Tag: tech

  • We slaan de plank mis met menselijke robots

    We slaan de plank mis met menselijke robots

    Techpioniers voorspellen gouden tijden voor mensachtige robots. Maar machines hoeven geen mensen te imiteren om van grote waarde te zijn.

    Aangezien de tech-industrie niet uitgepraat raakt over de ontwikkelingen omtrent AI, is het geen gekke gedachte dat er binnenkort menselijke robots op aarde zullen rondlopen.

    Elon musk heeft het marktaandeel van Optimus, Tesla’s poging tot een mensachtige huishoudrobot, op 10 biljoen dollar geschat. Jensen Huang, directeur van Nvidia [een grote producent van computerhardware] voorspelde dat dit ‘de grootste tech-industrie ooit’ zal worden. 

    Met het grote aantal beginnende roboticabedrijven en de vloedgolf aan online filmpjes van tweevoetige robots die allerlei menselijke taken verrichten, lijkt de robotrevolutie een feit. LLM’s kunnen nu al complexe logische problemen oplossen, en het lijkt misschien eenvoudig om zo’n model ook in een robot te installeren, waarna deze simpelweg kan worden hertraind om zich in de wereld te handhaven. Klaar is Kees.

    Dankzij talloze sciencefictionverhalen die al jaren de ronde doen ‘gaan veel mensen ervan uit dat AI iets lichamelijk is’

    Dit is een zware onderschatting. Dankzij talloze sciencefictionverhalen die al jaren de ronde doen ‘gaan veel mensen ervan uit dat AI iets lichamelijk is’, aldus Peter Varrett, investeerder in Playground Global. In werkelijkheid is het een immense stap om intelligentie naar de fysieke wereld te vertalen.

    Daarvoor zal de manier waarop AI momenteel wordt getraind radicaal moeten veranderen. Als sterke, autonome machines in contact worden gebracht met mensen is er bijvoorbeeld geen ruimte voor de ‘hallucinaties’ waar LLM’s doorgaans last van hebben [kleine foutjes in hun handelingen]. En zo moeten robotbouwers nog ontelbare andere uitdagingen overkomen om het menselijk lichaam in een machine na te bootsen.

    Door de verwachtingen over de praktische haalbaarheid van kunstmatige mensen op te schroeven, maken robotbouwers het zichzelf alleen maar moeilijker. Ze lopen bovendien het risico een veel haalbaardere en zeer belangrijke markt mis te lopen: die voor robots die geen twee benen hebben of proberen de mens in al zijn complexiteit na te bootsen.

    Obstakels

    Op het gebied van kunstmatige intelligentie komen robotontwikkelaars veel obstakels tegen waar de makers van LLM’s helemaal geen last van hebben. Zo zijn diensten zoals ChatGPT getraind op datasets die vooral van het internet afkomstig zijn, zonder dat daar data over de fysieke wereld aan te pas komen. 

    Ook is het veel moeilijker om een machine te bouwen die met de wereld interacteert en objecten gebruikt en oppakt dan om een simpelere autonome machine te maken zoals een zelfrijdende auto. Voertuigen hebben enkel de opdracht door de wereld heen te bewegen zonder tegen dingen op te botsen; een robot moet dingen op precies de juiste manier aanraken om zelfs maar de simpelste taken uit te kunnen voeren.

    Daar komt nog de kwestie van ‘planning’ bij kijken: in real time beslissingen nemen over een handelwijze op basis van een stroom aan zintuiglijke data uit de echte wereld – een van de moeilijkste problemen in de robotica. Zelfrijdende auto’s beginnen weliswaar  eindelijk op de openbare weg te verschijnen, maar het heeft jaren langer geduurd dan door optimisten in de techindustrie werd voorspeld. Robots vormen nog een veel grotere uitdaging.

    AI in de klas

    AI verovert niet alleen de techwereld, maar ook het klaslokaal. In juli kondigden OpenAI, Microsoft en Anthropic een samenwerking van 23 miljoen dollar aan met grote Amerikaanse lerarenvakbonden om docenten te trainen in het gebruik van AI, schrijft MIT Technology Review. Via de nieuwe National Academy for AI Instruction leren leraren AI inzetten voor lesvoorbereiding, toetsing en directe begeleiding van leerlingen. Bedrijven beloven maatwerk en efficiëntie, maar critici wijzen op de risico’s: scholieren gebruiken AI minstens zo vaak om te spieken als om te leren, en studies suggereren dat kritisch denken eronder lijdt.
    Nog radicaler is het experiment van de private Alpha School in Austin, Texas, waar AI het merendeel van de dagelijkse lessen overneemt, aldus Courrier International.
    Leerlingen krijgen twee uur per dag AI-geleide instructie en besteden de rest van de tijd aan workshops rond communicatie, financiën en persoonlijke ontwikkeling. Volgens oprichter MacKenzie Price kan AI onderwijs beter personaliseren dan mensen ooit kunnen. Critici vrezen echter een ‘modieuze’ hype en waarschuwen voor een verarming van de sociale dimensie van onderwijs. Die Zeit vraagt zich af of we straks überhaupt nog hoeven te leren. AI neemt steeds meer cognitieve taken over: lezen, samen-vatten, schrijven, vertalen. Is die afname van eigen inspanning wel goed voor ons?
    In Singapore zijn ze daarvan overtuigd, en worden kinderen al vanaf drie jaar vertrouwd gemaakt met AI. In Denemarken wordt AI binnenkort toegestaan tijdens het staatseindexamen.

    Nvidia kaartte deze problemen aan bij de jaarlijkse technologieconferentie in Silicon Valley, afgelopen maart. Het bedrijf heeft een systeem ontwikkeld genaamd Cosmos dat een virtuele wereld kan genereren om robotbreinen in op te leiden, maar het is nog onduidelijk hoe en of deze synthetische data de echte wereld kan nabootsen. Ook is de chipfabrikant begonnen aan een ‘physics engine’ waarmee een robot kan leren over de fysieke wereld, zoals het verschil tussen harde en zachte objecten. Deze engine wordt gemaakt door Disney en Google DeepMind. Deze samenwerking spreekt boekdelen over hoe technologie en fantasie elkaar in de robotrevolutie opzoeken.

    Nvidia presenteerde overigens ook een veelbelovend besturingssysteem voor robots, dat als opensourceproject wordt ontwikkeld zodat andere potentiële ontwikkelaars kunnen aansluiten. Dit kan een grote impuls vormen voor het vakgebied – al dreigt het tegelijkertijd de vele anderen die zich haastig op dit terrein hebben gestort buitenspel te zetten. Bovendien is er een groot verschil tussen het uitstippelen van een ontwikkelingsplan en daadwerkelijk resultaten boeken.

