Tag: telefoon

  • Moeten we ingrijpen in het telefoongebruik van kinderen?

    Moeten we ingrijpen in het telefoongebruik van kinderen?

    Generatie Z kampt met meer depressies en angststoornissen dan welke generatie ook. Een verklaring ligt wellicht in het gebruik van sociale media. Moeten we het smartphonegebruik van kinderen gaan reguleren? Twee redacteuren van The Atlantic gaan met elkaar in debat.

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.

    Ja: ‘Bevrijd de jeugd van de overheersing van de smartphone’

    Een commentaar van Jonathan Haidt, schrijver, sociaal psycholoog en auteur bij The Atlantic

    ‘In de jaren tien ging het ineens vreselijk mis bij jongeren’, begint Jonathan Haidt zijn artikel in The Atlantic. Haidt benoemt vervolgens dat de cijfers voor depressie en angststoornissen in de Verenigde Staten tussen 2010 en 2019 met 50 procent zijn gestegen. ‘In uiteenlopende landen zien we bij generatie Z (geboren in of na 1996) meer depressies, automutilatie, angst- en andere stoornissen dan bij welke andere generatie ook waarvan de gegevens bekend zijn’, aldus Haidt. 

    ‘Wat heeft er begin jaren tien voor gezorgd dat de ontwikkeling van jongeren veranderde en hun geestelijke gezondheid verslechterde? Het antwoord is vrij eenvoudig te formuleren, al is de onderliggende psychologie complex: dat waren de jaren dat jongeren in rijke landen hun klaptelefoons inruilden voor smartphones en een veel groter deel van hun sociale leven zich op internet begon af te spelen, met name op sociale media, die viraliteit en verslaving in de hand werken,’ zegt hij.  

    ‘We hebben een culturele ommezwaai nodig, en wel nu meteen’ 

    ‘Ik durf te beweren dat de nieuwe manier van opgroeien – met altijd een smartphone binnen handbereik – jongeren ziek maakt en hun ontwikkeling tot gelukkige volwassenen belemmert. We hebben een culturele ommezwaai nodig, en wel nu meteen.’ 

    Haidt komt met vier regels die de negatieve gevolgen van een smartphone-jeugd zouden kunnen terugschroeven. Zo benoemt hij als eerst dat kinderen geen smartphones moeten hebben vóór de middelbare school. ‘Op nationaal of lokaal niveau de norm instellen om kinderen totdat ze naar de middelbare school gaan niet 24 uur per dag toegang te geven tot internet, zou helpen om hen te beschermen tijdens de kwetsbare vroege jaren van de puberteit.’

    De tweede regel die hij benoemt, is geen sociale media voor kinderen onder de zestien jaar. ‘Als de meerderheid van de jongeren tot hun zestiende niet op deze platforms zat, zouden kinderen makkelijker de druk kunnen weerstaan zelf een account aan te maken.’ Haidt benoemt dat ze wel video’s kunnen bekijken op platforms als TikTok of YouTube, maar dat ze geen persoonlijke informatie kunnen delen en geen berichten kunnen posten om zo de algoritmen niet de kans te geven om hen en hun voorkeuren te leren kennen.

    Regel drie: ‘De enige manier om ervoor te zorgen dat leerlingen op school niet bezig zijn met hun telefoons, is het aanschaffen van telefoonkluisjes, waar alle telefoons (en andere apparaten die berichten kunnen ontvangen en verzenden) gedurende de dag in bewaard worden. Scholen met dit beleid beweren dat de sfeer op school is verbeterd, dat leerlingen beter opletten in de klas en dat er meer sociale interactie is’, vervolgt Haidt.

    ‘We zouden kinderen en jongeren zo moeten opvoeden dat ze geankerd blijven in de echte wereld’

    Tot slot moeten ouders de schermtijd vervangen door ervaringen in de echte wereld, door interactie met vrienden en zelfstandige activiteiten. Op die manier zal het verbieden van apparaten, volgens Haidt, aanvoelen als een verrijking in plaats van een gemis. 

    ‘De voornaamste reden dat opgroeien met smartphones zo schadelijk is, is dat ze al het andere verdringen en levenservaring in de weg zitten’, vervolgt Haidt. ‘We hoeven ons niet tot doel te stellen de schermpjes volledig uit te bannen, en ook niet om onze kinderen precies te laten opgroeien als in de jaren zestig. Nee, we zouden kinderen en jongeren zo moeten opvoeden dat ze geankerd blijven in de echte wereld, en tegelijkertijd gedijen in het digitale tijdperk.’

    ‘Begin jaren tien wisten we nog niet wat we deden, maar nu wel. Het wordt tijd dat we de jeugd bevrijden van de overheersing van de smartphone’, eindigt Haidt zijn artikel.

    Nee: ‘Het beperken van toegang tot smartphones kan juist averechts werken’

    Een commentaar van Candice L. Odgers schrijver, ontwikkelingspsycholoog en auteur bij The Atlantic 

    ‘Smartphones en sociale media verpesten de hersenen van onze kinderen en maken ze depressief, althans dat is het verhaal dat ons verteld wordt. De krantenkoppen zijn voortdurend te lezen; het is voor ouders genoeg om elk smartapparaat zo snel mogelijk uit huis te willen gooien’, opent ontwikkelingspsycholoog Candice L. Odgers haar artikel in The Atlantic. ‘Gelukkig voor mijn kinderen, die genieten van een goede “kat-valt-hond-aan”- video op TikTok, ga ik elke dag naar mijn werk en zie ik wat jongeren echt aan het doen zijn op hun apparaten.’

    Tijdens haar werk als ontwikkelingspsycholoog heeft Odgers de afgelopen 20 jaar onderzocht hoe kinderen psychische aandoeningen ontwikkelen. Ze bestudeerde 10- tot 15-jarigen die hun mobiele telefoons gebruiken, met als doel te testen hoe een breed scala van hun dagelijkse ervaringen, waaronder hun gebruik van digitale technologie, hun geestelijke gezondheid beïnvloedt. ‘Mijn collega’s en ik zijn er herhaaldelijk niet in geslaagd om overtuigend bewijs te vinden voor de bewering dat het gebruik van digitale technologie een belangrijke bijdrage levert aan depressie bij jongeren en andere symptomen van geestelijke gezondheid,’ zegt Odgers. 

    ‘Sociale media zijn relatief nieuw en vormen een makkelijke zondebok’

    ‘Veel andere onderzoekers hebben hetzelfde gevonden. Een recente studie en een overzicht van onderzoek naar sociale media en depressie concludeerden zelfs dat sociale media een van de minst invloedrijke factoren zijn bij het voorspellen van de geestelijke gezondheid van adolescenten’, vervolgt Odgers. ‘Daarom geloven andere onderzoekers en ik niet in de verhalen die worden verteld over jongeren en sociale media. De meest recente golf van angst werd ontketend door Jonathan Haidt’s The Anxious Generation, waarvan een fragment verscheen in dit tijdschrift.’  

    ‘Haidt is natuurlijk niet de enige die beweert dat deze apps dergelijke problemen veroorzaken. Sociale media worden qua impact vergeleken met heroïnegebruik en krijgen de schuld van zaken als dalende testscores en jongeren die minder seks hebben’, zegt Odgers. ‘Deze verhalen hebben een intuïtieve aantrekkingskracht – sociale media zijn relatief nieuw en vormen een makkelijke zondebok. Maar de puberteit is altijd al een zorgelijke periode geweest: het is de piekleeftijd voor het ontstaan van een aantal ernstige psychische stoornissen en er zijn veel alarmerende statistieken over de geestelijke gezondheid van jongeren op dit moment.’ 

    ‘Door met een beschuldigende vinger te wijzen naar smartphones en sociale media krijgen mensen gemeenschappelijke en onsympathieke vijanden. Maar we weten gewoon niet of dit de juiste doelwitten zijn’, zegt ze. 

    ‘Maar het probleem met het extreme standpunt in Haidt’s boek en in recente krantenkoppen – dat het gebruik van digitale technologie de directe oorzaak is van een grootschalige geestelijke gezondheidscrisis onder tieners – is dat het paniek kan zaaien en ons de middelen kan ontnemen die we nodig hebben om deze complexe problemen aan te pakken,’ meent Odgers. ‘Als we ons alleen richten op sociale media, kan dat betekenen dat de echte oorzaken van geestelijke stoornissen en problemen bij onze kinderen niet worden aangepakt.’

    ‘We moeten gezinnen en tieners niet de boodschap geven dat het gebruik van sociale media inherent schadelijk en beschamend is’

    ‘We moeten gezinnen en tieners niet de boodschap geven dat het gebruik van sociale media inherent schadelijk en beschamend is. Dat is niet zo. Wat mijn collega-onderzoekers en ik zien als we in contact komen met jongeren, is dat jongeren online gaan om gewone puberdingen te doen.’ Zo zegt Odgers dat jongeren online contact maken met leeftijdsgenoten uit hun offline leven, muziek consumeren, spelletjes spelen en vooral tijd doorbrengen op YouTube. Daarnaast gaan jongeren op zoek naar informatie over gezondheid. ‘Veel jongeren geven aan online een toevluchtsoord te vinden, vooral als ze een gemarginaliseerde identiteit hebben of geen steun krijgen van hun familie of school.’

    Tot slot zegt Odgers: ‘Alle jongeren zullen uiteindelijk moeten weten hoe ze veilig door online omgevingen kunnen navigeren, dus het afsluiten of beperken van de toegang tot smartphones en sociale media zal op de lange termijn waarschijnlijk niet werken. In veel gevallen kan dit juist averechts werken: tieners zullen creatieve manieren vinden om toegang te krijgen tot nog niet-gereguleerde gebieden. We moeten ze geen extra redenen geven om zich vervreemd te voelen van de volwassenen in hun leven.’ 

  • Daten in IJsland: eerst even checken met de ‘anti-incestapp’ of iemand geen bloedverwant is

    Daten in IJsland: eerst even checken met de ‘anti-incestapp’ of iemand geen bloedverwant is

    Op het eiland met slechts 368.000 inwoners is er altijd een kans dat je date een verre neef of nicht van je is. Een app met genealogische gegevens van alle IJslanders moet dat voorkomen. Bijkomend voordeel is dat al die genetische kennis tijdens de pandemie uiterst nuttig is gebleken.

    Een avond in Laugavegur, het uitgaanscentrum van de IJslandse hoofdstad Reykjavik. In een van de vele bars hebben twee jongeren elkaar zojuist leren kennen. Ze hebben een fijn gesprek, de avond ontwikkelt zich veelbelovend. Als het steeds duidelijker wordt dat hun plannen wel eens verder zouden kunnen reiken dan het sluitingsuur toestaat, trekken ze hun smartphones en tikken die kort tegen elkaar. Ze hebben geluk – ze zijn geen nauwe verwanten.

    IJsland is een land met een kleine bevolking: het eiland telt maar 368.000 inwoners. Eeuwenlang leefde men geïsoleerd en de IJslandse genenpool kreeg slechts zelden impulsen van buitenaf. Iedereen is dan eigenlijk op de een of andere manier met elkaar verwant. De hierboven beschreven scène is weliswaar verzonnen, maar zou zich heel goed zo hebben kunnen afspelen. Want die app bestaat echt. Hoogleraar neurologie Kári Stefánsson, oprichter en directeur van Decode Genetics, is sinds 1996 gepassioneerd bezig met de vraag wie IJslanders eigenlijk zijn. En de weg naar het antwoord loopt voor hem via genealogie en genetica.

