Stop levering reserveonderdelen en technische expertise
Internationale luchtvaartexperts zullen steeds sneller aarzelen om in Rusland aan boord van een vliegtuig te gaan omdat ze weten wat er mis kan gaan, aldus Wired. Dat zit zo. Eind mei telde de Russische commerciële luchtvaart 876 vliegtuigen, eind februari waren dat er nog 968. De meeste zijn van Airbus of Boeing, en beide bedrijven hebben vanwege sancties de levering van reserveonderdelen aan Russische luchtvaartmaatschappijen stopgezet. ‘Ze kunnen geen enkel onderdeel van Boeing of Airbus krijgen,’ aldus Bijan Vasigh, van de Embry-Riddle Aeronautical University in Florida. ‘En ook het leveren van technische expertise is verboden.’
En dat terwijl vliegtuigen voortdurend onderhoud en reparaties nodig hebben, sommige onderdelen moeten zelfs zeer regelmatig worden vervangen. Banden bijvoorbeeld moeten om de 120 tot 400 landingen worden vervangen. Voor binnenlandse vluchten betekent dat om de een, twee of drie maanden. Boeing stopte de levering aan de Russische markt op 1 maart, Airbus volgde een dag later. ‘Die banden gaan slijten,’ zegt Max Kingsley-Jones, van Ascend by Cirium, een adviesbureau voor de luchtvaart, ‘en ze kunnen niet aan vervanging komen; dat is een potentieel risico.’
‘Sommige van die onderdelen hebben een beperkte levensduur’
Ook computersystemen vereisen regelmatig onderhoud, evenals vliegtuigmotoren en hulpaggregaten. ‘Sommige van die onderdelen hebben een beperkte levensduur,’ zegt Kingsley-Jones. ‘Ze moeten letterlijk uit het vliegtuig worden gehaald en worden vervangen, na een bepaalde tijd of een bepaald aantal vluchten.’
De Russische capaciteit op het gebied van luchtvaarttechniek moet niet worden onderschat, voegt hij eraan toe. ‘Ze zijn zeer capabel, hebben een eigen luchtvaartindustrie en zijn goed in staat om hun vliegtuigen te onderhouden.’ Maar naarmate de voorraad officiële reserveonderdelen van de Russische luchtvaartmaatschappijen slinkt, zullen zij gedwongen worden tot alternatieve maatregelen. Als de situatie de komende twee, drie maanden niet verandert, zouden vliegtuigen ofwel aan de grond moeten worden gehouden, ofwel de lucht in moeten met niet-goedgekeurde of niet-geautoriseerde onderdelen, voorspelt Vasigh.
Techniek kan gebruikt worden om elke stem te imiteren
Amazon werkt aan een techniek waarbij gebruikers via spraakassistent Alexa met familieleden kunnen spreken, zelfs nadat deze zijn overleden. Op een conferentie van Amazon in Las Vegas presenteerde Rohit Prasad, senior vicepresident en hoofd wetenschap van het Alexa-team, een functie die de spraakassistent in staat stelt om een specifieke menselijke stem na te bootsen, meldt CNBC.
In een demonstratievideo zegt een kind: ‘Alexa, can Grandma finish reading me The Wizard of Oz?’ Dat verzoek wordt door Alexa eerst beantwoord met de standaard robotachtige stem en daarna met een zachtere, menselijkere stem, die het familielid van het kind lijkt te imiteren. Volgens Prasad heeft zijn team een model ontwikkeld waarmee Alexa op basis van geluidsopnames van ‘minder dan een minuut’ een stem van hoge kwaliteit produceren. Het is niet bekend wanneer die functie beschikbaar zal zijn voor het publiek.
‘Kunstmatige intelligentie natuurlijker en gezelliger maken, is een belangrijk aandachtspunt geworden’
Hoewel de techniek gebruikt kan worden om elke stem te imiteren, suggereerde Prasad dat deze zou kunnen worden toegepast als hulpmiddel om een overleden familielid te herdenken. Kunstmatige intelligentie natuurlijker en gezelliger maken, is een belangrijk aandachtspunt geworden, vooral gezien het feit dat ‘zo velen van ons een geliefde hebben verloren’ tijdens de pandemie, aldus Prasad.
Het bedrijf wil conversaties met Alexa in het algemeen natuurlijker maken, en heeft al een reeks functies uitgerold die de spraakassistent in staat stellen om menselijkere gesprekken te voeren, waarbij Alexa zelfs vragen zal kunnen stellen aan gebruikers.
Het antwoord op de schadelijke bijwerkingen van ons digitaliseringsenthousiasme is keer op keer: méér technologie. Het is hoog tijd voor een nieuw beeld van onszelf en van de natuur.
De mens is een dier, en dus kwetsbaar. Als dieren maken we deel uit van natuurprocessen waaraan we ons moeten aanpassen. Die processen kunnen we weliswaar door wetenschap en techniek beïnvloeden, maar de gedachte dat we ze volledig zouden kunnen doorgronden en zelfs controleren is een gevaarlijke illusie. Zo heeft de pijlsnelle natuurwetenschappelijke en technologische vooruitgang sinds de industrialisering er mede aan bijgedragen dat we in dit tijdperk van de klimaatcatastrofe onze hoop al te letterlijk zien wegspoelen.
De technologisering van onze leefwereld heeft niet alleen een verbetering van onze leefomstandigheden tot gevolg, maar grijpt ook diep in in natuurprocessen, zonder dat we de gevolgen kunnen overzien. Steeds opnieuw worden we door deze gevolgen overrompeld, waarna we de ongewenste schadelijke bijwerkingen van de moderniteit besluiten te compenseren door de technologisering nog eens te versnellen. Kortom: we zitten vast in een vicieuze cirkel waar we uit moeten zien te raken.