    Misschien hoeft de mens niet per se te worden nagebootst, maar liggen er juist meer mogelijkheden in de ontwikkeling van saaiere machines, die eenduidige taken kunnen uitvoeren of kunnen werken in op maat gemaakte omgevingen zoals warenhuizen of fabrieken. Zo zijn er automatische warenhuizenkarretjes ontwikkeld door Robust.ai, een bedrijf van Rodney Brooks, medeoprichter van het bedrijf achter de Roomba-stofzuiger en voormalig professor in kunstmatige intelligentie bij MIT. Een vaatwasser heeft geen handen nodig om de mens een handje te kunnen helpen. Als de nieuwste AI-technologieën en goedkope hardware worden benut, kan men allerlei robots bouwen die heel nuttig kunnen zijn – ook al lijken ze in geen enkel opzicht op de mens. 

  • Zweden, het techparadijs van Europa

    Zweden, het techparadijs van Europa

    Met een relatief kleine bevolking heeft Zweden een opvallend aantal techreuzen voortgebracht, zoals Spotify, Skype en Klarna. Daarmee behoort het land tot de koplopers in Europa.

    De Zweedse economie kampt met dezelfde problemen als de rest van Europa: recente golven van torenhoge inflatie, recessie en karige groeimogelijkheden in een wereld die door geopolitieke en economische conflicten wordt verscheurd. Toch kan het land bogen op een hoeveelheid hightechbedrijven waar buurlanden jaloers op zijn. Spotify en Skype zijn wereldmerken, en andere voorbeelden van Zweeds technologiesucces zijn het fintechbedrijf Klarna en King Digital Entertainment, het bedrijf achter Candy Crush. ‘De Zweden hebben iets, met name in de technologiesector, dat andere Europese landen niet in die mate hebben,’ zegt Jacob Kirkegaard, onderzoeker bij de Amerikaanse denktank German Marshall Fund.

    Deze Zweedse verdienste trekt weer aandacht nu Europa zich steeds meer zorgen maakt of het op technologiegebied nog wel mee kan met Amerika en China. De VS hebben een hele generatie techreuzen als Google, Meta en Amazon voortgebracht en in China bloeide de technologiesector op met bedrijven als Alibaba, Huawei en ByteDance, de eigenaar van TikTok. Europa heeft zijn eigen grote namen op dit vlak, zoals het Nederlandse ASML, wereldleider in de halfgeleidersector. Maar al met al wordt Europa toch beschouwd als een continent dat eerder toekijkt dan vernieuwt, en staat het eerder bekend om de strenge regelgeving waaraan het buitenlandse techbedrijven onderwerpt dan om het stimuleren van de eigen technologiesector.

    ‘Europese waarden’

    Een achterstand zal niet alleen aanzienlijke economische consequenties hebben, maar ook grote maatschappelijke gevolgen. Europese beleidsmakers zijn bang voor wat het op de lange termijn kan betekenen als Europa voor zijn communicatie, sociale media, online shopping en entertainment aangewezen blijft op buitenlandse bedrijven en niet terecht kan bij bedrijven met zogenaamde ‘Europese waarden’. Die behelzen onder meer een grotere prioriteit voor privacybescherming, het tegengaan van de verspreiding van haatdragende taal, goede arbeidsbescherming en een betere balans tussen werk en privé.

    De productiviteit van de Zweedse technologiesector is tweemaal zo hoog als het Europese gemiddelde

    Critici van het Europese technologiebeleid klagen over het gebrek aan durfkapitaal en een Europese cultuur waarin risico’s worden gemeden. Europese techneuten trekken vaak eerder naar de VS dan dat ze in eigen land een bedrijf opbouwen. In Zweden ligt dat anders. Dat telt per hoofd van de bevolking meer ‘tech unicorns’ (start-ups die meer dan een miljard dollar waard zijn) dan enig ander Europees land behalve Estland, zo stelt een rapport over de Europese technologiesector van investeringsfonds Atomico. In absolute aantallen unicorns staat Zweden in Europa op de vierde plaats, na Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk, landen waarvan de bevolking zes tot negen keer zo groot is. Mario Draghi, de oud-president van de ECB die voor de EU de ‘concurrentiecrisis’ in kaart brengt, noemde Zweden onlangs een voorbeeldland. Hij wees op de productiviteit van de Zweedse technologiesector, die tweemaal zo hoog is als het Europese gemiddelde, en de goede sociale voorzieningen.

    Een tiental ondernemers, investeerders en economen bevestigen in gesprekken dat Zweden zijn succes mede te danken heeft aan de stimuleringsregelingen waarmee de overheid in de jaren negentig pc’s en breedbandinternet binnen het bereik van grote delen van de bevolking bracht. Dat was een tijd waarin de meeste mensen net leerden wennen aan het gekraak en gepiep van inbelmodems. Volgens Fredrik Cassel, partner bij Creandum, een investeringsfonds dat geld gestoken heeft in Spotify en Klarna, kon hij techinvesteerder worden dankzij de goede beschikbaarheid van internet. Zweden streefde naar een pc en een internetverbinding in elk huishouden en ging daarmee voorop in het kweken van een ‘programmeursgeneratie’, aldus Cassel (50). ‘Ik zie zoiets niet snel gebeuren als aan die twee infrastructuurvoorwaarden niet is voldaan.’

    Asielbeleid Zweden ‘strenger dan ooit’

    Zweden heeft de afgelopen jaren de instroom van asielzoekers drastisch weten te verminderen door een strenger asiel- en migratiebeleid te voeren.

    Ook in het voorbeeldland Zweden staat immigratie al jaren hoog op de agenda en is de aanpak van vluchtelingen en arbeidsimmigranten onder de centrumrechtse regering grondig herzien.
    Een belangrijke maatregel is het versoberen van de regels voor gezinshereniging: migranten mogen hun familie pas over laten komen als ze financieel onafhankelijk zijn en beschikken over een dak boven hun hoofd. Daarnaast zijn de eisen voor het verkrijgen van Zweeds burgerschap aangescherpt. De regering heeft ook actief ingezet op het ontmoedigen van potentiële migranten door middel van internationale campagnes via Zweedse ambassades.
    Migratieminister Maria Malmer Stenergard benadrukt dat Zweden bescherming zal bieden aan ’wie dat echt nodig heeft’. Zij stelt dat een groot deel van de asielzoekers daar niet voor in aanmerking komt. Integratie in de Zweedse samenleving is volgens haar niet altijd succesvol verlopen, wat heeft geleid tot problemen zoals criminaliteit en schooluitval onder migranten.
    Naast asielmaatregelen heeft Zweden ook het beleid voor arbeidsmigratie aangepast. Het minimumloon voor werkvisa is verdubbeld, en het liefst laat de minister alleen nog hooggekwalificeerde migranten toe. Dit alles maakt deel uit van een bredere strategie om de instroom van migranten te beheersen en de integratie te verbeteren, zodat er minder druk op de Zweedse welvaartsstaat komt te liggen.
    De minister breekt met eerder beleid waar Zweden in 2015 internationaal door opviel, toen in één jaar 163.000 Syrische vluchtelingen ruimhartig werden opgevangen.

