Dankzij de snelle ontwikkeling van AI en de nieuwste AirPods kunnen gesprekken simultaan worden vertaald. Volgens techjournalist Brian X. Chen breekt daarmee een nieuw tijdperk aan waarin taalbarrières misschien wel voorgoed verdwijnen. Maar twee taalwetenschappers waarschuwen dat vertalen niet hetzelfde is als een taal begrijpen.
Nee: ‘Deze AI-technologie is écht bruikbaar voor een groot publiek’
‘Ik raakte laatst aan de praat met een kennis. Hij vertelde me dat hij met zijn vriendin op bezoek was geweest bij familie in Arizona. Zijn nichtje had hem meegesleept naar de bioscoop en hij werkte sinds kort bij een start-up. Hij vertelde dit allemaal in het Spaans, een taal die ik nooit heb geleerd, maar ik verstond elk woord’, schrijft techjournalist Brian X. Chen in The New York Times.
Chen kon hem verstaan omdat hij de AirPods Pro 3 droeg. De Apple-oortjes gebruiken kunstmatige intelligentie en kunnen een gesprek vertalen terwijl je het voert. ‘Dit is het beste voorbeeld dat ik tot nu toe heb gezien van AI-technologie die niet alleen naadloos werkt, maar ook écht bruikbaar is voor een groot publiek.’ Volgens Chen kan de technologie bijvoorbeeld helpen op vakantie. Zo kunnen toeristen taxichauffeurs, hotelpersoneel en luchthavenmedewerkers verstaan, ook als ze elkaars taal niet spreken.
Ook in zijn persoonlijke leven ziet hij voordelen: ‘Veel immigranten in mijn omgeving, waaronder mijn oppas en schoonmoeder, voelen zich meer op hun gemak als ze in hun moedertaal spreken, maar ze vinden het niet erg als ik in het Engels antwoord. Als ik hen ook zou kunnen begrijpen, zou dat een wereld van verschil maken.’
‘Je hoeft slechts een gebaar te maken om de digitale tolk te activeren’
Vertaalapps zoals Google Translate en Microsoft Translator bestaan al meer dan tien jaar. Gebruikers richten daarvoor de microfoon van hun telefoon op de ander en wachten tot de vertaling verschijnt of wordt uitgesproken. ‘Als je de AirPods draagt, hoef je slechts een gebaar te maken om de digitale tolk te activeren,’ jubelt de techjournalist.
‘Voor een echt vloeiend gesprek is het ideaal als beide personen AirPods dragen,’ tipt Chen. ‘Gezien de populariteit van de Apple-oordopjes – wereldwijd zijn er al honderden miljoenen verkocht – denk ik dat dat binnenkort heel gewoon wordt.’
Brian X. Chen is techjournalist bij The New York Times. Hij schrijft onder andere de rubriek Tech Fix, waarin hij ingaat op de maatschappelijke gevolgen van technologische ontwikkelingen.
Ja: ‘Humor, toon en lichaamstaal bepalen wat iemand écht bedoelt – en of die boodschap aankomt’
‘Wat ooit sciencefiction leek, is werkelijkheid geworden’, schrijven hoogleraar Taalwetenschappen Gabriel Guillén en hoogleraar Taalkunde Thor Sawin aan het Middlebury College in The Conversation. Dankzij AI, zoals de vertaalfunctie in Apples nieuwe AirPods, lijkt het leren van een vreemde taal steeds minder noodzakelijk. Zonde, vinden de taalwetenschappers. ‘We hebben onze carrières gewijd aan dit vakgebied omdat we geloven in de toegevoegde waarde van het leren en spreken van een vreemde taal.’
Het is niet de eerste keer dat technologie het taalonderwijs op zijn kop zet. Apps zoals Duolingo probeerden door middel van gamificatie het leren van een taal toegankelijker te maken, maar volgens Guillén en Sawin slagen zulke platforms er nog altijd niet in het sociale karakter van taal volledig na te bootsen. AI is daar volgens hen evenmin toe in staat.
Volgens de hoogleraren is de vertaaltechnologie vooral nuttig bij korte, praktische interacties. Denk aan uitchecken in een hotel, een treinkaartje kopen of de weg vragen aan een local. Elke combinatie van talen, gebaren of AI-hulpmiddelen kan daarbij helpen, schrijven ze.
‘Iemand die de moeite neemt om een taal te leren, straalt respect en betrokkenheid uit’
Maar volgens Guillén en Sawin gaat menselijke interactie in veel gevallen over meer dan alleen woorden. Een gesprek met je schoonfamilie of een belangrijke presentatie op je werk draait niet alleen om informatieoverdracht, maar ook om vertrouwen, sociale codes en context. ‘Humor, toon en lichaamstaal bepalen wat iemand écht bedoelt – en of die boodschap aankomt. Bovendien straalt iemand die de moeite neemt om een taal te leren respect en betrokkenheid uit.’
Daarnaast wijzen de onderzoekers op de cognitieve voordelen van meertaligheid, zoals meer mentale flexibiliteit, creatiever denken en het hebben van minder vooroordelen. ‘Het leren van een taal ontwikkelt precies de vaardigheden die in het AI-tijdperk steeds belangrijker worden.’
Gabriel Guillén is hoogleraar Taalwetenschappen en Thor Sawin is hoogleraar Taalkunde aan Middlebury College in Vermont.
Estland voert een grootschalige onderwijshervorming door waarbij al het openbare onderwijs in het Ests moeten worden gegeven. De maatregel moet de integratie van de Russische minderheid bevorderen en de invloed van het buurland beperken, maar stuit op veel kritiek binnen de Russischtalige gemeenschap.
Toen in september 2024 in Estland het nieuwe schooljaar begon, hoorden sommige leerlingen ’s ochtends bij de begroeting plotseling een andere taal dan voor de zomervakantie. In plaats van zoals gebruikelijk met het Russische Zdravstvujte, werden de leerlingen van de eerste en vierde klas van de vijftig Russischtalige scholen in het Ests verwelkomd met de woorden Tere tulemast, die in grote letters op het schoolbord stonden geschreven.
Estland, dat in het oosten aan Rusland en in het zuiden aan Letland grenst, staat momenteel voor een van de grootste onderwijshervormingen na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991, toen het land onafhankelijk werd. Het hele openbare onderwijs moet overschakelen op het Ests, terwijl tot nu toe op ruim 10 procent van de scholen het onderwijs bijna volledig in het Russisch werd gegeven. Het vorig jaar begonnen proces moet in 2030 zijn voltooid.
Doel van de hervorming is het deel van de bevolking dat Russisch als moedertaal heeft beter te integreren.
Kolonisatie van binnenuit
In Mr. Nobody Against Putin volgt de camera geen dissident met megafoon, maar een ‘niemand’: Pavel ‘Pasha’ Talankin, videograaf op een school in Karabash, een industriestad in de Oeral. Nadat Rusland Oekraïne binnenvalt, moet hij in opdracht van de staat steeds meer ‘patriottische’ activiteiten vastleggen: ceremonieën, lessen die de oorlog legitimeren, en een langzaam normaliserende militarisering van het klaslokaal. Talankin filmt braaf mee — en begint tegelijk heimelijk te archiveren wat er werkelijk gebeurt: hoe onderwijs in propaganda kan kantelen, hoe kinderen leren wat loyaal gedrag is, en hoe volwassen cynisme en jeugdige overgave naast elkaar bestaan, aldus The New Yorker.
De film (mede geregisseerd door David Borenstein) werd in januari 2025 op Sundance vertoond en won daar een Special Jury Award. In januari 2026 kreeg hij brede internationale aandacht door een Oscarnominatie voor Beste Documentaire, terwijl distributeur Kino Lorber de Noord-Amerikaanse rechten verwierf. The Guardian sprak van ‘een zeldzaam en fascinerend verslag van hoe Poetins imperialistische dogma doordringt in het provinciale Russische leven’. Volgens Slant Magazine legt de documentaire ‘scherp bloot (…) welke tol propaganda eist van gewone individuen en gemeenschappen’.
Ongeveer 25 procent van de krap 1,4 miljoen inwoners van Estland behoort tot de Russische minderheid, een erfenis uit de Sovjettijd. Met degenen die Russisch spreken omdat ze Oekraïense of Wit-Russische wortels hebben erbij geteld kom je op 30 procent. Het Ests beheersen ze niet of nauwelijks.
Terwijl er mensen zijn die vinden dat om de maatschappelijke kloof in het land te dichten de taalhervorming al veel eerder had moeten plaatsvinden, hebben anderen kritiek. Volgens hen wordt de hervorming geforceerd doorgevoerd en wordt er geen rekening gehouden met de Russischsprekende bevolking. Want de vermeende integratiemaatregel is natuurlijk ook een poging zich af te zetten tegen de Russische buurman: veel Russischsprekenden krijgen hun informatie nog steeds via media die Kremlinpropaganda verspreiden. De taalhervorming op de scholen is een strijd tegen de Russische invloed in het land.
Politiek speerpunt
Kristina Kallas (48), zelf van Ests-Russische afkomst, is ruim een jaar minister van Onderwijs. Ze heeft de integratie en rechten van minderheden tot haar politieke speerpunt gemaakt, en nu is het haar taak Estland te ontdoen van de Sovjeterfenis in het onderwijs. Daarvoor reist ze kriskras door het land, bezoekt scholen en geeft tussendoor Zoom-interviews vanaf de achterbank van haar dienstauto.
‘De Russische scholen dateren uit de jaren vijftig, toen de Sovjet-Unie de huidige Baltische staten bezet hield,’ vertelt Kallas tijdens een van die ritten. Uit de hele Sovjet-Unie bracht Rusland immigranten als arbeidskrachten naar het kleine land. Voor hen werden aparte scholen naar Russisch voorbeeld opgezet. ‘Toen de Sovjet-Unie in 1991 uiteenviel, hadden we opeens honderd scholen die niet bij ons hoorden,’ zegt ze. Daarom zijn ze door de regering in het Estse systeem opgenomen. Wat buiten schot bleef, waren de taal waarin het onderwijs werd gegeven en de leerkrachten: ‘Opeens moesten Sovjetleraren Estse geschiedenis gaan geven, en dat werkte gewoon niet.’
Er zijn steeds pogingen gedaan om deze scholen naar het Ests te laten overgaan. Bijvoorbeeld toen de regering in 2011 besloot vanaf de tiende klas minimaal 60 procent van de lessen in het Ests te geven. ‘Rusland probeerde er destijds een schandaal van te maken door dat als assimilatie en apartheid te bestempelen,’ zegt Kallas. Daarom heeft de politiek het besluit teruggedraaid. Maar na de Russische inval in Oekraïne in februari 2022 is de situatie fundamenteel veranderd. ‘Rusland heeft het recht verspeeld om namens de Russische gemeenschappen te spreken,’ aldus Kallas.
Zeker sinds 2022 neemt een steeds groter deel van de Russen in Estland afstand van Poetin. Uit een enquête van de Friedrich-Ebert-Stiftung in mei 2023 bleek dat twee derde van de Russischsprekende respondenten in het land ontevreden is over Poetins beleid, ook al staat deze groep duidelijk ambivalenter tegenover de oorlog dan de autochtone Estse bevolking. Kallas ziet een kans om de hervorming eindelijk te realiseren. ‘Voor ons was het nu of nooit.’
Naar taal verdeeld
Estland is zowel geografisch als sociaaleconomisch sterk naar taal verdeeld. De Russische minderheid woont voornamelijk vlak bij de Russische grens in het noordoosten en in de hoofdstad Tallinn. In Lasnamäe, de dichtstbevolkte wijk van Tallinn die in de jaren zeventig werd aangelegd als prefabwoonwijk voor immigranten, is nog altijd meer dan de helft van de bewoners Russisch. In de grensstad Narva, de vierde stad van het land, is dat zelfs bijna 90 procent.
Veel Russischsprekenden missen carrière- en doorgroeikansen omdat ze onvoldoende kennis van het Ests hebben. Om aan een universiteit te studeren, is een goede kennis van de landstaal vereist. Ook in veel beroepen is dat een basisvoorwaarde. En terwijl steeds meer Esten ook Engels en andere vreemde talen leren, is 40 procent van de Russen in Estland aangewezen op zijn moedertaal. Dat heeft ook consequenties op sociaaleconomisch terrein. Estse inwoners van Russische afkomst zijn vaker werkloos, hebben gemiddeld een lager inkomen en beoordelen hun eigen gezondheid over het algemeen als slechter. Ook op cultureel gebied zijn Russen in Estland op basis van hun aandeel in de bevolking veelal ondervertegenwoordigd.
Midden in de hippe wijk Kalamaja in Tallinn, waar kleurige houten huizen keurig naast elkaar staan, bevindt zich bar Heldeke. Het is een van de belangrijkste locaties van het jaarlijks georganiseerde theater- en performancefestival Tallinn Fringe, dat overal in de stad kleinkunstvoorstellingen geeft, variërend van straattheater, concerten en stand-upcomedy tot cabaret en burleske.
Afgelopen jaar was er onder andere een twee weken durend minicomedyfestival, georganiseerd door Jana Levitina. Levitina is afkomstig uit de Russische minderheid in het oosten van het land en heeft ook Joodse en Oekraïense roots. De helft van het programma was in het Engels, de andere helft in het Russisch. In het laatste deel traden vooral komieken op die Rusland, Wit-Rusland of Oekraïne vanwege de oorlog of om politieke redenen hebben moeten verlaten. ‘We hebben daarmee een nieuw publiek aangeboord, maar de respons was helaas niet om over naar huis te schrijven,’ vertelt Levitina.
Geïsoleerd
‘Het probleem is dat de Russischsprekende scene heel geïsoleerd is en daardoor nogal wordt beïnvloed door Russische expats en komieken.’ Levitina, wier moedertaal Russisch is, treedt daarom bijna uitsluitend in het Engels op. Maar ze vindt het wel belangrijk om het Russischsprekende publiek bij culturele evenementen te betrekken. Daar is geld voor nodig, en dat wordt nu ook voor Rusland-kritische projecten steeds schaarser.
In het kader van de 5 procent-doelstelling van de NAVO is Estland van plan tot 2029 meer dan 10 miljard euro aan defensie uit te geven. Daardoor moet het ook op onderwijs bezuinigen. Uitgerekend bij de taalhervorming kan volgens het ministerie van Onderwijs gemakkelijk geld worden bespaard. Voor de zekerheid had het eerder een wat hoger budget vastgesteld, maar dat zou met 18 miljoen euro kunnen worden gekort zonder dat het tot ingrijpende tekorten in de uitvoering zou hoeven leiden. Hoe dat precies werkt, blijft in de toelichting van het ministerie echter vaag.
Naast het Ests ook het Russisch tot officiële taal maken, is in de Estse politiek nooit een optie geweest. De gedwongen overstap naar uitsluitend Ests creëert echter ook potentieel voor binnenlandse politieke conflicten. De Estse Centrumpartij is al decennia een vergaarbak voor een groot deel van de Russische kiezers. In 2004 sloot de partij zelfs een samenwerkingsovereenkomst met Verenigd Rusland, de Russische regeringspartij, een overeenkomst die pas in 2022, na de Russische inval in Oekraïne, werd beëindigd.
Harde anti-Russische koers
De huidige EU-buitenlandvertegenwoordiger Kaja Kallas was toen premier. Al vóór de Russische invasie in Oekraïne koos zij voor een harde anti-Russische koers. Haar vastberaden steun aan Kyiv leverde haar destijds politiek veel waardering op. Zij was ook degene die de huidige onderwijshervorming op gang bracht. Toen haar toenmalige coalitiepartner, de Centrumpartij, weigerde op alle kleuterscholen onderwijs in het Ests verplicht te stellen, stuurde ze al hun ministers naar huis en zocht ze nieuwe partners.
Ondanks het polariserende potentieel is de algemene houding ten opzichte van de taalwisseling op scholen al met al positief. Uit een overheidsenquête vóór het begin van de hervorming bleek dat 96 procent van alle autochtone Esten en maar liefst 70 procent van de inwoners van Russische afkomst de maatregelen steunden. Niettemin biedt de hervorming het Kremlin tal van aanknopingspunten voor zijn propaganda.
Een van de mensen die de Russische propaganda het hoofd wil bieden, is Ilja Dotšar (36). Hij werkt in Tallinn als redacteur voor de Russischtalige tak van de Estse publieke omroep ERR, waar hij verantwoordelijk is voor de internationale radionieuwsdienst. In het centrum van Tallinn werkt hij in een historisch gebouw uit de jaren veertig met een bruine stenen gevel en opvallend stucwerk in het trappenhuis. In het gebouw bevinden zich lichte, van moderne techniek voorziene redactieruimtes.
Naast het onlineaanbod heeft Estland drie staatstelevisiezenders en vijf radiokanalen, waarvan er steeds één in het Russisch uitzendt. ‘We hebben het grootste Russische mediasegment van de hele EU,’ zegt Dotšar. Het Russische programma onderscheidt zich volgens hem vooral qua toon en focus: ‘We brengen bijvoorbeeld veel nieuws uit regio’s waar de mensen overwegend Russisch spreken.’ Daarnaast hebben ze tweetalige formats, bijvoorbeeld het nieuwsprogramma Aktuaalne kaamera, een naam die is afgeleid van Aktuelle Kamera, de staatsnieuwsuitzending in de voormalige DDR; ook zo’n relict uit de Sovjettijd. Maar aan het Russisch-talige programma van de publieke omroep wordt momenteel niet getornd. ‘We moeten de mensen in het land op de hoogte houden,’ bepleit ook Dotšar. Want behalve Russen wonen er in Estland ook veel Oekraïners, onder wie een groot aantal vluchtelingen die inmiddels meer dan 5 procent van de bevolking uitmaken.
In Estland is een breed Russischtalig media-aanbod daarom voor de integratie geen nice-to-have, maar een must-have. Toen Rusland Oekraïne was binnengevallen, werd in Estland de toegang tot Russische tv-zenders geblokkeerd. ‘Maar je hebt altijd nog Telegram, Facebook en satelliettelevisie,’ zegt Dotšar. Op sommige plekken heeft dat inmiddels tot een echte strijd om de informatiehegemonie geleid. Een van die plekken is Narva. Op 9 mei, Bevrijdingsdag, de dag dat Rusland het einde van de Tweede Wereldoorlog herdenkt, liet Rusland vanuit de aangrenzende stad Ivanogorod keiharde propagandamuziek over het grensgebied schallen en moedigde het de mensen aan mee te zingen. De Estse regering gaat er regelmatig tegenin met eigen concerten, zoals afgelopen zomer met Songfestivalstar Tommy Cash, die behalve Estse ook Russisch-Oekraïense roots heeft. Maar deze wederzijdse provocaties vallen in het niet vergeleken met wat militaire experts het ‘Narva-scenario’ noemen: een mogelijke Russische aanval vanuit de grensstad op Estland, of zelfs op alle Baltische staten.
Weliswaar houdt op dit moment niemand daar openlijk rekening mee, maar het recente binnendringen van Rusland in het NAVO-luchtruim heeft de angst voor een verdere escalatie vergroot. Eerst waren het de Russische drones die begin september boven Polen werden neergeschoten. September dit jaar vlogen drie Russische gevechtsvliegtuigen twaalf minuten lang door het Estse luchtruim, volgens EU-buitenlandvertegenwoordiger Kallas een ‘ernstige provocatie’. De Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, Michael Waltz, wees er nadrukkelijk op dat de VS samen met hun bondgenoten ‘elke centimeter van het NAVO-grondgebied’ zullen verdedigen. In dat kader versterkt het bondgenootschap zijn oostflank en wil Duitsland de bestaande missie ter bewaking van het Poolse luchtruim verder uitbreiden.
Geen paniek
Voor Dotšar is het wapengekletter van Moskou vooralsnog geen reden tot paniek. ‘Dat is niets nieuws. Rusland was in het verleden al veel agressiever,’ zegt hij. Volgens gegevens van de Estse luchtmacht hebben er sinds 2014 meer dan veertig Russische schendingen van het Estse luchtruim plaatsgevonden. Maar helemaal koud laat de situatie hem ook weer niet: ‘De spanning stijgt.’ Dotšar groeide op in een Ests-Russisch gezin en ging naar een Russischtalige school. ‘De lessen Ests waren destijds vreselijk en ik had helemaal geen zin om de taal te leren,’ herinnert hij zich. Pas vijf jaar na zijn afstuderen probeerde hij het opnieuw. ‘Ik woon in Estland en ben Ests staatsburger – het zou toch vreemd zijn als ik geen Ests sprak,’ zegt hij. Ondanks deze late start had hij sociaal en op de arbeidsmarkt geen problemen, maar veel van zijn vrienden wel.
Zijn mening over de schoolhervorming is dubbel. Het principe vindt hij juist, maar met de uitvoering heeft hij moeite.
‘Ik heb op de partij van Kristina Kallas gestemd, maar ben erg teleurgesteld’ zegt hij. Voor haar benoeming streefde ze naar een inclusief schoolmodel dat Estse en Russische kinderen bij elkaar moest brengen. ‘Toen ze minister werd, heeft ze dat gewoon overboord gegooid.’ Bovendien presteerden leerlingen in de eerste klassen die op het Ests waren overgestapt relatief heel slecht.’
Hervorming
Dit jaar slaagde in Tallinn 70 procent van de vierdeklassers met een andere moedertaal dan het Ests niet voor de taaltest Ests of voor toetsen in andere vakken. Bovendien worden er voortdurend leerkrachten ontslagen. Kallas gaat ervan uit dat in het kader van de hervorming een op de zeven leraren moet worden vervangen; dat zouden in totaal 2500 leraren zijn. Sinds dit schooljaar moeten ze, om les te mogen blijven geven, het Ests namelijk minimaal beheersen op niveau B2, waarvoor je de taal bijna vloeiend moet kunnen spreken en schrijven. In de praktijk is vaak zelfs een nog hoger niveau vereist. Veel leerkrachten aan de scholen waarop de hervorming betrekking heeft, hebben deze kwalificatie niet behaald. Omdat zij geen ambtenaar zijn, zijn hun contracten niet verlengd. Sommigen zaten toch al vlak voor hun pensioen, anderen moeten nu van beroep veranderen. Vaak worden ze vervangen door minder ervaren mensen of zij-instromers.
Irene Käosaar is pedagoog en in Narva rector van drie scholen. Als kind van Ests-Russische ouders is ze tweetalig opgegroeid. Ze staat nog steeds positief tegenover de hervorming. ‘In het begin dacht ik dat het moeilijker zou zijn, maar in Narva en Tallinn konden we genoeg basisschoolleraren vinden,’ zegt ze. Belangrijk is vooral het vertrouwen van de ouders dat ze hier ervaart. ‘Natuurlijk hebben ze veel vragen en maken ze zich zorgen, maar tot nu toe loopt alles goed.’
Letland als voorbeeld
Estland staat met zijn taalhervorming niet alleen. Ook in het iets grotere Letland, met zijn 1,85 miljoen inwoners, waar ruim 23 procent van de bevolking Russisch is, bestonden als overblijfsel uit de Sovjettijd lange tijd Russischtalige scholen.
In 2004 besloot de regering in Riga deze scholen tweetalig te maken en het onderwijs voor 60 procent in het Lets en voor 40 procent in het Russisch te geven. Ondanks verzet van de Russische minderheid werd de hervorming grotendeels doorgezet. In 2018 ging Letland zelfs nog een stap verder en liet het Russisch als onderwijstaal op particuliere universiteiten verbieden. Bovendien werd het percentage Letstalig onderwijs op minderheidsscholen verhoogd. Sinds september 2025 is het onderwijssysteem volledig op het Lets overgegaan.
Anders dan Estland heeft Letland nog twee andere officiële talen: het Lijfs en het Letgaals. Terwijl het Lijfs tot de Oeraalse talen behoort en bijna is verdwenen, is het Letgaals nauw verwant aan het huidige Lets en wordt het gedeeltelijk als een ouder dialect beschouwd. In 2016 stemde de Letse bevolking in een referendum tegen het aanwijzen van Russisch als vierde officiële taal.
Om leerkrachten naar de regio te halen zijn de salarissen hier aanzienlijk verhoogd. ‘Ze verdienen nu gemiddeld ongeveer de helft meer,’ zegt Käosaar. Tot nu toe werkt deze prikkel goed. Maar de grootste uitdaging moet nog komen: vanaf volgend jaar zijn er vooral in het middelbaar onderwijs meer leraren met de vereiste talenkennis nodig. Toch vindt de rector het belangrijk dat de hervorming snel wordt doorgevoerd: ‘Het gaat snel, het vergt inspanning en we hebben geld en andere hulpmiddelen nodig, maar we moeten er nu tegenaan.’
Van de slechte resultaten in Tallinn is Käosaar niet onder de indruk. ‘Vroeger hadden we die toetsen niet, dus kunnen we ze ook nergens mee vergelijken.’ Betrouwbare analyses zullen pas na verloop van tijd beschikbaar komen. Toch heeft ook zij wel reserves bij het nieuwe systeem. ‘De hervorming draait alleen om de taal, en niet om hoe we kinderen beter kunnen integreren,’ constateert ze. Er is daarom niet in de laatste plaats sprake van politieke afwegingen. Afwegingen die er ook op gericht zijn de Russische taal en cultuur in het land terug te dringen: ‘Thuis blijven ze natuurlijk Russisch spreken, maar mogelijk gaat een deel van hun culturele identiteit toch verloren.’
Stemrecht
Want ook al beweert het ministerie van Onderwijs dat mensen hun taal niet wordt afgenomen en dat ze er juist een taal bij krijgen, niet iedereen is door dit argument overtuigd. Vooral niet nu de regering in maart heeft besloten niet-EU-burgers het stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen te ontnemen. Het zwaarst hierdoor getroffen zijn de ongeveer 83.000 mensen met een Russisch paspoort die niet ook staatsburger van Estland zijn.
Dat Moskou de taalhervorming zou kunnen aangrijpen om Estland nog meer tot doelwit van een hybride oorlogsvoering te maken, gelooft de regering – officieel althans – niet. ‘Rusland is te druk met Oekraïne om ook nog ruimte te hebben om iets in Estland te ondernemen,’ meent Kristina Kallas. Maar de recente dreigingen vanuit het Kremlin spreken in elk geval symbolisch een iets andere taal.
Een zekere basisstress is in Estland inmiddels een permanent gegeven. Iedereen weet maar al te goed dat Estland een van de kwetsbaarste punten van de EU en de NAVO is. In het Narva-scenario duurt het maximaal zestig uur voordat Russische troepen Tallinn en Riga bereiken. Misschien moeten we het demonstratieve optimisme waarmee de regering de onderwijshervorming aanpakt zien als een analogie van de basisstress waarmee ze naar de Russische dreiging kijkt: alles komt goed, het zal wel moeten.
De twee andere genomineerden waren aura farming en biohack
Merk je dat je steeds bozer wordt als je door je feed op sociale media scrolt? Zo ja, dan ben je misschien wel het slachtoffer geworden van rage bait. Deze term is door Oxford University Press uitgeroepen tot woord van het jaar, schrijft de BBC.
Het begrip beschrijft manipulatieve tactieken die gebruikt worden om online engagement te stimuleren. Het gebruik ervan is de afgelopen twaalf maanden verdrievoudigd, aldus de uitgever van het Oxfordwoordenboek. Rage bait versloeg twee andere genomineerde termen – aura farming en biohack – in de strijd om de titel.
Volgens Oxford University Press, uitgever van de Oxford English Dictionary, wordt rage bait gedefinieerd als online content die opzettelijk is ontworpen om woede of verontwaardiging op te wekken door frustrerend, provocerend of aanstootgevend te zijn. Dergelijke content wordt meestal geplaatst om meer bezoekers naar websites of sociale media-accounts te lokken.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Rage bait is vergelijkbaar met zijn internetverwant clickbait, waarbij een kop wordt gebruikt om een lezer te verleiden een artikel of video te bekijken. Rage bait-content is echter specifieker gericht op het prikkelen van mensen, aldus de Britse nieuwszender.
Cambridge Dictionary heeft parasociaal uitgeroepen tot het woord van 2025, gedefinieerd als een relatie die iemand voelt met een beroemdheid die hij of zij niet kent. Een voorbeeld hiervan is de interesse die fans toonden toen popster Taylor Swift en American footballer Travis Kelce hun verloving bekendmaakten.
Collins Dictionary koos ondertussen voor vibe-coding, de kunst van het maken van een app of website door deze te laten beschrijven door kunstmatige intelligentie in plaats van zelf handmatig programmeercodes te schrijven.
Talen zijn schatkamers van wijsheid die generaties lang zijn doorgegeven. Maar klimaatrampen en het verlies van biodiversiteit bedreigen het voortbestaan van talen over de hele wereld.
Al generaties lang woont de familie van Lars Miguel Utsi in het dorpje Jokkmokk in Noord-Zweden, waar van oudsher rendieren worden gehouden. In dit deel van de wereld waar de meesten van ons slechts een eindeloze witte sneeuwvlakte zouden zien, ontwaart Utsi in het landschap minutieuze details. Hij herkent de subtiele kenmerken van het bevroren terrein die zo cruciaal zijn voor zijn bestaan.
De Sami, Europa’s enige erkende inheemse groep, wonen hier al duizenden jaren en hun taal weerspiegelt hun diepe band met het land. De negen Samische talen die nog in gebruik zijn, hebben een uitgebreide woordenschat voor sneeuw: van åppås, onaangeroerde wintersneeuw zonder sporen, tot habllek, lichte, poederachtige sneeuw en tjaevi, vlokken die aan elkaar plakken en waar moeilijk in te graven is. Hun terminologie om rendieren te beschrijven is nog gedetailleerder en wordt gebruikt om de dieren te classificeren op basis van geslacht, leeftijd, kleur, vruchtbaarheid, tamheid en meer. Een reandi is bijvoorbeeld een mannelijk rendier met een lang gewei, ruvggáladat een rendier dat is weggelopen van de kudde, en čearpmat-eadni ‘een vrouwelijk rendier dat haar kalf van dit jaar heeft verloren, maar vergezeld wordt door het kalf van vorig jaar’.
