Tag: supermarkt

  • Veerboot Aquidaban – de levensader van de rivier de Paraguay – is in gevaar

    Veerboot Aquidaban – de levensader van de rivier de Paraguay – is in gevaar

    Als veerboot annex drijvende kruidenierswinkel en dorpscafé in een van de meest afgelegen delen van Zuid-Amerika is de Aquidaban ook een smeltkroes van culturen. Nu dreigt de dienst te worden opgeheven.

    Bijna een compleet dorp wurmt zich in een rij over de houten loopplank naar het voordek van de Aquidaban. De Tomáraho hebben enkele dagen terug stroomafwaarts de boot genomen om te stemmen bij de nationale verkiezingen van Paraguay. Daarna hebben ze vier nachten buiten geslapen, in afwachting van de Aquidaban, die hen vandaag weer naar huis brengt.

    Meer dan tweehonderd Tomáraho drommen samen, gehurkt op omgekeerde emmers, opeengepakt in hangmatten of languit op de grond. Niemand weet precies hoeveel reddingsvesten er aan boord zijn, maar bijna iedereen is er zeker van dat er meer passagiers dan zwemvesten zijn.

    ‘De Aquidaban is er al sinds mijn kindertijd,’ zegt Griselda Vera Velázquez (33). Ze is handwerker in het dorp van de Tomáraho, waar geen weg naartoe loopt. Voor haar dochter met het syndroom van Down neemt ze regelmatig de boot naar medische specialisten ruim zeshonderd kilometer verderop. ‘We leven geïsoleerd,’ zegt ze. ‘Er is geen andere manier van reizen.’

    Voor veel gemeenschappen is de kantine op het schip de enige plek waar ze een koud biertje kunnen vinden

    Vlakbij drinken vier veedrijvers het ene biertje na het andere en gooien de lege blikjes in de rivier. Ze hebben een maandenlange dienst op het platteland voor de boeg. Een moeder van zes kinderen is na haar scheiding op vakantie. Ze balanceert op de reling van het dek en neemt met luide stem een video op voor haar Facebookvrienden. Op het bovendek wiegt een jong stel uit de omgeving hun dochter van zeventien dagen oud; ze maken een lange reis van het ziekenhuis naar huis.

    Al 44 jaar is het 40 meter lange witte, houten schip de enige reguliere veerdienst die diep binnendringt in de Pantanal, een draslandgebied dat groter is dan Griekenland. Van dinsdag tot zondag vaart het schip 800 kilometer de rivier de Paraguay op en neer, waarbij van alles en nog wat wordt afgeleverd, van crossmotoren tot pasgeborenen. Het benedendek is een drijvende supermarkt, met tien verkopers die de banken waarop ze slapen ombouwen tot kraampjes met groente en fruit, vlees en zoetigheden. Voor veel gemeenschappen is de kantine op het schip de enige plek waar ze een koud biertje kunnen vinden.

    Essentieel vervoermiddel

    Behalve een essentieel vervoermiddel, waarmee de mensen uit de omgeving vrijelijk door het gebied reizen, is de Aquidaban ook een smeltkroes van culturen, die al heel lang het handelsmerk van Paraguay is. Dit nergens aan zee grenzende Zuid-Amerikaanse land met zeven miljoen inwoners oefent al generaties lang een grote aantrekkingskracht uit op een gestage stroom van fanatiekelingen, idealisten, utopisten en verschoppelingen van elders. Decennialang was de Aquidaban een van de weinige plekken waar al deze groepen samenkwamen.

    Aan boord zitten mormoonse missionarissen en mennonitische boeren naast lokale leiders en Japanse koks. Moeders geven peuters borstvoeding in een hangmat, boeren binden hun kippen vast aan de reling, jagers verkopen capibara’s zonder kop.

    Maar nu komt er misschien een einde aan het reizen met de boot. In het afgelegen noorden van het land heeft Paraguay nieuwe wegen aangelegd, als onderdeel van een transcontinentale corridor van Brazilië naar Chili, die de Atlantische met de Stille Oceaan verbindt. Deze en andere wegen hebben invloed op de omzet van de Aquidaban. Volgens de familie die eigenaar is van de boot, gaan de zaken steeds slechter.

    ‘Veel onderdelen zijn kapot en er is geen geld om ze te repareren’

    ‘Veel onderdelen zijn kapot en er is geen geld om ze te repareren,’ zegt Alan Desvars (35), mede-eigenaar van het schip. Hij staat op het voordek in een Duits thrashmetalshirt. ‘Dit is misschien wel het laatste jaar.’

    Op de Aquidaban is het vies en luidruchtig. Het eten is van dubieuze kwaliteit en de bemanning chagrijnig. Overal zitten bloeddorstige muggen. Op de vierde dag is de lucht bedompt door de geuren van bederfelijke waren, vee en boerenknechten die terugkeren na maanden in de bush. Maar voor de Desvars, een familie van scheepsbouwers, is de Aquidaban hun grote trots.

    Houten kano’s

    De familie begon bijna een eeuw geleden met de verkoop van houten kano’s langs de rivier, totdat de jongere generatie besefte dat de afgelegen riviergemeenschappen meer nodig hadden dan alleen kano’s. Aan alles was gebrek. Dus bouwden ze met het hout van de roze bloeiende lapacho een schip in de vorm van een lange schoen, dat wordt aangedreven door een oude Mercedes-vrachtwagenmotor. Ze noemden het de Aquidaban, naar een nabijgelegen zijrivier. Het was een schot in de roos. Na de tewaterlating in 1979 moest de bemanning in de havens soms mensen dwingen van boord te gaan om te voorkomen dat het schip zou zinken.