    De Zweedse techondernemer Hjalmar Nilsonne heeft dezelfde ervaring. Hij weet nog dat hij in 1998, toen hij tien was, zijn eigen HP-computer met een Pentium II kreeg: ‘Dat veranderde mijn leven, door de kennismaking met programmeren en internet.’ Nilsonne was de oprichter van Watty, dat hij later heeft verkocht, en is onlangs met Daniel Ek, oprichter en CEO van Spotify, de nieuwe start-up Neko Health begonnen. ‘Hij had precies dezelfde achtergrond als ik,’ zegt hij over Ek. ‘We speelden met computers, we leerden hoe je websites opzet. We begonnen als tieners al websites te verkopen aan vrienden en familie. Dat was allemaal mogelijk omdat we al zo vroeg internet hadden.’

    Analisten wijzen ook op de Zweedse traditie van publieke en private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Die investeringen bedragen momenteel 3,4 procent van het bbp, een van de hoogste percentages in Europa. Voor durfkapitaal kan het kleine land dan ook een beroep doen op de diepe zakken van familiefondsen zoals de Wallenbergstichting en de Ikea Foundation, en het pensioenfonds van de staat.

    Met een bevolking van 10 miljoen inwoners moesten Zweedse bedrijven hun klandizie altijd al in het buitenland zoeken, aldus Asa Zetterberg, directeur van brancheorganisatie TechSverige. Volgens haar waren start-ups en andere industrieën daardoor gedwongen om ‘mondiaal concurrerend te zijn’. De helft van het Zweedse bbp komt uit de export, en in 2022 was de technologiesector goed voor 11 procent van de totale export van het land. Volgens Niklas Zennström, mede-oprichter van Skype en nu CEO van Atomico, konden techbedrijven in Europa wel aan startkapitaal komen, maar kregen ze veel moeilijker geld los voor de financiering van verdere groei dan hun tegenhangers in de Verenigde Staten.

    Beter concurreren

    De roep om meer financieringsmogelijkheden klinkt nu in een context waarin overheden overal ter wereld initiatieven ontplooien om de economische ontwikkeling van hun land aan te sturen. De Verenigde Staten trekken honderden miljarden dollars extra uit voor het stimuleren van de ontwikkeling van halfgeleiders, alternatieve energie en elektrische voertuigen, om zo beter met China te kunnen concurreren. De belangrijkste wetten die Biden heeft doorgevoerd betreffen subsidies, garantstellingen en belastingvoordelen voor bedrijven die in de groene transitie en geavanceerde technologie investeren. Daarbij wordt ook wel aan sociale voorzieningen gedacht: voor chipfabrikanten is het aanbieden van betaalbare kinderopvang een subsidievoorwaarde. Maar het zwaartepunt ligt toch bij de technologische ontwikkeling.

    De beste manier waarop de regering ondernemerschap en innovatie kan stimuleren is met goede ‘sociale voorzieningen’

    Ondernemers en investeerders wijzen herhaaldelijk op het belang van het sterke sociale vangnet in Zweden voor het stimuleren van de experimenteerdrang en de risicobereidheid van ondernemers, ook al vergt het hoge belastingen om dat vangnet te financieren. De beste manier waarop de Zweedse regering ondernemerschap en innovatie kan stimuleren is met goede ‘sociale voorzieningen’, zegt Cassel van Creandum. Gratis onderwijs, gratis zorg, gratis kinderopvang. ‘Dan kun je je een risico permitteren, je belandt niet op straat’ als het niet lukt, aldus Cassel.

    Ook Sebastian Siemiatkowski, oprichter van Klarna, is vol lof over de Zweedse sociale voorzieningen. Zijn ouders waren immigranten, en toen hij klein was zaten ze vaak zonder werk. Maar hij had toch gezondheidszorg, kon naar de beste scholen en kreeg al jong een computer in huis, ‘zonder dat we een cent te makken hadden’. Naast België is er geen ander EU-land dat zo’n groot deel van zijn bbp aan onderwijs besteedt als Zweden. 

    Siemiatkowski wijst erop dat Zweden het ook veel beter doet dan de VS als het gaat om gelijke kansen. Op de laatste mobiliteitsindex van het World Economic Forum, die van 2020, stond Zweden op de vierde plaats. De VS op de zevenentwintigste. Dat is volgens hem een belangrijke reden dat Zweden ‘bovengemiddeld presteert’. 

  • Zo verspilt de EU haar technologiemiljarden

    Zo verspilt de EU haar technologiemiljarden

    Brussel geeft elk jaar meer dan 10 miljard euro uit om innovaties te stimuleren. Maar dat geld stroomt niet naar start-ups, het subsidieert oude bedrijven. Slechts een fractie ervan zou effectief worden besteed.

    Europa doet het momenteel goed op de beurs, maar dat ligt meer aan de onberekenbare politiek van Donald Trump dan aan de vooruitzichten van de EU-ondernemingen. Wie wat beter kijkt, beseft dat het continent waar het op technologische vooruitgang aankomt ver is achtergebleven bij de concurrentie. In de digitale economie domineren de tech-giganten uit de VS, van Google tot Microsoft. En in traditionele sectoren zoals de auto-industrie, chemische industrie en machinebouw is China Europa inmiddels voorbijgestreefd. Economen spreken van een technologieval, of preciezer: de mid-technologie-trap. 

    Daar zijn veel redenen voor, zoals de voormalige minister-presidenten van Italië Mario Draghi en Enrico Letta vorig jaar in twee lijvige rapporten aan de EU-commissie hebben voorgerekend. De EU-landen investeren te weinig, de kapitaalsector is onderontwikkeld en de interne markt is nog altijd gefragmenteerd. Dat klopt allemaal, zo laat een recent onderzoek zien van het ifo Institut in München en de Bocconi Universiteit in Milaan. Maar Brussel beschikt nog over een ander instrument, dat bovendien veel makkelijker is in te zetten. Als de EU de technologische achterstand wil inhalen, aldus de studie, moet ze vooral haar slecht functionerende innovatie- en technologiebeleid veranderen. ‘In plaats van ondernemingen’, zegt professor Daniel Gros van de Bocconi Universiteit, zou Brussel beter ‘ideeën kunnen financieren’.