    Als twee personen informatie willen over hun verwantschapsgraad, dan kunnen ze eenvoudig hun smartphones tegen elkaar tikken

    Daarom heeft zijn onderneming het tot haar missie gemaakt een digitale genealogische databank op te zetten. Daartoe werden veel verschillende bronnen geraadpleegd, openbare en private, van volksvertellingen, bevolkingsregisters en kerkboeken tot familiegeschiedenissen en door particulieren opgestelde stambomen. Zo ontstond Islendingabok, het ‘Boek der IJslanders’, een databank op internet. Wie beschikt over een IJslands burgerservicenummer, heeft er toegang toe. Om de tiende verjaardag van de lancering van het ‘Boek der IJslanders’ te vieren werd een wedstrijd uitgeschreven voor een app die de databank toegankelijk zou maken op de smartphone.

    Het programmeertrio dat de wedstrijd won, kwam op de proppen met een bijzondere specialiteit: als twee personen informatie willen over hun verwantschapsgraad, dan kunnen ze, in plaats van namen op te geven, ook eenvoudig hun smartphones kort tegen elkaar tikken. Bij dit elektronisch tête-à-tête worden relevante gegevens over de bezitters van de burgerservicenummers uitgewisseld en als er geen verwantschappelijke hindernis is die deze wederzijdse toenadering in de weg staat, meldt het beeldscherm opgewekt: ‘Ga je gang!’

    ‘Anti-incestapp’

    Het duurde niet lang of het nieuws over deze curieuze ‘anti-incestapp’ ging de hele wereld over. Van tech-tijdschriften tot wereldwijde mainstreammedia: allemaal berichtten ze erover. Sommigen beweren dat ze erbij zweren als ze daten. Anderen zeggen dat de app meer bedoeld was als een grap en nu door de wereldwijde weerklank een eigen leven is gaan leiden als grappig verhaal.

    De populariteit van de databank waarop de app is gebaseerd, is daarentegen onbetwist. Die bestaat intussen niet alleen uit gedigitaliseerde schriftelijke bronnen, maar ook uit biomedische informatie. Want tegelijk met de compilatie van historische bronnen verzamelde Decode Genetics ook bloedmonsters die door IJslandse burgers vrijwillig werden afgestaan voor genetische analyse. In een diepvriesfaciliteit in de kelder liggen inmiddels monsters opgeslagen van ongeveer de helft van de bevolking.

    ‘Om de menselijke diversiteit in de breedste zin te bestuderen en iets bijvoorbeeld wil kwalificeren als ‘‘pathologisch’’ moet je eerst kunnen definiëren wat ‘‘normaal’’ is

    En het gaat om meer dan alleen stambomen. Een uitgebreide genetische analyse legt wetmatigheden en mechanismen bloot en maakt daarmee gevolgtrekkingen mogelijk die van belang kunnen zijn voor de volksgezondheid, aldus Kári Stefánsson. Dat je van een patiënt het individuele risicoprofiel voor erfelijke ziektes kunt vaststellen, is van belang als de gezondheidszorg meer op preventie ingericht moet worden. ‘Om de menselijke diversiteit in de breedste zin te bestuderen en iets bijvoorbeeld wil kwalificeren als ‘‘pathologisch’’ moet je eerst kunnen definiëren wat ‘‘normaal’’ is,’ zegt hij. 

    Maar hoe verhoudt zich dat met bezwaren inzake de beveiliging van data? Genetische informatie is buitengewoon persoonlijk en ligt gevoelig. De huidige samenleving, zegt hij, beschouwt de aanspraak op een ultramodern gezondheidssysteem bijna als een mensenrecht. Maar die claim brengt ook de plicht met zich mee om het onderzoek mogelijk te maken. Dat vergeet men vaak. Hij heeft soms de indruk dat de moderne samenleving de veiligheid van de patiëntendata belangrijker acht dan de veiligheid van de patiënten zelf, zegt hij. Niet dat Stefánsson het aspect van de databeveiliging onbelangrijk vindt. De bescherming van gegevens is van groot belang, en daarom werden de data bij het biomedisch onderzoek geanonimiseerd. 

    Gericht reageren

    Toen de coronacrisis bijna twee jaar geleden uitbrak, toonde de onderneming zich van meet af aan betrokken en stelde haar laboratoria ter beschikking aan de nationale gezondheidszorg voor coronatests en analyse van de virusvarianten. Van elk afzonderlijk gediagnosticeerd coronageval hebben ze het erfelijk materiaal van het virus onderzocht, zegt Stefánsson. Zo had men heel goed in beeld van waar welke variant binnengekomen was en hoe de circulatie in de samenleving had plaatsgevonden. Daardoor konden de autoriteiten er heel gericht op reageren.

    IJsland is benijdenswaardig goed de crisis doorgekomen. Decode Genetics, een BV onder de paraplu van het biotechconcern Amgen, werkte nauw samen met de officiële instanties. ‘Het was alle hens aan dek,’ zegt Stefánsson, ‘en het was verheugend om te zien hoe de in het algemeen recalcitrante IJslandse samenleving de rijen wist te sluiten tegenover de dreiging.’ Voor hem, zo maakt hij de balans op, is de pandemie daarom niet alleen maar iets negatiefs geweest.

  • ‘Made in Bagladesh’ zorgt voor booming telefoonbusiness

    ‘Made in Bagladesh’ zorgt voor booming telefoonbusiness

    Internationale merken als Nokia en Samsung kiezen er steeds vaker voor om telefoonfabrieken in Bangladesh op te zetten. Op die manier omzeilen ze hoge importtarieven en hebben ze direct toegang tot de groeiende consumentenmarkt in het Zuid-Aziatische land.

    Bangladesh, dat altijd onderaan bungelde op wereldwijde ranglijsten, trok de afgelopen jaren aandacht met een groeiende economie en toenemende koopkracht.

    Via het ‘Made in Bangladesh’-programma heeft het land met 163 miljoen inwoners stappen ondernomen om buitenlandse investeringen aan te trekken en de lokale productie en consumptie te verhogen. Merken worden aangespoord zich in Bangladesh te vestigen door verhoogde tarieven op geïmporteerde toestellen, lagere heffingen op importonderdelen en een vrijstelling van btw voor consumentenaankopen. Een dergelijke strategie was eerder voorbehouden aan grotere markten zoals India en Brazilië.

    Onlangs is na het Zuid-Koreaanse Samsung en de Chinese merken Oppo, Vivo, Transsion en Realme ook het Finse Nokia overstag gegaan. Bengaalse functionarissen verwachten bovendien dat meer Chinese merken zullen volgen.

    Dankzij een effectief prijsverschil van 15 tot 26 procent tussen geïmporteerde en lokaal gemonteerde smartphones is de binnenlandse productie flink gestegen; die neemt nu 80 procent van de omzet voor haar rekening.

    Een meerderheid van de telefoons is op dit moment lokaal geproduceerd

    Aangezien de maatregel effectief blijkt en een meerderheid van de telefoons op dit moment lokaal is geproduceerd, stelde minister van Financiën A.H.M. Mustafa Kamal in juni voor om de btw-vrijstelling met nog twee jaar te verlengen. Een andere maatregel, die op 1 juli inging, maakt het kopers van binnengesmokkelde telefoons onmogelijk om een abonnement te nemen op lokale netwerken. ‘Dat zal een eind maken aan de illegale import van toestellen, wat weer een voordeel is voor lokale fabrikanten omdat hun marktaandeel daarmee stijgt,’ aldus Shahidul Alam, directeur van de Bangladesh Telecommunication Regulatory Commission.

    De plaatselijke fabricage van telefoons kwam pas in oktober 2017 op gang, toen elektronicabedrijf Walton in een buitenwijk van Dhaka onder zijn eigen merknaam met de productie begon. Sindsdien heeft het bedrijf 1,7 miljoen smartphones en 4,3 miljoen telefoons in oude stijl gefabriceerd.

    Eigen fabrieken

    Onder de bedrijven die nu smartphones maken in Bangladesh zijn lokale ondernemingen, vaak afdelingen van grote conglomeraten. Maar ook Vivo en Realme, die allebei onder de paraplu van China’s BBK Electronics vallen, evenals landgenoot Transsion hebben er hun eigen fabrieken opgezet.

    Tanzib Ahamed, manager bij Vivo Bangladesh, vertelt dat dit bedrijf een ‘aanzienlijk’ marktaandeel heeft binnengesleept sinds het in 2019 een lokale fabriek opstartte waardoor ‘de globale technologie veel betaalbaarder werd voor plaatselijke consumenten’.

    Een lokale woordvoerder van Realme, die gegevens van onderzoeksbedrijf Canalys aanhaalt, geeft aan dat zijn bedrijf nu in de top drie van Bangladesh’ smartphonemerken staat, met een aandeel van 14 procent. ‘We kunnen onze producten nu tegen een veel concurrerender prijs aanbieden aan de smartphonegebruikers,’ aldus de woordvoerder. De fabriek van het bedrijf in de stad Gazipur heeft op dit moment zeshonderd werknemers. ‘We registreren een fenomenale groei in Bangladesh.’

    Rezwanul Hoque, directeur van Transsions lokale eenheid, verwacht in de toekomst, als plaatselijke fabrieken de productie van systeemborden, batterijen, opladers en andere onderdelen starten, een nog lagere prijs voor telefoons te kunnen rekenen. 

    ‘We gebruiken nu Made in Bangladesh-telefoons. En daar zijn we trots op’

    Dit is uiteraard een trend waar klanten blij mee zijn. ‘We gebruiken nu Made in Bangladesh-telefoons. En daar zijn we trots op,’ aldus privébankier Atiqur Rahman. Volgens hem moeten de prijzen van smartphones nog verder dalen, zodat ook mensen met lagere inkomens toestellen van goede kwaliteit kunnen kopen.

    Het grote aantal plaatselijk geproduceerde telefoons is ook te danken aan een groeiende economie. Vóór de pandemie groeide het bruto binnenlands product een paar jaar lang met meer dan 7 procent, en in het boekjaar dat eindigde op 30 juni 2020 was het bbp met 5,2 procent toegenomen, meldde de minister van Financiën. Weliswaar een lager percentage dan in de voorgaande jaren, maar alsnog het hoogste in Azië, aldus de minister.

    Bangladesh beschikt over 45 miljard dollar aan deviezenreserves, voldoende voor een half jaar importdekking, en ontving het afgelopen boekjaar meer dan 21 miljard dollar aan afdrachten van burgers die in het buitenland werken – een cijfer dat volgens de verwachting van de minister zal oplopen tot 25 miljard dollar. Bovendien verdient het land jaarlijks bijna 40 miljard dollar aan goederenexport.

    Ook de 175,27 miljoen actieve mobieletelefoonrekeningen die Bangladesh eind mei telde – waarmee het land hoog scoort in de Aziatische top tien – maakt volgens Bangladesh‘ telecomautoriteit dat het land veel merken aantrekt.

    Consumenten kunnen hun geliefde toestellen nu voor een betaalbare prijs aanschaffen

    Union Group, het lokale conglomeraat dat onder contract bij de in Finland gebaseerde merkeigenaar HMD Global Nokiatelefoons maakt, streeft ernaar om binnenkort met de productie van 500.000 toestellen per maand te beginnen, meldt business controller Mohammed Asif Alamgir. ‘Nokia is een oud en vertrouwd merk vergeleken met Chinese fabrikanten. Geen enkele concurrent kan tegen hen op.’ Woordvoerder Takayuki Omino voegt daaraan toe dat consumenten hun geliefde Nokiatoestellen binnenkort voor een betaalbare prijs kunnen aanschaffen.

    Een functionaris van het ministerie van Post, Telecommunicatie en Informatietechnologie kondigde aan dat ook Xiaomi en Motorola – dat nu deel uitmaakt van het Chinese Lenovo – momenteel werken aan plannen voor lokale productie. Dit wordt echter door Lenovo-woordvoerder Genevieve Hilton ontkend, en Xiaomi heeft niet gereageerd op vragen van Nikkei Asian Review.

