Tag: treinreizen

  • Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Ook vóór corona was het al duidelijk: als we natuur en steden willen sparen, moeten we onze manier van reizen gaan veranderen. Maar hoe?

    In een niet al te verre toekomst zullen we net zo naar ons reisverleden kijken als nu naar Mad Men, de serie uit de jaren 60 waarin ongeremd gerookt en gedronken wordt en het plastic bestek na de picknick gewoon in de natuur achterblijft: ging dat toen echt zo?

    Eerlijkheidshalve zouden we dan moeten toegeven: ja, dat ging toen zo en niemand die er zich druk over maakte. Mij zouden dan bijvoorbeeld mijn reizen in het jaar 2019 te binnen schieten: in maart bewonderde ik op de Lofoten het noorderlichttheater, in de zomer stroopte ik enkele eilanden van de Cycladen af en tot slot laste ik nog een weekendje weg naar Porto in, waar we onszelf warmdronken in de kilte van de vroege herfst. Tussen die vakanties door was ik achtmaal op dienstreis – met het vliegtuig. Met al dat gereis zou ik 2019 kwalificeren als een heel normaal jaar – het laatste voordat de wereld tot stilstand kwam.

    Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen in 2019 1,5 miljard boekingen

    In dat jaar brak het mondiale toerisme alle records. Nooit eerder werd er zo vaak bezichtigd, bereisd en verwelkomd. Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen 1,5 miljard boekingen, terwijl toerismeonderzoekers zelfs een verdere stijging naar 1,8 miljard voor mogelijk hielden. Elke anderhalve seconde steeg er wel ergens op onze planeet een vliegtuig op om nieuwsgierigen zoals ikzelf af te zetten in toeristische bestemmingen als New York, Barcelona of Praag – even gewoon als een busreisje en dankzij de prijsvechters niet eens veel duurder. De wereld van 2019 was een onbegrensd draaiende vliegcarrousel.

    DO 2.1 1

    Tegelijkertijd was 2019 het jaar waarin we waarschuwingssignalen dat het zo niet verder kon nog maar moeilijk over het hoofd konden zien. Of het nu de door cruiseschippassagiers geplaagde binnenstad van Dubrovnik in Kroatië betrof of de verstopte toegangswegen naar de Walchensee in Beieren, toeristische hotspots herkenden we aan de fluitconcerten van geïrriteerde autochtonen, aan ‘tourist go home’-graffiti en aan de nare diagnose overtourism in de media. In Europa’s warmste jaar sinds de start van de weerregistraties werden wij, frequent travellers, om de oren geslagen met het begrip ‘vliegschaamte’; circa 80 procent van de reis-gerelateerde CO2-emissies wordt veroorzaakt door vliegreizen naar onze plekken van bestemming.

    Toerismecarrousel

    Toen kwam covid-19. De pandemie legde de toerismecarrousel die tot dan toe voor een soort van mensenrecht was doorgegaan, stil. Als was het een gigantische parkeerklem. Bij nader inzien was de pandemie echter geen rem maar een turbo. ‘Overtoerisme, milieubescherming, duurzaamheid – de coronacrisis werkt als vliegwiel voor ontwikkelingen die toch al vraagtekens plaatsen bij het massatoerisme,’ zegt Alexis Papathanissis, hoogleraar toerismemanagement aan de hogeschool van Bremerhaven. 180 jaar nadat de Engelsman Thomas Cook reizen begon te organiseren en het toerisme onze aarde begon te belasten, moeten we het radicaal heruitvinden.

    Maar als onze oude manier van reizen niet langer functioneert, hoe zou een nieuwe er dan uit kunnen zien? Want helemaal niet meer reizen kan geen oplossing zijn. Reizen voorziet in een essentiële behoefte – waarvan je je net als bij de liefde pas goed bewust bent als het er ineens niet meer is. Juist nu is het verlangen heftig: nog maar net ingeënt trekken waarschijnlijk massa’s mensen binnenkort de wijde wereld in. De prijsvechters breiden hun vloot al uit.

    Maar hoe zou het toerisme er na de gevreesde post-coronaparty dan wel moeten uitzien? Ik maak afspraken met een trendonderzoeker, een avonturier, een toerisme-expert en een klimaatdeskundige – mensen van wie ik antwoorden hoop te krijgen op vragen als: hoe zullen we over vijf of tien jaar op reis gaan? Mag dat eigenlijk nog wel? Hoe kunnen we onze wereld verkennen zonder een verschroeide aarde achter te laten?

    Wie in de toekomst kijkt, moet eerst weten waar hij staat. Daarom vraag ik Nikolaj Koch: Welk effect heeft een jaar met veel reizen zoals dat van mij, op het klimaat? De 38-jarige Koch is klimaatexpert bij Arktik in Hamburg, een organisatie waar je je eigen CO2-uitstoot kunt berekenen en compenseren.