    Sindsdien bevaart de Aquidaban gedurende 51 weken per jaar de rivier met zo’n 10 bemanningsleden en 10 verkopers. Sommigen doen dat al meer dan 25 jaar. ‘Het voelt als familie,’ zegt Desvars. ‘Met sommigen kun je goed opschieten, en er zijn er die je de nek zou willen omdraaien.’ Een rondleiding is na een paar minuten al klaar. De enorme opslagruimte is gevuld met kratten melk, olietanks en televisies. Voorwerpen met afwijkende maten en vormen – bromfietsen, een spiegelkast, een geit – staan op het dek. De verkopers binnen bieden bananen, ingevroren kippen en deodorant aan.

    De vier toiletten lozen rechtstreeks in de rivier; de douches ernaast pompen rivierwater naar binnen. Op het bovendek bieden acht hutten met stapelbedden privacy aan degenen die het kunnen betalen. Voor de volledige riviertocht is het tarief 17,50 euro; een hut kost 12,90 euro extra. De meeste passagiers slapen in hangmatten, op banken of op de grond.

    Voor de inwoners, die het zonder elektriciteit moeten stellen, is dit elke vrijdagavond drie kwartier lang het dorpscafé

    Of ze gaan naar de eetzaal. De kok, Humberto Panza, maakt doorgaans twee gerechten: rijst met taaie stukjes rundvlees of pasta met taaie stukjes rundvlees. De overvloedige verse producten die beneden verkrijgbaar zijn, staan niet op zijn menu. ‘Ik bereid alleen vlees,’ zegt hij. De kantine is waarschijnlijk tevens de hipste bar van de Pantanal.

    Als de Aquidaban op vrijdagavond bij een dorp aankomt, staat er een menigte jonge mensen te dringen. Vanuit de kantine stromen ze de gang op. Ze drinken goedkope blikjes Braziliaans bier en roken sigaretten onder de ‘Verboden te roken’-borden. Voor de inwoners, die het zonder elektriciteit moeten stellen, is dit elke vrijdagavond drie kwartier lang het dorpscafé, vertellen ze.

    De Tomáraho worden gevolgd. Nathan en Zach Seastrand zijn op weg naar hun dorp voor het filmen van wat ze de ‘regendans’ van de Tomáraho noemen. ‘Dat lijkt wel iets uit Indiana Jones,’ zegt Nathan Seastrand, terwijl hij en zijn broer elk een kom met Panza’s stoofvlees naar binnen werken. De gebroeders Seastrand komen uit Utah en zijn jaren geleden als mormoonse missionarissen naar Latijns-Amerika afgereisd. Destijds waren ze gladgeschoren en droegen ze stropdassen en naambordjes met de tekst ‘ouderling Seastrand’.

    Tomáraho

    Nu zijn het bebaarde, langharige socialmedia-influencers zonder shirt; twee bierdrinkende, Spaanssprekende gringo’s die zich in de jungle wagen en honderdduizenden volgers hebben. ‘Veel mensen hebben talent,’ zegt Nathan Seastrand. ‘Maar ze zijn niet stoer, roekeloos of dwaas genoeg.’

    Als zendelingen doopten ze meer dan dertig mensen voor de mormoonse kerk. Maar toen vonden ze op internet een analyse waarin inconsistenties in de leer van de mormonen werden beschreven. ‘Dat was een mokerslag,’ zegt Nathan Seastrand. Ze verlieten de kerk en begonnen berichten te posten. Zoals foto’s waarop ze met ontbloot bovenlijf anaconda’s vasthouden. Nu filmen ze een documentaire over oorspronkelijke gemeenschappen die ze aan het Sundance Film Festival willen aanbieden. De Tomáraho zijn een van de laatste gemeenschappen die ze nog willen bezoeken.

    Behalve voor het vervoeren van meel, levende varkens en tractoronderdelen wordt de Aquidaban ook gebruikt om het evangelie te verspreiden

    Volgens Nestor Rodríguez, het hoofd van de Tomáraho, die bier drinkt op het dek, is het in de afgelopen twee jaar de vierde groep buitenlanders die door de Aquidaban naar het dorp wordt gebracht. ‘Hun project biedt steun aan de gemeenschap,’ zegt hij. De Seastrand-broers hebben te horen gekregen dat ze moeten betalen om binnen te komen.

    Bij volle maan vaart de Aquidaban naar het dorp. Twintig minuten lang schreeuwen de Tomáraho naar elkaar terwijl ze in het donker naar hun bezittingen zoeken. De Amerikaanse broers houden zich afzijdig. ‘We weten niet waar we terechtkomen,’ zegt Nathan.

    Behalve voor het vervoeren van meel, levende varkens en tractoronderdelen wordt de Aquidaban ook gebruikt om het evangelie te verspreiden. Al tientallen jaren maken missionarissen gebruik van de boot om de gemeenschappen langs de rivier te bereiken.

    Mormoonse geloof

    De noordelijkste halte, Bahía Negra, is de thuisbasis van misschien wel de meest afgelegen kerk van het mormoonse geloof. Als de Aquidaban er op een ochtend aanmeert, hebben de dorpsbewoners zich al verzameld aan de rand van de rivier, in afwachting van hun wekelijkse drijvende kruidenierswinkel. Onder hen zijn twee jonge mannen met stropdassen, de huidige mormoonse missionarissen, die hier naar eigen zeggen door goddelijke interventie heen zijn uitgezonden.

    ‘Een van de apostelen bekijkt ons, bestudeert onze papieren, leest wat informatie over ons en pakt er een landkaart bij,’ zegt A.J. Carlson (18) uit Fort Worth, Texas. ‘Dan krijgen ze een openbaring.’

    Iets verderop vlecht een groep vrouwen manden in een achtertuin. ‘Voor de kerk er was, hadden we alleen sjamanen,’ zegt Elizabeth Vera (64) over de mormonen. ‘Toen kwamen de Amerikanen.’ Ze wijst naar Carlson. ‘Hij is een boodschapper van Jezus Christus.’