    Export

    De lokale telefoonproducenten beginnen ook export te overwegen. Walton is gestart met de montage van telefoons voor een buitenlands merk. Volgens Uday Hakim, uitvoerend directeur bij Walton Hi-Tech Industries, vond de eerste verzending naar de VS plaats in maart. Walton heeft ook toestellen van eigen merk naar Nepal geëxporteerd, maar deze export is vanwege de pandemie tijdelijk stil komen te liggen.

    Ook Fair Group, het lokale conglomeraat voor het in elkaar zetten van Samsungtelefoons, richt zich op buitenlandse markten. ‘We verwachten dat we in 2023 of 2024 toestellen uit Bangladesh gaan exporteren,’ aldus hoofd marketing Mohammed Mesbah Uddin. ‘Bijna alle wereldwijde merken zijn bezig hier fabrieken op te zetten of hebben daar een vergunning voor verkregen.’ Als het zover is, schat hij, zal 95 procent van de smartphones voor de binnenlandse markt lokaal worden geproduceerd.

    Edison Group, een ander lokaal conglomeraat, maakt telefoons onder de eigen merknaam Symphony. ‘We streven ernaar om van Bangladesh een regionaal centrum voor de productie van mobiele telefoons te maken,’ aldus directeur Jakaria Shahid. Hun export zal naar verwachting volgend jaar van start gaan. 

  • ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden’

    ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden’

    De islamitische bevolking van Kasjmir wordt scherp in de gaten gehouden door de cyberpolitie. The Intercept sprak ruim twintig mannen en vrouwen, voornamelijk studenten, over hoe zij werden geïntimideerd, geslagen, uitgescholden en bedreigd vanwege hun posts op sociale media.

    Op zijn hoede meldt Ahmed zich bij het politiebureau. Het oogt als een fort: de muren zijn afgezet met prikkeldraad, gewapende agenten houden de wacht. Een dag eerder heeft de student een telefoontje gekregen: de cyberpolitie van Jammu en Kasjmir wil dat hij zich op het bureau meldt. Reden onbekend. Ahmed – niet zijn echte naam, hij vreest represailles – is nooit eerder op een politiebureau ontboden.

    Hij wordt onmiddellijk overgebracht naar een ander, nabijgelegen bureau; zijn gsm moet hij bij de poort afgeven. In een wachtkamer treft hij vier andere jongeren aan. Na een nerveuze uitwisseling van blikken en wat gefluister beseffen de vijf dat ze elkaar kennen – niet persoonlijk, maar via sociale media.

    Deze eerste fysieke ontmoeting vindt plaats in Cargo, een politiecomplex dat een reputatie als martelcentrum hoog te houden heeft. Sinds augustus zou de faciliteit in Srinagar, de hoofdstad van het door India bestuurde Kasjmir, een plek zijn waar jonge gebruikers van sociale media worden ondervraagd en gemarteld als ze kritiek hebben geuit op het repressieve beleid dat de Indiase regering sinds vorig jaar in de regio voert.

    Jammu Kashmir Coalition of Civil Society, een groep mensenrechtenorganisaties, meldde in augustus dat de politie ruim tweehonderd gebruikers van socialemediaplatforms en virtuele privénetwerken heeft aangeklaagd. Met behulp van surveillancetechnologie en zich beroepend op antiterreur- en detentiewetten, heeft justitie hen opgespoord en opgeroepen zich op het bureau te melden.

    Ahmed en de jongeren die hij bij Cargo aantrof behoren tot de ruim twintig mannen en vrouwen, voornamelijk studenten, met wie The Intercept sprak over hun behandeling door de politie vanwege hun posts op sociale media.

    De cybereenheid had sommigen verzocht om op een lokaal politiebureau een niet-bindende verklaring te ondertekenen dat zij geen sociale media meer zouden gebruiken om kritiek te uiten op het gezag of op de strijdkrachten. Anderen werden, zo vertelden ze, geslagen, uitgescholden en met gevangenisstraf of de dood bedreigd nadat ze naar Cargo waren overgebracht.

    Politiek van aard

    Het recente politieoptreden tegen uitingen op sociale media maakt deel uit van een verhevigd censuurbeleid onder het bewind van de Indiase premier Narendra Modi, een hindoenationalist. In augustus 2019 besloot de regering eenzijdig om de semiautonome status van Jammu en Kasjmir te herroepen. Deze was tot dan toe vastgelegd in de Indiase grondwet. De staat is nu opgesplitst in twee gebieden die onder directe controle van het centrale gezag staan.

    De door de politie onderzochte berichten op – voornamelijk – Twitter en Facebook, zijn tot nu toe uitgesproken politiek van aard: ze bevatten kritisch commentaar op het Indiase optreden tegen Kasjmiri’s vóór en na de ontbinding van de speciale status. Mensenrechtenschendingen door Indiase veiligheidstroepen en het zwijgen van de media over dergelijke misstanden zijn eveneens aan de kaak gesteld. Twitter reageerde niet op een verzoek om commentaar.

    De slachtoffers zeggen dat de politie hun telefoons in beslag nam en pas dagen later terugbezorgde, nadat agenten de inloggegevens hadden gebruikt die ze tijdens ondervragingen hadden losgekregen om toegang te kunnen krijgen tot de socialemedia-accounts. Veel slachtoffers zeggen dat ze na hun vrijlating geen politieke boodschappen meer online hebben geplaatst of hun accounts hebben gedeactiveerd om te voorkomen dat ze zich opnieuw zouden moeten melden.

    Op enkele uitzonderingen na hebben alleen media in Kasjmir en India over het recente harde optreden bericht. Nadat hij een artikel over de kwestie  op de Indiase nieuwssite Artikel 14 had geplaatst, moest de Kasjmierse journalist Auqib Javeed zich eind september melden op het hoofdbureau van de cyberpolitie. Hij zou vijf uur lang in Cargo zijn vastgehouden en mishandeld – een verhaal dat overeenkomt met dat van de socialemediagebruikers.

    Intimidatie

    Al deze intimidatie is uiteraard bedoeld om critici het zwijgen op te leggen, zegt Gowhar Geelani, een journalist en auteur die zelf door de cyberpolitie is opgepakt op grond van de Unlawful Activities Prevention Act, een controversiële Indiase antiterreurwet: ‘Het maakt deel uit van een breder beleid om meningen te criminaliseren.’

    Kasjmir wordt beschouwd als het meest gemilitariseerde gebied ter wereld. In augustus voerde de Indiase regering er een ongekende militaire lockdown in. Mobiele diensten en digitaal verkeer werden zonder voorafgaande kennisgeving geblokkeerd. Dat leidde tot de langste internetuitval, voor zover bekend, in een democratie ooit. In maart herstelde de Indiase regering de toegang tot internet en tot sociale media, maar met een snelheid van niet meer dan 2G.

    Die beperkte internettoegang gaat hand in hand met meer toezicht in de regio, zegt Devdutta Mukhopadhyay van de Internet Freedom Foundation, een Indiase internetbelangenorganisatie. Ze noemt een paar voorbeelden: WhatsApp-groepsbeheerders die zich moesten registreren bij het lokale gezag, een verbod op VPN-diensten en aanvullende verificatie-eisen voor prepaid mobiele internetgebruikers.

    Sommige Kasjmiri’s hebben sociale media ingezet om lucht te geven aan hun decennialange verzet tegen de Indiase overheersing – maar dat bleef niet zonder gevolgen.

    ‘Ik moest uitleggen waarom ik Kasjmierse fotografen had gefeliciteerd die dit jaar de Pulitzerprijs hadden gewonnen’

    Nadat hij meer dan drie uur in een wachtkamer had doorgebracht, zijn vingerafdrukken waren afgenomen, hij was gefotografeerd en hij zijn persoonsgegevens, waaronder zijn bankgegevens, had moeten overleggen, ging Ahmed naar een verhoorkamer waar een stel agenten hem opwachtten. ‘Ze bleven maar roepen: Wie betaalt je om dit allemaal te posten? Een politieman sloeg en schopte me. Een ander schoof me een document toe met screenshots van mijn posts op Twitter. Ik moest mijn telefoon ontgrendelen, een agent scande hem. Een ander vroeg om de wachtwoorden van mijn e-mail- en socialemedia-accounts.’ 

    Verantwoording

    Agenten achter een desktopcomputer zochten Ahmeds Twitter-account op en ondervroegen hem over recente tweets. In sommige posts had hij de politie en het Indiase leger ter verantwoording geroepen vanwege mensenrechtenschendingen, zoals buiten-gerechtelijke executies van burgers in geënsceneerde vuurgevechten. Andere posts leken onschuldiger. ‘Ik moest uitleggen waarom ik Kasjmierse fotografen had gefeliciteerd die dit jaar de Pulitzerprijs hadden gewonnen,’ zegt Ahmed, ‘en waarom ik selectief dichters citeerde in mijn tweets.’

    Ook een andere student vertelde dat een politieagent tijdens zijn detentie in Cargo zijn telefoon in beslag had genomen en foto’s van zijn moeder en broers en zussen had bekeken. ‘Hij schold ze uit en dreigde dat ze dezelfde behandeling als ik zouden krijgen,’ aldus Bilal (die zijn echte naam niet in dit verhaal vermeld wil hebben uit angst voor represailles).

    Bilal en twee andere slachtoffers onthulden dat agenten hen hadden voorgesteld om in ruil voor vrijlating informant te worden en andere door de politie gemonitorde socialemediagebruikers te verraden. Ze kregen te horen dat ze anders gevangen zouden worden genomen of gedood in een geënsceneerd vuurgevecht.

    Bilal was verbijsterd door dit ‘aanbod’. Nooit had hij gedacht dat zijn tweets er nog eens toe zouden leiden dat de politie hem zou vragen spion te worden.

    ‘Ze gaven me uren de tijd om te beslissen,’ zegt hij, maar uiteindelijk kwam hij vrij. Zij het pas na het dreigement dat hij bij een volgende overtreding weer zou worden opgepakt op grond van de Unlawful Activities Prevention Act.

    Bhatti ontkent alle beschuldigingen en weigert ook in detail te treden over de surveillancetechnologie die wordt gebruikt

    Kort na de lockdown van augustus werd de cyberpolitie van Kasjmir uitgebreid om cybercriminaliteit aan banden te leggen. Sindsdien is er sprake van een geavanceerde surveillance-eenheid, uitgerust met de modernste technologie voor het opsporen en monitoren van Kasjmiri’s, onder wie inmiddels ook degenen die covid-19 hebben opgelopen. Tahir Ashraf Bhatti, het hoofd van zowel Cargo als van de cybereenheid, ontving op Onafhankelijkheidsdag een medaille van de Indiase regering voor het werk van zijn afdeling.

    Hij vertelt dat het werk van de cybereenheid voornamelijk leidt tot aanklachten over financiële fraude en ‘cyberpesten’ – dat laatste wordt gebruikt als excuus om mensen aan te pakken die de regering op sociale media bekritiseren. Hij ontkent dat mensen zijn gedagvaard of gemarteld omdat ze online hun politieke opvattingen hebben geuit.

    Bhatti zelf is beschuldigd van mishandeling van ten minste één gebruiker van sociale media gedurende diens hechtenis. Het slachtoffer vertelde dat hij in augustus op het cyberpolitiebureau was ontboden nadat hij Bhatti op Twitter had bespot. Hij werd naar Cargo gebracht, waar Bhatti hem drie dagen lang herhaaldelijk met een leren riem op hetzelfde lichaamsdeel sloeg. ‘Als ik je vertel welk lichaamsdeel, geef ik mijn identiteit prijs,’ zegt Bilal. 