    Koude douche

    Kochs conclusie blijkt een nog koudere douche dan ik al vreesde. Met mijn CO2-voetafdruk heb ik veel weg van een bankier bij Lehman Brothers kort voor het begin van de financiële crisis – het type tot wie nog niet is doorgedrongen hoe megafailliet hij eigenlijk is. Tijdens de 5800 kilometer die ik in 2019 achter het stuur zat, stootte mijn Volvo volgens Kochs berekeningen ongeveer 1300 kilo broeikasgas uit. Hierbij vergeleken vielen mijn 2500 treinkilometers met 90 kilo aan broeikasgassen in het niet. Maar de elf vliegreizen deden het pas echt: het stedentripje naar Porto, mijn vakantietrips naar de Lofoten en Griekenland, samen met een paar businessvluchten binnen Duitsland, veroorzaakten – zo rekende Koch mij voor – bij elkaar een wolk van circa 6800 kilogram CO2. Al met al had ik dus in de loop van het jaar onze klimaatzieke planeet met ruim acht ton kooldioxide opgezadeld – alleen al door mijn mobiliteit. Vanuit klimaatoptiek bezien sta ik sindsdien diep in het rood. ‘Acht ton is meer dan dubbel zoveel als waar een aardbewoner jaarlijks recht op heeft,’ zegt klimaatexpert Koch. En wat nog veel erger is: de mede door mij geproduceerde kooldioxide zal nog in de atmosfeer aanwezig zijn als ik mij allang niet meer aan een of andere vertrekgate meld maar in plaats daarvan voor het avondeten in het verzorgingshuis. Toeristen mogen dan graag bagatelliseren dat het vliegverkeer verantwoordelijk is voor slechts 3 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot – als we eerlijk het staartje aan condensstrepen, zwavel- en stikstofoxiden en het effect daarvan meerekenen, valt de bijdrage van het vliegverkeer aan de opwarming van de aarde minimaal tweemaal zo hoog uit. Die 6 procent CO2-last weegt nog weer zwaarder als we ons realiseren dat maar ongeveer 5 à 10 procent van de wereldbevolking überhaupt vliegt.

    Wij, de piepkleine minderheid van wereldwijde topverdieners, hebben dus een uiterst sterke hefboom in handen die in de toekomst voor de resterende 90 procent van de wereldbevolking een merkbaar verschil kan maken. ‘Onze huidige uitstoot van kooldioxide zal negatief uitwerken op de leefomstandigheden van honderden miljoenen mensen,’ zegt Volker Quaschning, hoogleraar hernieuwbare energiesystemen aan de Hogeschool voor Techniek en Economie in Berlijn. Hij onderzoekt hoe onze energiehuishouding eruit zou moeten zien, willen we het klimaat op aarde niet volkomen ruïneren. In het kort komt dat hierop neer: het moet radicaal anders. ‘Overstromingen, droogte, voedselgebrek, gezondheidsschade en andere gevolgen van onze klimaatverandering zullen generaties na ons nog treffen,’ waarschuwt professor Quaschning.

    Electrofuels

    Bieden de zogeheten electrofuels waarmee de luchtvaartindustrie op een dag klimaatneutraal hoopt te worden, dan misschien een oplossing? De expert in hernieuwbare energiebronnen heeft er weinig fiducie in. Weliswaar kunnen zulke synthetische vliegtuigbrandstoffen inderdaad via wind- of zonnestroom en daarmee CO2-neutraal geproduceerd worden, maar de productie ervan vergt helaas extreem veel energie – meer dan 80 procent daarvan gaat onderweg verloren – en is acht à negen keer zo duur als de productie van conventionele kerosine. Quaschning: ‘Er gaan nog heel wat jaren overheen voor electrofuels inzetbaar en betaalbaar zijn, als dat ooit al het geval zal zijn. Tot dat moment is en blijft het vliegtuig het schadelijkste transportmiddel voor het klimaat’. 

    En compenseren? Dat levert te weinig op. Dus besluit ik ter plekke tot een eigen aanpak. In plaats van voor stedentrips het vliegtuig te nemen, ga ik voortaan vaker met de trein en op de fiets; verplaats ik zakenafspraken van de ochtend naar de middag om niet met de ochtendvlucht maar met de trein te kunnen komen. En mijn volgende vakantie naar Italië maak ik met een van de nachttreinen die de Oostenrijkse spoorwegen net als vroeger door Europa laten rollen. In de toekomst moeten dat er duidelijk meer worden: met de Franse en Duitse collega’s werken de Oostenrijkers aan een netwerk van snelle treinverbindingen dat voor het eind van dit decennium een flink aantal Europese metropolen met elkaar moet verbinden.

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – zou de komende jaren weleens mainstream kunnen worden

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – al die oude reisadviezen zouden de komende jaren weleens mainstream kunnen worden. Want de nood groeit – en het bewustzijn ook: het hoeft niet noodzakelijkerwijs af te doen aan ons plezier wanneer we op onze weg door de wereld wat meer verantwoordelijkheid op ons zouden nemen. Het vereist alleen wat meer denkwerk. Maar dat leidt meteen tot de volgende ongemakkelijke vraag: wat leveren al die inspanningen op als we gewoon met te veel mensen zijn?

