Tag: trauma’s

  • Het leven in Turkije na de aardbeving: ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is’

    Het leven in Turkije na de aardbeving: ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is’

    Tijdens de aardbeving in Turkije zes maanden geleden verloor Turgut Aslantürk alles. Zijn vader, zijn broer, vrienden, buren. En zijn aanstaande bruid. Hij stopte met praten en op een gegeven moment ook met zoeken. Hij leeft nog, maar dat is alles.

    ‘We zijn gestorven,’ zegt hij later. Wat natuurlijk niet klopt – die zin kan niet bestaan. Niet in de eerste persoon meervoud in de voltooid tegenwoordige tijd. Maar toch is zijn uitspraak waar.

    De laatste minuut van wat zijn leven was, begon om 4.16 uur op 6 februari. Hij had nachtdienst, hij was wakker, hij stond in het uniform van zijn beveiligingsbedrijf bij de ingang van de kliniek waar hij werkt als bewaker. In Kahramanmaras, een kleine stad in Zuid-Turkije, hoog gelegen, koud in de winter, warm in de zomer, nog altijd arm.

    Noodlot, geluk, toeval – zijn rooster zorgde ervoor, als je het zo wilt noemen. Hoe dan ook, Turgut Aslantürk was niet thuis en lag niet in zijn bed toen het plafond naar beneden kwam, samen met beton en staal. Het appartement waar hij met zijn familie woonde en dat instortte, lag op de vierde verdieping van een gebouw met zeven woonlagen. In zijn woorden ‘stortte de wereld in boven onze hoofden’. Om 4.17 uur ’s ochtends schudde de aarde. Daarna deed tijd er niet meer toe.

    Tijdlijn vol overledenen

    Hij vertelt dat hij ’s nachts onmiddellijk vertrok. Weg van de kliniek – hij moest naar huis, checken, weten wat er aan de hand was. Onderweg belde hij zijn vader. Geen antwoord. Toen stond hij voor het huis dat hij een paar uur daarvoor had verlaten om naar zijn werk te gaan. Althans, hij stond voor wat zijn huis was geweest. Een nieuwe woonwijk, pas een paar jaar geleden gebouwd. De huizen moesten tegen elkaar zijn gezakt en toen zijn ingestort. Het duurde even voordat hij doorhad op welk deel van de berg puin zijn huis eindigde en dat van de buren begon.

    Urenlang stond hij daar. Hij ging niet weg. Alle drie werden ze op de eerste dag gevonden: zijn ouders en zijn broer. Hij zag hoe de reddingswerkers de lichamen wegdroegen. Zijn moeder ademde nog. Ze was de enige overlevende van de vijf in het huis, vijf van de honderdzeventig totaal. Dat was zijn kans op overleven geweest als hij in zijn bed had gelegen. Geluk?

    Zes maanden later vertelt hij over zijn tijdlijn op Instagram. Die stopte die nacht als een klok, net als zijn leven. Het is een tijdlijn vol overledenen – veel mensen zijn er niet meer. Turgut Aslantürk scrolt door de foto’s van de doden. Meer dan vijftigduizend mensen stierven alleen al in Turkije door de aardbeving, tienduizenden daarvan in Kahramanmaras. Op zijn Instagram-feed telt hij honderd doden. Zijn vader, zijn broer. Vrienden. Buren. Zijn bruid ook, zijn aanstaande bruid. Het zal nog even duren voordat hij haar naam noemt.

    We zijn gestorven, zegt hij. Zijn leven hield op. En toch wordt hij gewoon elke ochtend wakker, als hij tenminste geslapen heeft, of hij wil of niet. Het wordt licht, het wordt zomer. Hoe gaat het verder? Gaat het verder?

    De eerste keer dat ik hem ontmoette, was hij op zoek naar iets. Een stoere kerel, maar niet onvriendelijk. Eentje met een kaal hoofd, een klein snorretje, 34 jaar oud. De werkers kenden hem al. Met hun graafmachines groeven ze het puin weg van wat drie weken eerder zijn huis was geweest. En nu was hij, Turgut Aslantürk, de enige die hier nog elke dag kwam.

    Niemand verwachtte nog iets uit het puin, de laatste stemmen van de slachtoffers waren verstomd, er waren geen wonderen meer te verwachten, er lagen alleen nog dode mensen onder. Alles wat ooit bezit was lag er, ontwricht, vastgeklemd tussen stukken muur en ijzerdraad. Alle spijkerbroeken, schoolboeken, slippers. Een samengeperst leven.

    Turgut Aslantürk leek verlegen. Hij keek je niet aan, keek je niet in de ogen, hij richtte zijn blik op een punt ergens in de verte. Hij droeg de zwarte jas van zijn beveiligingsbedrijf, een zwarte broek, een zwarte rugzak op zijn rug. Zo liep hij tussen de graafmachines door over het met puin bezaaide terrein. Te midden van het stof en het gebrul van de machines. De andere overlevenden kwamen niet meer, die waren vertrokken naar de tentenkampen, ze bleven weg. Waar kwam hij voor?

    ‘Om iets te vinden,’ zei Turgut Aslantürk.

    Eén procent

    Hij had een soort van speciale vergunning, afgegeven door de graafmachinisten, hij mocht op de puinhoop komen. Bijna niemand anders mocht dat, het was te gevaarlijk. Alleen hij, want het was gewoon zijn adres. Een goed adres, had hij destijds gedacht. Naast het puin stonden nog de reclameborden van de bouwbedrijven: een nieuwe wijk, zoals overal in Turkije. Moderne gevels voor de Turkse middenklasse. Erdogans brave new world, snel gebouwd. Te snel.

    Enorme woede voelde hij op die koude dag in februari, twee weken later, toen er nog steeds sneeuw lag op de bergen boven Kahramanmaras. Nog niet alle doden lagen onder de grond – ze werden nu begraven in massagraven buiten de stad. ‘Ze moeten gestraft worden.’ Dat bleef hij maar zeggen. Met ‘ze’ bedoelde hij de regering. Erdogan, die hier altijd driekwart van de stemmen kreeg. Hij riep het tegen het lawaai van de gravers: ‘Slechte bouw! Slecht cement! Slechte grond!’ Vroeger was hier een moeras, en een akker. De moderne gevels die erop werden gezet, zijn ingestort.