    Schrikeffect

    Bhatti ontkent alle beschuldigingen en weigert ook in detail te treden over de surveillancetechnologie die wordt gebruikt om informatie in te winnen over Kasjmiri’s in binnen- en buitenland. Meerdere mensen vertelden dat ondanks het gebruik van VPN’s –waarmee anonimiteit op sociale media normaal gesproken is gegarandeerd – de politie kon achterhalen wie ze waren.

    ‘Het kost ons een half uur om de locatie en gegevens van een gebruiker te bepalen,’ zegt Bhatti. Hij laat een WhatsApp-gesprek zien waarin een hoge officier hem vraagt naar de locatie en het adres van een persoon en diens antecedenten. ‘Mijn team had het binnen enkele minuten voor elkaar,’ zegt hij.

    Dat team bestaat uit veertig technisch onderlegde agenten. Moeilijkere zaken worden uitbesteed aan privébedrijven, waarover de chef van de cybereenheid geen bijzonderheden prijsgeeft.

    Het werk van Bhatti en zijn ondergeschikten heeft inmiddels wel een schrikeffect gehad op de socialemediagebruikers in Kasjmir. Veel accounts zijn verdwenen, andere zijn inactief, of er is geen politieke inhoud meer op te vinden.

    Sinds zijn vrijlating lijdt hij aan paniekaanvallen en heeft hij nog maar weinig eetlust

    Shefali Rafiq, een 22-jarige studente journalistiek, zegt dat ze voorzichtiger is geworden met wat ze publiceert. ‘Een aantal profielen volgde ik graag, maar ze hebben hun accounts gedeactiveerd of schrijven geen kritische posts meer.’

    Drie gebruikers van sociale media zeggen dat ze verdachte activiteit op hun accounts hebben opgemerkt sinds ze door de politie zijn vrijgelaten, zoals likes of retweets die niet van hen zijn, of het volgen en ontvolgen van andere accounts.

    Degenen die in aanvaring zijn gekomen met de cyberpolitie leven in angst. Ahmed werd vier dagen op rij verhoord en werd pas met rust gelaten nadat hij had beloofd te stoppen met het online bekritiseren van de Indiase regering en de veiligheidstroepen. 

    Sinds zijn vrijlating lijdt hij aan paniekaanvallen en heeft hij nog maar weinig eetlust. Hij durft sociale media niet meer te gebruiken zoals hij vroeger deed. ‘Soms schrijf ik een lang bericht. Aan het einde verwijder ik het weer en moet ik huilen,’ zegt hij. ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden.’ 

    Openingsbeeld: Kasjmierse journalisten protesteren in Kunzer, een stad in de Indiase deelstaat Jammu en Kasjmir, tegen de censuur die hun wordt opgelegd. Fotografen werd onlangs tegen gehouden toen zij een demonstratie wilde vastleggen. – © Sajad Hameed / Pacific Press / Shutterstock

  • ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden’

    ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden’

    De islamitische bevolking van Kasjmir wordt scherp in de gaten gehouden door de cyberpolitie. The Intercept sprak ruim twintig mannen en vrouwen, voornamelijk studenten, over hoe zij werden geïntimideerd, geslagen, uitgescholden en bedreigd vanwege hun posts op sociale media.

    Op zijn hoede meldt Ahmed zich bij het politiebureau. Het oogt als een fort: de muren zijn afgezet met prikkeldraad, gewapende agenten houden de wacht. Een dag eerder heeft de student een telefoontje gekregen: de cyberpolitie van Jammu en Kasjmir wil dat hij zich op het bureau meldt. Reden onbekend. Ahmed – niet zijn echte naam, hij vreest represailles – is nooit eerder op een politiebureau ontboden.Hij wordt onmiddellijk overgebracht naar een ander, nabijgelegen bureau; zijn gsm moet hij bij de poort afgeven. In een wachtkamer treft hij vier andere jongeren aan. Na een nerveuze uitwisseling van blikken en wat gefluister beseffen de vijf dat ze elkaar kennen – niet persoonlijk, maar via sociale media.Deze eerste fysieke ontmoeting vindt plaats in Cargo, een politiecomplex dat een reputatie als martelcentrum hoog te houden heeft. Sinds augustus zou de faciliteit in Srinagar, de hoofdstad van het door India bestuurde Kasjmir, een plek zijn waar jonge gebruikers van sociale media worden ondervraagd en gemarteld als ze kritiek hebben geuit op het repressieve beleid dat de Indiase regering sinds vorig jaar in de regio voert.

    Kasjmierse journalisten protesteren in Kunzer, een stad in de Indiase deelstaat Jammu en Kasjmir, tegen de censuur die hun wordt opgelegd. – © Sajad Hameed / Pacific Press / Shutterstock
    Kasjmierse journalisten protesteren in Kunzer, een stad in de Indiase deelstaat Jammu en Kasjmir, tegen de censuur die hun wordt opgelegd. – © Sajad Hameed / Pacific Press / Shutterstock

    Jammu Kashmir Coalition of Civil Society, een groep mensenrechten-organisaties, meldde in augustus dat de politie ruim tweehonderd gebruikers van socialemediaplatforms en virtuele privénetwerken heeft aangeklaagd. Met behulp van surveillancetechnologie en zich beroepend op antiterreur- en detentiewetten, heeft justitie hen opgespoord en opgeroepen zich op het bureau te melden.Ahmed en de jongeren die hij bij Cargo aantrof behoren tot de ruim twintig mannen en vrouwen, voornamelijk studenten, met wie The Intercept sprak over hun behandeling door de politie vanwege hun posts op sociale media. De cybereenheid had sommigen verzocht om op een lokaal politiebureau een niet-bindende verklaring te ondertekenen dat zij geen sociale media meer zouden gebruiken om kritiek te uiten op het gezag of op de strijdkrachten. Anderen werden, zo vertelden ze, geslagen, uitgescholden en met gevangenisstraf of de dood bedreigd nadat ze naar Cargo waren overgebracht.

    Politiek van aard

    Het recente politieoptreden tegen uitingen op sociale media maakt deel uit van een verhevigd censuurbeleid onder het bewind van de Indiase premier Narendra Modi, een hindoe-nationalist. In augustus 2019 besloot de regering eenzijdig om de semiautonome status van Jammu en Kasjmir te herroepen. Deze was tot dan toe vastgelegd in de Indiase grondwet. De staat is nu opgesplitst in twee gebieden die onder directe controle van het centrale gezag staan.De door de politie onderzochte berichten op – voornamelijk – Twitter en Facebook, zijn tot nu toe uitgesproken politiek van aard: ze bevatten kritisch commentaar op het Indiase optreden tegen Kasjmiri’s vóór en na de ontbinding van de speciale status. Mensenrechtenschendingen door Indiase veiligheidstroepen en het zwijgen van de media over dergelijke misstanden zijn eveneens aan de kaak gesteld. Twitter reageerde niet op een verzoek om commentaar.De slachtoffers zeggen dat de politie hun telefoons in beslag nam en pas dagen later terugbezorgde, nadat agenten de inloggegevens hadden gebruikt die ze tijdens ondervragingen hadden losgekregen om toegang te kunnen krijgen tot de socialemedia-accounts. Veel slachtoffers zeggen
    dat ze na hun vrijlating geen politieke boodschappen meer online hebben geplaatst of hun accounts hebben gedeactiveerd om te voorkomen dat ze zich opnieuw zouden moeten melden.Op enkele uitzonderingen na hebben alleen media in Kasjmir en India over het recente harde optreden bericht. Nadat hij een artikel over de kwestie op de Indiase nieuwssite Artikel 14 had geplaatst, moest de Kasjmierse journalist Auqib Javeed zich eind september melden op het hoofdbureau van de cyberpolitie. Hij zou vijf uur lang in Cargo zijn vastgehouden en mishandeld – een verhaal dat overeenkomt met dat van de socialemediagebruikers.

    Intimidatie

    Al deze intimidatie is uiteraard bedoeld om critici het zwijgen op te leggen, zegt Gowhar Geelani, een journalist en auteur die zelf door de cyberpolitie is opgepakt op grond van de Unlawful Activities Prevention Act, een controversiële Indiase antiterreurwet: ‘Het maakt deel uit van een breder beleid om meningen te criminaliseren.’Kasjmir wordt beschouwd als het meest gemilitariseerde gebied ter wereld. In augustus voerde de Indiase regering er een ongekende militaire lockdown in. Mobiele diensten en digitaal verkeer werden zonder voorafgaande kennisgeving geblokkeerd. Dat leidde tot de langste internetuitval, voor zover bekend, in een democratie ooit. In maart herstelde de Indiase regering de toegang tot internet en tot sociale media, maar met een snelheid van niet meer dan 2G.Die beperkte internettoegang gaat hand in hand met meer toezicht in de regio, zegt Devdutta Mukhopadhyay van de Internet Freedom Foundation, een Indiase internetbelangenorganisatie. Ze noemt een paar voorbeelden: WhatsApp-groepsbeheerders die zich moesten registreren bij het lokale gezag, een verbod op VPN-diensten en aanvullende verificatie-eisen voor prepaid mobiele internetgebruikers. Sommige Kasjmiri’s hebben sociale media ingezet om lucht te geven aan hun decennialange verzet tegen de Indiase overheersing – maar dat bleef niet zonder gevolgen. Nadat hij meer dan drie uur in een wachtkamer had doorgebracht, zijn vingerafdrukken waren afgenomen, hij was gefotografeerd en hij zijn persoonsgegevens, waaronder zijn bankgegevens, had moeten overleggen, ging Ahmed naar een verhoorkamer waar een stel agenten hem opwachtten. ‘Ze bleven maar roepen: Wie betaalt je om dit allemaal te posten? Een politieman sloeg en schopte me. Een ander schoof me een document toe met screenshots van mijn posts op Twitter. Ik moest mijn telefoon ontgrendelen, een agent scande hem. Een ander vroeg om de wachtwoorden van mijn e-mail- en socialemedia-accounts.’

    Verantwoording

    Agenten achter een desktopcomputer zochten Ahmeds Twitter-account op en ondervroegen hem over recente tweets. In sommige posts had hij de politie en het Indiase leger ter verantwoording geroepen vanwege mensenrechtenschendingen, zoals buiten-gerechtelijke executies van burgers in geënsceneerde vuurgevechten. Andere posts leken onschuldiger. ‘Ik moest uitleggen waarom ik Kasjmierse fotografen had gefeliciteerd die dit jaar de Pulitzerprijs hadden gewonnen,’ zegt Ahmed, ‘en waarom ik selectief dichters citeerde in mijn tweets.’Ook een andere student vertelde dat een politieagent tijdens zijn detentie in Cargo zijn telefoon in beslag had genomen en foto’s van zijn moeder en broers en zussen had bekeken. ‘Hij schold ze uit en dreigde dat ze dezelfde behandeling als ik zouden krijgen,’ aldus Bilal (die zijn echte naam niet in dit verhaal wil uit angst voor represailles).Bilal en twee andere slachtoffers onthulden dat agenten hen hadden voorgesteld om in ruil voor vrijlating informant te worden en andere door de politie gemonitorde socialemediagebruikers te verraden. Ze kregen te horen dat ze anders gevangen zouden worden genomen of gedood in een geënsceneerd vuurgevecht.Bilal was verbijsterd door dit ‘aanbod’. Nooit had hij gedacht dat zijn tweets er nog eens toe zouden leiden dat de politie hem zou vragen spion te worden.‘Ze gaven me uren de tijd om te beslissen,’ zegt hij, maar uiteindelijk kwam hij vrij. Zij het pas na het dreigement dat hij bij een volgende overtreding weer zou worden opgepakt op grond van de Unlawful Activities Prevention Act.