    De toerist ‘vernietigt wat hij zoekt door het te vinden,’ stelde schrijver Hans Magnus Enzensberger droogjes vast. Geen wonder dat ze ons op veel plaatsen niet meer willen, in elk geval niet in de hoeveelheden die goedkope luchtvaartmaatschappijen, cruiseschepen en busondernemingen neerkiepen bij de poorten van de hotspots. Bewoners vluchten voor maandhuren die als gevolg van het toerisme onbetaalbaar zijn geworden, hun manier van leven bezwijkt onder de massa’s. Waar lokale toerismemanagers vroeger zoveel mogelijk betalende gasten naar hun bestemming probeerden te lokken, willen ze ons nu zo efficiënt mogelijk spreiden. De fraaie aansporing van de bestseller 1000 Places to See Before You Die heeft op termijn als neveneffect dat de ‘plaatsen die je gezien moet hebben’, langzaam sterven.

    In Barcelona, waar het aantal van 1,7 miljoen bezoekers in 1990 explosief steeg naar dertig miljoen in 2019, worden al geruime tijd geen nieuwe hotels in de binnenstad meer toegestaan en aan de ooit wild voortwoekerende Airbnb-business worden boetes tot wel 30.000 euro opgelegd. Bergen beknot het aantal cruiseschepen dat deze Noorse havenstad mag aandoen, Venetië strijdt nog over een oplossing voor de plaag van drijvende SUV‘s. Amsterdam probeert de toeristische stortvloed van 18 miljoen bezoekers per jaar om te leiden naar minder belaste gebieden, bijvoorbeeld door het 30 kilometer verderop gelegen Zandvoort om te dopen tot Amsterdam Beach.

    Met zulk soort maatregelen kan lokaal mogelijk de grootste stormloop het hoofd worden geboden. Maar wat wanneer de groeiende middenklasse in China, Rusland, India en Brazilië haar koffers pakt en op reis gaat – miljoenen mensen met net zoveel recht op het San Marcoplein, het noorderlicht en het strand van de Cycladen als wij? In China is slechts 10 procent van de bevolking in het bezit van een paspoort maar dit minieme aandeel correspondeert wel met zo’n honderd miljoen potentiële Venetië-gangers.

    Om het groeiende concentratierisico van toeristen van zijn scherpe kantjes te ontdoen, is er duidelijk meer nodig dan wat onbeholpen inreisbeperkingen. Een man die aan zulk soort alternatieve ideeën knutselt, is Guido Sommer, hoogleraar toerismemarketing aan de Hogeschool van Kempten. En een oplossing heeft hij al in zijn zak zitten.

    BayernCloud

    Opgewekt blikt Sommer me op een ochtend via het Zoom-venster op mijn laptop tegemoet. ‘Ziet u dit hier?’ vraagt de 47-jarige wetenschapper terwijl iets uit zijn broekzak frommelt. ‘Het zou weleens een oplossing voor het probleem van het overtoerisme kunnen betekenen.’ Hij houdt zijn iPhone voor de camera. Onze smartphones, zo licht hij toe, wacht een grote carrière in het toerisme. Van een simpel communicatiemiddel waarmee we onderweg hotelprijzen, weersverwachting, alternatieve routes en openingstijden bijeen googelen ontwikkelt het mobieltje zich tot reisgids, reisbureau en risicomanager ineen. Dat wordt mogelijk dankzij een nieuw soort databanken waarin meteorologische diensten, hoteliers, skiliftexploitanten en andere ondernemers in de toeristenbranche voortaan in realtime hun data invoeren. Zo’n centraal informatiebureau is de BayernCloud die momenteel aan Sommers hogeschool wordt ontwikkeld. Al vanaf de zomer van 2022 moet het als een alwetende datawolk boven Beieren zweven. Soortgelijke datacentra ontstaan momenteel op allerlei plaatsen op aarde omdat ze immers een duidelijke meerwaarde te bieden hebben: alle voor toeristen relevante informatie in één enkele, uiterst actuele databron die afgetapt kan worden via één enkele app en een klein apparaatje dat ieder van ons gemiddeld 80 maal per dag ter hand neemt.

    ‘U vindt dat weinig spectaculair klinken?’ vraagt Sommer die mijn licht ontnuchterende blik kennelijk niet ontgaan is. ‘Het is wel degelijk revolutionair.’ Want met kunstmatige intelligentie gevoerde data-aggregators, zoals de BayernCloud, bieden reizigers twee niet te overtreffen voordelen: ze verklappen ons niet alleen de actuele omstandigheden op onze bestemming maar ook de situatie in de nabije toekomst. En nog fascinerender: ze kunnen die toekomst zelfs in positieve zin voor ons veranderen.