    Emilia Santos reist met de Aquidaban van haar dorp naar een andere kerk. Ze werkt als kok voor de Unification Church in Puerto Leda, een buitenpost in de jungle. Deze religieuze beweging werd opgericht door dominee Sun Myung Moon, een Koreaan die beweerde de nieuwe christelijke messias te zijn, en die miljoenen volgelingen kreeg. Hij werd beschuldigd van hersenspoeling en wordt verantwoordelijk gehouden voor het bankroet van veel van zijn volgelingen.

    Hij werd beschuldigd van hersenspoeling en wordt verantwoordelijk gehouden voor het bankroet van veel van zijn volgelingen

    Deze nederzetting bestaat voornamelijk uit Japanse missionarissen, en Santos heeft er geleerd hoe ze curry’s en sushi moet klaarmaken. Ze heeft weer een dienst van twee weken voor de boeg, zegt ze. ‘En ik reis altijd met de Aquidaban.’ De missionarissen verbouwen tayer en onderhouden twintig visvijvers. Ze hebben ook een paar van hun buren bekeerd.

    Jamby Balbuena, een arbeider die helpt in de viskwekerijen, zit bier te drinken in de kantine van de Aquidaban. Hij is onderweg naar zijn werk in de nederzetting, waar alcohol verboden is. Twee jaar geleden heeft hij zich bekeerd, zegt hij. ‘Ik hou van hun religie, God volgen – dat allemaal.’

    Derlis Martínez ziet er nerveus uit. De 25-jarige politieagent in camouflagepak en gevechtslaarzen vervoert op de overvolle boot zijn eerste gevangene.

    Gekleed in een shirtje en met handboeien om oogt de 37-jarige Agustín Coronel ontspannen. ‘Hij is mijn lijfwacht,’ zegt hij glimlachend. De twee zijn samen op reis vanuit Bahía Negra, waar Coronel werd gearresteerd nadat hij zijn vrouw had geslagen. ‘Ik ben schuldig,’ zegt hij ongevraagd. Martínez moet hem naar een rechtszitting stroomafwaarts brengen. De reis duurt bijna twee dagen. ‘Voor slapen is geen tijd,’ zegt Martínez. ‘Ik moet hem bewaken.’

    Geboeide handen

    Coronel zegt dat hij ook wakker blijft, om zijn reispartner gezelschap te houden. De twee mannen kletsen met elkaar. Over Coronels misstap en zijn berouw, over hobby’s, over het leven. Nippend aan hetzelfde zilveren rietje delen ze een van een runderhoorn vervaardigde beker tereré, een koude mate die populair is in Paraguay. Ze eten zij aan zij in de kantine – Martínez betaalt Coronels maaltijd van zijn eigen geld.

    Om twee uur ’s nachts, nadat ze twintig uur samen hebben doorgebracht, zit Martínez beneden op een bank. Hij staart naar Coronel, die op de vloer ligt met zijn geboeide handen boven zijn hoofd. Ze hebben een band, zegt de gevangene. Martínez aarzelt. ‘Het is mijn werk,’ antwoordt hij.

    Tegen de ochtend zijn ze terug in de kantine en geven toe dat ze voor de machinekamer naast elkaar zijn ingedommeld. Hoe gaat het nu met ze? ‘Geweldig,’ antwoordt Coronel. Tijdens de lange uren in de krappe behuizing van de Aquidaban ‘hebben we vriendschap gesloten’, geeft Martinez toe. 

    Lees ook:

  • ‘Klets met mij!’

    ‘Klets met mij!’

    Het tegenovergestelde van de in Nederland uitgevonden zelfscankassa is de Plauderkasse, de kletskassa, waar de caissière tijd neemt voor haar klanten. Een button op haar kleding nodigt ze uit tot een gesprekje.

    Schiet het daar vooraan nou eindelijk een beetje op? Integendeel. De oude man neemt letterlijk zijn hoed even af voor de caissière, begroet haar en legt zijn boodschappen langzaam op de lopende band. Brood, kaas, een paar toiletartikelen. Meer is het niet wat de witharige man uit het winkelwagentje vist, maar het duurt even voordat hij zover is om te betalen. Klant en caissière nemen de tijd om beleefdheden uit te wisselen. ‘Hoe gaat het met uw man?’ vraagt de klant. ‘Hoe lang moet hij nog werken?’ ‘Goed, dank u,’ antwoordt de caissière. ‘Hij moet nog vier jaar.’ Er volgt een lollig gesprek over de vraag wat eigenlijk meer stress geeft: pensioen of werken.

    Benne Callo, 83 jaar, is een vaste klant van het Migros-filiaal Gundelitor in Basel. Hij kent Nadine Dangel al 33 jaar, zo lang is ze al caissière in deze supermarkt. De twee hebben veel te bespreken, vooral omdat Dangels laatste werkdag nadert; ze is 58 en gaat binnenkort met vervroegd pensioen. ‘Het eerste wat ik ga doen is het huis opruimen en de tuin verzorgen,’ zegt ze tegen Callo, die een briefje van 200 frank uit zijn portemonnee opdiept en een ander onderwerp aansnijdt: ‘Als we de Elzassers niet hadden!’ Dangel komt uit de naburige Elzas. Hun gesprek duurt ruim vijf minuten, maar geen van de andere klanten klaagt over het wachten.

    ‘Klets met mij!’ staat op een button op de winkeljas van Nadine Dangel. Boven de lopende band prijken posters met het woord Plauderkasse [kletskassa] en het symbool van een boodschappentas met een tekstballonnetje erin. Wie haast heeft, kan beter bij een andere kassa in de rij gaan staan. Nadine Dangel zegt dat klanten hier soms wel een halfuur wachten om met haar te kunnen praten, want bij de kletskassa is menselijke interactie belangrijker dan efficiënt winkelen.

