Tag: The Atlantic

  • Hoe slecht is plastic nou eigenlijk echt?

    Hoe slecht is plastic nou eigenlijk echt?

    Plastic is schadelijk voor de gezondheid, het milieu en de mensenrechten – en fungeert als een vooralsnog niet te beteugelen aanjager van klimaatverandering. Een geschiedenis van het vermaledijde materiaal.

    Dit lijkt me niet echt een goed moment om over plastic te beginnen, denk ik als mijn vader na afloop van het samenzijn na een begrafenis over de vuilnisbak gebogen staat. Hij wenkt me, met een discreet maar dwingend gebaar. Hij heeft een doorzichtige plastic beker uit het vuilnis gehaald, met een geribbelde, rechte wand. ‘Polystyreen,’ grinnikt hij. Hij draait de beker om en kijkt naar de identificatiecode (een 6 in het midden van het recyclinglogo). ‘Maar niet mijn soort.’

    Mijn vader heeft in de jaren 1960 een veerkrachtige variëteit van polystyreen ontwikkeld voor Union Carbide, een van de belangrijkste plasticfabrikanten van de twintigste eeuw, inmiddels overgenomen door Dow Chemical Company. En nu staan we in de hal van de parochie en heb ik het gevoel dat hij dit glas elk moment stuk kan knijpen. Alsof hij mijn gedachten kan lezen, verstevigt hij zijn greep. Een beker van dit soort polystyreen versplintert tot een merkwaardige ster van scherven, geschakeerd rond de ronde bodem van de beker – en dat is precies wat hij me wil laten zien.

    Geen butadieen, denk ik. ‘Geen butadieen,’ zegt hij. In de productielijnen waarover hij de scepter voerde, werd butadieen toegevoegd om de kunsthars iets rubberachtigs te geven. Butadieen is een van de ruwweg tienduizend bestanddelen die plastics zoals wij ze vandaag de dag kennen, mogelijk hebben gemaakt. Mijn vader gaat op zoek naar een plasticbak, al weet hij ook wel dat deze beker weinig kans maakt op een volgend leven. Dat geldt vooral voor polystyreen, dat in talloze variëteiten op de markt is. Zoals antropoloog Tridibesh Dey opmerkt zijn plastics een chemisch complex allegaartje, meer ontworpen met het oog op gebruik dan op hérgebruik.

    Een tweede kans

    Mijn vader dacht ooit dat plastics tot in het oneindige hergebruikt zouden kunnen worden. Ik kan me zo voorstellen dat hij dacht dat plastic, net als de makers, een tweede kans verdiende. Toen Union Carbide in de jaren zeventig ging inkrimpen, nam mijn vader ontslag en bleef thuis bij de kinderen, totdat hij had bedacht hoe een leven zonder plastic eruit zou kunnen zien. Het antwoord bleek te schuilen in de ambtenarij: mijn vader stond een tijdlang aan het hoofd van het recyclingprogramma in mijn geboortestad. Maar hij heeft nooit zijn dromen kunnen verwezenlijken in de recycling. Van alle plastic die er tijdens zijn leven zijn geproduceerd, is nog geen tien procent op effectieve wijze hergebruikt.

    De vraag naar plastic is net zo kunstmatig als plastic zelf

    Deze teleurstellende uitkomst wordt – net als zoveel andere aspecten van onze relatie met plastic – vaak geweten aan individuele tekortkomingen. De pijlen worden zelden gericht op de plasticproducenten, of op de geopolitiek waardoor plastic over de hele wereld is verspreid. Maar wie zich verdiept in de geschiedenis van plastics, stuit op een ander verhaal: de vraag naar plastics is net zo kunstmatig als plastic zelf. Dat onze samenleving is vergeven van wegwerpplastic is niet veroorzaakt door de logica van de vraag, maar door de logica van de geschiedenis en geïntegreerde industriële systemen.

    De industrie werkt al tientallen jaren aan de illusie dat het alle problemen onder controle heeft, maar ondertussen worden zowel de productie als de promotie steeds meer aangezwengeld. De afgelopen twintig jaar zijn er meer plastics geproduceerd dan in de hele tweede helft van de twintigste eeuw. Recycling is een gebrekkig systeem – en toch wordt het gepresenteerd als wondermiddel. Maar een slimme truc aan het einde van de keten is geen oplossing voor de massale hoeveelheid plastic die wordt geproduceerd, voor de complexe toxiciteit en de erfenis van vervuiling en schade die de industrie al langere tijd aan de menselijke gezondheid en de mensenrechten toebrengt.

    Dat geldt natuurlijk allemaal al veel langer, maar nu is het moment daar om het gesprek over plastic ook echt aan te gaan. Naar verwachting zal plastic een zwaar stempel drukken op de eenentwintigste eeuw, als een vooralsnog niet te beteugelen aanjager van klimaatverandering.

    Materie

    Toen mijn vaders voormalige werkgever eind jaren 1920 plastic ging maken, was er niet echt sprake van een gretige afzetmarkt. Maar in zekere zin kon het bedrijf niet anders dan plastic vervaardigen. De nieuw ontwikkelde antivries, Prestone, werd gemaakt van aardgas en leverde een restproduct op, ethyleendichloride, een stof waarvoor geen praktische toepassing was en die dus op het terrein werd opgeslagen. Al snel had men er onvoorstelbare, ‘gênante’ hoeveelheden van opgeslagen, zoals het later werd verwoord in een nieuwsbrief van Carbide. De beste optie was, besloot het bedrijf, om er vinylchloride van te maken, waarvan al in de jaren 1970 werd vastgesteld dat het kankerverwekkend was, maar dat destijds werd gebruikt als bouwsteen voor een schadelijk soort plastics dat nog niet eerder op de markt was gebracht: vinyl.

    Dit is geen op zichzelf staan geval, maar eerder een voorbeeld van hoe de productontwikkeling bij chemische stoffen en plastics maar al te vaak verloopt. Voor Carbide en andere petrochemische fabrieken in de twintigste eeuw, vereiste elk nieuw product een reeks opeenvolgende reacties, en elke stap leverde weer een nieuw bijproduct op. Door die bijproducten te ontwikkelen waaieren de productielijnen uit en ontstond er uiteindelijk een bijna fractale structuur van onderling verwante producten. Alles wat het systeem binnenkomt moet ergens blijven, legt Ken Geiser, een beleidsexpert op het gebied van chemische industrie, uit in zijn boek Materials Matter. Materie is materie, het wordt gecreëerd noch vernietigd. En dus moet het worden omgezet: er wordt brandstof van gemaakt, het wordt afgedankt en veroorzaakt vervuiling, of het wordt te gelde gemaakt. Na vele herhalingen van dit proces komt Carbide uit bij Vinylite, dat uiteindelijk bruikbaar wordt gemaakt door de versmelting van twee typen vinyl: polyvinylchloride (pvc) en polyvinylacetaat.

    Volgens een intern marketingrapport heeft Carbide jarenlang geprobeerd nieuwe klanten te ‘synthetiseren’ en nieuwe toepassingen te bedenken voor Vinylite, terwijl een kredietafdeling de financiële last verlichtte door het product te adopteren. Uiteindelijk stuurde het bedrijf zelfs technische teams het land in om fabrikanten te leren hoe ze kunsthars moesten gebruiken – allemaal met matig succes. Celluloid, voorheen Bakeliet, en later ook polystyreen, kende vergelijkbare problemen.