    Met slimme reisbegeleiders zullen we intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn

    ‘Neem mij bijvoorbeeld,’ zegt Sommer. Hij vertelt over zo’n typische zaterdagochtend in de winter als hij vanuit zijn woonplaats Kempten in de auto stapt om te gaan skiën in de Allgäuer Alpen. Helaas doen op zonnig-koude zaterdagen met verse sneeuw veel Kemptenaren dat. Niet zelden staat Sommer daarom korte tijd later al in de file, geïrriteerd dat hij toch niet vroeger is vertrokken, en verdoet hij op de plaats van bestemming kostbare minuten met het zoeken van een parkeerplaats om tegen het middaguur op het Oberjoch of de Fellhorn zijn eerste bochtjes te draaien. Dan is hij al een typische toerist; zo eentje die opgefokt is van te veel mensen die hetzelfde willen als hij.

    Maar volgend jaar winter zou dat heel anders kunnen zijn. Met zijn gedownloade BayernCloud kan Sommer al aan de ontbijttafel de voorziene drukte op de parkeerplekken en de rijen voor de skiliften zien – en wel op het moment dat hij denkt aan te komen. Als de sensoren onder de parkeerterreinen en bij de skiliften een cruciale belasting aangeven doet zijn app, nog voor hij in zijn auto is gestapt, al voorstellen voor minder volle alternatieven. ‘Smart assistents als deze zullen ons’ volgens Sommer ‘in de toekomst van onze eerste plannetjes tot aan de ervaring ter plekke op elke fase van onze reis begeleiden’.

    Hoe meer de algoritmes hierbij leren over onze favoriete activiteiten en doelen, hoe preciezer ze een ons passend aanbod kunnen doen. Als de skipistes rond Oberstdorf naar verwachting overvol worden, kunnen ze multisporter Sommer een weinig geboekte skitocht voorstellen of een cursus deltavliegen in het nabije Sonthofen, vanwaar de meteorologische dienst op de app juist een fantastische thermiek en een paar vrije startplaatsen heeft gemeld. Het zou de redding zijn voor zijn zaterdag en ook voor het skigebied – dat zo een overvloed aan mensen bespaard blijft.

    ‘Natuurlijk hebben dergelijke services een prijs,’ zegt Sommer. ‘Voor dat alles betalen we met onze data’. Met slimme reisbegeleiders zullen we in de toekomst niet alleen intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn. Willen we dat echt? Tegenvraag: wie wil de voordelen ervan missen?

    Transport naar behoefte

    Want op pad met digitale helpers kunnen we niet alleen betere alternatieven ontdekken maar die zelfs zelf creëren. Verondersteld dat naast Guido Sommer ook andere Kemptenaren in datzelfde weekend belangstelling hebben voor hetzelfde skigebied, dan zou het algoritme van de app voor de betreffende dag een busdienst kunnen activeren die de skiërs één voor één ophaalt en afzet bij het dalstation. ‘Het achterhaalde principe van star streekvervoer met vaste routes kan vervangen worden door het principe van MOIA – individueel transport naar behoefte,’ zegt de toerisme-onderzoeker. Weekendskiërs hoeven dan niet meer naar een vrije parkeerplek te zoeken, ze hoeven helemaal niet meer te zoeken. En mocht de vraag naar een bepaald skigebied, wandelroute of bezienswaardigheid naar verwachting te groot worden, dan schakelt de app ogenblikkelijk over op de methode Galapagos: op die eilandengroep in de Grote Oceaan worden geen nieuwe toeristen meer toegelaten, zodra de aanvaardbare hoeveelheid bezoekers wordt overschreden. Zo zouden ook in Oberstdorf en elders nieuwe gasten vroegtijdig gewaarschuwd en met zachte hand omgeleid kunnen worden voordat ze de toegangswegen en ingangen versperren.

    Op die manier kunnen digitalisering en datawolken een kernprobleem van het moderne toerisme – te veel mensen willen op hetzelfde moment hetzelfde – helpen ontwarren. Bezoekersstromen kunnen er zo mee worden gestuurd dat gedrang en reisfrustratie uitblijven.

    Dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie kan ik me maar moeilijk voorstellen

    Maar er is ook al een visie die nog verder gaat. De gerenommeerde Zwitserse econoom Bruno S. Frey komt met een noodoplossing die bepaald radicaal is. Zijn idee voorziet in een reeks origineelgetrouwe kopieën van publiektrekkers zoals Salzburg, Venetië of Vaticaanstad, een soort golfbrekers die een deel van de last van de hotspots kunnen opvangen. Op dat denkbeeld kwam Frey – niet onverwachts – tijdens een totaal verpeste vakantie in Venetië. Naar zijn mening zouden zulke kunstmatige tweelingen reizigers zelfs een intensere vakantie-ervaring kunnen bieden dan hun echte voorbeeld: ‘Bezoekers van een Venetië-kloon zou bijvoorbeeld een multimediapresentatie over kunstgeschiedenis aangeboden kunnen krijgen of een carnaval waarin ze echt kunnen participeren.’

    Maar hoe goedbedoeld zulke afleidingsmanoeuvres ook zijn – dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie aan een kunstmatige Lofotenhemel, kan ik me maar moeilijk voorstellen. Ook voor een wandeling langs het strand van een Santorini-kloon schiet mijn fantasie tekort.

