Het werk van de Britse beeldhouwer Hew Locke, die opgroeide in Guyana, is vaak politiek geladen en legt etnische spanningen in de Britse samenleving bloot. In zijn spectaculaire nieuwe werk The Procession delen honderd figuren een complex verleden.
Met wapperende spandoeken en roffelende trommels meandert een krioelende optocht van mannen, vrouwen en kinderen door het hart van Tate Britain. De spektakel-parade (The Procession) van Hew Locke in het Londense museum wordt bevolkt door soldaten, vluchtelingen en vissers, monteurs in overalls en dandy’s in smoking. Alles komt voorbij, iedereen ziet er anders uit, maar in deze ‘stroom van menselijkheid’, schrijft The Guardian, is iedereen gelijk. Wat hen met elkaar verbindt, is een politieke geschiedenis, iets waar Locke al zijn hele carrière mee bezig is. Bijna altijd bevatten zijn complexe, tot in detail bedachte en uitgewerkte sculpturen en installaties de sporen van koloniale onderdrukking.
Hew Locke mengt schoonheid met beelden die juist ongemak opwekken; het maakt zijn werk sprookjesachtig mooi, maar tegelijkertijd vreemd, griezelig en surrealistisch
De 62-jarige Guyanees-Britse kunstenaar had niet eerder zo grootschalig gewerkt. Aanvankelijk zou hij zestig aangeklede poppen aan het museum leveren, maar het werden er honderd, levensgroot.
De spectaculaire figuren in de parade zijn gemaakt van onder meer gips, karton en papier-maché. Sommige gaan gekleed in schooluniformen en legeroverjassen, andere hebben buitenissige kostuums aan, gemaakt uit een internationale lappendeken van batik, tartan, sari-zijde, oude borduursels en moderne kunststoffen. Er zijn paarden met veelkleurige dekens en maskers in allerlei vormen. En op de spandoeken staan afbeeldingen die verwijzen naar onderdrukking en ongelijkheid.
Henry Tate
De jongen aan het begin van de optocht slaat op een ouderwetse trommel, waarvan de huid is gemaakt van een obligatie van de Russische General Oil Corporation, een eeuw geleden gedrukt maar controversiëler dan ooit. Achteraan worden we herinnerd aan tot slaaf gemaakte mensen op de suikerrietplantages. Een niet onbelangrijk detail is dat kunstverzamelaar Henry Tate, de oprichter van het museum, zelf zijn fortuin heeft gemaakt met de verkoop van suiker.
Halverwege staat een spookachtige begrafenisstoet, waarin twee slaven op palen het dodenmasker van een Engelse generaal dragen, vergezeld van kleine figuren in zwarte crinolines, hoepelrokken waarop nog net de bleke wangen van koningin Victoria zichtbaar zijn. Het lijkt alsof de stoet beweegt.
Locke mengt schoonheid met beelden die juist ongemak opwekken. Het maakt zijn werk sprookjesachtig mooi, maar tegelijkertijd vreemd, griezelig en surrealistisch. Door de subtiele verschuiving van kleur verandert Locke de gemoedstoestand in de parade, die er op het eerste gezicht nogal vrolijk uitziet. De figuren achteraan lijken echter door stofwolken te zijn gelopen of gevlucht te zijn voor overstromingen. Hun kleren dragen de sporen van de beproevingen waaraan de miljoenen vluchtelingen heden ten dage worden blootgesteld. De mars wordt daar een protest, een massamigratie. Iedereen probeert ergens te komen of ergens van weg te gaan.
Verenigd Koninkrijk neemt 20.000 Afghaanse vluchtelingen op
De Britse regering kondigde dinsdag een regeling aan om ‘op lange termijn’ 20.000 Afghaanse vluchtelingen op te nemen, waarvan 5000 in het eerste jaar. In een interview met The Telegraph drong de Britse minister van Binnenlandse Zaken, Priti Patel, er bij Europa op aan om ook Afghanen op te nemen die hun land ontvluchtten nadat de taliban de macht hadden gegrepen, waarbij zij betoogde dat het Verenigd Koninkrijk niet ‘alleen kon optreden’.