    Door de Tweede Wereldoorlog kreeg de ontwikkeling van opkomende kunstharsen de wind in de zeilen

    Maar toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Door de oorlogscontracten kreeg de ontwikkeling van opkomende kunstharsen de wind in de zeilen. Zo hielp de Amerikaanse marine DuPont en Union Carbide om een licentie te krijgen van Britain’s Imperial Chemical Industries, zodat een begin kon worden gemaakt met de vervaardiging van polyethyleen voor de isolatie van draden en kabels (waarmee radar mogelijk werd). Het zogeheten Manhattan Project was de aanzet voor DuPont om het nieuwe gefluorideerde plastic in massaproductie te nemen, en dat zou uiteindelijk Teflon worden. Wat voorheen werd gewogen in grammen werd nu gewogen in tonnen. In de oorlog werden ook de al bestaande kunstharsen volwassen: aan het einde van de oorlog werd tweeëndertig keer zoveel polystyreen geproduceerd als bij het uitbreken van de oorlog.

    Maar polystyreen heeft enkele basisingrediënten gemeen met een ander materiaal dat van cruciaal belang bleek voor de moderne, gemechaniseerde oorlogsvoering: styreen-butadieenrubber, ook wel SBR genoemd. Rubber werd gebruikt voor rupsbanden. Vrachtwagenbanden. De zolen van de soldatenkistjes. 

    Rubber

    Het gigantische, Duitse IG Farben had al het zogeheten Buna S-rubber gesynthetiseerd, een versie van SBR op kolenbasis, toen de verstoring van de handel in natuurlijk rubber Amerika dwong om een inhaalslag te maken. Er werd razendsnel een onderzoeks- en ontwikkelingstraject in gang gezet en dat leverde het Amerikaanse alternatief op: GR-S, ofwel Government Rubber-Styrene. Volgens historicus Peter J. T. Morris deed dit traject niet onder voor de wedloop om een atoombom te maken. Om te kunnen beantwoorden aan de vraag naar rubber aan het front werd er styreen geproduceerd op een schaal die ‘haast onvoorstelbaar’ was, zoals valt te lezen in een Dow-reclame uit de jaren 1940 – al helemaal gezien de moeite die het tot dan toe had gekost om styreen te produceren.

    Maar er waren ook risico’s verbonden aan styreen. Het kan kanker veroorzaken, net als vinylchloride. Dat gold ook voor het andere belangrijke bestanddeel van synthetisch rubber: butadieen, ook een monomeer die later kankerverwekkend bleek te zijn, en een chemische stof die symbool staat voor de versmelting van twee ooit afzonderlijke domeinen – petroleum en chemicaliën– tot de petrochemische industrie.

    Amerika had de keuze tussen twee verschillende manieren om butadieen te maken. Het kon gemaakt worden uit graanalcohol (ethanol) of uit petroleum. De olie-industrie bond de strijd aan met de boeren om overheidscontracten binnen te slepen voor de nieuwe rubbermachine. Het graan hield stand tijdens de oorlog, maar toen de oorlog eenmaal ten einde was, dwarsboomde de door de overheid gesteunde petroleumindustrie elke mogelijkheid om een door koolhydraten gedreven chemicaliën-en-plasticsindustrie op te zetten. De graanoogsten werden te grillig geacht, te zeer aan de seizoenen gebonden, te gevoelig voor overstromingen en droogte, en dus vatbaar voor prijsfluctuaties. 

    Rond 1950 had de overheid de rubberfabrieken uit de oorlog verkocht aan particuliere investeerders. Styreen, zo meldde Dow, had ‘eervol ontslag’ gekregen om ‘een wereld van vrede’ te kunnen dienen. Verschillende bedrijven, waaronder Union Carbide, konden nu styreen en butadieen produceren in hoeveelheden die veel groter waren dan wat de rubberindustrie in vredestijd aankon. De oplossing voor een overdaad aan styreen: polystyreen, waarvan een deel later gemodificeerd zou worden tot hoogwaardig polystyreen. Het polystyreen van mijn vader.

    De zonnige toekomst van plastics school in wegwerpartikelen

    ‘De naoorlogse domesticatie van plastic verliep grillig, met horten en stoten’, schrijft cultuurhistoricus Jeffrey Meikle in zijn boek American Plastic. Om de vraag op te stuwen, investeerde de bedrijfstak op grote schaal in advertentiecampagnes en groeide zelfs uit tot een van de grootste klanten van reclamebureaus. Aanvankelijk richtte de advertenties zich op vrouwen, om hen te doordringen van de voordelen van plastic en om hun te leren hoe ze de verschillende namen moesten uitspreken – zelfs de Society of the Plastics Industry (SPI) ontkende niet dat het tongbrekers waren. (‘Polly en Vin Wie?’ staat te lezen in een pamflet dat de SPI in 1953 uitgaf, in samenwerking met het vrouwenblad McCall’s. ‘Nou, het is geen Polly maar Poly: Poly-styreen en Vin-yl.’) Toen de bedrijfstak geen nieuwe markten meer wist te bereiken, zoals voorheen lukte met bijvoorbeeld de Tupperware-party’s, waagde men zich op andere terreinen, door de concurrentie aan te gaan met leer, katoen, glas en metaal. Toch waren de verkoopcijfers halverwege de jaren 1950 nog van dien aard dat men niet langer probeerde het plastic de huizen binnen te krijgen, maar eerder het erdoorheen te jagen, zoals plasticexpert Max Liboiron uitlegt. De zonnige toekomst van plastics school in wegwerpartikelen – of, zoals Lloyd Stouffer, redacteur bij Modern Packaging Magazine, het formuleert, ‘in de vuilnisbak’ – en polystyreen was een van de kunststoffen die daarvoor in aanmerking kwam.

    Het duurde niet lang of Scott plaatste een reeks advertenties in Life, met daarin het eerste ‘wegwerpglas,’ zoals het bedrijf het noemde – mooi genoeg om gasten voor te zetten. Het bedrijf beloofde dat het ‘absoluut, zonder enige twijfel, honderd procent verantwoord’ was om dit glas, gemaakt van ‘puur polystyreen en glad als porselein’, weg te gooien. Rond 1960, aan het begin van het decennium waarin mijn vader plastics maakte, kocht het leger ook weer polystyreen, dit keer voor de vervaardiging van het zeer brandbare napalm-B, maar de verpakkings- en de wegwerpartikelenindustrie zouden de grootste afzetmarkten vormen voor plastics. De productiecijfers stegen ‘tot ongekende hoogten’, schreef een analist van wie de woorden in 1971 werden vastgelegd in de notulen van het Amerikaanse Congres. In de supermarkt werden papieren verpakkingen stuk voor stuk verdrongen door plastic: de eierdoos, de broodzak, het vleesbakje en uiteindelijk, zij het schoorvoetend, de boodschappentas, schrijft wetenschapsjournalist Susan Freinkel in haar boek Plastic: A Toxic Love Story.

    ‘Consumenten,’ legt Meikle uit, ‘konden alleen kiezen tussen de artikelen die in de schappen lagen.’ En tegen het einde van de twintigste eeuw lagen de schappen vol plastic.

    Alternatieven

    In mijn werkkamer staan kasten vol polystyreen bekers in alle mogelijke vormen, maten en kwaliteiten. Allemaal cadeautjes van mijn vader, die de merkwaardige gewoonte heeft ze voor me mee te nemen. Hij kan het niet aan om ze weg te gooien, en hij heeft zo zijn twijfels over recyclen.