    Sinds zijn vrijlating lijdt hij aan paniekaanvallen

    Kort na de lockdown van augustus werd de cyberpolitie van Kasjmir uitgebreid om cybercriminaliteit aan banden te leggen. Sindsdien is er sprake van een geavanceerde surveillance-eenheid, uitgerust met de modernste technologie voor het opsporen en monitoren van Kasjmiri’s, onder wie inmiddels ook degenen die covid-19 hebben opgelopen. Tahir Ashraf Bhatti, het hoofd van zowel Cargo als van de cybereenheid, ontving op Onafhankelijkheidsdag een medaille van de Indiase regering voor het werk van zijn afdeling.Hij vertelt dat het werk van de cybereenheid voornamelijk leidt tot aanklachten over financiële fraude en ‘cyberpesten’ – dat laatste wordt gebruikt als excuus om mensen aan te pakken die de regering op sociale media bekritiseren. Hij ontkent dat mensen zijn gedagvaard of gemarteld omdat ze online hun politieke opvattingen hebben geuit.

    Bhatti zelf is beschuldigd van mishandeling van ten minste één gebruiker van sociale media gedurende diens hechtenis. Het slachtoffer vertelde dat hij in augustus op het cyberpolitiebureau was ontboden nadat hij Bhatti op Twitter had bespot. Hij werd naar Cargo gebracht, waar Bhatti hem drie dagen lang herhaaldelijk met een leren riem op hetzelfde lichaamsdeel sloeg. ‘Als ik je vertel welk lichaamsdeel, geef ik mijn identiteit prijs,’ zegt Bilal.

    Schrikeffect

    Bhatti ontkent alle beschuldigingen en weigert ook in detail te treden over de surveillancetechnologie die wordt gebruikt om informatie in te winnen over Kasjmiri’s in binnen- en buitenland. Meerdere mensen vertelden dat ondanks het gebruik van VPN’s –waarmee anonimiteit op sociale media normaal gesproken is gegarandeerd – de politie kon achterhalen wie ze waren.‘Het kost ons een half uur om de locatie en gegevens van een gebruiker te bepalen,’ zegt Bhatti. Hij laat een WhatsApp-gesprek zien waarin een hoge officier hem vraagt naar de locatie en het adres van een persoon en diens antecedenten. ‘Mijn team had het binnen enkele minuten voor elkaar,’ zegt hij.Dat team bestaat uit veertig technisch onderlegde agenten. Moeilijkere zaken worden uitbesteed aan privébedrijven, waarover de chef van de cybereenheid geen bijzonderheden prijsgeeft.Het werk van Bhatti en zijn ondergeschikten heeft inmiddels wel een schrikeffect gehad op de socialemediagebruikers in Kasjmir. Veel accounts zijn verdwenen, andere zijn inactief, of er is geen politieke inhoud meer op te vinden.Shefali Rafiq, een 22-jarige studente journalistiek, zegt dat ze voorzichtiger is geworden met wat ze publiceert. ‘Een aantal profielen volgde ik graag, maar ze hebben hun accounts gedeactiveerd of schrijven geen kritische posts meer.’Drie gebruikers van sociale media zeggen dat ze verdachte activiteit op hun accounts hebben opgemerkt sinds ze door de politie zijn vrijgelaten, zoals likes of retweets die niet van hen zijn, of het volgen en ontvolgen van andere accounts.Degenen die in aanvaring zijn gekomen met de cyberpolitie leven in angst. Ahmed werd vier dagen op rij verhoord en werd pas met rust gelaten nadat hij had beloofd te stoppen met het online bekritiseren van de Indiase regering en de veiligheidstroepen. Sinds zijn vrijlating lijdt hij aan paniekaanvallen en heeft hij nog maar weinig eetlust. Hij durft sociale media niet meer te gebruiken zoals hij vroeger deed. ‘Soms schrijf ik een lang bericht. Aan het einde verwijder ik het weer en moet ik huilen,’ zegt hij. ‘Mijn telefoon is een nachtmerrie voor me geworden.’ Aakash Hassan

    The Intercept
    The Intercept | Brazilië/VS | theintercept.comThe Intercept (opgericht door Glenn Greenwald) is een webzine dat zijn bronnen – doorgaans klokkenluiders – een beveiligd, anoniem kanaal biedt om bestanden ter beschikking te stellen.

  • Volgens deze ‘piraten van de techindustrie’ is een nieuwe iPhone doodzonde van je geld

    Volgens deze ‘piraten van de techindustrie’ is een nieuwe iPhone doodzonde van je geld

    De jongens achter het bedrijf iFixit laten zien hoe je alles kunt repareren, van iPhone tot broodrooster. Hun missie is niet zo veel mogelijk geld verdienen, maar ‘de groei van de wegwerpcultuur bestrijden’. Ze bouwden er een enorm bedrijf mee op – en kregen het met Apple aan de stok.

    Keuze uit het archief

    Sinds vrijdag ligt de nieuwe iPhone 17 van Apple, de zoveelste versie, in de winkels. Advertenties moeten klanten verleiden om hun oude mobiel – kapot of niet – weg te doen en over te stappen op het nieuwste model. Dit artikel van het ondernemersblad Inc. uit 2020 laat zien hoe het anders kan: bespaar geld en spaar het klimaat door zelf je kapotte mobiel te repareren. Het bedrijf iFixit wil je er graag bij helpen.

    ‘Ga daar maar op staan,’ zegt Kyle Wiens, terwijl hij zich tegenover zijn bezoeker opstelt en zijn hand uitsteekt naar de schakelaar. Er klinkt elektrisch gezoem, waarna een zachte schok volgt en de grond wegvalt. Het is een hefbrug, afkomstig van een autodealer en nu op een betonnen plaat gezet in Wiens’ achtertuin in Atascadero, Californië.

    Wiens, gekleed in jeans en houthakkershemd en met een ziekenfondsbrilletje en het soort kapsel dat je jezelf kunt aanmeten met een botte schaar, heeft een glooiend perceel van een hectare met uitzicht op Highway 101, halverwege Los Angeles en San Francisco. De hoge heuvels verderop zijn groen van de overvloedige regen van afgelopen winter. Er staat een gestuukt woonhuis op het terrein plus een geprefabriceerd bijgebouw, een kippenren, een patio met een gigantische grill en een werkschuur die plaats biedt aan motorfietsen, crossmotoren, kajaks, wetsuits, een generator, een compressor, een lasbrander, hamers, moersleutels en boren, evenals diverse stapeltjes gedemonteerde onderdelen: Wiens’ vele lopende werkzaamheden. De hefbrug staat vlak naast de schuur. Wiens gebruikt hem voor klussen die de meeste mensen aan een professional zouden overlaten, zoals de transmissie van een truck vervangen. En als een goedkope vorm van vermaak: ‘Het is zo’n cool ding!’

    Levenswerk

    De hefbrug staat er ook omdat dingen repareren zijn levenswerk is. De 33-jarige Wiens is medeoprichter en CEO van iFixit, een bedrijf dat volgens hem als missie heeft ‘iedereen te leren hoe je alles kunt fiksen’. Op de website van iFixit vind je een enorme bibliotheek van stap-voor-stapinstructies op ieder denkbaar gebied: remmen afstellen, een lekkende brandstoftank van een motorfiets repareren, de bumpersensoren op een Roomba-stofzuiger plaatsen, een papierversnipperaar weer aan de praat krijgen, een zool weer op een schoen bevestigen, een vuur maken zonder lucifer, een kras in een brillenglas opvullen, een verwarmingselement van een waterkoker vervangen en – iFixits specialiteit – allerlei subtiele reparaties uitvoeren aan laptops en mobieltjes van Apple. Meer dan 25.000 handleidingen in totaal, voor meer dan 7000 objecten en apparaten. Volgens Wiens hebben vorig jaar 94 miljoen mensen overal op de wereld met behulp van iFixit geleerd dingen weer tiptop in orde te krijgen, wat eerlijk gezegd een klein beetje tegenviel. Wiens had gemikt op 100 miljoen.

    Een deel van de kennis op de website van iFixit komt uit eigen koker. Het meeste komt, à la Wiki, van overal op de wereld. In beide gevallen is de informatie gratis. Je hoeft je niet in te schrijven. Er wordt geen reclame gemaakt. iFixit haalt ongeveer negentig procent van zijn omzet uit de verkoop van onderdelen en gereedschap aan mensen die niet zouden weten wat ze daarmee aan moesten als iFixit niet ook zoveel waardevolle informatie weggaf. De rest komt van het in licentie geven van de software die iFixit heeft ontwikkeld voor het schrijven van zijn online handleidingen, en van het opleiden van onafhankelijke reparateurs, zo’n 15.000 tot nu toe, die hun eigen zaak runnen met steun van iFixit.

    ‘Onze impact op de economie is veel groter dan wat we er zelf aan overhouden,’ geeft Wiens toe. Daar zit hij niet mee. Zo bereik je alles en iedereen. Maar het is een echt bedrijf. Zestien jaar oud, 125 werknemers [toen dit artikel geschreven werd], vijf keer aanvoerder van de Inc. 5000-lijst van snel groeiende ondernemingen met een jaarlijkse groei van dertig procent, een omzet van 21 miljoen dollar en een stabiele winst. ‘We geven een heleboel gratis weg,’ zegt medeoprichter Luke Soules (32). ‘Dat vinden we leuk en het werkt, ook al geeft maar een fractie van die mensen ons geld.’

    De afvalscheidingsbakken hebben een iFixit-logo, de vuilnisbakken een Apple-logo

    Bedenk eens hoe wij consumenten ons tot onze elektronische hebbedingetjes verhouden. We kunnen niet zonder, maar we hebben geen idee meer wat er zich onder hun glanzende buitenkant afspeelt. Als ze kapot gaan, zijn we reddeloos verloren; we willen meteen een nieuwe. Maar dat consumentengedrag heeft gevolgen: gevolgen voor het milieu, omdat onze afgedankte giftige technologie op vuilnisbelten belandt; gevolgen voor onze grondstofvoorziening, omdat eindige voorraden van cruciale elementen als iridium snel worden geconsumeerd en afgedankt; gevolgen voor de economie, omdat we onze zakken razendsnel legen om maar bij de tijd te blijven; en gevolgen voor ons mens-zijn, omdat we steeds gefrustreerder raken door de magische objecten waarvan we afhankelijk zijn.

    iFixit en zijn nobele missie lijken misschien geen grote bedreiging voor wie dan ook, en al helemaal niet voor het meest winstgevende bedrijf ter wereld, maar toch houdt Apple iFixit angstvallig in de gaten. Apple houdt niet van iFixit, omdat iFixit zijn eigen versies van Apples uiterst geheime reparatiehandleidingen schrijft en die met iedereen deelt. Het maakt onderdelen voor Apple-apparatuur na en levert die samen met zelf ontworpen pincetten, plastic beiteltjes en schroevendraaiers in betaalbare doet-het-zelfkits. Met behulp van iFixit kun je een gebarsten scherm of een kapotte batterij veel goedkoper vervangen dan als je met je probleem naar een Apple-winkel gaat, wat misschien toch al geen optie voor je is, afhankelijk van waar je woont. Daar komt bij dat iFixit je geen nieuwe telefoon zal proberen aan te smeren. (Apple is diverse malen benaderd om commentaar te leveren voor dit verhaal, maar heeft dat steeds geweigerd.)

