In Maleisië bestaat een bloeiende subcultuur van skinheads. De meesten van hen zijn progressieve moslims die strijden voor een pluriforme samenleving.
Keuze uit het archief
Skinheads? Bestaan die nog? En zijn dat geen radicaal-rechtse figuren? Dit stuk uit 2015 doet je anders naar deze cultuur kijken, want wie had kunnen stellen dat progressieve moslims in Maleisië deze cultuur zo omarmd hebben?
De groep skinheads dringt naar voren. Op het podium voor hen staat de band, met zware schoenen, poloshirts en rode bretels. Terwijl de openingsakkoorden van het volgende streetpunknummer door de geluidsinstallatie scheuren, grijpt de Maleisische zanger de microfoon en geeft het nummer een ruige introductie mee: ‘Dit is tegen alle racisme en discriminatie in ons land. Heb je een probleem met ras? Wij beuken je in elkaar!’ Het publiek bestaat uit jonge Maleisische mannen, bijna allemaal met Lonsdale-shirts en Dr. Martens-kistjes – het onofficiële skinheaduniform in de hele wereld. De zaal is een en al gejuich, gebalde vuisten, pogoënde jongeren, zweet en revolutionaire meezingers. De skinheadcultuur kwam rond 1960 in Engeland op en had toen duidelijk een eigen muziek en mode. De geschoren hoofden en de shirts moesten agressie uitstralen maar stonden ook symbool voor de arbeidersklasse waar de beweging uit voortkwam. Muziek was belangrijk en de liefde van skinheads voor reggae betekende dat hun identiteit nauw verbonden was met de cultuur van zwarte immigranten.
Ontvankelijk
In de jaren zeventig ebde de beweging weg, maar in datzelfde decennium kwam ze ook weer op. Volgens een artikel van Timothy S. Brown in het Journal of Social History van de universiteit in Oxford was die tweede skinheadgolf ontvankelijker voor de rechtse retoriek van die tijd. ‘Economisch verval, werkloosheid en toenemende immigratie versterkten het latent aanwezige racisme en de rechtse opvattingen in de Britse samenleving van de jaren tachtig en negentig en de skinheads weerspiegelden deze vooroordelen in overdreven vorm,’ schreef Brown in zijn artikel ‘Subcultures, Pop Music and Politics: Skinheads and “Nazi Rock” in England and Germany’.
‘Heb je een probleem met ras? Wij beuken je in elkaar!’
‘De skinheads met hun gewelddadige reputatie en patriottisch-nationalistische opvattingen waren voor radicaal rechts een aantrekkelijke groep om in te lijven.’ De rechtse skinheads zijn volgens Brown nooit in de meerderheid geweest, maar het verband tussen skinheads en fascisme was gelegd. En dat is altijd zo gebleven.
De meerderheid van de Maleisische skinheadbands, met namen als Street Rebel, Chaos Bomb en Oi! Koholik, omarmt het proletarische mannelijkheidsideaal van de oorspronkelijke skinheads, maar verwerpt krachtig het racistische geluid dat later opkwam. Dat geluid wordt echter steeds dringender in Maleisië; een pluralistische samenleving, maar met een overheid die een steeds islamistischer koers vaart.
In 1971 kwam die overheid met een ‘Nieuw Economische Beleid’, waarin etnische Maleisiërs meer rechten kregen dan Chinezen en Indiërs. ‘Skinhead zijn in Maleisië betekent dat je met positieve, antiracistische ideeën over sociaalpolitieke veranderingen tegen onze regering ingaat,’ zegt de 34-jarige Rozaimin Elias, vooraanstaand lid van de antifascistische skinheadbeweging en bassist in de band Street Boundaries uit Kuala Lumpur. Elias beperkt zich trouwens niet tot de muziekscene, hij is ook actief in de oppositiepartij AP in Penang.