    Het kan lastig zijn om je een voorstelling te maken van het web waarin de alledaagse plastic bekertjes zijn verbonden met de nauw verweven mondiale crises van gifstoffen, milieu-onrecht en klimaatverandering, en het kan zelfs nog lastiger zijn om te bepalen waar moet worden ingegrepen. Want ja, door sommige plastics worden goederen en voertuigen lichter en daarmee efficiënter. En plastic componenten helpen bij het ontwikkelen van technologieën die hernieuwbare energie weten op te slaan en te distribueren. Maar daarentegen zit tegenwoordig meer dan veertig procent van het plastic in doosjes, bekertjes, verpakkingsmaterialen en andere toepassingen voor kortdurend gebruik. Ondanks aansporingen om waar mogelijk wegwerpartikelen te weigeren en je eigen tasje of bakje mee te nemen, hebben de meeste mensen in de meeste gevallen weinig te zeggen over de hoeveelheid plastic verpakkingen in hun leven. Op sommige plekken is het haast onvermijdelijk om een aanzienlijke hoeveelheid wegwerpplastic (zoals zakjes) te gebruiken, zeker op het platteland en op afgelegen plekken, waar nauwelijks alternatieven voorhanden zijn, of in ieder geval geen betaalbare alternatieven.

    Bovendien is het alomtegenwoordige plastic niet altijd even goed zichtbaar. Google maar eens can lining and drain cleaner (blikje en gootsteenontstopper) en kijk zelf hoe de gootsteenontstopper de metalen laag van het blikje afbijt, tot er een plastic koker overblijft. Of nog beter: leg je kartonnen koffiebekertje volgende keer in een bak water. Het paper zal loslaten, waarna je het dunne laagje polyethyleen aan de binnenkant ziet.

    De industrie heeft er zelfs voor gelobbyd dat staten zich konden onttrekken aan het verbod op plastic tasjes

    Begin jaren 1970 waren er al vijftien staten die probeerden te bedenken hoe ze de snelle opmars van plastic bakjes een halt konden toeroepen. De bedrijfstak schakelde over van reclame op zelfverdediging. Lobbygroepen probeerden de twee cent belastingheffing op flesjes te verijdelen, en in de jaren erna verzette men zich in het nabijgelegen Suffolk County tegen maatregelen om het aantal polystyreen bekertjes en andere wegwerpplastics terug te dringen. De industrie heeft er zelfs voor gelobbyd dat staten zich konden onttrekken aan het verbod op plastic tasjes. En zodra uit peilingen bleek dat het draagvlak afkalfde, of wanneer er regelgeving dreigde, gooiden de industrie en haar handelspartners er extra advertentiegelden tegenaan.

    Niet eerder in de geschiedenis heeft plastic zo onder vuur gelegen. Vorig jaar maart hebben twee Democratische congresleden wetsvoorstellen ingediend om de plasticvervuiling tegen te gaan. Ten minste twee derde van de lidstaten van de Verenigde Naties (waaronder, sinds kort, de Verenigde Staten) zijn voorstander van onderhandelingen om te komen tot een bindende overeenkomst om de wereldwijde gevolgen van plastics aan te pakken. En de National Academies of Sciences, Engineering, and Medicine heeft Amerikaanse producenten opgeroepen om de hoeveelheid plastics terug te dringen die in winkels terechtkomt, en vervolgens in het milieu. Zelfs mijn vader was betrokken bij een poging om in de hele stad een verbod af te kondigen op wegwerppolystyreen.

    Al deze inspanningen trekken de ongelimiteerde productie van plastics in twijfel, maar er is ook nog een andere reden om nu stil te staan bij de plasticsproductie – de hoge CO2-uitstoot van de bedrijfstak is een aanjager van de klimaatverandering.

    De plasticindustrie heeft zich flexibel getoond – aanvankelijk werden er producten gemaakt van ruwe grondstoffen zoals guttapercha en houtpulp, en later van restproducten uit andere industrietakken, zoals katoenvezels, landbouwafval en de overgebleven gassen uit gascentrales of kolenovens van staalfabrieken. Tegenwoordig worden plastics gemaakt in een nauw verweven netwerk van raffinaderijen, frackinginstallaties en petrochemische fabrieken – complexen die opnieuw zijn uitgerust of zijn verplaatst om beter in staat te zijn nieuwe of andere olie- en gasvoorraden aan te boren. Tegenwoordig wordt 98 tot 90 procent van het plastic – dus vrijwel alle plastic – gemaakt uit fossiele brandstoffen.

    Verfrackingen

    Historisch gezien zou je de markt voor fossiele brandstoffen een verstoorde markt kunnen noemen, gezien het grote aantal verschillende vormen van overheidssteun: hulp bij technologieoverdracht, belastingvoordelen, subsidies, zachte financieringen, prijsafspraken en, zoals hierboven beschreven, oorlogscontracten – dit alles samen bepaalt de prijs van plastic, en dus de productie. De plasticindustrie zelf heeft nooit de werkelijke kosten van de productie voor haar rekening hoeven nemen, dus de prijs van alles wat er is verbruikt, opgeslagen, gedumpt, in zee gestort, begraven, geïnjecteerd, verkwist, verbrand, door de schoorsteen gejaagd of uit leidingen weggelekt.

    Maar de aard van de petrochemische industrie brengt haar eigen wetmatigheden met zich mee. Plastic moest wel op grote schaal worden geproduceerd om de enorme investeringen terug te verdienen die noodzakelijk waren geweest om dergelijke grote en gecompliceerde fabrieken op te zetten en in bedrijf te nemen. Deze fabrieken behoren tot de grootste, duurste en meest energieverbruikende bedrijven in de producerende en verwerkende industrie. Zo diende zich weer het aloude probleem aan: meer plastic vereiste meer toepassingen en meer afzetmarkten.

    Dankzij fracking is Amerika nu de belangrijkste producent van olie en gas ter wereld

    De Amerikaanse ‘fracking boom’, ook wel de schaliegasrevolutie genoemd, is de aanjager van de meest recente expansie van plastic. Dankzij fracking is Amerika nu de belangrijkste producent van olie en gas ter wereld, wat resulteert in een ‘oververzadiging’, aldus Kathy Hipple, senior research fellow aan het Ohio River Valley Institute. Door dit overaanbod van grondstof is een nieuwe ronde investeringen in plasticfabrieken in gang gezet waardoor, zo legt Hipple uit, de markt is overvoerd met plastic verpakkingsmateriaal – er is meer aanbod dan vraag. Door deze plastic, nu voornamelijk polyethylenen en polypropylenen die zijn vervaardigd uit aardgascondensaten, is polystyreen gedegradeerd tot een kleine speler op de verpakkings- en wegwerpartikelenmarkt – met een marktaandeel van zo’n twee procent. De producten die de plasticindustrie nu op de markt brengt, noem ik soms grappend ‘verfrackingen’ in plaats van verpakkingen.

    Maar in economische zin is er opnieuw sprake van een verandering in de wereld van plastic. Nu de energie- en transportsector steeds meer afstand neemt van fossiele brandstoffen, zien veel olie- en gasproducenten in plastic nog een van de weinige kansen om te groeien, om te blijven bestaan. Sommige nieuwe ‘megafabrieken’, zoals de Zhoushan Green Petrochemical Base in China, gebruiken ruwe olie, in plaats van geraffineerde bijproducten, voor de productie van chemicaliën en plastic.