    Maar iFixit houdt ook niet van Apple. In het hoofdkwartier van iFixit in San Luis Obispo, Californië, hebben de afvalscheidingsbakken een iFixit-logo, dat op een kruiskop lijkt, en de vuilnisbakken een Apple-logo. In acht Amerikaanse staten procederen de twee bedrijven over de zogeheten recht-op-reparatiewetgeving (‘Je moet vechten voor je recht om te repareren’) die, als ze wordt aangenomen, een eind zal maken aan de enorme reparatie-inkomsten die Apple aan zijn monopoliepositie dankt. Hoe gigantisch die inkomsten zijn meldt Apple niet, maar het zakenblad Warranty Week schat dat AppleCare, Apples verlengde garantieregeling waarvoor een abonnement kan worden afgesloten, het bedrijf in 2016 wereldwijd maar liefst 5,9 miljard dollar heeft opgeleverd. ‘Het is het grootste programma voor verlengde garanties ter wereld,’ zegt redacteur Eric Arnum van Warranty Week. ‘Groter dan dat van General Motors, Volkswagen of Walmart.’

    ‘We geven een heleboel gratis weg. Dat vinden we leuk’

    iFixit zou niet bestaan als Apple er niet was, en alles wat daarmee samenhangt – de innovaties, de alomtegenwoordigheid en de arrogantie. Als je het zo beschouwt is iFixit eigenlijk een parasiet. Of misschien een loodsmannetje, dat meezwemt met de haai en leeft van de restjes. Maar dat doet geenszins recht aan de radicale missie van dit bedrijf, noch aan de ambitie van de oprichters, zaken waarover Wiens langdurig heeft nagedacht.

    ‘Ik maak me echt zorgen over de transitie naar een wereld waarin we niet meer begrijpen wat er in onze spullen zit,’ zegt hij. ‘Waarin we bang zijn voor techniek, voor feiten, voor zelf prutsen. Als je een telefoon of een voicerecorder uit elkaar haalt en er genoeg van begrijpt om hem te kunnen repareren, gaat er een schakelaar om in je hoofd. Je verandert van alleen maar een consument in een deelnemer.’ Dat is misschien niet zo cool als je eigen hefbrug in je achtertuin, maar nog altijd behoorlijk cool.

    Wiens en Soules zijn allebei opgegroeid in Oregon, maar ze hebben elkaar pas ontmoet op de California Polytechnic State University, waar het motto ‘Al doende leren’ is. Dat was in 2003, en sindsdien zijn ze samen, als vrienden, zakenpartners en rivierkajakkers. (Toen Wiens aankondigde dat hij ging trouwen, zeiden zijn andere vrienden hem dat hij dan eerst van Soules zou moeten scheiden.) Wiens praat meer dan Soules en slaapt minder; hij is het publieke gezicht van iFixit, de grote uitlegger en strateeg. Soules houdt toezicht op de bedrijfsvoering en de Chinese aanvoerketen van iFixit; hij is ook piloot en klarinettist. Op de universiteit vonden ze elkaar omdat ze allebei nerds waren. ‘Ik weet nog dat hij met kerst naar huis ging,’ zegt Soules over Wiens. ‘Hij had zo’n grote ouderwetse desktopcomputer. Die nam hij mee in de trein.’

    Wiens’ andere computer was een Apple iBook G3, de gewelfde, snoepkleurige laptop die ook wel bekendstaat als de ‘wc-bril-Mac’. Toen hij die op een dag liet vallen was hij kapot. Wiens zat er niet mee. Als kind waren hij en zijn broer altijd bezig met het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van de oude radio’s en keukenapparatuur die hun grootvader meebracht uit de kringloopwinkel. ‘Die was zijn hele leven bezig dingen te maken en te onderhouden’, schreef Wiens in 2013 over zijn grootvader in een artikel op de website van The Atlantic; hij leerde Wiens oorlog voeren tegen ‘entropie: de tweede wet van de thermodynamica die garandeert dat alles op den duur verslijt’; en stuurde hem naar de universiteit met een gereedschapskist en een soldeerbout.

    Wiens had een reparatiehandleiding voor de G3 nodig. Hij zocht tevergeefs op internet. Apple deelt zulke informatie niet met zijn klanten. Daar baalde hij van. Het was tenslotte zijn computer. Zelf gekocht en betaald. Waarom had hij dan geen toegang tot de werking ervan? Dit kan zo niet, herinnert Wiens zich dat hij dacht, en daarmee was het idee voor een bedrijf geboren.

    Wiens en Soules werkten het de jaren daarna verder uit. Aanvankelijk wilden ze hun eigen reparatiehandleidingen schrijven en verkopen, maar – eerste les – informatie is geen gemakkelijk verdienmodel. Maar onderdelen en gereedschap wel, dus werden Wiens en Soules online wederverkopers van gereedschap en moeilijk te krijgen onderdelen. Ze noemden hun bedrijfje PowerBook Fixit, totdat Wiens bang werd dat Apple hen zou aanklagen wegens schending van hun handelsmerk. Daarna probeerden ze PBFixit, dat ook niet aansloeg. ‘Mensen dachten dat PB voor Peanut Butter, pindakaas stond,’ zegt Soules. Toch kwamen er mensen op af. ‘De eerste maand verdienden we niets,’ zegt Wiens. ‘Maar de tweede maand wel. En sindsdien hebben we altijd geld verdiend.’

    Ze woonden samen op een kamer, sliepen in een stapelbed zodat ze meer ruimte hadden voor inventaris. In hun tweede studiejaar verhuisden ze van de campus naar een tweekamerflat, en uiteindelijk naar een huis met drie slaapkamers en een garage voor drie auto’s die als opslagplaats voor onderdelen fungeerde. Het runnen van een bedrijf en tegelijkertijd studeren bracht bepaalde uitdagingen met zich mee. ‘Dan zat ik aan de telefoon met een klant om hem te begeleiden bij de installatie van een harde schijf en tegelijkertijd op de klok te kijken terwijl ik dacht: Over twintig minuten heb ik een tentamen,’ zegt Wiens. ‘Dat kun je moeilijk tegen een klant vertellen.’ Uiteindelijk huurden ze personeel in. Op een dag arriveerde er een werknemer bij hun huis die zijn sleutel was vergeten, dus peuterde hij het slot open. De baas was onder de indruk. ‘Tot op de dag van vandaag leren we nieuwe werknemers nog altijd om sloten open te peuteren,’ zegt Wiens. (iFixit heeft zelfs ooit sets verkocht voor het open peuteren van sloten, maar dat bracht bepaalde complicaties met zich mee; het is illegaal om die te versturen via de Amerikaanse posterijen.)

    ‘We deden van meet af aan veel aan klantbegeleiding,’ zegt Wiens. ‘Dan zei een klant: “Nou, bedankt voor de onderdelen, maar hoe installeren we die?” Dus schreven we een handleiding voor ze. En dan zeiden ze: “Nou, dat is allemaal mooi en aardig, maar we hebben geen gereedschap,” en dus verkochten we ze het gereedschap. En dan zeiden ze: “Nou, dat gereedschap is te duur,” en dus begonnen we zelf kits samen te stellen en berekenden het gereedschap door in de prijs van de onderdelen. Het bleek dat we iets deden wat uniek was in de onderdelenbranche.’

    Het jaar dat ze afstudeerden, 2007, was ook het jaar dat de iPhone zijn debuut maakte, wat voor een ingrijpende omslag in hun inkomstenstroom zorgde van het repareren van computers naar het repareren van mobiele telefoons. Wat was begonnen als een parttime hobby was nu een winstgevend, snel groeiend bedrijf. Het leverde ze niet alleen zakgeld op, maar genoeg om hun hele studie te betalen. Het stelde ze ook in staat een aanbetaling te doen voor het huis van 690.000 dollar in Atascadero dat in de loop der jaren als hun gemeenschappelijke woonhuis, personeelsonderkomen en iFixit-hoofdkwartier fungeerde, en soms alle drie tegelijk. Soules herinnert zich dat hij tijdens zijn laatste studiejaar dacht: Dit zou heel goed onze broodwinning kunnen worden. Daar had hij nooit eerder bij stilgestaan. Dus over een baan zoeken hoefden ze zich geen zorgen meer te maken.

    Als een pas geopende doos elektronica

    De voordeur van het iFixit-hoofdkwartier aan de rand van het centrum van San Luis Obispo zit op slot. Op een bordje staat: ‘Alleen op afspraak.’ Maar er is een bel, waarop een glimlachende twintiger met een baard reageert. Hij gaat me via een lege wachtkamer voor naar een loods met stalen balken en dakramen waar andere twintigers met een baard zitten plus een aantal vrouwelijke collega’s. Hier huisde vroeger de autodealer waar Wiens zijn hefbrug vandaan heeft. De andere hefbrug heeft hij buiten laten staan ten bate van zijn werknemers, al is onduidelijk hoevelen van hen autorijden, laat staan een auto bezitten. Op hun eerste werkdag ontvangen alle werknemers van iFixit, naast een bureau dat ze geacht worden zelf in elkaar te zetten, vierhonderd dollar voor de aanschaf van een fiets. Het parkeerterrein is meestal leeg.

    Het renoveren van de plek kostte meer dan een jaar. De grootste uitdaging, zegt Wiens, was uitvogelen hoe er een verdieping in de bestaande structuur kon worden aangebracht en hoe alles waterdicht kon worden gemaakt zonder het dak eraf te halen. (‘Het is veel moeilijker om een bestaand gebouw voor andere doeleinden in te richten dan iets nieuws te bouwen van de grond af aan,’ geeft hij toe, wat kennelijk niet ironisch is bedoeld.) De centrale ruimte wordt in tweeën gedeeld door een monumentale trap van gerecycled acacia- en walnotenhout. Een tweetal monitors op de overloop houdt de wereldwijde activiteit op de website bij. De lambrisering bovenaan de trap is gemaakt van eikenhouten planken die zijn afgedankt door wijnmakerijen in de streek. Het ruikt hier lekker. Niet naar hout of wijn, maar vertrouwd en schoon. Als een pas geopende doos elektronica.

    Soules bezoekt deze week leveranciers in China, maar Wiens tref ik aan achter zijn ‘bureau’ op de bovenverdieping. Het is een op wandeltempo afgestelde loopband achter een hoge tafel met een stapel verouderde softwarehandleidingen erop die bedoeld is om zijn laptop op te plaatsen.

    Wiens loopt er niet mee te koop, maar hij is een vrome christen. Jen Wiens, bedrijfsleider van iFixit, wist niet wat ze van haar toekomstige echtgenoot moest denken toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten tijdens Bijbelles: een constante prater, een onverzadigbare lezer (later ontdekte ze dat hij luisterboeken op dubbele snelheid afspeelt) en een man van grote ideeën en nobele uitspraken. ‘Ik werkte bij een advocatenkantoor in het centrum,’ zegt ze. ‘Ik was altijd behoorlijk moe na een dag van veertien uur. Dan kwam hij naast me zitten en praatte aan één stuk door. Hij was altijd opgewonden. Uiteindelijk besloot ik dat ik misschien maar eens moest luisteren naar wat hij zei.’

    Tijdens een van hun eerste keren samen vertelde Kyle Jen dat hij de wereld wilde veranderen. Hij studeerde nog en was bezig de details uit te werken voor zijn grote plan ‘om de groei van de wegwerpcultuur te bestrijden’, zoals hij jaren later schreef in het handboek voor iFixit-werknemers (een vijftig pagina’s tellend manifest dat is verluchtigd met tekeningen uit een padvindershandboek uit 1903), ‘duurzaam ontwerp te promoten, eigendomsrechten te verdedigen en licht te werpen op de verwoestende effecten van elektronische verspilling’. Zover was Kyle nog niet helemaal, maar ook toen was het Jen al duidelijk dat als hij het over het veranderen van de wereld had, hij iets meer bedoelde dan een piepklein hoekje van de techindustrie verstoren en een heleboel geld verdienen. ‘Ik wist waar hij op aanstuurde,’ zegt ze.

