Tag: transitie

  • Brazilië verbiedt hormoonbehandelingen voor minderjarige transgenders

    Brazilië verbiedt hormoonbehandelingen voor minderjarige transgenders

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israël verandert 30 procent van Gaza in een ‘bufferzone’

    » Geweld in Frankrijk: aanvallen op meerdere gevangenissen, personeel geïntimideerd

    Steeds meer transgenders zouden spijt hebben van een transitie

    De Braziliaanse Federale Medische Raad (CFM) heeft de minimumleeftijd voor een transgenderpersoon om een dergelijke behandeling te ondergaan verhoogd van 16 naar 18 jaar. De gezondheidsautoriteit heeft ook de minimumleeftijd voor een geslachtsveranderende operatie ‘met een mogelijk steriliserend effect’ verhoogd van 18 naar 21 jaar.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Tijdens een persconferentie rechtvaardigde CFM-lid Raphael Câmara de strengere regels door uit te leggen dat de raad zich had gebaseerd op studies die een toename laten zien van het aantal gevallen van transgenders die spijt ervaren na hun transitie, meldt O Globo. Verschillende wetsvoorstellen om gevangenisstraffen in te voeren voor artsen die hormoonbehandelingen geven aan minderjarigen worden momenteel bestudeerd door het Braziliaanse parlement, dat een grote conservatieve meerderheid heeft.

  • Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Sinds werknemers tijdens de pandemie de lusten (en lasten) van het thuiswerken hebben leren kennen, willen miljoenen mensen niet meer terugkeren naar hun kantoorbaan. Er staat een revolutie op de arbeidsmarkt voor de deur.

    De coronapandemie mag dan officieel voorbij zijn, maar als een reeks wissels op het spoor heeft ze tal van levens totaal verschillende richtingen op gestuurd. Miljoenen mensen keren niet meer terug naar hun arbeidsroutine van vóór de pandemie. Dit dwingt zowel werkgevers als werknemers om nieuwe modellen te bedenken die aan hun veranderende behoeften voldoen. Uit al die probeersels met hybride modellen rijst een cruciale vraag op: hoeveel werk volstaat?

    Solliciteren

    Thomas Edison zou in de jaren 1920 sollicitanten een kom soep voor hun neus gezet hebben met zout en peper ernaast. Als ze de soep op smaak brachten voordat ze een hap namen, werden ze afgewezen: hij wilde niet dat mensen die hij in dienst nam zich door aannames lieten leiden.

    De soeptest wordt niet meer gebruikt, maar generaties werkzoekenden bereiden zich nog altijd voor op de klassieke verwachtingen waaraan zij denken te moeten voldoen. Je moet je opdoffen. Je moet doen alsof projectmanagement, of data-entry, of telemarketing je enige echte passie is. Je moet een antwoord hebben op stompzinnige vragen als: beschrijf jezelf in één zin. Of noem je grootste zwakte. Uit een onderzoek uit 2017 bleek dat 73 procent van de sollicitanten zegt dat het zoeken naar een baan een van de stressvolste ervaringen in hun leven is. Het is daarom steeds gebruikelijker dat sollicitanten vooraf een lijst met interviewvragen krijgen, zodat kandidaten doordachte antwoorden kunnen geven. ‘Een sollicitatiegesprek moet niet onnodig eng of moeilijk zijn en het moet niemand opzettelijk laten struikelen,’ zeggen hr-managers.

    The Wall Street Journal meldt dat meer docenten studenten helpen met ­elementaire basisvaardigheden, zoals sollicitatiebrieven schrijven en mensen bij hun naam noemen als ze met hen praten. Ze hopen dat deze cursussen de generatiekloof zullen helpen overbruggen en de scholieren zullen helpen bij het voeren van een geslaagd sollicitatiegesprek.

    De postpandemische veranderingen en experimenten kunnen in ieder geval in ontwikkelde landen leiden tot een revolutie op de arbeidsmarkt die niet meer is vertoond sinds de industriële revolutie, toen de overgang van landbouw naar fabriekswerk diepgaande veranderingen in werkomgeving, arbeidstijden en loon tot gevolg had. De huidige veranderingen kun je op twee niveaus bekijken. Op macroniveau ontstaat er geleidelijk een nieuwe balans tussen werk en privé. Met de nadruk op ‘geleidelijk’, zoals het ook een halve eeuw aan arbeidsconflicten, vakbondsacties en bedrijfsexperimenten duurde voordat de werkdag in de Verenigde Staten terugging van veertien naar acht uur en de werkweek van zeven naar vijf dagen.