Surrogaatwerkelijkheden
In de afgelopen decennia zijn onzichtbaar smeulende brandhaarden veranderd in rampscenario’s die ons dagelijks leven op angstaanjagende wijze vormgeven. De algemene infrastructuurcrisis, die zich op allerlei manieren over heel Duitsland verspreidt, is – in combinatie met de merkbare effecten van klimaatverandering – uitgegroeid tot een tragische overstromingsramp [afgelopen zomer] die ook nog eens samenvalt met een pandemie die nog lang niet voorbij is. En zo komen de verschillende crisisfenomenen die zich de afgelopen decennia hebben opgehoopt tot een complexe meervoudige crisis in botsing met onze illusies over de werkelijkheid. De meest fundamentele illusie is de misvatting dat wij de gigantische problemen waarmee we als kwetsbare dieren te maken hebben door middel van technologie zouden kunnen verhelpen.
De vlucht in digitale surrogaatwerkelijkheden is deel van het probleem en brengt juist catastrofale gebeurtenissen voort. Wie meent het luchtalarm te kunnen vervangen door waarschuwingsappjes, of van een corona-app verwacht dat die een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het beëindigen van de pandemie, is slachtoffer van deze wereldvreemde vergissing.
Like na like, klik na klik, tweet na tweet dragen we bij aan de klimaatcatastrofe
Like na like, klik na klik, tweet na tweet dragen we bovendien bij aan de klimaatcatastrofe omdat ook data CO2 uitstoten, om maar te zwijgen van de hardware van smartphones en tablets die voor ontelbare onlinemeetings en als tijdverdrijf worden ingezet en vandaag al het elektronisch afval van morgen vormen.
Het is daarom hoog tijd om ons natuur- en mensbeeld radicaal te herzien. Een eerste stap in de juiste richting is de erkenning dat natuurwetenschappelijke modellen nooit toereikend zullen zijn om de werking van de natuur in en buiten ons helemaal te begrijpen.
Bescheidener
Het gevaarlijke idee dat we de huidige smeulende crisishaarden technocratisch zouden kunnen uitdoven, verergert de crises. ‘Technocratie’ staat voor de gedachte dat de wetenschap (een term waarmee ten onrechte meestal slechts naar een paar natuur- en technische wetenschappen wordt verwezen) aanbevelingen doet aan de politiek, die deze dan implementeert in haar beleidsterreinen. Maar wat de wetenschap ontdekt over de manier waarop de natuur functioneert, is nooit voldoende om politieke of zelfs ethische beslissingen op te baseren.
We staan in de eenentwintigste eeuw allang op een keerpunt in de moderne tijd. Het komt er nu op aan ons begrip van de verhouding tussen mens en natuur radicaal te herzien. De manier waarop we over de natuur denken moet bescheidener worden. De grote menselijke bijdrage aan de klimaatverandering is het resultaat van onze dwangmatige pogingen tot onderwerping van de natuur; de brute sociaaleconomische ongelijkheid op onze planeet is de uitkomst van een meedogenloze industrialisering en een puur economisch georganiseerde globalisering; de veelgeprezen digitalisering bevordert de klimaatverandering en zorgt bovendien voor een crisis van de democratie, omdat ze nieuwe vormen van verval van de openbaarheid veroorzaakt – zoals nepnieuws en sociale netwerken –, die dankzij de heersende aandachtseconomie het democratische zelfbestuur aantasten. Dat zien we niet alleen in de VS, maar ook in Duitsland.
Het beeld dat ik hier schets is geen cultuurpessimisme; het gaat om een veranderbare stand van zaken
Natuurlijk is er op zichzelf niets tegen natuurwetenschappelijke en technologische vooruitgang. Integendeel, we hebben er onder meer alternatieve vormen van energie en vaccins aan te danken. Maar wanneer de energietransitie halfslachtig wordt uitgevoerd en vaccins niet globaal op de juiste manier – dus ethisch doordacht – verdeeld worden, verslechtert opnieuw juist die situatie die we door snelle vooruitgang onder controle probeerden te krijgen.
Transformatie
Het beeld dat ik hier schets is geen cultuurpessimisme; het gaat om een veranderbare stand van zaken. Dat we inzetten op technocratie in plaats van op ethisch doordachte eigen verantwoordelijkheid van de mensen op alle niveaus van de samenleving (individu, familie, gemeenschap, bondsland et cetera) is een misstand die is ontstaan door een gebrek aan inzicht en kan worden verholpen.
Wat wij nodig hebben is niets minder dan een volledige transformatie van onze samenleving. Deze moet niet langer door wetenschap en techniek worden bestuurd, maar vanuit de ethisch-filosofische reflectie over wie wij als mensen zijn en in de toekomst willen zijn. Dat veronderstelt dat we ons bewust worden van ons dier-zijn. Nooit zullen we in staat zijn alle ziekten en levensrisico’s te elimineren; nooit zullen we een infrastructuur en een maatschappijvorm kunnen realiseren die tegen alles bestand is. Op elk moment in ons leven is vrijwel alles in beweging zodat de stand van zaken steeds opnieuw moet worden bekeken, doordacht en aangepast om overeind te blijven. Wij kunnen alleen overleven als we ons bestaan voortdurend reorganiseren.
Wij zijn en blijven zolang we als soort bestaan gebonden aan de analoge werkelijkheid
Dat in Duitsland de infrastructuur al enkele decennia op instorten staat onder druk van een versnelde moderniteit, is niet op te lossen met de kreet ‘digitalisering’. De verwoeste spoorwegen, bruggen en straten in het Ahrdal, de snelwegen, het railsysteem en, niet te vergeten, de geruïneerde schoolgebouwen waarin we onze kinderen op onverantwoordelijke wijze opleiden voor een leven vol verantwoordelijkheden – daar is een tablet niet tegen opgewassen. Het leven laat zich niet digitaliseren, wij zijn en blijven zolang we als soort bestaan gebonden aan de analoge werkelijkheid.