Verwarring
De Maleisische skinheadbeweging kwam eind jaren tachtig op uit de vroege punk-en metalscenes van Kuala Lumpur en verbreidde zich in de jaren negentig over de rest van het land. Elias herinnert zich nog goed hoe de verwarring die onder die vroege Maleisische skinheads bestond, een ongelukkige uitwerking kreeg. ‘We droegen swastika’s omdat we die cool vonden,’ vertelt hij. ‘We hadden allemaal de beelden gezien van Sid Vicious met de swastika en we dachten dat dat punk was. We wilden er alleen maar anders uitzien dan andere Maleisiërs.’ Volgens Brown komt dat soort verwarring vaak voor. ‘Maleisische punks gingen de swastika als symbool gebruiken voordat ze wisten wat de betekenis daarvan was, omdat dat “punk” leek, en nu wordt het klakkeloos overgenomen – dat zie je heel vaak bij jongerenculturen die zich over de wereld verspreiden. Jonge mensen kopiëren stijl en iconografie, maar geven daar ook betekenissen aan die juist voor hun eigen situatie opgaan.’ Het waren vroege bands zoals ACAB (All Cops Are Bastards) uit Kuala Lumpur die de leiding namen en een actieve antifascistische skinheadbeweging vormden, volgens de principes van Skinheads Against Racism (Sharp), de antiracistische beweging die in 1987 in New York werd opgericht.
‘Net als elders in Zuidoost-Azië zijn er ook in Maleisië progressieve skinheads die niet alleen anti-establishment zijn en zich bezighouden met de modes van hun subcultuur, maar ook expliciet commentaar leveren op de relaties tussen de verschillende etnische groepen in het land,’ zegt Yeoh Seng Guan, een antropoloog die verbonden is aan de Monash University Malaysia in Kuala Lumpur.
Dankzij internet kunnen de Maleisische Sharp-skinheads ook in het buitenland contacten onderhouden. Ik heb een ontmoeting met een van de meest bereisde skinheads in Maleisië in Subang Jaya, een zuidelijk district van Groot-Kuala Lumpur. Met zijn Lonsdale-jasje, strakke spijkerbroek en kleurige veters in zijn leren kistjes ziet GG eruit als één van de gestaalde kaders uit de beweging, en hij vertelt enthousiast over de reis die hij maakte naar Europa om contact te leggen met de beroemde antifascistische skinheads van de Hamburgse wijk Sankt Pauli. ‘Zij waren niet echt blij toen in Vice een stuk stond over een neonazi-skinheadbeweging in Maleisië,’ vertelt GG. Ik schaamde me zo… Ik verzekerde ze dat dat bij ons maar een klein probleem is.’ Inderdaad opende een artikel in 2013 in Vice magazine met een foto van veertien Maleisische jongeren die met hun rechterarm de nazigroet brachten.
Rondhangen
Het artikel onthulde het bestaan van Maleisische fascistische skinheads die swastika’s dragen, naar nazi-rockbands als Angry Aryan en Skrewdriver luisteren en die niet-Maleisiërs discrimineren. Maar volgens Elias werd de omvang van het probleem in het artikel overdreven. ‘Een handjevol bands zoals Brown Attack en Spiderwar zien zichzelf als “Malay Power”, maar zij vormen geen werkelijke bedreiging,’ zegt hij. En GG stemt daar lachend mee in: ‘In Duitsland zijn neonazi-skinheads een echte sociale dreiging. Maar hier hangen ze gewoon een beetje rond met hun swastika’s en gaan dan een biertje drinken bij een Chinees restaurant,
want daar is het goedkoop. Ze werden toch geacht alle niet-Maleisiërs te boycotten en te bestrijden?’
Een groep Aziatische mannen die het nazisme omarmen – dat lijkt op zijn minst misplaatst. Zelfs het artikel in Vice eindigde met de vraag: ‘Hoe kun je het nazi zijn verenigen met het feit dat je niet blank bent?’ Toch is dat volgens Brown, die ook hoogleraar geschiedenis is aan de Northeastern University in Boston, minder onlogisch dan we denken. ‘Het heeft een bepaalde logica.
‘Het handjevol neonazi-skinheads vormt geen echte bedreiging’
Deze jongeren gebruiken het nazisme blijkbaar als een model voor raciale zuiverheid dat ook overgezet kan worden naar hun situatie, hoe anders die ook is. Zo kan dat model dienen als een soort ideologische onderbouwing voor hun nationalistische vreemdelingenhaat.’ Volgens GG kost het de fascisten moeite om geaccepteerd te raken in Kuala Lumpur en daarbuiten. ‘De bands van de boneheads (kaalkoppen, een term die antifascistische skinheads voor hun racistische broeders gebruiken) kunnen niet spelen waar ze willen omdat niemand in de scene iets met ze te maken wil hebben. Sharp-skinheads kunnen wel op alle punkpodia spelen, vanwege onze morele integriteit.’