    Turgut Aslantürk was op zoek naar iets wat hem zou verbinden met zijn leven van voor 6 februari

    En nu waren ze alles al aan het wegscheppen, aan het platwalsen als schroot. En hij dan? Hij had niets, helemaal niets. Hij had alleen nog wat hij de avond ervoor had meegenomen naar zijn nachtdienst. Wat zocht hij? ‘Iets persoonlijks.’ Hij was op zoek naar iets, zei hij, wat van zijn familie was geweest. Een foto misschien. Iets. ‘En het oude zwaard.’ Een erfstuk. Een stuk uit de Ottomaanse tijd, niet waardevol, maar wel iets ‘uit ons verleden’. Turgut Aslantürk was op zoek naar iets wat hem zou verbinden met zijn leven van voor 6 februari. Iets om aan te raken. Iets om te kunnen geloven dat dat leven echt had bestaan. In die tijd ging hij nog elke dag naar zijn werk, altijd in dezelfde kleren. Na afloop nam hij dan de bus naar het centrum, net als vroeger, de oude weg naar huis. Dan zocht hij een tijdje in het puin, maar vond geen zwaard, vond helemaal niets. ’s Avonds ging hij naar een van de opvanglocaties voor slachtoffers van de aardbeving in een basisschool, en ging dan in een hoekje liggen slapen.

    Alleen zijn. Turgut Aslantürk wilde niets liever dan dat. Hij wilde urenlang door het puin lopen, alleen tussen de graafmachines, strijdend met hun schoppen. Maar elke dag werd het minder waarschijnlijk dat hij nog iets zou vinden. ‘Eén procent.’ Zo hoog schatte hij zijn kansen in. Hij wist dat die eigenlijk nog dichter bij nul lagen. Maar hij kon er niets aan doen. Morgen zou hij terugkomen, zei hij.

    Hij was al bijna vertrokken, maar toen begon hij te smeken. De stoïcijnse Turgut Aslantürk – de man alleen op de berg puin, de man die even boos werd, maar die verder zijn kalmte had bewaard – vergat zijn trots. ‘Kan niemand me dan helpen? Kunnen jullie in Istanbul vragen wie me zou kunnen helpen? Is er dan helemaal geen hulp? Helemaal niets?’ Toen draaide hij zich om, naar de ravage van zijn huis om opnieuw in het puin te duiken.

    Ademhalingsoefeningen

    Een containerlandschap moest het nieuwe centrum worden van zijn stad, van Kahramanmaras. Vlak naast de ingestorte huizen van zijn wijk. Bakkerijen. Banken. Mobieletelefoonwinkels. Alles in containers naast elkaar, een winkelcentrum van blik. Het zou eruit moeten zien alsof het leven in de lente normaal doorging, maar nu zag het er alleen maar doods uit. Bussen met forenzen reden door het kapotte stadscentrum – het leven van alledag ging door, zij aan zij met de ramp. In het blikken winkelcentrum, op de rand van een muurtje, zat Turgut Aslantürk. Hij had die dag vrij.

    Hij had niets meer, maar was nog steeds werknemer. Hij was de man van februari. Hij sprak in korte zinnen. Zinnen die niet tot een gesprek leidden, maar alleen tot stilte. Had hij iemand om mee te praten? ‘Niemand, er is niemand meer.’ Zijn moeder? ‘Ze ligt in het ziekenhuis.’ In shock, net als hijzelf. Psychologische hulp? Hem waren ademhalingsoefeningen geadviseerd. ‘Dat helpt misschien twintig procent.’

    Zo zat het dus, hij was twintig procent oké. Hij woonde in de school, nog steeds. In Kahramanmaras waren de huren na de beving gestegen, ze waren verveelvoudigd. Mensen van de gemeente gingen rond en controleerden de onbeschadigde huizen op bestendigheid tegen aardbevingen. Naar verluidt sloegen ze binnen op de muren, waarna ze de huizen veilig verklaarden. Die werden zo gewild dat bijna niemand ze kon betalen. Maar veilig? Wie moest dat geloven?

    Turgut Aslantürk wilde weg. Nee, hij was niet meer de man die hij in februari nog was. Een maand lang, tot in maart, was hij elke dag naar de puinhoop van zijn huis gegaan en had hij niets gevonden. Nu vermeed hij de aanblik, vermeed hij de buurt en het liefst zou hij de hele stad, en nog liever het land, mijden. ‘Er zijn toch veel Turkse arbeiders in Duitsland?’ vroeg hij. ‘Kan ik daar niet heen? Wat doe ik hier nog?’

    Psychologen uit Istanbul en Ankara werkten nu als vrijwilliger in het aardbevingsgebied. In de containerstad beschreef Nazan Rümeysa Tekin – een therapeute uit Ankara en gespecialiseerd in trauma’s – wat er was gebeurd met iemand als Turgut Aslantürk. ‘Dit zijn de zwaarste gevallen,’ zei ze. ‘Dit zijn degenen die hun hele netwerk, alles, zijn kwijtgeraakt.’

    ‘Je bent niet gek geworden, er is alleen iets geks met je gebeurd’

    Volgens Nazan Rümeysa Tekin moet ze haar patiënten steeds opnieuw één ding vertellen, keer op keer: je bent niet gek geworden. Er is alleen iets geks met je gebeurd. Mensen durven amper gebouwen te betreden of te slapen, ze hebben angst voor de nacht. Om 4.17 uur kwam de beving als een nachtmerrie.

    Van elke vijf mensen die de beving hebben meegemaakt, is er een ernstig getraumatiseerd. Ze zouden hoofdpijn hebben van het geschreeuw. De psycholoog zegt dat het geschreeuw van degenen die door de aardbeving bedolven werden niet kan worden uitgewist, dat het in de geest blijft hangen. Voor altijd? ‘Het zal nooit zo zijn alsof je het niet hebt meegemaakt.’ Het enige wat je kunt doen, is proberen een nieuw leven op te bouwen. Nieuwe huizen, nieuwe vrienden. ‘Een mooi leven, misschien,’ aldus Nazan Rümeysa Tekin.