Maar rendierhouders zoals Utsi merken hoe snel hun taal verdwijnt en hoe snel hun landschap verandert. Hoewel Noord-Samisch zijn moedertaal is, is hij zich scherp bewust van de hiaten in zijn woordenschat: sommige termen lijken de sprong van generatie op generatie niet te maken. ‘Als je met een ouder iemand praat, hoor je een rijkere taal. Ze hebben meer woorden voor de natuur, voor landschapsvormen, dieren en vooral rendieren. En ze kennen veel meer woorden voor sneeuw,’ zegt Utsi, voormalig voorzitter van de taalraad en vicevoorzitter van het Samisch parlement van Zweden. ‘Het is treurig.’
Eén woord illustreert in het bijzonder wat er op het spel staat: het Noord-Samische ealat, dat volgens Utsi ruwweg vertaald kan worden als ‘de ideale omstandigheden voor rendieren om korstmos te vinden om te grazen’. Het is een term die zich moeilijk laat vertalen, een complex begrip dat impliceert dat diverse factoren (planten, sneeuw, geografie, korstmossen en rendieren) met elkaar in harmonie zijn. ‘Tegenwoordig wordt het steeds minder gebruikt, omdat we die omstandigheden niet zo vaak meer zien,’ zegt Utsi.
Bedreigde talen
Jokkmokk is een belangrijk centrum voor rendierhouderij in Zweden, gelegen in de regio Lapland – of Sápmi, in het Noord-Samisch. Dit gebied beslaat delen van Noord-Noorwegen, Zweden, Finland en de Russische oblast Moermansk. De inheemse Sami hier zijn bijzonder kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering: wetenschappers stellen dat het Arctisch gebied bijna vier keer zo snel opwarmt als de rest van de wereld.
In de loop der eeuwen hebben rendieren zich aangepast aan de barre klimatologische omstandigheden van de regio; ze ontwikkelden schopvormige hoeven waarmee ze korstmos en andere planten onder de sneeuw kunnen opgraven. Maar door stijgende temperaturen valt er meer regen dan sneeuw, waardoor de grond verijst en het graven voor rendieren onmogelijk wordt. Vroege dooi leidt tot ongebruikelijke overstromingen voor het seizoen, wat het hoeden bemoeilijkt en de voedselvoorraad vernietigt. Onderzoek toont aan dat de rendierbiotopen in de afgelopen eeuw met 70 procent zijn afgenomen, deels doordat gebieden onder water werden gezet voor waterkrachtcentrales.
‘Als je met een ouder iemand praat, hoor je een rijkere taal’
Deze veranderingen bedreigen zowel de wilde dieren als de culturele praktijken van de rendierhouderij die al generaties lang bepalend zijn voor de levenswijze van de Sami. Tegelijkertijd voeren de rendierhouders nog een andere strijd: het verlies van hun talen. Zweden en Finland hebben onlangs plannen gepresenteerd om de financiering voor de Sámi Giellagáldu in te krimpen, een orgaan dat is opgericht om de Sami-talen te beschermen en te behouden. De Unesco beschouwt alle negen resterende Sami-talen als bedreigd. Het Noord-Samisch is de meest gesproken taal, met naar schatting twintig- tot dertigduizend sprekers, terwijl het Ume-Samisch vermoedelijk nog maar amper vijftig sprekers kent.
Hoewel de achteruitgang van de Sami-talen verschillende complexe oorzaken heeft, weerspiegelt het in het algemeen de teloorgang van hun traditionele levenswijze. Rendierhouders zoals Utsi hebben er letterlijk geen woorden voor als ze worden geconfronteerd met hun veranderende omgeving. Dit duidt op een onzekere toekomst: wat blijft er over als de dingen waar je woorden voor hebt langzaam verdwijnen? De Sami-talen zijn gevormd door hun omgeving en vanuit de noodzaak om te overleven in barre omstandigheden. Als ze zouden uitsterven, zouden ook de diepgewortelde kennis en expertise die generaties lang zijn doorgegeven verloren kunnen gaan.
Het verband tussen taal en natuur
Wetenschappers en taalkundigen hebben een opvallend verband ontdekt tussen de biodiversiteit en de talen in de wereld. Gebieden die rijk zijn aan biologische diversiteit blijken ook vaak een grote taalkundige diversiteit te kennen, oftewel een hoge concentratie van talen. Hoewel het verband nog niet volledig is geduid, wijst de sterke geografische correlatie erop dat beide vormen van diversiteit door verschillende factoren (ecologisch, sociaal, cultureel) worden beïnvloed, en bovendien in zorgwekkend tempo afnemen. Deze gebieden hebben vaak het meest te lijden van de klimaatcrisis. Waar planten- en diersoorten verdwijnen, volgen talen, dialecten en unieke uitdrukkingen vaak eenzelfde patroon van achteruitgang.
Bij een hotspot voor biodiversiteit denk je misschien eerder aan het Braziliaanse Amazonegebied of de bossen van Tanzania dan aan het Noordpoolgebied. Toch speelt dat een cruciale rol in het reguleren en stabiliseren van het klimaat op aarde, en in de ondersteuning van al het leven op onze planeet. Wetenschappers plachten te zeggen: ‘Wat in het Noordpoolgebied gebeurt, blijft niet in het Noordpoolgebied.’ Elke verstoring van deze habitat heeft verstrekkende gevolgen voor de mensheid.
Verzet tegen dominantie wereldwijde talen
Van de zevenduizend talen die er in de wereld worden gesproken, verdwijnen er elk jaar ongeveer negen. Volgens ‘optimische schattingen’ van de Unesco kan het zelfs zo zijn dat de helft van alle talen ter wereld tegen het einde van deze eeuw zal zijn uitgestorven.
Sommige talen verdwijnen met hun laatste sprekers, terwijl andere talen nauwelijks nog worden gebruikt. Ouders geven hun moedertaal niet meer door aan hun kinderen, woorden raken in de vergetelheid en steeds minder mensen kunnen hun eigen schrift nog lezen. Vaak kiezen mensen ervoor een gangbare taal te spreken die meer perspectieven biedt op een baan. Maar de laatste tijd groeit ook het verzet tegen de dominantie van wereldwijd gesproken talen die lokale tradities verdringen.
De Nigeriaanse taalactivist Tochi Precious Friday is bezorgd over het uitsterven van het Igbo in haar land en werkt samen met de organisatie Wikitongues aan het documenteren van woorden, betekenissen en gebruiksvormen. Tegen The Guardian zegt ze: ‘Het gaat ook om de geschiedenis die eraan verbonden is, en de cultuur. Als een taal sterft, sterft alles wat ermee verbonden is.’
Amrit Sufi uit India doet hetzelfde voor het Angika, een taal met zeven miljoen sprekers die nauwelijks nog wordt geschreven of onderwezen, en daardoor met de ondergang wordt bedreigd. Het Angika zou ‘inferieur’ zijn ten opzichte van het Hindi, dat met 600 miljoen sprekers na het Engels en het Mandarijn de meest gesproken taal ter wereld is.
Inheemse gemeenschappen hebben een diepe band met het land dat ze al generaties lang bewonen, en die wordt weerspiegeld in de talen die ze spreken, de manier waarop ze over het landschap praten en de woorden die ze geven aan de overtuigingen en gebruiken die hun talen mede hebben gevormd. Als hun band met het land onder druk komt te staan, lijden hun talen daar automatisch ook onder. Vanuatu bijvoorbeeld, een eilandengroep in de Stille Zuidzee met de hoogste taaldichtheid ter wereld (110 talen op 12.190 vierkante kilometer), herbergt 138 bedreigde planten- en diersoorten. Het land is bijzonder kwetsbaar voor zeespiegelstijging en klimaatgerelateerde natuurrampen. Wetenschappers waarschuwen dat de klimaatcrisis de genadeslag dreigt te worden voor veel inheemse talen, nu kustgemeenschappen gedwongen worden te verhuizen.
Als gemeenschappen niet langer kunnen vertrouwen op hun land, worden ze mogelijk gedwongen te verhuizen naar gebieden waar hun talen niet worden gesproken. Ze laten dan niet alleen hun moedertaal achter, maar ook alle wijsheid die erin besloten ligt. Ook zijn er aanwijzingen dat wanneer een taal ‘achteruitgaat’, bijvoorbeeld door economische of sociale factoren, mensen geleidelijk aan minder aandacht hebben voor het land. Als talen verdwijnen, gaat ook de traditionele ecologische kennis die ze bevatten verloren. Inheemse gemeenschappen wijzen dan ook steeds vaker op de onlosmakelijke band tussen taal en biodiversiteit als bewijs dat mensen niet losstaan van de natuur, maar er juist onlosmakelijk deel van uitmaken.
Diversiteit in kaart gebracht
Begin jaren negentig, toen natuurbeschermers begonnen te waarschuwen voor de alarmerende afname van biodiversiteit, bestudeerde taalkundige Luisa Maffi het verdwijnen van talen wereldwijd. Ze realiseerde zich dat deze twee trends mogelijk verband met elkaar hielden. ‘Opeens drong het tot me door: dit zijn allemaal vormen van diversiteit van leven op aarde,’ vertelt Maffi vanuit haar huis in Brits-Columbia (Canada). ‘Diversiteit in de natuur, maar ook de diversiteit van menselijke culturen en talen. Ze zijn met elkaar verbonden, verweven en wederzijds van elkaar afhankelijk. Wat er met de ene component gebeurt, beïnvloedt dus wat er met de andere gebeurt.’
Al snel ontdekte ze dat ze niet de enige was die tot deze conclusie was gekomen. In 1988 verklaarde het Eerste Internationale Congres voor Etnobiologie in het Braziliaanse Belém dat er ‘een onlosmakelijke band bestaat tussen culturele en biologische diversiteit’. Na een congres in 1995, waar Maffi David Harmon ontmoette, een natuurbeschermer die onderzoek deed naar deze ‘samenvallende uitstervingscrisis’, richtten de twee de non-profitorganisatie Terralingua op. Volgens de website richt deze organisatie zich op ‘bioculturele diversiteit’, een term die zij extra bekendheid gaven en die uitdrukt hoe ‘biodiversiteit, culturele diversiteit en taalkundige diversiteit allemaal met elkaar verbonden zijn’.
Gegevens over de talen van de wereld waren destijds moeilijk te vinden. Een van de weinige uitgebreide databases was The Ethnologue, waarin vanaf 1951 talen werden gecategoriseerd. Talen veranderen snel, en er bestaat niet altijd consensus over waar de ene taal ophoudt en de andere ontstaat. Daarom creëerde Terralingua de Index of Linguistic Diversity, die op hun website wordt omschreven als de ‘allereerste kwantitatieve maatstaf voor trends in de wereldwijde taalkundige diversiteit’. Deze index toonde aan dat de mondiale taalkundige diversiteit van 1970 tot 2005 met naar schatting 20 procent was afgenomen, waarbij inheemse talen het zwaarst waren getroffen. Als we deze gegevens naast die over biodiversiteit leggen, zien we iets onthullends. De trends in taalverlies weerspiegelen nauw de afname van de mondiale biodiversiteit. De Living Planet Index van het Wereld Natuur Fonds stelde vast dat in diezelfde periode planten- en diersoorten gemiddeld met 27 procent afnamen.
‘Taalkundige diversiteit wordt in feite gebruikt als maatstaf voor culturele diversiteit’
De Index of Linguistic Diversity van Terralingua bouwde voort op eerder werk van Harmon en Jonathan Loh, een wetenschapper die gespecialiseerd is in mondiale biologische en culturele diversiteit; dat werk wees op verbanden tussen de staat van ’s werelds taalkundige diversiteit en die van de biodiversiteit. In 2012 onthulde een studie in Proceedings of the National Academy of Sciences dat biodiversiteitshotspots en wilde natuurgebieden met een hoge biodiversiteit de thuisbasis zijn van 70 procent van de wereldtalen. De studie benadrukte ook dat veel van deze talen endemisch zijn in hun regio en met uitsterven worden bedreigd, en wees op de parallelle afname van mondiale taalkundige en biologische diversiteit.
‘We konden aantonen dat ongeveer driekwart van de talen op aarde wordt gesproken in gebieden met een hoge biodiversiteit, wat neerkomt op een kwart van het landoppervlak, Antarctica niet meegerekend,’ zegt Larry Gorenflo, medeauteur van de studie en hoogleraar landschapsarchitectuur, geografie, Afrikaanse studies en antropologie aan de Pennsylvania State University. ‘Van sommige van deze biodiversiteitshotspots is de taalkundige diversiteit ronduit fenomenaal.’
Volgens Gorenflo kun je taalkundige diversiteit zien als een indicator voor culturele diversiteit in bredere zin, die traditioneel gezien moeilijker te definiëren was. ‘Lange tijd werd antropologie beschouwd als de sociale wetenschap die cultuur bestudeerde. Maar niemand was het helemaal eens over wat cultuur precies inhield,’ zegt hij. ‘Taalkundige diversiteit wordt in feite gebruikt als maatstaf voor culturele diversiteit.’
De precieze redenen achter de verbanden tussen talen en natuur zijn niet volledig duidelijk, aldus Gorenflo. Eerdere studies wezen erop dat in gebieden met een groot aantal hulpbronnen taalkundige diversiteit ontstaat doordat mensen zich moeten aanpassen aan een complexere omgeving. Volgens anderen verkleinen overvloedige hulpbronnen de kans dat men deze moet delen en zodoende in tijden van nood moet communiceren met naburige groepen. Weer ander onderzoek suggereert dat de redenen achter dit gelijktijdig voorkomen veel ingewikkelder zijn en per gebied verschillen. Gorenflo benadrukt de noodzaak van meer onderzoek. ‘Als we dit verband begrijpen, kan dat de manier beïnvloeden waarop we omgaan met de relatie tussen inheemse volkeren en biologische diversiteit – en met de natuur.’
Taal en ecologische wijsheid
Taalkundigen schatten dat er ongeveer 8324 talen in de wereld zijn, waarvan er volgens de website Ethnologue nog 7164 worden gesproken. De verdeling van de wereldbevolking over deze talen is echter ongelijk. Meer dan de helft van de acht miljard mensen op aarde spreekt een van de 25 meest voorkomende talen. De meeste van de overige 7139 talen hebben maar weinig sprekers. Ongeveer de helft van alle talen wordt gesproken door gemeenschappen van tienduizend mensen of minder, en een paar honderd talen hebben slechts maximaal tien sprekers.
Volgens Gary Simons, hoofdredacteur van Ethnologue, sterft er ongeveer elke veertig dagen een taal uit. Taalkundige Kenneth Hale vergeleek het verlies van één enkele taal met ‘een bom op het Louvre’, vanwege de cultuur en ‘intellectuele rijkdom’ die in elk ervan besloten ligt. De snelheid waarmee talen uitsterven zal naar verwachting toenemen naarmate kinderen ze niet meer leren en oudere sprekers overlijden. De meeste talen zijn spoorloos verdwenen doordat ze gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis uitsluitend mondeling werden overgeleverd. Maar het zijn juist de bedreigde talen die de schoonheid van de menselijke diversiteit en de flexibiliteit van de menselijke geest blootleggen. Zo kennen sommige talen zeer gespecialiseerde termen op het gebied van bijvoorbeeld kruidengeneeskunde, astronomie of zeewier.
Náhuatl wordt een schoolvak in Mexico-Stad
Clara Brugada, de nieuwe burgemeester van Mexico-Stad, wil het Náhuatl, een van de belangrijkste inheemse talen van Mexico, invoeren op openbare scholen in de hoofdstad. De taal is jarenlang genegeerd in het officiële onderwijssysteem en wordt nu een vak op 78 scholen.
Mexico-Stad is een smeltkroes van meer dan zestig verschillende inheemse talen. Zo’n veertigduizend inwoners van de stad spreken nog Náhuatl en veel woorden die je er in het dagelijks leven regelmatig hoort komen uit het Náhuatl, zoals apapacho (liefkozing), tianguis (markt) en guacamole.
Volgens Pablo Yanes Rizo, secretaris van Onderwijs in de Mexicaanse hoofdstad, is dit initiatief ook een manier om het bestaan te erkennen van een culturele realiteit met een lange geschiedenis. Veertig procent van de 25 miljoen mensen die zichzelf als inheems beschouwen, zegt vaak gediscrimineerd te worden. Er bestaat een duidelijke klassenscheiding in veel delen van het land, blijkt uit onderzoek, waarbij niet voor iedereen dezelfde rechten gelden.
Het initiatief kreeg zowel applaus als kritiek. Taalkundige Yásnaya Aguilar Gil zegt in El País dat een eerdere poging in 2007 uiteindelijk op niets uitliep. Ze vindt dit ‘losse, tijdelijke acties zonder een breder beleidsplan die zelden een duurzaam effect hebben’. Volgens haar is er een hervorming nodig die de invoering van andere talen structureel mogelijk maakt, zoals in Catalonië of Baskenland.
Daarnaast is het de vraag of onderwijs in het Náhuatl de toch al zwakke positie van het Engels in het openbare onderwijs verder zal ondermijnen. In een wereld waarin het Engels vaak toegang biedt tot hogere studies en betere banen, blijft Mexico achter: volgens studies beheerst zo’n 97 procent van de leerlingen in het openbaar onderwijs het Engels niet op basaal niveau. Voorstanders van het Náhuatl-initiatief erkennen dat, maar benadrukken dat het leren van inheemse talen ook cognitieve voordelen en een dieper cultureel bewustzijn met zich meebrengt.
Talen zijn schatkamers van wijsheid die generaties lang zijn doorgegeven. Vaak is deze wijsheid ecologisch van aard. In het westen van Canada en de Verenigde Staten geven uitdrukkingen in inheemse talen aan wanneer wilde planten geoogst moeten worden. Australische Aboriginals definiëren de seizoenen op basis van signalen zoals de bloei van inheemse bomen, die op hun beurt informatie bieden voor het bestrijden van bosbranden. Traditionele Sami-kalenders kennen dertien maanden, gebaseerd op plantengroei en dierlijke activiteit in een bepaalde periode van het jaar, zoals miessemánnu (rendierkalfmaand) en borgemánnu (rendiervachtwisselmaand). Maar de uitdrukking Mitákuye Oyás’in, van de Lakota, die zowel ‘al mijn verwanten’ (menselijk en niet-menselijk) betekent als ‘alles is verwant’, verwoordt de onderlinge verbondenheid van mens en natuur misschien nog wel het best.
Veel bedreigde talen drukken eerbied en respect uit voor de natuur en een besef van het evenwicht dat moet worden bewaard. ‘Voor gemeenschappen die een innige band hebben met hun directe omgeving is het land de leermeester. Je moet de lessen van het land leren om te overleven en te gedijen, en dat raakt natuurlijk verankerd in je waardensysteem, dat tot uiting komt in taal,’ zegt Maffi. ‘Nergens zul je een filosofie vinden die zegt: neem zo veel als je maar wilt en trek je van de toekomst niks aan.’
Taal als koloniaal wapen
De opmerkelijke concentratie van talen in ’s werelds meest biodiverse regio’s, vooral in de tropen en gebieden nabij de evenaar, kan deels worden verklaard door de beschermende rol die deze wildernisgebieden speelden tegen kolonisatie. Historisch gezien werd het uitsterven van talen vaak veroorzaakt door kolonialisme. Zoals Alfred Crosby betoogt in Ecological Imperialism, gaven Europese kolonisten doorgaans de voorkeur aan gebieden met vlak, vruchtbaar land dat makkelijker te bewonen en bebouwen was.
Tropische regio’s daarentegen brachten meer uitdagingen met zich mee, waaronder ziektes waar Europeanen vatbaarder voor waren wegens een gebrek aan immuniteit. En het zijn de geïsoleerde, moeilijk bereikbare gebieden die naar meer diversiteit neigen. ‘In berggebieden en op eilanden vind je veel biodiversiteit. En als het lastig is om je er te verplaatsen, tref je er ook al snel behoorlijk wat culturele diversiteit aan,’ vertelt Gorenflo.
Europeanen beseften al snel dat in de gebieden die ze wel koloniseerden, taal cruciaal was voor hun missie. Om politiek en economisch te overheersen, zagen de koloniserende machten in dat ze ook op het gebied van taal moesten domineren. De Spaanse geleerde Antonio de Nebrija pleitte voor het belang van het schrijven van grammatica’s en woordenboeken in het Castiliaans. In 1492 schreef hij: ‘Taal en het rijk gaan immer hand in hand.’ Tegen het begin van de twintigste eeuw was door eeuwenlang kolonialisme zo’n 20 procent van de inheemse talen in Australië, de VS, Zuid-Afrika en Argentinië verloren gegaan.
‘Taal, elke taal, heeft een dubbel karakter: het is zowel een communicatiemiddel als een drager van cultuur’
Door hun moedertalen uit te roeien, ontnamen kolonisatoren de lokale bevolking hun band met de cultuur, alsook herinneringen, gemeenschappelijke identiteit en de relatie met het land, dat hun eveneens was afgenomen. ‘Taal, elke taal, heeft een dubbel karakter: het is zowel een communicatiemiddel als een drager van cultuur’, schreef de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o. Zo werd de bevolking dus verhinderd om hun kennis door te geven aan de volgende generatie. Ngugi sprak treffend van ‘kolonisatie van de geest’.
Tegenwoordig is taalverlies vaak een gevolg van wat veel mensen in geïndustrialiseerde samenlevingen ‘vooruitgang’ zouden noemen: gemengde huwelijken, het onderwijzen van ‘populairdere’ talen op scholen en migratie voor betere kansen. Inheemse talen zijn moeilijk te behouden wanneer de sprekers zich aanpassen aan nieuwe levensomstandigheden en hun talen niet meer in de oorspronkelijke context gebruiken.
Conservatie en inheemse kennis
Paradoxaal genoeg stond het idee dat mensen losstaan van de natuur ook centraal in de ideologie rond natuurbehoud. Tijdens een reis naar de Verenigde Staten in 1919 bezocht koning Albert I van België drie nationale parken: Yellowstone, Yosemite en de Grand Canyon. Dit was enkele jaren nadat president Woodrow Wilson een wet had ondertekend die een National Park Service in het leven riep, met de bedoeling 35 nationale parken en monumenten te beschermen. Koning Albert, geïnspireerd door wat hij aan de andere kant van de Atlantische Oceaan had gezien, besloot een paar jaar later, in 1925, zijn eigen park op te richten in Belgisch-Congo. Hij noemde het het Albert Nationaal Park. Dit park, nu bekend als het Virunga Nationaal Park in Congo, wordt beschouwd als het eerste nationale park op het Afrikaanse continent.
Het concept van een ‘nationaal park’ stamt uit een negentiende-eeuwse natuurbeschermingsbeweging met de overtuiging dat de natuur gescheiden moest worden van en beschermd tegen de mensen die er wonen. De Belgische autoriteiten beweerden dat er slechts zo’n driehonderd mensen in het park in Congo woonden, maar in werkelijkheid verdreven ze duizenden Hutu’s en Tutsi’s met geweld uit het gebied. Door de jaren heen is de biodiversiteit er bedreigd door oorlog, ontbossing, stroperij en olie- en gasboringen, terwijl het ‘fort’-beschermingsmodel (waarbij omgevingen onaangetast blijven door menselijke invloed) onder vuur is komen te liggen doordat de lokale bevolking niet langer bij de hulpbronnen kan.
Een vergelijkbaar verhaal speelde zich enkele decennia eerder af in de vallei die nu bekendstaat als Yosemite. Toen natuuronderzoeker John Muir er in 1868 arriveerde, stond hij versteld van het adembenemende landschap. Hij besefte niet dat die schoonheid het resultaat was van zorgvuldig beheer door de Ahwahneechee, een stam die een mengeling was van de Noordelijke Paiute en de Sierra Miwok. Deze gemeenschappen, wier talen een diepgaand begrip van de lokale planten en dieren weerspiegelden, werden in 1851 met geweld verdreven door het Mariposa-bataljon onder leiding van James Savage.
‘Inheemse bewoners werden verplaatst naar het dorp Indian Canyon, dat uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de bewoners werden verdreven’
Na de oprichting van het nationale park, gebaseerd op Muirs idee van ‘pure wildernis’, werd de leefwijze van de Ahwahneechee steeds meer aan banden gelegd. Inheemse bewoners werden verplaatst naar het dorp Indian Canyon, dat uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de bewoners werden verdreven. In haar boek Savage Dreams schrijft Rebecca Solnit dat in 1969 ‘het oorspronkelijke doel van het Mariposa-bataljon dichterbij kwam: de verdrijving van de Ahwahneechee uit de vallei waar ze duizenden jaren waren verbleven’.
Tegenwoordig spreken nog slechts vierhonderd mensen de taal van de Noordelijke Paiute, terwijl dat van de Sierra Miwok is geslonken tot een handjevol sprekers. Studies hebben inmiddels aangetoond dat hun verdrijving leidde tot ecologische achteruitgang. Een rapport uit 1996 van het Sierra Nevada Ecosystem Project concludeerde dat er ‘een ecologisch “vacuüm” of onevenwicht in de Sierra Nevada ontstond door het vertrek van de inheemse Amerikanen die deze ecosystemen beheerden’. De verwijdering van inheemse gemeenschappen en hun landbeheertechnieken, die vaak gericht waren op natuurbehoud, heeft de aantasting van het milieu waarschijnlijk verergerd, zoals ook blijkt uit de verwoestende bosbranden die onlangs in Los Angeles woedden.
Voordelen van meertaligheid
Meertaligheid maakt mensen slimmer, socialer en gezonder.
Ondanks oude vooroordelen tonen moderne onderzoeken overtuigend aan dat tweetaligheid mentale voordelen biedt. Tweetaligen presteren beter in cognitieve en sociale taken, herstellen sneller van een beroerte en ontwikkelen later dementie dan eentalige mensen, aldus Mosaic Science. Het brein van tweetaligen is flexibeler, multitaskt beter en heeft meer grijze stof. Taal beïnvloedt ook het wereldbeeld en het gedrag. Kinderen die tweetalig onderwijs krijgen, zijn vaak zelfverzekerder en betrokkener.
Bovendien is, bijvoorbeeld in de VS, de vraag naar tweetalige werknemers sterk gestegen, vooral naar sprekers van het Spaans, Chinees en Arabisch. Van 2010 tot 2016 verdubbelde het aantal vacatures waarin tweetaligheid vereist is, schrijft Boston Globe. Het gaat om zowel hoog- als laagopgeleide functies, veelal in het onderwijs, de gezondheidszorg en de klantenservice. Vooral eerstegeneratie-immigranten zijn hierbij in trek.
En hoewel native speakers op het eerste gezicht een streepje voor lijken te hebben binnen een internationale werkomgeving, biedt werken in een tweede taal verrassende voordelen, onderzocht The Economist. Niet-native speakers worden soms onderschat, wat strategisch kan uitpakken in onderhandelingen. Ze denken vaak zorgvuldiger na, nemen rationelere beslissingen en herkennen culturele gevoeligheden beter. Tweetaligheid stimuleert ook empathie en een ‘afwijkend accent’ wordt vaak charmant gevonden. Werken in een vreemde taal kan dus, ondanks de moeite, leiden tot scherpere analyses en betere communicatie.
‘Mensen vormen een essentieel onderdeel van een ecosysteem,’ zegt Gorenflo. ‘Het verlies van talen kan leiden tot verlies van biodiversiteit, deels doordat er een afstand ontstaat tot traditionele gedragspatronen, zoals landschapsbeheer.’ Hij voegt eraan toe dat er inmiddels een groeiend besef bestaat dat inheemse volkeren en lokale gemeenschappen de beste beheerders zijn van hun land. ‘Als je de taal verliest, is dat een van de puzzelstukjes die verloren gaan. De mensen die deze talen spreken, volgden in veel gevallen traditionele gebruiken – op het gebied van landschapsbeheer, grondstoffengebruik en in sommige gevallen zelfs natuurbehoud – en die komen de biodiversiteit uiteindelijk ten goede.’
Uiteraard is het meeste inheemse land niet verloren gegaan aan nationale parken, maar aan grootschalige landbouw en stedelijke wildgroei. In de Sonorawoestijn [in Mexico en de VS] heeft de afname van planten als de mesquite en de populier invloed gehad op de traditionele ceremonies van de inheemse Yoeme-gemeenschappen, die voor veel van hun rituelen afhankelijk zijn van de natuur. Hun kennis van het landschap komt in veel van hun liederen tot uiting, maar naarmate deze gebieden meer bebouwd raken en planten verdwijnen, verliezen deze liederen hun betekenis en worden ze niet langer doorgegeven aan toekomstige generaties.
Taalbehoud als conservatie
Maffi ziet de overvloed aan talen, culturen en biodiversiteit binnen een gebied als onderling afhankelijke elementen die elkaar wederzijds versterken. Het behoud van de talen in de wereld kan dan ook worden gezien als een essentieel instrument in de strijd tegen de klimaatcrisis. Op Hawaï is de groene zeeschildpad, of honu – een bedreigde diersoort die wordt beschermd door de Amerikaanse wet – al van oudsher een krachtig symbool van de lokale cultuur. De honu staat voor wijsheid, bescherming en spirituele leiding. Volgens traditioneel geloof is de honu een ‘aumakua, een persoonlijke of familiegod, of een vergoddelijkte voorouder. Veel ‘aumakua zijn dieren, maar het kunnen ook planten zijn – een traditie die doet denken aan hoe de Lakota alle andere levende wezens als ‘verwanten’ beschouwen.
Naast deze tradities is de Hawaïaanse taal essentieel voor de identiteit van de eilandengroep. Beide ondergingen echter een verwoestende neergang in de twintigste eeuw: de populaties honu kelderden door overbevissing, terwijl het Hawaïaans bijna verdween door een wet die het Engels tot 1987 uitriep tot de enige onderwijstaal op alle openbare en privéscholen. In die periode werden leerlingen gestraft als ze Hawaïaans spraken.
De afgelopen decennia zijn zowel de honu als de Hawaïaanse taal echter centraal komen te staan in de heropleving van de Hawaïaanse cultuur. De nestpopulaties van de honu zijn de laatste twintig jaar jaarlijks met 5 procent gegroeid, terwijl het aantal Hawaïaans-sprekers in dezelfde periode spectaculair is toegenomen (van 1500 in 1980 tot 18.000 in 2016) dankzij programma’s en een verbeterde taalvaardigheid onder jongere generaties. Biodiversiteit en taal vormen samen het hernieuwde herstel van het natuurlijke en culturele erfgoed van Hawaï, en beide spelen een essentiële rol in de herverbinding van de bewoners met hun voorouderlijke tradities en identiteit.