Dat die integriteit belangrijk is, zeggen ook veel andere Sharp-skinheads in Maleisië. Ook in de Britse skinheadscene van de jaren zestig en zeventig waren begrippen als integriteit en authenticiteit belangrijk voor de ‘oorspronkelijke’ skinheads, die vonden dat racisten totaal niets hadden begrepen van de waarden en oorsprong van de subcultuur. Dat idee leeft nog steeds onder de Sharp-skinheads van Maleisië. Toch zouden ze ook wel graag wat meer begrip willen in de bredere Maleisische samenleving. Anders dan de meeste stereotypen die over hen bestaan, zijn de meeste Sharp-skinheads in Maleisië eigenlijk progressieve moslims. ‘Zet tien van ons bij elkaar,’ zegt GG terwijl een Bengaalse ober glazen vruchtensap op ons tafeltje zet, ‘en dan is er maar eentje bij die rookt en drinkt. We bidden ook gewoon vijf keer per dag. We zijn Maleisiërs, dat is onze manier van leven. Het heeft niets te maken met onze liefde voor de muziek. Of met de manier waarop we punkrock gebruiken om te ageren voor sociale verandering.’
De Amerikaanse sweater met capuchon is al langer het uniform van de tegencultuur. Maar verschijnt Mark Zuckerberg of Trayvon Martin erin, dan heeft de hoody weer een andere politieke zeggingskracht.
Een doodgewone katoenen stof, soms met wat polyester erdoorheen, een eenvoudige snit met weinig naden, en eventueel als enig opvallend detail een buidelzak of ritssluiting. Er is weinig luxueus of protserigs aan de sweater met capuchon, ook wel hoody: het goedkope kledingstuk dat populair is bij alle seksen en maatschappelijke klassen.
Op het eerste gezicht lijkt het een basic kledingstuk, dat nauwelijks opvalt omdat iedereen erin loopt. Maar aan het lijf van Mohamed Ali, Mark Zuckerberg of Trayvon Martin heeft de hoody opeens een complexe betekenis gekregen – zo niet een radicale politieke zeggingskracht.
Sweatshirts werden in de jaren twintig en dertig aan de Amerikaanse oostkust gedragen door magazijnbedienden in de immense loodsen in New York, als bescherming tegen de bijtende kou in de winter. Eerst werden ze populair in de sportwereld: een sweater houdt je warm, is comfortabel en je kunt er vrij in bewegen.
Later werd het sweatshirt algauw opgepikt door de Ivy League-universiteiten, bolwerken van de amateursport. Leden van hun prestigieuze roei- en footballteams gingen sweatshirts met ronde hals en later ook hoody’s dragen. Op deze sweatshirts werden in grote letters de namen van de universiteiten, teams of studentencorpsen gedrukt, zodat de drager zich ermee kon onderscheiden. De preppy look van de sportieve elitestudenten aan de Amerikaanse oostkust groeide uit tot een onvervalste Amerikaanse esthetiek, en zo bevond het van oorsprong proletarische sweatshirt zich ineens in betere kringen.
Tegenwoordig loopt zowel de elitejeugd als de arbeidersklasse erin en daarmee is het sweatshirt als verbindend element in de Amerikaanse cultuur nu even belangrijk geworden als het volkslied. Mark Zuckerberg, die zich graag associeert met de ambitieuze, innovatieve startupondernemers van Silicon Valley en Wall Street-maatpakken van 15.000 dollar verafschuwt, heeft dat goed begrepen.
Tegelijkertijd heeft de hoody echter ook een ander maatschappelijk domein bereikt: dat van de grootsteedse tegencultuur. Eerst adopteerden de skaters aan de westkust het in de jaren zeventig als must-have, in de jaren tachtig volgden de graffitikunstenaars en rappers aan de oostkust.