    Voor haar, 25 jaar oud en net van de universiteit, is het haar eerste crisismissie. ‘Maar zoiets als dit maakt iedereen eens voor de eerste keer mee,’ zegt ze in haar containerkantoortje.

    In april dacht Turgut Aslantürk na over hoe hij zijn schulden kan afbetalen. Want die waren er nog, net als zijn baan en de jas van zijn bedrijf. Zijn schuld bedraagt 70.000 Lira – voor de beving was dat zo’n 3500 euro. ‘Voor de bruiloft,’ vertelde hij. Voor de nieuwe flat met zijn bruid. Ze zouden het in de herfst vieren.

    Obstakel

    De derde ontmoeting. Hij staat op wacht voor zijn kliniek, in de namiddag, het is bloedheet, maar toch draagt hij zijn zwarte uniformjasje. Hij is altijd komen opdagen voor zijn dienst, elke dag. Dat is normaal, toch?

    Hij heeft even pauze. Turgut Aslantürk drinkt een kopje thee in de kantine, een container die voor de kliniek staat. Voor zijn werkplek. Binnen, in de kantinecontainer, doet de airconditioning haar werk. Verpleegkundigen eten toast, chocoladerepen. ‘We moeten weer bij zinnen komen,’ zegt hij. Zo begint het gesprek. Deze keer is hij aanweziger, maar zijn zinnen zijn nog steeds karig. Vandaag praat hij in ieder geval. Turgut Aslantürk vertelt. Over Seyma.

    Nou ja, vertellen is een groot woord. Het blijft een obstakel in het gesprek. Als je erover begint, slaat hij dicht. Geen details over haar, niets over hoe ze was. Een buurvrouw, een vriendin, jonger dan hij. Vijfentwintig. Wederzijdse vrienden stelden hen aan elkaar voor, een jaar voor de beving. Hij hield van haar vriendelijkheid, zegt Turgut Aslantürk. ‘Ze wilde altijd alles delen.’ Een goed mens. Zijn blik wordt nerveus, dwaalt af naar beneden, naar de tafel. ‘In september zouden we …,’ zegt hij. Trouwen.

    Nog geen vol jaar na de beving. Dan zouden ze hun intrek hebben genomen in een nieuwe flat, waarvoor Turgut Aslantürk al dingen had gekocht, de wasmachine, de televisie. Ze zouden met z’n tweeën verhuizen, misschien weg van het centrum. Verder weg, naar waar de meeste gebouwen overeind zijn gebleven, naar waar de overgrote meerderheid van de mensen het overleefd heeft. Waren ze eerder getrouwd, dan was de aarde later gaan schudden, slechts enkele maanden maar.

    Is dat wat hij denkt? Nu, een half jaar later? ‘Altijd,’ zegt Turgut Aslantürk. ‘Elke dag.’

    In april wilde hij niets liever dan vertrekken, nu trekt hij zich steeds verder terug. Hij slaapt nu in een containerkamp, maar niet samen met anderen in een container, ook al is er airconditioning. Hij woont in een tent. Alleen. Zo wil hij het. Hij heeft een deur die hij dicht kan doen. Van canvas weliswaar, maar het is een deur.

    Het moeilijke, zegt de psycholoog uit Ankara, is dat de aardbeving maar doorgaat voor sommigen. Door het leven in het kamp, door de noodtoestand. Het is moeilijk voor mensen om ermee in het reine te komen zolang zich niets nieuws voor hen aandient. Maar wat zou dat moeten zijn? Het kost tijd.

    De steden zijn in juli nog net zo kapot als in april en het leven is nog even provisorisch, met supermarkten in containers

    Zes maanden is niet lang. Als je voor de derde keer naar het aardbevingsgebied reist, verwacht je dat er iets veranderd is. Je ontmoet Turgut Aslantürk voor de derde keer, je ziet de ruïnes weer, de ravage en de graafmachines in het puin. Er ligt zoveel puin dat je er hele steden mee zou kunnen bedekken. De steden zijn in juli nog net zo kapot als in april en het leven is nog even provisorisch, met supermarkten in containers en daarnaast het dagelijkse leven van degenen die het geluk hebben dat hun huis nog overeind staat.

    Door de hitte ruik je nu de lijken. Vlak naast de ruïnes, op een bankje in het park, flirten twee jongens en twee meisjes met elkaar, het is zomer. Er is een oudere vrouw, die met haar auto rond de verwoeste huizen van familieleden rijdt, zoekend. Net als Turgut Aslantürk. Ze zoekt niet naar iets persoonlijks zoals hij, maar naar dingen die ze kan gebruiken. Ze komt net uit de ruïne van haar oom, een strijkplank in haar handen.

    Haar huid is rood van de zon, haar hand trilt. Dit is de eerste keer dat ze hier komt. Naar huis zou ze zeggen, als het niet zo fout zou klinken. ‘Eerst ging het niet,’ zegt ze. Een half jaar lang kon ze niets. ‘De eerste maand trilde ik alleen maar.’ Net als Turgut Aslantürk draagt ze een getal met zich mee. Ze noemt het meteen als haar gevraagd wordt of ze mensen is kwijtgeraakt. ‘Ja, dat ben ik,’ zegt ze. ‘Veertig.’

    Ze stopt de strijkplank in de auto en rijdt weg. Voor het huis van haar oom waait een vel papier op door de wind. Het is een CV van een jonge vrouw, ingenieur, heel goed in Microsoft Excel.

    Geen plannen

    Op dezelfde dag ontmoet je twee andere vrouwen, allebei voor het eerst in de stad sinds de aardbeving, allebei lopend tussen het puin. De ene huilt stilletjes, de andere luid. Ze lopen door hun stad alsof de aardbeving gisteren heeft plaatsgevonden. Geschokt door wat ze zien. De meeste anderen doen alsof de ruïnes normaal zijn en schenken er geen aandacht meer aan. Schok en onverschilligheid, er zit maar weinig tussen.

