook zouden moeten ontsnappen, maar afhankelijkheid kweekt ook lafheid. De gevangene ligt op zijn brits te dromen van vluchtplannen die nooit zullen uitkomen.

    Het probleem is niet alleen financiële kwetsbaarheid. Het is de manier waarop de tech-bedrijven werkpatronen opleggen, de manier waarop hun invloed het ethos van een hele branche afstemt op hun behoeften, zoals lagere kwaliteitseisen en slechtere ethische bescherming. Ik had me nooit kunnen 
voorstellen dat ons tijdschrift die kant op zou gaan.

    De eerste dagen van mijn samenwerking met Chris waren opwindend. Als een druistige buitenstaander was hij niet geïnteresseerd in blinde navolging van traditionele wijsheid. Toen we de website van The New Republic gingen vernieuwen, kozen we voor een reactionaire benadering.
    Onze homepage zou niet op jacht gaan naar de klikgrage bezoeker. Integendeel, we zouden ons hevig verzetten tegen de impuls haar vol te plempen met een eindeloze stroom klikbare content, die met weinig gevoel voor hiërarchie over de pagina verspreid stond. Onze digitale bladzijden zouden schoonheid en eindigheid koesteren. Ze 
zouden elke ambitie om een breed publiek te trekken laten varen en brutaal het idealisme van ons project verkondigen – door Chris omschreven als niets minder dan het behouden van culturele ernst en het bedrijven van gedegen onderzoeksjournalistiek.

    © Studio Vonq
    © Studio Vonq

    Romantisch idealisme was niet genoeg om Chris tevreden te stellen. Hij heeft altijd geloofd dat hij van The New Republic een winstgevende onderneming kon maken – of in elk geval dat hij zo veel inkomsten zou kunnen genereren dat hij zijn succes kon uitbazuinen in persberichten die ons nog geweldiger zouden maken. Maar Chris’ retoriek over winst leek nooit helemaal oprecht. ‘Ik heb een bloedhekel aan het verkopen van advertenties,’ zei hij mij keer op keer. ‘Het geeft me een vunzig gevoel.’ En meer dan een jaar lang was hij bereid ruimhartig geld te spenderen.

    Achteraf gezien had ik strenger moeten zijn ten aanzien van de cheques die wij uitschreven – ik bedoel, die hij uitschreef. Het was te voorspellen dat frustratie onvermijdelijk de kop zou opsteken wanneer hij uiteindelijk eens goed naar zijn financiën zou kijken. Maar we hadden allebei onze zwakheden. Hij huurde graag kantoorruimte op toplocaties en nam graag topconsultants in de arm. Ik betaalde graag royale vergoedingen aan schrijvers om de wereld over te trekken en liet stukken schrijven alsof ik een extravagante hoofdredacteur uit New York was. Aangezien het venster van zijn liefdadigheid beslist zou sluiten, besloot ik snel veel mensen aan te nemen, onder wie enkele ervaren schrijvers en redacteuren die niet goedkoop waren. Maar het leek hem niets 
uit te maken. ‘Ik heb me nooit zo gelukkig of voldaan gevoeld,’ zei Chris tegen mij. ‘Ik werk met vrienden.’

    Op een dag was het zover. De cijfers haalden Chris in en hij voelde een dringende en begrijpelijke behoefte om winst te gaan maken. Aangezien Chris niets had met adverteren, weigerde hij veel geld uit te geven aan mensen die met het tijdschrift de boer op gingen. Het geld moest ergens vandaan komen – en dat ‘ergens’ was het web. Een drastische toename in 
sitebezoek moest het geld opleveren dat het gat kon dichten. We leefden plotseling in een microkosmos van de recente mediageschiedenis, in een gecomprimeerde periode die een decennium van pijnlijke transitie samenperste in een paar spannende maanden.

    Aan het begin van de eeuw stond het beroep op de rand van de afgrond. Door een reeks economische crises begonnen mediabedrijven alles in te zetten op een digitale toekomst, een toekomst waarin ze geen last hadden van het lompe, bureaucratische apparaat dat papieren publicaties eisten. Het crisisgevoel en het zicht op nieuwe kansen veranderden de oude redactiekamers snel. In de loop van een jaar of tien daalden de salariskosten voor journalisten en redacteuren met 1,6 miljard dollar. Tegelijkertijd verloor de journalistiek haar vitaliteit en stortte haar prestige in.
    Volgens een bepaald onderzoek was krantenverslaggever de ergste baan in de Verenigde Staten, erger nog dan houthakker en reclasseringsambtenaar. Door deze existentiële crisis moest de journalistiek zich bezinnen op haar bestaansreden. Heel die fraaie onafhankelijkheid leek plotseling een onbetaalbare luxe.

    Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule

    Om het webverkeer te laten groeien hadden we een nieuwe manier van denken nodig. Anders dan de televisie beschouwde de gedrukte pers de strategische jacht op een publiek als een te vermijden, vunzige, ietwat corrumperende bezigheid. Schrijvers en redacteuren lieten die jacht liever over aan de commerciële tak van hun bedrijf; zelf hielden ze zich er niet mee bezig. The New Republic koesterde een extreme versie van deze opvatting. Het blad was geboren als een elitetijdschrift – een bedenksel van intellectuelen uit een progressieve tijd, die hoopten de culturele en politieke standaarden van het land te verhogen. In de loop der decennia werd het haast een cultus om de kleine groep te bedienen die interesse had in inside-informatie over politiek en semi-intellectuele boekbesprekingen. Deze mengeling had nooit garant gestaan voor een erg omvangrijk publiek. In het grootste deel van zijn lange geschiedenis was het lezerspubliek van The New Republic zelfs te klein om het footballstadion van de University of Mississippi te vullen. Plotseling moesten we echter via onze website miljoenen lezers zien te bereiken. We moesten ons elitaire denken vaarwel zeggen en de massa’s in hun eigen omgeving tegemoet treden.

    Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. Dat was de les die de journalistiek aan het leren was. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule. Jonah Peretti, de oprichter van BuzzFeed en de William Randolph Hearst van onze tijd, heeft die vergelijking als volgt geformuleerd: R = ßζ. De formule zou illustreren hoe een journalistiek stuk viraal kon gaan – hoe het door de sociale netwerken kon reizen en snel een massaal publiek bereiken, net zo snel als de pokken hun weg door Noord-Amerika hadden gevonden. Peretti’s formule was afkomstig uit de epidemiologie [in de epidemiologie staat ζ voor het aantal mensen dat in contact komt met een besmet persoon, en ß voor de kans op besmetting]. De verwijzing naar wetenschap was doelbewust. Met behulp van experimenten en een zorgvuldige bestudering van de data kon je wetenschappelijk bepalen welke stukken de meeste kans hadden viraal te gaan – of in elk geval een omvangrijk publiek te bereiken.

    De nieuwe wetenschap van het webverkeer was in feite een tak van de gedragspsychologie – mensen klikten zo snel dat ze niet altijd helemaal begrepen waarom ze zich meer aangetrokken voelden tot het ene stuk dan tot het andere. Ze lieten zich leiden door cognitieve vooroordelen, irrationele krachten, halfbewust genomen beslissingen. Om een lezer te verleiden moest je dus een beetje manipuleren, stiekem een beetje overredingskracht toepassen.

    Chris had kennis over viraliteit opgedaan via de site Upworthy. Hij had geld gestoken in de lancering van die website en meegeholpen er een internetsensatie van te maken – ‘de snelst groeiende mediastart-up die ik me kan herinneren’, zoals een van de vele kruiperige journalisten het omschreef. Upworthy produceerde niet veel origineels. Het haalde overal op het web video’s en tekeningen vandaan, meestal obscuur spul, en zette er koppen boven die ze aantrekkelijk maakten voor een zeer breed publiek. Deze content wilde een progressieve sfeer uitademen, ergens tussen ‘fantastisch’ en ‘belangrijk’. Upworthy nam het materiaal van anderen en gaf het de magische elementen die tot viraliteit leidden.

    klein03

    Magisch is niet het juiste woord. Psychologen hadden ontdekt hoe ze de onbedwingbare nieuwsgierigheid van mensen moesten opwekken. Mensen vinden onwetendheid niet erg, maar ze hebben er een hekel aan als hun informatie wordt onthouden. Upworthy ontwierp koppen die in lezers een primaire honger opwekten naar informatie die net buiten hun bereik lag. Het pionierde met een stijl die het de ‘nieuwsgierigheidskloof ’ noemde: door net voldoende informatie achter te houden kietelden de koppen lezers om door te klikken. Een klassiek voorbeeld: ‘Negen van de tien Amerikanen zijn onvoldoende op de hoogte van dit duizelingwekkende feit.’ Zes miljoen lezers konden zich niet bedwingen en volgden die link. (Het duizelingwekkende feit: de inkomensongelijkheid is veel groter dan de meeste Amerikanen denken.)