Een universeel woord: huh?
Een van de resultaten uit een vergelijkende taalstudie door onderzoekers van het Max Planck Instituut in Nijmegen is dat bijna elke taal een variant van het woord ‘huh?’ kent. Het klinkt zelfs overal vrijwel hetzelfde, al wordt het vaak net iets anders geschreven: ehh, hè, hein of eh. Maar in elke taal is duidelijk wat ermee wordt bedoeld: een vraag om herhaling of duidelijkheid.
Mark Dingemanse, Francisco Torreira en Nick Enfield bestudeerden talen over de hele wereld en ontdekten dat er overal wel een woord is dat qua vorm en betekenis lijkt op ‘hè?’ Dat ‘hè’ of ‘huh’ helemaal geen woorden zouden zijn, weerleggen Dingemanse en zijn collega’s. Ook andere taalkundigen kwamen tot de conclusie dat ‘hè’ grammaticaal verbonden is aan een zin die eraan voorafgaat, en niet zomaar losstaat. Het is te begrijpen in verschillende contexten, bijvoorbeeld bij verbazing of om instemming te vragen.
Het zou een vorm van convergente evolutie zijn, een fenomeen dat bekend is uit de evolutionaire biologie. Als verschillende soorten in een gelijksoortige omgeving leven, kunnen ze onafhankelijk van elkaar gelijkenissen gaan vertonen. Haaien en dolfijnen bijvoorbeeld hebben een verschillende evolutionaire afstamming, maar toch heeft hun lichaam eenzelfde soort vorm, aangepast aan het water. Op een vergelijkbare manier, zo stellen Dingemanse en zijn collega’s, kunnen woorden eenzelfde vorm aannemen als ze voorkomen in dezelfde omgeving.
Het wereldwijde gebruik van ‘huh’ of ‘hè’ is dus niet slechts een toevallige gelijkenis, maar een hulpmiddel dat illustreert hoe menselijke communicatie, ondanks de linguïstische diversiteit, op een fundamenteel niveau universele kenmerken deelt.
Op het Japanse eiland Okinoerabu zijn sprekers van het Shimamuni – een lokale variant van het Kunigami, een taal die als ‘ernstig bedreigd’ wordt beschouwd – een schoolproject gestart. Kinderen komen dagelijks bijeen om het strand schoon te maken terwijl ze in hun taal zingen. Ook houden ze in dezelfde taal een dagboek bij. Deze aanpak bleek niet alleen effectiever dan lesgeven in een klaslokaal, maar verbeterde ook de communicatie over milieukwesties met oudere eilandbewoners. Zo bleken sommigen van hen te denken dat zwerfafval vanzelf zou vergaan. Dit voorbeeld toont de risico’s van het verlies van communicatie tussen generaties, met schadelijke gevolgen voor de gemeenschap als geheel.
Het belang van meertaligheid
Zonder inspanningen voor heropleving zal het taalverlies volgens wetenschappers binnen veertig jaar zijn verdrievoudigd. Taalkundigen voorspellen dat 50 tot 90 procent van de wereldtalen aan het eind van deze eeuw zal zijn uitgestorven, met rampzalige gevolgen voor de betreffende gemeenschappen, de wetenschap en het cultureel erfgoed. Het feit dat leerlingen die langer op school zitten eerder met dit taalverlies te maken hebben, wijst erop dat de snelle achteruitgang kan worden gelinkt aan een eentalige manier van denken. Hoewel meertaligheid dominant is onder mensen (zo’n 60 procent van de wereldbevolking spreekt meer dan een taal), zien veel landen zichzelf als eentalige natiestaten, waarin één enkele taal cruciaal wordt geacht voor het behoud van de nationale identiteit. ‘Het idee van niet alleen nationale maar ook taalkundige eenheid en uniformiteit kwam pas echt op met de vorming van de natiestaat in de moderne tijd,’ vertelt Maffi. ‘Het belang van meertaligheid moet opnieuw worden erkend.’
Lange tijd was de overtuiging dat de dominante taal zogenaamd minder ‘wenselijke’ talen moest vervangen, in plaats van dat co-existentie bevorderd werd. De overtuiging dat tweetalige kinderen in de war raken of moeite hebben met het leren van meerdere talen tegelijk, is door onderzoek veelvuldig ontkracht. Studies tonen juist consequent de talrijke cognitieve voordelen van meertaligheid aan. Willen de duizenden ‘kleinere’ talen ter wereld overleven, dan is dringend een andere aanpak nodig, waarbij we afstappen van eentaligheid als norm en erkennen dat het ‘nut’ van een taal niet per se wordt bepaald door het aantal sprekers.
‘Het belang van meertaligheid moet opnieuw worden erkend.’
Talen zijn, zoals Ralph Waldo Emerson het in zijn boek The Poet verwoordt, ‘historische archieven’. Taalkundige Nicholas Evans merkte op dat ‘ze ons niet alleen inzicht geven in menselijke cognitie, maar ook in het rijke weefsel van menselijke ervaringen door de eeuwen heen’. Als we ze verliezen, riskeren we niet alleen een groot deel van de menselijke geschiedenis kwijt te raken, maar ook het vermogen om verschillende manieren van kijken naar en leven op de wereld te begrijpen.
Utsi, de rendierherder, noemt nog een Noord-Samisch woord dat illustreert hoe zijn taal uniek is toegesneden op de omgeving waarin deze ontstond. ‘Guorban is een woord dat “overgraasd” betekent, tot op het punt waar de korstmossen zullen verdwijnen. Je wilt dus eigenlijk niet guorbadit [overgrazen], want dan vernietig je de weide voor de volgende generatie,’ vertelt hij.
Volgens Gorenflo worden de factoren die de gelijktijdige aanwezigheid van taalkundige en biologische diversiteit veroorzaken, en die aanvankelijk raadselachtig leken, steeds helderder. ‘Ik beschouw taal als een verlengstuk van het culturele systeem, dat op zijn beurt deel uitmaakt van de bredere ecologie van de wereld. Het is dus bovenal belangrijk om te verkennen hoe deze ecologie eruitziet.’
Het behoud van bedreigde talen gaat om meer dan alleen het redden van woorden. Het kan cruciaal zijn voor het veiligstellen van eeuwenoude menselijke kennis en helpt ons de systemen die ons allen in stand houden beter te begrijpen.
Waarom deze smeltende gletsjer een mondiaal gevaar is
De smeltende Pine Island-gletsjer van West-Antarctica stond al bekend als de grootste aanjager van de zeespiegelstijging. Dat wordt nog erger omdat de ijsplaat versneld uiteenvalt. Dit schrijft The Washington Post naar aanleiding van een nieuw onderzoek dat afgelopen vrijdag werd gepubliceerd.
De Pine Island-gletsjer, een ijsrivier van 260 kilometer lang, staat bekend als de zwakke plek van West-Antarctica. Hij draagt meer bij aan de zeespiegelstijging dan enige andere gletsjer van het continent en behoort tot de snelst smeltende gletsjers ter wereld.
In tegenstelling tot andere Antarctische gletsjers, wordt de Pine Island-gletsjer niet beschut tegen de opwarmende oceaan door een grote massa zee-ijs. Het enige dat voorkomt dat hij rechtstreeks in de Amundsenzee stroomt, is een drijvende ijsplaat aan de voorkant van de gletsjer. Die fungeert als een kurk in een fles die de enorme druk aan de achterkant opvangt.
Maar die ijsplaat scheurt nu zelf uit elkaar. De afgelopen vijf jaar ging een vijfde van zijn massa verloren, waardoor ijsbergen zo groot als steden zijn afgestoten. Er zijn scheuren ontstaan in het midden van de ijsplaat, hetgeen mogelijk bijdraagt aan de instabiliteit.
Als dit proces doorgaat, ‘kan de hele ijsplaat de komende jaren uit elkaar vallen en dat is veel sneller dan we hadden verwacht’
Inmiddels is er een nieuwe reden voor zorgen om de Pine Island-gletsjer. Volgens het onderzoek dat vrijdag in Science Advancesis gepubliceerd, stroomt de gletsjer 12 procent sneller naar de oceaan dan vier jaar geleden; het gevolg van de afbrokkelende, verzwakte ‘kurk’.
Als dit proces doorgaat, ‘kan de hele ijsplaat de komende jaren uit elkaar vallen en dat is veel sneller dan we hadden verwacht’, aldus Ian Joughin, een glacioloog aan het Applied Physics Laboratory van de University of Washington, die meeschreef aan het rapport.
Het verlies van de ijsplaat zou het verval van de Pine Island-gletsjer verder versnellen. Hoe sneller die stroomt, hoe meer ijs er in de oceaan terecht komt, waardoor de zeespiegel stijgt. De gletsjer voegt elk jaar al een zesde millimeter toe aan de zeespiegelstijging, maar het verlies van de ijsplaat zou die snelheid kunnen verdubbelen of verdrievoudigen, volgens Joughin. Pine Island bevat ongeveer 180 biljoen ton ijs en dat is genoeg om een zeespiegelstijging van zo’n 49 centimeter te veroorzaken. ‘Ik ben echt geen catastrofedenker’, zegt Joughin. ‘Maar de staat van de ijsplaat staat zeker ter discussie.’
Afkalven
Eerder richtten wetenschappers zich op het langzame maar gestage dunner worden van de ijsplaat doordat warm oceaanwater eronder stroomt. Dit smelten maakt ijsplaten kwetsbaarder voor instorting tijdens de Antarctische zomer, wanneer hoge temperaturen zorgen dat het oppervlak smelt. Maar aangezien de temperaturen in West-Antarctica zelden meer dan een paar graden boven het vriespunt liggen, werd verwacht dat dat proces eeuwen zou duren.
Wat er nu gebeurt, gaat veel sneller en is minder voorspelbaar, volgens Joughin. Het lijkt erop dat de snelle verschuiving van de gletsjer breuken veroorzaakt in de ijsplaat, wat ertoe leidt dat er meer stukken afbreken of ‘afkalven’. Computersimulaties en wiskundige modellen ondersteunen het idee dat dit proces verantwoordelijk is voor de versnelde stroming van de gletsjer.
De ijsplaat van Pine Island kalfde vroeger om de vier tot zes jaar af, volgens NASA, maar sinds 2017 zijn er elk jaar enorme brokken ijs verloren gegaan. Radarinstrumenten aan boord van de Sentinel-1-satellieten van de European Space Agency leggen elke zes dagen beelden van de gletsjer vast, zelfs tijdens de maandenlange duisternis in de Antarctische winter. Hierdoor kunnen wetenschappers de ijsplaat bijna in realtime zien breken.
NASA-wetenschappers vlogen in 2018 over een van de nieuwgevormde ijsbergen van Pine Island. Zelfs vanaf 450 meter hoogte besloeg een deel ter grootte van de stad Seattle het hele gezichtsveld van de onderzoekers. ‘Het was spectaculair, inspirerend en nederig makend tegelijk’, schreef Brooke Medley, projectwetenschapper voor Operation IceBridge, in een blogpost.
Maar slechts twee jaar later braken grote stukken af van de randen van de ijsplaat. Daardoor is het alsof de kurk in de fles met de Pine Island-gletsjer aan het afbrokkelen is.
Iets soortgelijks gebeurde in de jaren negentig en het begin van de jaren 2000 met gletsjers op het Antarctisch Schiereiland, het staartvormige deel van het continent dat zich uitstrekt naar Zuid-Amerika. Daar veroorzaakten warme temperaturen het catastrofale uiteenvallen van ijsplaten in de loop van slechts een paar jaar. Twee decennia later stromen de gletsjers van het schiereiland nog steeds twee of drie keer zo snel als voorheen, hetgeen bijdraagt aan de zeespiegelstijging.
‘De waarneming van zo’n zelfde proces op de Pine Island-gletsjer is nieuw en zorgwekkend’, zegt Bethan Davies, een glacioloog aan de Royal Holloway University of London die niet betrokken was bij de nieuwe studie.
Pine Island en andere West-Antarctische gletsjers zijn veel groter dan de gletsjers die uit het Antarctische schiereiland stromen, aldus Davies, waardoor de gevolgen veel extremer zullen zijn. ‘Het verlies van ijs hier zou catastrofaal en onomkeerbaar kunnen zijn.’
De modellen van Joughin kunnen niet zeggen wat er daarna gaat gebeuren. Hij en zijn collega’s hebben geen smeltvijvers waargenomen op het oppervlak van de ijsplaat, iets waarvan bekend is dat het ijs er minder stabiel door wordt. Het scheuren van het ijs leek in 2020 te verminderen. Maar als de versnelde stroom van de gletsjer breuken blijft veroorzaken, kan dit leiden tot een terugkoppeling waardoor de ijsplaat in een spiraal van verval terecht komt. ‘Het is zeker niet ondenkbaar dat de rest van de ijsplaat over tien jaar verdwenen is’, zegt Joughin.
Als ijsplaten snel en resoluut kunnen verschuiven, kan de mensheid dat ook. Door het ozongat te helen en snel actie te ondernemen tegen klimaatverandering, zullen de omstandigheden in de atmosfeer en de oceanen van Antarctica veranderen en dat zal helpen de gletsjers van het continent te stabiliseren.
‘De toekomst kan veranderd worden’, zegt Davies, ‘op voorwaarde dat mensen doen wat nodig is.’
Hoe een tachtigjarige vecht voor haar taal
In Zuid-Afrika is de kliktaal n|uu uniek, maar ook bedreigd: slechts enkele hoogbejaarden spreken het nog vloeiend. Daarom is er nu een schrijfsysteem ontwikkeld om de taal te bewaren en te kunnen onderwijzen, schrijft het Britse iNews.
Katrina Esau groeide op in een blanke boerderij aan de rand van de Kalahari-woestijn in Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Haar werkgever verbood haar om de taal te spreken die ze van haar moeder had geleerd. De taal N|uu, bekend van de ‘klik’klanken en ooit gesproken door de jager-verzamelaars van de Noord-Kaap die tegenwoordig bekend staan als San of ‘bosjesmannen’, was een halve eeuw lang bijna vergeten.
Dat was het gevolg na eeuwen van uitroeiing en assimilatie van de San. Decennialang werd gedacht dat N|uu, zoals veel van de oorspronkelijke kliktalen van zuidelijk Afrika, was uitgestorven.
Maar eind jaren negentig, na decennia van apartheid, deed Elsie Vaalbooi, een N|uu-spreker, op de lokale radio een beroep op andere sprekers om naar voren te komen. Het bleek dat er nog ongeveer twintig bejaarde sprekers van de taal in de regio van de Noord-Kaap leefden. Een paar jaar later was dat aantal al drastisch afgenomen. Tegenwoordig is Katrina Esau de enige die het N|uu nog vloeiend spreekt. Ze is achter in de tachtig.
De afgelopen twee decennia heeft Esau gewijd aan het onderwijzen van N|uu, in een poging de taal en cultuur van de San te behouden. In een klaslokaal aan de voorkant van haar huis in Upington leert ze lokale kinderen de oorspronkelijke taal van haar thuisland. Ondanks jaren van verplicht zwijgen, verloor ze nooit haar spreekvaardigheid. ‘Ik heb deze taal niet geleerd maar kreeg hem via de borst van mijn moeder’, zegt ze in Lost Tongue, een film over N|uu die in 2016 werd gemaakt.
Afrika is het enige continent met talen waarin klikken gewone medeklinkers zijn. Het kenmerkende geluid wordt geproduceerd met de punt van de tong tegen de boventanden. N|uu, geclassificeerd als ernstig bedreigde taal door Unesco, is een van de slechts drie talen waarvan bekend is dat ze een ‘kiss-klik’ hebben die met beide lippen wordt geproduceerd.
Om deze buitengewoon rijke taal te onderwijzen, gebruikt Esau, die nooit heeft leren lezen of schrijven, zang, spel en beelden. Het helpt haar leerlingen, in de leeftijd van drie tot negentien jaar, om basisbegrippen te leren, zoals begroetingen, lichaamsdelen, dierennamen en korte zinnen.
Zij zijn de enige studenten van N|uu ter wereld die een taal leren met 114 verschillende geluiden, waaronder 45 klikken, 30 niet-klikmedeklinkers en 39 klinkers. Om dit in context te plaatsen: Engels, Russisch en Chinees hebben ongeveer 50 klanken.
De afgelopen jaren werd Esau in haar missie bijgestaan door academici Sheena Shah en Matthias Brenzinger. Samen met leden van de gemeenschap hebben ze een N|uu-orthografie opgesteld, conventies voor het schrijven van de taal, en leermiddelen gemaakt voor Esau’s school.
De kroon op het werk is een geïllustreerde drietalige N|uu-Afrikaans-Engelse reader van honderdzestig pagina’s, waarin de mondelinge taal is omgezet in een geschreven taal. De reader dient als een hulpmiddel waarmee ook Esau’s kleindochter, Claudia Snyman, leerlingen de geschreven taal kan onderwijzen.
‘Wat Ouma Katrina heel graag wilde, was les- en leermateriaal’, aldus Shah. ‘Kinderen in haar gemeenschap gingen ’s ochtends naar school met schoolboeken voor wiskunde, Engels en Afrikaans. Maar voor haar naschoolse lessen bestond geen gedrukt materiaal. Ze wilde dat haar taal op hetzelfde niveau werd behandeld.’
De titel van de reader, Ouma Geelmeid ke kx’u ||xa||xa N|uu (Ouma Geelmeid leert N|uu), bevat een verhaal uit Esau’s verleden. Als kind noemde de Afrikaanse eigenaar van de boerderij waar ze werkte haar ‘Geelmeid’, een aanstootgevende verwijzing naar haar huidskleur. Tegenwoordig staat ze bekend als Ouma (Oma) Katrina.
‘Voor Ouma Katrina is N|uu een centraal onderdeel van haar leven’, zegt Shah, die haar tijd verdeelt over universiteiten in Hamburg, Londen en Bloemfontein in Zuid-Afrika. ‘Als taalkundigen zijn we geïnteresseerd in hoe mensen taal gebruiken in de dagelijkse communicatie. Met Ouma Katrina kun je uren luisteren naar de verhalen die ze vertelt en de liedjes die ze zingt.’
Schildpad en struisvogel
Gezien haar hoge leeftijd wordt hard gewerkt om ervoor te zorgen dat de taal ook in de toekomst gehoord blijft worden. Volgens Brenzinger, van de Universiteit van de Vrijstaat in Bloemfontein, zijn er audio- en video-opnamen gemaakt van Esau, zodat de gesproken taal behouden kan blijven.
Een ander hoopgevend teken is de recente publicatie door Esau en haar kleindochter van een boek met kinderverhalen in het N|uu, Afrikaans en Engels, genaamd !Qhoi n|a Tjhoi (schildpad en struisvogel). Het volksverhaal, verteld door Esau, is bedoeld om jongeren te inspireren door de sluwe capriolen van een schildpad.
Elinor Sisulu, directeur van een stichting voor kinderliteratuur die achter het kinderboek staat, bepleit dat het werk van Esau financieel moet worden ondersteund. ‘Ouma Katrina is de wereldexpert in de N|uu-taal en de cultuur van haar mensen’, zegt ze. ‘Niemand weet meer dan zij. Als zodanig zou ze de status van professor van de N|uu-taal moeten krijgen en een overeenkomstig salaris moeten krijgen.’
Voor Esau, die een van Zuid-Afrika’s hoogste onderscheidingen ontving, de Orde van de Baobab in zilver, als erkenning voor haar inspanningen om de taal en cultuur van de San te behouden, gaat het essentiële werk door. Nadat ze haar onderscheiding had ontvangen van de toenmalige president Jacob Zuma, zei ze: ‘Andere mensen hebben hun eigen taal. Waarom moet mijn taal sterven? Het moet doorgaan. Zolang er mensen zijn, moet de taal doorgaan.’
Boete voor Ikea
Een Franse rechtbank heeft het meubel- en woninginrichtingsconglomeraat Ikea dinsdag veroordeeld tot het betalen van een boete van 1 miljoen euro nadat het bedrijf schuldig is bevonden aan het bespioneren van zijn personeel en het opslaan van personeelsgegevens. Dit schrijft Deutsche Welle.
In 2012 begon een strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf, naar aanleiding van berichten over wijdverbreid ‘gesnuffel’ dat werd gebruikt tegen zowel werknemers als klanten die een geschil hadden met Ikea Frankrijk.
Volgens de aanklagers had de Franse dochteronderneming een particulier beveiligingsbedrijf en privédetectives ingehuurd om illegaal informatie over werknemers en toekomstige medewerkers te verkrijgen als onderdeel van een ‘spionagesysteem’ dat van 2009 tot 2012 actief was.
De voormalige topman van Ikea France, Jean-Louis Baillot, werd schuldig bevonden en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Hij kreeg ook een boete van 50.000 euro voor het opslaan van persoonlijke gegevens.
Baillot had eerder ontkend dat hij iets verkeerd had gedaan en legde de schuld bij zijn voormalige hoofd risicobeheer, Jean-Francois Paris. Die heeft toegegeven namen van mensen naar een particulier beveiligingsbedrijf, Eirpace, te hebben gestuurd.
Ongeveer vijftien mensen stonden terecht voor het spionagesysteem, waaronder een andere voormalige CEO van Ikea Frankrijk, Stefan Vanoverbeke. Ook vier politieagenten stonden terecht. Ze worden ervan beschuldigd vertrouwelijke informatie aan Ikea Frankrijk te hebben overhandigd.
We staan er zelden bij stil, maar spreken is een uiterst complexe vaardigheid. Hoe beeld je een woord als leegte aan elkaar uit als je nog geen enkele referentie hebt? Onderzoekers reisden terug naar het allereerste begin van de communicatie.
‘Im Anfang war das Wort…’
Bijna vijfhonderd jaar geleden formuleerde Maarten Luther deze eerste regel van het Johannesevangelie in het Nieuwe Testament, toen hij de Griekse versie vertaalde in het Duits. Bedoeld was het goddelijke Woord aan het begin van de schepping. Maar deze regel werpt ook een fundamentele vraag op: Wat was het begin van de menselijke taal? Het woord, of iets anders?
Hoe ontwikkelde zich precies het systeem dat een reeks opeenvolgende klanken een betekenis geeft? De grammatica die ieder van ons in zijn moedertaal moeiteloos beheerst? Generaties wetenschappers hebben hun tanden stukgebeten op dit raadsel. De Berliner Akademie der Wissenschaften loofde in 1769 al een prijs uit voor de oplossing ervan. De geleerden twistten erover of de taal door mensen gemaakt of door God gegeven was. In de loop van de achttiende eeuw verhevigde het debat, daarna verdween het van de wetenschappelijke agenda en tegen het einde van de twintigste eeuw dook het weer op.
Vanuit heel verschillende invalshoeken benaderen wetenschappers de vraag hoe de mens tijdens zijn evolutie de taal heeft ontwikkeld. Onderzoekers uit Leipzig hebben gekozen voor een bijzondere aanpak. De ontwikkelingspsycholoog Manuel Bohn probeert de ontwikkeling van de taal in het laboratorium te achterhalen. Samen met zijn collega Gregor Kachel en de prominente Amerikaanse gedragsonderzoeker Michael Tomasello, bedacht hij een reeks experimenten waarin kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf jaar de hoofdrol spelen.
Het bijbelcitaat zou moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’
De onderzoekers observeerden wat er gebeurt wanneer kinderen die geen gemeenschappelijke taal hebben elkaar ontmoeten. Voor de serie experimenten, die plaatsvond in de testruimtes van het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig, werden steeds twee jonge proefpersonen via een videoverbinding met elkaar in contact gebracht. Om de gemeenschappelijke taal te elimineren, stond het geluid uit.
Behalve het beeldscherm waarop elk kind het andere kon zien, stond in beide ruimtes een bord met vijf afbeeldingen. Daarop waren tekeningen te zien van alledaagse activiteiten zoals haar kammen, hameren of fietsen. Eerst vroegen de onderzoekers steeds een van de kinderen om de inhoud van een van de afbeeldingen over te brengen naar het kind in de andere ruimte, maar zonder woorden te gebruiken.
Terwijl de zesjarigen spontaan gebaren maakten, dus bijvoorbeeld de beweging van het hameren nabootsten, deden de jongeren dat pas als de begeleiders hen op die mogelijkheid wezen. Was de communicatie eenmaal op gang gekomen, dan begreep men elkaar in beide leeftijdsgroepen even goed.
‘Goed’ betekent in dit geval dat het kind dat het gebaar van zijn tegenhanger op het beeldscherm bekeek en vergeleek met de vijf afbeeldingen, vaker de juiste afbeelding aanwees dan wanneer de keuze zuiver toeval was geweest.
‘Gebaren zijn krachtig,’ zegt Manuel Bohn. ‘Ze zijn heel geschikt om je verstaanbaar te maken als je nog geen gemeenschappelijke taal hebt.’ Dat heeft iedereen wel eens meegemaakt. Als je mensen tegenkomt die jouw taal niet spreken, dan gebruik je je handen: je wenkt iemand naderbij of brengt de handen naar de mond als je ‘eten’ wilt aanduiden.
De bouw van de toren van Babel, Hendrick van Cleve III (1525-1589)
Nabootsing
Het bijbelcitaat zou dus moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’, en volgens de onderzoekers een speciaal soort gebaar. ‘De kinderen hebben spontaan een uitbeeldend gebaar gebruikt om een link met het hameren op de afbeelding te leggen,’ verklaart Bohn. Vertaald naar de klanktaal corresponderen de pantomimische gebaren met de klanknabootsende begrippen. In het Duits en ook in andere talen berusten verhoudingsgewijs maar weinig woorden op klanknabootsing. Bijvoorbeeld de werkwoorden ‘klatschen’ (klappen) of ‘tuscheln’ (fluisteren). Ze imiteren het geluid dat twee handen voortbrengen als ze op elkaar slaan of als we zo zachtjes spreken dat alleen wie vlakbij staat ons verstaat.
Klanknabootsende woorden zijn een afbeelding van het geluid dat een bepaalde bezigheid produceert, precies zoals veel gebaren een uitbeelding van die bezigheid zijn.
Het idee dat woorden door nabootsing van natuurlijke geluiden ontstonden, is niet nieuw. Ook taalfilosoof Johann Gottfried Herder, die de wedstrijd van de Berliner Akademie der Wissenschaften won, meende dat mensen de eerste taal ontwikkelden ‘uit klanken van de levende natuur’.
Natuurlijk: schapen blaten, bijen zoemen en duiven koeren. Maar kan er werkelijk sprake zijn van taal als we klanknabootsende geluiden voortbrengen? Of wanneer kinderen handbewegingen kiezen en die steeds verder ontwikkelen? Voor taalwetenschappers is daar geen twijfel aan mogelijk.
De Franse theoloog Charles-Michel de l’Epée, die in de tweede helft van de achttiende eeuw met hulp van dove mensen een Franse gebarentaal ontwikkelde, was ervan overtuigd dat gebarentalen volwaardige talen zijn, want ze blijven niet steken in afzonderlijke uitbeeldende gebaren, net zomin als de klanktalen in klanknabootsende natuurgeluiden.
‘Leegte’ of ‘niets’
‘Als je spreek over taal, moet je daarin gebarentaal altijd meedenken,’ zegt Manuel Bohn. Hoe die taal wordt uitgedrukt, in geluiden of gebaren, is van ondergeschikt belang. Doorslaggevend acht de onderzoeker de psychische voorwaarden die talige communicatie mogelijk maken: ‘Zoals de kinderen in het experiment wil ook een persoon in het communicatieproces altijd iets meedelen, en de ander iets begrijpen,’ legt Bohn uit.
Deze doelgerichte aandacht die de kinderen in het experiment opgebracht hebben voor de samen te volbrengen opdracht, is ook voor gedragsonderzoeker Michael Tomasello de voorwaarde zonder welke de taal zich niet had kunnen ontwikkelen.
‘Gezamenlijke aandacht en perspectiefwisselingen zijn voor menselijke samenwerking en sociale interactie zo doorslaggevend, dat de soort nieuwe vormen van communicatie heeft ontwikkeld die van daaruit zijn opgebouwd,’ schrijft Michael Tomasello in zijn in 2020 verschenen boek Mensch werden (Mens worden). Zo gezien is de ontwikkeling van deze competenties een grote sprong in de evolutie van de mens. Daarmee vergeleken is de nieuwe vorm van communicatie, de uitvinding van de taal, maar een kleine stap.
Maar als het gebaar of ook de klanknabootsing aan het begin stond, hoe heeft de taal zich daaruit dan precies ontwikkeld? Ook op deze vraag hebben de onderzoekers uit Leipzig in hun experimenten een antwoord gezocht. Manuel Bohn en zijn collega’s observeerden verschillende stappen in de taalontwikkeling, bijvoorbeeld de overgang van beeldende naar abstracte gebaren.
‘Wat gebeurt er wanneer de kinderen niet kunnen teruggrijpen op een concrete alledaagse ervaring als hameren of fietsen? Scheppen ze dan een abstract teken? Dat wilden we uitzoeken,’ zegt de onderzoeker. In dit experiment ‘kregen de kinderen de opdracht een abstract begrip als ‘leegte’ of ‘niets’ over te brengen. Een leeg blad papier verbeeldde dat.
Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld
Een van de kinderen probeerde eerst zich te verduidelijken met verschillende gebaren zoals het demonstratief tonen van lege handen en wees toen op verschillende witte dingen in de ruimte. Zonder succes. Ten slotte ontdekte het een witte punt op zijn T-shirt en wees er steeds opnieuw op met zijn wijsvinger.
Nu leek het andere kind te begrijpen wat er bedoeld werd en gaf te kennen dat het begrepen was doordat het naar het lege blad in zijn ruimte greep. Toen het raadspelletje met verwisselde rollen werd voortgezet, herhaalde dit kind het gebaar van zijn gesprekspartner en wees met de wijsvinger op de corresponderende plek op het eigen T-shirt – ook al was daar geen witte punt te zien.
Wat was er gebeurd? De kinderen waren het binnen een paar minuten eens geworden over een handbeweging die als symbool voor een bepaalde inhoud, een bepaalde betekenis stond. Een geweldige stap van de simpele, spontane geste naar een vast, afgesproken gebaar dat in elke willekeurige situatie benut en begrepen kan worden.
Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is daarbij willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld. Want ze berusten – anders dan de weinige klanknabootsende woorden – op een conventie.
Dat betekent dat een taalgemeenschap het op een bepaald moment erover eens is geworden dat het woord ‘hamer’ een hamer betekent, en niet een stoel. De betekenis heeft met het ding op zich niets te maken. En mocht er toch ooit een direct verband zijn geweest, dan is dat in de loop van millennia van taalontwikkeling verloren gegaan.
Grondregels
Maar talen – gesproken of in gebaren – bestaan niet alleen uit afzonderlijke symbolen, die worden ook op een bepaalde manier samengevoegd en krijgen daardoor nog meer betekenissen. Deze grammatica kan binnen bepaalde taalfamilies op elkaar lijken, zoals in de talen van de Indo-Europese taalfamilie, waartoe alle Europese talen behoren (behalve Hongaars, Fins, Estisch en Baskisch), maar ook veel West- en Zuid-Aziatische talen als Armeens, Perzisch en Hindi.
Maar in elke taal zijn de regels een beetje anders. Een vraag die de taalkundige Artemis Alexiadou fascineert is of er tenminste één grondregel is die voor alle talen geldt. ‘Mijn onderzoek heeft aangetoond dat de theoretische aanname dat een werkwoord in alle talen nooit alleen voorkomt, maar altijd een subject moet hebben, klopt,’ zegt Alexiadou, plaatsvervangend directeur van het Leibniz Centrum voor Algemene Taalwetenschap in Berlijn.
Een grondregel waaraan ook de kinderen in het taalonderzoekslab in Leipzig spontaan gehoorzaamden. De onderzoekers legden hun jonge proefpersonen – deze keer waren het acht- tot tienjarigen – afbeeldingen voor waarop bijvoorbeeld een aap op een kat jaagt en vroegen hen om het gebeuren te beschrijven.
De kinderen creëerden daarop niet een enkel gebaar voor het gebeuren. Ze beeldden de scène net als in een zin woord voor woord uit: eerst de aap, vervolgens duidden ze ‘rennen’ aan, daarna imiteerden ze een kat, bijvoorbeeld door het aflikken van de poten.
Ze vormden de zinnen uit bewegingen met hun handen op een manier zoals de grammatica van bijna alle talen ter wereld voorschrijft: eerst het subject, dan het object. Maar grijpen die jeugdigen bij het op een rij zetten van de gebaren niet gewoon terug op de structuur van hun moedertaal? De taalkundige Alexiadou gelooft dat niet. Ze weet het zeker: ‘Dat het subject, dus de uitvoerder van zo’n handeling, eerst genoemd wordt, is een cognitieve beslissing, geen taalkundige.’
Deze hypothese werd bevestigd door een later experiment: de onderzoekers uit Leipzig lieten twaalfjarige kinderen afbeeldingen zien van objecten, bijvoorbeeld van een kleine hamer, een grote hamer, of een heleboel hamers. Opnieuw knoopten de kinderen twee gebaren aan elkaar. Maar deze keer varieerde de volgorde.
Kinderen zoeken actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen
Nu eens beeldden ze eerst de hamer uit en dan een gebaar voor ‘klein’ of ‘veel’. Dan weer kozen ze de omgekeerde volgorde: ‘klein hamer’ of ‘veel hamer’.
‘Hier hebben we gezien dat de kinderen geen bepaalde voorkeur hebben,’ zegt taalonderzoeker Manuel Bohn. Ze worden dus niet geleid door een moedertaal, maar door hun eigen, aangeboren denken.
Ze zoeken, zo lijkt het, actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen.
Eén ding is zeker: het begint met het uitbeelden van de wereld in gebaren of klanken en met een grote bereidwilligheid om met soortgenoten op een complexe manier samen te werken.
Maar op welke principes en denkpatronen een jong mens daarbij precies teruggrijpt, waar en wanneer die in de evolutie van onze soort zijn ontstaan – daarover zullen onderzoekers nog wel lange tijd van gedachten wisselen en het oneens zijn.
Ook de Bijbelvertalers waren het ooit oneens: kort voordat Maarten Luther aan de Duitse vertaling begon, had Erasmus van Rotterdam bij zijn vertaling van de bijbel uit het Grieks in het Latijn een woord uit de eerste zin vervangen en ervan gemaakt: ‘In den beginne was het gesprek’.
Auteur Kristina Vaillant beveelt iedereen die zich in de geschiedenis van de taal wil verdiepen het boek aan van Martin Kuckenburg: Wer sprach das erste Wort?
De lokale fluittaal van de Canarische eilanden is tot immaterieel cultureel erfgoed verklaard. Kinderen leren het op school. Soms is het lastig om het verschil tussen gallina en ballena te verstaan. Maar als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als spreken.
Gezeten op een hoge klif op Gomera, een van de Canarische Eilanden, kan Antonio Márquez Navarro tot in de wijde omtrek buren bij hem uitnodigen (‘Kom naar ons, we gaan het varken slachten’) zonder dat er een woord over zijn lippen komt: hij hoeft zijn uitnodiging maar te fluiten. In de verte blijven aan de overkant van een ravijn drie wandelaars staan als ze die schrille klanken van de rotswanden horen weerkaatsen.
In zijn jeugd, zegt Márquez (71), wandelden er geen toeristen over de ruige steile voetpaden van dit eiland, maar liepen er louter schaapherders, die zo’n uitnodiging meteen met luid en duidelijk gefluit zouden hebben beantwoord. Maar aan de wandelaars was zijn boodschap niet besteed, dus die hervatten al snel hun route over het eiland. Márquez is de trotse hoeder van het Silbo Gomero, de fluittaal die hij ‘de poëzie van mijn eiland’ noemt. En net als poëzie, voegt hij eraan toe, ‘hoeft het fluiten geen nut te hebben om mooi en waardevol te zijn’.
Gefloten versie
De fluittaal van de inheemse bevolking op het eiland werd in de vijftiende eeuw al vermeld in verslagen van ontdekkingsreizigers die de weg plaveiden voor de Spaanse verovering van het eiland. Aanvankelijk was het een gefloten versie van de inheemse taal, maar in de loop der eeuwen stapten de eilandbewoners ook voor hun fluittaal over op de taal van de Castiliaanse veroveraars.
Het Silbo Gomero bestaat uit meerdere fluittonen van verschillende lengte en toonhoogte die ieder een van de klinkers of medeklinkers van de gesproken taal vertegenwoordigen. Helaas zijn er minder verschillende fluittonen dan het Spaans letters telt en zijn de gefloten versies van sommige woorden dus meerduidig, wat tot misverstanden kan leiden. Sommige Spaanse woorden klinken in gefloten vorm identiek: korte woordjes zoals sí (ja) en ti (jij) bijvoorbeeld, maar ook langere woorden die al een beetje op elkaar lijken, zoals gallina en ballena (respectievelijk kip en walvis). ‘Binnen een zinsverband is altijd duidelijk welk dier er wordt bedoeld, maar niet als je alleen een los woord fluit,’ zegt Estefanía Mendoza, die de fluittaal onderwijst.
Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan
In 2009 werd het Silbo Gomero door Unesco op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed geplaatst als ‘de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld die nog in gebruik is bij een grote gemeenschap’ – de 22.000 inwoners van La Gomera dus. Maar nu de taal niet meer onmisbaar is voor het communiceren over grotere afstanden, is het voortbestaan ervan vooral afhankelijk van de wet uit 1999 die het Silbo verplichte lesstof maakte op de scholen op het eiland.
In het havenstadje Santiago blijkt een klas met kinderen van zes weinig moeite te hebben met het herkennen van de fluittonen voor de verschillende kleuren of de dagen van de week. Lastiger wordt het als daarmee zinnen worden gevormd, zoals: ‘Hoe heet het kind met de blauwe schoenen?’ Sommige kinderen horen ‘geel’ in plaats van ‘blauw’.
En levert het verstaan van de klanken soms al problemen op, nog veel moeilijker is het om ze correct te fluiten. De meeste leerlingen steken daartoe een vingerkootje in hun mond, anderen hooguit één of twee vingertoppen, en weer anderen doen het met één vinger van elke hand. ‘Daar zijn geen regels voor, je gebruikt gewoon de vinger waarmee jij het makkelijkst fluit, en sommigen lukt het helaas helemaal niet,’ zegt Francisco Correa, de coördinator van het schoolfluitprogramma. ‘Er zijn ook oudere mensen die het Silbo al van kindsbeen af prima verstaan, maar het zelf nooit verstaanbaar uit hun mond hebben gekregen.’
Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan en zullen de ander soms vragen een zin te herhalen, net als sprekers die ieder een ander dialect van dezelfde taal spreken. Maar ‘als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als Spaans spreken’, zegt Correa.
Generatiekloof
Zoals bij zoveel talen, of ze nu gefloten of gesproken worden, is ook op Gomera sprake van een generatiekloof. Ciro Mesa Niebla, een boer van 46, zegt dat hij soms moeite heeft om in de fluittaal te converseren met de jongere generatie die het fluiten op school heeft geleerd. ‘Ik ben een jongen uit de bergen die thuis de woorden heeft leren fluiten die we in onze familie op de boerderij gebruikten,’ zegt hij, ‘maar ik heb niet de woordenschat van die jonge salonfluiters, die allemaal dure woorden kennen.’
Er zijn ook bejaarde bewoners die gestopt zijn met fluiten omdat ze niet meer al hun tanden hebben. Márquez heeft een kunstgebit en fluit nog wel, ‘maar het gaat niet meer zo makkelijk en klinkt niet meer zo hard als toen ik nog met mijn vingers op mijn eigen tanden kon drukken,’ zegt hij.
Als je het landschap hier ziet, begrijp je wel waarom de mensen hun toevlucht namen tot deze fluittaal: de meeste Canarische Eilanden bestaan uit hoge bergen doorsneden door diepe ravijnen, waar zelfs het afleggen van kleine afstanden heel wat tijd en moeite kost. Zo ontstond dit alternatief, omdat fluiten veel verder draagt dan schreeuwen – als de wind goed staat, in sommige ravijnen tot wel vier kilometer. Daarbij weten oudere bewoners van Gomera ook nog goed dat de eilandbewoners het Silbo vroeger gebruikten om elkaar te waarschuwen voor politie op zoek naar smokkelwaar. In de recente film La Gomera (The Whistlers) gebruiken gangsters het als hun geheimtaal.
De andere Canarische Eilanden hebben weer andere fluittalen, maar die zijn grotendeels in onbruik geraakt – al wordt die van El Hierro tegenwoordig weer onderwezen. ‘Het Silbo is niet uitgevonden op Gomera, maar dat is wel het eiland waar de taal het best behouden is gebleven,’ zegt de etnomusicoloog David Díaz Reyes. Gomera is tegenwoordig sterk afhankelijk van toerisme, en dat levert weer kansen op voor jonge fluiters zoals de zestienjarige Lucía Darias Herrera, die in een van de hotels op het eiland elke week een fluitshow geeft. Ze fluit normaal gesproken in het Spaans, maar ze kan haar Silbo aanpassen aan de talen van de mensen in het publiek – meestal Duitsers op vakantie.
In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen
Helaas zet corona sinds vorig voorjaar niet alleen een streep door deze optredens, maar ook door de praktijkles op school. In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen. De kleinere kinderen ‘kost het nog veel moeite en ze blazen veel lucht uit, waardoor het soms meer spuwen dan fluiten wordt,’ zegt schoolcoördinator Correa. Om verspreiding van het virus te voorkomen kunnen de kinderen tijdens de wekelijkse les dus voorlopig niet zelf fluiten, maar alleen naar opnamen van het Silbo luisteren.
Bijkomend probleem is dat er buiten de les weinig gelegenheid is om in het Silbo te communiceren. In de eerdergenoemde schoolklas steken maar zeventien leerlingen hun hand op bij de vraag of ze het Silbo thuis ook gebruiken. ‘Mijn broer kan heel hard fluiten, maar hij wil het niet voordoen, want als hij niet op zijn PlayStation zit, is hij wel met vrienden op stap,’ klaagt een van de meisjes, Laura Mesa Mendoza.
Toch fluiten sommige tieners elkaar wel in het Silbo toe als ze elkaar tegenkomen in de stad, en ze gebruiken de taal ook om gesprekken te voeren die veel volwassenen om hen heen niet kunnen volgen. Sommige ouders hebben als kind op school immers geen les in het Silbo gehad, of ze zijn pas op latere leeftijd op het eiland komen wonen. De vijftienjarige Erin Gerhards kan haar smartphone niet missen, maar ze lijkt vast van plan om beter te leren fluiten en zo te helpen de traditie van haar eiland in stand te houden. ‘Het is een eerbetoon aan de mensen die hier vroeger leefden,’ zegt ze. ‘Om te beseffen waar we vandaan komen, dat al die technologie er niet altijd al was, maar dat we heel simpel zijn begonnen.’
Een nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Is dit een goede ontwikkeling, een komische, of is het ronduit gevaarlijk? vraagt FOCUS zich af. Door wie zich niet aan de regels houdt te ‘cancellen’ en door simpele tekens als een duimpje omhoog, is iedere nuance ver te zoeken.
Van de boze ophef die ze veroorzaakte, raakt ze niet meer verlost. J.K. Rowling, schepper van Harry Potter en een van de populairste schrijfsters ter wereld, heeft een tomeloze toorn over zich afgeroepen. En dat omdat de begenadigde taalkunstenares zich uitsprak tegen een bijzondere taalvariant. Ze zou niet meedoen met grillen als gedifferentieerde geslachtsaanduidingen, verklaarde ze, en ze maakte zich bijvoorbeeld vrolijk over de formulering ‘mensen die menstrueren’. Waarom, vroeg ze zich af, zeggen ze niet gewoon, zoals sinds mensenheugenis, ‘vrouw’? Sindsdien wordt ze belaagd door zelfbenoemde taalhervormers en onverbiddelijke opiniebewakers. Rowling zou de kant gekozen hebben van duistere machten. Ze zou transseksuelen discrimineren en sowieso reactionair zijn.
Rowling heeft slechts een paar tweets over dit thema gepost, maar de knuppel der verachting treft haar met volle kracht. Op het internet heeft zich een groep geformeerd die haar onder de hashtag ‘Rust zacht J.K. Rowling’ de dood toewenst. En er gaan filmpjes rond waarin Harry Potterboeken verbrand worden.
‘Correcte’ taal
Uitgestoten worden vanwege een paar zogenaamd verkeerde woorden? Tot persona non grata verklaard worden om een uitspraak die anonieme opiniebewakers niet welgevallig is? Het geval van J.K. Rowling laat zien hoe gevaarlijk het kan zijn om iets schijnbaar onschuldigs te zeggen als je met die uitspraak bepaalde regels overtreedt. Regels die, zo lijkt het althans, de manier van spreken (en daarmee van denken) beïnvloeden en in een bepaalde richting duwen.
De nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Daarin gelden alle mensen als goed en gelijk. In plaats van gedevalueerde ‘vluchtelingen’ zijn er nu ‘vluchtenden’ onderweg. Het zuiver manlijke ‘inwoners’ moet plaatsmaken voor ‘inwonenden’. De ‘zigeunerschnitzel’ is al even vergiftigd als de ‘negerzoen’ – en Pippi Langkous’ papa wordt nu ‘Zuidzeekoning’ [in plaats van negerkoning].
‘Ze was vroeger een man’ is nu: ‘Ze werd bij de geboorte als mannelijk ingedeeld’
Symbool van deze grote verbale opvoeding is een sterretje – dat aan elk mannelijk wezen een vrouwelijke uitgang hangt. Geslachten zijn sowieso slecht. In tijden van ‘diversiteit’ is elke indeling een last, een belediging en een bedreiging. Een geslachtsverandering verandert in een ‘geslachtsaanpassing’ en de zin ‘Ze was vroeger een man’ is nu uit den boze. Goed is: ‘Ze werd bij de geboorte als mannelijk ingedeeld.’
En migranten? Juist, dat zijn nu ‘mensen met een internationale achtergrond’. Zo staat het in de nieuwe richtlijn van de Berlijnse minister van Justitie voor het gebruik van een ‘diversiteitsgevoelige’ taal in het bestuur van de hoofdstad.
Je kunt zulke ontwikkelingen goed vinden. Of komisch. Maar ook gevaarlijk. Critici van deze nieuwe, moreel zo vlekkeloze woordkeus zien de vrijheid van spreken en van meningsuiting in gevaar komen. Het volk zou gemuilkorfd worden – elke provocatie, elke vorm van brutale en duidelijke taal zou verboden worden. Wie zich niet aan de nieuwe regels houdt, zou veroordeeld worden als verachter van de gelijkheid, als seksist, als racist.
Machtsmiddel
Taal, zo waarschuwde onlangs nog de Neue Zürcher Zeitung, is een ‘machtsmiddel’. Het politiek correcte ‘koeterwaals’ dat aanvankelijk door academische elites in de VS, en nu ook steeds vaker in Europa wordt gepropageerd, zou in ieder geval door bepaalde lagen van de bevolking opgevat kunnen worden als een ‘aanval’ op hun cultuur.
Intussen hebben de nieuwe regels ook de scholen bereikt. Of en in hoeverre ze van kracht zijn wordt beslist door de leraressen (en leraren) zelf. Zo kan in een opstel het ontbreken van het gendersterretje aangegeven worden, maar het hoeft niet fout gerekend te worden.
Heinz-Peter Meidinger, president van de Duitse bond van leraren, tilt niet zwaar aan het schriftbeeld: ‘Ik geloof niet dat een niet-discriminerende of genderneutrale cultuur in de school opgehangen kan worden aan de invoering van het gendersterretje.’ Het zou beslist fout zijn daar een ‘geloofsstrijd’ van te maken.
Maar is deze geloofsstrijd niet al lange tijd bezig? De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, veroordelen en verspreiden. De Berlijnse viroloog Christian Drosten bijvoorbeeld is voor heel wat tegenstanders van de coronamaatregelen een mikpunt van haat. Op desbetreffende fora is vrijwel iedere uitspraak van de onderzoeker aanleiding tot woede en verontwaardiging.
Maar wat is dat voor communicatie, als er overal valstrikken staan? Als jan en alleman (of -vrouw) alle mogelijke gevolgen van elke uitspraak van tevoren moet bedenken, alsof hij (of zij) werkt op de protocolafdeling van de diplomatieke dienst? Als iedere vergissing, iedere verspreking, iedere verontschuldiging onmogelijk is? Hoe moet je met elkaar praten als het niet meer op de inhoud, maar alleen nog op de vorm van het gezegde aankomt, en op een omineuze subtekst die deze vorm zogenaamd overbrengt?
Luchtig
Bij het afscheid van de algemeen secretaris van de FDP Linda Teuteberg maakte partijleider Christian Lindner een dubbelzinnig grapje. In de afgelopen vijftien maanden waren Teuteberg en hij ongeveer driehonderd keer samen de dag begonnen, grapte Lindner. En na een korte stilte voegde hij eraan toe: ‘Ik bedoel ons dagelijks telefoongesprek in de ochtend over de politieke situatie. Niet wat u nu denkt.’
Hij had zijn praatje gewoon een beetje luchtig willen houden, benadrukte Lindner later, nadat zijn opmerking ‘viraal ging’. Er was weer eens gebleken wat voor een seksist Lindner was, luidde het vonnis. En in de digitale ruimte was het nu de vraag of ‘zo iemand’ eigenlijk wel geschikt was voor een leiderspositie.
Opvallend is dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren
Opvallend is dat de hoek van waaruit zulke smaadstormen opsteken intussen een andere is geworden. Dat ervoer ook de literaire wereldster Karl Ove Knausgard. Toen hij in 1998 in zijn vaderland Noorwegen zijn debuutroman Buiten de wereld publiceerde, waarin de liefdesgeschiedenis tussen een leraar en zijn dertienjarige leerlinge op provocerende wijze wordt verteld, werd het boek bejubeld. Maar zeventien jaar later, bij verschijning in Zweden, werd het door critici bestempeld als pornografisch en pedofiel.
‘Het klimaat is totaal veranderd,’ aldus een verbaasde Knausgard. Opvallend daarbij was dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren.
De popcultuur had van meet af aan iets rebels. Ze richtte zich tegen het establishment, tegen de zedenmeesters en de kleinburgers. Pop was links. Maar nu komen uit dit milieu de hardste sancties tegen vermeende of feitelijke overtredingen van de regels en taboebreuken. Nooit was de spreuk van het satirisch gezelschap Neue Frankfurter Schule toepasselijker: ‘De scherpste critici van de barbaren zijn zij die ’t vroeger zelf waren.’
De controverse rond de Oostenrijkse cabaretier Lisa Eckhart, die ontbrandde naar aanleiding van een gepland optreden op de Hamburger Kiez, vlak bij de legendarisch recalcitrante krakerswijk Hafenstraße St Pauli, past helemaal in dit beeld. Eckhart had er in 2018 in het satirische televisieprogramma Mitternachtsspitzen op gewezen dat de intussen veroordeelde seksmisdadiger Harvey Weinstein een jood was. ‘Altijd zijn we tekeergegaan tegen het vooroordeel dat het de Joden om geld gaat, en nu blijkt plotseling dat het ze helemaal niet om geld gaat, maar om vrouwen,’ zei ze, waarmee ze een cliché ontkrachtte dan wel de grenzen van het politiek correcte moedwillig overschreed – al naargelang je standpunt.
Vage kennis
De organisatoren van het literatuurfestival in Hamburg vreesden in elk geval gewelddadige protesten in de ‘zoals bekend uiterst linkse wijk’ St Pauli, en trokken de uitnodiging aan Eckhart in. Dat is de andere kant van de digitale proteststorm: hij veroorzaakt ook schade in de analoge wereld. Ook daarom is de ‘cancelcultuur’ zo dubieus: de oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan.
Dat satire grenzen overschrijdt, was vroeger vanzelfsprekend. Tegenwoordig wordt een zin uit een satirische context losgerukt, van iedere ironie ontdaan en wordt de afzender ermee om de oren geslagen. Maar is satire, of provocerende kunst in het algemeen, dan nog wel mogelijk? ‘Ik ben bang dat ik me op zeker moment in mijn schrijven niet meer op riskant terrein wagen kan,’ zei Karl Ove Knausgard onlangs in een interview met Die Zeit.
Maar hoe moet je reageren als je te maken krijgt met felle beledigingen? De cabaretier Dieter Nuhr, in wiens uitzending Lisa Eckhart regelmatig optreedt, kiest voor de aanval. Nuhr verdedigt zich op Twitter en YouTube tegen critici die hem een ‘klimaatontkenner’ en een ‘wetenschapsverachter’ noemen. Helaas is het tegenwoordig niet meer voldoende om satire voor zichzelf te laten spreken, klaagt hij.
Maar ironie is van nature ambivalent, en cabaret berust op rollenspel. Wanneer Gerhard Polt in een van zijn beroemdste nummers een racist wordt die zijn Aziatische vrouw Mai Ling opvoert, betekent dat niet dat hij zelf racistisch denkt.
Het publiek beslist
Overigens moet ook gewoon in de gaten worden gehouden of uitspraken strafbaar zijn, of ze bijvoorbeeld beledigingen, Holocaustontkenning of verheerlijking van het nationaalsocialisme bevatten, of racistisch zijn. De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is bovendien paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is.
Intussen moet blijkbaar altijd rekening worden gehouden met de omgeving waarin je een mening uit. Het publiek beslist wat mag en wat niet. Toen in de zomer tijdens de protesten na de gewelddadige dood van de Afro-Amerikaan George Floyd de Republikeinse hardliner en Trumpaanhanger Tom Cotton in een gastcommentaar in The New York Times eiste dat er militairen tegen de demonstranten zouden worden ingezet (‘Stuur er troepen heen’), veroorzaakte dat grote ophef bij de redactie en onder de lezers van het liberale blad. Uiteindelijk moest de verantwoordelijke redacteur, James Bennet, het veld ruimen. Een afwijkende mening ter discussie stellen was kennelijk niet te verenigen met de ‘debatcultuur’ van de krant, waarop ze toch zo trots is.
De discussie over het gendersterretje en de binnen-I [bijv. in ‘LehrerInnen’. vgl. in het Nederlands de toevoeging m/v], heeft het taalbewustzijn onder de bevolking zonder meer vergroot. Professionele speechschrijvers constateren in elk geval bij hun opdrachtgevers een vergrote gevoeligheid voor wat taal aan kan richten. ‘En dat,’ zegt de voorzitter van het verbond van Duitse speechschrijvers, Jacqueline Schäfer, ‘ervaren wij in eerste instantie als iets positiefs.’
Taal is iets levends, het taalgebruik laat zien wat dominant wordt – ‘en als dat op zeker moment het gendersterretje is, dan heeft gewoon iedereen wie dat niet bevalt, het nakijken’.
Toch gaat de consensus over ‘wat je nog zeggen kunt’ en wat taboe is wel verloren, volgens Schäfer. ‘Veel grenzen zijn in de voorbije decennia doorbroken, daarmee verdwijnt ook het gevoel voor tact. En dit gat wordt dan steeds vaker opgevuld door een soort taalpolitie.’
Wat tot dan toe normaal was, wordt zo tot overtreding van de regels verklaard – zoals het woord ‘dakloze’, dat een paar jaar geleden werd ingevoerd als vervanging voor ‘zwerver’ en dat mettertijd een negatieve bijklank kreeg. ‘Maar het verbetert niets voor hen als je deze mensen als “woningzoekenden” aanduidt,’ zegt Schäfer, ‘integendeel: het kan zelfs een banaliserend effect hebben.’
Alice Schwarzer hechtte altijd al aan duidelijke, provocerende taal. In de afgelopen jaren viel de feministische activiste steeds opnieuw het ook in Duitsland merkbare en invloedrijke islamisme aan. En ze uitte zich kritisch over vluchtelingen uit islamitische landen. Toen ze berichtte over de misdaden in de oudejaarsnacht van 2015 in Keulen, waarbij tientallen vrouwen door rellende vluchtelingen (of vluchtenden) op het Domplein werden aangevallen en enkelen zelfs werden verkracht, kwam ze zelf op de radar van de deugdpolitie.
Op het internet werd ze zwartgemaakt als een racistische ophitser – bijvoorbeeld op het zogenaamd feministische en antiracistische forum ‘#ausnahmslos’. Schwarzer zelf kan zulke belasteringen wel aan, maar in haar nieuwe boek Lebenswerk waarschuwt ze voor de gevolgen van een ‘verkeerde tolerantie’ tegenover andere culturen. De slachtoffers zouden genegeerd worden en de daders veracht. ‘Want hoe moeten die ooit de kans krijgen te veranderen en vreedzaam met ons te leven als we ze hier in ons land gewoon door laten razen?’
Taalreguleerders
Prominenten krijgen de kracht van de nieuwe taalreguleerders snel te voelen. In het openbaar gesproken woorden worden meteen veroordeeld. Daarbij houden de critici van de vaak onbeduidende uitglijers zich zelf aan geen enkele fatsoensregel. Op het internet wordt schaamteloos gescholden, beledigd, gesmaad, gedreigd, zodat de grote sociale media hele cohorten controleurs in dienst nemen om hun platforms enigszins schoon te houden.
Sinds de opkomst van communicatiediensten als Twitter en Facebook, nog maar vijftien jaar geleden, is een alternatieve publieke ruimte ontstaan die zich onttrekt aan de traditionele regulering. Waar mediabedrijven met veel moeite het waarheidsgehalte van wat gepubliceerd wordt checken, jagen we met zijn allen zonder te checken en doorgaans ongestraft haatboodschappen en nepnieuws het internet op.
Aanhangers van welke idiote leer ook treffen hier gelijkgezinden met wie ze zonder enige tegenspraak van gedachten kunnen wisselen. Hier mogen ze eindelijk zonder problemen zeggen waarvoor ze ergens anders, meestal terecht, ter verantwoording zouden worden geroepen. De toenemende democratisering die de grondleggers van het internet beloofden heeft geleid tot een versplintering van de openbare ruimte.
Nu spreekt iedereen in zijn eigen niche met gelijkgezinden. Luisteren, of zelfs over opiniegrenzen heen van gedachten wisselen, dat wil niemand meer. Zo spreken ontelbare miljoenen op het net elkaar alleen nog over opvattingen en meningen en argumenten die ze toch al hadden. Ze voeren feitelijk eindeloze gesprekken met zichzelf – in het gunstigste geval worden hun oordelen en voorstellingen bevestigd. In het ongunstigste geval wordt hun blik vernauwd en worden hun opvattingen steeds verstokter en radicaler. Net als hun taal.
De zogenaamd sociale media zijn vergiftigd door haat, bedreigingen, verachting, woede en geweldfantasieën. Mateloosheid is de maat van alle dingen, ze garandeert aandacht, verspreiding en likes. Het internet is volgestort met woorden waar geen woorden voor zijn.
Klaus-Dieter Hartleb moet zich dag in dag uit blootstellen aan deze virtuele excessen. De vijftigjarige hoofdofficier van Justitie uit München is sinds het begin van dit jaar verantwoordelijk voor de afdeling ‘hatespeech’ van de Beierse justitie en jaagt op verbale radicalen die met hun posts of pamfletten de grenzen van het toelaatbare overschrijden.
Strafbaar feit
In 80 procent van de onderzochte gevallen, zegt Hartleb, gaat het om het strafbare feit van opruiing. Gediscrimineerd, beledigd en bedreigd worden in het bijzonder Joden, vluchtelingen en politici die zich inzetten voor het toelaten van vluchtelingen. De als doelwit gekozen groepen moeten, zo eisen veel haatverspreiders, ‘teruggestuurd worden naar het oerwoud’, ‘tegen de muur gezet’ of ‘vergast’ worden.
Juist daders die het voor het eerst doen en betrapt worden, tonen zich ‘langdurig onder de indruk’ wanneer er plotseling opsporingsambtenaren voor de deur staan. Velen zien hun schuld ook in, wat beslist aan te raden is gezien de dreigende straffen (hoge geldboetes of zelfs celstraf).
Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer. De vrijheid van meningsuiting, aldus Hartleb, is inderdaad een ‘zeer groot goed’, maar hij is ‘geen censor’ en geen taalbewaker. Hij houdt uitsluitend de strafrechtelijke grenzen in het oog die op het internet worden overschreden.