    Oude industrieën

    Op dit moment gebeurt dus meestal het eerste. De miljarden kostende EU-programma’s die Brussel uitvoert onder de hoogdravende naam ‘Horizon’ richten zich voornamelijk op oude industrieën, worden vaak door een kleine kring van gevestigde concerns afgenomen en vloeien naar projecten die waarschijnlijk zonder dat geld ook wel waren doorgegaan. De manier waarop de EU onderzoek stimuleert, is vooral een vorm van gewone bedrijfsfinanciering geworden, staat in het rapport. Echt vernieuwende ideeën levert het nauwelijks op.

    Het gaat om enorme bedragen. In de afgelopen tien jaar heeft Brussel ongeveer 100 miljard euro in haar technologieprogramma’s gestoken. Maar wat dat vele belastinggeld heeft opgeleverd werd tot op heden nauwelijks systematisch onderzocht. Als eerste rekende het Duits-Italiaanse ­team van economen uit hoe sterk de Brusselse middelen bijdroegen aan de groei van de ontvangers – met een ontnuchterende uitkomst. Bij een groot deel van de projecten zijn ‘tijdens de periode van subsidiëring kleine positieve effecten’ opgemerkt, die echter niet van blijvende aard waren. Integendeel: sinds het begin van het eerste decennium van deze eeuw is het aandeel van bedrijven uit de EU in de wereldwijde high-techmarkten teruggelopen van 22 naar 11 procent.

    Dat lag niet in de laatste plaats, zo ontdekten de onderzoekers, aan de manier waarop de Horizongelden worden verdeeld. Een groot deel komt niet terecht bij kleine creatieve start-ups, maar bij gevestigde bedrijven ‘op een gemiddeld technologisch niveau’, waaronder grote autoconcerns, van VW en Mercedes Benz tot en met Stellantis. Nog kritischer is het oordeel over de miljarden die terechtkomen bij grote bedrijfsconsortia, waarin gemiddeld twintig, soms wel honderd, partijen uit meerdere EU-landen samenwerken. Zulke projecten worden vaak niet van onderaf ontwikkeld door de bedrijven zelf, maar van bovenaf gepland door commissies van EU-ambtenaren, waarbij nationale belangen regelmatig zwaarder wegen dan technologische vernieuwing.

    Een aanzienlijk deel van het geld belandt niet bij technologiebedrijven, maar bij consultancybureaus

    De economen noemen als voorbeeld een Horizon-project rond batterijen voor elektrische auto’s, dat zich van meet af aan beperkte tot vertrouwde technologieën en gangbare productiemethoden. Geen wonder, stellen ze, dat zulke projecten zelden tot echte innovaties leiden, maar hooguit tot ‘marginale verbeteringen van bestaande technologieën’.

    Sterker nog: een aanzienlijk deel van het geld belandt niet bij technologiebedrijven, maar bij consultancybureaus die gespecialiseerd zijn in het begeleiden van klanten door het woud aan Europese aanvraag- en verantwoordingsregels. Volgens de studie is de sterkste groei van de Horizon-programma’s dan ook ‘te vinden in de sector van consultancy en ondersteunende diensten’.

    Het rapport laat ook zien hoe het wél werkt. De technologiesubsidies van de EU blijken namelijk wel effectief wanneer ze terechtkomen bij kleine, onafhankelijke bedrijven. In zulke gevallen bespeurden de onderzoekers doorgaans ‘positieve, aanhoudende en significante’ effecten. Helaas gaat slechts 7,5 procent van de Horizon-gelden naar dit type ondernemingen. De conclusie van de studie is dan ook weinig vleiend: slechts een fractie van het totale subsidiegeld wordt daadwerkelijk ‘effectief besteed’. Het leeuwendeel vloeit naar ‘bedrijven die zich gespecialiseerd hebben in het verwerven van Horizonsubsidies’, ‘vaak dochterbedrijven van de grote concerns’ die deelnamen aan ‘tientallen plannen’, in enkele gevallen zelfs meer dan tweehonderd.

    Belemmeringen

    Deze studie legt de hardnekkige zwaktes van de EU onder een vergrootglas, die Europa al lange tijd belemmeren in de wereldwijde concurrentiestrijd: een verlammende bureaucratie, de invloedrijke lobby van gevestigde bedrijven en belangengroepen en de voortdurende dominantie van nationale belangen. Dat leidt vooral tot zo’n ongunstige uitkomst omdat de EU niet beschikt over een kapitaalmarkt als die van de VS, die graag investeren in innovaties. De publieke EU-subsidies zouden dat gebrek eigenlijk moeten opvangen, maar versterken het probleem.

    Als de EU-landen binnenkort over hun nieuwe begroting besluiten, doen ze er verstandig aan de conclusies van het rapport van de Duitse en Italiaanse economen ter harte te nemen: wie echte innovatie wil, moet niet blijven investeren in het oude, maar durven kiezen voor het nieuwe.

  • Hoe Europa slaapwandelt richting de vergetelheid

    Hoe Europa slaapwandelt richting de vergetelheid

    De wereld wordt herschapen naar het beeld van Silicon Valley, terwijl Europa vanaf de zijlijn toekijkt. Zonder ingrijpende veranderingen dreigt het continent achterop te raken in de race.

    Je kunt de recente geschiedenis van de Europese economie in twee cijfers uitdrukken.

    In 1992, gecorrigeerd naar koopkracht, betekende een bbp per hoofd van de bevolking van 44.933 dollar (35.530 pond) dat de gemiddelde Duitser iets beter af was dan de gemiddelde Amerikaan, met een voorsprong van 257 dollar.

    In 2024 heeft de Amerikaan bijna 12.000 dollar voorsprong. De economische mislukking van Duitsland is schokkend als je haar op zichzelf bekijkt. In het kader van de bredere stagnatie in Europa, schetst ze het verhaal van een tragisch continent.

    In 2008 was het Amerikaanse bbp per hoofd van de bevolking iets meer dan 14.000 dollar hoger dan dat van de EU. In 2023 is het bijna 20.000 dollar hoger. De VS zijn met 21 procent gegroeid; de EU, met alle voordelen van inhaalgroei over een groter gebied, met 15 procent. Ondanks het feit dat er 100 miljoen mensen meer wonen, is de economie van de EU nu kleiner in waarde dan die van de VS. De voorsprong die in 1990 nog meer dan 3 biljoen dollar bedroeg, is in 2020 verkwanseld.

    Sterfelijk

    Voor een generatie Europese politici is het concept van ‘strategische autonomie’ – het vermogen van de EU om als geheel op te treden zonder afhankelijk te zijn van andere landen – van symbolisch belang geworden.

    In de krachtige bewoordingen die we gewend zijn verklaarde de Franse president Emmanuel Macron eerder dit jaar dat ‘ons Europa sterfelijk is. Het kan sterven, en alles hangt af van onze keuzes.’ De periode waarin ‘de EU haar energie en kunstmest van Rusland kocht, haar productie aan China uitbesteedde en voor haar veiligheid afhankelijk was van de VS’, was voorbij, aldus de president.

