Tag: Superintelligentie

  • Superintelligente machines gaan de wereld niet redden

    Superintelligente machines gaan de wereld niet redden

    Techbedrijven zijn lyrisch over de ontwikkeling en implementatie van kunstmatige superintelligentie om zaken als hongersnood en klimaatverandering tegen te gaan. Voor wereldproblemen hebben we echter geen hulp nodig bij het bedenken van oplossingen, maar bij de concrete uitvoering ervan, aldus Francis Fukuyama.

    Een oude studievriend van me heeft carrière gemaakt als belegger en ondernemer aan de rand van de techwereld. Hij heeft altijd grote bewondering gekoesterd voor mensen die hij als ‘ontzettend slim’ beschouwt. Daarmee bedoelt hij mensen die sterk zijn in wiskunde en met behulp van hun intelligentie goed hebben verdiend. 

    Hij is niet de enige die er zo over denkt. Silicon Valley is zo’n beetje een tempel voor de verering van genieën – in eerste instantie figuren als Steve Jobs, Bill Gates en Elon Musk – die hypersuccesvolle bedrijven hebben opgezet rond technologische toepassingen. Die technologie ontwikkelt zich nu rond AI, met Sam Altman, Demis Hassabis en Yann LeCun als de nieuwe iconen van genialiteit.

    En wat deze generatie creëert is inderdaad intelligentie. Er is momenteel een wedloop gaande op het gebied van AGI, artificial general intelligence, een machine die het cognitieve vermogen van de mens zal evenaren. En zelfs overtreffen: de allernieuwste machines ‘groeien’ in plaats van te worden geprogrammeerd, ze zouden ertoe in staat zijn bij zichzelf aanpassingen te doen die hun capaciteiten vergroten.

    Ze nemen geen genoegen met ons intelligentieniveau; ze zullen slimmer worden dan mensen. Dit soort ‘superintelligentie’ zal vervolgens leiden tot grote vooruitgang in de wetenschap, de technologie en de economie. En daarvan zijn nu al voorbeelden te zien, zoals Hassabis’ Alphafold-project, waarmee ingewikkelde eiwitstructuren kunnen worden voorspeld, wat met de beschikbare technologieën een onmogelijke opgave leek. Er wordt tegenwoordig serieus gesproken over een niet eens zo verre toekomst waarin ontwikkelde economieën met behulp van superintelligente AI substantieel hogere groeicijfers van 10, 15 of zelfs 20 procent per jaar zullen bereiken (ter vergelijking: nu wordt een groei van 2-3 procent al als substantieel beschouwd). Niemand zou meer gebrek hoeven leiden en er zouden regelingen komen ter ondersteuning van degenen die door AGI niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien, zoals een algemeen basisinkomen. 

    Feit of fictie?

    Je kunt verschillende vraagtekens plaatsen bij dit soort speculaties. Over de eerste vraag ben ik niet in de positie te oordelen: is AGI of superintelligentie überhaupt mogelijk? Volgens schrijvers als Eric Larson zijn LLM’s weliswaar goed in het uitkammen van enorme hoeveelheden bestaande kennis, maar ontberen ze het bespiegelende inzicht – door de cognitiewetenschapper C.S. Peirce ‘abductie’ genoemd – dat je nodig hebt voor daadwerkelijk innovatieve ontdekkingen.

    Maar laten we even aannemen dat AGI er komt en dat machines in sommige opzichten intelligenter zullen worden dan mensen. Er zijn sterke gronden om aan te nemen dat dit onze maatschappij op allerlei manieren zal veranderen, maar misschien niet die explosieve economische groei teweeg zal brengen die de pleitbezorgers van AI verwachten.

    De reden voor deze scepsis is dat het vandaag de dag eenvoudigweg niet een gebrek aan intelligentie of cognitieve vaardigheden is waardoor economische groei wordt beperkt. Zelfs zonder slimme machines bezitten mensen collectief tegenwoordig meer cognitief vermogen dan ooit in de geschiedenis van de mensheid. De beperkingen komen voort uit de talloze manieren waarop die intelligentie in wisselwerking staat met de materiële wereld. Economische groei hangt uiteindelijk af van de kunst om echte dingen in de echte wereld te creëren. Een slimme machine komt misschien op de proppen met een beter model voor een muizenval, maar voor het produceren van die muizenval zijn capaciteiten benodigd die buiten het bereik liggen van welke machine dan ook.