    In 1914 verbaasde de Ford Motor Company concurrenten door de werkdag te beperken tot acht uur en werknemers een minimumloon van 5 dollar per dag uit te betalen. Het Congres maakte deze innovatie in 1938 tot wet, de Fair Labor Standards Act, en zo ontstond wat cultuurhistoricus Fred Turner het ‘sociaal pact uit het industriële tijdperk’ noemt. Evenzo leidden recente experimenten met een 32-urige werkweek tot gunstige effecten: minder vermoeidheid, een betere geestelijke gezondheid en een tevredener levensgevoel. Sterker, wie zijn week eenmaal zo heeft ingedeeld, wil meestal niet meer terug.

    Nieuwe arbeidsroutine

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen. Tijdens de lockdowns moesten veel werknemers zich een nieuwe arbeidsroutine aanwennen; daarbij genoten ze van de mogelijkheid om te pauzeren, meer tijd met hun dierbaren door te brengen en te sporten zonder de stress van het woon-werkverkeer of van de kantooromgeving. Deze ervaringen droegen later bij aan de zogeheten Great Resignation [grote ontslaggolf] in de VS en een toenemende populariteit van ‘quiet quitting’ [het afzweren van overwerk en andere overbodige inzet voor je werkgever]. 

    Dus toen bedrijven hun werknemers begonnen te verzoeken om terug te keren naar de status quo van vóór de pandemie, leidde de vraag ‘Hoeveel werk volstaat?’ al snel tot een andere: ‘Volstaat waarvoor?’ Om de kost te verdienen? Om aan de productiviteitsverwachtingen van werkgevers te voldoen? Om te voorzien in ons streven naar geluk, of misschien om met pensioen te kunnen gaan? De antwoorden variëren al naargelang wie de vraag stelt en wie erop ingaat. Voor miljoenen werknemers met een laag inkomen is het antwoord eenvoudig: ‘volstaan’ betekent het verdienen van een loon waarmee ze zichzelf en hun gezin kunnen onderhouden.

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen

    Onder degenen die het zich kunnen veroorloven om tijd en geld tegen elkaar af te wegen, komen twee groepen werknemers naar voren in de brede discussie over wat een adequate hoeveelheid werk precies inhoudt. De eerste groep bestaat uit zorgverleners, een sector die nog steeds gedomineerd wordt door vrouwen, maar geleidelijk meer mannen aantrekt. In de arbeidseconomie verwijst ‘werk’ traditioneel naar betaalde arbeid waarbij goederen en diensten worden geproduceerd in ruil voor een geldelijke vergoeding. Maar sinds de integratie van vrouwen in de beroepsbevolking (inclusief die van arbeidseconomen) heeft het onderzoeksveld zich uitgebreid naar onbetaald werk. Dit omvat een gezin stichten, een thuis scheppen en in de behoeften voorzien van degenen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Dit zorgwerk is, zoals de Amerikaanse activist Ai-jen Poo zegt, ‘het werk dat al het andere werk mogelijk maakt’. Voor velen heeft deze vorm van arbeid evenveel betekenis als hun formele baan, of zelfs meer.

    Als we met de vraag ‘hoeveel werk volstaat?’ ook onbetaald werk bedoelen, wordt duidelijk dat miljoenen mensen met zorgtaken en betaalde banen vaak veel langer moeten werken dan de traditionele achturige werkdag. Het is dan niet verwonderlijk dat velen, als ze de kans krijgen, ervoor kiezen het aantal betaalde werkuren te verminderen om voor anderen te kunnen zorgen. Gezien het sociale belang van zorgwerk moet deze onmisbare maar onbetaalde vorm van arbeid terug te vinden zijn in economische statistieken en door overheden worden erkend in hun uitkeringsbeleid.

    Vrije tijd als gegeven

    Amerikanen geloven over het algemeen heilig in een volledige werkweek. Werk is alles voor ons, schrijft geschiedenisprofessor James Livingstone in No More Work: Why Full Employment Is a Bad Idea.