    Nederlands idee

    ‘Mensen moeten weer als mensen gezien worden,’ zegt Stefanie Näf-­Seiler, manager van Gsünder Basel, de organisatie die vorig jaar met het kletskassaproject is begonnen. Behalve de Plauderkasse in deze supermarkt is er ook een in een apotheek. Het idee komt uit Nederland, waar supermarktketen Jumbo inmiddels in tweehonderd filialen zogenaamde kletskassa’s heeft opgezet. Ook in Japan zijn er langzame kassa’s die gericht zijn op senioren en mensen met een handicap. En ook in Schweinfurt, Duitsland, is onlangs een kletskassa geopend.

    ‘Sommige vaste klanten komen meer keren per dag en kopen dan twee kleine artikelen’

    Het initiatief voor de kletskassa’s is een reactie op de snelheid en anonimiteit van het dagelijks leven. Bank- en postkantoren zijn inmiddels afgeschaft ten gunste van automaten, en supermarkten hebben nu de snelkassa’s waar je zelf je boodschappen moet scannen. Wie dringend informatie nodig heeft van een zorgverzekeraar is gedwongen te communiceren met chatbots in plaats van met mensen. Het dagelijks leven wordt steeds onpersoonlijker en daarmee groeit het verlangen naar direct menselijk contact, vooral onder alleenstaanden en ouderen. Voor sommigen is een bezoekje aan de supermarkt of de bakker het enige moment van de dag waarop ze met andere mensen praten.

    ‘Sommige vaste klanten komen meer keren per dag en kopen dan twee kleine artikelen,’ zegt Dangel. ‘Gewoon om een paar minuten contact te hebben.’ Dat is precies de bedoeling, zegt projectmanager Näf-Seiler. ‘De Plauderkasse moet laagdrempelig zijn en steun bieden aan eenzame, hulpbehoevende mensen in hun dagelijks leven.’

    Laagdrempelig

    Eenzaamheid is een groeiend maatschappelijk probleem. In Duitsland heeft zo’n 10 tot 20 procent van de mensen ermee te maken, zo blijkt uit representatieve onderzoeken. In de psychologie wordt onderscheid gemaakt tussen emotionele, collectieve en sociale eenzaamheid. Emotionele eenzaamheid hangt samen met de actuele levens- en liefdessituatie en kan snel veranderen. Van collectieve eenzaamheid is volgens experts sprake wanneer mensen verbondenheid met een grotere groep ontberen. Chronische sociale eenzaamheid is het meest funest, omdat deze vorm ernstige negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid, de levensverwachting en uiteindelijk voor de samenleving als geheel.

    ‘De Plauderkasse biedt eenzame mensen laagdrempelig de mogelijkheid om vrijblijvend met anderen in contact te komen,’ zegt Susanne Bücker, psycholoog aan de Duitse Sportuniversiteit Keulen. Ze heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar eenzaamheid en verwijst naar onderzoeken waaruit blijkt dat weak ties – makkelijke dagelijkse contacten met anderen – een positief effect kunnen hebben op het subjectief welzijn. Eenvoudiger gezegd: een praatje bij de kassa is goed voor je, want doorgaans betreft het een onproblematische, vriendelijke uitwisseling met een ander. ‘Het hoeft geen diepgaand emotioneel gesprek te zijn,’ zegt Bücker. ‘Belangrijker is dat mensen zelf de aard van de interactie kunnen bepalen, zonder dat ze meteen hun gevoelens van eenzaamheid hoeven prijs te geven.’ Want eenzaamheid stigmatiseert.

    Onderzoeken tonen aan dat eenzaamheid in toenemende mate ook jongeren en jongvolwassenen treft

    Demografische veranderingen, digitalisering en niet in de laatste plaats de coronapandemie behoren tot de factoren die tot meer eenzaamheid hebben geleid. Niet alleen oude mensen worden erdoor getroffen. Onderzoeken tonen aan dat eenzaamheid in toenemende mate ook jongeren en jongvolwassenen treft. Dat is ook de ervaring in Basel. Na een halfjaar werd het proefproject van Gsünder Basel geëvalueerd, met verrassende resultaten. Een op de negen klanten maakt af en toe een praatje met het personeel aan de kletskassa, en dat zijn even vaak mensen met een baan als oudere mensen.

    ‘Het zijn vooral de vrouwen die even willen kletsen,’ zegt Nadine Dangel. ‘Zij vinden het makkelijker.’ Ze praten over gewone dingen zoals het weer, sportevenementen, feestdagen, vakanties, politiek, huisdieren of recepten. Maar sommige klanten nemen haar ook in vertrouwen over privézaken en problemen. Een oudere vrouw vertelde steeds weer over haar zoon, die zijn baan was kwijtgeraakt; een man klaagde erover dat hij geen contact meer had met zijn familie.

    Schermafbeelding 2023 07 26 om 12.40.26
    Zelfscankassa’s in een filiaal van Albert Heijn. – © ANP

    Nadine Dangel kent vaste klanten bij hun voornaam. Ze merkt hoe eenzaam en wanhopig ze zich voelen als ze hun levenspartner verliezen. ‘Het helpt als een neutraal persoon naar hun zorgen luistert,’ zegt Stefanie Näf-Seiler. ‘Maar een caissière, ook al is ze speciaal opgeleid, is natuurlijk geen vervanging voor sociale zorgdiensten, laat staan voor psychotherapie.’