In deze subculturen wordt het kledingstuk vooral gewaardeerd omdat de drager er anoniem mee kan blijven. En uiteraard is ook de volkse, anti-elitaire connotatie ervan een pre. De hoody werd een signaal waarmee je kon laten zien dat je tot een subversieve subcultuur behoorde, en je kon er ook als dat nodig was je gezicht mee verbergen. Dat laatste was erg aantrekkelijk voor skaters die zich stiekem uitleefden in de lege zwembaden van de betere buurten van Californië, en voor graffitikunstenaars die ’s nachts in metroremises binnendrongen om treinen te verfraaien.
Mettertijd, en dankzij de kracht van symboliek, groeide de hoody aan weerszijden van de Atlantische oceaan uit tot een embleem van de kansloze jeugd uit ‘kwetsbare’ buurten. En een maatschappelijk fenomeen: sinds 2007 is de hoody verboden in een winkelcentrum in het Engelse Kent, met als reden dat de drager ervan alleen maar slechte bedoelingen kan hebben.
Universitair hoofddocent Frédéric Godart van de HEC in Parijs, specialist in de sociologie van de mode, vertelt dat de wens om anoniem te blijven een tweesnijdend zwaard kan worden. Nergens werd dat zo duidelijk als bij het tragische einde van de zwarte Amerikaanse tiener Trayvon Martin.
De ongewapende 17-jarige werd op 26 februari 2012 in Sanford (Florida) gedood door George Zimmerman, op wie de jongen een verdachte indruk maakte louter en alleen omdat hij een zwarte hoody droeg. Godart: ‘Dat kan je niet los zien van de centrale plek die de hoody in de hiphopcultuur heeft. Je drukt ermee uit dat je je wilt afsluiten’, zowel van het geweld in de buurt als van de maatschappij die jou uitsluit.
‘Na de dood van Trayvon Martin groeide de hoody voor zwarte Amerikanen uit tot politiek symbool tegen het politiegeweld en de vooroordelen jegens mensen uit sommige bevolkingsgroepen, die automatisch als misdadig of gevaarlijk worden gezien’, zegt Godart. Van sociaal embleem, beschermend omhulsel en middel om anoniem te blijven, werd de hoody na Martins dood meer en meer een militant symbool van een bevolkingsgroep die niet alleen aan zijn lot werd overgelaten, maar ook tot doelwit werd bestempeld.
Het is een van de eerste signalen die we naar anderen uitzenden. Onze kledingkeuzes lijken misschien triviaal, maar in werkelijkheid hebben ze veel betekenis. ‘Door een simpel T-shirt van een rockband aan te treken van niet meer dan twintig dollar, druk je al zo veel uit. Niet alleen geef je daarmee aan dat je deel uitmaakt van een bepaalde sociale klasse, van een culturele groep, maar je zegt ook welk soort mensen je leuk vindt, enzovoorts,’ vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia in de Verenigde Staten.
Met elk van die signalen geef je, onbewust of niet, zonder woorden iets prijs over je identiteit. Denk maar aan het portret van Che Guevara dat zo vaak op T-shirts van tieners prijkt. Een kledingstuk kan ons op de sociale ladder situeren, maar ook een politiek statement zijn, zonder dat we eventuele slogans nu meteen in de praktijk willen brengen.
Door de keuze voor een bepaalde stof, flanel, een snit, een sweater, of een merk, zoals Fred Perry, dat de laatste jaren een sterke politieke lading heeft gekregen, drukken we zo veel uit met onze stijl. Onze tweede huid is allesbehalve onschuldig.
Het Zwarte Blok
In het uniform van de militanten van het Zwarte Blok kreeg de capuchonsweater een nog radicalere ideologische betekenis. Het Zwarte Blok kwam in de jaren zeventig op in West-Duitsland. De naam staat voor een demonstratietactiek, waarbij groepen in het zwart geklede demonstranten met verhulde gezichten de confrontatie met de politie opzoeken.
Beeldcultuuronderzoeker Maxime Boidy van de universiteit van Straatsburg vertelt hoe de hoody, nadat sportkleding ook in Europa een rage werd, in de uitrusting van het Zwarte Blok terechtkwam. Daar waren vooral praktische redenen voor. ‘De katoenen hoody is een stuk minder stevig dan de leren jasjes die de militanten hadden geadopteerd uit de punktraditie. Maar de capuchon beschermt de nek beter tegen klappen en bovendien biedt die bescherming tegen traangas en pepperspray.’