    Maar om deze visie op onafhankelijkheid te verwezenlijken, moet Europa in staat zijn om voor zijn eigen leger te zorgen, zijn eigen industrie op te bouwen en zijn eigen concurrentievermogen op nieuwe gebieden te behouden. Europa moet niet langer simpelweg meeliften op de Verenigde Staten, die een onoverbrugbare voorsprong hebben op het gebied van de technologieën van de toekomst.

    Neem bijvoorbeeld AI. De Europese Rekenkamer heeft beweerd dat de resultaten van Europa’s inspanningen op dit gebied ‘waarschijnlijk het pad zullen bepalen van de toekomstige economische ontwikkeling van de EU’. En in de eerste helft van 2024 slaagde de EU erin om 6 procent van de 35 miljard dollar die wereldwijd in startende AI-bedrijven werd gestoken, naar zich toe te trekken.

    Haar beste onderzoekers en meest veelbelovende studenten hebben de vervelende gewoonte om naar de VS te vertrekken. En de rest van de technologiesector doet het niet veel beter.

    Europese bedrijven worden zwaar belast door de regeringen en instellingen die juist hun belangen zouden moeten beschermen. Dit begint al bij de energiekosten. Na aftrek van belastingen betalen Duitse bedrijven bijna 22 cent per kilowattuur voor elektriciteit, Franse bedrijven betalen een vergelijkbaar bedrag, terwijl Italiaanse bedrijven 26 cent per kilowattuur moeten neerleggen. Ter vergelijking: hun Amerikaanse concurrenten betalen slechts 8 cent.

    Bij deze verhoudingen maakt het niet echt uit of je een ouderwets industrieel bedrijf bent of juist in de voorhoede van de softwaresector zit. Energie is na grondstoffen de duurste input voor autofabrikanten (en op zijn beurt een belangrijke input voor de verwerking van materialen). Voor datacenters – of het nu gaat om AI-tools of klantbeheersystemen – is energie goed voor 46 à 60 procent van de bedrijfskosten.

    Sommige landen lijken totaal blind te zijn voor de omvang van het probleem

    Maar terwijl Donald Trump het heeft over het aanboren van koolwaterstoffen en het halveren van de energieprijzen, is Europa nog steeds vooral gericht op decarbonisatie en de groene economie.

    Voorstanders beweren dat de energieprijzen hierdoor zullen dalen, vooral gezien de onderbreking van de levering van Russisch gas – en hoe minder er gesproken wordt over de blunders op het gebied van buitenlands beleid die in de eerste plaats geleid hebben tot de afhankelijkheid van die levering, hoe beter. Maar terwijl het effect op groothandelsprijzen op heldere, zonnige dagen duidelijk is, lijkt het effect van plotselinge kostenpieken dat minder te zijn.

    De recente ‘dunkelflaute’ in Duitsland – een reeks windstille, sombere dagen – stuwde de elektriciteitsprijs voor een korte periode naar 800 euro per megawattuur. Voor bedrijven die niet kunnen kiezen wanneer ze hun klanten willen bedienen, of waarvoor de mogelijkheid om de productie op en af te schalen beperkt is, is dit niet ideaal.

    Bovendien lijken sommige landen totaal blind te zijn voor de omvang van het probleem. In een verbijsterende daad van zelfverwonding heeft Duitsland vorig jaar drie werkende kerncentrales gesloten. Het contrast in aanpak met Amerika, waar het energiehongerige Microsoft de heropening van stilgelegde eenheden op Three Mile Island wil financieren – de thuisbasis van het meest beruchte civiele kernongeval in de Amerikaanse geschiedenis – kan niet schriller zijn.

    Bovenop de energiekosten hebben Europese regelgevers de vervelende gewoonte om bedrijven die proberen te groeien met bureaucratische rompslomp op te zadelen. Zoals de voormalige president van de Europese Centrale Bank (en Italiaanse premier) Mario Draghi aangeeft, heeft de EU tussen 2019 en 2024 13.000 stukken wetgeving aangenomen, de wetten van de afzonderlijke lidstaten niet meegerekend. De VS daarentegen hebben er ongeveer 5500 aangenomen. Draghi merkt op dat in Denemarken, tussen Brussel en Kopenhagen, het aantal regels waar bedrijven mee te maken krijgen tussen 2001 en 2023 met 63 procent is gestegen.

    Voor startende bedrijven kunnen deze wetten bijzonder hinderlijk zijn. Vooral de nieuwe AI-wet kan een remmend effect hebben op bedrijven die producten willen ontwikkelen in de EU en bedrijven die nog winst moeten maken, opzadelen met nalevingskosten. De veel gehate GDPR is niet veel beter.

    Herschapen

    Dit alles tot grote frustratie van sommigen in Europa. Het huidige Hongaarse voorzitterschap van de Raad van de EU heeft herhaaldelijk geprobeerd om de aandacht van het blok te vestigen op het onvermogen om groei te bewerkstelligen. De Verklaring van Boedapest die eerder deze maand door de EU-leiders werd ondertekend – in navolging van het rapport van Draghi – zet een reeks stappen uiteen die erop gericht zijn om ‘bedrijven te laten bloeien zonder buitensporige regelgeving’.

    Om dit te bereiken moet de EU echter fundamenteel worden geherstructureerd. Regelgeving is vast verankerd in het zelfbeeld van de EU en sommige beleidsmakers hebben zelfs bewust het idee omarmd dat het blok een ‘supermacht op het gebied van regelgeving’ is. Door gebruik te maken van de aanzienlijke omvang van de Europese markt hopen ze bedrijven overzee over te halen om de regels uit Brussel te volgen, de belangen van het blok te behartigen en een aantal van de voordelen van economische dynamiek te bieden zonder het zware werk.

    Deze aanpak heeft gemengde resultaten opgeleverd. Sommige Europese standaarden zijn wereldwijd overgenomen en het blok is in staat geweest hoge boetes op te leggen aan Amerikaanse bedrijven die de regels zouden hebben overtreden.

    Tegelijkertijd heeft Nvidia ruwweg dezelfde beurswaarde als de achttien grootste EU-bedrijven samen, lijkt de technologiesector van het blok op sterven na dood, met uitzondering van semaglutidefabrikant Novo Nordisk, Spotify en de Nederlandse machinebouwer ASML, en wordt de wereld herschapen naar het beeld van Silicon Valley terwijl de EU vanaf de zijlijn toekijkt.

    Ondanks alle mooie woorden zal de EU geen ‘strategische autonomie’ hebben als ze eindigt als de romp van een door China gedomineerd continent of als een aanhangsel van een grotere Amerikaanse invloedssfeer – een bekoorlijk, economisch stagnerend themapark voor rijke toeristen.