Toekomstproject
Daarom is duurzaamheid en niet digitalisering het toekomstproject waaraan we met z’n allen moeten werken. Analogisering in plaats van digitalisering. Concreet betekent dit dat we onze doelstelling – zowel individueel als collectief – moeten richten op dat wat bestaat, en hoe we vanaf daar uit kunnen breiden. In plaats van permanente revolutie vereist dit doordachte renovatie en voortdurende evaluatie, waarbij we afgaan op de natuurlijke omstandigheden zoals die in de loop van miljoenen jaren op onze planeet zijn ontstaan. De infrastructuur van onze steden en onze bewegingspatronen moeten zich aanpassen aan de reële behoeften van de mens als dier, wiens habitat (waartoe niet alleen de aarde zelf behoort, maar evengoed de in de loop van vele miljoenen jaren ontstane atmosfeer) we eenvoudigweg niet onder controle hebben.
De destructieve hoge snelheid van de moderne tijd moet worden vervangen door een consequent onthaaste levensvorm, die niet van bovenaf wordt opgelegd, maar van onderaf ontstaat. Daartoe hebben we een nieuwe Verlichting nodig, die voor iedereen toegankelijk is.
Om ware duurzaamheid te bereiken, moeten we werken aan onze kwaliteit van leven. Onze maatstaven moeten veranderen. In plaats van kwantitatieve, meetbare, economische criteria moet kwaliteit van leven in onze democratische zelforganisatie centraal komen te staan. Wat we nodig hebben is een plek waar we goed en graag leven, in plaats van een land waarvan de infrastructuur en bureaucratie ons dagelijks bedreigen, overbelasten en deprimeren. De staat mag geen controleapparaat zijn dat buiten onze zelfbeschikking om opereert, maar moet door iedereen worden ervaren als iets wat we met onze kleine en grote beslissingen mede vormgeven, ook buiten verkiezingstijd om. Democratische zelfwerkzaamheid moet dagelijks gepraktiseerd worden. Binnen een democratie is politiek geen zaak van politici, maar van de soevereiniteit die ons allemaal op elk moment van ons leven toebehoort.
De nieuwe Verlichting kan alleen plaatsvinden als het tijdperk van het leven aanbreekt, zoals filosoof Corine Pelluchon dat noemde [‘Les Lumières à l’âge du vivant’]. Het leven is onberekenbaar, maar het is mooi. De schoonheid van het leven is de bron van de zin, die in het leven zelf verscholen ligt. Wij ervaren die als de kwaliteit van leven, die onlosmakelijk verbonden is met onze dierlijke natuur. Daarom is het nu tijd om een politiek gericht op levenskwaliteit na te streven, waarin mens als dier centraal staat.
Met algoritmes een roman produceren was geen kunst meer voor Ross Goodwin. Hij had zijn zinnen gezet op een alternatieve versie van Jack Kerouacs klassieker On the Road, geschreven door een auto. Goochelarij? Nee hoor. Deze openingszin was de uitkomst van een zelfstandig generatief proces gedicteerd door sensoren: ‘Het was zeventien over negen in de ochtend en het huis was zwaar.’ Best passend, voor een roadtrip.
Op 25 maart 2017 vertrok in Brooklyn een zwarte Cadillac voor een roadtrip naar New Orleans. Op de kofferbak was een wit camerakastje gemonteerd en op het dak een oude gps-eenheid. Binnen hing een microfoon aan het plafond en van alle drie die apparaten liepen draadjes naar de Razer Blade-laptop van Ross Goodwin, waarop ook nog een simpele kassabonprinter was aangesloten. Goodwin hoopte dat deze apparatuur de nieuwe Amerikaanse reisroman zou schrijven.
Goodwin, die als ghostwriter voor de regering-Obama heeft gewerkt, omschrijft zichzelf als ‘schrijver van schrijvers’. Met behulp van neurale netwerken heeft hij poëzie, filmscenario’s en nu ook een reisroman gegenereerd. Ik maakte voor het eerst kennis met zijn werk toen zijn algoritmes in 2014 een roman destilleerden uit het Senaatsrapport over de martelpraktijken van de CIA.
Voor Narrated Reality, zijn masterscriptie voor de New York University (NYU), maakte hij wandelingen door de stad met een rugzak vol apparaten (een kompas, een prikklok en een camera) waarvan de data werden ingevoerd in neurale netwerken. Het leverde bizarre associatieve poëzie op. Een voorbeeld: ‘De hele tijd wentelt de zon/uit een donkere heldere grond’.
Nu had een hardwarehacker in Biloxi wat apparatuur naar zijn wensen aangepast en wilde Goodwin zijn ontluikende artificiële brein op reis sturen. Die reis moest een literair experiment worden in de traditie van Jack Kerouac, Thomas Wolfe en Ken Kesey, met dat verschil dat nu de auto zelf het verhaal zou schrijven. Het gekozen traject, van New York naar New Orleans, was een knipoog naar een beroemde etappe in Kerouacs On the Road. Onder op de Axis M3007-camera schreef Goodwin: ‘Verder’.
‘We wilden een auto die gezag uitstraalt, en een Ford Crown Victoria konden we niet krijgen’
De vier sensoren – camera, gps, microfoon en de interne klok van de laptop – moesten onderweg data leveren aan een stelsel neurale netwerken die door Goodwin waren getraind met de input van honderden boeken en locatiedata van Foursquare [een Amerikaanse sociaalnetwerksite gebaseerd op je locatie]. De uitkomst zou dan als een serie reisbrieven uit de bonprinter rollen. Na vier dagen lag de vloer van de auto vol bonnetjes gevuld met proza geproduceerd door een kunstmatig brein. Die reisbrieven zijn verzameld in het boek 1 the Road, door Goodwins uitgever Jean Boîte Éditions aangeprezen als ‘de eerste door een machine geschreven roman’.