    Ook voor hem, voor Turgut Aslantürk. Hij heeft niet alleen de anderen verloren, maar ook zichzelf. Waarschijnlijk omdat een mens alleen bestaat in relatie tot anderen. Zonder de anderen weet hij niet meer wie hij is. Turgut Aslantürk kent zichzelf niet meer, dát is zijn verhaal.

    Nu, in juli, zijn de emoties opgelost, alsof hij niets meer voelt. Woede? Leidt tot niets. Zelfs woede op Erdogan of op de regering niet. In mei ging hij niet naar de stembus. Weggaan? Moeilijk. Hij laat het leven even los. Hij gaat aan het werk of bezoekt zijn moeder en doet dan van binnen zijn tent op slot. Er zijn geen plannen meer, zegt hij.

    Natuurlijk, hij is jong. Ooit zal hij weer in een flat wonen. Als er één ding is dat de Turkse regering kan, dan is het bouwen. De eerste bouwplaatsen in het aardbevingsgebied zijn al te zien, de president heeft iedereen nieuwe huizen beloofd voor volgend jaar. Experts zeggen dat dat niet kan, dat er weer te snel gebouwd wordt.

    Turgut Aslantürk zal zijn leven weer in elkaar moeten zetten, ooit zal hij zijn tent verlaten. Misschien neemt hij deze winter zijn intrek in een van de containers. Nieuwe mensen vinden, vrienden die zijn tijdlijn op Instagram tot leven brengen. Een vrouw als Seyma misschien, of iemand heel anders, iemand die hij niet meer met Seyma vergelijkt. Niet nu, maar over een half jaar. Nu is het nog te vroeg.

    ‘Het zal nooit zijn alsof het niet gebeurd is.’ Met die zin van de psycholoog zal hij moeten leven. Zelf zegt hij: ‘Het zal nooit meer hetzelfde zijn.’ De thee is op, wat valt er verder nog te zeggen? ‘Niets,’ zegt Turgut Aslantürk. Hij moet weer aan het werk, de kliniek bewaken.

    Vandaag en morgen ook en elke dag daarna.

  • De verkrachting van mijn kindertijd

    De verkrachting van mijn kindertijd

    De Britse concertpianist James Rhodes (1975), te gast op Crossing Border, 
werd als jongetje jarenlang misbruikt door zijn gymleraar. Het had hem 
waarschijnlijk de dood ingejaagd, als hij niet was gered door de muziek. 
In zijn ophefmakende memoir James Rhodes, pianist schrijft hij eerlijk, 
openhartig en met zwartgallige humor over de strijd met zijn demonen.

    Ik zit op school en voel me niet erg op mijn gemak. Het is immers ‘de grote school’. Ik ben een nerveus kind. Verlegen, maak het anderen graag naar de zin en wil aardig gevonden worden. Ik ben tenger, een mooie jongen met een meisjesachtige aanblik. De school zelf is chic, duur, staat in dezelfde straat waar we wonen en is gigantisch, in mijn kleine ogen. Ik ben vijf jaar oud. Ik heb niet veel vrienden en dat maakt me weinig uit. Ik ben ‘gevoelig’, maar niet achterlijk of onbeholpen. Gewoon een beetje anders dan anderen. Ik hou van dansen en muziek en ik 
heb een levendige fantasie. Ik heb geen last van alle ballast waar volwassenen onder gebukt lijken te gaan, en zo hoort het ook. Mijn kleine wereld wordt langzaam groter, ontvouwt zich voor me en er is 
veel te ontdekken op school. Alweer zoals het hoort.
    Op een dag (ik ben geneigd te zeggen: ‘op een dinsdag’, maar het is meer dan dertig jaar geleden en ik heb geen flauw idee welke dag van de week het was) ging ik met de rest van de klas naar de gymzaal. Mijn eerste gymles maakt me bang. De andere kinderen lijken te weten wat ze moeten doen. Ze kunnen touwklimmen, ze storten zich op een voetbal en 
krijsen van plezier. Ik ben meer het type kind dat ‘toekijkt vanaf de zijlijn’. Maar meneer Lee, onze leraar, lijkt dat geen probleem te vinden. Hij werpt me telkens een bemoedigende, vriendelijke blik toe. Alsof hij weet dat ik een beetje onzeker ben, maar aan mijn kant staat en daar geen enkel probleem mee heeft. Dat blijft allemaal onuitgesproken, 
maar het voelt oprecht, gemeend, veilig. Als vanzelf kijk ik tijdens de les steeds vaker zijn kant op.
    En jawel hoor, elke keer als ik kijk, vang ik zijn blik, en zijn ogen lichten een beetje op. Hij glimlacht naar me op een manier die geen van de andere jongens zou opvallen, en op een diep, onaantastbaar niveau weet ik dat die glimlach speciaal voor mij bestemd is. Als hij naar me kijkt, heb ik het gevoel alsof het kabaal, de drukte en het gedrang verdwijnen en er een regenboogkleurige schijnwerper op me gericht wordt die alleen hij en ik kunnen zien.
    En zo gaat het elke keer als ik les van hem heb. Hij schenkt me net genoeg aandacht om me het gevoel te geven dat ik best bijzonder ben, maar niet zo veel dat het opvalt. Maar wel genoeg om enthousiast te worden over gymles. Wat een prestatie van formaat is. Ik blijf me voor hem uitsloven, zodat hij me nog wat meer aandacht geeft. Ik stel vragen en geef antwoord, ren harder, klim hoger, klaag nergens over, zie erop toe dat mijn gymspulletjes schoon en netjes op orde zijn. Ik weet dat hij op een dag over de brug zal komen. En ja hoor, na een paar weken vraagt hij me om na te blijven en hem te helpen met opruimen. En dat voelt alsof ik de loterij gewonnen heb, met gevoel van eigenwaarde als jackpot. Een speciale 
prijs die zegt: jij bent het fijnste, leukste, schattigste en briljantste kind aan wie ik ooit les heb gegeven 
en al je geduld wordt nu beloond. Mijn borst zwelt van trots.