    Om dat scenario te vermijden zijn binnenlandse capaciteiten nodig – in plaats van rivalen weg te laten lopen met technologische ontwikkelingen die de wereld vormgeven – en een betekenisvolle economische groei.

  • Waarom beschermen techbazen hun kinderen tegen hun eigen producten?

    Waarom beschermen techbazen hun kinderen tegen hun eigen producten?

    TikTok-CEO Shou Zi Chew laat zijn kinderen niet toe op TikTok en Snap-CEO Evan Spiegel beperkte de schermtijd van zijn zevenjarige tot 90 minuten per week. Hoewel ze beweren dat digitale technologie kinderen helpt, lijken ze daar zelf niet helemaal van overtuigd te zijn.

    Keuze uit het archief

    In een volle rechtszaal moest Mark Zuckerberg woensdag in Los Angeles voorkomen om te getuigen in een rechtszaak die tegen zijn bedrijf Meta is aangespannen. Een twintigjarige vrouw uit Californië beschuldigt hen ervan verantwoordelijk te zijn voor haar verslaving aan sociale media, die bij haar angst, depressie en zelfmoordgedachten heeft veroorzaakt. De zakenman verdedigde zijn bedrijf met hand en tand en bepleitte zijn onschuld.
    Wie dit artikel van The Atlantic leest, kan zich echter moeilijk aan de indruk onttrekken dat Zuckerberg zich goed bewust is van de gevaren van sociale media. De regels die techbazen hun eigen kinderen opleggen, spreken boekdelen over hun kennis van de verslavende werking ervan.

    Toen de tabaksindustrie ervan werd beschuldigd schadelijke producten aan tieners te verkopen, ontkenden de leiders de beschuldiging, maar ze wisten dat het waar was. Erger nog, de industrie had beweerd dat roken mensen gezonder maakte doordat het bijvoorbeeld angstgevoelens verminderde of een slankere taille creëerde.

    De socialemedia-industrie gebruikt vandaag de dag een soortgelijke techniek. In plaats van de schade te erkennen die hun producten bij tieners hebben aangericht, houden techgiganten vol dat hen geen blaam treft en dat hun producten meestal onschadelijk zijn. En soms wordt er een nog gewaagdere bewering gedaan: dat sociale media tieners helpen, ook al is er steeds meer bewijs dat ze veel van hen schaden en een belangrijke rol spelen in de geestelijke gezondheidscrisis die jongeren in veel landen over de hele wereld treft.

    Toen Mark Zuckerberg in 2022 werd gevraagd naar Meta’s eigen bevinding dat Instagram ervoor zorgde dat veel tienergebruikers zich slechter voelden over hun lichaam, wist hij het resultaat slim te herformuleren. Na te hebben gewezen op andere, gunstigere bevindingen in hetzelfde onderzoek, verkondigde hij dat zijn platform ‘over het algemeen positief’ was voor de geestelijke gezondheid van tieners, ook al meldde minstens een op de tien tienermeisjes dat door Instagram elk van de volgende dingen verslechterde: lichaamsbeeld, slaap, eetgewoonten en angst. (Zuckerberg verzuimde ook om interne gegevens te noemen die de andere gevaren van sociale media voor tieners aantoonden.)

    Techlobbyisten zijn nog verder gegaan met het dubbele argument dat sociale media vooral gunstig zijn voor tieners uit historisch gemarginaliseerde gemeenschappen en dat daarom elke regulering schadelijk voor hen zou zijn. Veel leiders in Silicon Valley hebben deze beweringen gebruikt als onderdeel van hun inspanningen om zich te verzetten tegen twee wetsvoorstellen – die nu in het Congres liggen – die bedoeld zijn om de online bescherming van minderjarigen te versterken en die gezamenlijk de Kids Online Safety and Privacy Act worden genoemd. (KOSPA is een combinatie van de Kids Online Safety Act, beter bekend als KOSA, en de Children and Teens’ Online Privacy Protection Act).

    Sterk bewijs

    Het praatje speelt in op een langlopende progressieve gedachtegang die digitale technologie ziet als een middel om achtergestelde groepen meer macht te geven. Het vroege internet hielp inderdaad veel zwarte Amerikanen, Amerikanen met een laag inkomen en lgbtq+-Amerikanen om middelen en gemeenschappen te vinden. En zelfs vandaag de dag blijkt uit onderzoek dat lgbtq+-tieners aangeven meer voordelen te ondervinden van sociale media dan niet-lgbtq+-tieners.

    Dat is een goede reden om voorzichtig te zijn met het opleggen van nieuwe regels. Maar de massale oppositie tegen wetgeving negeert sterk bewijs dat sociale media ook onevenredig veel schade toebrengt aan jongeren in diezelfde gemeenschappen.

    KOSPA zou kunnen helpen. De wetgeving zou socialemediabedrijven verplichten om een versie van hun platforms te ontwikkelen die veilig is voor kinderen, bijvoorbeeld door advertenties te verwijderen die gericht zijn op minderjarigen en gebruikers door feeds laten scrollen die niet worden gegenereerd door algoritmes voor persoonlijke aanbevelingen. Ze zou van socialemediabedrijven eisen dat ze redelijke maatregelen nemen om potentiële schade zoals seksuele uitbuiting, psychische stoornissen en pesten te beperken. Ze zou bedrijven ook aansprakelijk stellen om ervoor te zorgen dat minderjarige kinderen toestemming van hun ouders krijgen om hun platforms te gebruiken, zonder tieners vrije toegang tot sociale media te ontzeggen. In juli nam de Senaat de twee wetsvoorstellen met 91-3 aan; het Huis zou er deze maand al mee aan de slag kunnen gaan.

    Zelfs sommige techbedrijven steunen de wetgeving, maar digitale-rechtengroeperingen – waarvan vele worden gesubsidieerd door de industrie, waaronder Meta – hebben zich er grotendeels tegen verzet met het argument dat KOSPA de voordelen zou wegnemen die gemarginaliseerde tieners genieten van socialemediaplatforms. Sommige van deze groepen hebben verklaringen uitgegeven waarin ze waarschuwen voor de gevaren die de wetgeving met zich meebrengt voor lgbtq+-jongeren, zelfs nadat veel lgbtq+-voorstanders hun bezwaren hadden laten varen nadat ze met wetgevers hadden samengewerkt om KOSPA te herzien.

    Een denktank die gesteund wordt door techbedrijven heeft ondertussen betoogd dat het verbod op gerichte reclame voor minderjarigen kan resulteren in ‘minder gratis online diensten voor kinderen, wat vooral nadelig zou zijn voor huishoudens met lagere inkomens’. Terwijl digitale-rechtengroeperingen politiek links aanspreken met ongefundeerde beweringen over gemarginaliseerde groepen, vertellen ze rechts dat KOSPA neerkomt op censuur, ook al zou het de inhoud waar tieners naar kunnen zoeken niet beperken.