    Dat leidt tot de volgende wezenlijke vraag: wat zijn mijn verwachtingen als ik ergens arriveer? En waar in hemelsnaam vind ik die? Die vraag stel ik aan een man die in de loop van zijn leven al een behoorlijk stuk van onze aardbol heeft verkend.

    Alastair Humphreys fietste na een lichtvaardige aankondiging tegenover kroegvrienden in vier jaar en drie maanden 74.000 kilometer rond de wereld. Te voet doorkruiste hij de grootste zandwoestijn op aarde, hij was National Geographic Adventurer of the Year en één van de vier gekken die in 2012 in een piepklein roeibootje de Atlantische Oceaan overstaken.

    Microavontuur

    Maar zijn grootste prestatie volbracht Humphreys thuis achter zijn bureau. De Engelse vrijbuiter en schrijver wist het wijdverbreide idee over vrijheid en avontuur op zijn kop te zetten. Hij deed dat door ideeën over even onopzienbarende als verrassende ondernemingen in de nabije omgeving op papier te zetten, er een boek van te maken en dat alles van een duidelijke titel te voorzien: Microadventures.

    ‘Toen ik aan mijn microavonturen begon, heb ik telkens naar het waarom gevraagd: Waarom zou ik als dertiger in mijn voortuin gaan slapen? Moet ik als robuust avonturier geen robuuste dingen maken?’ vertelt Humphreys, die met zijn gezin in een dorp in het zuiden van Engeland woont. ‘Maar een klein avontuur is beter dan geen avontuur.’ Hymphreys definieert een microavontuur als een kleine vlucht in de naaste omgeving die iedereen ’s avonds of in het weekend kan ondernemen. Bijvoorbeeld door tussen twee heel gewone kantoordagen in een nacht in een slaapzak in het bos door te brengen. Door een wandeling van de verst gelegen tramhalte terug naar huis of door een uitstapje met een zelf getimmerd vlot op de rivier die je tot nog toe alleen vanuit het autoraampje kent. Dat alles volgens de formule: weinig voor nodig, minimale voorbereiding, intensieve ervaring.

    Nu zou je daartegen in kunnen brengen dat een man die de halve wereld al over is getrokken gemakkelijk een loflied op eigen land kan zingen. Maar Humphreys was er helemaal niet op uit om een nieuw reisconcept te bedenken – als vader van twee kleine kinderen zocht hij simpelweg naar manieren om zijn drang naar verre landen en lust in avontuur af te kunnen stemmen op zijn gezinsverplichtingen.

    En het werkt. Ik kan er zelf over meepraten. Na de dag dat ik Humpreys Microadventures in handen kreeg sliep ik verschillende nachten in een hangmat in het bos en bracht ik diverse dagen door met eigen miniwandeltochten. Enkele zomers geleden leende ik met vrienden waterdichte zakken en supboards en liet die te water in het mij tot dan toe volstrekt onbekende Feldberger Seenlandschaft. Vier dagen achtereen gleden we van het ene meer naar het andere en hoewel het hoogzomer was, peddelden we vrijwel ongestoord door het glinsterende water. Rond ons bossen van een soort die we eerder in New England of Finland zouden verwachten. ’s Avonds schoven we onze supboards door de rietkraag op de oever en fileerden we forellen die we onderweg hadden gekocht bij een visser. En inderdaad, op de Krüselinsee schoot vlak naast ons een visadelaar het water in om vervolgens met zijn spartelende buit weer op te stijgen.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid’

    De Krüselinsee ligt op drie uur rijden van mijn stadsappartement in Hamburg, maar toen ik daar op de avond van de vierde dag nat van het zweet mijn supboard uitlaadde, leek het alsof ik terugkwam uit een andere wereld. In die vier dagen had ik meer meegemaakt en meer ervaren dan in alle voorgaande georganiseerde vakanties bij elkaar. Op het verlangen naar verre reizen hebben microavonturen hetzelfde effect als een proteïnerijk tussendoortje op stevige trek: ze zijn geen vervanging voor de gewone maaltijd maar ze vullen die aan door in korte tijd een intensieve ervaring te bieden. Tenslotte is het oneindig veel opwindender om voor jezelf een slaapplaats in het bos te zoeken dan dat je je in een hotel te ruste legt in een vers opgemaakt bed.

    Van zo’n concept profiteren waarschijnlijk niet alleen wij reizigers, maar ook de vakantieregio’s in eigen land. Die kunnen zich zo op een gemakkelijke manier in de markt zetten – en zich laten ontdekken. En het beste is nog dat ze er geen bezoekerscentra voor hoeven in te richten, attractieparken aan te leggen of infrastructuur op te bouwen – alle benodigdheden voor een microavonturier zijn er immers al.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid want ze zorgden voor een dosis wildernis, stilte en fysieke inspanning in mijn leven,’ vertelt Alastair Humphreys. Zelf besefte ik na mijn trip naar het Feldberger Seenlandschaft dat ik voor onvergetelijke momenten geen vliegticket, verleend jaarlijks verlof of touroperators nodig heb. Vereist zijn eerder fantasie, wat durf en waterdicht schoeisel.