Macron waarschuwde maandag tegen ‘ongecontroleerde migratiestromen’ uit Afghanistan
Het conservatieve dagblad brengt in herinnering dat in Frankrijk president Emmanuel Macron maandag waarschuwde voor ‘ongecontroleerde migratiestromen’ uit Afghanistan en verklaarde dat Parijs, Berlijn en andere Europese hoofdsteden werkten aan een gecoördineerde reactie.
Eind vorig jaar leefde bijna 44 procent van de 126 miljoen Mexicanen in armoede, zo blijkt uit officiële gegevens van de overheid. Vorig jaar duikelden 3,8 miljoen Mexicanen onder de officiële armoedegrens en daarmee kwam het totaal op 56 miljoen armen, bericht MercoPress.
De armoedegrens in Mexico is bepaald op 111 dollar (94,50 euro) per maand voor plattelandsbewoners en 170 dollar (145 euro) voor stedelingen. De kwalificatie ‘extreme armoede’ geldt voor degenen die onvoldoende verdienen om een maandelijkse basishoeveelheid voedsel te kunnen kopen ter waarde van 63 dollar in plattelandsgebieden en 88 dollar in steden. Extreme armoede groeide vorig jaar van 7 procent tot 8,5 procent en treft nu bijna 11 miljoen Mexicanen.
Bacon-donateur is boos op museum
Barry Joule, klusjesman en voormalige vriend van de wereldberoemde Britse kunstenaar Francis Bacon (1909-1992), schonk een archief van de kunstenaar aan de Tate Gallery, maar dreigt de gift terug te trekken omdat het museum de werken volgens hem niet prominent genoeg exposeert, schrijft kunstsite ArtForum.
Joule suggereert dat zijn donatie misschien beter wordt gewaardeerd in Frankrijk
Joule, die Bacon aan het eind van de jaren zeventig leerde kennen, schonk in 2004 ruim 1200 schetsen, foto’s en documenten met een geschatte waarde van bijna 24 miljoen euro. Volgens Joule slaat de Tate de werken slechts op en hij suggereert dat zijn donatie misschien beter wordt gewaardeerd in Frankrijk.
Tate zegt zich aan het schenkingscontract te houden en daarmee aan de plicht de werken te catalogiseren en te exposeren. Sinds 2004 is de collectie publiekelijk toegankelijk in het archief en items werden in 2019 tentoongesteld in Tate Britain, hoewel ze in 2008 ontbraken op de grote Bacon-tentoonstelling. Joule zegt juridische stappen te zullen ondernemen ‘als er geen bevredigende conclusie wordt bereikt in oktober 2021’.
De Brits-Indiase Chila Kumari Singh Burman versierde in opdracht van Tate Britain de neoklassieke gevel van het museum. Het werd een vrolijke installatie, die samenviel met Diwali, het hindoefeest van duizend lichtjes. ‘Achter elke decoratie zit een reden.’
Chila Kumari Singh Burman, wier ouders uit de Punjab kwamen, maar geboren is in Liverpool, verkent al meer dan veertig jaar haar Brits-Indiase achtergrond, plus wat zij beschrijft als ‘de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid’. Haar uitbundige werk omvat schilderijen, prints, collages, fotografie en performances: Bollywood-bling ontmoet popart, met uitbundige kleuren, glitter en een uitdagende weigering om zich te laten beperken tot één enkele benadering of interpretatie.
Burman was in de jaren tachtig lid van de Britse Black Art-beweging en een van de eerste Zuid-Aziatische vrouwen die politieke kunst maakte in het Verenigd Koninkrijk. Haar werk is nog steeds doordrenkt met boodschappen over vrouwelijk empowerment en de wens om meerdere culturele verbanden en identiteiten te verkennen, zoals te zien is in haar huidige werk op de gevel van het Tate Britain. Ze heeft het gebouw gehuld in kaleidoscopische referenties, van Indiase mythologie tot George Orwell, via de negentiende-eeuwse ‘Warrior Queen’, de vrijheidstrijdster Jhansi ki Rani, en de horentjes die Burmans vader vanuit zijn ijscowagen verkocht.
Wat is de gedachte achter uw Tate Britain-opdracht?