Al moet erbij gezegd dat Goodwin die eer wegwuift: ‘Die komt misschien eerder toe aan het in de jaren tachtig door software geschreven The Policeman’s Beard Is Half Constructed,’ zegt hij. Hoe dan ook is het een hallucinerend en gek genoeg ook verhelderend verslag van het leven van een bot op de snelweg. Een kruising van The Electric Kool-Aid Acid Test en Google Street View, verteld door Siri.
Gezag
Op de dag van vertrek kwamen Goodwins reisgenoten naar zijn flat om alle apparatuur in de Cadillac te installeren: zijn zus Beth, zijn verloofde Lily Beale-Wirsing en zijn vriendin Nora Hamada, Google-medewerkers Kenric McDowell en Christiana Caro en een kleine filmploeg van Lewis Rapkin, die in een eigen auto meereed om de reis vast te leggen. (Google, dat al interesse had getoond in Goodwins werk aan de NYU, betaalde de huurauto en de camera; een jaar later trad Goodwin in dienst bij het Artists and Machine Intelligence-programma van de internetgigant.)
‘Dat het een Cadillac was,’ vertelt Goodwin me aan de telefoon, ‘kwam trouwens omdat we een auto wilden die gezag uitstraalt, en een Ford Crown Victoria konden we niet krijgen.’ Hij was bang om voor terrorist te worden aangezien, als mensen een auto vol elektronische huisvlijt en bedrading zagen langskomen.
Met de Cadillac wilde hij inspelen op het stilzwijgende geloof dat veiligheidsdiensten zulk onderzoek doen. ‘Ik hoopte dat mensen dachten dat het een auto van de overheid was.’ Blijkbaar met succes: Goodwin hoorde later dat de eigenaar van een avondwinkel in zijn wijk die dag besloot zijn winkel dicht te houden omdat hij hem met zijn apparatuur had zien langskomen. ‘We waren geen rijdende reclame voor Cadillac,’ zegt hij lachend. ‘Ons sponsorverzoek werd afgewimpeld.’
Zodra de apparatuur in Brooklyn werd aangezet, sloeg de inspiratie toe. ‘Het was zeventien over negen in de ochtend en het huis was zwaar,’ rolde er uit de printer. Als zin voor een boek over een roadtrip best passend – raak zelfs.
‘Ik vind het een prachtige zin’, zegt Goodwin. ‘De kiem was in dit geval het tijdstip: alles wat volgt op “zeventien over negen” komt daaruit voort.’ Dat ging dus zo: de klok registreerde het tijdstip en dat werd ingevoerd in het neurale netwerk dat door Goodwin met drie enorme corpora literaire teksten was getraind. (Elk corpus was circa 120 MB ofwel twintig miljoen woorden groot.
Eén corpus bevatte voornamelijk poëzie, het tweede sciencefiction en het derde wat Goodwin omschrijft als ‘sombere’ literatuur. ‘Bij elkaar vertegenwoordigden die teksten de stem die ik in dit boek wilde horen,’ zegt Goodwin, ‘een stem die volgens mij zou passen bij deze reis, de historische en literaire betekenis ervan. Ik wilde het netwerk niet gericht trainen met Kerouac of andere Amerikaanse reisliteratuur, dat zou een beetje voelen als valsspelen.’
Goodwin kon de drie corpora naar believen omwisselen.) Kauwend op dat corpus vormde het neurale netwerk letter voor letter nieuwe zinnen. ‘De lexicale invulling werkt op dezelfde manier als bij het vertalen van Engels naar Frans,’ zegt Goodwin. De resulterende woorden waren dus een product van de door literaire teksten gevormde wijze waarop het neurale netwerk dat specifieke tijdstip in de ochtend begreep.
Onderweg produceerden de verschillende sensoren zinnen van uiteenlopend poëtisch gehalte: nauwkeurige gps-coördinaten werden aangevuld met mystieke frasen. (‘35,415579526 N, -77,999721808 W, op 47,148 meter boven zeeniveau, snelheid 0 kilometer per uur, en de eerste vlakte van het verhaal in het land is de eerste in een deel van de wereld.’) Camerabeelden werden omgezet in unheimisch proza. (‘Een skiliftbedrijf voor de laatste keer dat de trein al werd verduisterd en de straat er al was.)
Foursquare-locaties leverden surrealistische observaties op. (‘Eagles Nest Diner: een Amerikaans restaurant in Goldsborough of Marine Station, een plaats van vis leek een man te zijn die al drie dagen in elkaar gezet wordt.’) Door de microfoon opgevangen gesprekken werden verminkt. (‘Ik ietsje als ik aan waarom ik niet gewond raakte ja mijn auto is een elke neer weet ik?’)
En zo verwerkte het artificiële brein alle klanken en taferelen van de sleetse infrastructuur aan de oostkust, een betoging van rechtse demonstranten die het verkeer stillegde, de flora en fauna onderweg, en vermoedelijk ook het moment waarop ze even stopten bij een winkel waar Goodwin, zoals hij me vertelde, een extra adapter voor de sigarettenaansteker moest kopen omdat zijn apparatuur meer stroom nodig had.
Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen?
‘Elke zin in dit boek is de uitkomst van een zelfstandig generatief proces en is op een specifiek tijdstip geproduceerd’, zegt Goodwin. ‘De zinnen zijn met elkaar verbonden door de reis en door de auto met sensoren die het verhaal dicteerden, en zo is dat kunstwerk ontstaan. Alles komt voort uit wat het systeem onderweg zag.’ Het doet denken aan de werkwijze van Kerouac, die de mythe creëerde dat zijn magnum opus in drie weken was geschreven, dat hij in één lange, door speed gedreven roes al zijn gedetailleerde indrukken op één lange rol papier had gekwakt.