    Resonantie

    Als we Verena Muntschick mogen geloven, maak ik daarmee deel uit van een trend. De Frankfurter toekomstonderzoeker en haar team wijdden zich enige tijd terug aan de vraag hoe we in de toekomst gaan reizen en wat we in een vakantie zullen zoeken. De belangrijkste trend die Muntschick en haar collega’s bij het Frankfurter Zukunftsinstitut blootlegden, vatten zij samen in de term ‘resonantie’. Achter dit lastig te doorgronden begrip schuilt volgens Muntschick de ‘behoefte om op reis ervaringen op te doen die je bijblijven, die verdergaan dan het serviceaanbod, de bezienswaardigheden en de beloofde uren zonneschijn’. Met andere woorden: we reizen weer om het echte leven te ontdekken en daarbij ook meteen onszelf. Voortekenen van die trend zijn bijvoorbeeld de pelgrims naar Santiago de Compostella, de couchsurfers of de stellen die na jarenlang hotelvakanties nu een Volkswagenbusje kopen om op eigen houtje de wijde wereld in te trekken.

    ‘Natuurlijk zijn dat allemaal nog niches,’ geeft Muntschick toe, ‘maar die niches worden wel gestaag groter’. De Corendons en de all-in-concepten zullen altijd wel blijven bestaan en ook het massatoerisme zal niet verdwijnen omdat een paar mensen op een sup in eigen land vakantie houden in plaats van met een surfplank op Bali. Maar jongere reizigers zijn opgegroeid met een heel andere gevoeligheid voor de ecologische en sociale gevolgen van onze reisactiviteit. En daarmee stellen ze ook hogere eisen aan de toeristenbranche: ‘Mensen willen niet meer als economisch object behandeld worden maar als vriend van een gemeenschap.’

    Liever een handvol echte ervaringen dan duizend overvolle places to see

    De vraag is alleen: is dat echt de toekomst? Feldberg klinkt nu eenmaal minder aanlokkelijk dan Faro, Brandenburg saaier dan de Balearen. Zijn we echt verstandig en bereid genoeg om van dat alles af te zien?

    Op den duur ligt de toekomst ook helemaal niet in de keuze tussen het een of het ander, maar in een eerlijke mix. Voor mij betekent dit dat ik naar de Cycladen of het noorderlicht zal kunnen blijven gaan, maar misschien niet meer zo vaak als vroeger en niet per vliegtuig maar met veerboot en trein. Wel zou ik, zelfs als je royaal tijd voor het inchecken meerekent, meer dan tweemaal zolang naar mijn bestemming onderweg zijn. Maar als er iets is wat vakantiegangers in de toekomst hebben, dan is het wel tijd.

    Sinds het opkomen van de naoorlogse reisgolf in 1950 is onze levensverwachting met gemiddeld vijftien jaar gestegen. Dat zijn vijf uren per dag die wij meer ter beschikking hebben dan onze grootouders. Elke dag weer. Anders dan zij, die ook nog eens zes dagen per week zwaar werk verrichtten, hoeven wij onze reizen niet in een paar vakantiedagen te persen. De oude drieklank van het leven – school, werk, oude dag – kunnen we vervangen door een meer ontspannen soundtrack. De tijd speelt voor ons. We kunnen hem nemen. Altijd krijgen we te horen dat de toekomst ligt in levenslang leren. Ik zou dat willen aanvullen: ze ligt in levenslang reizen.

    Dat is niet in het minst te danken aan een neveneffect van corona: door de pandemie is ook de laatste scepticus ervan overtuigd geraakt dat zeker kantoormedewerkers probleemloos vanaf diverse plekken met elkaar samen kunnen werken, vooropgesteld dat er WLAN en elektriciteit aanwezig is. En juist dat zullen veel van ons na de pandemie ook willen. Waarom niet vanuit een bergboerderij inloggen bij een Zoom-bijeenkomst? Waarom dat nieuwe idee niet uitwerken op een wandeltocht met collega’s?

    Werkverblijf

    ‘Het concept van de “mooiste weken van het jaar” waarin we bij moeten komen van de met werk gevulde rest van het jaar, is momenteel zienderogen aan het verdwijnen,’ zegt Claudia Brözel, hoogleraar economie van het toerisme (afdeling duurzame ontwikkeling) aan de Hogeschool van Eberswalde. In de toekomst zou bijvoorbeeld een reeks microavonturen gecompleteerd kunnen worden met een maandenlang werkverblijf aan de Middellandse Zee, een tuinierproject in een naburig dorp met een lange sabbatical waarin we door half Afrika trekken. Onder het motto: liever een handvol echte ervaringen dan 1000 overvolle places to see. Niet langer ‘meer’, maar ‘indringender’. Beleven in plaats van bereizen.

    Dit volslagen andere idee van wat een vakantie dient te zijn en wat hij ons moet brengen, zou weleens de sterkste veranderingskracht voor het toerisme kunnen blijken. Niet uitgesloten dus dat we ons op een dag het jaar 2019 herinneren als het jaar waarin we op een heel nieuwe manier begonnen te reizen.