    Economische groei hangt uiteindelijk af van de kunst om echte dingen in de echte wereld te creëren

    Op macroniveau lopen we nu al aan tegen het feit dat er te veel geld is in verhouding tot de hoeveelheid goederen. Zoals klimaatdoemdenkers al jaren zeggen, zijn er materiële grenzen aan groei. De grens die het meest in het oog springt, is de opwarming van de aarde, maar er zijn er nog veel meer. De planeet is niet gemaakt voor 8 miljard mensen met een Amerikaanse levensstandaard; met een groeitempo van 10 procent per jaar zouden China, Amerika en Europa algauw met tekorten te maken krijgen, tekorten aan landbouwgrond, water, energie – aan bijna alles.

    Op microniveau is het probleem het vertalen van het werk van slimme machines in materiële goederen. Bij productinnovatie komt een langdurig, iteratief proces kijken waarbij een ontwerper ideeën uitprobeert, faalt en het ontwerp aanpast op basis van die ervaringen. Zoals generaties van ontwikkelaars en knutselaars weten zal geen superintelligentie ooit groot genoeg zijn om te kunnen simuleren hoe voorwerpen zich zullen gedragen in de stoffelijke, echte wereld.

    Ten slotte is er het politieke en maatschappelijke niveau. Ik was een keer bij een presentatie van een ingenieur van een toonaangevend AI-bedrijf die zei dat AGI in de nabije toekomst bijvoorbeeld voor schoon drinkwater zou kunnen zorgen in bepaalde steden in ontwikkelingslanden. 

    Dat arme landen er niet in slagen in zulke basisbehoeften te voorzien komt echter niet door een gebrek aan kennis van hoe een goede drinkwatervoorziening eruitziet. Het is een politiek en maatschappelijk probleem. Niemand wil opdraaien voor de hogere kosten die een nieuw watersysteem met zich meebrengt: de werknemers van de gemeentelijke drinkwatervoorziening willen hun baan niet verliezen door automatisering; winkeleigenaren zien het niet zitten dat de straten worden opgebroken voor nieuwe leidingen; de minister van Financiën heeft andere prioriteiten en wil niet de belasting verhogen voor de aanleg van het nieuwe systeem. In veel arme landen heb je watermaffia’s die goedkoop water inkopen en het voor buitensporig hoge prijzen doorverkopen. Ze zijn gewapend en zullen niet aarzelen geweld te gebruiken als je ze in de weg zit.

    [Het gebrek aan drinkwater] komt echter niet door een gebrek aan kennis… Het is een politiek en maatschappelijk probleem.

    Een superintelligente machine kan deze problemen misschien begrijpen, maar zal niet in staat zijn er iets tegen te doen. We weten al hoe een goede watervoorziening eruitziet; wat we niet hebben is een implementatieplan voor een specifieke stad.

    Ons begrip van de rol van intelligentie is vertekend door de technologische veranderingen van de laatste decennia. Internet, sociale media en aanverwante technologieën zijn allemaal gebaseerd op software. Afgezien van dataservers en cloudopslag hoeven hiervoor geen apparaten te worden gebouwd die nog nooit zijn getest. Daardoor kun je met software zo makkelijk opschalen. Dat is de reden dat Google, Meta en andere bedrijven zo snel reuzen hebben kunnen worden.

    Bedrijven die geld verdienen door materiële zaken in de materiële wereld te bouwen hebben veel meer moeite met opschalen. Ook zij hebben baat bij schaalvoordelen, maar bereiken het punt van afnemende meeropbrengsten veel eerder dan een softwarebedrijf. (Dit is trouwens een van de redenen dat Elon Musks Tesla zo’n opmerkelijk verhaal is: dat hij een materieel product zo succesvol heeft weten op te schalen.) Op de een of andere manier zijn we het softwareparadigma gaan zien als het model dat het AI-tijdperk zal kenmerken, maar de economische voordelen die AI belooft zullen niet even gemakkelijk meegroeien.

    Waarmee ik niet wil zeggen dat AI niet zal leiden tot een enorme productiviteitsverhoging: kijk bijvoorbeeld naar Jerry Kaplans voorspellingen over de toekomst van robotaxi’s. Maar intelligente mensen, zoals die in Silicon Valley, neigen ernaar het belang van intelligentie in het leven te overschatten. Om een goed en succesvol mens te zijn heb je behalve intelligentie veel andere capaciteiten nodig, en voor het bewerkstelligen van economische groei is ook veel andere input nodig dan die AI kan leveren.

    Francis Fukuyama is Olivier Nomellini Senior Fellow aan Stanford University. Zijn meest recente boek is Liberalism and Its Discontents en hij schrijft de column ‘Frankly Fukuyama’ in Persuasion.

  • In harmonie leven met machines? Kleine kans

    In harmonie leven met machines? Kleine kans

    Er moet een internationaal embargo komen op de ontwikkeling van AI, totdat we de gevolgen beter begrijpen, vinden de auteurs Yudkowsky en Soares. ‘Door toegang te verlenen tot onze sociale media en financiële inrichtingen geven we AI alle middelen om de wereld over te nemen.’