    moe2
    Ik ben nerveus, verlegen, een mooie jongen met een meisjesachtige blik

    30 jaar gezwegen

    Dus ruimen we op en praten we. Als volwassenen onder elkaar. En ik probeer heel onverschillig te doen, alsof ik dat normaal vind en al mijn vrienden honderddertig jaar oud zijn en volwassen. En dan zegt hij: ‘James, ik heb een presentje voor je,’ en mijn hart blijft even stilstaan. Hij neemt me mee naar 
het hok waar alle gymspullen en zijn bureau en 
stoel staan, en hij rommelt wat in zijn bureaula. 
En verdomd, hij haalt zomaar een mapje lucifers tevoorschijn. In een felrode omslag. Nu weet ik dat 
ik niet met lucifers mag spelen. En hier staat deze ongelofelijk toffe kerel die me wat lucifers geeft en zegt dat het dik in orde is om er een paar aan te 
strijken. Ik vraag hem of hij zeker weet dat het mag en hij zegt nog eens dat ik mijn gang kan gaan en 
er eentje mag aansteken.
    Dus dat doe ik. Ik strijk een lucifer aan en wacht op de problemen die komen, het geschreeuw en getier. En als er niets gebeurt, als blijkt dat dit geen valstrik is, ga ik helemaal los. Grinnikend strijk ik de ene na de andere lucifer aan, met grote, glimmende ogen; 
ik ruik de zwavel, hoor het suizen van de vlam, voel de warmte tussen mijn kleine vingers.
    Tip voor ouders: als je een half uurtje rust wilt om een uiltje te knappen, geef je kleuter dan een doosje lucifers. Ze zullen er volledig door in beslag worden genomen. Dit zijn de mooiste dertig minuten uit mijn korte leventje. En ik ervaar dingen waar alle kleine jongens naar hunkeren: ik voel me onoverwinnelijk, volwassen, twee meter lang. Ik ben gezien.
    En zo gaat het door. Weken achtereen. Glimlachjes, knipoogjes, bemoedigende gebaren, zakmessen, 
aanstekers, stickers, chocoladerepen, superhelden. Een zippo voor mijn zesde verjaardag. Stiekeme cadeautjes, speciaal voor mij bestemde gebaren en een uitnodiging om lid te worden van de naschoolse boksclub.
    En daar gaat alles fout.
    Het is belangrijk om te weten dat ik zelf voor die bokslessen koos. Ik werd gevraagd en ik zei ja. Het was hoe dan ook een bewuste keus. Het werd me 
niet opgedrongen. Deze man, deze filmster met wie ik graag bevriend wilde zijn omdat hij me aardig vond en mij het gevoel gaf dat ik bijzonder was, vroeg of ik iets met hem wilde doen na schooltijd, en ik zei ja. Mijn eigen Fight Club.
    Zoals Tyler Durden ons leerde in die film, is de eerste regel van de Fight Club dat we nooit praten over de Fight Club. Een dat heb ik bijna dertig jaar niet gedaan. Maar nu wel.

    Ogenschijnlijk leek alles normaal, ik leefde op de automatische piloot

    Verkrachting

    Misbruik. Wat een woordkeuze. Je kunt het beter verkrachting noemen. Misbruik is als je een hoge functie hebt en vriendjespolitiek bedrijft. Een veertigjarige man die zijn pik met grof geweld in de kont van een jongetje van zes steekt, dat noem je geen misbruik. Het komt zelfs niet in de buurt. Dat is een gewelddadige verkrachting. Die leidt tot meerdere operaties, littekens (vanbinnen en vanbuiten), tics, dwangneurosen, depressiviteit, zelfmoordgedachten, ernstige zelfbeschadiging, alcoholisme, drugsverslaving, ronduit gestoorde seksuele afwijkingen, onzekerheid over het eigen geslacht (‘Je lijkt wel 
een meisje, weet je zeker dat je geen meisje bent?’), seksuele verwarring, paranoia, wantrouwen, 
dwangmatig liegen, eetstoornissen, posttraumatische stressstoornis (ptss), dissociatieve identiteitsstoornis (did – een chiquere term voor een meervoudigepersoonlijkheidsstoornis) en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

    Het leek onvermijdeljk dat mijn zoon hetzelfde zou overkomen als mij

    Letterlijk van de ene op de andere dag was ik totaal veranderd: van een dansend, springend, giechelend, levendig kind dat genoot van de beschutting en het avontuurlijke van een nieuwe school werd ik een contactgestoorde robot met loden voeten en doffe ogen. Het kwam als een ongelofelijke schok, alsof je naar volle tevredenheid over een zonnig pad loopt 
en er ineens een luik onder je voeten opengaat waardoor je in een ijskoud meer plonst.
    Wil je weten hoe je een kind van zijn hele kind-zijn kan beroven? Neuk hem. Neuk hem herhaaldelijk. 
Sla hem. Hou hem vast en duw dingen in zijn kont. Vertel hem dingen over hemzelf die alleen kleine kinderen voor waar aannemen, voordat hun gevoel voor logica en rede volledig ontwikkeld is, en dan zullen die dingen hem gaan beheersen en een 
onveranderlijk deel van zijn wezen gaan uitmaken. De reden dat ik dit pijnlijke, verschrikkelijke verhaal met je deel, is eenvoudig dit: de eerste keer in dat vergrendelde materiaalhok betekende voor mij een definitieve, permanente verandering. Vanaf dat moment was ik voor het grootste, waarachtigste 
deel aanwijsbaar, misselijkmakend anders.

    Rhodes wordt vijf jaar lang misbruikt op de Arnold House school in Noord-Londen. Later bezoekt hij 
de Harrow school, waar hij bevriend raakt met 
toekomstig acteur Benedict Cumberbatch (Sherlock 
Holmes). Als hij achttien is gaat hij studeren in Edinburgh, maar door zijn destructieve levensstijl en drugsgebruik moet hij worden opgenomen. Op zijn twintigste, weer afgekickt, gaat hij psychologie studeren, waarna hij een baan vindt in de City. Zijn droom om pianist te worden lijkt voorbij, en hij stopt naar eigen zeggen volledig met spelen.