    We zullen veel in de natuur zijn omdat we het digitale ‘always on’ moe zijn

    De visionair Bernd Neff, initiator van het Berlin Travel Festival en voormalig marketingmanager van Design Hotels, voorspelt een trend naar een luxe en groene vakantie. Historisch gezien werden pandemieën altijd gevolgd door fases van verhoogde levenslust en luxe. Nadat de pest was overwonnen gingen de mensen overal in Europa trouwen en zetten ze kinderen op de wereld; op de Spaanse griep volgden de roaring twenties. Wij zullen in de post-coronajaren een tijd van luxereizen meemaken. Maar het zal een nieuwe, minder materieel bepaalde vorm van luxe zijn. We zullen in kleinere groepen op vakantie gaan en veel in de natuur zijn omdat we het digitale always on moe zijn. Overal zullen nederzettingen met tiny houses ontstaan of zoals in Italië, albergi diffusi: goed voorziene hideaways in de buurt van steden. In Berlijn ontwikkelt een start-up onder de naam Raus momenteel zo’n mix van boutique-hotel, boshut en smart loft. Wilde tuinen, workshops en wellness maken deel uit van het concept. Wat verdwijnen gaat is dat zinledige snel-maar-ergens-heen-vliegen. Net als ecofashion en veganisme zal bewustzijn van de gevolgen van al ons reizen gemeengoed worden. We zullen weer waardering krijgen voor wat lokaal is, per slot van rekening was het nogal saai om van Tokio tot aan Quebec dezelfde restaurantketens en merken aan te treffen. Reizen zal inspirerender worden. ‘Nachttreinen in plaats van budgetvluchten, drie maanden in een work-away-hotel in plaats van een driedaags stedentripje. Voor mij is dat de echte luxe.’

    De veelsporige Monisha Rajesh reisde ‘de wereld rond in tachtig treinen’ en schreef er een boek over. Die goeie ouwe trein heeft de toekomst, voorspelt de Britse schrijfster. ‘Als treinreiziger houd je steeds een gevoel voor ruimte en tijd – in tegenstelling tot bij een vliegreis. Je kunt met een kopje thee in bed liggen, samen eten, werken en de wereld aan jezelf voorbij zien trekken. Ik ben er vast van overtuigd dat het reizen per trein – ook vanwege de gunstige CO2- balans – een grote toekomst wacht. In Azië, Afrika en Latijns-Amerika is de trein ook nog eens een relatief goedkoop transportmiddel. De beste ter wereld zijn in mijn ogen de Japanse. Met de Shinkansen kun je binnen een paar uur bijna het halve land doorkruisen. Op het eindstation voltrekt zich een ‘zevenminutenwonder’: schoonmaakpersoneel bestormt de trein, draait de zittingen om, maakt tafeltjes en vloeren schoon, voert afval af en zeven minuten later springt het weer naar buiten en kunnen er nieuwe gasten instappen.

    In Europa wordt reizen per trein lastig zodra we de grens overgaan. Elk land heeft zijn eigen spoorwegmaatschappij, er is geen centrale website of een aanbieder die alle verbindingen bestrijkt. Mocht er een Europese spoorminister komen en ik zou die baan krijgen, dan zijn mijn eerste maatregelen: invoering van extra nachttreinverbindingen, prijsdalingen van tickets en opbouw van een centraal boekingssysteem voor heel Europa.’

    ‘Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Een geweldig avontuur’

    Anselm Pahnke fietste 414 dagen door vijftien landen in Afrika. Hij is filmmaker, schrijver (Von Anderswo und anderen Orten) en een van de oprichters van Terran e.V. voor reizen zonder vliegtuig. ‘Het is waar, zelf heb ik de wereld kunnen ontdekken en mijn reishonger uitvoerig kunnen stillen. Ik heb ook een vaag vermoeden van wat het succes van mijn film aan reizen naar Afrika heeft veroorzaakt. Daarom zou het absurd zijn om nu anderen moreel de les te lezen over vliegen. Maar voor mij moeten reisdoel en reistijd wel met elkaar in overeenstemming zijn. Drie weken naar Thailand staan in geen verhouding tot de kostbare reis. Steeds meer beroepen en bedrijven zullen in de toekomst een sabbatical kennen waarin mensen een deel van de wereld kunnen leren kennen zonder hectisch heen en weer terug te moeten vliegen. Althans dat hoop ik. Bij mij duurde het vijf maanden voor ik me in Afrika op mijn gemak begon te voelen.

    Sinds ik weer in Freiburg woon, ben ik veel met de fiets, de trein en te voet op pad, Naar Denemarken of in de Alpen. Dat geeft absoluut niet de exotische kick die Afrika mij gaf, maar het voelde ook in geen enkel opzicht als minder. Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Na twintig uur kwamen we daar aan. Een geweldig avontuur. Om eerlijk te zijn: het is opwindender om onvoorbereid op een trein richting Oost-Europa te stappen dan voor een georganiseerde safari naar Kenia te vliegen.’ 