Lewis Rapkin, die een korte film over de reis heeft gemaakt, mailt me dat de artificiële intelligentie ‘soms iets verontrustends had’. Zeker in het begin zaten ze continu naar de output te staren in een poging te doorgronden wat het systeem wilde zeggen, hoe het tot zijn teksten kwam. ‘Associeert het apparaat die vervallen fabriek met de geschiedenis van mensen die van het platteland naar de stad trokken om werk te vinden?’ zegt Rapkin.
‘Beseft het dat dit nog maar het eerste verhaal van ons land is, en dat technologie het tweede verhaal gaat worden? Vergelijkt het ons stedelijk verval met de Middeleeuwen omdat ons land uiteen begint te vallen en eruitziet als een eeuwenoude ruïne?’
Verrassend geslaagd
Goodwin vindt zijn vier dagen durende reis duidelijk geslaagd, verrassend geslaagd zelfs. ‘Ik achtte het mogelijk dat er een verhaallijn in zou zitten, dat het als een roman zou voelen,’ zegt hij, ‘en dat is ook gebleken. Er zitten dingen in die als een roman voelen.’ Dat de auto zelf als personage fungeerde, geeft de tekst volgens hem een zekere continuïteit die vaak ontbreekt in door AI gegenereerde fictie. ‘Mocht iemand het zich afvragen, ik heb alles gelezen,’ zegt Goodwin lachend. ‘Samenhangend proza is de heilige graal van natuurlijke tekstgeneratie.
Het gevoel dat ik in zekere zin een klein stukje van dat probleem heb opgelost, gaf een kick. En ik denk dat dit wel iets verrassends en interessants zegt over taal in de tijd.’ Dat denk ik ook. Ik heb geprobeerd om het hele boek in één ruk uit te lezen, zoals Goodwin me aanraadde, en dat is me min of meer gelukt. Ik zal niet zeggen dat het een samenhangende verhaallijn bevat in de zin van klassieke vertelkunst. Maar de bonte collage van beelden uit het moderne Amerika levert veel verpixelde poëzie op. En een paar treffende, memorabele regels, zoals: ‘picknick toonde een verleden dat van de zijkant van het spoor al haren had’.
1 the Road klinkt alsof een auto van Google Street View zichzelf vertelt over een reis door het land. Het is een interessante benadering omdat je een paar uur kunt meeluisteren met het uitgestrekte netwerk van dataverzamelende voertuigen – drones, auto’s en andere apparaten – die momenteel ons grondgebied doorkruisen.
‘Net als het genre van de Amerikaanse roadtrip dat de inspiratie voor dit project vormde, gaat het om het vastleggen van een tijd en een plaats. En we leven nu in een tijd dat AI ons vooral nog verwart en verbaast, dus juist die verwarring en verwondering worden vastgelegd’, zegt Rapkin. ‘Is dat diepzinnig of onzinnig? Allebei.’
‘Dit is een heel onvolmaakt document (…) Maar er zitten wél personages in, wat heel vreemd is’
Het is een rondleiding door onze lawaaiige gebouwde omgeving zoals die gezien wordt door machines. Het is bewakingstechnologie-fictie, geschreven door hetzelfde soort technologie dat onze bewakingsbeelden vastlegt en de datastroom verwerkt. Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen over een wereld die al zozeer gevormd en beïnvloed is door het soort data dat de AI verzamelt?
Goodwin lijkt vast van plan om daar achter te komen. ‘Dit is een heel onvolmaakt document, dit is rapid prototyping. De output is nog verre van perfect. Dit is geen roman zoals mensen schrijven, in de verste verte niet’, zegt Goodwin. Maar ‘er zitten wél personages in, wat heel vreemd is.’ Zo verschijnt er in de derde zin een mysterieuze schilder die vraagt: ‘Wat is het?’ En die schilder duikt steeds weer op in de tekst: ‘Een watermassa viel van de zijkant van de straat omlaag. De schilder lachte en zei toen: Dat staat me wel aan en ik wil het niet zien.’
Voor zover je als lezer in de verleiding komt om in het werk de schrijver (of ‘de schrijver van de schrijver’) terug te vinden – wat je bij reisverhalen onwillekeurig toch doet – lijkt die schilder nog het meest op een stand-in voor Goodwin. ‘Ik had een groot begin kunnen maken,’ zegt de door het apparaat gegenereerde schilder op een gegeven moment. En je kunt je dan maar al te goed voorstellen dat hij op het project zelf doelt en al aan nieuwe vergezichten denkt: ‘Ik wil hier weg, de tijd is gekomen.’
The Atlantic
Verenigde Staten | 11 x per jaar | 462.000
In 1857 opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Bekend als intellectueel podium voor de betere schrijvers van het moment. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en illustratie.
In voorspellingen over de toekomst krijgt innovatieve technologie meestal alle aandacht en zien we culturele veranderingen over het hoofd. De mobiele telefoon werd aangekondigd, maar niet dat er op een dag ook vrouwen op kantoor zouden werken.
In de rust van een basketbalwedstrijd aan de Universiteit van Washington in Seattle werd begin 1999 een tijdcapsule uit 1927 geopend. De boodschap uit het verleden bevatte niet veel meer dan wat vergeelde kranten, een antiek dubbeltje, een studiegids en een bouwvergunning. Het publiek begon te jouwen. Eén student vond het maar ‘stomme’ voorwerpen.
Die teleurstelling lijkt inherent te zijn aan het hele fenomeen tijdcapsule, als we het boek Time Capsules: A Cultural History van William E. Jarvis mogen geloven. Volgens hem wordt het kernachtig samengevat in een kop van The Onion [de Amerikaanse tegenhanger van De Speld]: ‘Onlangs opgegraven tijdcapsule bevat alleen nutteloze oude zooi’. Tijdcapsules hebben immers iets pathetisch: ze laten ons zien dat de toekomst minder vooruitgang heeft vertoond en minder snel is veranderd dan we ooit verwachtten. Tegelijkertijd blijkt ook het verleden niet zo radicaal van ons heden te verschillen als we dachten. Nicholas Rescher schrijft in zijn boek Predicting the Future dat we ‘de neiging hebben de toekomst als het ware te bekijken door een telescoop die alles wat we zien groter maakt en dichterbij brengt’. Op dezelfde manier bezien we het verleden door een omgekeerde telescoop, waarin alles veel verder weg lijkt dan het eigenlijk was en we sommige zaken zelfs geheel uit het oog verliezen.