    Werk in de city

    Ogenschijnlijk leek alles normaal. Je studie afmaken, een bul krijgen, een baan, carrière maken, verliefd worden, trouwen, een gezin stichten. Dit was wat 
er met me gebeurde en ik had geen benul, was niet in staat om het een halt toe te roepen. Ik deed dat allemaal in de volstrekt misplaatste overtuiging dat iemand zoals ik, met mijn voorgeschiedenis en mijn hoofd, zoiets voor elkaar kon krijgen.
    Nog steeds geen piano, geen zelfonderzoek, geen verleden, geen besef van wie ik ben of hoe ik was. 
Ik leefde op de automatische piloot. En godskolere, het verbaast me nog steeds hoe gemakkelijk dat 
me af ging.
    Voor mijn werk moest ik advertentieruimte en redactionele artikelen in financiële bladen die niemand las aan internationale bedrijven verkopen. En aangezien je daarvoor oudere mannen moest manipuleren, voorliegen en inpalmen, kon ik dat als geen ander. Behalve een bescheiden basisloon kreeg ik provisie voor elke klant die ik binnenhaalde, en terwijl mijn vrienden begonnen met twintigduizend pond per jaar, haalde ik met gemak drie- tot vierduizend pond per week binnen, terwijl mijn werkdag om vijf uur stopte en ik elk weekend vrij had.
    Ik nam meisjes mee naar de allerduurste hotels, kocht onvoorstelbaar idiote cadeaus voor ze, reisde de wereld rond, liet maatpakken maken, at in restaurants 
waar alleen al een voorgerecht duurder was dan een maaltijd voor vier bij de Pizza Express.
    En toen ontmoette ik de vrouw met wie ik zou trouwen. Het arme meisje maakte geen schijn van kans. Wat vrouwen betreft was ik niet zozeer een veroveraar als wel een gijzelnemer. En Jane (op haar verzoek gebruik ik niet haar echte naam) was de perfecte kandidate. Ze was mooi, tien jaar ouder dan ik, 
was al twee keer getrouwd geweest en leek te zijn ontsnapt aan de jaren twintig, de wereld van de 
Gatsby’s, de drooglegging en grootschalige feesten. Om eerlijk te zijn, ik zocht een moederfiguur, en zij… ik zou echt niet weten wat zij zocht, maar het kon onmogelijk mij zijn, tenzij dit een zeer misplaatste kosmische grap was. Toen ik in 2002 vader werd, zwollen de echo’s uit mijn verleden aan tot een noodkreet.

    Bang voor mijn zoon

    Jack (niet zijn echte naam, ook weer op verzoek van Jane) was een buitengewoon kind. Dat zegt elke ouder over zijn kinderen. Maar voor mij was hij, is hij en blijft hij voor altijd het aangrijpende toonbeeld van alles wat magisch is in deze wereld. Hoe ik verder 
ook over ons huwelijk denk, hij is verwekt uit liefde en verlangen. Hij was gewenst, hartgrondig gewenst, en meteen al vanaf het begin hebben we hem bewonderd en aanbeden.
    Toch raakte ik tot in het diepst van mijn wezen doordrongen van een kille, sluipende, groeiende overtuiging dat de vreselijkste dingen zouden gebeuren met datgene wat mij het liefst was. Zoiets angstaanjagends had ik nog nooit van mijn leven meegemaakt. Overal waar ik keek, zag ik enkel gevaar.
    Ik stond erop om het nachtelijk voeden voor mijn rekening te nemen. Wakker was ik toch wel. Angstig, overbezorgd.
    De positieve kant is dat hij en ik een enorm hechte band kregen. En ja, ik weet dat het ongezond is, 
maar ik leefde vierentwintig uur per dag met hem. 
Ik ademde hem in, kon geen genoeg van hem krijgen. Tot op de dag van vandaag zijn die momenten dat ik hem in mijn armen hield, diep in slaap, de gelukkigste, vredigste momenten uit mijn leven.
    In het kader van de verwoede race van de Londense middenklasse om hun kinderen op de beste school te krijgen, schreven we hem al jaren van tevoren in voor een hele reeks basisscholen. En de vragen die ik tijdens de kennismakingsgesprekken stelde, hadden niets 
te maken met de faciliteiten, het lesprogramma, de maaltijden en al die dingen meer. Dan zaten we daar in het kantoortje van de hoofdonderwijzeres, de muren bezaaid met foeilelijke, eerlijk gezegd nogal gemakzuchtige schilderijtjes van de kinderen, en vertelde ze ons: ‘Veel van onze leerlingen stromen door naar de betere middelbare scholen in Londen 
en vervolgens naar de meest gerenommeerde opleidingsinstituten en universiteiten van het land. We leggen niet alleen de nadruk op schoolprestaties, maar geloven ook in meditatie, pastorale zorg en zelfontplooiing door middel van teamwerk en een positieve sfeer’, enzovoorts enzovoorts.
    En dan vroeg ik, bleekjes en wantrouwig: ‘Hebben jullie ook mannelijke leerkrachten? Hoeveel? Zijn ze weleens met een kind alleen? Checkt u of ze bekend zijn bij de politie? Hangen er beveiligingscamera’s op school? Ook op de wc’s? Wie loopt met de kinderen mee naar de wc? Zijn ze daar alleen? Zijn er delen van het schoolgebouw buiten het bereik van die camera’s? 
Hoe gaat dat met het natrekken van referenties? 
Hoe grondig gaat u daarbij te werk? Wat doet u 
met kinderen die een ongelukkige indruk maken 
of mogelijk zijn mishandeld? Wat is de officiële 
procedure als er een verdenking is van misbruik? Staat die op papier? Mag ik een kopie?’
    Ik begon me steeds meer als een zombie te gedragen. Na een paar weken ging ik weer aan het werk en moest ik hem om zeven uur ’s ochtends achterlaten, en terwijl ik dan door de donkere straten van Londen reed, zat ik te janken achter het stuur. Ik wist wat mij overkomen was, enkel en alleen omdat ik een kind was. Het leek onvermijdelijk dat hem ook zoiets zou overkomen. Want zo zagen de kinderjaren eruit: als een oorlogszone, vol gevaar, bedreigingen, angst en pijn. En alleen al door hem op de wereld te zetten, had ik het gevoel hem regelrecht in die omstandigheden te hebben gebracht.
    Dus rond die tijd begon de façade die ik had opgetrokken af te brokkelen. Rond die tijd – wat de 
gelukzaligste tijd uit mijn leven had kunnen, had moeten zijn – zonk ik langzaam weg in een soort waanzin die ik me nooit had kunnen indenken.
    Ik zeg alleen dit: ik ben als kind verkracht. Vijf jaar lang had ik ongewenste seks met een dertig tot veertig jaar oudere man die drie keer zo groot was als ik: pijnlijke, heimelijke, kwaadaardige seks, vele tientallen keren. Ik werd een ding om te gebruiken. En de fysieke, mentale en geestelijke pijn, die waren nog 
te verdragen. Maar wat ze je niet vertellen, is dat 
die spoken uit het verleden hun koude, gruwelijke tentakels uitstrekken tot buiten jezelf. Ze zadelen je op met de onwrikbare overtuiging dat de kindertijd voor iedereen een enorme martelgang is en dat niets of niemand een kind daartegen in bescherming kan nemen. Alleen al door Jack op de wereld te zetten, was ik medeplichtig aan de ellende die hem ongetwijfeld nog te wachten stond. De klootzak die mij dit had aangedaan, had niet alleen mijn leven verwoest, maar door middel van mij verwoestte hij nu ook de jeugd van mijn kind. De fout lag bij mij. En die pijn kon ik niet verdragen. Hij had me mijn jeugd afgepakt. Hij had me mijn kind afgepakt. Hij had me het vaderschap afgepakt. En hij had erbij gelachen.