    De plasticindustrie zal in 2050 zo’n 15 procent van het wereldwijde emissiebudget voor haar rekening nemen

    En dat is (deels) de reden dat een groter deel van de mondiale CO2-uitstoot op het conto zal komen van plastic. Als de Amerikaanse plasticproductie blijft groeien zoals de industrie nu voorspelt, dan zal de klimaatbijdrage van plastics in 2030 die van de kolencentrales voorbij zijn gestreefd, concludeert Jim Vallette, de hoofdauteur van een nieuw Beyond Plastics-dossier. Of, anders gezien: de huidige groeicijfers betekenen dat de de plasticindustrie in 2050 zo’n 15 procent van het wereldwijde emissiebudget voor haar rekening zal nemen – en misschien nog wel meer. Hoeveel meer is afhankelijk van de grondstof en het soort plastic, maar gemiddeld genomen levert elke ton plastic zo’n 1,89 ton op aan koolstofdioxide-equivalent (een maat voor broeikasgassen).

    Emissies ontstaan door de winning en het gebruik van fossiele brandstoffen. Maar er zijn ook zorgen dat er zelfs nog meer uitstoot zou kunnen plaatsvinden aan het andere uiteinde van de levenscyclus, als verschillende staten het groene licht zouden geven voor voorstellen uit de industrie om nog sterker in te zetten op CO2-intensieve afvaltechnologieën, zoals verbrandingsovens, het winnen van brandstoffen uit afval, en moleculaire, chemische en zogeheten hoogwaardige vormen van recycling. Deze onbewezen technologieën maken gebruiken van extreem hoge temperaturen en andere methoden om afval om te zetten in grondstof om nog meer plastic te produceren. Dergelijke technologieën ‘verplaatsen de afvalstortplaatsen van de grond naar de lucht’, aldus Yobel Novian Putra, die werkt aan een Asia Pacific klimaat- en energiebeleid voor de Global Alliance for Incinerator Alternatives. En dat zal zowel gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit als voor het klimaat.

    Maar de petrochemische industrie zelf gebruikt ook veel energie – en staat zelfs in de top twee van energieverbruikers in de verwerkende sector. Zelfs als de bedrijfstak zou overschakelen op energiebronnen met een laag koolstofgehalte (of zou overschakelen op problematische technologieën voor het afvangen en opslaan van CO2, de zogeheten CCS-technologieën), zouden plastics nog altijd een belangrijk aandeel leveren in de uitstoot van broeikasgassen, volgens analisten van het Center for International Environmental Law (CIEL).

    Plastic is klimaatverandering, maar dan in vaste vorm

    Toch is er in het klimaatbeleid nog altijd betrekkelijk weinig aandacht voor de productie van plastics. En de proliferatie van plastics kan van ondergeschikt belang lijken nu de klimaatrampen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen. Plastic en klimaat zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en de structureel verweven problemen werken ook op elkaar in: de plasticindustrie stuwt de uitstoot van broeikasgassen op en door het extreme weer komt er nog meer plastic in het milieu terecht. Er wordt onderzoek gedaan naar die wisselwerking – men kijkt bijvoorbeeld hoe temperatuurstress van invloed is op de manier waarop diersoorten reageren als ze worden blootgesteld aan gifstoffen. Hoe dan ook hebben ze dezelfde wortels. ‘Plastic is koolstof’, fossiele brandstof in een andere vorm, zegt Carroll Muffett, die aan het hoofd staat van CIEL. Of, zoals Deirdre McKay het stelt: plastic ís klimaatverandering, maar dan in vaste vorm.

    Wetenschappers zijn nog altijd aan het onderzoeken op welke niveaus er allemaal sprake is van schade – hoe er broeikasgassen vrijkomen uit plastic dat in de zon ligt te bakken, hoe plankton microplastics binnenkrijgt, waarmee het vermogen van plankton kan worden aangetast om zuurstof te leveren en CO2op te nemen en dat vervolgens mee te nemen naar de zeebodem. ‘Het onderzoek naar deze [klimaat]effecten staat nog in de kinderschoenen,’ valt te lezen in een rapport van CIEL en enkele andere groepen, ‘maar er zijn aanwijzingen dat plasticvervuiling de grootste natuurlijke CO2-opslag op aarde verstoort, wat een bron van zorg is en wat onze onmiddellijke aandacht vereist.’

    Zodoende denk ik terug aan die begrafenis, denk ik weer aan het glas in zijn hand, de golven van verdriet. Terwijl overal natuurbranden ontstaan, terwijl de rook van het ene continent naar het andere drijft, terwijl het zeewater stijgt en kustlijnen zich terugtrekken, terwijl we kampen met droogte en overstromingen, kankers en uitstervende diersoorten, dodelijke hittegolven en dodelijke pandemieën, lijkt dit misschien niet hét moment om te beginnen over plastics – over het feit dat we worden overspoeld door in de oorlog tot wasdom gekomen wegwerpartikelen die ons zijn opgedrongen en die inmiddels niet meer uit ons bestaan zijn weg te denken, die overal en altijd aanwezig zijn. Maar dit is precies het moment om dat nou juist wél te doen. En de wereld heeft geen seconde meer te verliezen.

    Lees ook:

  • Als feiten niet langer overtuigen, hoe kunnen we elkaar dan nog bereiken?

    Als feiten niet langer overtuigen, hoe kunnen we elkaar dan nog bereiken?

    In onze verschillende informatiebubbels hebben we niet alleen andere meningen, zelfs onze perceptie van wat waar is loopt uiteen. Anne Applebaum buigt zich over de vraag of we überhaupt nog tot elkaar kunnen komen. Alleen zogenaamd lachtivisme, patriotisme en een andere kijk op de geschiedenis lijken ons (en de campagne van Biden) nog te kunnen redden.

    Onlangs bezocht ik een politieke bijeenkomst op een boerenerf. De Poolse presidentskandidaat Rafał Trzaskowski was aan het woord; op de achtergrond glinsterde een gouden tarweveld in de namiddagzon. Het publiek was enthousiast – de gastheer, een plaatselijke boer, had het bezoek van de kandidaat pas de dag ervoor aangekondigd – maar de combinatie van Trzaskowski en het tarweveld was vreemd. Hij is de burgemeester van Warschau, spreekt meerdere talen, heeft een diploma in de economie en behoort tot de helft van Polen die zich identificeert als geschoold, stedelijk en Europees. Wat weet hij van tarwe?

    Maar Trzaskowski had zich kandidaat gesteld voor het presidentschap in een land waarvan de andere helft in een informatiebubbel leeft waarin ze leren wantrouwend te zijn tegenover iedereen uit Warschau die geschoold, stedelijk en Europees is. De Poolse staatstelevisie, die volledig wordt gecontroleerd door de regerende partij Recht en Rechtvaardigheid, stuurde agressieve berichten die luchtbel in, die de inzittenden waarschuwden dat Trzaskowski onbetrouwbaar was, buitenlands, in de ban van de ‘LGBT-ideologie’ – die de huidige president, Andrzej Duda, ‘erger dan het communisme’ noemde – en samenspande met Duitsers en Joden. Deze berichten, die voortdurend werden herhaald op een breed scala aan radiostations en televisiekanalen, waren bedoeld om de loyaliteit van de groep te versterken en de kiezers van Recht en Rechtvaardigheid te overtuigen dat zij ‘echte’ Polen zijn, en hun politieke tegenstander bedriegers en verraders.

    Tijdens zijn korte campagne deed Trzaskowski zijn best om ook in die bubbel te reiken. Hij stond daar bij de tarwevelden, bracht veel tijd door in kleine steden en riep in advertenties op tot een einde aan de verdeeldheid. ‘We zijn verenigd door een droom,’ zei hij in een toespraak: ‘een droom van een ander Polen’, een Polen waarin geen ‘betere’ en ‘slechtere’ burgers bestaan. Dit was een bewuste keuze: in plaats van de kiezers in zijn eigen bubbel te mobiliseren door de regerende partij aan te vallen, probeerde hij de diepe polarisatie van Polen te overbruggen door een beroep te doen op nationale eenheid.