Dit klopt helemaal als het om technologie gaat. De vliegende auto die ons was beloofd, hebben we nog steeds niet. En zoals historicus David Edgerton in The Shock of the Old beschreef: in het begin van onze eeuw werd meer energie uit steenkool geput dan aan het einde van de toch met roetwolken geassocieerde negentiende eeuw. En de stoommachine was in 1900 belangrijker dan in 1800.
Maar als het om cultuur gaat, hebben we juist de neiging altijd te denken dat de toekomst weinig van het heden zal verschillen, dat alles grofweg bij het oude blijft. Probeer je maar een voorstelling te maken van je eigen leven ergens in de toekomst. Waar denk je dan te wonen? Welke kleren denk je dan te dragen? Welke muziek zul je dan mooi vinden? Grote kans dat de persoon die je voor je ziet, weinig verschilt van hoe je nu bent. In een artikel van George Loewenstein en twee collega-psychologen werd jaren geleden al gesteld dat mensen ‘neigen tot overschatting van de mate waarin hun toekomstige smaak overeen zal komen met hun huidige smaak’, een verschijnsel dat ze projection bias noemden.
Saillante fenomenen
Zo werd mensen in een experiment gevraagd hoeveel geld ze over tien jaar zouden willen betalen om een concert van hun favoriete band bij te wonen. Anderen kregen de vraag hoeveel geld ze nu overhadden voor een concert van hun favoriete band van tien jaar geleden. ‘De deelnemers hadden veel te veel geld over voor een toekomstige kans op bevrediging van de smaak die ze nu koesteren’, schreven de auteurs van dat onderzoek. Zij noemden dat de end of history-illusie: mensen denken een ‘definitief keerpunt’ te hebben bereikt waarop ze hun authentieke ik hebben gevonden. In zijn essay Het einde van de geschiedenis hield Francis Fukuyama in 1989 een vergelijkbaar betoog over de westerse liberale democratie als een soort eindpunt van de maatschappelijke evolutie.
Deze combinatie van overdrijving en onderschatting zit in al onze toekomstvoorspellingen ingebakken. ‘De futurologie zit er bijna altijd naast’, zegt historica Judith Flanders, ‘omdat gedragsverandering zelden in de voorspelling wordt meegenomen.’ En we richten ons volgens haar ook op de verkeerde zaken: ‘Op het vervoer naar ons werk, in plaats van op hoe dat werk eruit zal zien; op de technologie zelf, in plaats van hoe de veranderingen die technologie teweegbrengt ons gedrag zullen beïnvloeden.’ Wie wij in de toekomst zullen zijn, blijkt moeilijker te voorspellen dan wat we in de toekomst allemaal kunnen doen. En net zoals mensen met honger altijd meer bestellen dan ze op kunnen, hebben voorspellers de neiging saillante fenomenen eruit te pikken en die een buitensporig grote rol in de toekomst toe te schrijven. En wat is het meest saillant in onze samenleving? Dat wat nieuw, ‘disruptief’ en gemakkelijk te begrijpen is: nieuwe technologie. Of zoals de denker Nassim Nicholas Taleb in zijn boek Antifragile schrijft: ‘Wat fluctueert en verandert, valt ons meer op dan dingen die een grotere rol spelen maar niet veranderen. We zijn afhankelijker van water dan van mobiele telefoons, maar omdat water niet verandert en mobiele telefoons wel, denken we al snel dat mobiele telefoons een grotere rol in ons leven spelen dan ze eigenlijk doen.’
Mensen zouden toch nooit zin hebben in dat geklooi op kleine cijfertoetsen
Het resultaat is dat we ons al snel afvragen hoe het leven ooit mogelijk is geweest zonder een bepaalde technologie. Maar zoals een beroemde constatering van de econoom Robert Fogel luidt: als de spoorwegen niet waren uitgevonden, hadden we economisch gezien met schepen en kanalen praktisch even goed gepresteerd. Of we gaan ervan uit dat de moderne technologie welhaast voorbeschikt is en niet, zoals vaak het geval, een resultaat van louter toeval. Instagram begon zijn bestaan als een Yelp-achtige netwerk-app, Burbn, met de mogelijkheid om foto’s te delen als toevallig extraatje (foto’s op je telefoon, zou dat wat zijn?). En sms is ooit begonnen als een kanaal dat louter was bedoeld voor het versturen van korte tekstberichten – want mensen zouden toch nooit zin hebben in dat geklooi op kleine cijfertoetsen. Ze zouden toch liever gewoon even bellen?
Vooral vervoersmiddelen zijn vaak een uithangbord voor overspannen toekomstdromen die getuigen van een bovenmatig sterke behoefte aan wensvervulling (misschien omdat we onze dagelijkse forensenrit zo vermoeiend vinden). De klaagzang over het eeuwige uitblijven van de vliegende auto berust op een kinderlijk verlangen (‘waarom kan ik er nog niet mee spelen?’) dat voorbijgaat aan de enorme problemen die ermee gepaard zouden gaan, zoals verkeersopstoppingen in de lucht en een waarschijnlijk hoger aantal dodelijke slachtoffers dan in het gewone wegverkeer. Nu wordt ons weer beloofd dat de ‘zelfsturende auto’ onze manier van leven radicaal zal veranderen, zonder oog voor het feit dat mensen in de loop van de geschiedenis altijd al hebben getracht hun dagelijkse reistijd ruwweg binnen een bepaalde bandbreedte te houden.