    Kunnen mensen in harmonie samenleven met machines? Eliezer Yudkowsky en Nate Soares hebben er een hard hoofd in. Ze winden er geen doekjes om in de titel van hun nieuwe boek: If Anyone Builds It, Everyone Dies: Why Superhuman AI Would Kill Us All, dat op 16 september gepubliceerd werd.

    Dit lijkt misschien op paniekzaaierij, maar de schrijvers – Yudkowsky en Soares, respectievelijk medeoprichter en hoofd van het Machine Intelligence Research Institute in Berkeley, Californië – benadrukken in de introductie dat ze ‘niet op effectbejag uit zijn’. Als een land of bedrijf een zogeheten ‘kunstmatige superintelligentie’ bouwt die ‘ook maar een beetje lijkt op wat we vandaag de dag onder AI verstaan, zal iedereen, overal op aarde, sterven’.

    Ze zijn niet de enigen die vrezen dat AI ons allemaal zal vernietigen als de technologie in dit tempo wordt doorontwikkeld.

    Verontrustende toon

    In The Intelligence Explosion: When AI Beats Humans at Everything slaat James Barrat een bijna net zo verontrustende toon aan. Barrat is een documentairemaker uit Maryland in de Verenigde Staten en schrijft al meer dan tien jaar over kunstmatige intelligentie. Hij citeert deskundigen zoals Roman Yampolskiy, die zegt dat superintelligente AI wellicht ‘een van de grootste problemen van de mensheid kan worden’. (Barrat citeert trouwens ook Yudkowsky en Soares, die daar hetzelfde over denken.) Maar Barrat voegt eraan toe dat er in plaats van het probleem onder ogen te zien ‘op een dodelijk scenario afstevenen’. Beide boeken leveren goede argumenten, maar lezers zullen zich meer aangetrokken voelen tot Yudkowsky en Soares; hun diagnose van de problemen omtrent AI toont hoeveel ervaring ze hebben binnen het vakgebied. Zo sluiten ze elk hoofdstuk af met een QR-code waarmee lezers uitgebreidere analyses kunnen raadplegen. Ook zijn ze niet bang om de grote bonzen van Silicon Valley bij naam te noemen; ze beschuldigen Elon Musk en Yann LeCunn, hoofdwetenschapper van Meta AI, van het bagatelliseren van reële risico’s.

    De auteurs zijn het over veel dingen eens. De generatieve AI van 2025 – denk aan machines als ChatGPT en Gemini die informatie van allerlei bronnen assimileren en daaruit nieuwe informatie genereren – vormt nog geen existentiële bedreiging. Maar als AI-ontwikkeling met zo’n sneltreinvaart doorgaat, zullen er snel problemen ontstaan. ‘Machine-superintelligentie’, waarvan sommigen in het vakgebied denken dat die binnen tien jaar zal worden bereikt, zal ‘slimmer zijn dan ieder levend mens, slimmer dan de mensheid als geheel’, schrijven Yudkowsky en Soares.

    Als het zover is kunnen we volgens Barrat niet alleen economische chaos, maar ook toenemende waanzin in de overheid verwachten. Analisten schatten in dat miljoenen mensen in ontelbare vakgebieden hun baan zullen verliezen en dat ‘AI-gestuurd bedrog en desinformatie’ eerlijke verkiezingen in gevaar zullen brengen, aldus Barrat. Barrat beweert ook dat AI met zijn huidige intelligentieniveau al bloed aan zijn virtuele handen heeft. Volgens berichten heeft het Israëlische leger AI ingezet bij aanvallen waarbij burgers in Gaza omkwamen, terwijl de aanval van de industrie op het klimaat onverminderd doorgaat. Elke dag ‘verbruikt ChatGPT evenveel elektriciteit als een kleine stad’.

    Kennis vergaren

    De twee boeken waarschuwen ook voor de obscure manier waarop AI zijn kennis vergaart. In tegenstelling tot klassieke hardware en besturingssystemen wordt generatieve AI ‘niet gepro- grammeerd, maar getraind’, aldus Barrat – in de woorden van Yudkowsky en Soares; ‘verbouwd, niet vervaardigd’. Na het bouwen van een generatieve AI weten programmeurs ‘nauwelijks wat er omgaat in het brein van zo’n machine’.