    TikTok-CEO Shou Zi Chew laat zijn kinderen niet toe op TikTok

    Ongeacht wat hij werkelijk gelooft, Zuckerberg heeft het mis als hij zegt dat sociale media ‘over het algemeen positief’ zijn voor de geestelijke gezondheid van tieners. De techindustrie heeft het mis als ze zegt dat sociale media vooral goed zijn voor tieners in historisch achtergestelde gemeenschappen. En de lobbyisten hebben het mis als ze zeggen dat regulering meer kwaad dan goed zou doen voor deze groepen. Het bewijs – uit het privéleven van tech executives, een groeiende hoeveelheid empirisch onderzoek en de getuigenissen van jonge gebruikers – ondersteunt elk van deze punten. 

    Eén techniek om te bepalen of een product schadelijk is voor kinderen, is de mensen die dat product hebben ontworpen te vragen of ze het hun kinderen laten gebruiken.

    Steve Jobs legde het gebruik van technologie door zijn kinderen aan banden. TikTok-CEO Shou Zi Chew laat zijn kinderen niet toe op TikTok. Bill Gates beperkte de schermtijd van zijn kinderen en gaf ze pas een telefoon toen ze veertien waren. Google-CEO Sundar Pichai gaf zijn elfjarige geen telefoon. Mark Zuckerberg heeft de schermtijd van zijn kinderen nauwlettend in de gaten gehouden en deelde geen identificerende foto’s van hen op Instagram. Snap-CEO Evan Spiegel beperkte het technologiegebruik van zijn zevenjarige tot 90 minuten per week. (Vergelijk dat met de gemiddelde Amerikaanse tiener, die bijna negen uur per dag achter een scherm zit, schoolwerk of huiswerk niet meegerekend.)

    De voorbeelden gaan verder: sommige tech-managers stellen ‘nanny-contracten’ op waarin ze babysitters dwingen hun kinderen van schermen weg te houden. Velen van hen betalen meer dan 35.000 dollar per jaar om hun kinderen naar de Waldorf School of the Peninsula te sturen – een paar kilometer verderop van het hoofdkantoor van Meta en Google – waar kinderen pas vanaf de zevende of achtste klas een scherm mogen gebruiken.

    Natuurlijk zouden weinig mensen de kinderen van tech-elites gemarginaliseerd noemen. Maar het is opmerkelijk dat deze elites openlijk beweren dat digitale technologie kinderen helpt, vooral de meest kwetsbaren, terwijl ze het uit het leven van hun eigen kinderen verbannen. Die keuzes zijn met name pijnlijk als je ziet hoe hartstochtelijk socialemediabedrijven proberen om de kinderen van andere mensen naar hun producten te lokken, hoe weinig ze doen om gebruik door minderjarigen te voorkomen en hoe hard velen van hen vechten om wetgeving te blokkeren die jongeren op hun platforms zou beschermen.

    Schaars

    De socialemediaplatforms van vandaag zijn niet zoals het internet van de jaren negentig. Het vroege internet hielp geïsoleerde en kansarme tieners om informatie en steun te vinden, net als veel moderne platforms. Maar de sociale media van vandaag de dag zijn zo ontworpen dat ze gevaarlijker zijn dan een groot deel van het vroege internet. Hebben tieners om informatie te vinden echt bodemloze, algoritmisch samengestelde nieuwsfeeds nodig die vooral op de emotie inspelen? Hebben ze er echt baat bij om de hele dag onderbroken te worden met manipulatieve meldingen die zijn ontworpen om ze te laten kijken en klikken? Hoeveel is er gewonnen toen socialemediaplatforms het online leven van tieners overnamen? Hoeveel is er verloren gegaan?

    Onderzoekers van Instagram hoefden die laatste vraag niet te stellen toen ze rond 2019 jonge gebruikers interviewden. Ongevraagd gaven tieners in meerdere focusgroepen het platform de schuld van de toenemende mate van angst en depressie die ze ervoeren. Andere onderzoeken hebben aangetoond dat een aanzienlijk deel van de jongeren gelooft dat sociale media slecht zijn voor hun mentale gezondheid. Een toenemend aantal empirische bewijzen valt hen daarin bij. Op de website After Babel Substack, van twee van de auteurs van dit artikel, Jon en Zach, hebben we talloze essays van jongeren gepubliceerd die getuigen van deze schade en hebben we gerapporteerd over organisaties die zijn opgericht door leden van Gen Z om zich te verzetten tegen socialemediabedrijven. Waar zijn de stemmen van Gen Z die sociale media prijzen om de voordelen voor de mentale gezondheid die ze hun generatie hebben opgeleverd? Ze zijn schaars.

    Natuurlijk beschouwen de meeste tieners smartphones of sociale media niet als een negatieve kracht in hun leven; een meerderheid beschouwt de impact van digitale technologie doorgaans als noch positief noch negatief. Maar dat is geen reden om de schade die zo veel jongeren ervaren te negeren. Als er bewijs zou zijn dat een ander product een aanzienlijk aantal kinderen en adolescenten die het gebruiken zou schaden, zou dat product onmiddellijk uit de schappen worden gehaald en zou de fabrikant gedwongen worden het aan te passen. Big Tech moet aan dezelfde standaard worden gehouden.

    Adolescenten die het meest worden geschaad door sociale media, blijken degenen te zijn uit historisch achtergestelde groepen. Recente onderzoeken hebben aangetoond dat lgbtq+-adolescenten veel vaker dan hun leeftijdsgenoten zeggen dat sociale media een negatieve impact hebben op hun gezondheid en dat minder gebruik ervan hun leven zou verbeteren. Vergeleken met niet-lgbtq+-tieners meldden bijna twee keer zo veel lgbtq+-tieners dat ze beter af zouden zijn zonder TikTok en Instagram. Bijna drie keer zoveel zeiden hetzelfde over Snapchat.

    Jongeren uit gemarginaliseerde groepen hebben goede redenen om dit te vinden. Lgbtq+-tieners lopen aanzienlijk meer risico op cyberpesten, online seksuele roofzucht en een reeks andere online vormen van letsel, waaronder verstoorde slaap en gefragmenteerde aandacht, dan hun leeftijdsgenoten. Lgbtq+-minderjarigen hebben ook drie keer meer kans om ongewenste en riskante online interacties te ervaren.