‘Het zou mooi zijn als mensen zeggen: “Wow, is dat echt het Tate Britain?” Maar ik wil het ook hebben over mijn positie als Zuid-Aziatische vrouw die opgroeide als een Punjabi uit Liverpool, mijn interpretatie laten zien van de traditionele en populaire Indiase cultuur, de neoklassieke façade van het museum doorbreken en alles door elkaar mengen. Chaos in de orde brengen. Of het nu met fotomontages, collages, schilderijen, delen van mijn etsen of tekeningen op de iPad zijn.
Er zitten allerlei elementen uit mijn verleden in: de neonreclame van de Bengaalse tijger die op de ijscowagen van mijn vader stond, een pauw zoals die in hindoetempels rondlopen en ikzelf die een Shotokan-vechtsportsprong maak. Naast Britannia bovenaan het fronton van het Tate heb ik een figuur van een Bollywood-actrice met geheven vuist gezet, die op het omslag van Mukti heeft gestaan, een tijdschrift voor Zuid-Aziatische vrouwen dat ik in de jaren tachtig mede heb opgericht. Zij is mijn versie van Kali, de godin van de schepping en de vernietiging, en daar heb ik de woorden “I’m a Mess” aan toegevoegd, die ik ooit op een badge zag staan – want het is een puinhoop in Groot-Brittannië op dit moment, nietwaar?
Langs het fries van de voorgevel staan de woorden ‘Remembering a Brave New World’. Waarom heeft u die titel gekozen?
‘Omdat het suggereert dat er inspiratie gevonden kan worden in het verleden, en het biedt ook een gevoel van hoop voor de toekomst en geloof in een heerlijke nieuwe wereld. Het heeft een dubbele betekenis omdat Aldous Huxleys Brave New World [Heerlijke nieuwe wereld] een dystopische, totalitaire staat was waarin iedereen in de gaten werd gehouden. Ik weet dat sommige mensen misschien vragen: waarom citeer je dit witte manspersoon uit de upper class dat op Eton heeft gezeten? Maar Huxley was zijn tijd zo ver vooruit; hij was een verstandige man.’
De opdracht valt samen met Diwali, het hindoefeest van de duizend lichtjes.
‘De datum van Diwali verschilt elk jaar en toevallig viel het net in de tijd waarin ik de opdracht van het Tate moest uitvoeren. Dus dat gaf me de geweldige gelegenheid om Diwali in het landschap van de westerse kunstwereld te plaatsen. Het festival gaat over het licht aan het einde van de tunnel, over goed boven kwaad. Dus daar heb ik Lakshmi aan toegevoegd, de belangrijkste godin van Diwali, van rijkdom, fortuin en luxe, en ik heb er de god Ganesha een plaats in gegeven, die ook met Diwali aanbeden wordt en geluk en voorspoed brengt. In mijn jeugd hadden we geen kunst aan de muren, maar wel kalenders met goden en goeroes erin. Ik heb het Tate Britain een beetje op een moderne tempel laten lijken, zonder dat die veel met religie te maken heeft.’
U beschrijft uw werk als ‘een en al bling met een vlijmscherp politiek bewustzijn’.
‘Het toont een overvloed aan decoratie en verfraaiing. Ik maak gebruik van versiering, maar met een boodschap. Achter elke decoratie die ik in het Tate Britain heb gebruikt, zit een reden. Op twee van de pilaren staan afbeeldingen van mijn Punjabi Rockers-prints – de titel en de inhoud vormen een combinatie van mij als Punjabi met mijn liefde voor alle soorten muziek, of het nu hippie, punk, reggae is, of de bhangra- en Bollywood-filmmuziek waar mijn ouders thuis naar luisterden. De centrale pilaren zijn gehuld in Indiase vuurwerkverpakkingen met Lakshmi en Ganesha erop die verwijzen naar Diwali. Op de andere pilaren staan bloemen en details uit mijn Jelly Handcuffs-serie. Op de trappen liggen mijn kaleidoscopische iPad-tekeningen, die verwijzen naar Indiaas vuurwerk, en precies in het midden boven de hoofdingang staat het hindoesymbool “aum”.