    De kop is uiteraard een aloude journalistieke kunstvorm. Maar Upworthy – en zijn talrijke na-apers – heeft deze kunstvorm op een positivistische maar strikte manier benaderd. Bij elk item dat het op zijn site plaatste, schreef Upworthy vijfentwintig verschillende koppen. Dankzij zijn software kon Upworthy ze automatisch alle vijfentwintig publiceren en bepalen welke ervan het meest aangeklikt werden. Op basis van deze resultaten ontdekte Upworthy syntactische patronen die vrijwel zeker hits opleverden. (Upworthy had enorm succes met varianten van de zin: ‘Je gelooft nooit wat er hierna gebeurde.’) Deze formuleringen waren zo effectief dat ze een gemeenplaats werden op het web. Sites gingen ze zo veel gebruiken dat lezers de trucs begonnen door te krijgen en de formules aan kracht verloren. En dat leidde weer tot verwoede pogingen om de volgende hitvoorspeller te ontdekken.

    Het belangrijke inzicht van Upworthy, BuzzFeed, Vox en andere opkomende internetgiganten was dat je redactioneel succes kon fabriceren: als je luisterde naar de data, was het mogelijk stukken te schrijven waarmee je een massaal publiek kon bereiken. Iedereen in de branche omarmde dit inzicht, zelfs bij nuchtere ondernemingen als The Washington Post. En het inzicht wist ook door te dringen tot The New Republic. Chris voegde een datagoeroe aan onze staf toe om de kans op virale hits te vergroten. In de wekelijkse vergaderingen leverde de goeroe onderwerpen aan die we volgens hem moesten aanpakken. Hij hield zorgvuldig in de gaten welke onderwerpen trending waren op Facebook, zodat wij content konden creëren die meeliftte op de golf van populariteit. Hij keek ook naar data uit het verleden om te zien wat het publiek een jaar geleden bezighield, zodat we stukken konden produceren die in het verlengde lagen van de seizoensinteresses van lezers. ‘Advertenties tijdens de Super Bowl zijn een ding,’ zei hij. ‘Hoe kunnen we daarop aansluiten?’ Of: ‘[Restaurantketen] Chipotle heeft geen varkensvlees meer en iedereen op de sociale media heeft het erover. Wat kunnen wij bijdragen?’ Dit soort vragen werden meestal beantwoord met een vijandig stilzwijgen.

    Hoewel ik niets ophad met deze strategie, bood ik er maar weinig verzet tegen. Chris moedigde ons nog steeds aan lange artikelen en staaltjes van gedegen onderzoeksjournalistiek te publiceren. Een paar derderangs prutsartikelen schrijven leek een kleine prijs om te betalen. Bovendien was zijn vraag volkomen redelijk. Respectabele media bewandelden hetzelfde pad. Dachten we werkelijk dat we beter waren dan Time of The Washington Post? Ze hadden allemaal een genre omarmd dat hij ‘hapklare content’ noemde: grafiekjes, lijstjes, video’s, snelle items die de aandacht wekten van de ‘verveelde bureauklevers’, zoals de branche ze noemde, of van de mensen die op metroperrons de tijd zaten te doden. Natuurlijk, het onderwerp kon serieus zijn, maar de presentatie moest snel en luchtig zijn, klaar om zich via Facebook te verspreiden. Chris was er vast van overtuigd dat we dit soort werk moesten produceren: het was immers gemakkelijk om hapklare content te produceren – en het kostte, in zijn ogen, weinig moeite. We moesten simpelweg de rest van het internet na-apen en over dezelfde schandalen schrijven en op hetzelfde actuele onderwerp inhaken als iedereen. De kliks zouden ons overstelpen, als we maar over onze eigen schaduw konden stappen en dezelfde fragmentjes van The Daily Show posten als iedereen, ingeleid door een aantrekkelijke kop en misschien voorzien van een of twee analyserende alinea’s om ons geweten te sussen. Een tirade van Jon Stewart mochten we niet missen. Chris’ logica was moeilijk te weerleggen. Alle andere media deden het. En ze deden het omdat het werkte. Wij moesten ervoor zorgen dat dingen werkten.

    Chartbeat

    Een van de symbolen van het nieuwe tijdperk zweefde boven mijn leven bij The New Republic. Het zat me de hele dag achterna. Elke keer wanneer ik ging zitten werken, keek ik er stiekem naar – en dat deed ik ook wanneer ik ’s morgens opstond, wanneer ik enkele minuten later mijn tanden poetste en nog weer later wanneer ik bij het urinoir stond. Soms keek ik alleen maar naar het uitslaan van de meter terwijl ik het stuk dat ik redigeerde verwaarloosde of de persoon aan de andere kant van mijn bureau negeerde. Mijn kijkgedrag was vaak een geval van wishful thinking. Ik hoopte dat de meter onverwacht de goede kant zou uitslaan ter illustratie van mijn talent om een winnaar uit te zoeken.