    Vrijwilligers

    Bij de Plauderkasse staan vrijwilligers van Gsünder Basel, die de klanten helpen met het inpakken en dragen van hun boodschappentassen. Deze ochtend is het Leonie Sinzig die Benne Callo aanspreekt en hem helpt met zijn boodschappentas. Net als de kassamedewerkers zijn de vrijwilligers erin getraind fijngevoelig met de klanten om te gaan. Al snel ontstaat een vriendschappelijk gesprek tussen Callo en Sinzig. Maar het gaat niet altijd zo makkelijk. ‘Ik ken niemand die er graag voor uitkomt eenzaam te zijn,’ zegt Sinzig.

    Als het nodig is geven de vrijwilligers tips over hulpdiensten, of ze geven telefoonnummers van meldpunten of adressen van inloophuizen. ‘We hebben een natuurlijke behoefte om met andere mensen te praten,’ zegt Stefanie Näf-Seiler. Wie dat om welke reden dan ook niet meer kan of wil, wordt eenzaam en op den duur ziek. Een vraag als ‘Hoe is het?’ kan een eerste stap zijn om dat te voorkomen. 

  • Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Waarom kost dezelfde appel in de ene winkel meer dan in de andere? Die vraag stelt de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price. Want de echte prijs van een product – inclusief externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij – ligt vrijwel altijd hoger dan de winkelprijs.

    Eind 2020 zette de charmante Amsterdamse supermarkt De Aanzet een bord op straat met de tekst: ‘Welkom in de eerste supermarkt ter wereld met echte prijzen’. Binnen bleken steeds twee prijzen vermeld te staan bij aardappelen, paprika’s, bananen, broccoli, brood en allerlei andere levensmiddelen. De ‘normale’ prijs voor tomaten was 3,75 euro per kilo, maar de ‘echte’ prijs bedroeg 3,97 euro. Het verschil van 22 cent stond voor de verborgen kosten van de teelt en het vervoer van de tomaten – dus de kosten van de CO2-uitstoot, onderbetaling van arbeiders en water- en grondverbruik.

    Die echte prijzen waren berekend door de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price, al in 2012 opgericht door Michel Scholte en Adrian de Groot Ruiz. Deze twee vrienden, de een kampioen in universitaire debatwedstrijden en de ander een voormalig universitair docent finance, werken samen met allerlei bedrijven – een chocoladeproducent, een bakkerijketen, banken en modemerken – om van uiteenlopende artikelen de werkelijke prijs te kunnen berekenen. De samenwerking met De Aanzet was hun meest publieke project tot nu toe. De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze. Ze kunnen de normale en de werkelijke prijzen nu met elkaar vergelijken: als het verschil tussen die twee bij de ene appel 5 cent en bij de andere 50 cent is, is die eerste appel dus afkomstig van een producent die milieubewuster en meer sociaal verantwoord bezig is. De klant kan er dan voor kiezen om voor zijn product de echte prijs te betalen, waarna De Aanzet dat extra geld doorsluist naar projecten die de kwalijke gevolgen van die stille kosten proberen tegen te gaan.

    Scholte en de Groot Ruiz leerden elkaar zo’n vijftien jaar geleden kennen bij een universitaire debatclub. Scholte studeerde sociologie aan de Vrije Universiteit en werkte als schoonmaker in de businesslounge op Schiphol. De Groot Ruiz studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze vonden elkaar in hun belangstelling voor gedragseconomie, statistiek en de onderliggende structurele oorzaken van armoede en milieuvervuiling. Als tiener had De Groot Ruiz, die ook liefhebbert in de natuurkunde, met twee vrienden eens een techniek bedacht om energie te winnen uit de golfslag op zee. Toen kreeg hij te horen dat investeerders daar geen interesse in hadden omdat de ‘businesscase’ voor de ontwikkeling ervan zo onzeker is. Dat vond hij volstrekt irrationeel. De ware kosten van fossiele brandstoffen – het instorten van ecosystemen, stijgende zeespiegel, extreem weer – zijn uitzonderlijk hoog maar blijven buiten de boeken, zodat die brandstoffen in vergelijking met alternatieven onrealistisch goedkoop lijken.

    ‘Externaliteiten’

    In hun studietijd sloten de twee zich al aan bij de Nederlandse denktank Worldconnectors. Daar praatten ze met gelijkgestemden over wat economen wel ‘externaliteiten’ noemen: de externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij, die niet worden meegenomen in prijsberekeningen. Mettertijd kwamen ze zo op het idee voor hun ‘echte prijzen’. Politici blijken vaak niet bereid bedrijven regelgeving op te leggen die streng genoeg is om de maatschappelijke en milieukosten fundamenteel te verlagen. Maar het is wel mogelijk de omvang van die kosten te schatten en die informatie direct in de prijzen te verwerken. Dus lanceerden Scholte en De Groot Ruiz in 2012 True Price, om bij te dragen aan de totstandkoming van duurzamere productieketens. De hoop is dat als bedrijven en consumenten zich minder illusies maken over de werkelijke kosten, dat zal leiden tot aanpassing van hun uitgavenpatroon en hun verkoop- en productiemethoden.

    Lage prijs is illusie

    Maarten Rijninks, de eigenaar van De Aanzet, hoorde voor het eerst over ‘echte prijzen’ op een lezing die Scholte in 2018 gaf. Hij beschouwt het nu als een manier om iets te doen aan een kwalijke situatie die zo wijdverbreid is dat we haar niet eens meer als vreemd ervaren. ‘Als je nu in een gewone supermarkt iets koopt, is dat altijd goedkoper dan hetzelfde product in mijn winkel, dat biologisch geteeld en duurder is,’ zegt Rijninks. Maar die lage prijs is een illusie: die is alleen mogelijk als je de ware kosten van de productie negeert. ‘Als je de echte prijzen berekent, zijn ook mijn producten goedkoper,’ zegt Rijninks. Sinds hij dit systeem hanteert, is de omzet van zijn winkel met een procent of vijf gestegen. Veel klanten zeggen het te waarderen. ‘Het probleem is dat klanten niet de middelen hebben om hun maatschappelijke en milieutechnische impact te verminderen,’ zegt hij. ‘Het is niet dat ze het niet willen.’