    Muziek

    Er gebeurden dingen met mij waar ik totaal van in 
de war raakte, omdat ik ze al in geen eeuwigheid had ervaren: ik huilde zonder aanleiding, kon onmogelijk slapen of juist alleen maar slapen. De tics uit mijn jeugd keerden terug – zenuwtrekjes, onwillekeurig gillen, ritmes tikken, eindeloos lampen aan- en uitklikken – en ik had nergens meer zin in, niet in eten, seks of tv kijken. Het licht doofde en ik had geen idee waarom en wat ik eraan kon doen. En dus zocht ik afleiding. Ik zocht een uitweg waar geen moord of zelfmoord aan te pas kwam. En alle wegen leidden naar de muziek. Als altijd. Musicus worden zat er niet meer in, als je in geen tien jaar een piano hebt aangeraakt is dat geen optie, wist ik, maar misschien kon ik impresario worden. Alles wat mij wegvoerde van de City en een beetje in de richting bracht van de muziek was een stap de goede kant op. En dus deed ik wat een arrogante lul uit de City in zo’n geval doet: ik zocht contact met de impresario die de belangen behartigde van de grootste pianist ter wereld en vormde samen met hem een vennootschap.
    Het was niet moeilijk. Een kistje champagne, een paar mailtjes, een of twee etentjes en ik kon aan de slag. Zijn naam was Franco. Hij woonde in Verona. Hij behartigde al twintig jaar de belangen van mijn held Grigori Sokolov. Grigori Sokolov, ongetwijfeld de grootste levende pianist. Misschien wel de grootste aller tijden.
    Met de zegen van Jane en een enthousiasme dat maar net opwoog tegen het lichte gevoel van misselijkheid omdat ik mijn vaste inkomen liet lopen, zegde ik mijn baan op. Franco en ik besloten allebei 30.000 euro te steken in een nieuw te openen kantoor in Londen. Maar voor het zover was, kwamen we overeen dat ik een paar weken naar Verona zou komen om de kneepjes van het vak te leren.
    Op mijn eerste avond na het eten vroeg hij of ik pianospeelde. Ik mompelde zoiets als dat ik in geen jaren gespeeld had, maar dat ik als tiener best goed was geweest. En dus vroeg hij mij iets voor te spelen. En omdat ik hunkerde naar waardering en aandacht en een beetje in hoger sferen was vanwege de pasta, het uitzicht en de geur van een Italiaanse stad, ging ik achter de piano zitten en ramde er een stuk van Chopin uit. In mijn oren was het rommelig en gênant. Maar ik had alles onthouden, ik wist me erdoorheen te slaan en met een enigszins rood aangelopen gezicht draaide ik me naar hem om.
    Hij zat daar met zijn mond wagenwijd open en zonder een woord te zeggen.
    En een minuut later zei hij eenvoudig: ‘James, ik zit al vijfentwintig jaar in het vak en ik heb nog nooit een amateur op zo’n manier piano horen spelen. Jij wordt geen impresario. Jij komt elke maand naar Verona en dan logeer je bij mij en neem je pianoles bij mijn vriend Edo, de beste muziekdocent van 
heel Italië. Ik weet niet of het een succes zal worden, maar je moet het proberen.’
    Nadat ik tien jaar lang niet had gespeeld en me al had neergelegd bij de gedachte dat ik mijn dromen nooit zou waarmaken, had Franco even deze handgranaat naar binnen gegooid. En op een woensdagochtend kwamen we bij Edo thuis. Dit was dus een van die kerels die mijn leven voorgoed hebben 
veranderd. Zo’n gewelddadige, agressieve, arrogante, dictatoriale klootzak had ik nog nooit ontmoet. 
De perfecte docent voor iemand zoals ik: lui, ongedisciplineerd, ongeoefend en overenthousiast. Ik studeerde urenlang, en zoals het hoorde: langzaam, methodisch, weloverwogen, om daarna als beloning voor mezelf het hele stuk door te spelen. Dan merkte ik dat mensen die langs ons huis liepen even halt hielden om te luisteren. Het kabaal in mijn hoofd was weggezakt en vervangen door noten en muziek, en daardoor leek ik wat beter te functioneren. Het leven was niet meer zo wankel en wat vriendelijker en eenvoudiger. Het leek alsof het te doen was.