    Mijn meester heette Chartbeat, een site die redacteuren, schrijvers en hun bazen een realtime overzicht van het webverkeer biedt en laat zien hoeveel lezers elk afzonderlijk artikel heeft. De site suggereerde vrij duidelijk dat journalistiek een competitie is, een populariteitswedstrijd. De naald van de site gaf ons het gevoel dat ons tijdschrift een auto was: ofwel we kruipen op een slechte verkeersdag moeizaam tegen een helling op, ofwel we sjezen op ons gemakje naar een bevredigend eindcijfer.

    Dit is het vertrouwde verhaal van de Amerikaanse werkvloer. Analyse is de managementrevolutie van onze tijd. We leven in een wereld van alomtegenwoordige data die de basis vormen voor steeds grotere efficiency en productiviteit. Daarom hebben Chartbeat en tal van soortgelijke sites zo’n grote invloed op vrijwel elk tijdschrift, elke krant en elk blog. Het komt er bij Chartbeat op neer dat geen enkel stuk voldoende verkeer heeft – met wat aanpassinkjes, een betere kop, een betere benadering op de sociale media, een beter onderwerp, een beter betoog kan het altijd beter. Net als een manager die met een stopwatch bij de lopende band staat, zweven Chartbeat en zijn geestverwanten boven de redactiekamer.

    Dit was een gevaarlijke ontwikkeling. De journalistiek was in feite nooit een maatschappelijk gerichte onderneming geweest. Dat was alleen maar een mythe die redacteuren en schrijvers elkaar graag vertelden. Maar de mythe was wel belangrijk. Hij prikkelde de journalistiek om de macht uit te dagen. Hij voorkwam dat ze zich liet leiden door de nukken van het publiek. Hij schiep een cruciale mate van afstandelijkheid.

    klein02

    Deze generatie van op het internet geboren mediagiganten heeft niets op met het oude journalistieke ethos van onpartijdigheid. Het is niet zo dat deze bedrijven niet naar journalistieke grootsheid streven. BuzzFeed, Vice en The Huffington Post willen postmoderne kranten zijn. Ze investeren in uitstekende verslaggeving en hebben eersteklas journalisten in dienst. Maar ze proberen geen afstand te nemen van de druk van de markt. De jacht op het publiek is cruciaal voor hun missie. Ze willen de populariteitswedstrijd op het web winnen. Ze hebben toegestaan dat de eindeloze feedbackloop van het web – de nooit eindigende datastroom – bepalend is voor hun redactionele keuzes en investeringen.

    Wanneer een verhaal eenmaal de aandacht heeft gewekt, springen de media er gedachteloos bovenop. Ze schrijven met repetitieve razernij over het onderwerp en proberen er zo veel mogelijk kliks aan te onttrekken, totdat het publiek de belangstelling ervoor verliest.

    Een gedenkwaardig doch volkomen irrelevant voorbeeld: een protserige foto van een jager uit Minnesota die glimlachend bij het lichaam van een leeuw met de naam Cecil stond leverde meer dan 3,2 miljoen verhalen op. Alle nieuwsorganisaties – zelfs The New York Times en The New Yorker – probeerden de hysterie op te kloppen, in de hoop wat webverkeer te kunnen genereren. Hiervoor moesten ze telkens een volledig nieuwe invalshoek vinden, of een invalshoek die net nieuw genoeg was. Vox: ‘Kip eten is moreel verwerpelijker dan Cecil de leeuw doden’. BuzzFeed: ‘Een helderziende zegt dat ze met Cecil de leeuw heeft gesproken’. The Atlantic: ‘Van Cecil de leeuw tot klimaatverandering: een perfecte storm van verontwaardiging’.

    In bepaalde opzichten is dit slechts een digitaal opgewaardeerde versie van een ouderwetse media-tsunami. Een explosie van moralistische woede die grondig wordt uitgebuit. Maar de sociale media versterken de financiële prikkel om zich bij de huilende roedel aan te sluiten. Zelfs het kleinste mediakanaal zou in principe viraal kunnen worden en miljoenen lezers aantrekken als het zijn verhalen slim verpakt. Intellectuelere tijdschriften schudden zonder enig schuldgevoel artikelen over deze trending onderwerpen uit de mouw, zolang ze ze maar een beetje kunnen aankleden met een pochetje met academische pretenties of een sjaaltje van beredeneerde slimheid. De resultaten zijn bepaald niet oorspronkelijk. Net als in Hollywood stoppen organisaties tijd en geld in een formuleachtig product, een behoedzame imitatie van oudere successen. Joshua Topolsky, oprichter van Vox Media en The Verge, bejammerde deze insluipende homogenisering: ‘Alles oogt hetzelfde, leest hetzelfde en lijkt de concurrentie om dezelfde oogballen aan te gaan.’