    In The Intelligence Explosion wordt Stuart Russell, professor in computerwetenschappen, aangehaald. ‘We hebben geen idee hoe het werkt, en toch stellen we het bloot aan honderden miljoenen mensen’, aldus de professor. Door toegang te verlenen tot onze sociale media en financiële inrichtingen ‘geven we AI alle middelen om de wereld over te nemen’. Yudkowsky en Soares hebben zo hun twijfels bij wereldovername, maar beamen dat we nooit zeker kunnen weten wat voor ‘voorkeuren’ er zullen ontstaan. Haar ‘buitenaardse mechanische geest’ zal beschikken over een ‘interne psychologie’ die niet overeenkomt met de onze. Er is geen enkele reden om te verwachten dat tot die voorkeuren ‘gelukkige, gezonde mensen met een vervuld leven’ zal behoren, aldus de auteurs.

    De doemscenario’s zoals beschreven in If Anyone Builds It, Everyone Dies zijn angstaanjagend. Een op hol geslagen superintelligente AI kan financiële instellingen of laboratoria met dodelijke ziektes infiltreren, mensen afpersen, gewetenloze leiders omkopen of aan de haal gaan met grootschalige wapensystemen. In de VS zijn bijna vijftienduizend AI-start-up waarvan ten minste enkele medewerkers het gevaar reëel achten, aldus Barrat; ‘De meeste experts met wie ik heb gesproken achten een AI-overname waarschijnlijk’, schrijft hij. Yudkowsky en Soares noemen verschillende vooraanstaande computerwetenschappers die publiekelijk hebben gezegd dat er minstens 10 procent kans is dat AI de mensheid zal uitroeien.

    We praten steeds meer als ChatGPT

    Sinds de introductie van ChatGPT wordt er niet alleen meer geschreven, maar ook anders. Mensen nemen steeds vaker de stijl en toon van de chatbot over.

    In e-mails, sollicitatiebrieven en zelfs WhatsApp-berichten duiken formuleringen op die doen denken aan standaardantwoorden van een taalmodel: beleefd, volledig, neutraal, soms iets te gepolijst, aldus The Atlantic. Taalwetenschappers noemen dit verschijnsel ‘AI-speak’ of ‘prompt-speak’: een manier van communiceren waarin nuance, humor of rafelranden verdwijnen. The Atlantic beschreef hoe jongeren elkaar mailen in een stijl die ‘glad en zonder frictie’ aandoet – alsof elke zin door een algoritme is getest op beleefdheid. Het gaat vaak om uitdrukkingen die veilig en voorspelbaar zijn, zoals ‘I completely understand your concern’ of ‘I appreciate your feedback’.

    Critici vrezen dat deze invloed subtiel maar verstrekkend is. Waar sociale media ooit zorgden voor meer losse en informele taal, introduceert ChatGPT juist een toon die meer wegheeft van corporate jargon. Daarmee dreigt menselijke communicatie zijn emotionele schakeringen en speelsheid te verliezen.

    In een wereld waarin AI steeds vaker de antwoorden levert vóór de vraag is gesteld, waarschuwt Africa Is A Country, dooft onze nieuwsgierigheid mogelijk langzaam uit. Gemak gaat boven kritisch denken doordat lezers samenvattingen consumeren in plaats van teksten zelf te analyseren. Democratische betrokkenheid en politieke controle zouden worden verzwakt omdat burgers zich minder afvragen welke belangen schuilgaan achter de informatie.

    Albanië gaat wat dat betreft een gewaagd experiment aan: hier werd in september Diella, een AI-chatbot, gepromoveerd tot virtueel minister, met als portefeuille het beheren van publieke aanbestedingen en het tegengaan van corruptie. Volgens de regering moet de digitale bewindvoerder zorgen voor meer transparantie en efficiëntie, maar critici waarschuwen dat de benoeming vooral symbolisch is.

    Wat nu? Alle drie de auteurs stellen dat er een embargo moet komen op AI-ontwikkeling totdat we een beter idee hebben over hoe de toekomst eruit zal komen te zien. Yudkowsky en Soares treden meer in detail; ze stellen dat er wetten en ‘internationale regelgevingskaders’ moeten komen waarmee ‘het verboden wordt om als AI-bedrijf in dit tempo kunstmatige intelligentie te ontwikkelen’.

    Door de politieke verlamming in Washington is het onwaarschijnlijk dat hieraan gehoor wordt gegeven. Toch betuigen Yudkowsky en Soares dat het hoog tijd is dat mensen die hiermee instemmen zich erover uitspreken. Draag bij door contact op te nemen met wetgevers, te stemmen op kandidaten die deze problemen begrijpen, protesten bij te wonen en door vrienden en familie op de hoogte te stellen van de gevaren, aldus de auteurs. Ze zullen je aanvankelijk misschien ‘vreemd aankijken’, maar als er ook maar een kans bestaat dat het geschetste scenario waar is, dan hebben we wel iets belangrijkers aan ons hoofd dan zo nu en dan een meewarige blik.