Duizendvoudig, elke minuut. Alleen al in de eerste drie maanden van het jaar 2019 wiste Facebook in Duitsland 160.000 uitspraken die het bedrijf als ongeoorloofde haatberichten beoordeelde. Verbazingwekkend: in het hele jaar 2019 werden door het Bundeskriminalamt (BKA, de Duitse federale recherche) maar ongeveer 1500 onderzoeken ingesteld wegens het verspreiden van ‘hatespeech’. De typ- en klikmisdadigers die Facebook zelf ontmaskert, beschermt het bedrijf tegen de politie. Rechtshulpverzoeken van Duitse opsporingsambtenaren laat het concern vaak onbeantwoord of het blokkeert ze met het argument dat de servers in de VS staan, waar andere wetten gelden.
Al vervolgt de Duitse justitie intussen doelgericht ‘hatespeech’-delicten met speciale officieren van justitie en al moet een aanscherping van ‘internetwetgeving’ de platformexploitanten tot aangifte dwingen – een aanzienlijk aantal verbale strafbare daden blijft tot op heden voor de daders zonder consequenties. Maar voor de vrijheidslievende samenleving zijn de gevolgen enorm. En er moeten dringend uitgangspunten gevonden worden om allemaal weer zonder conflicten en vooroordelen met elkaar te kunnen spreken.
In de universiteitsstad Tübingen ligt aan de centrale Wilhelmsstrasse een betonnen bunker voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Het gebouw is genoemd naar Bertold Brecht, van wie je veel kunt zeggen, maar zeker niet dat hij een moraalridder was. Hier onderzoekt het in 1963 door Walter Jens opgerichte Seminar für Allgemeine Rhetorik het Duitse taalgebruik.
‘Politieke correctheid,’ zegt de professor retorica Olaf Kramer, ‘is aanvankelijk ontstaan vanuit de wens om bepaalde ethische en sociale standaards in te stellen voor begrippen en erop te wijzen dat taal discriminatoire processen in de maatschappij kan versterken.’
‘Politieke correctheid kan ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert’
Subjectieve ervaring
Bijvoorbeeld wanneer in de publieke discussie bepaalde begrippen worden gebruikt die iemand als beledigend ervaart. Of wanneer een subtiele uitsluiting plaatsvindt omdat over bepaalde beroepen steeds alleen in de mannelijke vorm wordt gesproken, alsof daarin geen vrouwelijke representanten te vinden zijn. Het beslissende criterium is dus de subjectieve ervaring.
‘Maar wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden,’ zegt Kramer, ‘kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert, want bepaalde groepen vatten die op als een spreekverbod en hebben dan het gevoel niet aan het woord te komen. Zo groeit de verontwaardiging.’
Democratie heeft echter vrijheid van meningsuiting nodig, want, zo schrijft de plaatsvervangende voorzitter van de FDP Wolfgang Kubicki in zijn juist verschenen boek Meinungsunfreiheit. Das gefährliche Spiel met der Demokratie, ‘de beste oplossing is vrijwel nooit die welke je thuis in je eentje hebt bedacht, maar die welke in discussie met anderen ontwikkeld is.’
Openheid
Maar dat veronderstelt de bereidheid om te luisteren, zonder dat andersdenkenden monddood gemaakt worden. ‘Ontbreekt deze menselijke openheid ten aanzien van andere meningen,’ schrijft Kubicki, ‘dan ontbreekt ook de voorwaarde om de vrede bij ons te bewaren en onze vrijheid te behouden.’
De retoricaprofessor Kramer wil daarom nieuwe regels voor digitale communicatie. Belangrijk is enerzijds het ‘pedagogische uitgangspunt dat al op school gevoeligheid voor de omgang met anderen wordt aangekweekt en de consequenties duidelijk worden gemaakt’. Anderzijds zouden de platforms van de sociale media ook technische oplossingen moeten ontwikkelen. ‘De zuiver emotionele deelname aan een discussie met “duimpje omhoog” of “duimpje omlaag” is niet geschikt voor gecompliceerde politieke kwesties,’ zegt Kramer. ‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen.’
Onmisbaar acht hij strenge juridische consequenties voor ‘hatespeech’ op het internet, ook al zou het in strijd zijn met het oorspronkelijke idee van het internet als een volledig vrije, open en ongecontroleerde ruimte. ‘Men zou – internationaal – kunnen afspreken dat handelingen op het internet dezelfde consequenties hebben als in de reële wereld. Misschien zou het internet dan weer het fantastische platform worden waarop iedereen met iedereen echt in gesprek kan komen.’
En misschien zouden sociale media dan hun charme weer terug kunnen krijgen omdat men daar met prominenten als J.K. Rowling, Lisa Eckhart of Dieter Nuhr van gedachten kan wisselen over hun denkbeelden, verhalen en wie weet over hun provocaties. In plaats van ze met vervloekingen te bestoken.
Focus (geschreven als FOCUS) is een Duitstalig nieuwsmagazine dat wordt uitgegeven door Hubert Burda Media. Het werd in 1993 opgericht als alternatief voor het wekelijkse nieuwsmagazine Der Spiegel en heeft sinds 2015 haar hoofdkantoor in Berlijn. [Naast Spiegel en Stern is Focus een van de drie meest verspreide Duitse weekbladen. Het idee van FOCUS is afkomstig van Hubert Burda en Helmut Markwort. De huidige hoofdredacteur van Focus sinds maart 2016 is Robert Schneider.
Een nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Is dit een goede ontwikkeling, een komische, of is het ronduit gevaarlijk? vraagt FOCUS zich af. Door wie zich niet aan de regels houdt te ‘cancellen’ en door simpele tekens als een duimpje omhoog, is iedere nuance ver te zoeken.
Van de boze ophef die ze veroorzaakte, raakt ze niet meer verlost. J.K. Rowling, schepper van Harry Potter en een van de populairste schrijfsters ter wereld, heeft een tomeloze toorn over zich afgeroepen. En dat omdat de begenadigde taalkunstenares zich uitsprak tegen een bijzondere taalvariant. Ze zou niet meedoen met grillen als gedifferentieerde geslachtsaanduidingen, verklaarde ze, en ze maakte zich bijvoorbeeld vrolijk over de formulering ‘mensen die menstrueren’. Waarom, vroeg ze zich af, zeggen ze niet gewoon, zoals sinds mensenheugenis, ‘vrouw’? Sindsdien wordt ze belaagd door zelfbenoemde taalhervormers en onverbiddelijke opiniebewakers. Rowling zou de kant gekozen hebben van duistere machten. Ze zou transseksuelen discrimineren en sowieso reactionair zijn.
Rowling heeft slechts een paar tweets over dit thema gepost, maar de knuppel der verachting treft haar met volle kracht. Op het internet heeft zich een groep geformeerd die haar onder de hashtag ‘Rust zacht J.K. Rowling’ de dood toewenst. En er gaan filmpjes rond waarin Harry Potterboeken verbrand worden.
Alle mensen goed en gelijk
Uitgestoten worden vanwege een paar zogenaamd verkeerde woorden? Tot persona non grata verklaard worden om een uitspraak die anonieme opiniebewakers niet welgevallig is? Het geval van J.K. Rowling laat zien hoe gevaarlijk het kan zijn om iets schijnbaar onschuldigs te zeggen als je met die uitspraak bepaalde regels overtreedt. Regels die, zo lijkt het althans, de manier van spreken (en daarmee van denken) beïnvloeden en in een bepaalde richting duwen.
De nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Daarin gelden alle mensen als goed en gelijk. In plaats van gedevalueerde ‘vluchtelingen’ zijn er nu ‘vluchtenden’ onderweg. Het zuiver manlijke ‘inwoners’ moet plaatsmaken voor ‘inwonenden’. De ‘zigeunerschnitzel’ is al even vergiftigd als de ‘negerzoen’ – en Pippi Langkous’ papa wordt nu ‘Zuidzeekoning’ [in plaats van negerkoning].
Geslachten zijn sowieso slecht
Symbool van deze grote verbale opvoeding is een sterretje – dat aan elk mannelijk wezen een vrouwelijke uitgang hangt. Geslachten zijn sowieso slecht. In tijden van ‘diversiteit’ is elke indeling een last, een belediging en een bedreiging. Een geslachtsverandering verandert in een ‘geslachtsaanpassing’ en de zin ‘Ze was vroeger een man’ is nu uit den boze. Goed is: ‘Ze werd bij de geboorte als mannelijk ingedeeld.’
En migranten? Juist, dat zijn nu ‘mensen met een internationale achtergrond’. Zo staat het in de nieuwe richtlijn van de Berlijnse minister van Justitie voor het gebruik van een ‘diversiteitsgevoelige’ taal in het bestuur van de hoofdstad.
Taal als machtsmiddel
Je kunt zulke ontwikkelingen goed vinden. Of komisch. Maar ook gevaarlijk. Critici van deze nieuwe, moreel zo vlekkeloze woordkeus zien de vrijheid van spreken en van meningsuiting in gevaar komen. Het volk zou gemuilkorfd worden – elke provocatie, elke vorm van brutale en duidelijke taal zou verboden worden. Wie zich niet aan de nieuwe regels houdt, zou veroordeeld worden als verachter van de gelijkheid, als seksist, als racist.
Taal, zo waarschuwde onlangs nog de Neue Zürcher Zeitung, is een ‘machtsmiddel’. Het politiek correcte ‘koeterwaals’ dat aanvankelijk door academische elites in de VS, en nu ook steeds vaker in Europa wordt gepropageerd, zou in ieder geval door bepaalde lagen van de bevolking opgevat kunnen worden als een ‘aanval’ op hun cultuur.
De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, verdoemen en verspreiden
Intussen hebben de nieuwe regels ook de scholen bereikt. Of en in hoeverre ze van kracht zijn wordt beslist door de leraressen (en leraren) zelf. Zo kan in een opstel het ontbreken van het gendersterretje aangegeven worden, maar het hoeft niet fout gerekend te worden.
Heinz-Peter Meidinger, president van de Duitse bond van leraren, tilt niet zwaar aan het schriftbeeld: ‘Ik geloof niet dat een niet-discriminerende of genderneutrale cultuur in de school opgehangen kan worden aan de invoering van het gendersterretje.’ Het zou beslist fout zijn daar een ‘geloofsstrijd’ van te maken.
Maar is deze geloofsstrijd niet al lange tijd bezig? De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, veroordelen en verspreiden. De Berlijnse viroloog Christian Drosten bijvoorbeeld is voor heel wat tegenstanders van de coronamaatregelen een mikpunt van haat. Op desbetreffende fora is vrijwel iedere uitspraak van de onderzoeker aanleiding tot woede en verontwaardiging.
Maar wat is dat voor communicatie, als er overal valstrikken staan? Als jan en alleman (of -vrouw) alle mogelijke gevolgen van elke uitspraak van tevoren moet bedenken, alsof hij (of zij) werkt op de protocolafdeling van de diplomatieke dienst? Als iedere vergissing, iedere verspreking, iedere verontschuldiging onmogelijk is? Hoe moet je met elkaar praten als het niet meer op de inhoud, maar alleen nog op de vorm van het gezegde aankomt, en op een omineuze subtekst die deze vorm zogenaamd overbrengt?
Gewoon een beetje luchtig
Bij het afscheid van de algemeen secretaris van de FDP Linda Teuteberg maakte partijleider Christian Lindner een dubbelzinnig grapje. In de afgelopen vijftien maanden waren Teuteberg en hij ongeveer driehonderd keer samen de dag begonnen, grapte Lindner. En na een korte stilte voegde hij eraan toe: ‘Ik bedoel ons dagelijks telefoongesprek in de ochtend over de politieke situatie. Niet wat u nu denkt.’
Hij had zijn praatje gewoon een beetje luchtig willen houden, benadrukte Lindner later, nadat zijn opmerking ‘viraal ging’. Er was weer eens gebleken wat voor een seksist Lindner was, luidde het vonnis. En in de digitale ruimte was het nu de vraag of ‘zo iemand’ eigenlijk wel geschikt was voor een leiderspositie.
Opvallend is dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren
Opvallend is dat de hoek van waaruit zulke smaadstormen opsteken intussen een andere is geworden. Dat ervoer ook de literaire wereldster Karl Ove Knausgard. Toen hij in 1998 in zijn vaderland Noorwegen zijn debuutroman Buiten de wereld publiceerde, waarin de liefdesgeschiedenis tussen een leraar en zijn dertienjarige leerlinge op provocerende wijze wordt verteld, werd het boek bejubeld. Maar zeventien jaar later, bij verschijning in Zweden, werd het door critici bestempeld als pornografisch en pedofiel.
‘Het klimaat is totaal veranderd,’ aldus een verbaasde Knausgard. Opvallend daarbij was dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren.
De popcultuur had van meet af aan iets rebels. Ze richtte zich tegen het establishment, tegen de zedenmeesters en de kleinburgers. Pop was links. Maar nu komen uit dit milieu de hardste sancties tegen vermeende of feitelijke overtredingen van de regels en taboebreuken. Nooit was de spreuk van het satirisch gezelschap Neue Frankfurter Schule toepasselijker: ‘De scherpste critici van de barbaren zijn zij die ’t vroeger zelf waren.’
De oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan
De controverse rond de Oostenrijkse cabaretier Lisa Eckhart, die ontbrandde naar aanleiding van een gepland optreden op de Hamburger Kiez, vlak bij de legendarisch recalcitrante krakerswijk Hafenstraße St Pauli, past helemaal in dit beeld. Eckhart had er in 2018 in het satirische televisieprogramma Mitternachtsspitzen op gewezen dat de intussen veroordeelde seksmisdadiger Harvey Weinstein een jood was. ‘Altijd zijn we tekeergegaan tegen het vooroordeel dat het de Joden om geld gaat, en nu blijkt plotseling dat het ze helemaal niet om geld gaat, maar om vrouwen,’ zei ze, waarmee ze een cliché ontkrachtte dan wel de grenzen van het politiek correcte moedwillig overschreed – al naargelang je standpunt.
De organisatoren van het literatuurfestival in Hamburg vreesden in elk geval gewelddadige protesten in de ‘zoals bekend uiterst linkse wijk’ St Pauli, en trokken de uitnodiging aan Eckhart in. Dat is de andere kant van de digitale proteststorm: hij veroorzaakt ook schade in de analoge wereld. Ook daarom is de ‘cancelcultuur’ zo dubieus: de oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan.
Dat satire grenzen overschrijdt, was vroeger vanzelfsprekend. Tegenwoordig wordt een zin uit een satirische context losgerukt, van iedere ironie ontdaan en wordt de afzender ermee om de oren geslagen. Maar is satire, of provocerende kunst in het algemeen, dan nog wel mogelijk? ‘Ik ben bang dat ik me op zeker moment in mijn schrijven niet meer op riskant terrein wagen kan,’ zei Karl Ove Knausgard onlangs in een interview met Die Zeit.
De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is
Maar hoe moet je reageren als je te maken krijgt met felle beledigingen? De cabaretier Dieter Nuhr, in wiens uitzending Lisa Eckhart regelmatig optreedt, kiest voor de aanval. Nuhr verdedigt zich op Twitter en YouTube tegen critici die hem een ‘klimaatontkenner’ en een ‘wetenschapsverachter’ noemen. Helaas is het tegenwoordig niet meer voldoende om satire voor zichzelf te laten spreken, klaagt hij.
Maar ironie is van nature ambivalent, en cabaret berust op rollenspel. Wanneer Gerhard Polt in een van zijn beroemdste nummers een racist wordt die zijn Aziatische vrouw Mai Ling opvoert, betekent dat niet dat hij zelf racistisch denkt.
Overigens moet ook gewoon in de gaten worden gehouden of uitspraken strafbaar zijn, of ze bijvoorbeeld beledigingen, Holocaustontkenning of verheerlijking van het nationaalsocialisme bevatten, of racistisch zijn. De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is bovendien paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is.
Intussen moet blijkbaar altijd rekening worden gehouden met de omgeving waarin je een mening uit. Het publiek beslist wat mag en wat niet. Toen in de zomer tijdens de protesten na de gewelddadige dood van de Afro-Amerikaan George Floyd de Republikeinse hardliner en Trumpaanhanger Tom Cotton in een gastcommentaar in The New York Times eiste dat er militairen tegen de demonstranten zouden worden ingezet (‘Stuur er troepen heen’), veroorzaakte dat grote ophef bij de redactie en onder de lezers van het liberale blad. Uiteindelijk moest de verantwoordelijke redacteur, James Bennet, het veld ruimen. Een afwijkende mening ter discussie stellen was kennelijk niet te verenigen met de ‘debatcultuur’ van de krant, waarop ze toch zo trots is.
Banaliserend effect
De discussie over het gendersterretje en de binnen-I [bijv. in ‘LehrerInnen’. vgl. in het Nederlands de toevoeging m/v], heeft het taalbewustzijn onder de bevolking zonder meer vergroot. Professionele speechschrijvers constateren in elk geval bij hun opdrachtgevers een vergrote gevoeligheid voor wat taal aan kan richten. ‘En dat,’ zegt de voorzitter van het verbond van Duitse speechschrijvers, Jacqueline Schäfer, ‘ervaren wij in eerste instantie als iets positiefs.’
Taal is iets levends, het taalgebruik laat zien wat dominant wordt – ‘en als dat op zeker moment het gendersterretje is, dan heeft gewoon iedereen wie dat niet bevalt, het nakijken’.
Toch gaat de consensus over ‘wat je nog zeggen kunt’ en wat taboe is wel verloren, volgens Schäfer. ‘Veel grenzen zijn in de voorbije decennia doorbroken, daarmee verdwijnt ook het gevoel voor tact. En dit gat wordt dan steeds vaker opgevuld door een soort taalpolitie.’
Wat tot dan toe normaal was, wordt zo tot overtreding van de regels verklaard – zoals het woord ‘dakloze’, dat een paar jaar geleden werd ingevoerd als vervanging voor ‘zwerver’ en dat mettertijd een negatieve bijklank kreeg. ‘Maar het verbetert niets voor hen als je deze mensen als “woningzoekenden” aanduidt,’ zegt Schäfer, ‘integendeel: het kan zelfs een banaliserend effect hebben.’
Op de radar
Alice Schwarzer hechtte altijd al aan duidelijke, provocerende taal. In de afgelopen jaren viel de feministische activiste steeds opnieuw het ook in Duitsland merkbare en invloedrijke islamisme aan. En ze uitte zich kritisch over vluchtelingen uit islamitische landen. Toen ze berichtte over de misdaden in de oudejaarsnacht van 2015 in Keulen, waarbij tientallen vrouwen door rellende vluchtelingen (of vluchtenden) op het Domplein werden aangevallen en enkelen zelfs werden verkracht, kwam ze zelf op de radar van de deugdpolitie.
Op het internet werd ze zwartgemaakt als een racistische ophitser – bijvoorbeeld op het zogenaamd feministische en antiracistische forum ‘#ausnahmslos’. Schwarzer zelf kan zulke belasteringen wel aan, maar in haar nieuwe boek Lebenswerk waarschuwt ze voor de gevolgen van een ‘verkeerde tolerantie’ tegenover andere culturen. De slachtoffers zouden genegeerd worden en de daders veracht. ‘Want hoe moeten die ooit de kans krijgen te veranderen en vreedzaam met ons te leven als we ze hier in ons land gewoon door laten razen?’
Prominenten krijgen de kracht van de nieuwe taalreguleerders snel te voelen. In het openbaar gesproken woorden worden meteen veroordeeld. Daarbij houden de critici van de vaak onbeduidende uitglijers zich zelf aan geen enkele fatsoensregel. Op het internet wordt schaamteloos gescholden, beledigd, gesmaad, gedreigd, zodat de grote sociale media hele cohorten controleurs in dienst nemen om hun platforms enigszins schoon te houden.
Sinds de opkomst van communicatiediensten als Twitter en Facebook, nog maar vijftien jaar geleden, is een alternatieve publieke ruimte ontstaan die zich onttrekt aan de traditionele regulering. Waar mediabedrijven met veel moeite het waarheidsgehalte van wat gepubliceerd wordt checken, jagen we met zijn allen zonder te checken en doorgaans ongestraft haatboodschappen en nepnieuws het internet op.
Elke aanhanger van welke idiote leer ook treft hier gelijkgezinden met wie hij zonder enige tegenspraak van gedachten kan wisselen
Aanhangers van welke idiote leer ook treffen hier gelijkgezinden met wie ze zonder enige tegenspraak van gedachten kunnen wisselen. Hier mogen ze eindelijk zonder problemen zeggen waarvoor ze ergens anders, meestal terecht, ter verantwoording zouden worden geroepen. De toenemende democratisering die de grondleggers van het internet beloofden heeft geleid tot een versplintering van de openbare ruimte.
Nu spreekt iedereen in zijn eigen niche met gelijkgezinden. Luisteren, of zelfs over opiniegrenzen heen van gedachten wisselen, dat wil niemand meer. Zo spreken ontelbare miljoenen op het net elkaar alleen nog over opvattingen en meningen en argumenten die ze toch al hadden. Ze voeren feitelijk eindeloze gesprekken met zichzelf – in het gunstigste geval worden hun oordelen en voorstellingen bevestigd. In het ongunstigste geval wordt hun blik vernauwd en worden hun opvattingen steeds verstokter en radicaler. Net als hun taal.
De zogenaamd sociale media zijn vergiftigd door haat, bedreigingen, verachting, woede en geweldfantasieën. Mateloosheid is de maat van alle dingen, ze garandeert aandacht, verspreiding en likes. Het internet is volgestort met woorden waar geen woorden voor zijn.
Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer
Klaus-Dieter Hartleb moet zich dag in dag uit blootstellen aan deze virtuele excessen. De vijftigjarige hoofdofficier van Justitie uit München is sinds het begin van dit jaar verantwoordelijk voor de afdeling ‘hatespeech’ van de Beierse justitie en jaagt op verbale radicalen die met hun posts of pamfletten de grenzen van het toelaatbare overschrijden.
In 80 procent van de onderzochte gevallen, zegt Hartleb, gaat het om het strafbare feit van opruiing. Gediscrimineerd, beledigd en bedreigd worden in het bijzonder Joden, vluchtelingen en politici die zich inzetten voor het toelaten van vluchtelingen. De als doelwit gekozen groepen moeten, zo eisen veel haatverspreiders, ‘teruggestuurd worden naar het oerwoud’, ‘tegen de muur gezet’ of ‘vergast’ worden.
Juist daders die het voor het eerst doen en betrapt worden, tonen zich ‘langdurig onder de indruk’ wanneer er plotseling opsporingsambtenaren voor de deur staan. Velen zien hun schuld ook in, wat beslist aan te raden is gezien de dreigende straffen (hoge geldboetes of zelfs celstraf).
Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer. De vrijheid van meningsuiting, aldus Hartleb, is inderdaad een ‘zeer groot goed’, maar hij is ‘geen censor’ en geen taalbewaker. Hij houdt uitsluitend de strafrechtelijke grenzen in het oog die op het internet worden overschreden.
Duizendvoudig, elke minuut. Alleen al in de eerste drie maanden van het jaar 2019 wiste Facebook in Duitsland 160.000 uitspraken die het bedrijf als ongeoorloofde haatberichten beoordeelde. Verbazingwekkend: in het hele jaar 2019 werden door het Bundeskriminalamt (BKA, de Duitse federale recherche) maar ongeveer 1500 onderzoeken ingesteld wegens het verspreiden van ‘hatespeech’. De typ- en klikmisdadigers die Facebook zelf ontmaskert, beschermt het bedrijf tegen de politie. Rechtshulpverzoeken van Duitse opsporingsambtenaren laat het concern vaak onbeantwoord of het blokkeert ze met het argument dat de servers in de VS staan, waar andere wetten gelden.
‘Wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden, kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert’
Al vervolgt de Duitse justitie intussen doelgericht ‘hatespeech’-delicten met speciale officieren van justitie en al moet een aanscherping van ‘internetwetgeving’ de platformexploitanten tot aangifte dwingen – een aanzienlijk aantal verbale strafbare daden blijft tot op heden voor de daders zonder consequenties. Maar voor de vrijheidslievende samenleving zijn de gevolgen enorm. En er moeten dringend uitgangspunten gevonden worden om allemaal weer zonder conflicten en vooroordelen met elkaar te kunnen spreken.
In de universiteitsstad Tübingen ligt aan de centrale Wilhelmsstrasse een betonnen bunker voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Het gebouw is genoemd naar Bertold Brecht, van wie je veel kunt zeggen, maar zeker niet dat hij een moraalridder was. Hier onderzoekt het in 1963 door Walter Jens opgerichte Seminar für Allgemeine Rhetorik het Duitse taalgebruik.
‘Politieke correctheid,’ zegt de professor retorica Olaf Kramer, ‘is aanvankelijk ontstaan vanuit de wens om bepaalde ethische en sociale standaards in te stellen voor begrippen en erop te wijzen dat taal discriminatoire processen in de maatschappij kan versterken.’
Bijvoorbeeld wanneer in de publieke discussie bepaalde begrippen worden gebruikt die iemand als beledigend ervaart. Of wanneer een subtiele uitsluiting plaatsvindt omdat over bepaalde beroepen steeds alleen in de mannelijke vorm wordt gesproken, alsof daarin geen vrouwelijke representanten te vinden zijn. Het beslissende criterium is dus de subjectieve ervaring.
‘Maar wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden,’ zegt Kramer, ‘kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert, want bepaalde groepen vatten die op als een spreekverbod en hebben dan het gevoel niet aan het woord te komen. Zo groeit de verontwaardiging.’
De beste oplossing
Democratie heeft echter vrijheid van meningsuiting nodig, want, zo schrijft de plaatsvervangende voorzitter van de FDP Wolfgang Kubicki in zijn juist verschenen boek Meinungsunfreiheit. Das gefährliche Spiel met der Demokratie, ‘de beste oplossing is vrijwel nooit die welke je thuis in je eentje hebt bedacht, maar die welke in discussie met anderen ontwikkeld is.’
Maar dat veronderstelt de bereidheid om te luisteren, zonder dat andersdenkenden monddood gemaakt worden. ‘Ontbreekt deze menselijke openheid ten aanzien van andere meningen,’ schrijft Kubicki, ‘dan ontbreekt ook de voorwaarde om de vrede bij ons te bewaren en onze vrijheid te behouden.’
‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen’
De retoricaprofessor Kramer wil daarom nieuwe regels voor digitale communicatie. Belangrijk is enerzijds het ‘pedagogische uitgangspunt dat al op school gevoeligheid voor de omgang met anderen wordt aangekweekt en de consequenties duidelijk worden gemaakt’. Anderzijds zouden de platforms van de sociale media ook technische oplossingen moeten ontwikkelen. ‘De zuiver emotionele deelname aan een discussie met “duimpje omhoog” of “duimpje omlaag” is niet geschikt voor gecompliceerde politieke kwesties,’ zegt Kramer. ‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen.’
Onmisbaar acht hij strenge juridische consequenties voor ‘hatespeech’ op het internet, ook al zou het in strijd zijn met het oorspronkelijke idee van het internet als een volledig vrije, open en ongecontroleerde ruimte. ‘Men zou – internationaal – kunnen afspreken dat handelingen op het internet dezelfde consequenties hebben als in de reële wereld. Misschien zou het internet dan weer het fantastische platform worden waarop iedereen met iedereen echt in gesprek kan komen.’
En misschien zouden sociale media dan hun charme weer terug kunnen krijgen omdat men daar met prominenten als J.K. Rowling, Lisa Eckhart of Dieter Nuhr van gedachten kan wisselen over hun denkbeelden, verhalen en wie weet over hun provocaties. In plaats van ze met vervloekingen te bestoken.
Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk over wat haar moedertaal, het Pools, voor haar betekent. Of is het vadertaal? ‘Met het masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad.’
De bewustwording van de eigen taal, met haar voordelen en gunsten maar ook haar beperkingen en rariteiten, lijkt op een langdurig psychoanalytisch proces. Dat is de bagage die door ons, schrijvers, wordt gedragen. Ze is niet afhankelijk van onze schuld of verdienste, maar ze spruit voort uit dezelfde bron die ons ooit tot een bepaalde plek, tijd of levensvorm heeft gebracht.
Zo beschouwd, is de taal een literair fatum. Binnen in de taal kunnen wij slechts tot op bepaalde hoogte onszelf zijn (en ‘onszelf zijn’ schijnt een belangrijk beginsel van onze cultuur te vormen). Grotendeels zijn wij afhankelijk van iets machtigers waarop wij geen invloed kunnen uitoefenen.
Het is dus niet verwonderlijk dat filosofen uiteindelijk God, het bestaan, ‘waarom iets in plaats van niets’ achter zich hebben gelaten en zich met de taal gingen bezighouden.
Vaak maken schrijvers de fout om de taal als een eigen territorium te beschouwen; een oeroceaan waaruit onze individuele gedachten komen zoals de eerste aminozuren. Maar het blijkt dat de meridiaan van de taal al buiten onze invloed was vastgesteld. In de taal is men gegooid.
Zo ben ik in het Pools gegooid. Ik ben geboren en opgegroeid in het westen van Polen, in een mengeling van culturen en dialecten; in gebieden die pas na de Tweede Wereldoorlog bij de rest van het land zijn gaan behoren. Maar volgens linguïsten spreken wij daar in Laag-Silezië, in die smeltkroes van culturen, een voorbeeldig Pools.
Ik spreek geen dialect en ik heb geen accent. Ik beheers geen enkele vreemde taal goed genoeg om haar voor mijn literatuur te gebruiken. Ik ben eentalig. In een andere taal schrijven, zou ik niet kunnen. Ik kan in twee buitenlandse talen communiceren, maar deze communicatie is vereenvoudigd en verloopt moeizaam.
Patchworktaal
In het Bureau International des Poids et des Mesures in Sèvres, bij Parijs, met zijn verzameling sjablonen en proto-types, zou ik kunnen fungeren als het voorbeeld van een perfect Poolssprekende. Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools. Een objectief standpunt is dat niet.
Het Pools behoort tot de grote groep van Slavische talen en vanzelfsprekend ook tot de Indo-Europese talen. Geschreven Pools begon zich relatief laat te vormen, vanaf de twaalfde eeuw. Daarbij speelde de rooms-katholieke kerstening van Polen een belangrijke rol. Het Pools heeft het Latijnse alfabet aangenomen (in tegenstelling tot sommige andere Slavische talen zoals het Russisch of het Bulgaars, die op het Griekse alfabet zijn gebaseerd).
Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools
Pas in 1270, in de Księga Henrykowska, een register van kerkelijke bezittingen, nota bene opgemaakt in Laag-Silezië, werd de eerste zin in het Pools geschreven. De context is bijzonder interessant. De Latijnse tekst verhaalt over een man, een zeker Boguchwała, die – wat voor zijn tijdgenoten zeer vreemd moet zijn geweest – zijn vrouw hielp om graan te malen. Aan deze man wordt die beroemde eerste Poolse zin toegeschreven: Day ut ia pobrusa, a ti poziwai. Vertaald naar hedendaags Pools betekent dat: ‘Laat mij maar doen, en jij rust.’
De geografische ligging van Polen, tussen sterke buren, in het hart van Europa, in de nabijheid van verschillende culturen: dat alles beïnvloedde het lexicon sterk. Het is buitengewoon, maar zeventig procent van de Poolse woorden hebben vreemde wortels.
Het Pools is dus een samengestelde taal, een patchworktaal, melting pot en mélange. Alles wat wij met onze buren deelden – de gevoerde oorlogen, reizen, trends en fascinaties – leidde tot verdere expansie van deze vreemde talen in het Pools. Aan de Duitsers danken wij een rijke technische woordenschat. Alle nieuwigheden kwamen van deze buren uit het westen.
Maar met hen hadden wij ook veel problemen. Duitse pioniers in Polen behoorden altijd tot een sterke, welvarende en goed georganiseerde gemeenschap. In de zestiende eeuw was tachtig procent van de burgerij in Kraków van Duitse afkomst. Om de deloyale samenzweerders te ontmaskeren, bedacht de Poolse koning een taaltest. Elke inwoner van Kraków moest zonder problemen moeilijke Poolse woordjes uitspreken zoals: soczewica, koło, miele młyn (‘linzen’, ‘wiel’, ‘de molen maalt’). Wie daarin niet slaagde, werd gestraft.
Met de komst van de Italiaanse koningin Bona, de vrouw van de zestiende-eeuwse Poolse koning Zygmunt III de Oude, belandden in het Pools plots veel Italiaanse woorden, vooral uit vakgebieden zoals de architectuur, muziek, het militaire apparaat en, bovenal, uit het culinaire domein. In de zeventiende eeuw was er dan weer een invasie van het Frans. De invloed van het Russisch en de andere oosterse talen was ook niet te onderschatten. Turks en Hongaars: ook bij die talen speelden wij leentjebuur. Uit het Latijn sijpelden abstracte en religieuze woorden door.
In de vijftiende en zestiende eeuw was het Tsjechisch een heel populaire taal in Polen. Tsjechisch spreken was een keurmerk voor een hoge sociale positie. In de negentiende eeuw verdween Polen, verdeeld als het was tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije, volledig van de kaart van Europa. Er was toen sprake van intensieve en actieve germanisering en russificatie van de Poolse bevolking. En tegenwoordig kennen wij in Polen – zoals overal – een Engels offensief.
Ik hou van die openheid van het Pools voor vreemde woorden. De puurheid van het Pools is zeker niet in gevaar – in onze bizarre mengeling worden zelfs de vreemdste woorden vermalen door de Poolse grammatica; ze krijgen eigenaardige uitgangen en worden in het keurslijf van de Poolse verbuigingen geperst. Het Pools zuigt woorden aan uit de hele wereld; het Pools is een taal met een eeuwige honger.
In de lange jaren van leven en lijden onder drie agressors vervulde deze patchworktaal een bijzondere en paradoxale rol: zij was een erfstuk van onze nationale identiteit. De enige schatkist van de Poolse cultuur was toen de literatuur. Men streed voor het Pools, men stierf voor het Pools.
Vertalers
Vertalers zijn voor schrijvers zoals psychoanalytici: ze stellen de meest verbazingwekkende vragen. Het zou goed zijn om die vragen te noteren, te bewaren en uit te geven. Zo zouden lezers de zware taak van schrijver en vertaler beter leren te appreciëren en het fenomeen van de taal meer bewonderen. Dankzij vertalers ben ik zaken die voor mij vroeger vanzelfsprekend waren, totaal anders gaan bekijken. Vertalers hebben mij attent gemaakt op enkele eigenschappen van het Pools die ik hier probeer te beschrijven. Dezelfde vragen merk ik bij buitenlanders die opeens besluiten Pools te leren. Deze moedige mensen beklagen zich er vaak over dat de Poolse grammatica bijna volledig op uitzonderingen is gebouwd: elke regel staat met een groot aantal uitzonderingen machteloos in de strijd. Dat klopt.
Pools is traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien
Het Pools leer je beter door intuïtie, of je leert de taal gewoon uit het hoofd. Onze taal vindt het belangrijk om zo dicht mogelijk tegen tradities en historiciteit aan te schurken. Het is een taalmuseum vol fossielen dat niet gehoorzaamt aan de eenvoudige eisen van pragmatiek. De ingewikkelde vervoegen en verbuigingen werken niet alleen in op de uitgangen, maar veranderen vaak ook de stam van een woord. Ook de buitenlander die het Pools prima beheerst, wordt ontmaskerd zodra hij de verschillende varianten van de verleden tijd moet hanteren.
De Poolse spelling kent verschillende schrijfwijzen voor een en dezelfde klank. Dat is een erfenis uit het verleden waarin ook de uitspraak van die klanken anders was. In de geschreven taal zijn die mutaties dus bewaard. Een angstvisioen voor elke scholier.
Het Pools is logisch noch pragmatisch. De grammatica is veeleisend, soms gek, de schrijfwijze moeilijk. Om niet logisch verklaarbare (waarschijnlijk sentimentele) redenen houdt het Pools vast aan aloude grammaticale vormen.
Pools is ook traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien. Het Pools is drie geslachten rijk, maar het mannelijke is het meest bevoorrecht. Mannelijke substantieven hebben andere verbuigingen dan vrouwelijke en onzijdige woorden. Wanneer het over mannen gaat, zeggen wij poszli, ‘zij gingen weg’. Over vrouwen zeggen wij poszły. Maar wanneer de groep gemengd is, hanteren wij per definitie de mannelijke versie poszli. Die regel is ook van toepassing als de groep bestaat uit, zeg maar, zestig vrouwen en één man. Zijn aanwezigheid is dus beslissend voor de hele groep.
Wanneer wij praten of schrijven over ‘de mens’ in het algemeen, dan sluiten wij vrouwen (en kinderen) grammaticaal uit. Die patriarchale attitude wordt ook weerspiegeld in de naamgeving van beroepen. Vrouwelijke beroepsnamen klinken in het Pools dikwijls kleinerend, geven een minder professionele indruk en drukken onderwaardering uit. Kijk naar de vrouwelijke professor: profesorka. Dat klinkt als een mannelijke miniprofessor: profesorek.
Geen ontsnappen aan
Met dat masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad. Men kan immers het geslacht van de schrijvende niet verbergen als men in de tekst de eerste persoon wil gebruiken. Voorts is het geslacht onmiddellijk zichtbaar in werkwoorden in de verleden tijd, net zoals het steeds in de vorm van adjectieven wordt ontmaskerd. Daar is geen ontsnappen aan.
De vertaalster van de Britse schrijfster Jeanette Winterson had echt een probleem – in de originele tekst was het geslacht van de verteller volledig verborgen, door een consequent gebruik van de eerste persoon tegenwoordige tijd. En dat was nu net de essentie van de roman. In de Poolse vertaling was een dergelijke maskering van het geslacht onmogelijk. Na een arbitraire beslissing kreeg de verteller in de Poolse vertaling het vrouwelijke geslacht. Terloops wil ik eraan toevoegen dat er in het Pools geen ‘moedertaal’ bestaat maar wel een język ojczysty – een ‘vadertaal’.
Het grote grammaticale potentieel van het Pools (en ook van de andere Slavische talen) maakt het mogelijk om verschillende vormen van verkleinwoorden te gebruiken. Ideaal voor taalspelletjes. Voor mij zijn verkleinwoorden een bron van warmte in de woordenschat, een categorie die in taalkundige handboeken afwezig blijft. Dankzij de kunde om alles te verkleinen, werd de wereld gezelliger en veiliger. Geen enkele Pool is verbaasd over de liedjestekst over een soldaat die naar een ‘oorlogje’ gaat met zijn ‘sabeltje’ op zijn lief ‘paardje’. Er zijn talrijke manieren om namen te verkleinen – en alle voornamen, substantieven en adjectieven zijn daartoe geschikt.
Veeltalig land
Tot de Tweede Wereldoorlog was Polen een multicultureel en veeltalig land. Het meest creatieve Pools was te vinden op de ontmoetingsplaats tussen de verschillende talen, esthetische belevingsvormen en mentaliteiten. Het mag geen toeval heten dat de grootmeesters van de Poolse taal vaak uit de rafelige randen van het taalgebied kwamen: het fascinerende en originele proza van Bruno Schulz, dat ontstond op de grens van drie culturen: de Poolse, Joodse en Oekraïense; de beeldende en rijke poëzie van Czesław Miłosz van de regio rond het toen Poolse maar nu Litouwse Vilnius, en de absoluut sprookjesachtige en helaas onvertaalbare taal van de Joods-Poolse dichters Bolesław Leśmian en Julian Tuwim.
Het Pools… Elastisch, beeldend, ambigu, traditioneel en grammaticaal onvoorspelbaar. Meer in dienst van de intuïtie dan van de logos, meer geschikt voor poëzie dan voor wetenschappelijke dissertaties. Ik heb de indruk dat deze taal zich niet zo goed voelt in het intellectuele discours noch in het realistische lineaire verhaal. Ze prefereert open vormen met meerduidige betekenissen. Ze is gevoelig voor het absurde en groteske en verzandt gemakkelijk in pathetiek. Het is niet verwonderlijk dat Polen prat gaat op een beroemde en bejubelde poëzie. In het Pools kan de taalgebruiker zich veel veroorloven. Deze taalimpressionist, getalenteerd in sfeerbeschrijving, emotie, associatie en beelden, geeft van de wereld veeleer een schets dan een descriptie.
Naar het schijnt, beweerde Flaubert dat een fiasco dreigt voor een taal die zich onledig houdt met de schepping van beelden en sferen: op dat moment verliest de taal zichzelf en verglijdt ze in anachronisme. Ik ben het daar niet mee eens. De schepping van een alternatieve wereld is net het machtigste kenmerk van de taal. Als een illusionist tovert ze onvoorstelbare dingen uit de hoge hoed. Het Pools is voor mij een archaïsche taal en is een equivalent van de onverdeelde wereld van de tijd toen de hele realiteit coherent en zintuiglijk leek, toen alles meer op de intuïtie gebaseerd was en het ‘wat’ belangrijker was dan het ‘hoe’. De taal is voor mij, zoals in die Oosterse metafoor, de vinger die naar de maan wijst.
Ik vraag mij af in welke mate mijn gevoeligheid, perceptie en denken door deze moeilijke en weinig precieze maar zeer beeldende taal vorm zijn gegeven. In mijn werk zijn elementen als aanvoelen, sfeer, verborgen onrust onder de alledaagse werkelijkheid belangrijke bouwstenen. Zou ik ze ooit kunnen beschrijven in een vreemde taal? Misschien moet ik dankbaar zijn voor mijn literaire fatum.
Paradoxaal genoeg behoort het Pools tot de zogenaamde groep van de kleine talen, hoewel er zo’n vijftig miljoen mensen zijn, als je de Poolse diaspora meetelt, die Pools spreken. Pools is een lokale en marginale taal, die bovendien heel moeilijk is en daarom veel mensen afschrikt. Het voordeel van ‘kleine’ talen is – zeker als je de grote kent – de mogelijkheid van escapisme uit de communicatie naar een eigen ondoordringbaar asiel. Zo heb ik me indertijd op de grote luchthavens ter wereld dikwijls in het Pools verborgen, er zeker van zijnde dat er niemand was die ons, Poolssprekenden, kon begrijpen.
Vandaag ligt dat anders. De Poolse exodus van de jongste jaren verspreidt het Pools overal in de wereld. Maar ik denk niet dat veel buitenlanders het Pools zullen oppikken. Veeleer zullen wij, Polen, flink Engels studeren en ons via die weg laten horen in de wereld van vreemde talen. De schattige verkleinwoorden blijven intussen als evenzovele grenspalen de contouren van Polen bepalen, met een Pools ‘koffietje’ met ‘melkje’ in een ‘restaurantje’. Of zelfs bij een vrolijk ‘ticketcontroletje’.
Dit essay is gepubliceerd in Overeind in Babel. Talen in Europa, onder redactie van Luc Devoldere. In dit boek schrijven zestien auteurs uit Europa over hun eigen taal en alle andere talen in hun leven. Met bijdragen van Ahmet Altan, Zoran Ancevski, Bernardo Atxaga, Abdelkader Benali, Paul Binding, Adriaan van Dis, Peer Hultberg, Leena Krohn, Caroline Lamarche, Claudio Magris, Antonio Munoz Molina, Ines Pedrosa, Kornelijus Platelis, Albertina Soepboer, Olga Tokarczuk en Marint Walser.
Minder bekend dan het Jiddisch is het Judeo-Arabisch, de taal van Joden in de middeleeuwse Arabische landen. Joshua Blau (99) is de meest vooraanstaande wetenschapper op dit gebied. Een gesprek over taal en cultuur in een tijd dat de wereld nog niet geglobaliseerd was.
Toen Joshua Blau aan het begin van zijn professionele carrière de suggestie kreeg om de brieven van Maimonides [rabbijn en rechtsgeleerde] te bestuderen, waarschuwden verscheidene mensen hem om daar niet aan te beginnen. De drie geleerden die zich eerder over die brieven hadden gebogen, waren alle drie een niet-natuurlijke dood gestorven. De eerste was dood achter zijn bureau aangetroffen nadat hij net anderhalve brief had vertaald; de tweede stierf vroegtijdig aan een ziekte; en de derde werd halverwege zijn onderzoek vermoord bij een terroristische aanslag. ‘Ik heb die waarschuwing natuurlijk in de wind geslagen,’ zegt Blau nu. ‘En ik geloof dat het best goed met me gaat.’
En inderdaad: onlangs is Blau, emeritus hoogleraar Arabische taal en letterkunde aan de Hebreeuwse Universiteit, 99 jaar geworden. Zijn sonore stem, stevige handdruk en sarcastische gevoel voor humor – en de energie waarmee hij zijn linguïstisch onderzoek voortzet – maken duidelijk dat het zelfs beter met hem gaat dan ‘best goed’. Zoals elk jaar was er ook deze keer op zijn Hebreeuwse verjaardag een familiefeest, waar de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en, voor het eerst dit jaar, een achterachterkleinkind bij aanwezig waren – in totaal 39 zielen. Ook zijn collega’s gaven een feest voor hem, waarop het felicitaties en loftuitingen regende voor de 99-jarige, die wordt beschouwd als de meest vooraanstaande wetenschapper op het gebied van de middeleeuwse Judeo-Arabische taal.
Zijn programma is overvol en hij heeft een vaste routine. Hij begint elke dag met gebeden in de synagoge, gaat dan zwemmen en pas na het ontbijt, rond halfelf, en alleen op een van de zeldzame dagen waarop hij niet al een afspraak heeft met een wetenschapper die met hem wil werken of hem wil spreken, is een ontmoeting mogelijk. Nadat hij me heeft begroet in de ontvangstruimte van het verzorgingscomplex waar hij woont met zijn vrouw Shulamit (96), loopt hij met behulp van zijn wandelstok in snel tempo naar zijn studeerkamer.
Judeo-Arabisch is de taal die werd gesproken door de Joden die in de middeleeuwen in de Arabische landen woonden. Net als Jiddisch en Ladino wordt Judeo-Arabisch tot de ‘Joodse talen’ gerekend. Het vocabulaire lijkt op dat van de plaatselijke taal, maar wordt geschreven in Hebreeuwse letters. Zo varieert ‘goedenavond’ al naargelang de regio waarin het wordt gezegd: in het Judeo-Arabisch is het ‘masa alkhir’, in het Judeo-Duits (Jiddisch) is het ‘a gutte nacht’ en in het Judeo-Spaans (Ladino) is het ‘buenas noches’.
U bestudeert de taal van de Joden in de middeleeuwse Arabische gebieden. Kunt u de tijd en de plek iets nader bepalen?
‘Qua plek heb ik het over Iran, Libië, Algerije, Marokko en Spanje, Syrië, Libanon, Israël, Egypte en Jemen. De periode loopt van de negende eeuw tot de veertiende eeuw, een tijdperk van enorme culturele bloei in literatuur, filosofie, geneeskunde en astronomie. Het is de gouden eeuw van de islam, en in deze periode was de joodse cultuur van de Arabische landen tien keer zo groot als de cultuur van het Asjkenazische jodendom [een cultuur-religieuze groepering binnen het jodendom van aanvankelijk Duitse Joden].
Pas later, tijdens de Renaissance, kwam de Asjkenazische cultuur tot bloei in Frankrijk, Italië en Duitsland. In de veertiende eeuw trad er een culturele breuk op. De Arabische cultuur ging ten onder, en daarmee ook de joodse cultuur. Vanaf dat moment hebben de Joden niet langer deel aan de Arabische cultuur, en schrijft de elite alleen nog literatuur in het Hebreeuws.’
De Joden die deel uitmaakten van de bloeiende Arabische cultuur, schreven niet in het Arabisch, maar in het Judeo-Arabisch. Hoe heeft die taal zich ontwikkeld?
‘Zoals alle Joodse talen is het Judeo-Arabisch oorspronkelijk opgekomen vanwege de kinderen. Joodse kinderen gaan naar de cheider – in Asjkenazische landen – en naar de koettab – in islamitische landen, om de Thora te bestuderen. Het eerste schrift dat ze leren is Hebreeuws en daarom, om hun de plaatselijke taal te leren, wordt die ook in Hebreeuwse letters geschreven. Dat is de oorsprong van het Jiddisch, het Judeo-Arabisch en later het Ladino.
Anders dan het Jiddisch, dat in de middeleeuwen de spreektaal van de lagere klassen was terwijl de elite in het Hebreeuws schreef, was Judeo-Arabisch ook de taal van de ontwikkelde mensen. Het grootste deel van de Joodse filosofische literatuur in de Arabische landen werd in die periode zelfs in het Judeo-Arabisch geschreven. Zo schreef bijvoorbeeld Rabbi Saadia Gaon zijn Sefer HaGalui (Boek van de Openbaring) in het Hebreeuws, en vertaalde hij het meteen ook zelf in het Judeo-Arabisch. Juda Halevi schreef Het boek van de Chazaar rechtstreeks in het Judeo-Arabisch, en Mosje Ben Maimonides deed hetzelfde met De gids der Verdoolden. Maimonides gaf in zijn testament zelfs de instructie dat het boek niet in Arabische letters gekopieerd mocht worden – met andere woorden, dat het niet in de taal van moslims gepubliceerd mocht worden.’
Als Halevi zoiets in zijn testament had gezet, dan had ik dat begrepen. Het boek van de Chazaar is een racistisch boek en kan maar beter niet bekend worden bij niet-Joden. Maar waarom probeerde Maimonides te voorkomen dat niet-Joodse lezers zijn filosofieboek zouden lezen?
‘De niet-Joodse wereld interesseerde hem niet. Hij schreef alleen voor Joden.’
Maar dat gaat verder dan onverschilligheid, het is een verklaring van isolationisme. En toch werd Maimonides zelf sterk beïnvloed door niet-Joodse filosofen, zowel islamitische als Griekse.
‘Dat is waar. De gids der Verdoolden is een rechtstreekse voortzetting van de filosofie van Aristoteles, waarmee Maimonides in aanraking kwam via Arabische vertalingen ervan. Zoals ik al zei was de Arabische cultuur de hoogste van zijn tijd: de autoriteiten ondernamen de enorme opgave om de Griekse geschriften in het Arabisch te laten vertalen.’
*Waarom wilde hij zijn ideeën dan niet delen met de hele samenleving waarin hij leefde? *
‘Je denkt te mondiaal. De wereld was toen niet zo. Ze was verdeeld in samenlevingen, gemeenschappen, en men had geen belangstelling voor het doorbreken van grenzen. Ik ben zelf ook zo opgegroeid in Oostenrijk en ik weet heel goed wat een Joodse gemeenschap is.’
Hoe komt een aan het begin van de vorige eeuw in Oostenrijk opgegroeide Jood uit een religieuze familie ertoe om Arabisch te gaan studeren?
‘Ik ben geboren in Transsylvanië, het Hongaarse deel van Roemenië. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar Oostenrijk. Mijn vader zat in de handel, maar wist genoeg geld te sparen om vroeg te kunnen stoppen met werken en een oude droom te vervullen: journalist worden. Omdat het journalistieke epicentrum destijds in Wenen zat, gingen we in een stad daar in de buurt wonen. Onderweg erheen, in de trein, zei mijn vader iets wat later zo ironisch zou blijken: “Hier gaan we, op weg naar een land van cultuur.”
Toen ik klaar was met mijn middelbare school, bleek dat ik met mijn Roemeense nationaliteit niet in Oostenrijk zou kunnen werken. Vader kwam met twee voorstellen. Het ene was om Arabisch te gaan studeren aan de universiteit van Wenen, zodat als ik op alia [emigratie naar het Heilige Land] naar Israël zou gaan, ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien door in die taal les te geven. Het tweede idee was dat ik me zou inschrijven aan het rabbijnse seminarie in Wenen, zodat ik, als ik toch in Oostenrijk bleef, in mijn onderhoud zou kunnen voorzien als rabbijn. De twee voorstellen vielen goed samen, want in die tijd was iedereen die aan het rabbijnse seminarie studeerde, verplicht om naar de universiteit te gaan. Rabbijnen werden geacht zich te ontwikkelen, om zich niet op te sluiten in de Joodse wereld.’
Uw vaders idee om Arabisch te gaan studeren voor het geval u zich in Israël zou vestigen, is indrukwekkend. Wat een vooruitziende blik! Waren jullie zionisten?
‘Ja, en we hadden daar ook familie. Op 13 maart 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk, en het rabbinale seminarium werd onmiddellijk gesloten. Omdat we de Roemeense nationaliteit hadden, kon ik op de universiteit blijven studeren, maar het Oostenrijkse enthousiasme voor Hitler werd steeds groter. Op een dag kwam onze Oostenrijkse dienstbode ontzet bij ons aan en ze vertelde mijn vader dat ze had gezien hoe een man die er precies zo uitzag als ‘Herr Doktor’ gedwongen was om het trottoir te schrobben.
Die gebeurtenis had grote invloed op mijn vader en ik heb er achteraf een belangrijke les van geleerd: dat klein onheil je soms behoedt voor groot onheil. Het feit dat de situatie begon te verslechteren deed mijn vader beseffen dat we moesten vertrekken en naar Israël moesten verhuizen.
Maar hoe moesten we wegkomen? Iemand vertelde mijn vader dat er die dag visa werden uitgegeven in de Griekse ambassade. Het was sabbat, maar mijn vader nam toch een taxi erheen, want het was een kwestie van pikua nefesj [leven en dood]. Hij klom de trappen van de ambassade op en klopte op de deur. Geen reactie. Hij wilde alweer naar beneden lopen. Toen hij halverwege de trap was, ging de deur open en er verscheen een man, die zei: “We zijn gesloten.” Mijn vader liep door, de deur ging weer open. Weer verscheen die man. Hij zei: “Kom boven. Wat wenst u, beste heer?’’, en mijn vader antwoordde: “Een visum.” De man pakte de rubber stempels, gaf mijn vader het visum en zei tegen hem: “U lijkt precies op mijn vader.” Dat is een verhaal dat ik nooit geloofd zou hebben als ik het van u had gehoord.
Toen we in dit land aankwamen, ging ik op zoek naar werk. Ik was verschrikkelijk verlegen en zag ertegen op om voor de klas te gaan staan, dus ik besloot bij de politie te gaan. Toen ik me kwam inschrijven op het bureau, vroegen ze me om een foto in te leveren. Maar ik had geen foto bij me en ze zeiden tegen me: “Ga naar huis om er een te halen.” Toen ik thuiskwam, ging de telefoon. Het was een van de scholen, en ze zeiden dat ze een leraar Arabisch nodig hadden. Dat was het keerpunt in mijn leven, en het was de tweede les die ik leerde, en die ik je sterk kan aanbevelen: loop nooit rond met je foto op zak. Als ik niet naar huis was gegaan om die foto te halen, zou ik geen leraar Arabisch zijn geworden, en zou alles wat er daarna is gebeurd, niet op mijn pad zijn gekomen.’
Wie waren uw leerlingen?
‘Iedereen. Arabisch was een verplicht vak op school, en terecht natuurlijk. In het begin had ik problemen om orde te houden onder de leerlingen. Op een dag legden ze een stinkbom bij me neer. Ik ging naar het raam, deed het dicht, en ging door met lesgeven. Dat veranderde alles. Daarna had ik geen problemen meer.’
Toen u op de Hebreeuwse Universiteit begon, hebt u zich gespecialiseerd in Judeo-Arabische grammatica. Waarom in hemelsnaam grammatica?
‘Op mijn zesde jaar vroeg mijn vader of ik naar de kleuterschool wilde of naar school. “School,” zei ik. Na de eerste dag vroeg hij: “Hoe was het?” “Heel interessant,” zei ik. Hij vroeg “Wat heb je gehad?” Ik zei: “Grammatica.” Mijn vader, die reageerde als ieder normaal mens, werd bleek en zei: “Krankzinnig.” En kijk eens aan, mijn hele leven al verdien ik mijn brood met die krankzinnigheid. Ik ben er gewoon dol op.’
Het blijkt dat Judeo-Arabisch niet alleen gekarakteriseerd wordt door het gebruik van het Hebreeuwse alfabet. Grammaticaal is het een combinatie van literair Arabisch en gesproken Arabisch. Hoe is dat zo gekomen?
‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren. Allereerst was er het Bedoeïenen-Arabisch, de overheersende taal in de tijd die de moslims jahiliyyah noemen – de ‘periode van onwetendheid’, oftewel de tijd vóór Mohammed. Dat Arabisch kenmerkte zich enerzijds door een beperkt vocabulaire en het ontbreken van veel woorden en begrippen; maar anderzijds was het verrassend gedetailleerd over bepaalde begrippen. Zo zouden er verschillende termen kunnen zijn voor een kameel – ik overdrijf nu met opzet – een kameel van een halfjaar oud, een kameel van een jaar en een kameel van anderhalf jaar.’
Zoals de Inuit verschillende woorden hebben voor sneeuw.
‘Precies. Oude vroeg-Arabische teksten die zijn gevonden, hebben ons verrast. We hadden verwacht dat ze primitief zouden zijn, maar we vonden poëzie. Dat betekent dat de mensen de poëzie van de oude bedoeïenen bewonderden en van generatie op generatie mondeling doorgaven, tot ze werd opgeschreven.’
Net als de oude poëzie in de Bijbel, zoals het Lied van de Zee na de doortocht door de Rode Zee [In Exodus 15].
‘Juist. Met het verspreiden van de islam werd het noodzakelijk om de taal te verbreden – om er woorden aan toe te voegen die bij de nieuwe cultuur pasten, en linguïstische constructies te scheppen waarmee men complexe ideeën kon uiten. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een filosofieboek te schrijven in het Bedoeïenen-Arabisch. Er vormde zich een nieuwe taal die de fonetica en morfologie van de bedoeïenen behield, maar de stijl en syntaxis veranderde.
In een bepaald stadium – de meningen lopen uiteen over wanneer precies – ontstond er een tweetalige situatie: twee afzonderlijke talen. De ene werd gebruikt voor literatuur, de andere als spreektaal. De eerste werd gezien als “hoge taal”, de tweede als “lage taal”. Linguïsten noemen dat “hoog register” en “laag register”. Judeo-Arabisch mengt deze twee registers op een manier die typerend is voor minderheden. Je vindt het ook bij de taal van christelijke Arabieren, omdat die niet zo onderhevig zijn aan het starre ideaal van de literaire taal. De moslims vereerden de taal van de koran en van poëzie, en geloofden dat die op geen enkele manier aangetast mocht worden. Minderheden waren niet gebonden aan deze vorm van perfectie. Voor mijn proefschrift heb ik onderzocht in hoeverre Judeo-Arabisch zowel op gesproken Arabisch als op literair Arabisch leek.’
En wat was uw conclusie?
‘Het varieert per tekst. In sommige teksten is het Judeo-Arabisch bijna geheel literair, andere zijn bijna in spreektaal geschreven, en alle vormen daartussen komen ook voor.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘Ik zal u een voorbeeld geven van teksten die ik later heb bestudeerd: Maimonides’ Responsa. Maimonides antwoordde in het Judeo-Arabisch op vragen die vanuit de Joodse wereld aan hem werden gestuurd. Er zijn twee antwoorden die ik vooral interessant vind, gericht aan een man en zijn echtgenote die ruzie hadden en ieder afzonderlijk aan Maimonides hadden geschreven om zijn oordeel te vragen. Dit is het enige geval waarin we zowel de vragen als de antwoorden van beide kanten op schrift hebben, en het is fascinerend. De man klaagt dat zijn vrouw lerares is en lesgeeft aan kinderen, terwijl hij wil dat ze thuisblijft, zoals andere echtgenotes.
Maimonides antwoordt dat hij het recht heeft om haar te verplichten thuis te blijven. Een paar jaar later schrijft de echtgenote aan Maimonides en vertelt dat haar man een nietsnut is: hij gaat uit, komt weer thuis en gaat weer uit, en geeft haar geen cent. Om niet van de honger om te komen, en omdat ze kan lezen en schrijven, was ze gaan lesgeven, en zelfs hoofd van de school geworden. Ze vraagt Maimonides om haar toestemming te geven daarmee door te gaan.’
Waarom zou haar man niet willen dat ze lesgaf? Per slot van rekening verdient zij wel haar brood en hij niet.
