Fantastische storytelling in The making off a Banksy. ‘Dit vraagt om een vervolg.’ Verder: parels uit het eminente verleden van The New Yorker & meer aanraders van de 360-redactie.
Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires en fotoreportages die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.
Parels uit het New Yorker-archief
De wekelijkse nieuwsbrief The New Yorker Classics van Erin Overbey behoort tot de favoriete digitale post van redacteur IJsbrand van Veelen. Overbey is sinds 1994 archiefredacteur van The New Yorker, het onvolprezen weekblad voor eminente fictie en non-fictie dat over vier jaar zijn honderdjarige bestaan viert.
Het is op zichzelf al een feest dat een blad met zo’n lange historie een archiefredacteur heeft die lezers wijst op parels uit het verleden die tot de canon van de journalistiek en literatuur behoren. Overbey weet dan ook nog eens te verrassen met haar wekelijkse keuze, die soms aansluit bij actuele gebeurtenissen en soms zomaar uit de lucht lijkt te komen vallen, maar die altijd haar gevoel voor kwaliteit weerspiegelt.
Eerder deze maand wees Overbey op het eerste korte verhaal van Donna Tartt dat in The New Yorker werd gepubliceerd en in haar nieuwsbrief van deze week schrijft ze over schrijver Paul Auster: ‘Een van mijn favoriete stukken van Paul Auster is “Why Write?”, een meditatief essay, gepubliceerd in 1995, over ervaringen die hem persoonlijk en als schrijver hebben gevormd. Het essay, later uitgebreid tot een boek, begint als een dun straaltje en zwelt uiteindelijk aan tot een stroom van herinneringen in proza.’ Het is inderdaad wederom een prachtig stuk.
Een jaar lang corona
‘Als we op het ogenblik dat de wereld daarbuiten ontplofte, dit bakstenen gebouw als een grote taart van boven naar beneden hadden doorgesneden, zou het hele leven alle inwoners van dit poppenhuis zichtbaar zijn geweest’, zo begint het Spaanse dagblad El Mundo een prachtige multimediale reportage over een appartementengebouw in Madrid dat ze dit coronajaar hebben gevolgd, tipt redacteur Joep Harmsen.
In ‘Het verhaal van een trap’ maken we kennis met ‘portaal 3’, een flatgebouw in een arbeiderswijk van Madrid. Een reconstructie van de impact van een jaar lang corona ‘aan de hand van wat de bewoners vertellen. En ook door wat de ruimtes verzwijgen.’
Natuurlijk zijn het overwegend tragische verhalen. Over bruiloften en communies die niet doorgingen. Over het missen van ouders en omhelzingen. Over een vrouw die hun stervende moeder niet kon bezoeken in het ziekenhuis.
Toch is het niet alleen maar kommer en kwel dat achter de voordeuren schuilgaat. Zo zijn er mooie verhalen te vertellen, zoals die Marta en David van appartement 3D. Het koppel was pas een paar weken bij elkaar toen de lockdown in maart werd afgekondigd, in eerste instantie voor twee weken. Ze besloten te gaan samenwonen voor die twee weekjes, als een soort ‘wittebroodsweken’, maar de noodtoestand werd almaar verlengd. Inmiddels wonen ze een jaar samen.
Het einde van de mensheid
Voor degene die denken dat pandemieën georkestreerd zijn om de overbevolking een halt toe te roepen, eat your heart out. Het einde van de mensheid, of van een gedeelte daarvan, is dichterbij dan u denkt, las editor at large Katrien Gottlieb vrijdag in The Guardian. Het stuk is van de hand van Erin Brockovich, een Amerikaanse milieuactiviste die een belangrijke rol speelde in de zaak tegen de Pacific Gas and Electric Company of California in 1993, het machtig chemieconcern dat op grote schaal het grondwater vervuilde. In 2000 portretteerde Julia Roberts haar in de gelijknamige film.
Als deze trend doorzet is het aantal spermacellen in 2045 tot nul gedaald. Nul, u leest het goed
Hormoonverstorende chemicaliën zouden de vruchtbaarheid wereldwijd in een alarmerend tempo decimeren. Milieu- en voortplantingsepidemioloog Shanna Swan aan de Mount Sinai School of Medicine in New York, beweert dat het aantal zaadcellen van mannen sinds 1973 met bijna 60 procent is afgenomen. Als die trend doorzet is het aantal spermacellen in 2045 tot nul gedaald. Nul, u leest het goed.
De chemicaliën verantwoordelijk voor deze spermacrisis zitten in van alles, in plastic, in geurstoffen, schoonmaakproducten, zeep, elektronica, in vloerbedekking. In alle zogenaamde ‘forever chemicals’, omdat ze niet afbreken in het milieu of het menselijk lichaam. Ze stapelen zich op.
En dat is nog niet alles blijkt uit Swan’s onderzoek. Behalve slap en/of sloom zaad, gaat ook de grootte van de penis en het volume van de testikels krimpen. Swan stelt wetgeving voor, maar wie weet is dit schrikbeeld voor veel mannen al genoeg om forever alle chemicals uit hun levenspatroon te bannen.
Nieuwe Banksy beklad
Een muurschildering van Banksy op de zijkant van een voormalige gevangenis waar Oscar Wilde zat opgesloten, is beklad met rode verf. Het kunstwerk, dat verscheen op een rode bakstenen muur van wat ooit de gevangenis van Reading was, toonde een gevangene die ontsnapt van een aan elkaar geknoopte rol papier uit een typemachine, schrijft The Guardian.
Het kunstwerk werd op 28 februari ’s nachts gemaakt en op 4 maart officieel bevestigd als een Banksy, toen de ongrijpbare straatkunstenaar een video op zijn Instagram-account plaatste.
Fantastische storytelling in The making off a Banksy by Bob Ross, Create escape, aldus art director Majel van der Meulen. ‘Op straat geeft ‘Team Robbo’ een andere wending aan het verhaal. Ik zie mogelijkheden voor een “wordt vervolgd”.’
A sad morning as we learn that the #Banksy#mural on the side of #ReadingGaol has been deliberately damaged with red paint.😢
Awful news to wake up to and to realise that the failure to protect something precious to the town has left it vulnerable to destruction… 💔#Rdgpic.twitter.com/S713aESwzA
Hoe gaat het met de site die ‘met liefde probeert de wereld opnieuw en menselijker vorm te geven’? vraagt het platform voor linkse journalistiek Neues Deutschland zich af. De auteur, Michael Bittner, zinspeelt op Rubikon, dat in 2017 door Jens Wernicke werd opgericht als een ‘tijdschrift voor kritische massa’.
De naam, analyseert Bittner, is al niet handig gekozen. ‘Van een tijdschrift dat zichzelf identificeert als maatschappijkritisch, democratisch en antimilitaristisch, verwacht men geen titel die zinspeelt op de beslissing van generaal Julius Caesar om zich voor te doen als een militair dictator [hoewel in de Romeinse wet was vastgelegd dat een generaal met een staand leger rivier de Rubicon niet mocht oversteken, deed Caesar het op zijn veroveringstocht toch]. Fans van Donald Trump riepen aan het einde van zijn ambtsperiode hun held met de hashtag #CrossTheRubicon op om de staatsgreep te riskeren. Als de naam “Rubikon” een voorteken is voor het hele medium, dan is het geen goede.’