    Donald Trump begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen

    Donald Trump is de culminatie van dit tijdvak. Hij begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen. Ook al toonden de media hun minachting voor de strapatsen van Trump, ze maakten van hem een markante figuur en een plausibele presidentskandidaat. Jarenlang hebben de media Trumps theorieën over de buitenlandse afkomst van president Obama rondgepompt, ook al waren die totaal nergens op gebaseerd. De media schonken eindeloos aandacht aan zijn eerste verdachtmakingen met betrekking tot immigranten, ook al wisten ze maar al te goed dat die provocaties een atmosfeer van paranoia en haat opwekten. Toen Trump eenmaal een plausibele kandidaat was geworden, moesten de media wel over hem berichten. Maar de media hadden hem in die positie gebracht. Verhalen over Trump leverden het soort webverkeer op dat de goden der data behaagde en dat het batig saldo ten goede kwam. Trump begon als Cecil de leeuw, en eindigde als president van de Verenigde Staten.

    Chris Hughes en ik zaten eens aan de ontbijttafel van een majesteitelijk Washingtons hotel te brainstormen over de kwaliteiten van The New Republic – The New Republic die we samen zouden scheppen. We hebben het nooit zo expliciet gesteld, maar we waren op zoek naar een gemeenschappelijke deler, naar een bijvoeglijk naamwoord dat alles kon omvatten wat we met het tijdschrift wilden. Het voelde alsof we op een rotonde zaten. Als er een whiteboard was geweest – en Chris is dol op whiteboards – had het waarschijnlijk vol gestaan met afgekeurde termen.
    Maar die waardeloze woordenstroom was het armzalige voorspel voor een creatieve doorbraak. Hij zei: ‘We zijn idealistisch. Dat knoopt ons legendarische verleden aan ons optimisme ten aanzien van oplossingen.’ Idealisme was een woord dat mijn hart deed smelten, en ik voelde een onbedwingbare vreugde bij het vooruitzicht dat we het met elkaar eens waren. ‘Boem. Dat is het.’

    We waren idealistisch over ons gedeelde idealisme. We hadden allebei bepaalde doelen die elkaar overlapten. We wilden allebei van The New Republic een bloeiend tijdschrift maken; we geloofden allebei in een activistische kijk op de Amerikaanse regering; we geloofden allebei dat het belangrijk was naar een kosmopolitischer cultuur te streven; we waren allebei enthousiast over het idee om long-form-journalistiek te bedrijven. Deze overeenkomsten waren voor ons voldoende om elkaar wijs te maken dat we hetzelfde idealisme deelden.

    Verbeterbaar

    Chris’ kijk op de wereld was in wezen technocratisch; de mijne was meer moralistisch en romantisch. Waar hij wel iets zag in het idee van long-form-journalistiek, geloofde ik er ideologisch in. Hij geloofde in systemen, in regels, efficiency, organogrammen, vergaderingen, productiviteitsinstrumenten. De wereld was in hoge mate verbeterbaar, maar we konden alleen vooruitgang boeken als we ons losmaakten van oververhitte emoties, scheldpartijen en excessieve partijdigheid. Deze kijk op de wereld plaatste hem op een ramkoers met de politiek geëngageerde intellectuele vrije geesten die ons kantoor bevolkten, die met overtuiging en op onmogelijke uren schreven en die zich stortten op onderwerpen die hun de meeste voldoening schonken, en niet per se op kletsverhalen die de massa het meest behaagden.

    Vlak voor het pijnlijke einde gaf Chris me zijn herziene visie op de toekomst van het tijdschrift en vertelde me waar zijn idealisme hem had gebracht. Hij was nu twee jaar eigenaar van The New Republic en begon wat ongedurig te worden. Resultaten, en daarmee bedoelde hij meer webverkeer en meer inkomsten, moesten sneller komen. ‘Om het tijdschrift te redden moeten we het tijdschrift veranderen,’ zei hij tegen me.
    Technologen en marketeers zouden een cruciale rol in het redactionele proces gaan spelen. Ze zouden onze journalistiek de ‘coole’ en ‘innovatieve’ eigenschappen geven die het blad populair zouden maken en een opvallende positie in de markt zouden geven. Dit vereiste uiteraard middelen, en die middelen moesten komen uit de pot met geld voor long-form-journalistiek. Ik was niet voorbereid op zijn plan of zijn omschrijving van The New Republic. ‘Wij zijn een technologiebedrijf,’ zei hij. Waarop ik antwoordde: ‘Dat klinkt niet als het soort bedrijf dat ik met mijn kwaliteiten zou kunnen leiden.’ Hij verzekerde me dat ik het aankon.