Toen ik nog klein was, gingen we elke zondag naar de hindoetempel, en ik weet zeker dat ik daar mijn gevoel voor kleur vandaan heb. Ik vond het altijd heerlijk om me mooi aan te kleden om naar de tempel te gaan; sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heb ik de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid verkend, en in die context speelde ik vaak met traditioneel ‘meisjesachtige’ accessoires – bindi’s, beha’s, bloemen, juwelen en make-up – om gender en ras te onderzoeken. Ik vind het leuk om het idee van arte povera en gerecyclede materialen één feministische stap verder te voeren door goedkope, mooie rommel te gebruiken die men normaal gesproken geen blik waardig zou keuren.’
U bent naar de kunstacademie gegaan om te ontkomen aan een gearrangeerd huwelijk, en later raakte u nauw betrokken bij de Britse Black Arts-beweging. Hoe was het om in die tijd kunstenaar te zijn?
‘Ik mocht van mijn ouders nooit uitgaan en ik had geen vriendje tot ik in 1979 naar Leeds Polytechnic ging. Het was een fantastische tijd om kunstenaar te zijn, want het was de periode van punk en Rock Against Racism, en er was telkens meer belangstelling voor performance en marxistische, feministische kunst. Ik speelde in een vrouwelijke punkband die Delta 5 heette – het was een en al seks, drugs en rock-’n-roll. In de jaren tachtig zat ik op een kunstacademie, de Slade, en dat was een heel experimentele, politiek beladen tijd. Politiek, kunst en muziek waren sterker verbonden met ideeën rondom ras, klasse en gender. Toen ik later van de Slade af ging, raakte ik betrokken bij een groep Zuid-Aziatische vrouwen die Mukti hebben opgericht, een Aziatisch, feministisch tijdschrift dat in zes talen uitkwam.
Ik sloot me aan bij een aantal activistische groepen en werd curator van Curation for Liberation in de Brixton Art Gallery en van Artists Against Apartheid in de Royal Festival Hall met Darcus Howe. Ik ontwierp toen ook de antiracistische Southall Black Resistance-muurschildering met Keith Piper. We dachten allemaal dat we ons “eigen ding” moesten doen, omdat de witte kunstwereld ons niet zou zien staan. Ik ben altijd activist en artiest geweest – er was nooit een tekort aan dingen om commentaar op te geven.’
In 1988 schreef u uw inmiddels baanbrekende essay ‘There Have Always Been Great Black Women Artists’ in reactie op Linda Nochlins ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ Heeft u het idee dat de situatie erop vooruit is gegaan?
‘Er hebben grote veranderingen plaatsgevonden – het bestaan van onze kunst wordt meer erkend – maar er is nog veel meer te doen. Heel veel kunstenaars buiten de dominante cultuur – en vooral kunstenaars uit de diaspora in Groot-Brittannië – ontbreken nog in de grote kunstverzamelingen, en er zijn niet genoeg monografieën, retrospectieven of selecties voor opdrachten en internationale tentoonstellingen. Daarom is het zo fantastisch dat ik nu in het Tate Britain te zien ben.’
Twee sleutelwerken
Courtesy of the artist
Cornets and Screwballs Go Vegas (2010)
‘Bachan Singh, mijn vader, kwam in het begin van de jaren vijftig naar Engeland en werkte eerst voor Dunlop in Liverpool, maar daarna kocht hij een ijscowagen. Hij werkte tevens als goochelaar die vuur, scheermesjes en verbrijzelde gloeilampen doorslikte. Ook had hij een vaste act in de Seaman’s Club en was hij een ervaren kleermaker die maatwerk leverde.
Hij verkocht meer dan dertig jaar lang ijsjes op Freshfield Beach vanuit een grote bestelbus met bovenop een Bengaalse tijger. In de jaren zeventig hielp ik hem altijd in de bus, die ik elke avond na school schoonmaakte. Er was geen tijd voor huiswerk, maar ik mocht zoveel ijs eten als ik maar wilde en werd ondergedompeld in een wereld van kleur, smaak en materialen.’