Naast dit praktische en defensieve aspect speelt ook de symbolische lading mee: hij is zwart, de kleur van het Europese anarchisme. Onderzoeker Francis Dupuis-Déri van de universiteit van Montréal beschreef het Zwarte Blok ooit als ‘een reusachtige zwarte vlag van lichamen die bij demonstraties wordt uitgespreid’, maar Boidy benadrukt het verband tussen deze symbolische lading van kleding en politieke theorieën over zichtbaarheid.
‘De idee van anonimiteit gaat veel verder dan de simpele wens om de eigen identiteit niet prijs te geven’, zegt hij. ‘Ze weerspiegelt een veel algemenere, bijna filosofische opvatting van subjectiviteit, een wijdverspreide manier om dingen anders te zien.’ De massaal gedragen capuchonsweater geeft vorm aan die gedachte.
De hoody is in de Amerikaanse cultuur even belangrijk geworden als het volkslied
Boidy ziet dezelfde relatie tussen kledingstijl en politieke theorie in de manier waarop feministen en LGBT’ers anonimiteit gebruiken om hun punt te maken. ‘De stijl van het Zwarte Blok wordt meestal gezien als expliciet gewelddadig, een militair tenue als het ware. Maar door onder je kleding te verdwijnen en je gezicht te verhullen, verhul je ook je geslacht. Dan ben je niet meer herkenbaar als man of vrouw, omdat je een standaardsilhouet krijgt. Daarmee wijs je de identiteit af die de maatschappij je oplegt.’
Een hoody, die tegenwoordig overigens ook wel wordt vervangen voor een zwarte K-Way [een sportief jack met rits], creëert zo een alternatief beeld van de samenleving door de individuen in die samenleving te onttrekken aan de codes van de heersende hokjes. Het is een even krachtige politieke boodschap als de naaktheid van de Femen-demonstranten, al gaat het in beide gevallen maar om een klein aantal, sterk geëngageerde personen.
Hoewel, terwijl ik deze regels schrijf, zit tegenover mij aan tafel een jonge studente haar scheikundeopgaven te maken. Op haar pastelblauwe sweater met capuchon staat de waarschuwing: ‘Please don’t forget to wash your hands after killing your enemies’. (Denk eraan uw handen te wassen nadat u uw vijanden heeft gedood.) Zo groot is de macht van een trui die nog altijd uitersten in zich verenigt, van nonchalance en zeggingskracht tot onschuld en rebellie.
De nieuwe kleren van extreemrechts Polo’s en pantalons maken de nationalist
Tijdens een besloten verkoop van kledingmerk Fred Perry in Parijs werd in juni 2013 de extreemlinkse actievoerder Clément Méric gedood. Er was ruzie ontstaan tussen twee rivaliserende groepen, skinheads en antifascisten, die beide hun look kwamen perfectioneren. Later werden twee van de drie betrokkenen bij een proces veroordeeld tot zware gevangenisstraffen. Uit dit proces kwam naar voren hoe absurd de trieste gebeurtenis was: Clément Méric zou nog in leven zijn geweest als twee groepen die in alles van elkaar verschillen behalve een voorkeur voor hetzelfde kledingmerk, niet allebei zo dolgraag een shirt van Fred Perry hadden willen kopen.
Een Fred Perry-poloshirt met korte mouwen is een van de meest gewilde items in zowel de antifascistische als de extreemrechtse garderobe. ‘Als je teruggaat in de tijd zie je al dat Engelse mods [een culturele jongerenbeweging in Londen] in de jaren zestig veel prestige ontleenden aan het dragen van elitaire kleding, vooral tenniskleding van Fred Perry,’ legt universitair docent en onderzoeker Samuel Bouron van de universiteit Paris-Dauphine uit.
‘Uit die mod-cultuur kwam de skinheadbeweging voort, die eerst volstrekt apolitiek was. Later veranderde dat en splitste de beweging zich in twee kampen: de antifascistische redskins en de extreemrechtse boneheads. Hun politieke opvattingen zijn radicaal verschillend en je kunt ze niet over één kam scheren, maar voor beide groepen geldt dat ze zich door hun kleding willen laten gelden.’