    Met 49 procent van de stemmen kwam hij dichtbij, maar niet dichtbij genoeg. Trzaskowski’s helft van Polen was onvoldoende enthousiast, terwijl de andere helft fanatiek, boos en erg bang was voor Joden, buitenlanders en de ‘LGBT-ideologie’. De kiezers van Duda waren blij met de overheidssubsidies en de verlaagde pensioenleeftijd die zijn partij had goedgekeurd in plaats van op afstand geïnspireerd door Trzaskowski’s verhalen over solidariteit en eenheid – als ze die al te horen kregen.

    Akelig bekend

    Als ze die al te horen kregen. Klinkt dat niet akelig bekend? Want hetzelfde kan dit najaar in de Verenigde Staten gebeuren – of tijdens de volgende verkiezingen in Frankrijk, Italië of Oekraïne. De Amerikaanse politiek, de Poolse politiek, de Franse, Italiaanse, Oekraïense politiek, die allemaal zijn voortgekomen uit hun eigen geschiedenis, economie en cultuur, hebben tegenwoordig één ding gemeen: in elk van deze landen zorgt een compleet verschillende informatievoorziening voor een scherpe tweedeling van het electoraat. Sommige kiezers leven in een zogenaamde populistische bubbel, waar ze nationalistische en xenofobe boodschappen te horen krijgen, op feiten gebaseerde media en op feiten gebaseerde wetenschap leren wantrouwen, ontvankelijk worden voor complottheorieën en wantrouwend tegenover democratische instellingen. Anderen lezen en horen totaal andere media, respecteren verschillende autoriteiten en zoeken naar een ander soort nieuws. Welke voordelen deze verschillende bubbels ook mogen hebben, de heersende regels maken dat de mensen erbinnen niet in staat zijn de mensen erbuiten te begrijpen, of zelfs maar met hen te praten.

    Op sommige plaatsen, waaronder Polen en de Verenigde Staten, is het land in tweeën gedeeld. Op andere plaatsen, zoals Duitsland, liggen de verhoudingen anders, maar is de kloof tussen beide kampen net zo diep. Een paar jaar geleden nam ik deel aan een project waarin werd gekeken naar buitenlandse invloed tijdens de Duitse parlementsverkiezingen van 2017. We ontdekten onder meer dat de overgrote meerderheid van de Duitsers – links, rechts en gematigd – een mix van grote kranten, tijdschriften en televisiekanalen volgt, waaronder publieke televisie. Maar veel van de Duitsers die stemmen voor het extreemrechtse Alternatief voor Duitsland – het aantal schommelt tussen de 10 en 14 procent – halen hun nieuws uit een heel andere reeks bronnen, waaronder een flinke dosis Russisch gefinancierde Duitstalige media, zoals als Sputnik en RT. De kiezers in de extreemrechtse bubbel hebben niet alleen een andere mening dan andere Duitsers; ze hebben andere feiten, waaronder zelfs ‘feiten’ die door een heel ander land zijn verstrekt.

    Het gaat hier niet zozeer over Rusland, maar om de diepe kloof in perceptie die een tiende van de Duitse kiezers nu scheidt van de overige 90 procent. Is die kloof permanent? Moeten andere Duitse politieke partijen proberen de mensen in de populistische bubbel te bereiken? Maar hoe bereik je mensen die je niet kunnen horen? Dat is niet alleen een kwestie van iemand overtuigen, betere argumenten gebruiken of iemand van gedachten doen veranderen. Dit gaat over de vraag hoe je mensen überhaupt kunt laten luisteren. Gewoon schreeuwen over ‘feiten’ levert niets op als degenen de bronnen waarin deze staan niet vertrouwen.

    Helsinki, pornosterren, ‘Grab them by the pussy’, seksschandalen, ethische schandalen, juridische schandalen – ze zijn de afgelopen vier jaar tot één grote brei verworden

    Dit is hoe het probleem in de Verenigde Staten eruitziet: op de dag nadat Donald Trump Vladimir Poetin in 2018 in Helsinki ontmoette, bevond Sarah Longwell zich in Columbus, Ohio, waar ze sprak met een focusgroep die ze bijeen had geroepen – een kamer vol met mensen die ze omschrijft als ‘onwillige’ Trump-kiezers, mensen die op de president hadden gestemd maar zijn gaan twijfelen. Het bizarre gedrag van Trump in Helsinki zat haar dwars. De president had er bedeesd en bang uitgezien; doordat hij meeging in Poetins hardnekkige bewering dat hij zich niet met de Amerikaanse verkiezingen van 2016 had bemoeid, leek Trump partij te kiezen voor Poetin en tegen de Amerikaanse FBI. ‘DC staat erdoor in brand, ik sta erdoor in brand, ik denk dat dit een groot moment is,’ vertelde Longwell me. ‘Als ik mensen in Columbus vraag: “Wat is er gisteren in Helsinki gebeurd?”, kijken ze me uitdrukkingloos aan.’

    Longwell is een Republikeinse activist, of liever een Republikeinse activist van Never Trump – ooit een grote groep waarvan nog maar weinig leden over zijn. Ze bracht 2016 door met het zoeken naar een alternatief voor Trump. In 2017 begon ze vrienden te verliezen. Dat was het jaar van de ‘body snatchers’, zegt ze, toen ‘mensen van wie je dacht dat ze op één lijn zaten, plotseling hun standpunt begonnen te veranderen.’ In 2018 probeerde ze te bepalen wat te doen. In plaats van op te geven, zamelden zij en een andere Never Trump-Republikein, de oude journalist en activist Bill Kristol, geld in en gingen op zoek naar gelijksgezinden, niet in Washington maar in heel Amerika, en vooral in voorsteden met een Republikeinse stem.

    Hun initiatief, nu Republican Voters Against Trump (RVAT) genoemd, liep meteen tegen de informatiemuur aan. Onder de focusgroep van Longwell in Ohio werd het bizarre gedrag van Trump in Helsinki niet geregistreerd. ‘Mensen hebben er simpelweg niet over gehoord,’ herinnert Longwell zich. ‘Het kwam niet door.’ Dit kwam niet omdat de mensen in de groep niet geïnteresseerd waren in politiek. Het was ook niet omdat ze alleen Fox News keken. Integendeel, ze kregen nieuws van sociale media, via meldingen op hun telefoon, op allerlei devices. Ze kregen eerder te veel nieuws. Met als gevolg dat alle berichtgeving over Trump – de vele schandalen en de corruptiepratijken –, zo zei Longwell, ‘zo alomtegenwoordig werd, zo van alle dag, dat het veranderde in witte ruis’.

    Helsinki, pornosterren, ‘Grab them by the pussy’, Ivanka Trumps Chinese handelsmerken, belastinggeld dat naar golfclubs van Trump gaat, seksschandalen, ethische schandalen, juridische schandalen, zelfs het machtsmisbruikschandaal dat leidde tot de impeachment van Trump – ze zijn de afgelopen vier jaar tot één grote brei verworden. Een reeks onaangename nieuwsverhalen die volgen op tv-advertenties voor haarlak of mondwater, die voorafgaan aan een Facebook-bericht over de zoveelste trouwdag van een neef. Voor Longwells afvallige Trump-kiezers veranderde de afkeer van de schandalen in de afkeer van de media die over de schandalen berichtten – een enorm horzelsnest waarmee niemand in aanraking wilde komen of zelfs maar over nadenken. Tegelijkertijd werden diezelfde kiezers gebombardeerd met andere boodschappen – boodschappen die hen herinnerden aan hun groepsloyaliteit. Ze ‘zwemmen in een culturele soep van trumpisme’, zegt Longwell. Republikeins zijn maakte deel uit van hun identiteit. Ze werden omringd door afbeeldingen die verwezen naar God, patriottisme en de Republikeinse Partij. En al die beeld tezamen waren veel krachtiger dan hun afkeer van Trump.