    Rijninks zegt tegen zijn klanten dat het systeem nog een experiment in uitvoering is. Een onontkoombaar probleem is misschien dat de gegevens van True Price niet perfect zijn. De analisten van de organisatie gaan soms uit van regionale gemiddelden, die de precieze productieomstandigheden van een specifiek artikel niet altijd goed weerspiegelen. En de herstelprojecten die De Aanzet heeft uitgekozen zijn niet altijd even doelgericht, zodat een klant die de echte prijs betaalt voor een banaan misschien meebetaalt aan een irrigatieproject van een spinazieboer. De komende jaren hoopt Rijninks met buitenlandse leveranciers gerichtere projecten op te zetten en ook meer producten in het systeem op te nemen dan alleen brood en verse groente en fruit. In de loop van dit jaar wordt het systeem ook nog op een andere manier uitgebreid: een vereniging van biologische winkels wil in al haar vestigingen in Nederland een pilot met echte prijzen gaan uitvoeren.

    De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze

    In De Aanzet kunnen de klanten de echte prijzen zien, maar bij andere bedrijven worden die voor interne analyse gebruikt. Tony’s Chocolonely vroeg Scholte en zijn mensen in 2013 om de ware kosten te berekenen van cacao uit Ghana en Ivoorkust. Ze hebben toen gekeken naar acht vormen van externe milieukosten en zes soorten maatschappelijke kosten, waaronder lucht-, bodem- en waterverontreiniging, klimaatverandering, onderbetaling en kinderarbeid. In West-Afrika, waar de meeste cacao in de wereld vandaan komt, zijn de arbeidsomstandigheden berucht: volgens een onderzoek van de universiteit van Chicago uit 2020 zijn in de cacaoproductie in Ghana en Ivoorkust anderhalf miljoen kinderen werkzaam. De grote merken beloven wel dat ze het probleem zullen oplossen, maar kinderarbeid blijft in deze sector een probleem.

    Tony’s Chocolonely

    True Price probeerde de kosten van al deze externe effecten te berekenen en kwam voor 2013 uit op een gemiddelde echte prijs voor cacao van 14,17 euro per kilo. Het grootste deel van die prijs, namelijk 12,07 euro, gaat op aan die externe kosten. Tony’s Chocolonely deed al erg zijn best om cacao van eerlijke producenten te krijgen, zodat zijn gemiddelde echte kosten een stuk lager waren: 7,93 euro, waarvan 5,99 euro de maatschappelijke kosten waren. Toen Tony’s het in 2017 opnieuw liet doorrekenen, was de echte prijs gedaald tot 4,52 euro, waarvan 2,93 voor externe kosten. En al zijn deze kosten slechts een beredeneerde gok – dus niet echt ‘echt’ – Tony’s Chocolonely kon ze goed gebruiken om doelstellingen te formuleren en de geboekte vooruitgang te meten.

    Tony’s spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens

    Tony’s betaalt hoger dan gemiddelde prijzen voor cacaobonen, stimuleert efficiëntere en duurzamere landbouwtechnieken, heeft een initiatief opgezet om de grondstoffen in de productieketen te kunnen volgen en een systeem opgetuigd om toe te zien op het voorkomen van kinderarbeid. Het bedrijf spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens. True Price stelde vast dat de boerencoöperaties die producten aan Tony’s Chocolonely leveren meer winst maken, veiliger zijn en zich minder vaak aan kinderarbeid schuldig maken dan de gemiddelde leverancier in de sector. Als het bedrijf op deze voet doorgaat, kunnen de verborgen kosten van de chocola van Tony’s in de komende jaren het nulpunt bereiken.

    Om een concreet cijfer te plakken op de kosten van kinderarbeid of bodemerosie moet je eerst een hele serie aannames doen. Ten eerste moet True Price natuurlijk beslissen welke kosten er moeten worden berekend. Daarbij gaan ze uit van kosten die verband houden met schendingen van mensenrechten zoals vastgelegd door de VN, in internationale verdragen of andere breed gedragen kaders. In deze op mensenrechten gebaseerde benadering is True Price compromisloos: zo verwerpen ze principieel de gedachte dat het scheppen van banen, aandeelhouderswaarde of het gemak van de consument het ‘waard’ kan zijn om mensenrechten te schenden – waaronder ook het recht op een gezonde natuurlijke leefomgeving. Bedrijven die grondstoffen betrekken uit gebieden waar sprake is van kinderarbeid kunnen hun echte prijzen voor True Price alleen verlagen door te zorgen dat er minder kinderen betrokken zijn bij hun productieproces. Ze kunnen die kinderarbeid niet wegstrepen tegen andere gunstige effecten en zeggen dat het nettoresultaat positief uitvalt.

    Andere onderzoekers voeren vergelijkbare berekeningen uit. Zo heeft een team in Italië berekend dat de verborgen kosten van een kilo rundvlees, inclusief de gevolgen voor het milieu en de gezondheid van de mens, zo’n 19 euro per kilo bedragen. Dat wil zeggen dat de verborgen kosten van de rundvleesconsumptie alleen al in Italië zo’n 36,6 miljard euro per jaar bedragen. En onderzoekers van de Britse Sustainable Food Trust hebben diezelfde kosten voor hun land berekend: zo’n 116 miljard per jaar. Volgens een rapport uit 2021 van The Rockefeller Foundation op basis van onderzoek door True Price en wetenschappers van de universiteiten Oxford, Harvard, Cornell en Tufts bedragen de ware kosten van het hele voedselsysteem van de VS, als de verborgen kosten voor maatschappij en milieu eenmaal worden meegerekend, minstens 3,2 biljoen dollar per jaar – bijna driemaal zoveel als de ‘normale’ uitgaven aan voedsel van het land, die 1,2 biljoen bedragen.