    Twee maanden later hoorde ik van een collega dat Chris mijn vervanger had aangenomen en dat mijn vervanger in New York met allerlei mensen lunchte om hun een baan bij The New Republic aan te bieden. Voordat Chris de kans had mij te ontslaan, nam ik zelf ontslag, en met mij bijna de hele redactionele staf van het tijdschrift. Hun idealisme dicteerde dat ze zich moesten verzetten tegen zijn idealisme. Ze wilden niet werken voor een tijdschrift met een moraal die meer aansloot bij die van de grote tech-bedrijven dan bij die van de journalistiek. Ze wilden best Facebook in de gaten houden, maar ze wilden niet hun baan erdoor laten bepalen. De heisa kreeg behoorlijk wat aandacht en ebde toen weg – slechts een hobbeltje in het streven van Silicon Valley om de journalistiek te verzwelgen.

    De overdaad aan data heeft het karakter van de journalistiek veranderd. Hij heeft haar tot een handelsartikel gemaakt, tot iets wat je kunt vermarkten, testen en aanpassen. Misschien hebben de media altijd al zo gedacht. Maar als die impuls altijd heeft bestaan, was hij op z’n minst afgeschermd. Tijdschriften en kranten beschouwden zichzelf altijd als een coherent iets, een nummer, een editie, een instelling. Niet als een uitgever van tientallen afzonderlijke stukken die ze elke dag via Facebook, Twitter en Google moesten verhandelen.

    Nadenken over het bundelen van artikelen tot een groter geheel was intellectueel bevrijdend. Als lezers niet geïnteresseerd waren in een reportage over kinderarmoede of een bericht uit Zuid-Soedan, was dat niet zo erg. Ze zouden je daarop niet beoordelen. Ze zouden zich misschien zelfs gevleid voelen omdat jij dacht dat ze zo’n artikel wel zouden willen lezen, ook al sloegen ze het meteen over. Redacteuren rechtvaardigden hoogstaande en wereldvreemde artikelen met het argument dat ze essentieel waren voor de ‘mix’.

    Nu worden opdrachten onderworpen aan een kosten-batenanalyse: zal het artikel voldoende verkeer genereren om de investering te rechtvaardigen? Deze analyse is soms expliciet en bewust, maar vaak ook onderbewust en ingebed in eufemismen. Het is de gedachtegang waardoor redacteuren verkondigen dat een idee ‘niet de moeite waard is’ of waardoor ze zich zorgen maken over hoe een artikel zal ‘vallen’.

    Het publiek voor de journalistiek is tegenwoordig misschien groter, maar het denkraam is kleiner.

    Auteur: Franklin Foer

    Dit is een bewerkt fragment uit Ontzielde wereld van Franklin Foer, 
dat onlangs verscheen bij uitgeverij 
De Bezige Bij.

  • Meer brand- dan vredestichter

    Meer brand- dan vredestichter

    De nieuwe kroonprins van Saoedi-Arabië, Mohammed bin Salman, staat bekend als een onvoorspelbare man die denkt dat geld alle problemen oplost. Een profiel.

    Zoals verwacht heeft koning Salman zijn jonge zoon Mohammed (31) tot kroonprins benoemd nadat hij de vorige kroonprins, Mohammed bin Nayef, de laan uit had gestuurd. Volgens officiële bronnen had deze laatste om ‘privéredenen’ verzocht van zijn kroonprinselijke taken te worden ontheven.

    De koning heeft ook de Saoedische basiswet van 1990 gewijzigd: de verticale troonopvolging van vader op zoon komt in de plaats van de horizontale opvolging van broer op broer die door de stichter van het koninkrijk, Abdulaziz bin Saud, in 1933 was ingesteld.

    De nieuwe troonpretendent Mohammed bin Salman denkt dat geld alle problemen oplost, hoewel hij er geen overwinningen mee heeft kunnen afdwingen in de oorlogen en conflicten die hij is begonnen.