    Ben Scott, een technologie-expert die voor het ministerie van Buitenlandse Zaken van Barack Obama meedacht over desinformatiebeleid en adviseur was van de campagne van Hillary Clinton in 2016, heeft dit fenomeen bestudeerd. Digitale media, zo vertelt hij me, hebben ‘mensen in staat gesteld om een veel hogere mate van zeer suggestieve representaties te ondergaan’ – waarmee hij het constante spervuur ​​van foto’s, video’s, commentaren en memes bedoelt van Amerika, christenen of gezinnen die worden bespot; die Trump op één lijn stellen met de kerk en het leger; die bedreigingen zien in buitenlanders, immigranten, allerlei buitenstaanders. Mensen die in deze ‘alternatieve’ nieuwsbubbel leven, zien of horen ook ‘reguliere’, op feiten gebaseerde media. Maar die verwerpen ze. Ze bestempelen ze als de vijand en leren ze te negeren. De fout van de Clinton-campagne, denkt Scott, was de aanname dat mensen binnen die bubbel konden worden overtuigd door ze te wijzen op de feiten. Dat bleek niet het geval.

    53bfa398aebc44687383ded69c8bc636b79d47a9
    – © Getty

    Aanvankelijk dacht ook Longwell dat een beroep op feiten de twijfelende Trump-kiezers van gedachten zou doen veranderen. Maar toen ze video’s afspeelde waarop duidelijk te zien was dat Trump loog, haalden ze hun schouders op. Dat kwam deels doordat ze hem niet aan dezelfde normen hielden als andere politici. In plaats daarvan, denkt ze, zagen ze hem als een zakenman en een beroemdheid, iemand die was vrijgesteld van de gewone moraal. ‘Ze zeggen: “Ja, hij liegt. Maar hij is eerlijk, hij is authentiek, hij is echt,”’ zegt Longwell.

    ‘Ja, hij liegt. Maar hij is eerlijk, hij is authentiek, hij is echt’

    Maar wat ook meespeelt, en in meerdere mate, is de aantrekkingskracht van de groep. Republikeinse kiezers weten dat Trump liegt. Als ze hem vergeven, is dat omdat hun vrienden en hun families, de andere leden van hun partij, hem ook vergeven. ‘Ik ben een Republikein, mijn ouders zijn Republikeinen, al mijn vrienden zijn Republikeinen,’ zeiden de leden van de focusgroep tegen Longwell. Anders stemmen zou voor deze kiezers niet alleen een intellectuele beslissing zijn. Het zou hen losmaken van hun groep.

    Maar wat gebeurt er als die groep zelf op een andere manier over Trump begint te praten?

    Kiezers vertrouwen mensen die ze kennen, of mensen die lijken op mensen die ze kennen

    Binnen de lawaaiige, chaotische moderne informatievoorziening doet de boodschap er lang niet zo veel toe als de boodschapper. Veel mensen vertrouwen er niet langer op dat de grote mediakanalen waardevolle informatie bieden – en dat vertrouwen komt misschien wel nooit meer terug. Ze hebben ook niet langer vertrouwen in politici of groepen waarvan ze denken dat ze buiten hun eigen groep vallen, en de dagen dat een president werd gerespecteerd alleen omdat hij de president was, zullen misschien evenmin ooit terugkeren. Kiezers vertrouwen mensen die ze kennen, of mensen die lijken op mensen die ze kennen.

    Vanuit dit inzicht begonnen Longwell en Kristol te experimenteren. In plaats van alleen professionele campagnevideo’s te maken (waarvan ze er een of twee produceerden), begonnen ze amateurfilmpjes te zoeken en te verspreiden. Op de site van de ‘Republikeinse kiezers tegen Trump’ staat een van hun citaten te lezen: ‘Ik zou eerder voor een broodje tonijn stemmen dan dat ik opnieuw voor Donald Trump stem’. Ook is hier te lezen hoe je je eigen video maakt.

    Honderden mensen hebben video’s ingestuurd, en vele daarvan zijn al gepost. Er zijn filmpjes van mensen die zichzelf omschrijven als levenslange Republikeinen, als evangelische christenen of als Irak- en Afghanistan-veteranen. De video’s hebben geen script: mensen vertellen hun eigen redenen om zich gedesillusioneerd of boos te voelen, vanwege de regering die in hun ogen henzelf en hun conservatieve idealen heeft verraden. Ze zetten hun mening in hun eigen woorden uiteen. ‘Mensen weten dat in een advertentie iets wordt verkocht,’ zegt Longwell. ‘Maar als ze naar de RVAT-video’s kijken, zien ze iemand van binnen hun eigen gemeenschap en denken ze: “Ik mag deze persoon.”’

    Geruststelling

    Bij tests op focusgroepen blijken deze video’s inderdaad impact te hebben: mensen vinden ze overtuigend. Misschien komt dit doordat ze conservatieve zorgen over Trump weerspiegelen zonder de conservatieve groep te bekritiseren. De mensen in de video’s sympathiseren met het dilemma van de Republikeinse kiezers, net als Longwell zelf. ‘Tribalisme is niet alleen maar negatief,’ zegt ze. ‘Het omvat ook elementen van loyaliteit, vertrouwen en gemeenschap.’ En het is juist Trumps misbruik van die loyaliteit, dat vertrouwen en de gemeenschap dat zowel haar als de mensen in de video’s zo boos maakt. En dat gevoel van verraad dragen ze uit.

    Het inzetten van insiders om gesloten gemeenschappen te bereiken is een bekende techniek, die vaak wordt toegepast in gevoelige en complexe situaties. Sasha Havlicek, die in Londen een anti-extremistische organisatie runt, genaamd Institute for Strategic Dialogue (de groep werkte ook mee aan de Duitse verkiezingsstudie van 2017), heeft vele malen geprobeerd om geloofwaardige stemmen van binnenuit te vinden om door te dringen tot mensen die dreigen online te worden gerekruteerd, door ISIS dan wel door blanke-suprematieorganisaties. Soms vinden Havlicek en haar collega’s gedesillusioneerde voormalige leden om deze aspirant-rekruten te begeleiden, maar ze kijkt ook uit naar ‘kerkgroepen, plaatselijke werkgevers, veteranen of mensen die een alternatief gemeenschapsgevoel kan bieden’. Het belangrijkste, zegt ze, is het om mensen te vinden die geruststellen: ‘Met als boodschap: Als je bereid bent je stem of je politieke kleur te veranderen, als je breekt met wat iedereen om je heen doet, zul je niet alleen zijn.’

    Lachtivisme

    Als van het contra-extremisme iets te leren valt, geldt dat ook voor het anticommunisme. In de jaren tachtig was Polen een door de Sovjet-Unie bezet communistisch land met een volledig gesloten mediaomgeving. De Communistische Partij beheerde alle kranten evenals het enige televisienetwerk. Protest was illegaal en demonstranten werden gearresteerd. Maar een ongewone dissidente groep, het Oranje Alternatief, brak door de muur van de media van het regime heen. En dat deden ze door mensen aan het lachen te maken. De groep organiseerde ‘happenings’ die niet zozeer demonstraties waren als wel komische optredens. In 1987 hield het Oranje Alternatief een parade op de verjaardag van de bolsjewistische revolutie, met pro-communistische spandoeken en lachende menigten; een andere keer verkleedden tientallen mensen zich als kerstman en deelden snoep uit. De autoriteiten waren perplex: de optochten waren duidelijk protesten, maar de politie sloeg een vreemd figuur toen ze deelnemers begonnen te arresteren vanwege hun ‘communistische’ rode outfits of kerstmanpakken.