    Een baan geeft zin, doel en structuur aan ons dagelijks leven; door je werk kom je je bed uit, kun je je rekeningen betalen en ontwikkel je een gevoel van verantwoordelijkheid, aldus Aeon. Maar zoals antropoloog David Graeber in zijn boek Bullshit Jobs: A Theory stelt, zijn er miljoenen zinloze banen waar geen haan naar zal kraaien als die opeens verdwijnen. Sinds de pandemie weten we ook welke banen wel en welke banen niet als essentieel worden gekenmerkt en dat je de typische van 9 tot 5-baan ook heel anders kunt invullen.

    Ook Livingstone vindt bovenstaande beweringen niet langer plausibel, want er is niet genoeg ‘zinvol’ werk voor iedereen en bovendien betaalt het in de meeste gevallen nauwelijks de rekeningen. De krapte op de arbeidsmarkt voor essentiële banen is weer een ander probleem, dat zou kunnen worden opgelost door omscholing, maar daar blijkt weinig animo voor.
    Net zoals in veel Europese landen ligt het werkloosheidscijfer in de VS al onder de 6 procent, wat dicht in de buurt komt van wat economen ‘volledige werkgelegenheid’ noemen, maar de inkomensongelijkheid is niet veranderd. De zogeheten bullshit jobs lossen de sociale problemen niet op. Bovendien voorspellen economen dat bijna de helft van de bestaande banen binnen twintig jaar zal verdwijnen door automatisering. Daarom, stelt Livingstone, zullen we ons een wereld moeten voorstellen waarin werk niet langer zaligmakend is noch ons inkomen bepaalt of ons dagelijks leven domineert.

    Wat zouden we doen als we niet meer hoefden te werken om in ons levensonderhoud te voorzien? vraagt hij zich af. Als we meer vrije tijd zouden hebben? Die door een falende arbeidsmarkt afgedwongen ethische en morele omslag houdt in dat er een heel nieuw referentiekader bedacht moet worden voor de betekenis van werk, aldus Livingstone. Over de gevolgen voor de economie moeten economen zich op hun beurt buigen.

    Tegencultuur

    Een andere belangrijke groep werknemers die zich afvraagt ‘hoeveel werk volstaat’, bestaat uit jonge mensen, met name jongere millennials en leden van generatie Z, van wie velen tijdens de pandemie hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten. Net zoals veel jonge mensen in de jaren zestig de tegencultuur omarmden – ‘turn on, tune in, drop out’ – en het conformisme van hun ouders verwierpen, zetten veel gen Z’ers nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur, die ze geneigd zijn te verwerpen als het zoveelste giftige product uit Silicon Valley.

    Gen Z’ers zijn opgegroeid in twee tumultueuze decennia, getekend door de terroristische aanslagen van 11 september, de introductie van de smartphone en sociale media, de financiële crisis van 2008 en de pandemie. Tegenwoordig worden ze geconfronteerd met neerwaartse sociale mobiliteit, tegen de achtergrond van een toenemende politieke polarisatie die de democratie onder druk zet, en een dreigende klimaatramp. Dit alles in aanmerking genomen is het niet vreemd dat ze kritisch staan tegenover de levenswijze van hun ouders en zich richten op het behoud van hun eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid.

    Veel gen Z’ers zetten nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur

    Gen Z-iconen zoals turnster Simone Biles en tennisster Naomi Osaka, die zich terugtrokken uit grote sportevenementen om hun geestelijke gezondheid te beschermen, toonden de drive, het lef en het uithoudingsvermogen die nodig zijn om uit te blinken op het hoogste niveau. Maar door het idee te verwerpen dat hun waarde – zeker als prominente vrouwen van kleur – afhangt van de verwachtingen van anderen, lieten ze perfect zien dat persoonlijk welzijn niet mag worden opgeofferd aan goedkeuring van buitenaf. Hun besluit dat het leven om meer moet draait dan om productie en succes alleen is een daad van verzet tegen het kapitalisme zelf.

    Sinds de opkomst van ChatGPT en zijn concurrenten draait de discussie over de toekomst van werk om de mate waarin menselijke arbeid noodzakelijk blijft. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunstmatige intelligentie de arbeidsmarkt stevig zal ontwrichten, doordat traditioneel werk en arbeidsomgevingen uit het industriële tijdperk overbodig zullen worden. Maar ongeacht wat ons te wachten staat, kunnen we de vraag waar en hoelang we werken niet beantwoorden zonder eerst de meest fundamentele vraag te beantwoorden: waarom we werken.