    Tot nog toe is het onduidelijk waarom de koning niet ook een plaatsvervangende kroonprins heeft benoemd, zoals de gewoonte is. Evenmin is er vooralsnog antwoord op de kernvraag: zal de zieke koning spoedig afstand van de troon doen en zijn zoon het hoogste ambt gunnen terwijl hij zelf nog in leven is? Dat zou een primeur zijn, want nog nooit is een Saoedische vorst vrijwillig afgetreden. De tweede koning, Saud bin Abdulaziz, werd in 1964 afgezet na een belegering van het paleis, waarop hij een vrijgeleide kreeg naar Griekenland.

    Mohammed bin Salman zal alle dissidente stemmen het zwijgen opleggen en tegelijkertijd beperkte persoonlijke vrijheden toestaan

    De nieuwe aanstelling kwam vlotjes tot stand. In een vloek en een zucht ‘stemden’ 31 van de 34 koninklijke leden van het Comité van Trouw, een soort koninklijk adviesorgaan, voor de nieuwe functie van Mohammed bin Salman. Het Saoedische nieuwsagentschap gaf onmiddellijk beelden vrij waarop de jonge Mohammed zijn neef Bin Nayef bedankt dat deze zich zonder morren heeft teruggetrokken, een erkentelijkheid die hij nog eens benadrukt met een (beleefd afgeweerde) poging de voeten van de afgedankte kroonprins te kussen.

    Er was een pleister op de wonde: een gelijktijdige koninklijke benoeming betrof die van Abdulaziz bin Saud bin Nayef tot nieuwe minister van Binnenlandse Zaken. Deze Bin Nayef is de neef van de afgetreden kroonprins en kleinzoon van de overleden prins Nayef, minister van Binnenlandse Zaken van 1975 tot zijn overlijden in 2012. Met deze aanstelling wordt de controle van de Nayef-tak over het belangrijkste ministerie inzake binnenlandse veiligheid bestendigd.

    De benoeming van de nieuwe troonopvolger kan de toekomst van het koninkrijk op vele wijzen beïnvloeden. Maar in alle gevallen is die toekomst onzekerder geworden door het grillige karakter van de nieuwe kroonprins.

    In de eerste plaats wordt er een straf binnenlands bewind verankerd. Mohammed bin Salman zal alle dissidente stemmen het zwijgen opleggen en tegelijkertijd beperkte persoonlijke vrijheden toestaan. Zijn nieuwe ‘vermaakscommissie’ moet ervoor zorgen dat de Saoedi’s zich in de toekomst binnen redelijke grenzen mogen amuseren.
    Het is niet ongewoon dat dictators hun gemarginaliseerde onderdanen bepaalde vormen van gereglementeerd vermaak gunnen, om te voorkomen dat ze geestelijk imploderen. Vrouwen zullen uitgroeien tot symbolen van een nieuw, modern Saoedisch consumentisme. Wellicht krijgen ze spoedig het recht auto te rijden. Saoedi’s zullen een beetje plezier mogen hebben zonder dat de religieuze politie hun voortdurend op de huid zit.

    Mohammed bin Salman zal een overbodig, gemarginaliseerd en in ongenade gevallen wahabitisch religieus establishment blijven negeren. Maar de kroonprins kan er maar beter niet van uitgaan dat hij de wind er heel gemakkelijk onder houdt. Hij zal rekening moeten houden met landgenoten die zich bij de Islamitische Staat hebben aangesloten, van wie mogelijk een deel zal terugkeren uit Syrië.

    Mohammed bin Salman eerder dit jaar op een bijeenkomst van defensieministers uit de Golfregio in Saoedi-Arabië. – © Saudi Interior Ministry / HH
    Mohammed bin Salman eerder dit jaar op een bijeenkomst van defensieministers uit de Golfregio in Saoedi-Arabië. – © Saudi Interior Ministry / HH

    Toen Al-Qaeda na 2001 uit Afghanistan was verdreven, gingen veel Saoedische leden van deze beweging weer naar huis en richtten daar de hevigste terreurcrisis aan die het land heeft gekend. IS heeft sinds 2015 de verantwoordelijkheid opgeëist voor diverse aanslagen in Saoedi-Arabië, wat niet wegneemt dat het sektarische karakter van de beweging Mohammed bin Salman van pas kan komen in de huidige crisis met Iran.

    Daarnaast valt er nóg meer rammelend beleid tot economische liberalisering te verwachten, waaronder het afbouwen van de Saoedische afhankelijkheid van olie tegen 2020, een inkrimping van 
de verzorgingsstaat, privatisering en – heel belangrijk – de internationale verkoop van 5 procent van de Saoedische oliemaatschappij Aramco in september 2017.