    Srdja Popovic, een ervaren Servische activist – die mede leiding gaf aan een jeugdbeweging die de Servische dictator Slobodan Milošević omver wierp – heeft lezingen gehouden over wat hij de ‘kracht van het lachtivisme’ noemt. ‘Humor doelt angst smelten’, zegt hij. Door een autoritaire partij of leider belachelijk te maken verander je diens aura van onaantastbaarheid, waardoor volgers bereid worden om naar alternatieven te luisteren.

    RINO’s

    In de VS is dit een van de tactieken die momenteel wordt gebruikt door het Lincoln Project. Deze groep is opgericht door een stel andere anti-Trump Republikeinen en behoeft sinds kort geen uitgebreide introductie meer, niet in de laatste plaats omdat het Project de president zo succesvol heeft getrolld. In mei maakte de groep een korte video die begon met de woorden: ‘Amerika is in rouw. Vandaag de dag zijn meer dan 60.000 Amerikanen gestorven aan een dodelijk virus dat Donald Trump negeerde.’ Er volgde sombere muziek, samen met sombere beelden: vervallen gebouwen, verlaten huizen, armoedig geklede mensen. Dan, aan het einde, een foto van het Lincoln Memorial en de Amerikaanse vlag: ‘Als er nog vier van zulke jaren volgen, zal Amerika dan überhaupt nog bestaan?’

    De video, een ruwe variant op Ronald Reagans beroemde ‘Morning in America’-commercial, was meteen een hit: binnen twee dagen na de verschijning op Twitter werd hij door meer dan 1,5 miljoen mensen bekeken. Nog meer mensen zagen hem nadat hij op Fox News in Washington verscheen. Een van de kijkers was de president, die een reeks middernachtelijke tweets afvuurde met alle bekende beledigingen: RINO’s [Republican In Name Only], loosers. Het was een ‘schande’. Het resultaat: het geld stroomde de schatkist van het Lincoln Project binnen. John Weaver, een van de oprichters van de groep, vertelt dat de video in de daaropvolgende dagen miljoenen keren op Twitter, YouTube en Facebook werd bekeken.

    Sindsdien heeft het Lincoln Project advertenties gelanceerd waarin Trump in het Russisch wordt bespot, de kennelijke moeite die het de president kost om een ​​glas water te drinken beschimpen; die zijn campagneleider belachelijk maken – die later, mogelijk om die reden, werd ontslagen –, die verschijnen binnen enkele minuten na de gebeurtenis die ze parodiëren. Een video waarin de president wordt geplaagd met zijn gewicht en schijnbare mentale achteruitgang, veroorzaakte de kortstondig trend #ImpotusAmericanus op Twitter. De soms vervelende, soms kinderlijke vrolijkheid van het Twitter-account van de groep (1,8 miljoen volgers), heeft een harde tegenaanval uitgelokt. Het Lincoln Project en zijn oprichters worden door sommige rechtsen weggezet als verkapte Democraten, die onder een valse vlag handelen; sommigen linken vallen ze af vanwege vermeende verborgen agenda’s; door anderen worden ze ervan beschuldigd zich te verlagen tot dezelfde destructieve tactieken als de president. Mijn Atlantic-collega Andrew Ferguson noemde de campagne van het Lincoln Project ‘persoonlijk beledigend, hysterisch, nodeloos schunnig’.

    Woeste stem

    De oprichters van het Lincoln Project beschouwen de aanvallen van de Republikeinse Partij als een succes, niet in de laatste plaats omdat ze de Grand Old Party afleiden van hun campagne tegen Joe Biden. Maar dringen de video’s van het Lincoln Project door tot de Republikeinse kiezers, laat staan ​​dat ze ze van gedachten doen veranderen?

    Steve Schmidt, een van de medeoprichters, stelt dat de informatieballon rond de president dienstdoet als een autocratische persoonlijkheidscultus: voordat er positieve berichten doorheen kunnen, moet de betovering worden verbroken. Om die reden is het noodzakelijk om de Republikeinse partijleiders aan te vallen. ‘Kleineer ze, bespot ze, lach ze uit,’ zegt Schmidt. ‘Sla hard terug zolang het kan.’ Ook denkt hij dat agressieve, zelfs vulgaire humor zal helpen de muur van onverschilligheid te doorbreken en afgedwaalde kiezers te overtuigen dat er iets belangrijks op het spel staat. ‘De stem die vanuit Democratische waarden argumenteert, mag niet de milde stem zijn binnen het debat,’ zegt Schmidt. ‘Het moet een woeste stem zijn’

    In het grote geheel gezien zijn beide Republikeinse Never Trump-projecten onbeduidend – als kleine speedbootjes die naast het vliegdekschip racen dat de Democratische presidentiële campagne dit najaar vormt. Weaver beschreef hun rol als de geniesoldaten die ‘bevoorradingslijnen opblazen’ terwijl de generaals hun aanval voorbereiden. Toch lopen sommige van hun inspanningen parallel met de campagnestrategie van Biden. Ook hij is op zoek naar manieren om de conservatieve bubbel binnen te treden, of deze groep op z’n minst niet te beledigen. Biden heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat hij geen uitspraken deed die Republikeinse kiezers beangstigen. Hij roept niet op tot opheffing van de politie, het openstellen van de grens of het afschaffen van alle particuliere ziektekostenverzekeringen. Hij houdt zijn retoriek gematigd, ook al blaft zijn basis naar roder vlees. Zoals Ezra Klein van Vox schreef, is het campagneteam van de Democratische kandidaat zich er terdege van bewust dat ‘mobilisatie vaak de keerzijde van polarisatie is’. De taal die zijn basis prikkelt, zal zijn tegenstanders woedend maken. En dat wil Biden voorkomen.

    De taal die zijn basis prikkelt, zal zijn tegenstanders woedend maken. En dat wil Biden voorkomen

    Het risico is natuurlijk dat Biden eindigt als Trzaskowski en oproept tot een eenheid die niemand prikkelt, zelfs zijn eigen partij niet. Maar niet iedereen in het liberale centrum stelt zich zo op. Een paar jaar geleden kwam een groep universiteitsstudenten in Zürich tot dezelfde conclusie als Schmidt – dat de ‘kant van democratische waarden’ niet saai moet zijn. Zij waren de oprichters van een initiatief genaamd Operatie Libero. Toen ze begonnen, domineerde de Zwitserse Volkspartij, een populistisch-nationalistische partij, de politiek van het land. Het had met succes een visie van Zwitserland als een gesloten enclave neergezet en een reeks referenda voorgesteld om vreemdelingenhaat aan te wakkeren, immigratie een halt toe te roepen en het vermogen van het land om buitenlandse verdragen te ondertekenen te beperken.