    Het is geen kwestie van ‘niet willen’

    Er wordt vaak gezegd dat jonge mensen ‘niet willen werken’, maar klopt dat wel? Dat vroeg de Mexicaanse arbeidsmarktonderzoeker Nataly Hernández zich af in zakenkrant El Economista. Ook Mexicaanse bedrijven kunnen moeilijk personeel vinden, ondanks het feit dat er 2 miljoen werkzoekenden zijn en 6 miljoen mensen in de beroepsgeschikte leeftijd zich momenteel niet op de arbeidsmarkt begeven.

    ‘Het is opvallend dat dit gebeurt in ons land, waar zo veel mensen willen werken, onder wie veel jonge mensen die met hun vaardigheden kunnen bijdragen aan de economie,’ aldus Hernández. Volgens haar zijn de beschikbare banen in Mexico slecht te combineren met een gezinsleven, door een gebrek aan flexibele werktijden en goede kinderopvang, waardoor vooral jonge vrouwen worden uitgesloten.

  • Vestagers plan voor een beter Europa

    Vestagers plan voor een beter Europa

    Volgens eurocommissaris Margrethe Vestager moeten alle lidstaten toegang hebben tot wetenschappelijk onderzoek van het hoogste niveau. En daarvoor moet iedereen toegang hebben tot digitaal onderwijs.

    ‘De belangrijkste les van de coronacrisis is dat digitaal onderwijs niet langer als een afzonderlijk eiland moet worden beschouwd, maar als een integraal onderdeel van elke vorm van onderwijs en opleiding.’ Dat zijn niet mijn woorden; ze zijn afkomstig van een docent die feedback gaf tijdens een stakeholdersvergadering. Volgens mij wordt een wezenlijk punt hiermee heel goed verwoord: digitaal onderwijs is inmiddels een integraal onderdeel van onze toekomst. Een uiterst belangrijke zaak.

    GettyImages 1229605958 2
    Twee leerlingen in Turijn volgen onlinelessen op de stoep van hun school uit protest tegen de lockdown in Italië. – © Nicolò Campo / Getty

    Daarom hebben wij voorgesteld om 20 procent van het Europees herstelfonds te investeren in de digitale transformatie. En twee van de zeven vlaggenschepen die we als prioriteiten in het herstel hebben bestempeld, zijn het bijscholen en omscholen van mensen en de modernisering van openbare onderwijsvoorzieningen.

    De eerste prioriteit richt zich op de factoren die digitaal onderwijs mogelijk maken. Wat moeten we doen om een digitaal onderwijssysteem te creëren dat goede resultaten boekt en voor iedereen werkt? 

    Zoals bij de meeste uitdagingen op onderwijsgebied moeten we jong beginnen. Daarom dienen we er allereerst voor te zorgen dat onze scholen voldoende zijn toegerust voor hun digitale transformatie. Er zal specifieke begeleiding worden ontwikkeld om ze in dit proces bij te staan. Daarbij zullen alle aspecten onder de loep worden genomen, van basale technologische apparatuur tot bijscholing van docenten op het gebied van innovatieve leermethoden.

    Momenteel heeft meer dan een op de vijf jongeren onvoldoende digitale basisvaardigheden

    Modernisering van het onderwijs gaat ook over het aanpassen van lesstof en leermethoden aan een compleet nieuwe technologische realiteit. We zullen een raamwerk ontwikkelen voor de inhoud van het digitaal onderwijs en met richtlijnen komen voor het gebruik van kunstmatige intelligentie en data bij het doceren en leren. Zo zorgen we ervoor dat we bij het doceren en leren het best en het veiligst gebruik kunnen maken van technologie.