De extreemrechtse skins gaven het Fred Perry-poloshirt een speciale betekenis door er een nieuwe symboliek aan op te hangen, vertelt Cynthia Miller-Idriss, professor in de sociologie en specialist in extreemrechtse bewegingen van de American University in Washington. ‘Sommige modellen hebben op de kraag drie fijne lijntjes, zwart, rood en wit. Voor de skinheads stonden die voor een nazivlag. Ook aan het Fred Perry-logo, een laurierkroon op borsthoogte, gaven ze een andere interpretatie. De tekening en vorm deden hun denken aan een nazi-insigne.’
‘Hun uiterlijk past helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’
De schare liefhebbers van het shirt heeft zich inmiddels vergroot en ook de Franse Identitaires [een Europese nationalistische beweging] hebben zich de Fred Perry-polo toegeëigend. ‘Zij hebben de extreemrechtse garderobe een update gegeven,’ zegt Samuel Bouron. ‘Ze hebben behouden wat ze elegant vonden, onder andere dit poloshirt, dat als bijkomend voordeel heeft dat het erg duur is. Maar omdat ze willen breken met alles wat aan de arbeidersklasse doet denken, hebben ze de bretels en de schoenen met de bolle neuzen van de skinheads weggedaan.
Ook de haardracht is anders: in plaats van een kale kop hebben ze liever een modieus kapsel.’ De viriele reflex is echter nooit ver weg: de Identitaires houden ook zo van de Fred Perry-shirts omdat die meestal strakker zitten dan andere modellen en de mouw, die tot aan de biceps komt, de spierballen goed laat uitkomen.
De Rudolf-spijkerbroek
Aandacht voor kledingstijl trekt zich van landsgrenzen niets aan. Het nieuwe extreemrechts is zich, overal waar het voet aan de grond krijgt, scherp bewust van kledingcodes. In 2017 hielden veel demonstranten in Charlottesville zich strikt aan de instructies die ze van hun alt-rightleiders hadden ontvangen: toon vooral geen tatoeages en draag in plaats van een spijkerbroek liever een beige pantalon – een klassieker in de garderobe van de Amerikaanse familievader – met daarboven een wit overhemd of poloshirt. ‘Deze jongemannen waren allemaal ongeveer hetzelfde gekleed, wat erg verwarrend was. Hun uiterlijk paste helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’, vertelt Cynthia Miller-Idriss.
De sociologe onderzocht ook de kleding van de opkomende extreemrechtse beweging in Duitsland. Deze groep houdt de kledingcodes veelal ambigu, om geen last te hebben van de strenge Duitse wetgeving tegen neonazistische symbolen. In haar boek The Extreme Gone Mainstream vertelt Miller-Idriss bijvoorbeeld dat sommige kledingmerken T-shirts verkopen met het woord ‘swastika’ erop, maar dan zonder klinkers. Iedereen begrijpt wat er bedoeld wordt, maar wettelijk is het gewoon toegestaan.
Op deze nichemarkt zijn allerlei kledingmerken actief, met namen als Thor Steinar, Ansgar Aryan en Phalanx Europa. Thor Steinar bracht de Rudolf-spijkerbroek op de markt, als ode aan de bekende nazi Rudolf Hess. Met deze – verder doodgewone – spijkerbroek kan de drager deel uitmaken van een, in zijn ogen, roemruchte geschiedenis. Phalanx Europa verkoopt T-shirts met obscure slogans, zoals ‘Versterk de grenzen, hijs de vlag, de vloedgolf komt’.
Rond de eeuwwisseling werden twee types populair. Ze vertegenwoordigden een liberale utopie en de hoop dat klassentegenstellingen voortaan tot het verleden zouden gaan behoren. [Het ene werd bobo genoemd, een samentrekking van bourgeois en bohemian; het andere was de hipster.] Ze woonden in volkswijken, en adopteerden ook de kledingstijl van de arbeidersklasse.
Zelf behoorden ze tot de ‘creatieve’ middenklasse. Ze presenteerden zichzelf als de bemiddelaars tussen de hogere en lagere klassen van de maatschappij. Hun project had zijn eigen esthetiek, waarin één stofje het bijzonder goed deed: flanel. ‘Voor de bobo staat ruwheid voor authenticiteit en deugd’, en daarom ‘draagt hij overhemden van flanel en niet van zijde’, legt de conservatieve columnist David Brooks van de New York Times uit in het boek Bobos in Paradise (2000), waarin hij de term bobo introduceerde. Hipsters, die iets later opkwamen, deelden met bobo’s deze voorkeur voor flanel. Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn.
Flanel is sindsdien hip. In een beetje garderobe mag een ruitjeshemd tegenwoordig niet ontbreken. [Met bijbehorend snobisme.] Het online merk voor duurzame kleding Asphalte gaat bijvoorbeeld prat op de superieure kwaliteit van het flanel dat het voor zijn hemden gebruikt. Het flanel is gemaakt in Oostenrijk en ‘houdt de pure traditie van geweven wol in ere’, staat vol trots vermeld op de website.
Deze hippe hang naar nostalgie past goed in een bredere tendens die sinds een jaar of tien in de mannenmode zichtbaar is. ‘De nieuwe kledingstijl voor mannen grijpt terug op ambacht. Kledingmerken leggen consumenten omstandig uit hoe elk element van het kledingstuk zorgvuldig geselecteerd is. Zo kan de klant met zijn kleding uitdrukken dat hij deel uitmaakt van een selecte groep die kwaliteit weet te waarderen.
Tegelijkertijd schuilt er een subtiele kritiek in op de huidige tijd: de moderne man heeft liever een goed jasje dat niet snel uit de mode raakt dan eentje van een snit en stof die hij een seizoen later al niet meer kan dragen’, vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia.
Tweed in de ban
Tegenover deze herwaardering van flanel staat de verguizing van tweed. Franse katholieken die strijden voor bescherming van de seksuele moraal willen ervan af. Dat lieten ze al zien in hun demonstraties tegen geregistreerd partnerschap in 1999, in hun strijd tegen het homohuwelijk, in hun steun voor de kandidatuur van Christine Boutin voor de presidentsverkiezingen van 2002 en in de Life Parade van 2005.
In 2013 gaf Frigide Barjot, een van de organisatoren van Manif pour Tous [de Franse katholieke progezinsbeweging die in 2012 spontaan ontstond in reactie op het voornemen van de Franse regering om het homohuwelijk in te voeren], zelfs strikte richtlijnen: geen tweed, geen ribfluwelen broeken, geen diademen, maar leer, jeans en push-upbeha’s. En vooral T-shirts in vrolijke kleuren.
‘Zelfs kleren als Barbour-waxjassen waren verboden. Niet zozeer omdat die voor conservatisme staan, maar omdat ze het moeilijk maken om de juiste boodschap te verkondigen door het stigma dat ze hebben gekregen’. vertelt Yann Raison du Cleuziou van de universiteit van Grenoble, die onderzoek doet naar de geschiedenis van het militante katholicisme.
Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn
De organisatoren van Manif pour Tous deden hun uiterste best om een dresscode te verzinnen die niet stond voor het cliché van het provinciale katholieke gezin, dat graag zeilt en jaagt en daarom parka’s en andere outdoorkleding draagt. ‘Hun kledingcodes zijn op zich niet religieus, maar omdat het antiabortusactivisme in dat milieu sterk vertegenwoordigd is, associeer je die manier van kleden natuurlijk snel met katholicisme.
Daarom kozen de organisatoren er juist voor om duidelijk te laten zien dat het doel waarvoor werd gestreden een zaak van iedereen was. Specifieke of onderscheidende kledingcodes dienden daarom te worden vermeden, om te laten zien dat de demonstranten uit alle gelederen van de samenleving kwamen,’ vertelt de politicoloog.
Deze strategie heeft boven verwachting goed gewerkt. Een beetje te goed misschien. Tegenwoordig herkennen veel katholieke jongeren zich niet meer in de traditionele look. Eugénie Bastié, journalist voor Le Figaro en medeoprichter en hoofdredacteur van kwartaalblad Limite, dat wordt gezien als het tijdschrift voor ultraconservatieve katholieke jongeren, draagt een leren bikerjack. En dat is geen strategische keuze.
Auteurs, resp.: Marion Dupont, Marc-Olivier Bherer
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan zijn naam (‘De Wereld’) onderhoudt Le Monde een groot netwerk van correspondenten.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.