    De oprichters van Operatie Libero pleitten daarentegen voor een meer verwelkomende visie op de natie. Ze wezen erop dat het moment van de oprichting van Zwitserland de liberale revolutie van 1848 was, dat het land een lange geschiedenis van religieuze tolerantie en openheid kent. Operatie Libero, ook wel de ‘kinderen van 1848’ genoemd, begon grappige filmpjes te maken – een tekening van Helvetia, het nationale symbool, dat huilend omver wordt geworpen door een populistische sloopkogel – en memes. De groep creëerde teams van vrijwilligers die zouden protesteren tegen de Zwitserse variant van online alt-right, en nodigde populisten uit om in debat te gaan. Het werkte: Operatie Libero zorgde niet alleen dat haar eigen standpunt in verschillende referendumcampagnes de overhand kreeg, de leden zagen er bovendien uit alsof ze het naar hun zin hadden. Op een wijdverspreide foto waren leden van de groep te zien – waaronder een van de oprichters, Flavia Kleiner, in felroze jasje – die uitbundig juichten vanwege een verkiezingsoverwinning.

    Operatie Libero bood niet alleen vermaak; het bood ook patriottisme – een andere versie van patriottisme. ‘We bieden een positievere kijk op Zwitserland,’ zei Kleiner me een paar jaar geleden. ‘We willen niet dat het een openluchtmuseum wordt met een geïdealiseerd verleden.’ In de Verenigde Staten is er volop moeilijkheid voor Biden, en ieder die hem steunt, om sentimentele Amerikaanse symbolen en tradities te gebruiken om kiezers van alle niveaus te mobiliseren. Een campagneadvertentie van Biden van vorig jaar deed precies dat en wees op het contrast tussen de taal van de Onafhankelijkheidsverklaring (‘Alle mannen zijn gelijk geschapen’) en die van de alt-right-mars van 2017 in Charlottesville, Virginia (‘Joden zullen ons niet vervangen’). Hergebruik van Amerikaanse oprichtingsdocumenten die worden aangepast aan deze tijd is natuurlijk niets nieuws. Martin Luther King Jr. citeerde de ‘prachtige woorden van de grondwet en de onafhankelijkheidsverklaring’ en verwees naar de ‘onvervreemdbare rechten’ van ‘leven, vrijheid en het nastreven van geluk’.

    Gedateerd

    Maar ook hier zit een mogelijke valstrik. In dit tijdperk van informatie-overload kan de oproep tot ‘leven, vrijheid en het nastreven van geluk’, die in het verleden zo goed werkte, ineens afgezaagd klinken; erger nog, de taal van de democratie en van de oprichting van Amerika kan ineens klinken als een zoveelste reeks slogans in de informatieoorlog. De campagne van Trump lijkt hierop in te spelen. Het is precies de reden dat de president spot met de ideeën en idealen van de democratie zelf. Op sociale media heeft de president ‘Trump 2024, 2028, 2032’-memes gepost en plagende tweets over het uitstellen van de verkiezingen. Hoewel ze bij sommige van zijn aanhangers enige verontrusting veroorzaakten – het bewijs dat de regels rondom verkiezingen aan beide kanten nog altijd serieus worden genomen – hebben zijn tweets hun doel bereikt: ze lieten de bekende retoriek van democratie en een gemeenschappelijk doel ouderwets klinken, hol, gedateerd.

    Uit een ander project waar ik aan meewerkte kunnen eveneens lessen worden getrokken, hoe excentriek ze ook mogen klinken. Ook hierin werd gebruikgemaakt van focusgroepen, met als doel te begrijpen hoe Oekraïners in regio’s met onderling zeer verschillende geschiedenissen zich het verleden herinneren. West-Oekraïne maakte tot 1939 deel uit van Polen, het oosten heeft een lange geschiedenis van Russische overheersing en de twee regio’s hebben radicaal verschillende herinneringen, vooral aan de Tweede Wereldoorlog. Russische desinformatie die zich tegen Oekraïne richtte zorgde er lange tijd voor dat deze verschillen werden uitvergroot: westerse Oekraïners werden getypeerd als ‘nazi’s’ en oosterlingen werden herinnerd aan hun rol bij de overwinning van het Rode Leger. Als gevolg hiervan kon er geen enkel gesprek over de oorlog worden gevoerd zonder dat iemand (of iedereen) boos werd.

    Voor zover ik weet, heeft nog niemand een soortgelijke studie in de VS uitgevoerd. Maar ik durf wel te zeggen dat Amerikanen, net als Oekraïners, verdeeld zijn door hun verschillende historische herinneringen. Op dit moment liggen verschillende interpretaties van de burgerrechtenbeweging en zelfs van de burgeroorlog en wederopbouw aan de basis van ruzies over standbeelden, namen van militaire bases en de zuidelijke vlag. Die herinneringen zullen niet tussen nu en november verenigd worden. Maar er zijn misschien wel andere dingen waarover we kunnen praten, andere episodes in de Amerikaanse geschiedenis die sterke, verenigende gevoelens oproepen in zowel het rode als het blauwe Amerika. Het moment van nationale rouw dat volgde op 9/11? De financiële crisis van 2008? De Biden-campagne is al begonnen met het verkennen van de nationale ervaring van isolatie en lockdown. Het is niet verwonderlijk dat kamp-Trump reageerde met een desinformatiecampagne die tot doel heeft twijfel te zaaien over de vraag of die isolatie en lockdown überhaupt nodig waren. De achterliggende gedachte: alles wat banden creëert tussen rode en blauwe Amerikanen, is uit den boze.

    Op de een of andere manier moeten alle succesvolle campagnes – politieke, activistische, zelfs commerciële reclamecampagnes – rekening houden met het feit dat het publiek in verschillende informatiesferen leeft. Het tijdperk van massamedia en eenduidige campagneslogans loopt ten einde. Dit is geen nieuws: de Russische agenten die een rol speelden bij de verkiezingen van 2016 vertelden de leden van Black Lives Matter op Facebook andere dingen dan ze de anti-immigratie-activisten in Idaho voorhielden.

    Het is niet moeilijk om misverstanden te creëren tussen groepen die niet meer met elkaar praten

    Toch hebben we de betekenis hiervan nog onvoldoende tot ons door laten dringen. In dit post-massamedia-tijdperk is verdeeldheid zaaien veel gemakkelijker dan eenheid creëren, wat in het voordeel werkt van politici die proberen te winnen door zondebokken en vijanden te creëren. Gerichte reclame maakt het veel gemakkelijker om het electoraat te verdelen en het is niet moeilijk om misverstanden te creëren tussen groepen die niet meer met elkaar praten. Om al die redenen is de kans groot dat wie de uiteindelijke winnaar ook is, de campagne van 2020 Amerika nog verdeelder zal achterlaten dan het nu al is. En dat zal in de toekomst zo doorgaan.

    Zelfs als de Democratische kandidaat wint, speelt de vraag ‘Kan Biden toetreden tot de tegenovergestelde bubbel?’ niet alleen in de herfst van 2020, maar ook in de lente van 2021, de winter van 2022 en nog vele jaren in de toekomst. De noodzaak om informatieve en culturele scheidslijnen te overbruggen, zal een extra complicerende laag vormen bij de aanpak van de vele economische, medische en buitenlandse crises waar een nieuwe Biden-regering onmiddellijk mee geconfronteerd zou worden, wat het moeilijk zal maken de diepgaande hervormingen door te voeren die onze bureaucratie, democratie en ons zorgstelsel zo hard nodig hebben. Maar als Biden geen moeite doet om met zijn tegenstanders te praten, zou hij net als de kandidaat voor het Poolse tarweveld kunnen eindigen, met enkel de feiten en 49 procent van het publiek aan zijn zijde. Bidens campagne is misschien wel de laatste kans om de historische kloof tussen ons te overbruggen. Als Trump nog een termijn wint, weten we zeker dat niemand het zelfs nog maar zal proberen.