‘Omdat hij met een tweede vrouw wil trouwen. Dat lijkt geen probleem – polygamie was toegestaan – maar volgens de ketoeba (huwelijkscontract) mocht de man niet met een tweede vrouw trouwen zonder toestemming van de eerste. De man probeerde dus de echtgenote te dwingen om in te stemmen met de tweede vrouw en alleen dan zou hij haar toestaan om het huis te verlaten. Nadat Maimonides de vraag van de vrouw had gelezen, oordeelde hij dat zij, als dat zo was, in opstand moest komen tegen haar man. Dan zou de man verplicht zijn om van haar te scheiden, en kon zij doen wat ze wilde.’
Wat wil dat zeggen, ‘in opstand komen tegen haar man’?
‘Niet meer bij hem wonen, niet voor hem koken, en geen intieme relatie met hem onderhouden. Een echtgenote was verplicht om al die dingen te doen en als ze die niet deed, dan moest de man wel van haar scheiden. Hier hebben we niet alleen uitzonderlijke informatie over een vrouwelijke leraar, de enige in de middeleeuwen van wier bestaan we afweten, maar bovendien kon ik hiermee het register bestuderen waarin de vragen en de antwoorden zijn geschreven.’
En wat hebt u ontdekt?
‘De vragen van de man en de vrouw zijn geschreven in Arabische spreektaal, gemengd met wat literair Arabisch. Maimonides’ antwoorden zijn daarentegen in veel literairder Arabisch geschreven, maar heel wat minder literair dan de taal die hij gebruikte in De gids der Verdoolden, bijvoorbeeld. Hij paste het register van zijn taal aan het niveau van de ontvangers aan.’
Hoe weten we eigenlijk hoe die gesproken taal was? Per slot van rekening is er alleen geschreven taal bewaard gebleven.
‘Alles bij elkaar genomen weten we het niet precies – de overlevering daarvan begint pas in de negentiende eeuw, toen het onderzoek naar verschillende dialecten begon. Naar het gesproken Arabisch van de middeleeuwen kan ik alleen maar gissen, maar er zijn wel aanwijzingen die dat giswerk onderbouwen. Om te beginnen is de grammatica van de literaire taal veel georganiseerder dan die van de gesproken taal.
Als we de grammatica van teksten in het Judeo-Arabisch vergelijken met die van literair Arabisch, dan ontdekken we heel veel veranderingen, en de hypothese is dat die de spreektaal weerspiegelen. Zoals ik al zei, zijn dat soort afwijkingen van het literair Arabisch typerend voor minderheden, omdat zij zichzelf toestaan om in een lager register te schrijven, op de manier waarop mensen praten.
Nog een manier om iets te weten te komen over Arabische spreektaal uit die tijd is door te kijken naar teksten die fonetisch zijn opgeschreven, waardoor de klank van het woord is overgeleverd, niet de manier waarop het normaal gespeld werd. Een paar weken geleden kreeg ik zo’n tekst, geschreven in het Judeo-Arabisch. Hij gaat over magie en is geschreven in een volkomen vrije vorm. Niets is consequent. De spelling is soms gevocaliseerd, soms niet. Een woord dat verscheidene keren voorkomt, wordt elke keer anders gespeld. Erbarmelijk geschreven dus, maar geweldig voor ons, omdat we zo informatie krijgen over de manier van spreken.’
‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren’
Als je aan een Arabier in de middeleeuwen een tekst in het Judeo-Arabisch zou voorlezen, zou hij die dan begrijpen?
‘Zeker, tenzij er religieuze termen in stonden, die hij natuurlijk niet zou begrijpen. Bijvoorbeeld, als hem De gids der Verdoolden was voorgelezen, zou hij die gedeeltelijk begrepen hebben.’
Het was wonderlijk om te zien hoe helder en scherp Blau was. Hoe vaak hij ook werd onderbroken door een rinkelende telefoon, mijn vragen en mensen die de kamer binnenkwamen, hij hield zijn gedachtegang en de draad van het gesprek beter vast dan de meeste mensen, ook de beduidend jongere, die ik heb geïnterviewd. Maar wanneer ik zijn mening vraag over actuele gebeurtenissen – bijvoorbeeld over de verandering in de status van het Arabisch in Israël sinds de wet op de natiestaat – dan verliest hij zijn belangstelling. Het kan natuurlijk zijn dat hij het niet over politiek wil hebben, maar ik heb eerder het idee dat het hem gewoon niet interesseert.
Tegen het eind van ons gesprek kan ik het niet laten om hem naar zijn gevorderde leeftijd te vragen, ook al is het duidelijk dat hij er de man niet naar is om mensen tips te geven of om met allerlei kernachtige levenswijsheden te komen. En hij zegt dan ook simpelweg: ‘Ik heb geboft. Geboft dat we op tijd uit Oostenrijk zijn weggegaan, geboft dat ik als wetenschapper aan de Hebreeuwse Universiteit werd aangenomen – hoeveel mensen krijgen de kans om het beroep uit te oefenen waar ze zo van houden? Geboft dat mijn hoofd het doet. Dat komt niet doordat ik het gebruik. Ik heb collega’s die hun hoofd heel goed gebruikten en toch op hun zestigste ziek werden. Ik heb geboft met de kinderen en enorm geboft met mijn vrouw.’
Shulamit, zijn vrouw, heeft er tijdens ons hele gesprek bij gezeten. Aandachtig, geconcentreerd, af en toe voegde ze iets toe waarvan ze vond dat het niet vergeten mocht worden. Ze is goed op de hoogte van zijn werk en van wat wel en niet te pas komt in zijn verhaal. Op een bepaald moment vraagt Blau haar of hij het verhaal zal vertellen van Josef Joel Rivlin, de vader van de huidige Israëlische president, en als ik hem aanspoor dat te vertellen, noemt hij zijn vrouw ‘zij die gehoorzaamd moet worden’ – en omdat zij geen toestemming geeft, komt er geen verhaal.
Het paar gaat vaak samen naar een conferentie. ‘Ik was een keer uitgenodigd voor een internationale conferentie,’ vertelt hij, ‘en vanwege het onverwacht grote aantal deelnemers werd de sprekers gevraagd hun lezing in te korten. In plaats van de oorspronkelijke twintig minuten, kregen we nog maar acht minuten. Toen ik besefte dat het onmogelijk was dat ik in die tijd klaar zou zijn, ben ik gewoon vanaf het midden van het verhaal meteen doorgegaan naar het eind. Er was geen verband tussen de vorige zin en de zin waar ik naartoe sprong, maar na afloop kreeg ik een donderend applaus. Sindsdien vraag ik Shulamit om bij mijn lezingen te zijn, want dan is er tenminste iemand die me de waarheid vertelt.’
Voelt u zich collega’s? vraag ik, en zij antwoordt: ‘Vrienden.’
‘Vrienden,’ herhaalt Blau. ‘Dat is het goede woord. God is ons goedgezind geweest, zodat we met elkaar kunnen praten, net zoals we dat 74 jaar geleden deden. Dat spreekt bepaald niet vanzelf. Een ongeëvenaard geschenk.’
Opgericht in 1918 en daarmee het oudste Israëlische dagblad. De onafhankelijke, liberale krant wordt vrij algemeen bestempeld als een ‘kwaliteitskrant’ en is het referentiekader van politici en Israëlische intellectuelen.
Lucy Kellaway schreef ruim twintig jaar lang succesvolle columns voor de Financial Times over ‘managementspeak’. In haar afscheidsstuk blikt ze nog één keer terug op haar vergeefse strijd tegen ‘onzintaal’.
Bijna een kwarteeuw lang schrijf ik nu columns waarin ik tegen mensen uit de zakenwereld zeg dat ze moeten ophouden met het uitslaan van onzintaal. En al even lang trekken zij zich daar niets van aan. Het eerste voorbeeld dat ik kan vinden is een stuk uit 1994, waarin ik dat vreselijke zakenjargon op de hak nam en betoogde dat de taal nu zo dom was geworden dat de slinger wel weer snel de andere kant op zou zwaaien en normaal praten over zakendoen weer de overhand zou krijgen. De woorden waar ik in die tijd iets tegen had? ‘Mondiaal’, ‘downsizen’, ‘de markt’ en, vooral, het wiskundig onmogelijke ‘je voor 110 procent inzetten’.
Ach, de onschuld van die tijd.
Klik door naar juli 2017 en lees de blogpost van een ondernemer over zijn bedrijf. ‘We zijn voor 1.000.000 procent gefocust op positieve, toekomstgerichte, actiematige inspanningen om verandering te faciliteren.’ Deze nonsens kreeg ik vorige week van iemand doorgestuurd; ik las het en haalde mijn schouders op.
Zakenonzin is 1.000.000 procent keer zo onzinnig geworden, en ik voorspel niet langer een correctie in de markt. Ik weet voor 110 procent zeker dat die er niet komt
De afgelopen twee decennia zijn er twee dingen gebeurd. Zakenonzin is 1.000.000 procent keer zo onzinnig geworden, en ik voorspel niet langer een correctie in de markt. Ik weet voor 110 procent zeker dat die er niet komt. Niet alleen is de productie van onzin over de hele linie gestegen, de grootste individuele zondaars hebben al mijn pogingen om ze het schaamrood naar de kaken te jagen genegeerd en zijn steeds erger gaan raaskallen. Een van de grootste flauwekulkampioenen is Howard Schulz, topman van koffieketen Starbucks. Geen andere manager, dood of levend, heeft me zo veel materiaal voor mijn columns geleverd als hij. Toch gaat hij gewoon door en blijft hij zichzelf overtreffen. Aan het begin van dit jaar kondigde hij aan dat de nieuwe Starbucks-‘roasteries’ (branderijen) de klant ‘een koffiegerichte beleving bieden die hem onderdompelt in ultratopkwaliteit’. In deze zin vol jargongericht ultratopkwaliteitgezwets is ‘een’ het enige acceptabele woord. Schulz brouwde hier een mix van oud en nieuw jargon met wat modieusheid en daarbovenop een zelfverzonnen extraatje. ‘Bieden’ en ‘beleving’ zijn erg, maar niet nieuw. ‘Ultratopkwaliteit’ is nodeloze woordinflatie. ‘Onderdompelen’ is modieus, maar slecht gekozen als het over gloeiendhete vloeistoffen gaat. De innovatie hier is ‘koffiegericht’. Wie weet leest meneer Schulz de Financial Times niet en sturen de mensen om hem heen die dat wel doen hem liever geen artikelen door die de spot drijven met zijn taalgebruik. Maar ik betwijfel of het enig verschil zou maken als hij de columns wel zou lezen.
De zakenwereld bestaat uit twee soorten mensen. Je hebt mensen die kletspraat verkopen (de meerderheid) en mensen die dat niet doen. Typerend voor de ware kletspraters zoals meneer Schulz is dat ze er eenvoudigweg geen enkel probleem in zien. En waarom zouden ze ook? Ik heb me decennialang druk gemaakt over niets anders dan woorden, en ondertussen heeft hij het leef- en drinkpatroon van de halve wereld veranderd. Het is voor een groot deel aan hem te danken dat we allemaal over straat lopen met een kartonnen emmer vol lichtbruin spul dat we opslurpen door een plastic deksel. Niet alleen heeft meneer Schulz deze verandering teweeggebracht, hij heeft er ook iets aan verdiend. Zo’n 3,1 miljard dollar. Onzin uitslaan heeft hem geen kwaad gedaan, integendeel: ik ben bang dat het hem vooruitgeholpen heeft. De nieuwe ‘roasteries’ hebben een buitengewoon platte Willy Wonka-achtige aankleding met bonen die rondsuizen in doorzichtige buizen. Als de stijl over de top is, moet de taal meedoen.
‘Al mijn liefde en respect’
Schulz heeft in de loop der jaren telkens weer laten zien dat foute taal goed werkt voor zakenmensen. Dus als een analist je vraagt of je een aankoop overweegt, kun je ofwel ‘nee’ zeggen, wat wel erg recht voor zijn raap is, of je kunt 34 woorden uitspreken, zoals hij een paar jaar geleden deed: ‘Ik zou zeggen dat we op de korte termijn genoeg op ons bord hebben, en er ligt niets duidelijk in onze zichtlijn dat erop wijst dat we bezig zijn de aankoop daarvan te entameren.’ Bingo. Nu vervelen je toehoorders zich inmiddels zo erg dat je niks meer hoeft uit te leggen.
Nog een grotere prestatie van Schulz is dat hij ons is voorgegaan naar het verhogen van de emotionele inzet. Je kunt geen liefde kopen met geld, maar je kunt weinig geld wel goedmaken met liefde. Dus stuurde hij onlangs een e-mail naar de 100.000 of daaromtrent Amerikaanse Starbucks-medewerkers, van wie hij de meesten nooit heeft ontmoet en die veelal maar zo’n 10 dollar per uur verdienen, en ondertekende die met ‘ik betuig jullie al mijn liefde en respect’.
Onzinpraters zullen nooit veranderen. Of liever: er ligt niets duidelijk in mijn zichtlijn dat erop wijst dat het gezonde verstand weer een toekomstgerichte koers zal kiezen. Maar dat wil niet zeggen dat mijn campagne van de afgelopen decennia totaal voor niets is geweest. De paar mensen die géén onzintaal uitslaan, beleven veel plezier aan het bespotten van degenen die dat wel doen. Deze dappere en eenvoudige enkelingen hebben me in de loop der jaren talloze voorbeelden gestuurd, en een aantal daarvan staat hieronder afgedrukt. Ik betuig de FT-lezer geen liefde, maar ik uit wel mijn respect en dankbaarheid tegenover al degenen die me zo rijkelijk van materiaal hebben voorzien.
De afgelopen maanden ben ik nog eens door de collectie zakennonsens gegaan die ik in die twee decennia heb opgebouwd, met het idee om de mooiste voorbeelden hier te publiceren. Maar al spittend in mijn archief realiseerde ik me dat elke taal zijn eigen regels heeft – en onzintaal dus ook. Hieronder geef ik de acht belangrijkste regels van die taal, met prachtige voorbeelden van de manier waarop je die toepast.
1. Gebruik nooit een kort woord als je het ook met een lang woord afkunt
Is het eerste principe van de journalistiek vereenvoudigen en vervolgens overdrijven, dan is de eerste regel van kletskoek: ingewikkeld maken en vervolgens versluieren.
Een HR-manager liet vorig jaar tijdens een heidag zien hoe dat werkt, door de aanwezigen te waarschuwen ‘zich bewust te zijn van hun persoonlijke merk-optica’. Met andere woorden: stop je overhemd in je broek. Managementadviseurs hebben het verwerven van opdrachten op deze manier tot ware kunst verheven, door eerst een probleem uit te vinden en vervolgens aan te bieden dat op te lossen.
Accenture liet tien jaar geleden zien hoe je het banale verandert in het omineuze: ‘Met de opkomst van de multipolaire wereld is het vinden en managen van talent een meer complexe, turbulente en tegenstrijdige opgave geworden.’ Wat geeft het dat de wereld maar twee polen heeft en dat het niet moeilijker is dan vroeger om goede mensen te vinden – Accenture voegde waarde toe door betekenis weg te nemen.
Het interessante van het versluieren is dat je er maar een paar woorden voor nodig hebt. De beste titel ooit voor een onderzoeksrapport: ‘Robustify Learnability’ (‘Leerbaarheid robuustificeren’) – een rapport uit 2005 van de Federal Reserve.
2. Alledaagse eufemismen werken prima
In onzintaal wordt alles wat negatief is verhuld, zodat niemand ergens de hele schuld voor hoeft te dragen. Uber heeft de afgelopen maanden baanbrekend werk verricht door taal te produceren die zo lelijk en saai is dat het publiek alleen maar kan reageren door af te haken. Het bedrijf heeft afwisselend toegegeven dat het heeft ‘ondergeïnvesteerd in de chauffeursbeleving’ en ‘in reputationeel opzicht rood staat’, in de hoop dat niemand zal bedenken dat de organisatie haar chauffeurs heeft belazerd en een erg beroerde naam heeft.
Regel 2 komt goed van pas als een bedrijf mensen wil ontslaan. De jongste eufemismen komen van een investeringsmaatschappij die het ontslaan van personeel onlangs omschreef als ‘naar de sportschool gaan (…) de celvernieuwing op gang brengen en zo het bedrijf weer fit maken voor winstgevende groei’. Vreselijk, maar nog niets vergeleken bij de manier waarop EY een aantal partners wegwerkte door een boodschap rond te sturen waarin stond: ‘We verheugen ons op het versterken van ons alumninetwerk.’
3. Negeer de grammatica die je op school hebt geleerd
Een van de mooie aspecten van onzintaal is zijn syntactische soepelheid – elk zelfstandig naamwoord kan een werkwoord worden en andersom. Oscar Munoz [ceo van United Airlines] paste deze regel onnavolgbaar toe, toen hij het in april van dit jaar had over het ‘ontvliegtuigen’ (deplaning) van een man die hardhandig uit een van zijn toestellen werd gewerkt.
Mijn archief zit vol mooie voorbeelden van ‘vernaamwoording’ en ‘verwerkwoording’: ‘koude-douchen’, ‘prioriteren’, ‘bijprating’. Maar het allermooiste kwam van een manager die probeerde een memo op te stellen en zei: ‘Er moet een betere manier zijn om dat te talen.’ Hij heeft gelijk. Die moet er zijn.
‘Bel een cliënt op en zeg dat je van hem houdt. Dat telefoontje zal hij niet vergeten’
4. Te veel emotie bestaat niet
Het begon allemaal in 2003, toen de inmiddels overleden Jimmy Lee een e-mail stuurde aan iedereen binnen zijn afdeling van zakenbank J.P. Morgan, waarin hij schreef: ‘Bel een cliënt op en zeg dat je van hem houdt. Dat telefoontje zal hij niet vergeten.’
Sindsdien heeft Irene Rosenfeld van de firma Kraft zichzelf ‘de CEO van de vreugde genoemd, en heeft John Cahill, wereldwijd CEO van McCann Health, gezegd: ‘De verdubbeling van ons mens-zijn is de magie waarmee we betere resultaten zullen genereren.’
Vooral millennials zijn goed in het verhogen van de emotiefactor. Onlangs werd in de Financial Times een Estée Lauder-medewerker van ergens in de twintig geciteerd: ‘De oudere leidinggevenden waren in extase over het niveau van ideevorming dat uit deze sessie voortkwam.’ Dit doet het ergste vrezen. Passie is kennelijk niet meer genoeg. Extase is het nieuwe doel.
5. Maak je iets simpels, geef het dan een nieuwe naam, zodat niemand snapt wat het is.
In de loop der jaren is Toyota de auto een ‘duurzame mobiliteitsoplossing’ gaan noemen, Amazon heeft het boek ‘een leeshouder’ genoemd, Speedo gaf de badmuts het predicaat ‘haarmanagementsysteem’ en een flesje water van Nestlé wordt wel een ‘betaalbaar, draagbaar lifestyledrankje’ genoemd. Deze regel is wel de vreemdste van allemaal, omdat er geen reden voor is.
6. Beperk je niet tot woorden die in het woordenboek staan
Verzin ze zelf door twee of meer bestaande woorden aan elkaar te breien. Het beste voorbeeld ooit kwam van Eversheds, een stoffige advocatenfirma, die in 2007 aantrekkelijk probeerde te klinken voor jonge sollicitanten door te adverteren voor ‘knowlivators, innovateers, performibutors, proactolopers, prioricators en winnomats’, waarbij die laatste een nogal ongelukkige combinatie van winners en diplomats was.
7. Je kunt nooit te veel metaforen en clichés in één zin gebruiken
Hier is Rick Hamada, CEO van IT-bedrijf Avnet, een meester in: ‘Om onze dienstverlening nog één extra klap dieper te boren, denken we zelfs aan meerdere zwembanen van kansen rond business.’ Maar hij haalt het nog niet bij deze managementconsultant: ‘Je zult moeten inzien dat de mijlpalen die we hebben geslagen in deze zwembanen ons een routekaart bieden voor dit stroomdiagram. Als we tolpoorten tegenkomen, zullen we vaststellen waar jij in de waterval zit…’
8. Negeer regel 1
De dodelijkste nieuwe taal is niet één grote klomp robuustificerende leerbaarheid. Hij is simpeler, maar niet minder verwarrend. Hierbij gebruik je korte, bekende woorden, maar de crux is dat je ze iets anders laat betekenen. Het woord van dit moment is ‘spelen’.
Strategieconsultants stellen dit soort vragen aan hulpeloze cliënten: Waar speel je? Hoe ga je winnen? En trendy zakenmensen verwijzen naar werkactiviteiten als ‘speelboek’ en ‘speellijsten’. Uit de mond van onzintaligen betekent spelen niet spelen. Het betekent werken.
En de grootste wauwelaar is…
De grootste onzintaalgiganten passen niet alle regels toe, maar kiezen die regels die hun het best uitkomen. Mijn drie eeuwige favorieten doen dat elk op hun eigen grootse wijze, maar verdienen allemaal een prijs: hierbij medailleer (verwerkwoording) ik deze drie.
Het brons gaat naar Rob Stone, co-CEO van reclamebureau Cornerstone, voor het op heroïsche wijze vermengen van cliché, metafoor en gebakken lucht om daarmee niets te zeggen: ‘Nu merken een wereldvoetafdruk uitbouwen, gaan ze op zoek naar de alles-is-toegestaanfilosofie die altijd onderdeel van ons stuurhuis is geweest.’
Het zilver komt toe aan Angela Ahrendts, die in een jaarverslag van Burberry de meest mysterieuze zin schreef die ooit is bedacht: ‘In het groothandelskanaal vertrok Burberry door deuren die niet op één lijn stonden met merkstatus en investeerde in presentatie via zowel verbeterde assortimenten als toegewijd, gecustomiseerd vastgoed in belangrijke deuren.’ Ik heb deze zin in de loop der jaren aan veel deskundigen in de zakenwereld voorgelegd, maar niemand heeft ooit kunnen zeggen wat hij betekende of waarom een regenjassenmaker zo gefixeerd is op deuren.
De overtuigende, verdiende winnaar van de gouden medaille is J*ohn Chambers, die als CEO van Cisco een e-mail op zijn ondergeschikten afvuurde* met als aanhef ‘Team’ en als afsluiter: ‘Wij zullen de wereld wakker schudden en de planeet een stapje dichter bij de toekomst brengen.’
Met gewone woorden en een eenvoudige zinsbouw produceerde hij het engste stukje onzin ooit. Gelukkig heeft de planeet in de vier jaar daarna kennelijk op eigen kracht de toekomst weten te bereiken, zonder hulp van John Chambers of iemand anders bij Cisco.
Auteur: Lucy Kellaway
Financial Times
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000
Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.
Hoog boven Londen, Tokio en Caïro klinkt de taal van piloten: technisch, cryptisch, nerdy – en voor piloot Mark Vanhoenacker onweerstaanbaar romantisch. Zijn favoriete verbale melding van het vliegtuig zelf is het dwingende DECIDE.
De eerste keer dat ik in de cockpit van een passagiersvliegtuig kwam, werd ik niet alleen getroffen door wat ik zag, natuurlijk, maar ook door wat ik hóórde. Ik was toen nog geen piloot. Ik werkte als managementconsultant, vloog geregeld en reisde businessclass. Maar als het om vliegtuigen ging voelde ik me een groot kind.
Aan een van de stewardessen in de Boeing 747 van British Airways, op een vlucht van Tokio naar Londen, vroeg of ik even in de cockpit mocht kijken – dat deed ik altijd. Niet lang daarna stond ik in ‘de neus’ en voerde een lang gesprek, ergens boven Rusland. Tegen het einde van de vlucht vroegen de piloten – met een van hen zou ik later zelf vliegen, als piloot, in diezelfde 747 – of ik de landing op Heathrow ook vanuit de cockpit wilde meemaken.
Met een vijfpuntsgordel in een stoel achter de grijsharige piloot gesnoerd, had ik een adembenemend uitzicht op de Noordzee en de monding van de Thames, en vervolgens op Londen, die weidse, tot in het kleinste detail uitgewerkte miniatuurstad die des te wonderbaarlijk was na al die lange uren boven de bossen en de toendra’s van Siberië.
Terwijl we daalden boven St Paul’s Cathedral en alle prachtige bruggen en parken voorbij zagen komen, was mijn enige gedachte dat wij Londen, die eeuwenoude stad, naderden vanuit de lucht, komend uit Tokio. Die dag werd ik verliefd op de wereld van boven. Maar ik was minstens zo gecharmeerd van de afgemeten, technische gratie van alle woorden die ik hoorde in de peperduur ogende, noise cancelling-koptelefoon die de piloten me hadden gegeven. De piloten hadden het over ‘localisers’ en ‘glideslopes’ en ‘veeref plus vijf’ (VREF, weet ik inmiddels, is de referentiesnelheid voor het landen). Via de boordradio praatten ze, in termen die ik nauwelijks kon volgen, met laconieke lui die zichzelf bekendmaakten als ‘Maastricht Control’ en ‘Londen Centre’ en het almachtig klinkende ‘Heathrow Director’. Ook het vliegtuig zelf liet van zich horen toen we de grond naderden, meldde de hoogte en zei toen, plotseling, met gedecideerde, heldere stem: DECIDE.
Er moest kennelijk iets worden besloten, maar wat? Dat ik piloot moest worden, zeker. Zo kwam het dat ik een paar jaar later inderdaad zelf piloot was, luisterend naar een drukke frequentie op de grond, in Heathrow, en wachtend op een stilte waarin ik de controller toestemming kon vragen om de motoren te starten.
Wanneer ik als passagier in een vliegtuig zit, wordt in de neus van hetzelfde vliegtuig waarin ik een kruiswoordpuzzel maak of de ene na de andere aflevering van 30 Rock erdoorheen jaag, een eigen taal gesproken
Dertien jaar later ben ik nog altijd gek op mijn werk, zo gek dat ik er een boek over heb geschreven. Ook ben ik nog altijd gek op de taal van de lucht.
Wat ik er zo mooi aan vind, is dat het universeel is – je zou ook niet anders verwachten binnen het domein van een van de grootste menselijke verworvenheden, die zowel het symbool als de drijvende kracht zijn van de huidige globalisering. Ik vind het mooi dat de taal van de lucht zo geheimzinnig is, en tegelijkertijd echt wordt gebruikt.
Wanneer ik als passagier in een vliegtuig zit, wordt in de neus van hetzelfde vliegtuig waarin ik een kruiswoordpuzzel maak of de ene na de andere aflevering van 30 Rock erdoorheen jaag, een eigen taal gesproken. En als ik in mijn achtertuin zit, met een kop koffie en een boek, schiet een diversiteit aan eigenaardige termen heen en weer door het wolkeloze blauw boven mijn hoofd, op alle mogelijke tijden, in de lucht boven Honolulu en Caïro en Ulaanbaatar – overal, eigenlijk.
Ik weet dat de taal van de lucht verschilt van het gewone Engels – we zouden het zelfs een eigen naam kunnen geven, het Aeronees (al wordt het soms ook, minder hoogdravend, luchtvaart-Engels genoemd). Wat ik misschien nog wel het mooiste vind, is dat Aeronees op de een of andere manier, in alle technische, cryptische precisie, de romantiek van de luchtvaart weet te vangen – een aspect van mijn baan waar we in de cockpit nauwelijks aandacht aan besteden, hoe mooi ik het ook vind.
Een belangrijk aspect van het Aeronees is dat het zijn wortels heeft in de zeevaart. Denk aan termen als stuurboord en bakboord, boeg en de staart, dek, gezagvoerder, schotten, ladingen en pantry, roer, kielzog, knopen, zelfs luchtdrukgolven; een atmosferische storing die turbulentie kan veroorzaken. En niet te vergeten het woord luchtvaart zelf.
In een beroep dat zeer veel leuke kanten heeft, maar dat een lange traditie ontbeert, is het mooi dat de luchtvaart een groot deel van de taal (en de uniformen) heeft overgenomen van het veel oudere leven op zee. Ik heb zeevaart altijd een prachtig woord gevonden – het doet me denken aan ijzige masten en kaarten die op hun plek worden gehouden door een olielamp, en aan Moby Dick van Herman Melville (1851), dat op nog geen twee kilometer van mijn ouderlijk huis is geschreven, in Massachusetts, en waarin de taal van de zee zo gedetailleerd wordt gedocumenteerd en geëerd.
Skyfaring moest mijn boek gaan heten, en uiteindelijk wist ik mijn redacteuren te overtuigen – ik verkeerde in de veronderstelling dat ik de eerste was die dit Engelse woord gebruikte, tot ik erachter kwam dat het de titel was van een gedicht van William Watson, uit het einde van de negentiende eeuw, een paar jaar voordat de gebroeders Wright hun eerste vlucht maakten.
Dat de lucht in linguïstisch opzicht schatplichtig is aan de zee vind ik een mooie gedachte wanneer ik in een 747 over open zee vlieg en we ergens onder ons in de diepte een eenzame boot door het diepe blauw zien ploegen, of wanneer we de daling inzetten naar een vliegveld dat in de buurt van een haven is gelegen – zoals het geval is bij Singapore, Vancouver, Boston en vele andere steden. We zien vrachtschepen en tankers, en zo nu en dan een cruiseschip, geduldig wachtend tot ze de haven in mogen, terwijl wij over hun hoofd scheren op weg naar onze eigen haven.
Een ander kenmerk van Aeronees is dat het sterk verwant is aan het Engels (net als het Legalees, de taal der juristen). Door de hoge snelheid van een vliegtuig kun je vele landen en talen bestrijken, bijna zo makkelijk als vroeger, toen je als kind met een atlas op schoot zat. Stel je een vliegtuig voor dat van Londen naar Bangkok gaat. De piloten praten als eerste met de Britse luchtverkeersleiders, maar al een paar minuten na het opstijgen gaan ze over in handen van Belgische of Nederlandse luchtverkeerleiders, die het stokje weer overgeven aan de Duitsers, en vervolgens aan de Tsjechen, de Hongaren, de Roemenen, de Turken, de Iraniërs en zo voort.
Onderweg luisteren piloten niet alleen naar de luchtverkeersleiding, maar ook naar andere piloten – Thaise piloten die terugkomen uit Parijs, Russische piloten op weg naar de Maldiven, zo ongeveer alle denkbare combinaties van afkomst, bestemming, vlag en nationaliteit van de bemanning. De hele wereld zit in de lucht.