    Hervormingen

    Driemaal de huidige prijs voor voedsel betalen is geen houdbare strategie voor consumenten, bedrijven of overheden. Maar er zijn andere manieren om met behulp van echte prijzen tot hervormingen te komen. De afgelopen tien jaar heeft de federale Amerikaanse overheid gemiddeld 16 miljard dollar per jaar aan landbouwsubsidies uitgegeven, met name voor de productie van soja, maïs, rijst en graan. Als het terugdringen van de echte kosten een voorwaarde wordt voor die subsidies, zou dat een prikkel voor producenten zijn om aan een paar van de meest funeste landbouwpraktijken een eind te maken. Net als bij supermarkt De Aanzet zou transparantie over de echte prijs dan tot verandering kunnen aanzetten.

    Alleen al praten over prijzen kan zijn nut hebben. Een product heeft geen ‘echte’ prijs in de objectieve zin waarin een element een atomaire massa-eenheid heeft. Maar de vragen die echte prijzen opwerpen zijn ook weer niet hopeloos subjectief. De meeste mensen zijn voorstander van een verbod op artikelen die geproduceerd worden in gevaarlijke omstandigheden door slaven en jonge kinderen.

    Eerlijke prijzen zijn ook rechtvaardige prijzen

    De analyses van True Price en andere deskundigen sporen ons aan om die redenering ook toe te passen op andere zaken: lonen die een bestaansminimum garanderen, bescherming tegen intimidatie, veilige arbeidsomstandigheden, duurzame productietechnieken enzovoort. In dat opzicht zijn eerlijke prijzen ook rechtvaardige prijzen: ze weerspiegelen ons morele besef dat we de mensenrechten en de natuur geen geweld mogen aandoen om goedkope artikelen te kunnen produceren. Mettertijd zal beter onderzoek ons nog meer inzicht geven in de kosten van het herstel van een ecosysteem waarin het grondwater door meststoffen is vergiftigd, of van het aanbieden van onderwijs aan boerenfamilies op het Ghanese platteland. Wat we nu al weten, is dat het weglaten van die kosten uit de prijsberekening betekent dat consumenten, overheden en bedrijven onjuiste informatie over de wereld krijgen voorgeschoteld. Dat is een vorm van liegen – over de natuur, over de economie en over elkaar.

  • VS: Walgreens plaatst advertentieschermen op koelkasten en vriezers

    VS: Walgreens plaatst advertentieschermen op koelkasten en vriezers

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Afrika: beschermd natuurgebied bestormd voor landbouwgrond

    » Colombia: voormalig hoofd van Clan del Golfo wordt uitgeleverd aan VS

    Schermen in plaats van deuren

    Walgreens en andere retailers in de VS hebben in duizenden winkels hun koelkasten en vriezers voorzien van ondoorzichtige deuren met iPad-achtige schermen. Deze schermen van de start-up Cooler Screens gebruiken bewegingssensoren en camera’s om te laten zien wat er achter de deuren zit. Daarnaast tonen ze productinformatie, prijzen, aanbiedingen en, het meest aantrekkelijk voor betrokkenen: betaalde advertenties. Adverteerders zijn er blij mee en de technologie levert de winkels extra inkomsten op, schrijft CNN.

    Walgreens begon in 2018 met testen van de schermen en heeft ze inmiddels geïnstalleerd op enkele duizenden locaties in het hele land. Ook bedrijven als Kroger, CVS, GetGo en tankstations van Chevron testen de Cooler Screens. Volgens de start-up zijn er nu ongeveer tienduizend schermen in winkels, die maandelijks door ongeveer 90 miljoen consumenten worden gezien.

    Bij klanten leiden de schermen echter tot grote irritatie. ‘Door die digitale schermen bij Walgreens moest ik eerst naar een advertentie kijken voordat ik wist waar de diepvriespizza’s lagen’, klaagde een boze klant op Twitter.

    Lees ook:

  • 330 additieven in bewerkt voedsel

    330 additieven in bewerkt voedsel

    Er moet beleid worden ontwikkeld om de toegang tot en betaalbaarheid van rauw of minimaal bewerkt voedsel te verbeteren.

    Dat beweren Bernard Srour en Mathilde Touvier onlangs in The Lancet. Eerst was het slecht voor de gezondheid om vet te eten, toen waren koolhydraten de boos-doener, en moet vooral suiker in de ban. Westerse eetpatronen worden gekenmerkt door een hoge inname van energierijke producten, lees: grote hoeveelheden suikers, suikerhoudende dranken en verzadigde vetten, en beperkte hoeveelheden groente, fruit en volle granen, oftewel vitaminen en voedingsvezels. Er zijn zelfs sterke wetenschappelijke aanwijzingen dat dit eetpatroon chronische ziekten veroorzaakt.

    Meer recentelijk is een discussie gaande over de mate waarin voedsel is bewerkt. Voedselbewerking heeft de afgelopen eeuw tot enorme vooruitgang geleid, zoals de massaproductie van snel en gemakkelijk te bereiden voedsel en de afname van micro-biologische risico’s, maar de vraag is of we niet te ver zijn gegaan. Zijn deze op grote schaal geconsumeerde producten (50 procent van de energie-inname in het VK en de VS) van invloed op de menselijke gezondheid?