Courtesy of Tate
Cut–Foot–Pupil–Uprisings (1981)
Dit zwart-witbeeld van politieagenten, bedekt met een rood raster over een naaipatroon voor een kledingstuk, is er een van zes unieke prints die een reactie vormden op de rellen in de jaren tachtig. Ik deed mijn Master of Arts aan de Slade en woonde op dat moment in Brixton, en mijn partner werd door de politie in de gevangenis gegooid omdat hij een zijstraat in rende tijdens de rellen in Leeds.
De prints zijn gemaakt met de meester-graficus Stanley Jones op de grafische afdeling van de Slade, die erom bekendstond dat er met uiteenlopende technieken werd geëxperimenteerd, en hierop combineer ik etsen met zeefdrukken en lithografie. Ik vind het leuk om dingen door elkaar te mengen en ik volg de regels niet, zelfs niet als het om grafiek gaat. Dit is een plaat waarop de agenten gasmaskers dragen, maar die heb ik in een zuurbad gelegd zodat er stukjes af zouden breken en er zitten ook gaten in. Ik had het niet zo op de politie op dat moment, dus beeldde ik een Amerikaanse agent af en stopte hem ook in een zuurbad, en daaroverheen legde ik dat papieren patroon met uitsparingen erin. De spanning en de scheiding in de gelaagdheid en de gefragmenteerde beelden weerspiegelen het geweld en het conflict van het onderwerp.’
Tate Britain is gesloten maar het werk van Chila Kumari Singh Burmans zal nog tot 28 februari aan de gevel te zien zijn.
De Zuid-Aziatische Chila Kumari Singh Burman versierde in opdracht van Tate Britain de neoklassieke gevel van het museum. Het werd een vrolijke installatie, die samenviel met Diwali, het hindoefeest van duizend lichtjes. ‘Achter elke decoratie zit een reden.’
Chila Kumari Singh Burman, wier ouders uit de Punjab kwamen, maar geboren is in Liverpool, verkent al meer dan veertig jaar haar Brits-Indiase achtergrond, plus wat zij beschrijft als ‘de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid’. Haar uitbundige werk omvat schilderijen, prints, collages, fotografie en performances: Bollywood-bling ontmoet popart, met uitbundige kleuren, glitter en een uitdagende weigering om zich te laten beperken tot één enkele benadering of interpretatie. Burman was in de jaren tachtig lid van de Britse Black Art-beweging en een van de eerste Zuid-Aziatische vrouwen die politieke kunst maakte in het Verenigd Koninkrijk. Haar werk is nog steeds doordrenkt met boodschappen over vrouwelijk empowerment en de wens om meerdere culturele verbanden en identiteiten te verkennen, zoals te zien is in haar huidige werk op de gevel van het Tate Britain. Ze heeft het gebouw gehuld in kaleidoscopische referenties, van Indiase mythologie tot George Orwell, via de negentiende-eeuwse ‘Warrior Queen’, de vrijheidstrijdster Jhansi ki Rani, en de horentjes die Burmans vader vanuit zijn ijscowagen verkocht.
Wat is de gedachte achter uw Tate Britain-opdracht?
‘Het zou mooi zijn als mensen zeggen: “Wow, is dat echt het Tate Britain?” Maar ik wil het ook hebben over mijn positie als Zuid-Aziatische vrouw die opgroeide als een Punjabi uit Liverpool, mijn interpretatie laten zien van de traditionele en populaire Indiase cultuur, de neoklassieke façade van het museum doorbreken en alles door elkaar mengen. Chaos in de orde brengen. Of het nu met fotomontages, collages, schilderijen, delen van mijn etsen of tekeningen op de iPad zijn.
Er zitten allerlei elementen uit mijn verleden in: de neonreclame van de Bengaalse tijger die op de ijscowagen van mijn vader stond, een pauw zoals die in hindoetempels rondlopen en ikzelf die een Shotokan-vechtsportsprong maak. Samen met Britannia bovenaan het fronton van het Tate heb ik een figuur van een Bollywood-actrice met geheven vuist gezet, die op het omslag van Mukti komt, een tijdschrift voor Zuid-Aziatische vrouwen dat ik in de jaren tachtig mede heb opgericht. Zij is mijn versie van Kali, de godin van de schepping en de vernietiging, en daar heb ik de woorden “I’m a Mess” aan toegevoegd, die ik ooit op een badge zag staan – want het is een puinhoop in Groot-Brittannië op dit moment, nietwaar?