    Onze tweede strategische prioriteit behelst het versterken van digitale vaardigheden en competenties. Momenteel heeft meer dan een op de vijf jongeren onvoldoende digitale basisvaardigheden. Mensen toegang geven tot bij- en omscholing is een absolute noodzaak. Om dat te bereiken moeten we er natuurlijk eerst voor zorgen dat docenten zelf zeker zijn van hun zaak en in staat zijn de juiste vaardigheden te verwerven. Daartoe zullen we onze huidige competentieprogramma’s uitbreiden. Tegelijkertijd zal er een nieuw certificaat worden gecreëerd dat als een soort ‘paspoort’ zal dienen, waarmee alle Europeanen hun digitale bekwaamheidsniveau kunnen aangeven. Een beetje zoals wat we nu al voor talen hebben, met allerlei verschillende scores waaruit je eventuele toekomstige werkgever kan opmaken hoe goed je Frans, Engels of Roemeens is.

    Net als bij ons onderwijsstelsel zal er geen digitale en groene transitie mogelijk zijn zonder een goed functionerend onderzoekssysteem. Een onderzoekssysteem dat voor baanbrekende en verkoopbare innovatie kan zorgen. En daarom is het tweede onderwerp waarover ik het wil hebben een nieuwe Europese Onderzoeksruimte.

    Onderzoek en vernieuwing

    Een vernieuwde Europese Onderzoeksruimte kan alleen tot bloei komen als we excellentie vooropstellen. De reusachtige verschillen die er momenteel in Europa bestaan qua investeringen in – en kwaliteit van – onderzoek leiden tot verloren kansen en verloren mogelijkheden. Alle lidstaten moeten daarom in staat worden gesteld wetenschappelijk onderzoek van het hoogste niveau op te zetten. Wij stellen voor dat lidstaten die nu onder het EU-gemiddelde zitten de komende vijf jaar hun totale investering in onderzoek en ontwikkeling (O&O) met 50 procent verhogen. Om hun onderzoekssystemen te hervormen en hun ambitie te vergroten, kunnen ze een beroep doen op EU-steun en dit onderdeel maken van hun herstelplan.

    We moeten ervoor zorgen dat de economie sneller baat heeft bij onderzoek en vernieuwing.

    Daarnaast stellen wij voor dat alle lidstaten boven op de doelstelling van 3 procent van het bnp, afkomstig van zowel private als publieke investeringen, hun publieke O&O-investeringen verhogen van de huidige 0,81 procent van het bnp tot 1,25 procent in 2030; ook willen we dat ze zich erop vastleggen om 5 procent van dit bedrag te bestemmen voor gemeenschappelijke programma’s en partnerschappen.

    Niet in de laatste plaats moeten we zorgen dat de economie sneller baat heeft bij onderzoek en vernieuwing. De excellentie van Europese onderzoekers wordt tastbaar en zichtbaar wanneer hun innovaties deel gaan uitmaken van ons dagelijks leven. Dit gebeurt gewoonlijk wanneer het hele onderzoekssysteem – of het nu gaat om universiteiten, industrie of openbare instellingen – samenwerkt om nieuwe inzichten de lange weg van initieel onderzoek naar vermarkting te laten afleggen.

    Dit is gebeurd met een van onze projecten, het Grafeen Vlaggenschip. In 2013 staken academische en industriële onderzoekers de koppen bij elkaar en beloofden ze grafeen gezamenlijk vanuit de laboratoria op de Europese markt te brengen. Tien jaar later spreekt het resultaat voor zich. We gebruiken grafeen in batterijen met een hoge capaciteit, in vliegtuigonderdelen en in motorhelmen, om maar een paar toepassingen te noemen. We hebben meer van zulke succesverhalen nodig.

    Ten slotte moeten we Europa helpen talenten aan te trekken en te behouden. Dit begint met de ontwikkeling van een toolkit om onderzoekers te ondersteunen. Daarbij zal naar alle aspecten van hun carrière worden gekeken, van mobiliteit tussen industrie en universiteit tot gerichte opleidingen. En dit zal als een pijplijn voor talent fungeren.

    Afsluitend kunnen we zeggen dat het Actieplan voor digitaal onderwijs en 
    de nieuwe Europese Onderzoeksruimte één en hetzelfde doel dienen: behalve dat ze ons voorbereiden op toekomstigeuitdagingen die vergelijkbaar zijn met die waarmee we ons momenteel geconfronteerd zien, moeten ze zodanige omstandigheden creëren dat Europa optimaal kan profiteren van zijn gezamenlijke digitale en groene transitie. Want die twee zijn momenteel harder nodig dan ooit.