    Ultra Processed Food

    Ultra Processed Food, bewerkt voedsel dat meestal het gehele middenstuk van een supermarkt beslaat, doet er nog eens een ongezond schepje bovenop. Of het verwijderen van vezels, mineralen en andere nutriënten voor de smaak en de houdbaarheid, voedzaam en veilig is wordt steeds vaker ter discussie gesteld. De voedingsindustrie vindt van wel. Maar wetenschappers als Bernard Srour en Mathilde Touvier denken er anders over. Ze publiceerden in The Lancet recent hun bevindingen. UPF is volgens de twee eenzijdig en niet voedzaam: het mist noodzakelijke nutriënten, die je moet binnenkrijgen. En het bevat een keuze uit 330 additieven.

    Niet alleen hebben UPF gemiddeld een slechtere voedselkwaliteit, ze bestaan over het algemeen ook uit producten die verschillende intensieve processen hebben ondergaan, zoals kneding en extrusie bij hogere temperaturen, en bevatten cosmetische voedingsadditieven en/of andere industriële ingrediënten om het aroma en de smaak van het eindproduct te verbeteren.

    Volgens voedselwaakhond foodwatch is 75 procent van het aanbod in de supermarkt UPF

    Recente systematische beoordelingen en meta-analyses tonen verband aan tussen UPF-inname en een toegenomen kans op verschillende chronische aandoeningen, met name obesitas en cardiometabolisme, maar ook mortaliteit, kanker, algehele verzwakking en symptomen van depressiviteit. Zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN waarschuwen om zo min mogelijk bewerkt voedsel te eten. Dat zal lastig worden, want volgens voedselwaakhond Foodwatch is 75 procent van het aanbod in de supermarkt UPF. Meer dan de helft van de calorieën uit een gemiddeld westers dieet komt van UPF.

    Er is niet alleen dringend behoefte aan openbaar onderzoek dat een epidemiologische en experimentele benadering combineert om de invloed van voedselbewerking beter te begrijpen. Ondertussen moeten consumenten worden geadviseerd om 1) voedingsproducten te kiezen met een betere voedselkwaliteit volgens de normen van Nutri-Score (arm aan zout, suiker, verzadigde vetten en rijk aan voedingsvezels etc.) en 2) zich bewust te zijn van de andere maar complementaire dimensie van het voedingspatroon met betrekking tot voedselbewerking. Aangezien een voedingspatroon op basis van UPF voor goedkoper doorgaat, moet er beleid worden ontwikkeld om de toegang tot en betaalbaarheid van rauw of minimaal bewerkt voedsel te verbeteren.

    Museum voor smerig eten

    Volgens de toeristen-branche is het Disgusting Food Museum de belangrijkste bezienswaardigheid in de Zweedse stad Malmö.

    De Amerikaanse psycholoog Samuel West en de Zweedse IT’er Andreas Ahrens openden hun museum in 2018 nadat ze de wereld hadden afgespeurd naar de smerigste dingen die mensen eten. Ze moesten wel alles zelf proeven. West gaf zo vaak over dat hij de tel kwijtraakte. Ahrens vond veel van het voedsel onaangenaam, maar hij werd pas ziek nadat hij balu had geproefd,
    een Filipijnse eier-foetussnack die rechtstreeks uit de schaal wordt gegeten – veren, snavel, bloed en alles, schrijft The New Yorker. Sommige producten zijn veilig verpakt, zoals surströmming, blikjes gefermenteerde haring die alleen buiten in de open lucht geopend mogen worden. Andere gerechten maakten de curatoren zelf. Voor een Zuid-Koreaanse wijn die de ‘verse drollen’ van kinderen vereiste, schepte Ahrens de uitwerpselen van zijn achtjarige dochter op en liet die gisten met rijstwijn. Het museum, gevestigd in een keurig winkelcentrum, zet de bezoeker aan tot nadenken over wat eetbaar is. Niet alleen de smaak, ook de cultuur, traditie en economische noodzaak bepalen dat. Biologisch is walging een afweermechanisme tegen
    vergiftiging. Het museum is beschuldigd van het bevestigen van culturele vooroordelen, schrijft
    The New Yorker. Bezoekers kunnen in een fotocabine allerlei stanken opsnuiven en hun van walging vertrekkende gezicht op Instagram zetten. (Huib Stam)

    Grote stap voorwaarts

    Is kweekvlees de oplossing voor veel problemen?

    Die gedachtensprong is gauw gemaakt. Als vlees in een reactor opgekweekt kan worden zonder dat er een dier, een stal en een slachthuis aan te pas komen, dan lijkt de toekomst van de ‘cellulaire landbouw’ verzekerd en is het gedaan met de milieuvervuiling, het grondgebruik, het dierenleed en de kiloknallerij van de conventionele vleesproductie.

    De vleesindustrie is ‘onmiskenbaar schadelijk, maar politiek en maatschappelijk ook zo diep in ons bestaan verankerd dat je als hervormer niet goed weet waar je moet beginnen’, schrijft The Guardian. Maar ‘de geschiedenis wijst uit dat zulke systemen wel degelijk radicaal kunnen veranderen, zelfs binnen één generatie’.

    Richard Branson, Bill Gates en andere miljardairs investeren ruim in de nieuwe techniek. Sergey Brin van Google betaalde mee aan de ‘Maastrichtse hamburger’, het eerste stukje kweekvlees dat in 2013 met veel bombarie werd gebakken. Die kostte bij elkaar een kwart miljoen euro, het eerste obstakel. Gewoon vlees is heel goedkoop, kweekvlees kost nu 37 dollar per kilo en is pas onder de 25 dollar rendabel. Zoals de voedingsgiganten zich storten op vleesvervangers van bonen en soja, zo zullen ze ook hun dure kweekvleespatenten verdedigen en ten gelde willen maken, voorspelt de krant. Niettemin: ‘Een wereld waarin de kipnugget uit de bio-industrie wordt vervangen door een nugget uit de bioreactor zou een grote stap voorwaarts zijn voor dier en milieu.’ (Huib Stam)