Langs het fries van de voorgevel staan de woorden ‘Remembering a Brave New World’. Waarom heeft u die titel gekozen?
‘Omdat het suggereert dat er inspiratie gevonden kan worden in het verleden, en het biedt ook een gevoel van hoop voor de toekomst en geloof in een heerlijke nieuwe wereld. Het heeft een dubbele betekenis omdat Aldous Huxleys Brave New World (Heerlijke nieuwe wereld) een dystopische, totalitaire staat was waarin iedereen in de gaten werd gehouden. Ik weet dat sommige mensen misschien vragen: waarom citeer je dit witte manspersoon uit de upper class dat op Eton heeft gezeten? Maar Huxley was zijn tijd zo ver vooruit; hij was een verstandige man.’
De opdracht valt samen met Diwali, het hindoefeest van de duizend lichtjes.
‘De datum van Diwali verschilt elk jaar en toevallig viel het net in de tijd waarin ik de opdracht van het Tate moest uitvoeren. Dus dat gaf me de geweldige gelegenheid om Diwali in het landschap van de westerse kunstwereld te plaatsen. Het festival gaat over het licht aan het einde van de tunnel, over goed boven kwaad. Dus daar heb ik Lakshmi aan toegevoegd, de belangrijkste godin van Diwali, van rijkdom, fortuin en luxe, en ik heb er de god Ganesha een plaats in gegeven, die dan ook aanbeden wordt en geluk en voorspoed brengt. In mijn jeugd hadden we geen kunst aan de muren, maar wel kalenders met goden en goeroes erin. Ik heb het Tate Britain een beetje op een moderne tempel laten lijken, zonder dat die veel met religie te maken heeft.’
U beschrijft uw werk als ‘een en al bling met een vlijmscherp politiek bewustzijn’.
‘Het toont een overvloed aan decoratie en verfraaiing. Ik maak gebruik van versiering, maar met een boodschap. Achter elke decoratie die ik in het Tate Britain heb gebruikt, zit een reden. Op twee van de pilaren staan afbeeldingen van mijn Punjabi Rockers-prints – de titel en de inhoud vormen een combinatie van mij als Punjabi met mijn liefde voor alle soorten muziek, of het nu hippie, punk, reggae is, of de bhangra- en Bollywood-filmmuziek waar mijn ouders thuis naar luisterden. De centrale pilaren zijn gehuld in Indiase vuurwerkverpakkingen met Lakshmi en Ganesha erop die verwijzen naar Diwali. Op de andere pilaren staan bloemen en details uit mijn Jelly Handcuffs-serie. Op de trappen liggen mijn kaleidoscopische iPad-tekeningen, die verwijzen naar Indiaas vuurwerk, en precies in het midden boven de hoofdingang staat het hindoesymbool “aum”.
Toen ik nog klein was, gingen we elke zondag naar de hindoetempel, en ik weet zeker dat ik daar mijn gevoel voor kleur vandaan heb. Ik vond het altijd heerlijk om me mooi aan te kleden om naar de tempel te gaan; sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heb ik de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid verkend, en in die context speelde ik vaak met traditioneel ‘meisjesachtige’ accessoires – bindi’s, beha’s, bloemen, juwelen en make-up – om gender en ras te onderzoeken. Ik vind het leuk om het idee van arte povera en gerecyclede materialen één feministische stap verder te voeren door goedkope, mooie rommel te gebruiken die men normaal gesproken geen blik waardig zou keuren.’
U bent naar de kunstacademie gegaan om te ontkomen aan een gearrangeerd huwelijk, en later raakte u nauw betrokken bij de Britse Black Arts-beweging. Hoe was het om in die tijd kunstenaar te zijn?