Ooit zouden rolpaden, bewegende trottoirs, de mobiliteit binnen steden radicaal veranderen. Als ze tegenwoordig nog in werking zijn, op luchthavens, zie je er mensen op staan die zich langzamer voortbewegen dan als ze zelf zouden lopen. Bij het nadenken over de toekomst van ons vervoer is het goed om in het achterhoofd te houden dat we bij de meeste van onze verplaatsingen tegenwoordig nog steeds gebruikmaken van oude technologie. Amazon mag dan experimenteren met bezorging via drones, ondertussen worden de meeste van hun spoedbestellingen in New York bezorgd op die negentiende-eeuwse killer app: de fiets.
David Edgerton merkt op dat het ‘innovatiegerichte’ wereldbeeld – van sexy apparaten die ‘de wereld hebben veranderd’ – niet alleen onze kijk op de toekomst maar ook ons beeld van het verleden bepaalt. ‘Het paard heeft een grotere bijdrage aan de militaire zegetocht van de nazi’s geleverd dan de V2’, schrijft hij. Wat er aan nieuwe snufjes werd uitgevonden, valt ons gewoon meer op dan wat er werkelijk werd ingezet. Net zoals de fixatie op recente innovaties ons stimuleert om het belang daarvan te overschatten en te denken dat die een radicaal andere toekomst zullen inluiden – de belofte van Google Glass – wordt ook de blik op het verleden vertekend door onze neiging technologie veel te snel als achterhaald af te schrijven. De rake wijze waarop een film als Blade Runner de nabije toekomst leek te verbeelden, schuilt niet zozeer in de voorspellingen over specifieke technologieën. (Je ziet in de film een vorm van stemherkenning, maar Bell Labs werkte al in de jaren veertig aan spectrografische analyses van de menselijke stem.) Vooral het beeld van nieuwe en oude technologieën die ongemakkelijk naast elkaar blijven bestaan, is in die film overtuigend. Films waarin de toekomst eenparig futuristisch is, hebben altijd iets onwerkelijks – net als historische films waarin alleen puntgave oude auto’s zonder een krasje rondrijden (omdat alleen de gave exemplaren uit die tijd zijn bewaard). Vuil en verval maken evenzeer deel uit van de toekomst als van het verleden.
In ons door innovatie geobsedeerde heden bestaat de neiging om niet alleen de impact van technologie op onze toekomst te overschatten, maar ook die op het heden. We denken algauw dat we in een wereld leven die luttele decennia geleden nog nauwelijks denkbaar was geweest. Het is niet ongebruikelijk om zoiets te lezen als: ‘Een mens had aan het begin van de twintigste eeuw nooit kunnen dromen hoe het transport er een halve eeuw later uit zou zien.’ Maar in 1900 vlogen er al zeppelins rond en een jaar eerder was in New York de eerste voetganger doodgereden door een auto. Zou het idee van reizen door de lucht dan werkelijk niet te bevatten zijn geweest, of de gedachte dat de auto het straatbeeld diepgaand zou gaan veranderen? Of is dat een arrogante vorm van ‘eigen tijd eerst’, die zweem van neerbuigendheid waarmee we neerkijken op de hopeloze primitiviteit van onze voorzaten?
Brievenpost
‘In ons denken over informatietechnologie verliezen we de brievenpost, de telegraaf, de telefoon, radio en televisie uit het oog’, schrijft Edgerton. ‘In ons gejuich over online winkelen verdwijnt de postordercatalogus uit het zicht.’ Wie bijvoorbeeld jubelt dat in de film The Net al decennia voordat het mogelijk was een pizza online werd besteld, staat niet stil bij de vraag hoe groot die vooruitgang werkelijk is: met behulp van een elektronisch hulpmiddel een pizza naar keuze bestellen en thuis laten bezorgen was al mogelijk sinds de jaren zestig. En toen ik met de metro naar een koffietentje ging om dit artikel te schrijven en het vervolgens naar een redacteur ergens ver weg te mailen, deed ik iets wat ik in New York in de jaren twintig al had kunnen doen met precies dezelfde metro, een koffiehuis van de Roosevelt Brothers en een telegram – het was hooguit wat minder efficiënt geweest. (Of ik persoonlijk baat heb bij die efficiëntie of dat ik daardoor alleen maar meer moet werken voor minder loon, is een vraag die nog openstaat.) We verwachten meer dan de toekomst daadwerkelijk brengt, omdat we denken dat ons leven al meer is veranderd dan het eigenlijk is.
De klaagzang over het eeuwige uitblijven van de vliegende auto berust op een kinderlijk verlangen: waarom kan ik er nog niet mee spelen? Maar velen vergeten de problemen die ermee gemoeid zouden zijn, zoals verkeersopstoppingen in de lucht en nog meer ongelukken.
Judith Flanders schrijft dat de zeventiende-eeuwse chroniqueur Samuel Pepys in zijn dagboek terloops verwijst naar iets wat hij een spitting sheet noemt. Ze vermoedt dat het gaat om een laken dat achter een kwispedoor aan de muur werd gehangen om de wand tegen opspattend spuug te beschermen. Het is een voorbeeld van wat zij ‘onzichtbaar meubilair’ noemt. Het bestaan van kwispedoors is natuurlijk wel bekend, maar omdat ze in de literatuur zelden worden vermeld en op schilderijen nauwelijks worden afgebeeld, zien we gemakkelijk over het hoofd hoe gewoon het vroeger was om te spuwen, ook in beschaafd gezelschap. Flanders legt uit dat er in de VS regelgeving bestond over waar men mocht spuwen in treinen, op stations en perrons. Een bijeenkomst van gezondheidsinstanties in Washington vaardigde in 1917 het voorschrift uit dat treinwagons ‘zijn uitgerust met voldoende aantallen kwispedoors’. Tegenwoordig is zowel het woord kwispedoor als het voorwerp zelf praktisch vergeten (al staat er reglementair nog altijd één klaar voor rechters van het Hooggerechtshof). De verdwijning van de kwispedoor uit het maatschappelijk leven is geen gevolg van een verouderde technologie, maar van een verandering in ons gedrag.