Er is nauwelijks een systeem denkbaar waarin een grotere behoefte is aan een gemeenschappelijke taal. En die taal is in dit geval Engels (of het aan het Engels ontleende Aeronees). Als een Venezolaanse piloot met een luchtverkeersleider in New York praat, of een piloot uit Brooklyn met een luchtverkeersleider in Caracas, gaat dat in het Engels. Het is iets wonderlijks, wanneer je voor het eerst uit Tokio komt, om maar iets te noemen, om een Japanse piloot en een Japanse luchtverkeersleider heel zorgvuldig Engels te horen praten met een Japans accent. Het is standaardisatie en globalisering – absoluut noodzakelijk vanuit het oogpunt van efficiëntie, vanuit het oogpunt van snelheid.
Er zijn uitzonderingen – plekken waar luchtverkeersleiders en lokale piloten met elkaar praten in een gemeenschappelijke moedertaal. Je ziet het vaak in Frankrijk, bijvoorbeeld, wanneer een Franse piloot het Franse luchtruim binnengaat. Het komt ook voor wanneer Franse piloten op intercontinentale vluchten de grens overgaan van een deel van de atmosfeer boven Canada – het luchtruim van Montréal. Maar elke piloot die internationale vluchten maakt, spreekt Engels, en doet dat meestal ook.
Atmosfeer
Ik ben dol op het woord atmosfeer, al was het maar omdat we de lucht zo zelden zien als een sfeer die boven ons hangt, die de vastere wereld van land en water omsluit. In plaats van wat anders een controletoren van Babel zou zijn geweest, is er ook een soort sfeer waarin Engels de voertaal is, en die als een dampkring om de hele wereld hangt. Vliegtuigen en woorden kunnen zich er soepel in bewegen, boven al die plekken waar mensen ’s ochtends wakker worden en met elkaar praten in het Tagalog of het Fins of het Hausa, zonder ook maar een seconde te hoeven stilstaan bij de taal boven hun hoofd.
Zoals het Engels de golflengtes in de lucht vult, zo vult het ook het vliegtuig zelf.
Toen ik in Europa kwam wonen, merkte ik tot mijn verbazing dat de knoppen op huishoudelijke apparaten, zoals een oven (zelfs wanneer ik die in Engeland had aangeschaft) zelden waren voorzien van handige termen zoals ‘bakken’ of ‘heet’. In plaats daarvan stonden er symbooltjes en getallen op, een design-beslissing die het makkelijk maakt om hetzelfde apparaat in meerdere landen te verkopen. Maar voor mij waren die symbooltjes verwarrend (met name het huilende sterretje op het bedieningspaneel van mijn oven), en veel van mijn lokale vrienden waren het met me eens.
Vliegtuigbouwers, die hun product over de hele wereld willen verkopen, hebben in extreme mate te maken met dit vraagstuk waar ook de Europese keukenapparatuurfabrikanten zich voor geplaatst zien – bij het ontwerp van een cockpit geldt in nog veel sterkere mate dan bij een broodrooster dat verwarring uit den boze is. Dus in de vliegtuigen van Boeing en Airbus (de twee marktleiders, waaraan ik hieronder refereer) is vrijwel alles in de cockpit in het Engels, of in acroniemen die aan het Engels zijn ontleend. Dat geldt zowel wanneer het vliegtuig afkomstig is uit een fabriek in Renton in Washington, of uit Toulouse in Frankrijk, of uit Tianjin in China – en of de klant nou Russisch of Zweeds of Chileens is. Elke Boeing of Airbus wordt verkocht met een hele bibliotheek aan bijbehorende technische handleidingen. Die zijn ook allemaal in het Engels (een opmerkelijk gegeven voor Airbus, dat het hoofdkwartier in Frankrijk heeft). Een klein aantal luchtvaartmaatschappijen zal deze handleidingen vertalen – een kostbare onderneming, waar ook nog eens geen einde aan komt omdat de handleidingen regelmatig worden geüpdatet. Die kosten verklaren waarom zoveel maatschappijen vasthouden aan de Engelse versies, zelfs wanneer dat de moedertaal is van slechts enkele – of niet één – van de piloten die er gebruik van zullen maken.
Hetzelfde geldt gewoonlijk voor de checklists die de piloten elkaar voorlezen op belangrijke momenten tijdens een vlucht. Die checklist – een gelamineerd vel papier, of, steeds vaker, een display op een computerscherm – is een simpel maar essentieel onderdeel van de veiligheid. Duitse of Japanse piloten praten in het Duits of Japans over de lunch of het weer aan de horizon, maar wanneer het bijvoorbeeld tijd is om de After Take-off-checklist voor te lezen, schakelen ze, voor heel even, naadloos over op Engels (zoals wordt beschreven in ‘The Ecology of Language Practices in Worldwide Airline Flight Deck Operations’ (2006), een fascinerend artikel over Japanse bemanningen die in de cockpit Engels en Japans door elkaar gebruiken).
Een interessant gegeven is dat Airbus en Boeing elk een eigen dialect van het Aeronees hanteren. Zo beschikken vliegtuigen over een systeem dat je zou kunnen vergelijken met de cruise control (al gaat die vergelijking niet helemaal op). In een Boeing heet dat de autothrottle, bij Airbus is het de autothrust. Wanneer de flaps, de panelen op de vleugels voor het opstijgen en het landen, helemaal zijn weggeklapt, heet dat bij Boeing ‘up’, en bij Airbus ‘zero’. Voor een piloot is het leren van het dialect van een bepaald vliegtuig een van de lastigste kanten van het overstappen naar een ander type.
Sommige passagiers zullen verbaasd zijn dat vliegtuigen zelf ook praten, hardop zelfs, tijdens bepaalde stadia van de vlucht. Edwin Hutchins van de University of California, in San Diego, de belangrijkste auteur van het eerdergenoemde artikel over Japanse cockpits, gaf me een uitzonderlijk goede reden waarom het vliegtuig zelf Engels praat: ‘Het is een kwestie van certificering. Verbale meldingen maken deel uit van de apparatuur die in een vliegtuig wordt geïnstalleerd’ – en dat geldt ook voor de elektronische checklists die meer en meer worden gebruikt in de moderne cockpit. Er wordt vaak gegrapt dat je een hele berg formulieren nodig hebt om in de cockpit een lampje te vervangen. Dus wanneer een vliegtuig spreekt, dan is dat in het Engels, en meestal met een mannenstem: ‘TRAFFIC, TRAFFIC’, om de aandacht te vestigen op een ander vliegtuig; ‘ONE HUNDRED’, of een andere hoogte, bij het aanvliegen van de landingsbaan; ‘MONITOR RADARDISPLAY’ in bepaalde weersomstandigheden.
Besluitvormingstool
Mijn favoriete vliegtuigopmerking is het dwingende ‘DECIDE’ (neem een beslissing), dat ik voor het eerst hoorde tijdens die vlucht van Tokio naar Londen, toen ik als gast in de cockpit ogen en oren tekortkwam.
DECIDE is (in de 747’s waarin ik vlieg) een vrouwenstem met een Engels accent. Ze laat van zich horen wanneer we op een hoogte zijn gekomen waarop we ófwel zicht moeten hebben op de omgeving van de landingsbaan ófwel de landing moeten afbreken. DECIDE, zegt het vliegtuig met klem – een besluitvormingstool waarvan ik soms denk dat hij heel goede diensten zou bewijzen als app, voor vergaderingen in het zakenleven of in de academische wereld. Beroepskeuzeadviseurs zouden er ook baat bij kunnen hebben – voor mij heeft het in elk geval gewerkt.
Aeronees verschilt misschien nog wel het meest van spreektalig Engels bij radiocontact. Dan moet alles zo compact mogelijk, omdat er maar één iemand tegelijk aan het woord kan zijn (als er meerdere vliegtuigen tegelijkertijd radiocontact hebben, wordt alles vervormd). Het mag duidelijk zijn dat de boodschap helder moet zijn, maar ook de uitspraak moet helder zijn, aangezien niet elke spreker of luisteraar Engels als moedertaal heeft, en de kwaliteit van de lijn nogal eens te wensen overlaat. (Al was dat eerder een probleem in de tijd dat er nog veel ruis op de lijnen zat; tegenwoordig vind ik de kwaliteit van de kortegolfradio beter dan die van een vaste telefoon). Bij radiocontact weet je natuurlijk niet wie er aan het woord is, of tegen wie er wordt gesproken – er is geen oogcontact en een controller kan het woord tot vele piloten tegelijk richten, en die kun je ook geen van allen zien. Het heeft wel iets van een conference call, met als verschil dat er voortdurend mensen aan- of afhaken, en dat de deelnemers met honderden kilometers per uur langs elkaar heen schieten.
De mens is niet geëvolueerd om in een dergelijke linguïstische omgeving te opereren, en daarom is het Aeronees geëvolueerd (zoals dat ook geldt voor de radiocommunicatie binnen een andere context of bedrijfstak). Een wijdverbreide aanpassing is het gebruik van een callsign, een unieke ‘naam’ om een vlucht te identificeren. De callsign die aan een vlucht wordt toegekend is meestal een combinatie van de luchtvaartmaatschappij en het vluchtnummer. Bij British Airways, waar ik werk, begint de callsign meestal met Speedbird; andere coole namen zijn Ice Air, voor Icelandair, en Reach, voor Amerikaanse militaire vluchten van het Air Mobility Command. ‘London Control, good morning, Speedbird 117, flight level 340,’ is het eerste wat ik zeg tegen een Londense luchtverkeersleider bij mijn eerste contact als piloot van vlucht 117 van British Airways, op een hoogte van zo’n 34.000 voet.
Als een luchtverkeersleider weet dat je wacht op toestemming om te praten, zal hij niet zeggen “go ahead”, want dat zou toestemming kunnen impliceren voor iets wat hij je niet heeft horen vragen. Daarom zegt hij: “Pass your message”
Luchtverkeersleiders gebruiken ook een soort callsigns. Die bevatten gewoonlijk een geografisch element, zoals London Control. Mijn favorieten zijn SoCal (Southern California) Approach, voor de verkeersleiders die de vluchten naar Los Angeles begeleiden; Atlantico, voor de verkeersleiders die een groot deel van de centrale en zuidelijke Atlantische Oceaan bestrijken; en Heathrow Director, voor de onverstoorbare Britten die heel nauwkeurig de landingen op de drukste luchthaven van Europa begeleiden.
Andere frequenties, die een maatschappij bijvoorbeeld zou kunnen gebruiken voor het onderhoud, hebben hun eigen callsign. Het bedrijf dat gaat over alle handleidingen en documentatie aan boord van de British Airways-toestellen, heeft als callsign Speedbird Library, wat me onveranderlijk een glimlach ontlokt, alsof er aan de andere kant van de lijn een deftige bibliothecaris in een tweedpak in een grote gotische bibliotheekzaal staat, waar hij heel zorgvuldig en precies het archief beheert van een goed gedocumenteerde luchtvaartmaatschappij.
Een ander kenmerkend (en vereenvoudigend) aspect van het Aeronees is de beperkte woordenschat. Sterker nog, naast callsigns en getallen zijn er misschien maar enkele tientallen woorden die regelmatig worden gebruikt in de alledaagse luchtvaartcommunicatie. En ook die paar woorden zijn onderworpen aan bepaalde gebruiks- en uitspraakregels, bedoeld om de tekortkomingen van het Engels van alledag weg te nemen.
Zo leren we bijvoorbeeld om three uit spreken als ‘TREE’ en nine als ‘NINER’, en 25.000 als ‘two-five thousand’ (om preciezer te zijn, ‘TOO FIFETOUSAND’), in plaats van ‘twenty-five thousand’, omdat de ervaring heeft geleerd dat deze aangepaste uitspraak minder vaak verkeerd wordt verstaan. Of, als een luchtverkeersleider weet dat je wacht op toestemming om te praten, zal hij niet zeggen ‘go ahead’, want dat zou toestemming kunnen impliceren voor iets wat hij je niet heeft horen vragen. Daarom zegt hij: ‘Pass your message.’
Het klinkt allemaal behoorlijk strak en dwingend, en dat is het ook. Onze uitwisselingen zijn vrijwel uitsluitend functioneel. We gebruiken een zeer uitgebeende taal: anders zou het kostbare tijd vergen en verwarring in de hand kunnen werken. ‘Men dient zich te onthouden van een overdaad aan beleefdheidsfrasen,’ staat er in onze strenge voorschriften.
Hoe klinkt Aeronees nou echt, in het radiocontact? Er zijn bepaalde frequenties van de luchtverkeersleiding die je kunt beluisteren – al zullen de meeste gesprekken termen en zeker nuanceringen bevatten die je ontgaan als je het Aeronees niet machtig bent. ‘Descend flight level 100, then reduce minimum clean.’ ‘Establish localiser two-seven-right, when established descend glide.’ Of: ‘Check 63 north 40 west 1830 flight level 340 estimate 64 north 50 west 19 hundred CLAVY next.’ Van deze recente voorbeelden van gesprekken die ik tijdens een vlucht heb gevoerd, zou ik als tiener maar weinig hebben begrepen, al was ik ook toen al gek op vliegtuigen en las ik er alles over wat los en vast zat.
Een van de kenmerken van het Aeronees is dat de taal openstaat voor acroniemen en afkortingen. De meeste handleidingen zijn voorzien van enorme lijsten met acroniemen, en het is een groot (en nogal nerdy) genoegen om die door te nemen.
ASDA is ‘Accelerate Stop Distance Available’, een belangrijke (maar zeker niet de enige) maat voor de lengte van de landingsbaan. BKN is ‘Broken’ (gebroken – wat op het wolkendek slaat, niet op de vliegtuigen). BOBCAT is een mooie: ‘het Bay of Bengal Cooperative Air Traffic Flow Management System’ (min of meer), dat bijvoorbeeld vluchten van Singapore naar Europe begeleidt. CM betekent, godzijdank, gewoon centimeter. LTGCW is ‘Lightning Cloud-to-Water’ (bliksem van wolk naar water, in tegenstelling tot van wolk naar de grond, van wolk naar de lucht, van wolk naar wolk, om maar enkele soorten bliksem te noemen. MALS is ‘Medium Intensity Approach Lighting System’, niet te verwarren met MALSR – ‘Medium Intensity Approach Lighting System with Runway Alignment Indicator Lights’. OCC is ‘Occulting’ (wat afgebroken licht betekent en niets met occultisme of hekserij heeft te maken). NEG is ‘No/Negative/Permission not granted/That is not correct’ (Nee/Negatief/Geen toestemming/Dat klopt niet), wat me doet denken aan het tijdschrift Mad, waar heel lang geleden een soort nepcoupon in stond, met daaronder in de kleine lettertjes iets als: ‘Leeg laten wat verboden is. Verboden leeg te laten. Verboden en leeg waar het niet is toegestaan.’
SNBNK is ‘Snowbank’ (sneeuwbank). UP is ‘Unidentified Precipitation’ (niet-geïdentificeerde neerslag).
Hoewel Aeronees overwegend Engelstalige wortels heeft, is een handjevol alledaagse meteorologische afkortingen afkomstig uit het Frans (zoals de woorden fuselage en aileron, vanzelfsprekend). BR is ‘mist’ (brouillard) GR is ‘hagel’ (grêle); HN is ‘zonsondergang tot zonsopkomst’ (horaire de nuit). MI is ‘ondiep’ (afgeleid van mince) en BC staat voor ‘flarden’ (van bancs). Ik heb een aantal van die afkortingen jaren en jaren gebruikt zonder me af te vragen waar ze vandaan kwamen, tot ik me daar voor mijn boek uitgebreid in ging verdiepen.
Een ander, en iets minder specialistisch genoegen schuilt in de ongekend precieze definities die het Aeronees hanteert voor heel gewone Engelse woorden. Die worden omschreven in de lijvige bijlagen van onze handleidingen waarin de ‘definities’ staan, die buitengewoon nauwkeurig zijn.
Het leuke is dat het woord nauwkeurigheid ook wordt gedefinieerd: “Een mate van overeenstemming tussen de geschatte of gemeten waarde en de werkelijke waarde”
Het leuke is dat het woord nauwkeurigheid ook wordt gedefinieerd: ‘Een mate van overeenstemming tussen de geschatte of gemeten waarde en de werkelijke waarde.’
Voor wie het zich afvraagt, lucht is ‘een mengsel van gassen die in de atmosfeer worden aangetroffen’. En een luchtvaartuig? Nou, dat is ‘elk toestel dat zich door de lucht kan voortbewegen door de werking van de lucht anders dan de werking van de lucht tegen het aardoppervlak’. In een bedrijfstak die de hemel doorkruist, zijn engelen ‘“een echo” die wordt veroorzaakt door natuurkundige fenomenen die niet met het blote oog zijn waar te nemen… en die soms worden toegeschreven aan insecten of vogels die in de radarbaan vliegen’.
Een zandwolk klinkt heel duidelijk, maar probeer het maar eens te definiëren. Wat dacht je van: ‘Een type lithometeoor bestaande uit zand dat op een bepaalde locatie is meegevoerd van het aardoppervlak en in wolken of banen wordt voortgeblazen.’ Poedersneeuw ‘kan worden weggeblazen, of zal, als het in de handen is samengedrukt, uiteenvallen zodra het wordt losgelaten’. Natte sneeuw daarentegen ‘zal aan elkaar plakken en een sneeuwbal vormen wanneer het wordt samengedrukt; specifieke zwaartekracht: 0,35 tot net onder 0,5’. Terrein is een belangrijke term, maar het klinkt zo vanzelfsprekend dat ik niet op het idee zou zijn gekomen het te definiëren: ‘Het doorlopende oppervlak dat de kale aarde vormt, de bovenkant van het bladerdak [van een bos] of iets ertussenin, ook wel “het eerste reflecterende oppervlak genoemd”.’
Als jongen was ik niet alleen geobsedeerd door vliegtuigen, maar ook door woordenboeken, encyclopedieën en atlassen. Ik kon uren kijken naar fragmenten van een taal die ik nog nooit had gehoord, laat staan bestudeerd. Toen ik tegen de dertig liep, en eindelijk was begonnen aan mijn opleiding tot piloot, merkte ik tot mijn grote vreugde dat de lucht een fascinerende plek is voor wie van taal houdt.
Het behelst zoveel meer dan de rigide regels. Wie ooit de kans krijgt naar luchtverkeersleiders te luisteren, zal verbaasd staan over de vijfletterige namen die zij en de piloten gebruiken om bepaalde geografische posities in de lucht aan te duiden. Het zijn er letterlijk duizenden, en het format hangt samen met de bekende beperkingen van het Aeronees. Elke naam moet dus goed zijn uit te spreken, als je het format eenmaal snapt. Zo is er ZAMAN, in de buurt van Omaha; SUTKO, in de buurt van Newfoundland; KOMOR, bij de grens van Senegal en Guinee-Bissau. En, voor het geval er toch nog onduidelijkheid mocht ontstaan, de namen zijn ook eens nog makkelijk te spellen met behulp van het internationale alfabet – Alfa, Bravo, et cetera.
Veel van die namen slaan nergens op, maar andere spreken zeer tot de verbeelding – DRAKE in het kanaal (naar Sir Francis); BARBQ bij Kansas City; WHALE in de Middellandse Zee, vlak bij Benghazi. Wanneer de daling wordt ingezet naar Portsmouth, in New Hampshire, zullen fans van de strips over Tweety en Sylvester de volgende reeks namen vast wel kunnen waarderen: ITAWTITAWAPUDYETTATT (gevolgd door IDEED). De autoriteiten in de Verenigde Staten hebben er een gewoonte van gemaakt, meer dan in de meeste andere landen, om de lucht te vullen met vijfletterige verwijzingen naar de geschiedenis en cultuur. De passagiers krijgen hier nooit mee te maken, dus er zit niets anders achter dan de gedachte dat het leuk is voor de piloten die naar en van die punten vliegen. En dat was een goede gedachte.
Veel lijntoestellen hebben een satelliettelefoon (meestal de Batphone genoemd) die gebruikt kan worden om te bellen met de luchtverkeersleiding, of met een arts (mocht er een zieke passagier aan boord zijn) of met collega’s aan de grond. Hoewel je tijdens die gesprekken ook het radiopaneel en de headset gebruikt, val je makkelijk terug in je gewone manier van praten. Hetzelfde taalgebruik dat we hanteren wanneer we in de cockpit praten over andere dingen dan werk.
Er is ook een frequentie die piloten gebruiken om met elkaar te praten, met name wanneer ze boven open zee vliegen. Officieel is dat het ‘Air-to-Air Communications Channel’, maar onder ons hebben we het over de ‘klets’-frequentie. Deze frequentie is makkelijk te onthouden: 123.45 MHz. We gebruiken die frequentie om turbulentiegegevens en andere praktische informatie uit te wisselen. Maar zo nu en dan wordt er ook echt gekletst. En soms, wanneer de aurora’s de hemel verlichten of wanneer er weer een meteoor door de lucht scheert en je een wens mag doen, hoor je een piloot weleens tegen zijn collega’s in de buurt verzuchten: ‘Wat is dit toch een prachtig vak, hè, op een avond als deze’. Er zou een acroniem moeten zijn voor dat gevoel, denk ik soms, maar als ik dan weer opkijk van mijn instrumenten, naar de donkere nacht met zijn ongekende sterrenpracht, ben ik blij dat dat er niet is.
Deze site, met als motto ‘lees dieper’, werd opgericht in september 2012 en publiceert dagelijks een essay, waarbij de relativering van het snelle dagelijks leven vooropstaat.
Javier Marías, gelauwerd schrijver van deze tijd, is openlijk schatplichtig aan het werk van Shakespeare. Het ontmoedigt hem niet om ‘de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis’ binnen te stappen. Het is één grote inspiratiebron. El País vroeg hem naar zijn verhouding met de oude meester.
Ik ken talloze auteurs die in hun jonge jaren – toen ze misschien alleen nog maar lezers waren – de allergrootste schrijvers lazen en zich daarna nooit meer aan hun werk waagden. Deels begrijp ik dat: je wordt moedeloos, bang of zelfs gedeprimeerd als je de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis binnenstapt. ‘Als dit bestaat’, zeg je dan tegen jezelf (ik als eerste), ‘wat voor zin heeft het dan dat ik vellen volschrijf met mijn flauwekul? Zo’n grote hoogte of zoveel diepgang ligt niet alleen buiten mijn bereik, eigenlijk is het onnodig om hier nog een letter aan toe te voegen. Bijna alles is al gezegd, en ook nog eens op de best mogelijke manier.’
Dat verklaart waarom er schrijvers zijn die, om niet kopje onder te gaan en om de kracht te vinden om maanden of jaren achter de computer of schrijfmachine te gaan zitten, moeten doen alsof Cervantes, Dante, Proust, Faulkner, Montaigne, Conrad, Hölderin, Flaubert, James, Dickens, Baudelaire, Eliot, Melville, Rilke en ongetwijfeld nog vele anderen nooit hebben bestaan. Het laatste wat in hen opkomt, is hun teksten weer gaan lezen, althans niet als ze aan het werk zijn, want de gedachte die daar vaak uit voortvloeit is: Ik kan er beter het zwijgen toe doen en de overbelaste drukpersen niet met nog een literair werk opzadelen: er zijn er al te veel, en het overgrote deel is overbodig. Het is zeer waarschijnlijk dat dit ook voor mijn werken geldt.
Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels
Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels; en gelooft u me, er is geen romanschrijver of dichter, behalve wanneer ze een enorm hoge dunk van zichzelf hebben – ze bestaan, echt waar –, die daar voor, tijdens of na het schrijven geen last van heeft.
Superioriteit
Met het oog op deze wijdverbreide schroom verbaast het misschien enigszins – wie weet hebben ze me daarom gevraagd om dit stuk te schrijven – dat ik, min of meer een schrijver van deze tijd, voortdurend in contact sta (‘in gesprek ben’ zou pretentieus klinken) met Shakespeare, de ontzagwekkendste van allemaal, zozeer zelfs dat ik hem vaak in mijn teksten citeer, parafraseer, bespreek. Ik heb veel aan hem te danken, zeven van mijn boektitels zijn Shakespeare-citaten of ‘bewerkte versies’ daarvan.
Niet dat die ontmoedigende bewondering me vreemd is, die angstaanjagende verbijstering die de allergrootste schrijvers bij je teweegbrengen, in wier nabijheid je je een illusionist of een ijdeltuit voelt. We leven in een tijd waarin ontzag voor je tijdgenoten haast niet voorkomt, want de oude, als ik me niet vergis middeleeuwse spreuk ‘iedereen is gelijk’ doet meer dan ooit opgeld. Welk gebied het ook betreft (met uitzondering van de sport), overal is het gebruikelijk om iemands ‘superioriteit’ niet te erkennen.
Het is nu nauwelijks voorstelbaar dat iemand zou reageren als de verteller in Der Untergeher van Thomas Bernard, die zijn pianistenloopbaan eraan geeft wanneer Glenn Gould zijn pad kruist, omdat hij beseft dat hij, hoe vakkundig hij ook zou worden, nimmer in de buurt zou komen van het talent en de virtuositeit van de Canadese vertolker. Een hedendaagse kunstenaar moet zijn bewondering voor zijn tijdgenoten de kop indrukken – of in elk geval verzwijgen –, en al helemaal wanneer het landgenoten betreft of wanneer ze in zijn taal schrijven. Het gaat zelfs zover dat we voor ons zelfbehoud ook onze doden in diskrediet moeten brengen – wat zijn ze irritant, wat zijn ze lastig, hoe klein maken ze ons, hoezeer benadrukken ze onze tekortkomingen en middelmatigheid –, of ze in elk geval negeren en uiteraard uit de weg gaan. Nogal wat auteurs verkondigen tegenwoordig dat ze nauwelijks iets hebben gelezen – ze vinden het de moeite niet – en dat film, televisie, stripboeken of videospelletjes hun enige referentiekader is. Het taaltalent dat je mogelijk hebt, is niet in het geding als je niet weet wat anderen met taal voor elkaar hebben gekregen.
Mysterie
Ik neem zonder meer aan dat in deze laffe, benepen wereld mijn houding anachronistisch is. Ik lees Shakespeare vaak omdat hij een vruchtbare bron voor me is, een schrijver die me prikkelt. In plaats van mij te ontmoedigen, nodigen zijn grootsheid en mysterie me uit om te schrijven, ze stimuleren me, geven me zelfs ideeën; de ideeën die hij alleen maar schetste en liet liggen, die hij slechts suggereerde of terloops formuleerde en besloot niet verder uit te denken of te onderzoeken. Ideeën die er niet met zoveel woorden staan en waarnaar je ‘op zoek moet gaan’. Daarom had ik het over mysterie: Shakespeare heeft, naast een hoop andere, één merkwaardige eigenschap: als je hem leest of naar hem luistert, begrijp je hem zonder al te veel inspanning, of anders dwingt de betovering waarmee hij ons omhult wel om verder te lezen. Maar kijk je nauwkeuriger of analyseer je de zinnen die je in eerste instantie meende te begrijpen, dan merk je dat je ze niet altijd begrijpt, dat ze raadselachtig zijn, dat ze meer betekenen dan ze zeggen, dat ze, behalve te zeggen wat ze zeggen, een nevel van betekenissen en mogelijkheden, resonanties en echo’s, ambiguïteiten en contradicties achterlaten; dat ze meer behelzen dan de woorden die er staan.
In mijn romans heb ik voorbeelden gegeven: ‘It is the cause, it is the cause, my soul’. Zo begint Othello zijn beroemde monoloog alvorens hij Desdemona om het leven brengt. De lezer of toeschouwer leest of hoort deze woorden keer op keer en begrijpt ze. Maar wat betekenen ze verdorie toch? Othello zegt niet ‘She is the cause’ of ‘This is the cause’, wat duidelijker en makkelijker te begrijpen is. Of wanneer Macbeth te horen krijgt dat Lady Macbeth dood is en hij murmelt: ‘She should have died hereafter’. Wat betekent die beroemde zin, als alles reddeloos verloren is en Macbeth meteen daarna zal sterven? Maar ook Lady Macbeth, haar handen besmeurd met het bloed van de door haar man vermoorde koning Duncan, draait zich om naar Duncan en zegt: ‘My hands are of your colour; but I shame to wear a heart so white’ Het is niet helemaal te begrijpen wat ‘white’ hier betekent: onschuldig en onbezoedeld, bleek en geschrokken, of bang? Hoe graag zij ook Macbeths lot wil delen door haar handen in bloed te drenken, feit is dat niet zij de moordenares is, of dat ze hoogstens tot moorden heeft aangesticht, aangezet of verleid. Alleen haar echtgenoot heeft zijn hart werkelijk bezoedeld.
Het is zijn taal, zijn stijl die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen
Het zijn voorbeelden waar ik me vroeger van heb bediend. Maar er zijn nog honderden andere. ‘That I was as great as is my grief, or lesser than my name! Or that I could forget what I have been, or not remember what I must be now!’, zegt Richard II op het dieptepunt in zijn leven. Shakespeares verhalen zijn zelden origineel, zelden door hem bedacht. Dat bewijst maar weer eens hoe ondergeschikt plots zijn en hoe belangrijk vorm is. Het is zijn taal, zijn stijl die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen. Hij wijst naar verborgen paden die hij niet grondig heeft verkend en verleidt ons daar op avontuur te gaan. Misschien is hij daarom de levendigste klassieke schrijver, die onophoudelijk wordt bewerkt en opgevoerd; die zweeft boven immense films en series als The Lord of the Rings, The Sopranos, The Godfather of Game of Thrones, of, minder prominent, House of Cards. Aan hem durven we ons wel te wagen. Niet alleen ik natuurlijk, al is er in mijn geval geen sprake van ook maar de minste verhulling. Of andere schrijvers het nu willen toegeven of niet: Shakespeare is en blijft de schrijver die het meest door onze aderen stroomt en de grootste inspirator is van ons gestamel.
Javier Marías (Madrid, 1951) geldt al jarenlang als serieuze kandidaat voor de Nobelprijs.
Zijn werk, vertaald in drieënveertig talen, is veelvuldig bekroond met nationale en internationale prijzen. Hij schreef onder meer Allerzielen, Een hart zo blank, De verliefden en Zo begint het slechte. Zijn drieluik Jouw gezicht morgen verschijnt in juni bij uitgeverij Meulenhoff.
Hij schrijft wekelijks een column voor El País.
Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.