Volgens Wernicke dient het woord ‘complottheorie’ om ongewenste zienswijzes in diskrediet te brengen
Tja, what’s in a name? Van het initiatief blijft in Bittners vonnis weinig overeind. In zijn bespiegeling komt een interessant dilemma aan bod: ‘De overtuiging dat de bevolking niet in opstand komt tegen de onrechtvaardige omstandigheden omdat ze “gemanipuleerd” worden in de media, weerspiegelt dezelfde minachting voor “domme mensen” waarvan elites worden beschuldigd. Gaat dit misschien niet zozeer over de verwezenlijking van democratie als wel over het vervangen van een oude elite door een nieuwe?’
Wernickes houding ten opzichte van conspiracydenken laat zien hoe dun de grens tussen dit verschijnsel en maatschappijkritiek kan zijn (zoals ook Willem Schinkel uiteenzet in deze geweldige podcast met Lex Bohlmeijer van De Correspondent). Volgens Wernicke dient het woord ‘complottheorie’ om ongewenste zienswijzes in diskrediet te brengen. ‘Dat kan soms het geval zijn,’ aldus Bittner. ‘Maar de omgekeerde conclusie die Wernicke praktisch trekt, gaat niet op: hij publiceert vrijwel alle onzin, zolang die maar in tegenspraak is met wat de “reguliere media” zeggen.’
Het is mooi om te zien dat de media elkaar scherp houden, aldus hoofdredacteur Laura Weeda.
Franklin Foer, broer van schrijver Jonathan Safran Foer, was hoofdredacteur van het tijdschrift The New Republic toen dat werd overgenomen door Facebookmiljonair Chris Hughes. In dit fragment uit zijn boek Ontzielde wereld beschrijft Foer hoe Hughes’ zucht naar digitale lezers het blad van de regen in de drup hielp.
Chris Hughes was een mythische ridder – jongensachtig onschuldig, fantastisch rijk, intellectueel nieuwsgierig, onverwacht nederig en trots idealistisch. In mijn hele carrière bij The New Republic heb ik van zo’n weldoener gedroomd. Vele jaren lang dreven we van de ene eigenaarsgroep naar de andere, die stuk voor stuk het tijdschrift en zijn historische missie wilden redden. Maar deze investeerders ontbrak het aan de middelen om in onze toekomst te investeren of ze hadden onvoldoende vertrouwen om er volledig voor te gaan. We bleven onze edities ophoesten, maar steeds achtervolgd door het spookbeeld dat we in de handen van een Russische oligarch of een ideologische fanaticus zouden belanden. De eindeloze zoektocht naar een beschermheer putte me uit. Ik nam in 2010 ontslag als hoofdredacteur. Een jaar later ging The New Republic opnieuw dringend op jacht naar een nieuwe eigenaar. En toen kwam Chris binnenwandelen.
Chris was niet alleen een redder: hij was een gezicht van de tijdgeest. Op Harvard had Chris een kamer gedeeld met Mark Zuckerberg, die hem tot een van de eerste werknemers van Facebook had gezalfd. Chris gaf ons duffe oude tijdschrift een millennium-fiat en een groter budget. Bovendien beschikte hij over een grondige kennis van de sociale media. We hadden het gevoel dat de hoop van de journalistiek op onze schouders rustte, die snakte naar een waardige oplossing voor alles wat haar mankeerde.
Tijdens mijn kennismakingsgesprek met Chris dwaalden we doelloos door het centrum van Washington met papieren koffiebekers in de hand. Het was een warme lentedag. We gingen zitten op de stenen trappen van een Georgische kerk. In die eerste weken als eigenaar had Chris voor zichzelf een eindeloze luistertoer geboekt. Hij leek met iedereen te willen spreken die bij het tijdschrift had gewerkt of die er een duidelijke mening over kon hebben. Maar tijdens ons gesprek leek hij duidelijk meer te willen dan mijn advies. Hij liet doorschemeren dat hij me graag in mijn oude functie zou willen zien.
De eigenaren van The New Republic waren altijd oudere mannen geweest, met veel geld en uitgesproken meningen. Chris was op een intrigerende manier anders. Hij was achtentwintig jaar oud, en door zijn leergierigheid leek hij zelfs nog jonger. ‘Toen ik hoorde dat The New Republic te koop was,’ zei hij tegen me, ‘ging ik naar de openbare bibliotheek van New York en begon te lezen.’ Hij vroeg microfiches van oudere jaargangen aan. Uit elk decennium van het honderdjarig bestaan van het tijdschrift selecteerde hij een tiental nummers om door te ploegen. De romantische geschiedenis van het tijdschrift – zijn legendarische lijst van schrijvers zoals Rebecca West, Virginia Woolf, Edmund Wilson, Ralph Ellison en James Wood – prikkelde zijn verbeelding en deed de hand op zijn knip verslappen.
Hoewel hij sinds de beursgang van Facebook honderden miljoenen achter de hand had, leek hij niet geïnteresseerd in zijn rijkdom of er op zijn minst moeite mee te hebben. Hij schaamde zich altijd een beetje wanneer mensen erop wezen dat hij twee landgoederen en een ruime loft bezat; hij droeg vaak elke dag van de week dezelfde blazer.
De bron van zijn fortuin bepaalde niet wie hij was. Hij sprak altijd met een ontwapenende afstandelijkheid over Facebook. ‘Ik breng niet veel tijd op de site door,’ bekende hij eens tijdens een etentje. Die ontboezeming vond ik heel innemend. Al snel begonnen we het tijdschrift opnieuw te kneden. We wilden onze eigen onmogelijk hoge verwachtingen waarmaken.
Dolle jacht op kliks
Binnen één generatie is de journalistiek beetje bij beetje opgeslokt. De dominante mediabedrijven uit onze tijd beschouwen zichzelf niet als erfgenamen van een grootse, van drukinkt doordrenkte traditie. Sommige noemen zichzelf liever technologiebedrijven. Deze herdefiniëring is niet alleen een kwestie van modieuze restyling. Silicon Valley heeft het beroep geïnfilltreerd, zowel van binnenuit als van buitenaf. In het afgelopen decennium is de journalistiek ongezond sterk afhankelijk geworden van Facebook en Google. De grote tech-bedrijven voorzien de journalistiek van een enorm percentage van haar publiek – en daarmee van een groot deel van haar inkomsten.
Afhankelijkheid leidt tot vertwijfeling – een dolle, schaamteloze jacht op Facebook-kliks, een meedogenloos streven om vat te krijgen op de Google-algoritmen. Het leidt ertoe dat de media afschuwelijke deals sluiten, die lijken op noodzakelijke ingrepen voor zelfbehoud maar in feite alleen maar Facebook en Google de gelegenheid bieden hen nog steviger in de greep te houden. Media verlenen Facebook het recht advertenties te verkopen en geven Google toestemming artikelen rechtstreeks op zijn supersnelle server te publiceren.
Wat deze deals zo afschuwelijk maakt, is de wispelturigheid van de tech-bedrijven. Ze veranderen graag snel en radicaal van koers, wat geweldig is voor hun winstcijfers, maar een ramp voor alle mediabedrijven die afhankelijk zijn van de platforms. Facebook bepaalt dat zijn gebruikers de voorkeur geven aan video boven woorden of dat zijn gebruikers ideologisch aangename propaganda verkiezen boven harde nieuwsfeiten.
Wanneer Facebook op deze manier zijn koers wijzigt of wanneer Google zijn algoritmen bijstelt, verstoren ze onmiddellijk het webverkeer naar de media, met alle gevolgen voor de inkomsten van dien. Media weten dat ze aan de greep van Facebook zouden moeten ontsnappen, maar afhankelijkheid kweekt ook lafheid. De gevangene ligt op zijn brits te dromen van vluchtplannen die nooit zullen uitkomen.
Het probleem is niet alleen financiële kwetsbaarheid. Het is de manier waarop de tech-bedrijven werkpatronen opleggen, de manier waarop hun invloed het ethos van een hele branche afstemt op hun behoeften, zoals lagere kwaliteitseisen en slechtere ethische bescherming. Ik had me nooit kunnen voorstellen dat ons tijdschrift die kant op zou gaan.
De eerste dagen van mijn samenwerking met Chris waren opwindend. Als een druistige buitenstaander was hij niet geïnteresseerd in blinde navolging van traditionele wijsheid. Toen we de website van The New Republic gingen vernieuwen, kozen we voor een reactionaire benadering.
Onze homepage zou niet op jacht gaan naar de klikgrage bezoeker. Integendeel, we zouden ons hevig verzetten tegen de impuls haar vol te plempen met een eindeloze stroom klikbare content, die met weinig gevoel voor hiërarchie over de pagina verspreid stond. Onze digitale bladzijden zouden schoonheid en eindigheid koesteren. Ze zouden elke ambitie om een breed publiek te trekken laten varen en brutaal het idealisme van ons project verkondigen – door Chris omschreven als niets minder dan het behouden van culturele ernst en het bedrijven van gedegen onderzoeksjournalistiek.
Romantisch idealisme was niet genoeg om Chris tevreden te stellen. Hij heeft altijd geloofd dat hij van The New Republic een winstgevende onderneming kon maken – of in elk geval dat hij zo veel inkomsten zou kunnen genereren dat hij zijn succes kon uitbazuinen in persberichten die ons nog geweldiger zouden maken. Maar Chris’ retoriek over winst leek nooit helemaal oprecht. ‘Ik heb een bloedhekel aan het verkopen van advertenties,’ zei hij mij keer op keer. ‘Het geeft me een vunzig gevoel.’ En meer dan een jaar lang was hij bereid ruimhartig geld te spenderen.
Achteraf gezien had ik strenger moeten zijn ten aanzien van de cheques die wij uitschreven – ik bedoel, die hij uitschreef. Het was te voorspellen dat frustratie onvermijdelijk de kop zou opsteken wanneer hij uiteindelijk eens goed naar zijn financiën zou kijken. Maar we hadden allebei onze zwakheden. Hij huurde graag kantoorruimte op toplocaties en nam graag topconsultants in de arm. Ik betaalde graag royale vergoedingen aan schrijvers om de wereld over te trekken en liet stukken schrijven alsof ik een extravagante hoofdredacteur uit New York was. Aangezien het venster van zijn liefdadigheid beslist zou sluiten, besloot ik snel veel mensen aan te nemen, onder wie enkele ervaren schrijvers en redacteuren die niet goedkoop waren. Maar het leek hem niets uit te maken. ‘Ik heb me nooit zo gelukkig of voldaan gevoeld,’ zei Chris tegen mij. ‘Ik werk met vrienden.’
Op een dag was het zover. De cijfers haalden Chris in en hij voelde een dringende en begrijpelijke behoefte om winst te gaan maken. Aangezien Chris niets had met adverteren, weigerde hij veel geld uit te geven aan mensen die met het tijdschrift de boer op gingen. Het geld moest ergens vandaan komen – en dat ‘ergens’ was het web. Een drastische toename in sitebezoek moest het geld opleveren dat het gat kon dichten. We leefden plotseling in een microkosmos van de recente mediageschiedenis, in een gecomprimeerde periode die een decennium van pijnlijke transitie samenperste in een paar spannende maanden.
Aan het begin van de eeuw stond het beroep op de rand van de afgrond. Door een reeks economische crises begonnen mediabedrijven alles in te zetten op een digitale toekomst, een toekomst waarin ze geen last hadden van het lompe, bureaucratische apparaat dat papieren publicaties eisten. Het crisisgevoel en het zicht op nieuwe kansen veranderden de oude redactiekamers snel. In de loop van een jaar of tien daalden de salariskosten voor journalisten en redacteuren met 1,6 miljard dollar. Tegelijkertijd verloor de journalistiek haar vitaliteit en stortte haar prestige in.
Volgens een bepaald onderzoek was krantenverslaggever de ergste baan in de Verenigde Staten, erger nog dan houthakker en reclasseringsambtenaar. Door deze existentiële crisis moest de journalistiek zich bezinnen op haar bestaansreden. Heel die fraaie onafhankelijkheid leek plotseling een onbetaalbare luxe.
Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule
Om het webverkeer te laten groeien hadden we een nieuwe manier van denken nodig. Anders dan de televisie beschouwde de gedrukte pers de strategische jacht op een publiek als een te vermijden, vunzige, ietwat corrumperende bezigheid. Schrijvers en redacteuren lieten die jacht liever over aan de commerciële tak van hun bedrijf; zelf hielden ze zich er niet mee bezig. The New Republic koesterde een extreme versie van deze opvatting. Het blad was geboren als een elitetijdschrift – een bedenksel van intellectuelen uit een progressieve tijd, die hoopten de culturele en politieke standaarden van het land te verhogen. In de loop der decennia werd het haast een cultus om de kleine groep te bedienen die interesse had in inside-informatie over politiek en semi-intellectuele boekbesprekingen. Deze mengeling had nooit garant gestaan voor een erg omvangrijk publiek. In het grootste deel van zijn lange geschiedenis was het lezerspubliek van The New Republic zelfs te klein om het footballstadion van de University of Mississippi te vullen. Plotseling moesten we echter via onze website miljoenen lezers zien te bereiken. We moesten ons elitaire denken vaarwel zeggen en de massa’s in hun eigen omgeving tegemoet treden.
Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. Dat was de les die de journalistiek aan het leren was. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule. Jonah Peretti, de oprichter van BuzzFeed en de William Randolph Hearst van onze tijd, heeft die vergelijking als volgt geformuleerd: R = ßζ. De formule zou illustreren hoe een journalistiek stuk viraal kon gaan – hoe het door de sociale netwerken kon reizen en snel een massaal publiek bereiken, net zo snel als de pokken hun weg door Noord-Amerika hadden gevonden. Peretti’s formule was afkomstig uit de epidemiologie [in de epidemiologie staat ζ voor het aantal mensen dat in contact komt met een besmet persoon, en ß voor de kans op besmetting]. De verwijzing naar wetenschap was doelbewust. Met behulp van experimenten en een zorgvuldige bestudering van de data kon je wetenschappelijk bepalen welke stukken de meeste kans hadden viraal te gaan – of in elk geval een omvangrijk publiek te bereiken.
De nieuwe wetenschap van het webverkeer was in feite een tak van de gedragspsychologie – mensen klikten zo snel dat ze niet altijd helemaal begrepen waarom ze zich meer aangetrokken voelden tot het ene stuk dan tot het andere. Ze lieten zich leiden door cognitieve vooroordelen, irrationele krachten, halfbewust genomen beslissingen. Om een lezer te verleiden moest je dus een beetje manipuleren, stiekem een beetje overredingskracht toepassen.
Chris had kennis over viraliteit opgedaan via de site Upworthy. Hij had geld gestoken in de lancering van die website en meegeholpen er een internetsensatie van te maken – ‘de snelst groeiende mediastart-up die ik me kan herinneren’, zoals een van de vele kruiperige journalisten het omschreef. Upworthy produceerde niet veel origineels. Het haalde overal op het web video’s en tekeningen vandaan, meestal obscuur spul, en zette er koppen boven die ze aantrekkelijk maakten voor een zeer breed publiek. Deze content wilde een progressieve sfeer uitademen, ergens tussen ‘fantastisch’ en ‘belangrijk’. Upworthy nam het materiaal van anderen en gaf het de magische elementen die tot viraliteit leidden.
Magisch is niet het juiste woord. Psychologen hadden ontdekt hoe ze de onbedwingbare nieuwsgierigheid van mensen moesten opwekken. Mensen vinden onwetendheid niet erg, maar ze hebben er een hekel aan als hun informatie wordt onthouden. Upworthy ontwierp koppen die in lezers een primaire honger opwekten naar informatie die net buiten hun bereik lag. Het pionierde met een stijl die het de ‘nieuwsgierigheidskloof ’ noemde: door net voldoende informatie achter te houden kietelden de koppen lezers om door te klikken. Een klassiek voorbeeld: ‘Negen van de tien Amerikanen zijn onvoldoende op de hoogte van dit duizelingwekkende feit.’ Zes miljoen lezers konden zich niet bedwingen en volgden die link. (Het duizelingwekkende feit: de inkomensongelijkheid is veel groter dan de meeste Amerikanen denken.)
De kop is uiteraard een aloude journalistieke kunstvorm. Maar Upworthy – en zijn talrijke na-apers – heeft deze kunstvorm op een positivistische maar strikte manier benaderd. Bij elk item dat het op zijn site plaatste, schreef Upworthy vijfentwintig verschillende koppen. Dankzij zijn software kon Upworthy ze automatisch alle vijfentwintig publiceren en bepalen welke ervan het meest aangeklikt werden. Op basis van deze resultaten ontdekte Upworthy syntactische patronen die vrijwel zeker hits opleverden. (Upworthy had enorm succes met varianten van de zin: ‘Je gelooft nooit wat er hierna gebeurde.’) Deze formuleringen waren zo effectief dat ze een gemeenplaats werden op het web. Sites gingen ze zo veel gebruiken dat lezers de trucs begonnen door te krijgen en de formules aan kracht verloren. En dat leidde weer tot verwoede pogingen om de volgende hitvoorspeller te ontdekken.
Het belangrijke inzicht van Upworthy, BuzzFeed, Vox en andere opkomende internetgiganten was dat je redactioneel succes kon fabriceren: als je luisterde naar de data, was het mogelijk stukken te schrijven waarmee je een massaal publiek kon bereiken. Iedereen in de branche omarmde dit inzicht, zelfs bij nuchtere ondernemingen als The Washington Post. En het inzicht wist ook door te dringen tot The New Republic. Chris voegde een datagoeroe aan onze staf toe om de kans op virale hits te vergroten. In de wekelijkse vergaderingen leverde de goeroe onderwerpen aan die we volgens hem moesten aanpakken. Hij hield zorgvuldig in de gaten welke onderwerpen trending waren op Facebook, zodat wij content konden creëren die meeliftte op de golf van populariteit. Hij keek ook naar data uit het verleden om te zien wat het publiek een jaar geleden bezighield, zodat we stukken konden produceren die in het verlengde lagen van de seizoensinteresses van lezers. ‘Advertenties tijdens de Super Bowl zijn een ding,’ zei hij. ‘Hoe kunnen we daarop aansluiten?’ Of: ‘[Restaurantketen] Chipotle heeft geen varkensvlees meer en iedereen op de sociale media heeft het erover. Wat kunnen wij bijdragen?’ Dit soort vragen werden meestal beantwoord met een vijandig stilzwijgen.
Hoewel ik niets ophad met deze strategie, bood ik er maar weinig verzet tegen. Chris moedigde ons nog steeds aan lange artikelen en staaltjes van gedegen onderzoeksjournalistiek te publiceren. Een paar derderangs prutsartikelen schrijven leek een kleine prijs om te betalen. Bovendien was zijn vraag volkomen redelijk. Respectabele media bewandelden hetzelfde pad. Dachten we werkelijk dat we beter waren dan Time of The Washington Post? Ze hadden allemaal een genre omarmd dat hij ‘hapklare content’ noemde: grafiekjes, lijstjes, video’s, snelle items die de aandacht wekten van de ‘verveelde bureauklevers’, zoals de branche ze noemde, of van de mensen die op metroperrons de tijd zaten te doden. Natuurlijk, het onderwerp kon serieus zijn, maar de presentatie moest snel en luchtig zijn, klaar om zich via Facebook te verspreiden. Chris was er vast van overtuigd dat we dit soort werk moesten produceren: het was immers gemakkelijk om hapklare content te produceren – en het kostte, in zijn ogen, weinig moeite. We moesten simpelweg de rest van het internet na-apen en over dezelfde schandalen schrijven en op hetzelfde actuele onderwerp inhaken als iedereen. De kliks zouden ons overstelpen, als we maar over onze eigen schaduw konden stappen en dezelfde fragmentjes van The Daily Show posten als iedereen, ingeleid door een aantrekkelijke kop en misschien voorzien van een of twee analyserende alinea’s om ons geweten te sussen. Een tirade van Jon Stewart mochten we niet missen. Chris’ logica was moeilijk te weerleggen. Alle andere media deden het. En ze deden het omdat het werkte. Wij moesten ervoor zorgen dat dingen werkten.
Chartbeat
Een van de symbolen van het nieuwe tijdperk zweefde boven mijn leven bij The New Republic. Het zat me de hele dag achterna. Elke keer wanneer ik ging zitten werken, keek ik er stiekem naar – en dat deed ik ook wanneer ik ’s morgens opstond, wanneer ik enkele minuten later mijn tanden poetste en nog weer later wanneer ik bij het urinoir stond. Soms keek ik alleen maar naar het uitslaan van de meter terwijl ik het stuk dat ik redigeerde verwaarloosde of de persoon aan de andere kant van mijn bureau negeerde. Mijn kijkgedrag was vaak een geval van wishful thinking. Ik hoopte dat de meter onverwacht de goede kant zou uitslaan ter illustratie van mijn talent om een winnaar uit te zoeken.
Mijn meester heette Chartbeat, een site die redacteuren, schrijvers en hun bazen een realtime overzicht van het webverkeer biedt en laat zien hoeveel lezers elk afzonderlijk artikel heeft. De site suggereerde vrij duidelijk dat journalistiek een competitie is, een populariteitswedstrijd. De naald van de site gaf ons het gevoel dat ons tijdschrift een auto was: ofwel we kruipen op een slechte verkeersdag moeizaam tegen een helling op, ofwel we sjezen op ons gemakje naar een bevredigend eindcijfer.
Dit is het vertrouwde verhaal van de Amerikaanse werkvloer. Analyse is de managementrevolutie van onze tijd. We leven in een wereld van alomtegenwoordige data die de basis vormen voor steeds grotere efficiency en productiviteit. Daarom hebben Chartbeat en tal van soortgelijke sites zo’n grote invloed op vrijwel elk tijdschrift, elke krant en elk blog. Het komt er bij Chartbeat op neer dat geen enkel stuk voldoende verkeer heeft – met wat aanpassinkjes, een betere kop, een betere benadering op de sociale media, een beter onderwerp, een beter betoog kan het altijd beter. Net als een manager die met een stopwatch bij de lopende band staat, zweven Chartbeat en zijn geestverwanten boven de redactiekamer.
Dit was een gevaarlijke ontwikkeling. De journalistiek was in feite nooit een maatschappelijk gerichte onderneming geweest. Dat was alleen maar een mythe die redacteuren en schrijvers elkaar graag vertelden. Maar de mythe was wel belangrijk. Hij prikkelde de journalistiek om de macht uit te dagen. Hij voorkwam dat ze zich liet leiden door de nukken van het publiek. Hij schiep een cruciale mate van afstandelijkheid.
Deze generatie van op het internet geboren mediagiganten heeft niets op met het oude journalistieke ethos van onpartijdigheid. Het is niet zo dat deze bedrijven niet naar journalistieke grootsheid streven. BuzzFeed, Vice en The Huffington Post willen postmoderne kranten zijn. Ze investeren in uitstekende verslaggeving en hebben eersteklas journalisten in dienst. Maar ze proberen geen afstand te nemen van de druk van de markt. De jacht op het publiek is cruciaal voor hun missie. Ze willen de populariteitswedstrijd op het web winnen. Ze hebben toegestaan dat de eindeloze feedbackloop van het web – de nooit eindigende datastroom – bepalend is voor hun redactionele keuzes en investeringen.
Wanneer een verhaal eenmaal de aandacht heeft gewekt, springen de media er gedachteloos bovenop. Ze schrijven met repetitieve razernij over het onderwerp en proberen er zo veel mogelijk kliks aan te onttrekken, totdat het publiek de belangstelling ervoor verliest.
Een gedenkwaardig doch volkomen irrelevant voorbeeld: een protserige foto van een jager uit Minnesota die glimlachend bij het lichaam van een leeuw met de naam Cecil stond leverde meer dan 3,2 miljoen verhalen op. Alle nieuwsorganisaties – zelfs The New York Times en The New Yorker – probeerden de hysterie op te kloppen, in de hoop wat webverkeer te kunnen genereren. Hiervoor moesten ze telkens een volledig nieuwe invalshoek vinden, of een invalshoek die net nieuw genoeg was. Vox: ‘Kip eten is moreel verwerpelijker dan Cecil de leeuw doden’. BuzzFeed: ‘Een helderziende zegt dat ze met Cecil de leeuw heeft gesproken’. The Atlantic: ‘Van Cecil de leeuw tot klimaatverandering: een perfecte storm van verontwaardiging’.
In bepaalde opzichten is dit slechts een digitaal opgewaardeerde versie van een ouderwetse media-tsunami. Een explosie van moralistische woede die grondig wordt uitgebuit. Maar de sociale media versterken de financiële prikkel om zich bij de huilende roedel aan te sluiten. Zelfs het kleinste mediakanaal zou in principe viraal kunnen worden en miljoenen lezers aantrekken als het zijn verhalen slim verpakt. Intellectuelere tijdschriften schudden zonder enig schuldgevoel artikelen over deze trending onderwerpen uit de mouw, zolang ze ze maar een beetje kunnen aankleden met een pochetje met academische pretenties of een sjaaltje van beredeneerde slimheid. De resultaten zijn bepaald niet oorspronkelijk. Net als in Hollywood stoppen organisaties tijd en geld in een formuleachtig product, een behoedzame imitatie van oudere successen. Joshua Topolsky, oprichter van Vox Media en The Verge, bejammerde deze insluipende homogenisering: ‘Alles oogt hetzelfde, leest hetzelfde en lijkt de concurrentie om dezelfde oogballen aan te gaan.’
Donald Trump begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen
Donald Trump is de culminatie van dit tijdvak. Hij begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen. Ook al toonden de media hun minachting voor de strapatsen van Trump, ze maakten van hem een markante figuur en een plausibele presidentskandidaat. Jarenlang hebben de media Trumps theorieën over de buitenlandse afkomst van president Obama rondgepompt, ook al waren die totaal nergens op gebaseerd. De media schonken eindeloos aandacht aan zijn eerste verdachtmakingen met betrekking tot immigranten, ook al wisten ze maar al te goed dat die provocaties een atmosfeer van paranoia en haat opwekten. Toen Trump eenmaal een plausibele kandidaat was geworden, moesten de media wel over hem berichten. Maar de media hadden hem in die positie gebracht. Verhalen over Trump leverden het soort webverkeer op dat de goden der data behaagde en dat het batig saldo ten goede kwam. Trump begon als Cecil de leeuw, en eindigde als president van de Verenigde Staten.
Chris Hughes en ik zaten eens aan de ontbijttafel van een majesteitelijk Washingtons hotel te brainstormen over de kwaliteiten van The New Republic – The New Republic die we samen zouden scheppen. We hebben het nooit zo expliciet gesteld, maar we waren op zoek naar een gemeenschappelijke deler, naar een bijvoeglijk naamwoord dat alles kon omvatten wat we met het tijdschrift wilden. Het voelde alsof we op een rotonde zaten. Als er een whiteboard was geweest – en Chris is dol op whiteboards – had het waarschijnlijk vol gestaan met afgekeurde termen.
Maar die waardeloze woordenstroom was het armzalige voorspel voor een creatieve doorbraak. Hij zei: ‘We zijn idealistisch. Dat knoopt ons legendarische verleden aan ons optimisme ten aanzien van oplossingen.’ Idealisme was een woord dat mijn hart deed smelten, en ik voelde een onbedwingbare vreugde bij het vooruitzicht dat we het met elkaar eens waren. ‘Boem. Dat is het.’
We waren idealistisch over ons gedeelde idealisme. We hadden allebei bepaalde doelen die elkaar overlapten. We wilden allebei van The New Republic een bloeiend tijdschrift maken; we geloofden allebei in een activistische kijk op de Amerikaanse regering; we geloofden allebei dat het belangrijk was naar een kosmopolitischer cultuur te streven; we waren allebei enthousiast over het idee om long-form-journalistiek te bedrijven. Deze overeenkomsten waren voor ons voldoende om elkaar wijs te maken dat we hetzelfde idealisme deelden.
Verbeterbaar
Chris’ kijk op de wereld was in wezen technocratisch; de mijne was meer moralistisch en romantisch. Waar hij wel iets zag in het idee van long-form-journalistiek, geloofde ik er ideologisch in. Hij geloofde in systemen, in regels, efficiency, organogrammen, vergaderingen, productiviteitsinstrumenten. De wereld was in hoge mate verbeterbaar, maar we konden alleen vooruitgang boeken als we ons losmaakten van oververhitte emoties, scheldpartijen en excessieve partijdigheid. Deze kijk op de wereld plaatste hem op een ramkoers met de politiek geëngageerde intellectuele vrije geesten die ons kantoor bevolkten, die met overtuiging en op onmogelijke uren schreven en die zich stortten op onderwerpen die hun de meeste voldoening schonken, en niet per se op kletsverhalen die de massa het meest behaagden.
Vlak voor het pijnlijke einde gaf Chris me zijn herziene visie op de toekomst van het tijdschrift en vertelde me waar zijn idealisme hem had gebracht. Hij was nu twee jaar eigenaar van The New Republic en begon wat ongedurig te worden. Resultaten, en daarmee bedoelde hij meer webverkeer en meer inkomsten, moesten sneller komen. ‘Om het tijdschrift te redden moeten we het tijdschrift veranderen,’ zei hij tegen me.
Technologen en marketeers zouden een cruciale rol in het redactionele proces gaan spelen. Ze zouden onze journalistiek de ‘coole’ en ‘innovatieve’ eigenschappen geven die het blad populair zouden maken en een opvallende positie in de markt zouden geven. Dit vereiste uiteraard middelen, en die middelen moesten komen uit de pot met geld voor long-form-journalistiek. Ik was niet voorbereid op zijn plan of zijn omschrijving van The New Republic. ‘Wij zijn een technologiebedrijf,’ zei hij. Waarop ik antwoordde: ‘Dat klinkt niet als het soort bedrijf dat ik met mijn kwaliteiten zou kunnen leiden.’ Hij verzekerde me dat ik het aankon.
Twee maanden later hoorde ik van een collega dat Chris mijn vervanger had aangenomen en dat mijn vervanger in New York met allerlei mensen lunchte om hun een baan bij The New Republic aan te bieden. Voordat Chris de kans had mij te ontslaan, nam ik zelf ontslag, en met mij bijna de hele redactionele staf van het tijdschrift. Hun idealisme dicteerde dat ze zich moesten verzetten tegen zijn idealisme. Ze wilden niet werken voor een tijdschrift met een moraal die meer aansloot bij die van de grote tech-bedrijven dan bij die van de journalistiek. Ze wilden best Facebook in de gaten houden, maar ze wilden niet hun baan erdoor laten bepalen. De heisa kreeg behoorlijk wat aandacht en ebde toen weg – slechts een hobbeltje in het streven van Silicon Valley om de journalistiek te verzwelgen.
De overdaad aan data heeft het karakter van de journalistiek veranderd. Hij heeft haar tot een handelsartikel gemaakt, tot iets wat je kunt vermarkten, testen en aanpassen. Misschien hebben de media altijd al zo gedacht. Maar als die impuls altijd heeft bestaan, was hij op z’n minst afgeschermd. Tijdschriften en kranten beschouwden zichzelf altijd als een coherent iets, een nummer, een editie, een instelling. Niet als een uitgever van tientallen afzonderlijke stukken die ze elke dag via Facebook, Twitter en Google moesten verhandelen.
Nadenken over het bundelen van artikelen tot een groter geheel was intellectueel bevrijdend. Als lezers niet geïnteresseerd waren in een reportage over kinderarmoede of een bericht uit Zuid-Soedan, was dat niet zo erg. Ze zouden je daarop niet beoordelen. Ze zouden zich misschien zelfs gevleid voelen omdat jij dacht dat ze zo’n artikel wel zouden willen lezen, ook al sloegen ze het meteen over. Redacteuren rechtvaardigden hoogstaande en wereldvreemde artikelen met het argument dat ze essentieel waren voor de ‘mix’.
Nu worden opdrachten onderworpen aan een kosten-batenanalyse: zal het artikel voldoende verkeer genereren om de investering te rechtvaardigen? Deze analyse is soms expliciet en bewust, maar vaak ook onderbewust en ingebed in eufemismen. Het is de gedachtegang waardoor redacteuren verkondigen dat een idee ‘niet de moeite waard is’ of waardoor ze zich zorgen maken over hoe een artikel zal ‘vallen’.
Het publiek voor de journalistiek is tegenwoordig misschien groter, maar het denkraam is kleiner.
James Parker is hoofdredacteur van The Pilgrim, een literair tijdschrift in Boston dat wordt volgeschreven door daklozen. Zijn gezag is beperkt en de deadlines zijn vaag, maar daar krijgt hij wel wat voor terug: ‘Aan elk stuk hangt een schitterende, komeetachtige staart van biografisch materiaal.’
Er is een verhaal dat geschreven wil worden. Je kunt het gewoon voelen: er hangt iets in de lucht, er zwelt iets op in de hersenpan. Er is een verhaal dat geschreven wil worden, en het heeft jou uitverkoren om het op papier te zetten. Kun je het aan, kun je die missie volbrengen? Het zal de nodige ninjavaardigheden vergen. Alle energie balt zich samen, vormeloos, zinderend, rond een ongedefinieerd punt. Les Murray noemde het een ‘pijnloze hoofdpijn’, die aanzwellende energie voorafgaand aan het schrijfproces, een energie waarvoor je je moet openstellen, die je in woorden op papier moet zien te vangen – in een gedicht, in dit geval. Wat wil dat zeggen? Is het misschien zo dat jij, de schrijver die met zijn pen boven een onbeschreven blad papier hangt, je er op een heel wezenlijk niveau op voorbereidt om je te storten in de voortdurend heftig in beweging zijnde en zich vernieuwende kunst die de realiteit zelf is?
Het zou kunnen. Het kan ook zijn dat je net iets te veel van Roberts magische koffie op hebt. Al sinds 2013 zet Robert speciaal voor de Black Seed Writers Group zijn supersterke koffie naar geheim recept: elke sessie staan er drie zilverkleurige tweeliterkannen (eentje met decaf) op het wagentje, als robotuilen met een snavel van zwart plastic. ‘Robert is heel standvastig in zijn manier van koffiezetten’, schreef Al, een van onze vaste klanten, in ‘Read All About It: Robert Is My Favorite Coffee Person/Maker’, een gedicht van recente datum. ‘Ik prijs me gelukkig met zijn manier van koffiezetten.’
De Writers Group
De Writers Group, zoals het in de buurt wordt genoemd, is een ruimte voor dakloze schrijvers in het centrum van Boston. We ontmoeten elkaar elke donderdagochtend om halftien in de kelder van de Cathedral Church of St. Paul op Tremont Street. De Writers Group geeft The Pilgrim uit, een literair tijdschrift waarvan ik nu al vijf jaar de redactie doe.
Grote delen van The Pilgrim komen tot stand of krijgen vorm vanuit de chaostoestand waarin alles mogelijk is, door Roberts magische koffie. Robert levert zelf ook bijdragen aan het blad, in de vorm van korte alinea’s waarin hij beschrijft hoe het is om te zitten en te wachten (‘Zit hier bij Dunkin’ Donuts, drink wat en eet wat, en er komen allemaal mensen binnen die iets kopen en gaan zitten en praten, en het is grappig dat niemand me ziet. Ik voel me een geest.’) of in de vorm van snelle, ontregelende schetsjes die hij ‘flitsen’ noemt. ‘Wat er in me omgaat? Geen ene reet.’
Maar ik loop op de zaken vooruit, beste lezer. Laten we bij het begin beginnen.
In januari 2011 meldde ik me als vrijwilliger bij de maandagse lunch, de wekelijkse gratis maaltijd voor daklozen, georganiseerd door de Cathedral Church of St. Paul, in Boston. Ik was op zoek naar zingeving – dat klinkt misschien raar, maar zo was het. Ik had me weleens wat schichtig in een kerk gewaagd, ik had de katholieke mystici gelezen, in de hoop dat alles plots op zijn plaats zou vallen. Maar het haalde niets uit. Thuis was ik kribbig, op mijn werk voelde ik me ellendig. Maar toen ik die gonzende, kauwende, naar schoolkantines ruikende kelder in stapte en al die monumentale en opmerkelijke types om me heen zag zitten, had ik heel erg het gevoel dat het klopte. Oké, dacht ik: Dit is het dus.
Ik had al eerder als vrijwilliger met daklozen gewerkt, maar altijd in een wat afwachtende, joviale, gemoedelijke functie. Maar inmiddels was ik in de veertig en bracht ik iets van levenservaring mee. Het werd tijd om iets substantieels te gaan doen. Maar wat dan? En hoe dan? Dat jaar in oktober nam predikant Christina Rathbone – pastor en spil van de maandagse lunch – een handjevol van ons mee op een pelgrimstocht. We liepen zo’n 90 kilometer vanuit Boston naar een opvang in West Newbury.
Onderweg sliepen we op kerkvloeren. We vormden een rommelig, wat haveloos groepje, haast een middeleeuwse aanblik, met onze merkwaardige hoofddeksels en wapperende vlaggen. Vanuit passerende auto’s klonken luide aanmoedigingen, en heel soms werd er nog wat gescholden. ‘We zijn op een spirituele pelgrimstocht,’ riep Steve, een van ons groepje, naar nieuwsgierige voorbijgangers of mensen die ons aangaapten. Hoe dan ook, we haalden het. In een van de huisjes van de opvang, om drie uur ’s nachts, diende het idee zich aan. Ik schoot wakker met dit geschenk, een brainstorm in het donker: ik zou een tijdschrift beginnen voor dakloze schrijvers, en ik zou het The Pilgrim noemen.
Na onze pelgrimstocht gingen we weer (met de bus) naar huis en een paar dagen later zat ik samen met Paul Estes te schrijven in de Black Seed Cafe & Grill op Tremont Street.
Autodidact Kevin schreef gedetailleerde stukken over het beste karton om onder te slapen
Het was de eerste bijeenkomst van de Black Seed Writers Group. Paul – een man met een vrolijk gezicht vol lachrimpeltjes en pretoogjes – was via een omweg van Texas naar Boston gekomen. Op het moment dat we een begin maakten met zijn schrijfcarrière, sliep hij in de portiek van een soort printerette – de ironie daarvan ontging hem niet. Drie jaar later hadden we ons eigen imprint, No Fixed Address Press, en gaven we zijn space-operatic multi-species scifiroman uit: Razza Freakin’ Aliens, geschreven op een bankje op de Esplanade.
Tijdens de tweede bijeenkomst van de Black Seed Writers Group, de dinsdag daarop, waren er zes mensen: argwanend, getekend door slaapgebrek, hunkerend naar een warm plekje om te zitten. Ik had voor pennen en papier gezorgd, ik had koffie ingeslagen en ik gaf de schrijvers een opdracht (‘De laatste keer dat ik me gelukkig voelde’). Tegen het einde van die bijeenkomst had ik genoeg materiaal voor het eerste nummer van The Pilgrim, dat ik opmaakte op mijn laptop en drukte bij Copy Cop. (Mijn redactieslag: spelfouten eruit halen en interpunctie controleren, en zo heel af en toe, en met grote terughoudendheid, iets aan de woordvolgorde verhelderen.)
Bij de derde bijeenkomst waren er acht mensen, en zo rond de twaalfde bijeenkomst waren we met zo veel mensen dat we niet langer in het café pasten en moesten uitwijken naar een vergaderzaaltje op de bovenverdieping van de kerk. (Momenteel zitten we in de kelder.) Om het gebrek aan achtergrondgeluiden te compenseren – de klanken van het café gaven de hele onderneming iets kosmopolitisch, iets literairs, vond ik – had ik een gettoblaster meegenomen die ons was geschonken, en ik draaide een speciaal samengestelde, neurologisch bewerkte cd: Arvo Pärt, Michael Chapman, Hildegard von Bingen – koren, gitaren en af en toe een viool. ‘Tandartsstoelmuziek,’ zoals een tegendraadse schrijfster het noemde.
Wie zijn al deze schrijvers? Kevin, een autodidact die vroeger bij de marine zat, is in de vijftig. Hij mocht graag op een bankje in het park in de buurt van zijn slaapplek aan de rivier wat lezen in de Belijdenissen van Augustinus. Hij schreef onthullende en zeer gedetailleerde stukken over de beste soort karton om onder te slapen, en waar je die kon vinden. Dave, een man die spreekt in profetieën (en die destijds onder een brug woonde), schreef erover hoeveel pijn het hem deed wanneer een mededakloze werd uitgescholden. Margaret Miranda, die vanuit een nabijgelegen psychiatrische inrichting bij ons terecht was gekomen, schreef opmerkelijk geestige, heldere en inventieve gedichten. Eddie Atkins schreef zelf niet: hij praatte, op muzikale toon en veelal in spreuken, over het weer, over zijn plannen om een grote, witte Cadillac te kopen. Ik kwam erachter dat zijn woorden, eenmaal zwart op wit, haast als vanzelf in poëzie veranderden.
We hadden verslagen van de straat, wat er zich in de kleine uurtjes allemaal afspeelde rond Downtown Crossing, verhalen over onbekenden die ineens de drang voelen iets goeds te doen, maar ook beschrijvingen van allerlei nare details – zoals wanneer je plotseling hoort hoe er een gulp wordt opengeritst, wat wil zeggen dat er in je slaap iemand over je heen gaat plassen. Het meeste dat werd geschreven was nogal religieus van aard: mystiek zelfs, en fantasierijker dan de meeste visionaire katholieken die ik heb gelezen. In sommige gevallen afkomstig uit het schemergebied ergens tussen de psyche en de wereld in, waar meningen worden gebracht als feiten, en de realiteit als een netwerk van symbolen, troostrijk of dreigend. Sommige teksten waren statisch, draaiden in cirkeltjes om hetzelfde thema of onderwerp.
Op een middag sprak ik in de Boston Common [een park in het centrum] met Richard, een dakloze, over Samuel Taylor Coleridge. ‘Er lopen hier een hoop Oude Zeemannen rond, vind je niet?’ zei ik tegen hem – waarmee ik doelde op de mannen die keer op keer hun verhaal moesten vertellen, aan wie het maar wilde horen. ‘Dat van die Oude Zeemannen weet ik niet, maar ik zie wel veel albatrossen,’ zei Richard.
Zinderend heiligdom
De notitieblokken en de pennen, de koffie, die muziek: de structurele elementen van de Writers Group dateren van de begintijd en zijn niet veranderd in de vijf jaar dat we nu bezig zijn. Aan het begin van elke bijeenkomst delen we uitgetikte en geredigeerde versies uit van de teksten van de voorafgaande week, én een vel met nieuwe schrijfopdrachten (bijv. ‘Geesten’ of ‘Hoe iemand tot bedaren te brengen’ of ‘De zwaarste beproeving’) en een paar aansporingen om er plezier in te scheppen, het gewoon te laten gebeuren enzovoort. Er is ook een belangrijke vrije opdracht, namelijk: ‘Waar je ook maar over wilt schrijven’. Vervolgens houden we onze mond en gaan aan de slag, en een uur en een kwartier later stoppen we weer. Dat is het. Geen workshops, geen urenlange oefensessies, niets van dat al. En na enkele weken, wanneer er, waar het de inhoud betreft, sprake is van een subtiele maar duidelijk waarneembare druk – wanneer een en ander vorm heeft gekregen – breng ik een editie van The Pilgrim uit.
Er zijn natuurlijk ook andere manieren om een schrijfclubje vorm te geven, en misschien is het goed om uit te leggen dat de hierboven beschreven methode bij toeval is ontstaan, goeddeels vanuit een negatieve impuls, en wel mijn eigen, eh… pedagogische onvermogen. Ik ben huiverig om een discussie te leiden, een groep mensen toe te spreken of wat voor centrale, leidende rol dan ook te vervullen, en daarom leek het me beter om vellen met opdrachten uit te delen en wat tussen de tafeltjes door te lopen en ‘Ssst!’ te zeggen, of ‘Heren, toe…’ Het werd al snel duidelijk dat deze minimale aanpak maximaal resultaat opleverde. Een veilige plek. Een rustige plek. Een plek zonder vooroordelen. Een plek waar iedereen, hoe hij of zij er lichamelijk of geestelijk ook aan toe was, kon binnenlopen om te schrijven.
Er ontstond een bepaalde sfeer – door de aanwezigheid van de vaste schrijvers, door de energie van een groep mensen die samen aan iets werken – die ik niet eerder had meegemaakt. Een journalist die langskwam had het over een ‘zinderend heiligdom’. The Pilgrim blinkt al sinds het ontstaan uit in verslaglegging vanuit een ik-perspectief. Geen fictie, geen politiek, maar het echte leven, of dat nou is in de vorm van een gedicht, een gebed, een anekdote, een stuk uit een memoir of een onvervalste existentiële tirade. Het zijn allemaal dingen die een uitlaatklep op papier zoeken, zodra je die ruimte betreedt.
Spider, een lange, lieve man met een zware stem, een kaalgeschoren hoofd en tatoeages van spinnenwebben op zijn handen, komt bijna stomend binnen – zware, gefronste wenkbrauwen, zijn hele lijf trillend van verontwaardiging over iets dat hij net heeft gezien of gehoord. Of misschien over iets dat hem jaren eerder is overkomen. Nadat hij twee pagina’s heeft geschreven is de spanning van zijn gezicht gegleden.
‘Het is allemaal gelul, wat je hier doet! Hoe durf je mensen te vragen al die dingen over zichzelf op te schrijven?’
Het werkt natuurlijk niet bij iedereen. Er lopen ook schrijvers rond die ik van me heb vervreemd, die ik heb teleurgesteld, of beledigd, ofwel door iets wat ik bewust heb gedaan ofwel (wat veel waarschijnlijker is) door iets wat ik over het hoofd heb gezien. Hoe ik dat weet? Omdat ik er later lucht van krijg, of omdat ze gewoon wegblijven – zonder te zeggen wat eraan schort. Soms krijg ik een tweede kans en komen ze na een of twee jaar terug, maar soms ook niet. ‘Je bent mijn vriend niet meer!’ schreeuwde een keer een man tegen me in de Boston Common, met spetters van verontwaardiging in zijn grijze baard. ‘Het is allemaal gelul, wat je hier doet! Hoe durf je mensen te vragen al die dingen over zichzelf op te schrijven?’
Cliff kwam op een ochtend voor het eerst naar de schrijfgroep, ging stilletjes en boos in een hoekje zitten en schreef een lang, gewelddadig, occultachtig verhaal over onder meer zijn vader die in de gevangenis zat voor moord (volledig conform de waarheid, ontdekte ik later) en een zogeheten hanging tree met bloedende wortels. Ik wist niet wat ik las. ‘Ik heb dit niet overgetikt voor de groep,’ zei ik toen hij de week daarop terugkwam, ‘omdat het te eng is om te lezen.’ (Ik krimp nog altijd ineen als ik aan die idiote opmerking denk.) ‘Te eng om te lézen?’ zei hij. ‘Wees blij dat je het niet hoeft te léven.’ Begin 2016 stond ik oog in oog met een schrijver wiens ongenoegen over een redactionele ingreep zo groot was, zo heftig, en zo op me inbeukte dat ik, hoewel mijn stem en mijn lichaam roerloos bleven, zijdelings bewegende traantjes uit mijn ooghoeken voelde komen, alsof ik in een straffe wind stond.
Onlangs is het eenenveertigste nummer van The Pilgrim uitgekomen. Sinds 2011 heeft het blad werk gepubliceerd van meer dan honderdvijftig schrijvers. Ik ben blij met die getallen, omdat het helemaal geen getallen zijn: het zijn mensen. Aan elk stuk dat in het blad is verschenen, hangt, voor mijn gevoel, een lange en schitterende komeetachtige staart van biografisch materiaal – het verhaal van de schrijver, en hoe hij of zij bij de Writers Group is beland, en hoe, en met hoeveel gemak of moeite, we een redactionele band hebben ontwikkeld, en hoe het toen verder is gegaan. Pilgrim- schrijvers zitten soms tijden in de gevangenis, liggen soms tijden in het ziekenhuis, hebben soms tijden geen dak boven hun hoofd, zijn soms tijden ziek – maar ze blijven schrijven, met een ongekende toewijding en moed. ‘Dakloos zijn’, heb ik op onze website geschreven, ‘is als een plotse pelgrimstocht.’
Daar geloof ik nog altijd in, in de zin dat mensen die leven in een portiek, of in een stapelbed in een opvanghuis, en die niet meer bezitten dan ze bij zich dragen, zowel in geestelijke als in materiële zin worden blootgesteld aan een werkelijkheid waarvan de rest van ons is gevrijwaard. Maar het lukt mij steeds minder om in abstracte zin over daklozen na te denken. In plaats daarvan denk ik aan Bryant, echt een man van de wereld, maar zonder vaste verblijfplaats, een ongekend productief schrijver, die een van zijn triomfantelijkere gedichten eindigde met de woorden: ‘De wereld is mijn thuis / de wereld is mijn werkplek / ik zou niet anders willen leven’. Ik denk aan Holly, die God haar ‘maatje’ noemt. Ik denk aan Gizzmo, die door een andere schrijver werd gestoord terwijl hij bezig was zijn memoir te dicteren, waarop hij die ander uitfoeterde met zo’n subtiel, artistiek venijn dat ik er haast jaloers van werd.
Natuurlijke dood
Om kwart voor elf ronden we weer af, met overal geritsel van papier en mensen die achteroverleunen op hun stoel. Robert rolt het koffiekarretje weg. Een tijdlang – of eigenlijk jarenlang – hebben we elke sessie van de Writers Group afgesloten met ‘Thunderstruck’ van AC/DC: de gitaar van Angus Young was als een sirene, een voorbode van onze triomfantelijke terugkeer naar de wereld. Ook is er een tijd geweest dat dichter Eddie een cd naar keuze in de gettoblaster stopte – het kon Elvis zijn, maar ook Grateful Dead – en vervolgens zijn microfoon aansloot om de hele zaal te laten genieten van zijn zangtalent.
Maar Eddie komt de laatste tijd niet meer zo vaak – gezondheidsklachten, en een verandering van woonomgeving. De Writers Group lijkt heel langzaam een natuurlijke dood te sterven. Als ik nu mijn blik door de ruimte laat glijden, zie ik altijd wel een of twee schrijvers over wie ik me zorgen maak. Nadat ze zichzelf ijverig en onbevreesd hebben blootgegeven op papier, zich kwetsbaar hebben opgesteld, zijn ze gedwongen terug te keren naar de harde realiteit van hun leven, de lusteloosheid en meedogenloosheid van hun dagelijkse bestaan, maar dan zonder de geborgenheid van daarvoor. Er zijn momenten waarop ik me afvraag of het echt allemaal gelul is, waar ik mee bezig ben. Maar dan kijk ik naar de pagina’s die we hebben volgeschreven, de verhalen, de teksten die er domweg niet zouden zijn geweest als we niet allemaal hadden bijgedragen aan het ontstaan van deze plek, van dit momentum. Sommige schrijvers zullen volgende week terugkeren, anderen niet. Er is geen peil op te trekken. Als redacteur zou ik soms wensen dat ik het gezag had van de monnik Moling, die tegen het einde van de middeleeuwse, epische Ierse vertelling Buile Suibhne(Sweeney Astray, in de versie van Seamus Heaney) de volgende waarschuwing meegeeft aan de vliegende pelgrim Sweeney, de krankzinnige koning die half vogel is: ‘Al vlieg je nog zo ver uit over Ierland, dag in, dag uit, je bent gehouden elke avond naar mij terug te keren zodat ik je verhaal kan optekenen.’ Maar hier is niemand ergens aan gehouden, en de verhalen schrijven zichzelf – met artistieke horten en stoten.
Auteur: James Parker
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Pacific Standard Standard
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 100.000
Vanuit de gedachte dat de wetenschap vaak oplossingen biedt op maatschappelijke problemen maakt deze publicatie belangrijke onderzoekresultaten inzichtelijk voor een breed publiek.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.