    James Rhodes (rechts) omhelst zijn jeugdvriend Benedict Cumberbatch nadat een Londense rechter heeft bepaald dat hij zijn boek over seksueel misbruikt mag publiceren. Rhodes' ex-vrouw probeerde de verschijning te laten verbieden omdat de inhoud schadelijk
    James Rhodes (rechts) omhelst zijn jeugdvriend Benedict Cumberbatch nadat een Londense rechter heeft bepaald dat hij zijn boek over seksueel misbruikt mag publiceren. Rhodes’ ex-vrouw probeerde de verschijning te laten verbieden omdat de inhoud schadelijk

    Rhodes wordt opnieuw opgenomen en ziet zijn huwelijk met Jane stranden voordat hij, eindelijk, gelooft dat hij zijn droom van een muzikale loopbaan alsnog kan realiseren. In 2009 brengt hij zijn eerste album uit: Razor Blades, Little Pills & Big Pianos, dat 
meteen zijn doorbraak betekent.


    Seksueel misbruik eindigt zelden of nooit met vergeving

    Vergeving?

    De pers begon rond die tijd steeds meer aandacht aan mij te besteden, met onder andere een interview in The Sunday Times. Daarin liet ik mij ontvallen dat ik op school was misbruikt – één alineaatje in een artikel van twee pagina’s. Een oude onderwijzeres van mij las dat en zocht contact met me. Ze zei dat ze wel had geweten dat er iets niet in de haak was (al had ze in haar naïviteit niet gedacht aan misbruik, hoogstens aan mishandeling) en dat ze me weleens huilend 
had aangetroffen, met bloed op mijn benen, smekend om niet meer naar gym te hoeven. Ze was ermee naar het schoolhoofd gegaan en die had gezegd 
wat zo iemand in de jaren tachtig dan altijd zei: ‘Mannetje Rhodes moet een beetje eelt op zijn ziel krijgen. Niet te veel aandacht aan schenken.’ 
En daar had ze dus gehoor aan gegeven. Ze vertelde dat ze later gevangenispastor was geworden. En nu, na al die jaren, had ze dat interview gelezen en 
nam ze contact op om te checken of ze nog iets kon goedmaken. Godverdomme wel vijfentwintig jaar 
te laat, maar ach. Kan ik toch nog een tikje pissig 
om worden.
    Ze legde een verklaring af bij de politie. Daarna 
stapte ik samen met mijn manager naar de politie om nog maar eens een poging te doen. En verrek, 
dit keer wisten ze hem op te sporen. Hij was al 
in de zeventig. Werkte in Margate. Als parttimebokscoach voor jongetjes tot tien jaar… Na een 
paar lange verhoren hebben ze hem gearresteerd 
en aangeklaagd voor tien gevallen van sodomie 
en aanranding.
    Het laatste wat ik van de politie heb gehoord, was dat hij een beroerte had gekregen en niet meer in staat was om terecht te staan. Kort daarna ging hij dood.
    In de boeken die ik heb gelezen en de praatgroepen die ik heb bezocht wordt altijd gehamerd op vergeving. Je wordt aangespoord een brief te schrijven aan de mensen die jou pijn hebben gedaan, zeker als ze niet meer in leven zijn. Daarin beschrijf je welke gevolgen hun daden voor jou en je dierbaren hebben gehad. 
In veel opzichten is dit boek zo’n brief. Dit is mijn brief aan jou, Peter Lee, terwijl jij ligt weg te rotten 
in je gore graf. Om te laten weten dat je nog niet gewonnen hebt. Ons geheimpje is geen geheim meer, het is niet langer iets wat ons verbindt, geen hechte, intieme band tussen ons. Je kunt lullen wat je wilt, maar niets van wat jij met mij hebt gedaan was onschadelijk, prettig of liefdevol. Het was gewoon een afschuwelijke, agressieve schending 
van mijn onschuld en vertrouwen.
    Ik kan alleen maar hopen dat mensen zoals Lee, die actief gevolg geven aan hun seksuele verlangen naar kinderen, ook inzien, écht inzien hoeveel schade ze aanrichten. Dat ze inzien dat al hun gepraat over dat het van twee kanten komt, dat het toch moet kunnen en dat het een uiting van liefde is, helemaal niets met de werkelijkheid van doen heeft.
    Vergeving is een machtig mooie gedachte. Het is 
iets waar ik naar streef, ook al lijkt het soms niet meer dan een aantrekkelijke maar onmogelijke 
hersenschim. Ik ben in mijn leven te vaak misbruikt. Ik wil openlijk vertellen over die zaken waarmee ik nu kan omgaan zonder volledig in te storten. Daar doe ik het mee. Ik kan niet anders. Er zijn nog andere mensen uit mijn verleden die meer weten en beter hadden moeten weten, en zij zullen daarmee vrede moeten zien te vinden, net zoals ik. Misschien dat 
ik Lee ooit zal kunnen vergeven. Dat zal beter lukken als ik een manier vind om mezelf te vergeven. 
Maar de waarheid is, althans voor mij, dat seksueel misbruik van kinderen zelden of nooit eindigt met vergeving. Het leidt slechts tot zelfverwijt, schaamte en een intense, tegen jezelf gerichte woede.

    James Rhodes


    De vertaling van Rhodes’ memoir verschijnt op 18 november bij Nieuw Amsterdam. De publicatie van het origineel had veel voeten in aarde, want het boek was inzet van een grote rechtszaak die in het voorjaar van 2014 begon. Rhodes ex-vrouw verzette zich tegen publicatie omdat het hun twaalfjarige, 
aan Asperger lijdende zoon zou kunnen schaden. In mei 2015 verwierp de Hoge Raad het verzoek tot verbod: volgens velen een grote overwinning voor de beginselen van de vrijheid van meningsuiting en een bevestiging van het fundamentele belang van het mogen uitspreken van de waarheid, ook als die waarheid choquerend is.