‘Ik mocht van mijn ouders nooit uitgaan en ik had geen vriendje tot ik in 1979 naar Leeds Polytechnic ging. Het was een fantastische tijd om kunstenaar te zijn, want het was de periode van punk en Rock Against Racism, en er was telkens meer belangstelling voor performance en marxistische, feministische kunst. Ik speelde in een vrouwelijke punkband die Delta 5 heette – het was een en al seks en drugs en rock-’n-roll. In de jaren tachtig zat ik op een kunstacademie, de Slade, en dat was een heel experimentele, politiek beladen tijd. Politiek, kunst en muziek waren sterker verbonden met ideeën rondom ras, klasse en gender. Toen ik later van de Slade af ging, raakte ik betrokken bij een groep Zuid-Aziatische vrouwen die Mukti hebben opgericht, een Aziatisch, feministisch tijdschrift dat in zes talen uitkwam.
Ik sloot me aan bij een aantal activistische groepen en werd curator van Curation for Liberation in de Brixton Art Gallery en van Artists Against Apartheid in de Royal Festival Hall met Darcus Howe. Ik ontwierp toen ook de antiracistische Southall Black Resistance-muurschildering met Keith Piper. We dachten allemaal dat we ons “eigen ding” moesten doen, omdat de witte kunstwereld ons niet zou zien staan. Ik ben altijd activist en artiest geweest – er was nooit een tekort aan dingen om commentaar op te geven.’
In 1988 schreef u uw inmiddels baanbrekende essay ‘There Have Always Been Great Black Women Artists’ in reactie op Linda Nochlins ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ Heeft u het idee dat de situatie erop vooruit is gegaan?
‘Er hebben grote veranderingen plaatsgevonden – het bestaan van onze kunst wordt meer erkend – maar er is nog veel meer te doen. Heel veel kunstenaars buiten de dominante cultuur – en vooral kunstenaars uit de diaspora in Groot-Brittannië – ontbreken nog in de grote kunstverzamelingen, en er zijn niet genoeg monografieën, retrospectieven
of selecties voor opdrachten en internationale tentoonstellingen. Daarom is het zo fantastisch dat ik nu in het Tate Britain te zien ben.
‘Bachan Singh, mijn vader, kwam in het begin van de jaren vijftig naar Engeland en werkte eerst voor Dunlop in Liverpool, maar daarna kocht hij een ijscowagen. Hij werkte tevens als goochelaar die vuur, scheermesjes en verbrijzelde gloeilampen doorslikte. Ook had hij een vaste act in de Seaman’s Club en was hij een ervaren kleermaker die maatwerk leverde.
Hij verkocht meer dan dertig jaar lang ijsjes op Freshfield Beach vanuit een grote bestelbus met bovenop een Bengaalse tijger. In de jaren zeventig hielp ik hem altijd in de bus, die ik elke avond na school schoonmaakte. Er was geen tijd voor huiswerk, maar ik mocht zoveel ijs eten als ik maar wilde en werd ondergedompeld in een wereld van kleur, smaak en materialen.
‘Dit zwart-witbeeld van politieagenten, bedekt met een rood raster over een naaipatroon voor een kledingstuk, is er een van zes unieke prints die een reactie vormden op de rellen in de jaren tachtig. Ik deed mijn Master of Arts aan de Slade en woonde op dat moment in Brixton, en mijn partner werd door de politie in de gevangenis gegooid omdat hij een zijstraat in rende tijdens de rellen in Leeds.
De prints zijn gemaakt met de meester-graficus Stanley Jones op de grafische afdeling van de Slade, die erom bekendstond dat er met uiteenlopende technieken werd geëxperimenteerd, en hierop combineer ik etsen met zeefdrukken en lithografie. Ik vind het leuk om dingen door elkaar te mengen en ik volg de regels niet, zelfs niet als het om grafiek gaat. Dit is een plaat waarop de agenten gasmaskers dragen, maar die heb ik in een zuurbad gelegd zodat er stukjes af zouden breken en er zitten ook gaten in. Ik had het niet zo op de politie op dat moment, dus beeldde ik een Amerikaanse agent af en stopte hem ook in een zuurbad, en daaroverheen legde ik dat papieren patroon met uitsparingen erin. De spanning en de scheiding in de gelaagdheid en de gefragmenteerde beelden weerspiegelen het geweld en het conflict van het onderwerp.’
Sinds 1990 onderscheidt deze titel zich in de kunstwereld met serieuze artikelen en grondige onderzoeken. Niet voor niets staat The Art Newspaper aan de wieg van vele primeurs.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.