Grote historische veranderingen werden niet gedreven door technologie, maar door ideeën
Terwijl het verleden en de toekomst in technologisch opzicht dus minder van ons heden verschillen dan we soms denken, zijn de culturele verschillen soms juist verrassend veel groter. Toen Flanders als historisch adviseur meewerkte aan de game Assassin’s Creed, moest ze de scriptschrijvers er steeds aan herinneren personages niet ‘cheers’ te laten zeggen als ze het glas hieven. Want dat woord, zoals ze mij schreef, ‘is men pas in de twintigste eeuw gaan gebruiken om te proosten’. De schrijvers wilden weten wat mensen dan wel zeiden. ‘Het wilde maar niet tot ze doordringen dat de meeste mensen helemaal niets zeiden. Proosten als je het glas heft is voor hen zo doodnormaal geworden dat het er niet in wilde dat mensen daar eeuwenlang helemaal geen behoefte aan hebben gehad.’
Historicus Lawrence Samuel noemt maatschappelijke vooruitgang ‘de achilleshiel’ van het futurisme. Volgens hem is er te weinig oog voor de stelling van historicus en filosoof Arnold Toynbee: dat de grootste historische veranderingen niet werden gedreven door technologie maar door ideeën. En als technologie mensen al verandert, gebeurt dat vaak niet op de manier die je zou verwachten. Mobiele technologie heeft bijvoorbeeld niet geleid tot the death of distance, zoals een vroege voorspelling luidde, maar heeft de urbanisering juist versterkt. De wasmachine bevrijdde vrouwen van arbeid en had, zoals de sociaal psychologen Nina Hansen en Tom Postmes beweren, een revolutie in de verhouding tussen de seksen kunnen ontketenen. Maar ‘in plaats van het feminisme te stimuleren’, schrijven ze, ‘maakte de nieuwe technologie (althans in eerste instantie) vooral de opkomst mogelijk van de nieuwe rol van huisvrouw; vrouwen uit de middenklasse benutten de vrijgekomen tijd niet om tegen structuren in opstand te komen of zelfs maar te profiteren van hun onafhankelijkheid’. In plaats daarvan, zo beweren deze auteurs, namen vrouwen simpelweg de taken over die voorheen door hun bedienden werden verricht.
Kleine overwinningen
Haal het voorwerp weg uit je geschiedenisbeeld, en je verliest ook het historisch gedrag uit het oog. Het voorspellen van de toekomst leidt vaak tot een vergelijkbaar probleem: het innovatieve voorwerp krijgt alle aandacht en beneemt ons het zicht op de mogelijke gevolgen voor ons gedrag. Het Jetsons-toekomstbeeld van jetpacks en maaltijdpillen ontbeerde ieder besef van wat er inmiddels werkelijk blijkt te zijn veranderd: de hele idee van baanzekerheid en het ritueel van ’s middags samen thuis eten. Een futuroloog heeft erop gewezen dat een documentaire uit de jaren zestig over het ‘kantoor van de toekomst’ weliswaar rake voorspellingen bevatte op technologisch vlak (faxapparaten en dergelijke), maar een andere ontwikkeling faliekant over het hoofd zag: in dat kantoor van de toekomst werkten geen vrouwen. In beelden van zelfsturende auto’s uit de jaren vijftig zie je gezinnen bordspelletjes spelen, terwijl hun auto (staartvinmodel) zelfstandig over de snelweg zoeft. Nu, zeventig jaar later, verwachten we vooral dat de zelfsturende auto zal leiden tot uitbreiding van onze productieve tijd, en dus van onze werktijd. De zelfsturende auto heeft in zekere zin altijd al bestaan. Maar onze huidige cultuur niet.
Waarom is het zo moeilijk om culturele veranderingen te voorspellen? Ten eerste hebben we de neiging te vergeten dat de cultuur überhaupt verandert. Op dit vlak hebben we vooral oog voor wat hetzelfde blijft. ‘Tot voor kort legde onze cultuur vooral uit waarom dingen bij het oude bleven, niet waarom ze veranderden’, schrijft socioloog Kieran Healy. ‘Cultuur, gezien als een monolithisch blok passief verinnerlijkte normen, doorgegeven via socialisering en gecanoniseerd door de traditie, werd doorgaans beschouwd als een rem op de neigingen van het individu.’ En als een cultuur verandert, zijn de oor- zaken soms verrassend klein en toevallig. Charles Duhigg beschrijft in The Power of Habit dat een van de mijlpalen in de ontwikkeling van homorechten in de VS een kleine wijziging betrof in de catalogus van de Library of Congress [de nationale bibliotheek van de VS]: die besloot boeken over de homobeweging niet meer onder te brengen in de categorie ‘Abnormale seksuele relaties, waaronder zedendelicten’, maar in de categorie ‘Homoseksualiteit, lesbianisme – homo-emancipatie, homofiele beweging’.
Die ogenschijnlijk kleine verandering, door activisten luidkeels toegejuicht, hielp de weg te effenen voor andere, grotere veranderingen (een jaar later besloot de American Psychiatric Association homoseksualiteit niet langer als geestesstoornis te beschouwen). Duhigg citeert een organisatiepsycholoog: ‘Kleine overwinningen vormen geen keurige logische reeks waarin men steeds een aantoonbaar stapje dichter bij een vooraf bepaald doel komt.’ Dat zou je ook over de toekomst kunnen zeggen.
Begonnen als onlineweekblad, verschijnt Nautilus sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen de wetenschap en ons dagelijks leven. Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.