    Waar hij op aanstuurde was natuurlijk dit bedrijf dat uiteindelijk de woede van Apple zou wekken. Maar het zou ook een paar verlichte zakenpartners aanspreken, met name Patagonia, dat met behulp van iFixit de levenslange garantie waarmaakt die het op al zijn kleding geeft. ‘We zijn echt onder de indruk van hun ethiek,’ zegt Nellie Cohen, programmamanager ‘gedragen kleding’ van Patagonia.

    ‘Onze impact op de economie is veel groter dan wat we er zelf aan overhouden’

    In sommige opzichten is iFixit een conventioneel succesverhaal. Het heeft geld verdiend, zeker, maar niet zoveel als het had kunnen verdienen als dat al die tijd het belangrijkste doel was geweest. Een van de redenen waarom de oprichters een paar jaar geleden zijn gestopt met het dingen naar een plek op de Inc. 5000-lijst is volgens Wiens dat ze niet op contact met mogelijke investeerders zitten te wachten. ‘Ik denk dat we allebei bang zijn voor de verantwoordelijkheid om te groeien en ten koste van alles geld te verdienen die dat met zich mee zou brengen,’ zegt Soules. En iFixit heeft al veel meer impact, zowel op zijn eigen branche als daarbuiten, dan bedrijven die vele malen groter zijn: het bereikte vorig jaar 94 miljoen doe-het-zelvers en heeft duizenden technici opgeleid overal in de VS.

    ‘Ik kan niets anders bedenken dat zo opwindend en zo nodig is als dit,’ zegt Wiens. In een wereld die in het teken staat van een reusachtige economische tweedeling kan iFixit naar zijn overtuiging helpen het bezit van technologie betaalbaarder te maken en kansen te creëren voor onafhankelijke reparatiewinkels. Voeg daar het milieuvoordeel van minder spullen weggooien bij, plus misschien het menselijke voordeel dat we allemaal een tikkeltje gelukkiger worden.

    Een van Wiens’ lievelingsboeken is De wereld buiten je hoofd van Matthew Crawford, die verbonden is aan de Universiteit van Virginia en zowel natuurkunde als politieke filosofie heeft gestudeerd. Zijn boek verbindt die twee vakgebieden met lessen die hij tijdens zijn andere carrière heeft geleerd, als monteur van motorfietsen. ‘Wij hebben ons ontwikkeld tot gereedschapsgebruikers,’ zegt Crawford. ‘Wat mensen zoeken is de basale ervaring van het zelf doen, om te zien wat het gevolg is van je eigen handelingen en om je eigen boontjes te kunnen doppen.’

    Dat Wiens en Soules een bloeiend bedrijf hebben opgebouwd dat daarbij kan helpen? Heel erg cool.

    Wetgeving

    Acht Amerikaanse staten beraden zich op wetgeving die iFixit dolblij zou maken en Apple woedend.

    De eerste auto die ik bezat was een Ford Maverick uit de jaren zeventig. Als je de motorkap opendeed was alles een fluitje van een cent: bougies vervangen, v-snaren vervangen, olie verversen. Auto’s van tegenwoordig zitten bomvol elektronica en software. Maar dat wil niet zeggen dat ze niet te repareren zijn door iemand anders dan de fabrikant, wat autobedrijven ons ook proberen wijs te maken.

    Dat was de inzet van het Reparatierecht-wetsvoorstel in Massachusetts dat in 2012 met 86 procent van de stemmen werd aangenomen. Het gaf autobezitters en onafhankelijke garagisten toegang tot dezelfde diagnostische hulpmiddelen, reparatiehandboeken en firmware als officiële dealers.

    Nu zetten acht Amerikaanse staatsparlementen zich in voor wetgeving die dit idee uitbreidt tot computers, smartphones en tractors. ‘Reparatie is onmogelijk zonder toegang tot informatie,’ zegt Gay Gordon-Byrne, directeur van het lobbykantoor Repair Association. Het eerste wetsvoorstel is in januari ingediend door Lydia Brasch, afgevaardigde van een ruraal district in het noordoosten van Nebraska. Ze heeft er genoeg van om honderddertig kilometer te moeten rijden naar Omaha, waar zich de enige Apple-winkel in Nebraska bevindt, om haar computer te laten repareren. Haar man Lee, een maïs- en sojaboer van de vijfde generatie, heeft soortgelijke problemen gehad met zijn John Deere-maaidorser van 300.000 dollar. (John Deere, zegt Gordon-Byrne, is ‘de agrarische Apple’.)

    Apple, dat niet heeft gereageerd op herhaaldelijke verzoeken om commentaar voor dit artikel, is niet blij met wat er in Nebraska gebeurt, en in Kansas, Minnesota, New York, Tennessee, Illinois, Massachusetts en Wyoming. Kortgeleden heeft het bedrijf een delegatie naar de hoofdstad Lincoln van Nebraska gestuurd om met Brasch te praten. De lobbyisten van Apple waren aanvankelijk ‘hoffelijk’, meldt ze. Ze boden aan in te stemmen als ze een uitzondering maakte voor smartphones. Daarna probeerden ze haar bang te maken en waarschuwden dat als het wetsvoorstel werd aangenomen, Nebraska een ‘mekka voor hackers en criminelen’ zou worden.

    Maar Brasch trapt er niet in. ‘Hoeveel miljarden heb je nodig?’ vraagt ze zich af. ‘Er zou een partje appel moeten overblijven dat de rest van ons kan delen.’

    Testcase

    Ik heb een Fixit-kit geprobeerd om mijn kapotte iPhone repareren.

    De iPhone 5C van mijn werk deed het prima tot de dag dat hij het begaf. Het scherm viel uit. Geen barsten in het glas, alleen een dicht web van verticale golfjes waardoor het display onleesbaar was. Apple zegt dat zijn telefoons drie jaar moeten meegaan. De mijne ging tweeënhalf jaar mee.

    De garantie was inmiddels verlopen, waar ik van zou hebben gebaald als ik het zelf moest betalen, maar dat was niet zo. Mijn werk stuurde een vervanger en de 5C verdween in een la, waarin volgens een door wederverkoper SellCell.com gesponsorde studie voor 13 miljard dollar aan oude mobieltjes huist.

    Toen hoorde ik over iFixit en vroeg ik me af of een kluns als ik echt zijn oude telefoon zou kunnen repareren. Bemoedigend was dat de 5C volgens iFixit een reparabiliteitsscore van zes heeft op een schaal van tien, wat niet slecht is. (Mijn nieuwe Galaxy S6 Edge haalt maar drie.) En dat mijn specifieke klus, het vervangen van het voorpaneel, 32 stappen impliceerde en dertig minuten tot een uur zou vergen, met een ‘gemiddelde’ moeilijkheidsgraad – niet ‘gemakkelijk’, maar ook weer niet ‘zeer moeilijk’ was. Ik bestelde de volledige kit, met gereedschap, voor 54,95 dollar plus verzendkosten.

    Het eerste wat ik deed toen mijn pakketje arriveerde was de zes minuten lange demontagevideo op iFixits website bekijken. Daarna dook ik in de geïllustreerde instructies. Stap 12, het verwijderen van de vier oneindig kleine kruiskopschroefjes waarmee het voorpaneel vastzit op het moederbord, kostte me de meeste hoofdbrekens. De schroefjes oogden identiek, maar ze zijn het niet. ‘Als u bij vergissing de schroef van 3,25 mm of 1,7 mm in het gaatje rechts onderaan draait, heeft dat aanzienlijke schade voor het moederbord tot gevolg en zal de telefoon niet langer naar behoren werken’, lees ik.

    Ik was er destijds niet zeker van of ik die fout niet had gemaakt. (Ik adviseer dat u uw werkblad leegmaakt voordat u begint; een magnetisch matje zou ook handig zijn geweest.) Maar ik zette door. Na het weer indraaien van de laatste twee ‘Pentalobe’-veiligheidsschroefjes (Apple-nomenclatuur) die het omhulsel borgen, drukte ik op de aan/uitknop, hield mijn adem in en aanschouwde vol trots een verlicht scherm. Mijn oude 5C, zo goed als nieuw. Ik liet het zien aan mijn vrouw. Daarna gooide ik hem weer in de la.

  • Vrees voor nieuwe digitale kloof tussen arm en rijk

    Vrees voor nieuwe digitale kloof tussen arm en rijk

    Amerikaanse openbare scholen promoten onderwijs met beeldscherm. In welgestelde gezinnen is persoonlijk contact juist een nieuwe luxe. Want hoe moet een kind later solliciteren als het niet geleerd heeft een normaal gesprek te voeren?

    Keuze uit het archief

    Ging een aantal decennia geleden de ‘digitale kloof’ tussen arm en rijk nog om toegang tot technologie, nu smartphones alomtegenwoordig zijn draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik. De begeleiding die kinderen ontvangen om op een verantwoordelijke manier met technologie om te gaan is volgens The New York Times in dit artikel uit 2018 namelijk nogal ongelijk verdeeld. Een probleem dat steeds groter wordt naarmate socialemediaplatforms als TikTok en Snapchat verslavender en algoritmen gewiekster worden. Helemaal nu bovendien AI-tools de verspreiding van nepnieuws makkelijker maken, is een gedegen digitale opvoeding van levensbelang voor de samenleving.

    De ouders in Overland Park waren het zat. Ze wilden hun kinderen van hun beeldscherm af krijgen, maar dat konden ze niet alleen. Ten eerste omdat je als ouder niet wilt dat jouw kind als enige dat rare buitenbeentje zonder smartphone is. En ten tweede omdat het gewoon heel, heel moeilijk is om een scholier zijn mobieltje af te nemen. ‘We begonnen onze bijeenkomsten met de constatering: dit is lastig, het is onontgonnen terrein.

    Wie kan ons hierbij helpen?’ zegt Krista Boan. Zij heeft in Kansas City de leiding over een programma genaamd START, wat staat voor ‘Stand Together And Rethink Technology’. ‘Dit is iets waarover we onze moeder niet om raad kunnen vragen.’ In Overland Park, een voorstad van Kansas City, komen zo’n honderdvijftig ouders daarom al zes maanden lang ’s avonds bijeen in schoolbibliotheken om over maar één ding te praten: hoe ze hun kinderen kunnen losweken van hun mobiel.

    Zonder beeldschermen

    Nog niet zo lang geleden was de grootste zorg dat rijke leerlingen veel vroeger in aanraking kwamen met internet, waardoor ze een technische voorsprong opbouwden die tot een digitale tweedeling zou leiden. Scholen vragen leerlingen om hun huiswerk online te doen, terwijl ongeveer eenderde van de Amerikanen thuis geen internet heeft.

    Maar nu ouders in Silicon Valley zich steeds grotere zorgen maken over de impact van technologie op hun kinderen en steeds meer streven naar een huishouden zonder beeldschermen, groeit de vrees voor een nieuwe digitale kloof. Het zou zomaar kunnen dat kinderen in arme en modale gezinnen worden 
grootgebracht met beeldschermen, terwijl het kroost van de elite in Silicon Valley juist terugvalt op houten speelgoed en de luxe van persoonlijk contact.

    Je ziet dat nu al gebeuren. In rijke wijken zijn ouderwetse, op fysiek spelen gerichte kleuterscholen in zwang. Anderzijds heeft de overheid 
in Utah juist een onlineonderwijs-
programma voor kleuters gefinancierd dat circa tienduizend kinderen bereikt. De organisatie heeft al aangekondigd dat dit digitale kleuteronderwijs in 2019 met federaal overheidsgeld wordt uitgerold naar vijf andere staten.