    Een van ons, Lennon, een voorvechter van lgbtq+-rechten, heeft veel van deze schade aan den lijve ondervonden. Op dertienjarige leeftijd, terwijl ze als jonge transgender door haar adolescentie ging, kreeg ze haar eerste iPhone, waarop ze meteen Facebook, Instagram en Snapchat downloadde. Haar Instagram-volgers groeiden in slechts één maand van minder dan 100 naar bijna 50.000 toen ze nationale erkenning begon te krijgen als competitieve danseres. Al snel ontving ze beledigende berichten over haar queer-identiteit, zelfs doodsbedreigingen. Op zoek naar een vriendelijkere plek om haar identiteit te verkennen, volgde ze het advies van enkele online gebruikers op en begon ze te corresponderen op homochatsites, vaak met mannen van middelbare leeftijd. Sommigen boden haar de steun waar ze naar op zoek was, maar anderen hadden kwaad in de zin.

    De schaamte, angst en spijt die ze voelde, motiveerden haar om haar carrière te wijden aan het online beschermen van kinderen

    Verschillende mannen vroegen Lennon om seksuele handelingen voor de camera uit te voeren en dreigden onthullende screenshots die ze van haar hadden gemaakt openbaar te maken als ze zou weigeren. De schaamte, angst en spijt die ze voelde, motiveerden haar om haar carrière te wijden aan het online beschermen van kinderen. Uiteindelijk sloot ze zich aan bij Heat Initiative, dat de tech-industrie aanspoort om veiligere producten en platforms voor kinderen te maken.

    Hoe staat het met jongeren uit andere traditioneel achtergestelde gemeenschappen? Zwarte en hispanische tieners melden cyberpesten iets minder vaak dan blanke tieners, maar ze zeggen veel vaker dat online intimidatie ‘een groot probleem is voor mensen van hun leeftijd’. Bewijs suggereert dat tieners met depressie een groter risico lopen op schade door sociale media, en onderzoeken tonen aan dat het verminderen van het gebruik van sociale media het meest gunstig is voor jongeren met reeds bestaande psychische problemen.

    De afgelopen drie decennia is de term digitale kloof gebruikt om te verwijzen naar een ogenschijnlijk onveranderlijke wet: kinderen in rijke huishoudens hebben ruime toegang tot digitale technologieën, kinderen in andere huishoudens niet zozeer. Beleidsmakers en filantropen steken grote sommen geld in het dichten van de kloof. Hoewel de kloof in sommige delen van de wereld nog steeds bestaat, begint de digitale kloof in veel ontwikkelde landen te keren, zodat kinderen uit gezinnen met een laag inkomen in die landen nu meer tijd besteden aan schermen en sociale media – en er meer schade van ondervinden – dan hun financieel bevoorrechte leeftijdsgenoten.

    Schermgebruik voor entertainment neemt ongeveer twee uur per dag meer in beslag voor tieners uit gezinnen met een laag inkomen in vergelijking met die uit gezinnen met een hoog inkomen. Een rapport van het Pew Research Center uit 2020 wees uit dat jonge kinderen van ouders met niet meer dan een middelbare schoolopleiding ongeveer drie keer meer kans hebben om TikTok te gebruiken dan kinderen van ouders met een postdoctorale graad. Dezelfde trend geldt voor Snapchat en Facebook. Een deel van de reden is dat ouders met een universitaire opleiding eerder dan ouders zonder universitaire graad geloven dat smartphones een negatief effect kunnen hebben op hun kinderen – en daarom eerder geneigd zijn om de schermtijd te beperken.

    De discrepantie is niet alleen een kwestie van klasse. Lgbtq+-tieners geven aan meer tijd op sociale media door te brengen dan niet-lgbtq+-tieners. En volgens een Pew-enquête uit 2022 ‘is het voor zwarte en hispanische tieners ongeveer vijf keer zo waarschijnlijk dat ze aangeven vrijwel constant op Instagram te zitten als voor blanke tieners’.

    Consumenteneducatie

    Met andere woorden, het uitbreiden van de toegang tot smartphones en sociale media lijkt sociale ongelijkheden te vergroten, niet te verkleinen. Zoals Jim Steyer, de CEO van Common Sense Media, aan The New York Times vertelde:

    ‘[Meer gebruik van sociale media door zwarte en hispanische jongeren] kan helpen de ongelijkheid in de samenleving in stand te houden, omdat een hoger niveau van socialemediagebruik onder kinderen aantoonbaar in verband is gebracht met negatieve effecten zoals depressie en angst, onvoldoende slaap, eetstoornissen, een laag zelfbeeld en een grotere blootstelling aan online intimidatie.’

    Ondertussen kiezen techleiders ervoor om de toegang van hun kinderen tot digitale apparaten uit te stellen, door hun kinderen naar technologievrije Waldorfscholen te sturen en hun nanny’s schermtijdcontracten te laten tekenen.

    De techindustrie en anderen die zich verzetten tegen regelgeving zoals KOSPA beweren vaak dat meer educatie en ouderlijk toezicht de beste manieren zijn om de schade van sociale media aan te pakken. Deze benaderingen zijn zeker belangrijk, maar ze zullen technologiebedrijven er niet van weerhouden om producten te blijven ontwikkelen die, van nature, verslavend werken. Daarom is het oproepen tot ‘consumenteneducatie’ een benadering waarop andere bedrijven met schadelijke producten (waaronder alcohol en tabak) hebben vertrouwd om publieke sympathie te genereren en regulering uit te stellen.

    De benadering zou weinig veranderen aan de onderliggende realiteit dat socialemediaplatforms, zoals ze momenteel zijn ontworpen, omgevingen creëren die onveilig zijn voor kinderen en adolescenten. Ze verspreiden schadelijke content via gepersonaliseerde aanbevelingsalgoritmen, ze bevorderen gedragsverslaving en ze stellen onbekende volwassenen van over de hele wereld in staat om rechtstreeks en privé met kinderen te communiceren.

    Socialemediabedrijven hebben keer op keer laten zien dat ze deze problemen niet op eigen houtje kunnen oplossen. Ze moeten worden gedwongen om te veranderen. Jongeren zijn het daarmee eens. Uit een recente Harris Poll bleek dat 69 procent van de 18- tot 27-jarigen voorstander is van ‘een wet die vereist dat socialemediabedrijven een “kindveilige” accountoptie ontwikkelen voor gebruikers onder de 18’. Tweeënzeventig procent van de lgbtq+-leden van Generatie Z is het daar ook mee eens.

    Wetgevers moeten de gebrekkige argumenten verwerpen die bedrijven in de sociale media en techlobbyisten promoten in hun pogingen om regulering te blokkeren, net zoals wetgevers de argumenten van tabaksfabrikanten in de twintigste eeuw verwierpen. Het is tijd om te luisteren naar de jongeren – en de duizenden kinderen met verhalen zoals dat van Lennon –, die ons al jaren vertellen dat sociale media aan een update toe zijn.