    Dit betekent dat Mohammed bin Salman de ene dag zijn onderdanen zal voorhouden dat ze de broekriem moeten aanhalen, en hen de andere dag zal belonen voor hun volgzaamheid door ambtenarensalarissen vrij te geven en met extra vakantiedagen te strooien. Maar het zal een wonderbaarlijke prestatie vergen om een neoliberaal paradijs met minder werkdagen en productiviteit aan de praat te houden.

    Ten derde zal het Mohammed bin Salman grote moeite kosten om als regionale macht op te boksen tegen Turkije, Iran en Israël, stuk voor stuk landen die op dit moment hun spierballen tonen in hun streven de diverse conflicten in de Arabische wereld naar hun hand te zetten. Turkije en Iran heeft hij al van zich vervreemd – het eerstgenoemde land heeft in de jongste crisis de zijde van Qatar gekozen. De prins heeft ook beloofd de oorlog diep in Iran te planten, een uitspraak die neerkomt op een oorlogsverklaring.

    Voorbereiding en coördinatie

    Mohammed bin Salman lijkt het effect van zijn flamboyante uitspraken niet te beseffen. Maar hij en IS zouden, gezien de sektarische instelling die ze delen, goed kunnen samenwerken, met name als IS zijn doelwitten in Syrië en Irak kwijtraakt. IS kan worden geïnstrueerd om na het verlies van Mosoel en Raqqa zijn terreurcampagne naar Iran te verplaatsen.

    Mogelijk zal hij wel de betrekkingen verbeteren met Israël, dat nu schertsend de jongste soennitische staat wordt genoemd. Dit houdt verband met de pogingen van de kroonprins een pan-islamitische alliantie te vormen tegen én Qatar én Iran. Israël beschouwt dat laatste land als zijn grootste bedreiging, dus maakt het impliciet deel uit van deze alliantie. Bin Salman zal heimelijk met Israël blijven samenwerken op 
militair en economisch gebied. Maar dat wil nog niet zeggen dat de Israëlische vlag spoedig in Riyad zal wapperen. Zoiets vergt de nodige voorbereiding en coördinatie. Bovendien staat er bij een dergelijke controversiële stap veel op het spel.

    Ten slotte zal Mohammed bin Salman de Amerikaanse president Donald Trump het hof blijven maken. Het draait daarbij om wapendeals en investeringsbeloften, in ruil voor aanhoudende steun – althans voor de bühne. Net als Mohammed bin Salman is Trump onvoorspelbaar. De twee mannen zouden om kleinigheden ruzie kunnen krijgen. Maar ze zullen wel een schijn van eensgezindheid blijven ophouden totdat zij hun doelen hebben bereikt, zowel in eigen land als daarbuiten.

    schermafbeelding 2017 07 12 om 2 47 54 pm

    De nieuwe kroonprins heeft op dit moment kennelijk geen tijd voor Europa. Dat werelddeel zal hij blijven zien als een vakantiebestemming voor zijn onlangs aangeschafte jacht (voor 500 miljoen euro), en als leverancier van wapens die hij niet elders kan aanschaffen. Dit betekent dat Europese wapenfabrikanten en de Britse en Franse regering om de aandacht van 
de jonge prins zullen wedijveren.

    Beide landen lijken wel hun favoriete Saoedische kandidaat te zijn kwijtgeraakt. Ex-kroonprins Mohammed bin Nayef had een goede verstandhouding met de westerse geheime diensten weten op te bouwen. Hij werd gezien als cruciaal in de strijd tegen het terrorisme. De Britse premier Theresa May zal ook de nieuwe kroonprins nodig hebben, en dan vooral om economische redenen, want voor Groot-Brittannië dreigt na de Brexit zowel een economische als een politieke neergang.

    Het moet gezegd dat het koninkrijk van Salman al een beetje vorm begint te krijgen, ondanks levensgrote nationale en regionale problemen. Andere prinsen of groepen in het land zullen de nieuwe benoeming waarschijnlijk niet aanvechten. Ook dan ziet de toekomst er echter bewolkt uit.

    Mohammed bin Salman is geen kundig bestrijder van regionale brandjes, noch is hij een groot strateeg. Hij denkt dat geld alle problemen oplost, hoewel hij er geen overwinningen mee heeft kunnen afdwingen in de oorlogen en conflicten die hij is begonnen. Hij zal eerder nog meer brandjes en branden in de regio stichten dan er nu al woeden.

    Auteur: Madawi Al-Rasheed

    Madawi Al-Rasheed is gasthoogleraar aan het Middle East Centre van de London School of Economics.

    Middle East Eye
    Verenigd-Koninkrijk | middleeasteye.net

    Gebeurtenissen in ‘Midwest-Azië’, o.l.v. David Hearst, afkomstig van The Guardian.