    Volgens onderzoek van Common 
Sense Media, een onafhankelijke mediawaakhond, besteden tieners uit armere milieus per dag gemiddeld 8 uur en 7 minuten aan beeldschermvermaak, tegen 5 uur en 42 minuten voor leeftijdgenoten uit rijkere milieus. (In dit onderzoek werd elk beeldscherm apart meegeteld: één uur append voor de tv hangen telde dus als twee uur beeldschermtijd.) In twee studies waarbij ook de etnische achtergrond werd meegenomen, bleek het beeldschermgebruik bij blanke kinderen beduidend lager dan bij kinderen uit Afro-Amerikaanse en latinogezinnen.

    En ouders constateren zelf ook een groeiende tweedeling tussen openbare en particuliere scholen binnen dezelfde wijk. Op de particuliere Waldorf School of the Peninsula, zeer in trek 
bij het hogere kader van Silicon Valley, wordt beeldschermgebruik bijvoorbeeld vermeden. Een eindje verderop adverteert de openbare Hillview Middle School juist met zijn iPad-onderwijs.

    De psycholoog Richard Freed schreef een boek over de risico’s van beeldschermgebruik voor kinderen en hoe je hen weer in contact kunt brengen met de echte wereld. Hij verdeelt zijn tijd tussen lezingen voor volle zalen in Silicon Valley en zijn praktijk met minder bemiddelde gezinnen in San Francisco. Bij die laatste is hij vaak de eerste van wie ouders horen dat beperking van het beeldschermgebruik de concentratie- en gedragsproblemen van hun kind kan helpen verminderen. ‘Ik ga van lezingen in Palo Alto [een schatrijke stad in Silicon Valley] naar consulten in Antioch [een arme gemeente die zwaar werd getroffen door de huizencrisis], waar ik de eerste ben om ze op die gevaren te wijzen’, zegt Freed.

    Wat hem vooral zorgen baart, is het werk van collega-psychologen die techbedrijven helpen hun apps zo waanzinnig verslavend te maken. Zij zijn doorkneed in de technieken van persuasive design, oftewel het bespelen van beeldschermgebruikers. Een paar voorbeelden: de autoplay-functie van YouTube, de teller met ‘likes’ op Instagram die oploopt als een fruitautomaat, het ‘snapreeks’-icoontje op Snapchat.

    Smartphones in de ban

    ‘Eerst ging de digitale kloof over gebrek aan toegang tot technologie. Nu iedereen er toegang toe heeft, draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik’, aldus Chris Anderson, oud-redacteur van het blad Wired. In het hele land maken ouders, artsen en leerkrachten zich hier sterk voor. ‘De bedrijven hebben de scholen voorgelogen en nu liegen ze de ouders voor’, zegt Natasha Burgert, een kinderarts

    in Kansas City.

    ‘We worden allemaal in het ootje genomen’, vindt ze. ‘We onderwerpen onze kinderen, de mijne ook, aan een van de grootste sociale experimenten die we in lange tijd hebben gezien. Hoe moet het straks met mijn dochter, als ze geen normaal gesprek kan voeren onder het eten? Hoe moet ze dan aan de man komen? Hoe kan ze op sollicitatie gaan?’

    Stills uit de YouTube-film The Early Show, over 
The Waldorf School in Silicon Valley die principieel werkt zonder laptops en iPads in het klaslokaal. 
© ‘The Early Show' YouTube
    Stills uit de YouTube-film The Early Show, over 
The Waldorf School in Silicon Valley die principieel werkt zonder laptops en iPads in het klaslokaal. 
© ‘The Early Show’ YouTube

    ‘Ik heb nu gezinnen die er helemaal van af willen’, zegt Burgert. ‘Die zeggen: het is welletjes, we kappen ermee.’ Zoals in huize Brownsberger. Smartphones waren daar al lang in de ban gedaan, maar nu heeft ook de tv met internetaansluiting het veld geruimd. ‘We hebben de tv van de muur gehaald en ik heb 
het kabelabonnement opgezegd’, zegt Rachael Brownsberger (34), moeder van twee zoons van elf 
en acht.

    ‘Hoe krankzinnig dat ook klinkt.’ Zij en haar man, eigenaar van een bedrijf in sierbeton, hebben hun kinderen nooit een smartphone gegeven. Maar ze merkten dat zelfs de geringste blootstelling aan beeldschermen al een slechte invloed had op hun gedrag. Haar oudste zoon, die ADHD heeft, werd vaak boos als de tv uit moest, zegt ze. Dat vond ze verontrustend. En zijn verlanglijstje voor Kerst bestond 
uit een Wii, een PlayStation, een Nintendo, een 
MacBook Pro en een iPhone. ‘Ik heb gezegd: die krijg je dus niet, jongen’, zegt Brownsberger. ‘Ja, dan ben ik de kwaaie pier.’


    Ouders maken zich steeds grotere zorgen over de impact van technologie op hun kinderen

    Maar één ding maakt het gemakkelijker: dat andere ouders in hun buurt hetzelfde doen. ‘Je moet dit met een hele gemeenschap doen’, zegt Brownsberger. 
‘Ik had het er gisteravond nog over met mijn buurvrouw: ben ik soms zo’n slechte moeder?’ Krista Boan heeft in Overland Park drie proefprojecten met elk zo’n veertig ouders die samen naar goede methoden zoeken om hun kinderen af te krijgen van mobieltjes en andere beeldschermen.

    De Kamer van Koophandel steunt het project en de gemeente wil in het komende beleidsplan ook een paragraaf opnemen over ‘digitaal welzijn’. ‘De gemeente en de Kamer van Koophandel zeiden: we zien de gevolgen voor onze stad’, zegt Boan. ‘We willen dat onze jongeren opgroeien tot zelfstandige burgers die verstandig met hun apparaten omgaan, maar daar moeten we ze wel toe in staat stellen.’

    Ook in Silicon Valley maken sommigen zich zorgen over de groeiende tweedeling wat betreft beeldschermtijd. Kirstin Stecher en haar man, die bij 
Facebook werkt, voeden hun kinderen bijna volledig beeldschermvrij op. ‘Is dat omdat we goed geïnformeerd zijn en veel van de technologie weten?’ zegt ze. ‘Of is het omdat we bevoorrecht zijn en makkelijker zonder beeldscherm kunnen?’

    ‘Er heerst een gedachte dat je kind wordt achter-
gesteld en in een andere dimensie opgroeit als het geen beeldschermtijd krijgt’, zegt Pierre Laurent, voormalig manager bij Microsoft en Intel en nu bestuursvoorzitter van de Waldorf School in Silicon Valley. ‘Maar die gedachte slaat in deze contreien niet meer zo aan’, meent hij. ‘Hier snappen de mensen dat het in die bedrijven vooral draait om 
big data, om AI, en dat is niet iets waarin je zelf heel bedreven wordt doordat je al vanaf je tiende een mobieltje hebt.’

    ‘Vaardigheden voor de toekomst’

    Al krijgen de werknemers in deze sector steeds meer bedenkingen, de markt voor beeldschermtoepassingen voor kinderen groeit intussen als kool. Apple en Google proberen om het hardst hun producten aan scholen te slijten en leerlingen zo jong mogelijk aan zich te binden, als ze merkentrouw beginnen te worden. Google heeft onderzoeksresultaten gepubliceerd van zijn project in het schooldistrict Hoover City in Alaska.

    Daar wil Google de leerlingen naar eigen zeggen ‘vaardigheden voor de toekomst’ bijbrengen. Chromebooks en Google-tools hebben volgens het bedrijf levens veranderd: ‘De leiding van het schooldistrict wil de leerlingen opleiden voor succes door ze de vaardigheden, kennis en gedragingen bij te brengen die ze nodig hebben om verantwoordelijke burgers in de wereldgemeenschap te worden.’

    Maar volgens Richard Freed wordt bij kinderen uit armere milieus te snel naar deze technologische middelen gegrepen. Hij constateert die kloof iedere dag opnieuw in zijn werk met aan technologie verslaafde kinderen van ouders met modale en lagere inkomens. ‘Veel kinderen in Antioch zitten op scholen die geen geld hebben voor naschoolse activiteiten’, zegt hij, ‘en een kinderoppas kunnen hun ouders niet betalen.’

    De kenniskloof over de gevaren van de nieuwe technologie is volgens hem enorm. Met tweehonderd andere psychologen heeft hij een open brief ondertekend waarin ze hun beroepsvereniging oproepen tot het veroordelen van de medewerking van psychologen aan persuasive design in apps gericht op kinderen. ‘Zodra die technologie eenmaal grip op een kind heeft, wordt het heel moeilijk het daar nog van te bevrijden’, zegt Freed.

  • De Digitale Technologiekerk

    De Digitale Technologiekerk

    Het is alomtegenwoordig. Minstens veertien keer per dag loggen we in. Elke blik, post, click, hik of tsjilp draagt bij aan de onpeilbare rijkdom van Zijn priesterschap. We vervloeken Hem met evenveel hartstocht als we door Zijn schepping gefascineerd zijn.

    We voelen ons er modern door, verbonden en geïnformeerd. Met andere woorden, we zijn allemaal lid van Zijn Digitale Technologiekerk. In deze editie van 360 verscheen – toen de pagina’s in wording eenmaal aan de muur hingen – Zijn onzichtbare rode draad: 
millennials waarvan nog niet alle neuzen dezelfde kerkelijke kant op staan.

    Altijd huiverig voor zaken die jongeren bij de hechte geloofsgemeenschap doen wegdrijven, hebben zelfs de amish de deur op een kier gezet voor digitale invloeden uit de buitenwereld. Eenvoudigweg omdat het niet meer is tegen te houden en zij bovendien het gemak van die welvaart inzien. Bang zijn ze nu voor de sociale netwerken die hun zonen en dochters in een schijngemeenschap drijven – die ‘mondiale’, waar Mark Zuckerberg hard aan werkt. Want, redeneren zij, hoe meer mensen zich op technologie verlaten, hoe meer ze achter een bureau willen zitten. ‘Maar achter een bureau leer je niet een huis te bouwen.’

    Vroeger vond men in China dat je rijkdom moest verwerven door te werken. De nieuwe idolen zijn Bill Gates en Mark Zuckerberg

    In China maakt men zich eveneens zorgen om de mentaliteitsverandering wat betreft de arbeidsethos van de generatie Y. Chinese jongeren die na 1992 werden geboren, groeiden op in het digitale tijdperk en geven met hun virtuele consumptie, ‘die hun psychologische voldoening geeft’, het China van de toekomst mede vorm. En dat heeft volgens hoogleraar Zhang Yiwu rechtstreeks invloed op hun kijk op geld. Vroeger vond men in China dat je rijkdom moest verwerven door te werken, zegt hij, maar nu zien jongeren niets meer in dat idee. Hun nieuwe idolen zijn Bill Gates en Mark Zuckerberg, in plaats van mensen die op een traditionele manier fortuin hebben gemaakt – hun vroegere voorbeelden.

    Minder gematigd zijn de zogenaamde ‘yimby’s’ (yes, in my backyard), een snelgroeiende beweging van boze millennials die zich inzet voor de schaarste aan betaalbare huisvesting. Er bestaat al een Yimby Town in Oakland (Californië), een Yimby Festival in Toronto en in de Finse hoofdstad 
Helsinki wordt zelfs een Yimby Con georganiseerd.

    Maar er is altijd nog een weg terug als je de kerk, het netwerk of de gemeenschap wilt verlaten. De nieuwste trend op het gebied van relaties heet namelijk ‘sologamie’. Vier de band met de enige persoon ter wereld die echt de investering waard is: je eigen kostbare zelf.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl