Tag: topsport

  • In Kenia is hardlopen een weg naar een betere toekomst

    In Kenia is hardlopen een weg naar een betere toekomst

    Keniaanse topsporters hebben de grenzen van fysieke prestaties met hardlopen verlegd. Maar ook voor mindere goden heeft de sport een belangrijke betekenis: deze is voor Kenianen een manier om contact te maken en biedt perspectief op een betere toekomst voor zichzelf en hun gemeenschap.

    Alweer heeft een Keniaanse atleet een belangrijk record gebroken. Begin oktober, in Chicago, verbeterde Kelvin Kiptum het wereldrecord op de marathon bij de mannen. Daarmee overtrof hij de prestatie van de Keniaanse ‘filosoof-koning van het hardlopen’, Eliud Kipchoge, met ruim een halve minuut. Een geweldige mijlpaal, maar toch niet uniek dit jaar, want in juni vestigde de Keniaanse Faith Kipyegon in zeven dagen tijd twee nieuwe wereldrecords, op de 1500 en 5000 meter (het record op die laatste afstand werd overigens drie maanden later verbroken door de Ethiopische Gudaf Tsegay).

    Overlijden Kelvin Kiptum

    Kelvin Kiptum en zijn coach, de Oegandees Gervais Hakizimana, zijn op 11 februari omgekomen bij een auto-ongeluk in de buurt van de Keniaanse stad Eldoret. Kiptum is slechts 24 jaar geworden.

    De internationale atletiekwereld reageerde geschokt. Sebastian Coe, voorzitter van de internationale atletiekbond, zei dat Kiptum ‘een ongelooflijke atleet was die een ongelooflijke erfenis achterlaat’.

    Ook in Kenia is het verdriet om de dood van de wereldrecordhouder groot. ‘Kelvin Kiptum was een ster’, aldus een bericht op sociale media van de Keniaanse president William Ruto. ‘Zijn mentale kracht en discipline waren ongeëvenaard. Kiptum was onze toekomst.’

    Kiptum zou in april aan de start staan van de marathon van Rotterdam, waar hij een aanval zou doen op zijn eigen wereldrecord. Met een persoonlijk record van 2 uur en 35 seconden leek de Keniaan voorbestemd om als eerste marathonloper onder de magische grens van twee uur te duiken. Helaas zal hij deze belofte nooit waar kunnen maken.

    Ook hardlopers uit andere Oost-Afrikaanse landen, met name Ethiopië en Oeganda (en soms Tanzania en Burundi), blinken sinds jaar en dag uit op het wereldpodium, maar het zijn vooral Kenianen die de internationale atletiek hebben getransformeerd en de grenzen van de fysieke prestatie door middel van hardlopen hebben verlegd.

    In Kenia zijn dergelijke prestaties vaak doordesemd van een diepe symboliek, waarbij allerlei opvattingen over nationalisme, politiek protest en lokale identiteit een rol spelen. De records die Kipyegon binnen één week verbeterde inspireerden de Keniaanse president William Ruto tot mooie woorden over hard werken en nationale trots. ‘Vasthoudendheid, focus, streven naar perfectie en een winnaarsmentaliteit zijn een recept voor grootsheid,’ zo schreef hij op sociale media. ‘Wat een atlete! Wat een inspiratie! Wat een kampioene! Gefeliciteerd, Kenia is enorm trots op je.’

    Kalebas vol mursik

    Kranten lieten foto’s zien van Kipyegon en haar gezin met vicepresident Rigathi Gachagua tijdens een bezoek aan het presidentiële paleis, anderen stelden dat haar heldendaden lieten zien hoe Kenianen ‘kunnen slagen zonder Ruto of Raila’, de kandidaten voor de Keniaanse presidentsverkiezingen van 2022. Toen Kelvin Kiptum na zijn triomf in Chicago terugkwam in Nairobi, werd hij getrakteerd op een kalebas vol mursik, een gefermenteerde melk die populair is onder de Kalenjin, een volk in het westen van Kenia; het betrof een traditie die teruggaat tot begin jaren zeventig.

    Dit enthousiasme is herkenbaar voor iedereen die het Keniaanse hardlopen volgt. In de afgelopen zestig jaar heeft de atletiek telkens een podium geboden waarop Kenianen konden excelleren, en vaak werd dit succes verbonden aan hogere sociale en politieke ambities. Het Keniaanse hardlopen is een interessant onderwerp gebleken voor auteurs met de meest uiteenlopende achtergronden. Zij schreven verhalen over de sport waarin de heldendaden van topatleten centraal stonden; atleten die het hardlopen gebruikten om hun leven te veranderen, de nationale eenheid te bevorderen en elkaar te inspireren.

    ‘Je ziet dat als je in de groep blijft en begrip voor elkaar hebt, je sterk wordt en discipline en teamgeest krijgt’

    Hoewel dergelijke interpretaties zeker van belang zijn, wordt de sport daarmee beperkt tot een onderdeel van grotere politieke projecten of tot een weg naar individuele sociale mobiliteit waarbij hard werken, natuurlijk talent en ‘cultuur’ succes bepalen. Verhalen over topsporters die allerlei ontberingen overwinnen kunnen weliswaar inspirerend zijn, maar ze verdoezelen vaak de sociale dynamiek van de Keniaanse hardloopcultuur en gaan voorbij aan de vele manieren waarop Kenianen betekenis en nut proberen te vinden in de sport.

    De sociale relaties binnen familie, school, team en gemeenschap vormen de netwerken die het Keniaanse hardlopen en zijn lange, roemruchte geschiedenis schragen – dat zijn hoge ligging een ideale trainingsplek is voor veel atleten en ook wel ‘stad van kampioenen’ wordt genoemd), benadrukte de Keniaanse marathonloper Elisha Rotich een paar jaar geleden de sleutelrol die dergelijke factoren hebben gespeeld in zijn eigen hardloopcarrière. ‘Kidole kimoja hakiui chawa (een enkele vinger doodt geen luis), zeggen we in onze cultuur,’ vertelde hij. ‘Eén persoon kan geen goud winnen. Mijn team en familie zijn erg belangrijk voor mij. Je ziet dat als je in de groep blijft en begrip voor elkaar hebt, je sterk wordt en discipline en teamgeest krijgt. Zo niet, dan zul je nooit iets bereiken.’

    Wie zich verdiept in de achterliggende sociale dynamiek van de sport en haar geschiedenis, komt tot de conclusie dat er ook plaats moet zijn voor verhalen van minder bekende mensen die hebben bijgedragen aan de Keniaanse hardlooptraditie. Voormalige atleten zoals Naftali Mutwa, die eind jaren veertig als student aan de Kapsabet High School en de Thika Technical School kennismaakte met atletiek. Hij zat weliswaar in een raciaal gesegregeerd systeem – Kenia was destijds nog een Britse kolonie – maar dat neemt niet weg dat hij bijdroeg aan een aantal mijlpalen in de Keniaanse atletiekgeschiedenis.

    Hordenlopen

    Eind jaren vijftig, begin jaren zestig deed Mutwa aan hordenlopen en concurreerde hij met de bekendste vroege hardlopers van Kenia, zoals Nyandika Maiyoro, Lazaro Chepkwony, Joseph Leresea, Seraphino Antao en Kiptalam Keter. In 1959 nam hij deel aan de eerste atletiekwedstrijd in het beroemde Kamariny-stadion, waar hij eerste werd bij het individuele kampioenschap op de 100 meter horden voor de hele kolonie. In 1960 herhaalde hij deze prestatie.

    Dit alles deed hij terwijl hij als leraar en coach werkte aan de Kaptumo Intermediate School. Mutwa verdiende weinig met zijn prestaties. Toch toonde hij zich voldaan en trots tijdens een interview in zijn huis in Koyo in 2019. Kijkend naar foto’s haalde hij geestdriftig herinneringen op aan zijn teamgenoten. ‘Dit was het team van Kenia,’ vertelde hij trots. ‘En dankzij zo’n foto blijven we aan elkaar denken.’ In het koloniale tijdperk werd atletiek gebruikt om sociale controle uit te oefenen en inheemse sporten zoals worstelen en dansen uit te wissen en te marginaliseren.

    Toch tonen de ervaringen van atleten als Mutwa aan hoeveel jonge Kenianen, veelal mannen, deelnamen aan en betekenis vonden in koloniale sporten. De beroemde Keniaanse auteur Ngugi wa Thiong’o, die in de jaren vijftig als student van de Alliance High School aan veldlopen deed, beschreef het langeafstandshardlopen als ‘een lang verhaal, verteld en gespeeld door de hardloper met zijn lichaam… een gevecht tussen wil en vastberadenheid enerzijds en de duivelse verleiding van het opgeven anderzijds’. Voor Ngugi zou hardlopen later een belangrijke symbolische plaats opeisen in zijn schrijven.

    Zoals blijkt uit de voorbeelden van Mutwa en Ngugi, heeft schoolsport het Keniaanse hardlopen sterk gestimuleerd. De belangrijkste school in deze geschiedenis is misschien wel St. Patrick’s High School in Iten, een stadje in het westen van Kenia dat ook wel het mekka van de atletiek en de thuisbasis van de kampioenen wordt genoemd. St. Patrick’s werd in 1961 op initiatief van lokale politici en Ierse missionarissen geopend als jongenskostschool. Tegenwoordig staat de school in Kenia en de rest van de wereld bekend om zijn atletiekprestaties, maar er zijn ook grote nationale successen geboekt op het gebied van volleybal, hockey, basketbal en tennis.

    Nationale team

    Bovendien herbergt de school een van de eerste trainingsaccommodaties van Iten: een club voor jonge aspirant-hardlopers onder toezicht van broeder Colm O’Connell, die onder meer coaching biedt aan de leden. Tientallen hardlopers die op de school hebben getraind, werden geselecteerd voor het nationale team, namen voor Amerikaanse hogescholen en universiteiten deel aan allerlei wedstrijden en veranderden het internationale professionele hardlopen.

    Wilson Kipketer, een alumnus van St. Patrick’s, was bijvoorbeeld een van de eerste Keniaanse atleten die van staatsburgerschap veranderde en voor een ander land streed, wat de afgelopen decennia steeds meer een patroon is geworden en tot discussies in sportkringen heeft geleid. St. Patrick’s laat, samen met scholen als Sing’ore Girls, zien hoe Keniaanse instituties het internationale hardlopen hebben vormgegeven en biedt daarmee een tegengif voor het idee dat Afrikaanse instituties onbeduidend en ineffectief zouden zijn in mondiale netwerken. Behalve de scholen zijn ook de ervaringen van mensen die een hardloopcarrière hebben opgebouwd en niet tot de professionele atletiektop behoorden van cruciaal belang om de sport beter te begrijpen.

    Hardlopers hebben in hun latere leven vaak te kampen met het gevoel dat de Keniaanse samenleving hen is vergeten

    In de decennia na de onafhankelijkheid van Kenia [in 1963] werkten sommige Keniaanse hardlopers als politieagenten, gevangenispersoneel en soldaten terwijl ze voor Keniaanse nationale teams deelnamen aan internationale wedstrijden. Sinds de jaren tachtig en de explosie van het professionele hardlopen hebben veel ‘tweederangs’ professionals carrière gemaakt in het buitenland, waar ze strijden om prijzengeld van honderden of soms duizenden dollars, waarna ze vaak terugkeren naar Kenia om te investeren in land, onderwijs of zaken.

    Zo liep Everline Kosgei hard in Europa en Azië en gebruikte ze naar eigen zeggen een deel van haar verdiensten om zich in te schrijven voor een vakschool in het Chinese Chengdu. Daarnaast ontplooien Kenianen met uiteenlopende achtergronden en beroepen – van hazen tot coaches en van trainingskampmedewerkers tot resorteigenaren – lokale en nationale economische activiteiten die verband houden met het Keniaanse hardlopen.

    Tegelijkertijd worstelen veel hardlopers met blessures, corruptie en de druk van de nieuwe rijkdom, maar ook met slechte faciliteiten en een toenemende dopingcrisis die de geloofwaardigheid van de sport dreigt te ondermijnen. Oudere hardlopers hebben in hun latere leven vaak te kampen met armoede, en met het gevoel dat de Keniaanse samenleving hen is vergeten. Deze problemen zijn vaak nog groter voor ambitieuze vrouwelijke atleten, die barrières moeten slechten die door inheemse en koloniale ideeën zijn opgeworpen, en bovendien te maken hebben met seksueel en soms zelfs dodelijk geweld. Dergelijke tragedies en obstakels wijzen op de grenzen aan het idee van sport als balsem voor de grootste problemen in Kenia.

    Hardloopsters

    Niettemin zijn de ervaringen van Keniaanse hardloopsters cruciaal geweest voor de ontwikkeling van de sport. In haar recente boek Kenya’s Running Women legt historica Michelle Sikes de centrale rol van gender bloot in de wijze waarop Kenianen door de jaren heen de sport hebben ervaren. Ook belicht ze de vele manieren waarop Keniaanse meisjes en vrouwen betekenis, vreugde en een doel in de sport hebben gevonden. ‘Ik hou van hardlopen,’ zei Sabina Chebichi tegen East African, nadat ze in 1974 als tiener een bronzen medaille had gewonnen op de 800 meter op de Gemenebestspelen. ‘Het geeft me een goed gevoel om beter te zijn dan de rest. Ik hou ervan als mensen in een vreemde stad naar me wijzen en over me praten vanwege mijn hardlopen. En als ik het publiek hoor schreeuwen, dan wil ik nog harder rennen.’

    In een tijd waarin veel Kenianen diepgaand ontevreden zijn over de politiek en worstelen met stijgende prijzen, inflatie, slinkende economische kansen, inhoudsloze politieke agenda’s en toenemende sociale ongelijkheid, is het van belang het Keniaanse hardlopen niet alleen te zien als een aangelegenheid voor topatleten en wereldsterren. Voor tal van Kenianen is de sport een manier om contact te maken met anderen, betekenis te creëren voor zichzelf, vreugde te vinden in hun dagelijks leven en zich een betere toekomst voor te stellen voor zichzelf en hun gemeenschap.

  • Misselijk van voetbal

    Misselijk van voetbal

    De stoere Duitse verdediger Per Mertesacker, wereldkampioen in 2014 en tot voor kort aanvoerder van Arsenal, doet niet mee aan het komende WK. In mei hing hij na vijftien jaar profvoetbal zijn kicksen aan de wilgen. In een openhartig afscheidsinterview met Der Spiegel vertelt hij hoe meedogenloos de voetbalbusiness is.

    Vier à vijf seconden voor het fluitsignaal wordt hij iedere keer overvallen door acute misselijkheid. Als hij zijn positie op het veld heeft ingenomen, te midden van de brullende supporters. Hij weet dat hij nu weer alles moet geven, negentig minuten lang.

    De spanning, zegt hij, is dan bijna ondraaglijk. ‘Mijn maag draait zich om alsof ik moet overgeven. Ik moet dan één keer zo heftig slikken, dat de tranen me in de ogen springen.’ Hij draait zijn hoofd dan altijd opzij, met de kin naar de schouder, opdat niemand er iets van merkt: de tv-camera’s niet, de trainer niet, zijn medespelers niet. Zodat niemand ooit zal vragen wat er eigenlijk voor iedere wedstrijd met hem aan de hand is. Met Per Mertesacker, de rustige, soevereine, centrale verdediger.

    De wereldkampioen van 2014 en aanvoerder van Arsenal uit Londen zit in een Thais restaurant in het noorden van de stad. Het is een vrijdag in januari. Hij heeft het tafeltje online gereserveerd en per WhatsApp een screenshot gestuurd: 14.00 uur, twee personen, Mertesacker. ‘The big fucking German’ noemen ze hem hier in Engeland. Hoe passend die bijnaam is, laten we in het midden. Fucking big is hij zonder twijfel. Slechts één keer probeert hij zijn benen onder de tafel te vouwen.
    Per Mertesacker, 1 meter 99 lang, mager, draagt witte gymschoenen, jeans en een grijs sweatshirt. Hij bestelt spa blauw, kip met cashewnoten, geen koriander. Hij komt juist van de training.

    Diarree

    Veel aan de 33-jarige maakt een jongensachtige indruk: zijn lachen, de coolness waarmee hij achteroverleunt in zijn stoel, armen over elkaar. Of misschien wil hij nog een beetje afstand houden, voordat hij iemand dichterbij laat komen dan enige actieve voetballer van wereldklasse voor hem deed.

    In mei zet Mertesacker een punt achter zijn carrière, na 15 jaar profvoetbal, na 104 interlands, 221 wedstrijden in de Bundesliga, 155 in de Premier League en 83 in de Europa League.

    Hij is moe, uitgeput, zegt hij.

    Hij is kapot, zeggen de artsen.

    Maar Mertesacker wil er niet zomaar mee ophouden. Hij wil iets nalaten ‘voor de volgende generaties’, zegt hij.

    Dat moeten inkijkjes zijn in de meedogenloosheid van de voetbalbusiness. Hij wil afrekenen met valse veronderstellingen en in eigen persoon laten zien wat het betekent om met deze job te leven, die velen als een droombaan bestempelen: om de desastreuze druk te verdragen, om gevangen te zitten in een voortdurende dwang van training en wedstrijden spelen, en daarbij altijd alleen op je prestaties beoordeeld te worden.

    Altijd alleen maar de speler te zijn, nooit de mens in het shirt.

    Hij stelt een voorwaarde, en kijkt me strak aan. ‘Dit mag allemaal niet klagerig klinken, want natuurlijk besef ik wat een bevoorrecht leven ik heb.’ Dat er velen zijn die van zijn roem en zijn bankrekening dromen. En van wat daarmee samenhangt: villa’s, luxe auto’s, vakantie op de Seychellen, de Malediven, Mauritius. Hij wil er alleen aan toevoegen wat hij zelf veel te lang weggedrukt heeft. Dat deze gigantische voetbalbusiness niet alleen van het lichaam heel veel vergt.

    ‘De kwestie van die misselijkheid, het is voor het eerst dat ik daarover praat,’ zegt Mertesacker. Dat begint al in de nacht voor de wedstrijd. Clemens Fritz, met wie hij bij Werder Bremen een kamer deelde, had hem daar eens op attent gemaakt.

    ‘Hij vond dat hij altijd alles op alles moest zetten om eerder in slaap te vallen dan ik. Ik zou voor wedstrijden zo trillen met mijn rechtervoet, dat het hele dekbed ritselde. Daar zou hij gek van worden.’ Hemzelf was dat nooit opgevallen.

    En dan de diarree, op de ochtend van elke speeldag, terugblikkend dus op vijfhonderd dagen van zijn leven. Mertesacker richt zijn blik op zijn lange vingers, somt op: ‘Vanuit bed moet ik meteen naar het toilet, na het ontbijt naar het toilet, na het middageten weer naar het toilet, in het stadion nog eens naar het toilet.’ Al wat hij at moest er meteen weer uit.

    Zelfs met zijn vrouw, zijn familie, zijn vrienden heeft hij nooit over die misselijkheid gesproken. ‘Ik wilde dat niet dramatiseren. Het had geen effect op mijn prestaties.’

    Mertesacker pauzeert, denkt na. ‘Aan de andere kant deed ik als kind al alles alleen.’

    Bij wedstrijden moesten de kinderen vaak huilen als ze hem zagen. Omdat hij zo groot was, toen al

    Op zijn vierde stond hij voor het eerste op een voetbalveld. In Pattensen, Nedersaksen. Zijn vader Stefan was toen trainer van de dorpsvereniging. ‘Ik weet nog hoe ik met de andere jongetjes altijd voor de kleine bekers in de hal stond: O, kijk eens, misschien winnen we die, of die.’

    Bij wedstrijden moesten de kinderen vaak huilen als ze hem zagen. Omdat hij zo groot was, toen al. Al vroeg speelde hij mee met een hogere jaargang. ‘Altijd in de verdediging, altijd simpel, maar effectief. Zoals eigenlijk nog steeds.’

    Op zijn elfde ging hij naar Hannover 96. Dat hij het ooit zou schoppen ‘tot het hoogste niveau’, daar had hij nooit aan gedacht. ‘Ik wilde nooit profvoetballer worden. Voetbal was mijn hobby, en meer niet.’

    Zijn vader had meer in hem gezien, bleek toen Per vijftien was. Hij leed aan groeistoornissen, was te snel gegroeid, zijn botten moesten zich nog aanpassen. ‘Ik had zo’n pijn in mijn linkerknie dat ik een jaar lang niet kon trainen.’ Zijn vader zat er erg over in. ‘Jij redt het toch niet,’ had hij hem eens toegeroepen. ‘Maak jij eerst maar eens je school af, dan zien we verder,’ stelde zijn moeder hem gerust.

    Jij redt het toch niet. ‘In zekere zin heeft dat zinnetje me bevrijd,’ zegt Mertesacker nu. Want plotseling was de druk weg, die hij altijd had gevoeld.

    Toen hij na een jaar rust terugkeerde in de B-jeugd van 96, was er opeens de linie van vier verdedigers, met twee binnenspelers. Speel dat eens, had zijn trainer gezegd. Jij bent rustig aan de bal, en wint kopduels. Voor zijn toenmalige trainer werd hij al snel de ‘vuurtoren’ van het elftal. Na de jeugd kreeg hij een contract bij de amateurs. Hij moest maar een mobieltje kopen voor het geval ze hem nodig hadden bij de profs. ‘Dat was de eerste keer dat ik dacht: Wacht even, nu wordt het hier toch gevaarlijk,’ zegt Mertesacker.

    In 2003 tekende hij zijn eerste profcontract. Looptijd: twee jaar. Salaris: duizend euro per maand. Zijn vader vond dat hij eerst maar eens respect moest afdwingen. Op 1 november 2003 speelde hij zijn eerste wedstrijd in de Bundesliga tegen FC Köln als de jongste in Duitsland geboren speler van de Liga.

    Ongeveer twintig wedstrijden later rinkelde zijn mobieltje: Jürgen Klinsmann. ‘Hij wilde een frisse wind in het nationale elftal brengen, en mij een keer uitnodigen,’ herinnert Per Mertesacker zich. Hij lacht, schudt zijn hoofd. ‘Ik dacht alleen maar: Dat moet een 1-aprilgrap zijn.’


    Dan trekt hij een ernstig gezicht. Zijn geschiedenis tot dat moment heeft hij verteld als een entertainer, nu praat hij zachter, zoekt meer naar woorden.

    ‘Het ene hoogtepunt volgde op het andere. Bovendien was het toen al een moeilijke spagaat: ik heb m’n eindexamen gehaald, elke dag getraind en in de weekends gespeeld. Maar ik heb mezelf vaak aangemoedigd: niet nadenken, doorgaan, gewoon doorgaan.’

    Hij zwijgt even. ‘Want natuurlijk, op zeker moment besef je wel dat het allemaal behoorlijk zwaar is, lichamelijk en mentaal, dat je dat ook moet verwerken en ergens moet wegstoppen. Dat het helemaal niet meer om het plezier gaat, maar dat je moet presteren, zonder mitsen en maren. Zelfs als je geblesseerd bent.’

    Zijn eerste zware blessure had hij in 2005. Een overtreding in een interland, een schop tegen de achillespees. De blessure laten genezen was geen optie, voor Hannover 96 dreigde weer eens degradatie uit de Bundesliga, voor hemzelf ging het ook om een plaats in het nationale elftal.

    En dus speelde hij verder, een jaar lang, totdat zijn bot erdoor vervormd was. ‘Dat waren helse pijnen. Maar in dit werk moet je altijd bereid zijn je gezondheid op te offeren. Onder het motto: van lijden word je hard.’

    Het betaalde zich uit, Klinsmann riep hem op. ‘Het idee om erbij te zijn op het WK in eigen land, dat was een soort roes.’

    Per Mertesacker schuift zijn bord opzij, haalt een rood notitieboekje tevoorschijn. Hij bladert erin, zijn blik vliegt langs de trefwoorden die hij voor de ontmoeting met Der Spiegel genoteerd heeft. ‘Natuurlijk was ik ook teleurgesteld toen we tegen Italië in de halve finale uitgeschakeld werden, maar ik was vooral opgelucht. Ik weet het nog goed, alsof het gisteren was. Ik dacht alleen maar: Het is voorbij, het is voorbij. Eindelijk is het voorbij.’

    ‘Had ik dat kunnen zeggen? Dat ik blij was dat we eruit lagen?’

    Zelfs één enkele wedstrijd had hij niet meer kunnen spelen, vanwege zijn hiel. ‘De spanning vrat me op. Dat voortdurende horrorscenario dat je een fout maakt, waaruit een doelpunt ontstaat.’ Hij zwijgt een moment. ‘Die angst heb je ook bij andere wedstrijden, dat je steeds weer naar de klok op het scorebord kijkt, de minuten aftelt. Maar bij het wereldkampioenschap was het onmenselijk.’ Mertesacker speelt gedachteloos met zijn servet. Rolt hem op, en weer uit, op, en uit. ‘Maar had ik dat kunnen zeggen? Dat ik blij was dat we eruit lagen?’

    Voetbal is de lievelingssport van de Duitsers, de voetbalprofs zijn zoiets als nationaal bezit. Zelfs als hij na de wedstrijd volledig opgebrand was, gold: de mensen hebben recht op je, Per. Hij weet niet meer hoe vaak hij dat zinnetje heeft gehoord. Op momenten waarop hij alleen maar weg wilde, met niemand wilde praten.

    Hij keert terug naar zijn notities. Na het Wereldkampioenschap van 2006 moest zijn hielbeen in de oorspronkelijke vorm worden teruggeschaafd. Hij koos een revalidatiekliniek in Donaustauf bij het Beierse Woud. ‘Ik wilde zo ver mogelijk weg van de voetballerij, van de club, van de stadions.’ Opnieuw laat hij een stilte vallen, kiest zijn woorden zorgvuldiger. ‘Iedereen denkt dat het een drama is om uit te vallen met een blessure. Dat is niet zo. Want het is de enige manier om een gelegitimeerde time-out te krijgen, even weg uit de mallemolen.’

    De mallemolen. Altijd dezelfde opeenvolging van sponsorverplichtingen, trainingen en wedstrijden, week in week uit. De dagelijkse metingen ondergaan: hoeveel heeft hij gelopen? Hoe snel? Hoe hoog gesprongen? ‘En het interesseert feitelijk geen hond of je tien goede wedstrijden hebt gespeeld. Altijd is de laatste wedstrijd de enige die telt.’

    Voetbal is een spel waarbij liefde en haat elkaar afwisselen. ‘Als de supporters je bejubelen is dat onbeschrijfelijk. Fluiten ze je uit, ai, dan ga ik door de grond van schaamte.’

    In zijn tijd als profvoetballer ging zijn lichaam minstens een keer per jaar in staking, zegt hij. Na het seizoen 2007/2008 stond hij na drie weken weer op het veld, hij had het EK nog gespeeld. ‘Ik kwam bij de eerste training heel normaal aanlopen, toen ik een knik in mijn knie voelde. Ik viel en kon mijn knie niet meer bewegen. Gescheurde meniscus. Zomaar ineens. Peng.’ Hij klakt met zijn tong.


    © Getty
    © Getty

    Lang heeft hij zich afgevraagd waarom dat gebeurde. ‘Het antwoord is simpel: ik zat er doorheen, volledig. Mijn lichaam was niet klaar voor een nieuwe inspanning.’ Hij speelt met het leeslint van zijn notitieboekje. ‘Als ik niet meer kon, was ik geblesseerd. Zo was het altijd. Ik durf zelfs te beweren dat veel terugkerende blessures een psychische oorzaak hebben. Dat het lichaam de ziel daarmee rust bezorgt. Maar niemand vraagt daarnaar.’

    Zeven weken lang valt hij uit met zijn gescheurde meniscus, hij herstelt weer in Donaustauf. In de kliniek leert hij zijn huidige vrouw Ulrike Stange kennen. Van die relatie heeft hij enorm geprofiteerd, zegt Mertesacker. Zij is een voormalige handbalster van het nationale team, kent de druk, de verwachtingen. Het lange wakker liggen ’s nachts. Na avondwedstrijden kwam hij voor vijf uur niet in slaap. ‘Dan sta je de volgende dag volkomen uitgewoond op het trainingsveld.’

    Zijn vrouw toont tot op heden stilzwijgend begrip als hij, zoals in januari 2012, drie dagen lang ziek in bed ligt omdat hij weer eens overbelast is, en alleen maar wacht tot dat gevoel weggaat. Welk gevoel? ‘Nou ja, de uitputting, die totale uitputting.’

    Na zijn transfer van Hannover 96 naar Bremen in 2006 treft hij in de kleedkamer voor het eerst een psycholoog aan. Hij werd zo aan hem voorgesteld: als je eens iets hebt, dan kun je er altijd met hem over praten.

    Hij heeft geen gebruikgemaakt van het aanbod. ‘Als hij ons aansprak reageerde iedereen altijd in de trant van: ik heb niks, met mij gaat het goed. Blijf uit mijn buurt, ik wil niet met je praten.’ Mertesacker trekt met zijn mes lijnen in de stof van zijn servet, haalt zijn schouders op. ‘Je wilt toch ook niet dat de anderen in het team denken dat je een probleem hebt. Dat topsport misschien toch niets voor jou is.’ Op het veld zijn ze een elftal, maar uiteindelijk staan ze er allemaal alleen voor; de een wat gevoeliger dan de ander. ‘In de kleedkamer dol je wat met elkaar, met twee of drie anderen heb je misschien meer contact. Maar dat was het ook wel. Niemand laat het achterste van zijn tong zien en zegt hoe hij zich voelt.’ Maar op wedstrijddagen liepen ze allemaal naar de wc.
    Pas bij Arsenal ging hij in gesprek met een psycholoog. Die werd hem aangeprezen als een coach die hem nog duidelijker zou maken wat zijn taken als centrale verdediger waren. Het gaf hem ‘meer zelfvertrouwen’, zegt Mertesacker. Wat de stress met hem deed, hoe hij zich in bepaalde situaties voelde, daar vroeg de psycholoog nooit naar.

    Zelfmoord Robert Enke

    Hoezeer zwakheden en ziekte in het voetbal weggestopt worden, heeft vooral de dood van Robert Enke in 2009 aan het licht gebracht. Als hij spreekt over de zelfmoord van zijn vriend, destijds doelman bij Hannover 96, wellen er tranen in de ogen van Per Mertesacker. ‘Zelfs ik heb er niets van meegekregen hoe slecht het met hem ging. Dat zegt wel iets, nietwaar?’

    Foto’s van Enkes rouwplechtigheid laten een huilende Mertesacker zien. ‘Ik stond op het punt het bijltje erbij neer te gooien. Vooral omdat een week later alles weer als vanouds was.’ Het gepraat over meer menselijkheid in het voetbal, het waren alleen maar mooie woorden.

    Waarom hij dan toch was blijven spelen? De euforie na overwinningen, dat is nergens mee te vergelijken. De goede feedback van zijn trainer. De liefde voor het spel. Het deel uitmaken van een team. De mensen, vooral de kinderen, voor wie je een idool bent. De nieuwe uitdagingen, die ook steeds weer voor nieuwe motivatie zorgden; en ten slotte het aanbod van Arsenal uit Londen, de wereldclub, waarvoor hij altijd al had willen spelen.

    Ook het salaris was natuurlijk altijd een argument, ‘idioot veel geld’, zoals hij zegt. ‘Toch zou ik nooit zeggen dat ik persoonlijk overbetaald werd, of word. Ik weet wat ik daarvoor gepresteerd heb, wat die belasting met mij gedaan heeft.’

    Wat hij daarvoor heeft opgegeven – zijn jeugd, zijn privéleven, zijn vrijheid. ‘Maar nogmaals: ik stel het alleen maar vast. Ik heb er zelf voor gekozen, niemand heeft me ertoe gedwongen.’

    Vrienden zijn voor Per Mertesacker de mensen die hij kende voor hij de stervoetballer werd. Voormalige klasgenoten, jongens met wie hij als tiener bij Hannover 96 gespeeld heeft. Die het niet gehaald hebben, ook omdat ze niet om konden gaan met de druk.

    In mei speelt Per Mertesacker zijn afscheidswedstrijd. ‘En dan zal ik als dertigplusser voor het eerst van mijn leven vrij zijn,’ zegt hij. Na drie maanden rust zal hij in de zomer de jongerenopleiding van Arsenal gaan leiden. Hij heeft grote plannen. ‘Ik wil het systeem aanvallen. Wij zijn verantwoordelijk voor de jongeren die naar ons toekomen. Die mogen niet alles op de voetbalkaart zetten, en de school verwaarlozen. Tenslotte wordt maar 1 procent van hen prof. En van de 99 procent die overblijft is dan 60 procent langdurig werkloos.’

    Hij wil ook de blik van de jongeren scherpen. Dat het maar kleine splintertjes van de realiteit zijn die sommige spelers op Twitter, Instagram en Facebook posten. Dat de grote koptelefoons en donkere zonnebrillen niet zozeer coole accessoires zijn, maar bescherming tegen de buitenwereld.
Er zijn vele uren verstreken als Per Mertesacker zijn notitieboekje dichtslaat. Hij leunt achteruit in zijn stoel, strekt zijn lange benen uit. Hij had totaal geen idee waar hij aan begon toen hij prof werd, zegt hij. ‘Maar zelfs als ik voor iedere wedstrijd moest braken en twintig keer moest revalideren, zou ik het zo weer doen.’

    In 2014 voor Duitsland de wereldtitel pakken, en in Wembley staan als vijftigduizend man voor Arsenal juichen – ‘Voor die herinneringen was het het allemaal waard.’

    Auteur: Antje Windmann
    Vertaler: Piet Meeuse

    Openingsbeeld: © Hollandse Hoogte

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 840.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat tal van politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.