    Technoloog Marta Kwiatkowski Schenk, wetenschappelijk onderzoeker aan het Gottlieb Duttweiler Institut in Rüschlikon (Zwitserland) vertrouwt de reisleiding al gauw toe aan digitale assistentie. ‘Reizen betekent kiezen. Huur ik een auto of beschikt mijn hotel over fietsen? Biedt het restaurant glutenvrije maaltijden en kan ik die wandeling ook met een slechte knie maken? Al die informatie moeten we moeizaam bijeengaren. En daarna moeten we beslissen. Reizen betekent daarom altijd ook stress. Dat zullen slimme assistenten ons binnen enkele jaren uit handen nemen. Zij zullen ons als privéreisbureau, navigator, reisgids en ticketshop vergezellen en helpen bij de besluitvorming. We zullen er ook geen extra apparaat voor aan te hoeven schaffen. De assistentietechnologieën zullen verwerkt zitten in onze polshorloges, koelkasten, auto’s en misschien zelfs wel in kledingvezels. Onopvallend op de achtergrond zullen zij hun werk verrichten. We noemen dat calm tech. Dankzij kunstmatige intelligentie zullen zij ons alleen voorstellen doen voor belevenissen die relevant voor ons zijn. Zij kennen ons immers omdat zij ons voortdurend begeleiden.

    Het zal sommigen van ons doen denken aan de sciencefictionfilm Her en inderdaad vormde deze film van Spike Jonze een inspiratiebron voor ons onderzoek. Maar digitale assistentie is geen sciencefiction, het maakt al deel uit van onze werkelijkheid, zij het ook nog niet zo uitontwikkeld als het ooit zal zijn en alles op zijn kop zal zetten.’

  • Duurzaam reizen zonder schuldgevoel

    Duurzaam reizen zonder schuldgevoel

    Michael Allmaier vraagt zich af het nog kan: schaamteloos genieten van een vakantie zonder de planeet schade te berokkenen. Hij neemt de proef op de som door met advies van de wetenschap zo milieuvriendelijk en verantwoord mogelijk te reizen. ‘Hoe voelt het om na decennia als stratosfeerverpester een goede toerist te zijn?’

    Dossier Op reis

    De pandemie heeft het toerisme hard getroffen. De voorheen bloeiende sector was in 2019 nog goed voor 11 procent van het wereldwijde bbp. Het lijkt erop dat nu de vaccinatieprogramma’s op gang komen, vakantiereizen deze zomer weer mogelijk zijn. Maar was er niet jarenlang kritiek op het massatoerisme? Moet dat wel in ere worden hersteld?

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 164, augustus 2019.

    In de haven van Barcelona staat een 60 meter hoog standbeeld van Christoffel Columbus. Het herinnert aan de verwelkoming van de ontdekkingsreiziger bij zijn thuiskomst. De zuil is hol; je kunt een lift nemen naar boven en uitkijken over de stad. Daar sta ik nu. In gedachten stel ik de man van brons hierboven een paar vragen.

    ‘Fantastisch, Christoffel, dat je je hele trip op windkracht hebt kunnen maken. Maar het afval, heb je dat echt in zee gegooid? En waarom moest je zo ver weg? Had je niet hier in de buurt iets kunnen ontdekken?’

    Onze houding ten opzichte van reizen verandert, de laatste jaren sterker dan in de vijf eeuwen daarvoor. De drang om verre reizen te maken werd lange tijd beschouwd als iets goeds, een weg naar avonturen en het opdoen van nieuwe ideeën. Tegenwoordig hoor je vaker dat het toegeven aan die drang pijn doet, namelijk bij alle andere mensen. Cruiseschepen die giftige dampen uitstoten. Reusachtige hotels die de kust verpesten. Golfbanen en tuinen in warme landen waaraan kostbaar water wordt verspild. En natuurlijk de vliegtuigen met hun CO2-uitstoot…

    Wordt het maken van verre reizen binnenkort ook iets om je voor te schamen?

    We vinden het niet meer alleen een uitwas van het massatoerisme, maar een direct gevolg van ons verlangen overal ter wereld van onze vrijheid te genieten. Als je tegenwoordig terugkomt van een weekendje shoppen in New York of van een korte vakantie op de Seychellen, moet je oppassen aan wie je dat vertelt. Anders is het niet meer ‘Hoe was het?’ maar ‘Moest dat nou zo nodig?’

    De Cantino-wereldkaart uit 1502 is de oudste bewaard gebleven kaart waarop de ontdekte gebieden door Columbus (Centraal-Amerika), Corte-Real (Newfoundland), Gama (India) en Cabral (Brazilië) staan afgebeeld. - © Biblioteca Estense di Modena
    De Cantino-wereldkaart uit 1502 is de oudste bewaard gebleven kaart waarop de ontdekte gebieden door Columbus (Centraal-Amerika), Corte-Real (Newfoundland), Gama (India) en Cabral (Brazilië) staan afgebeeld. – © Biblioteca Estense di Modena

    Wordt het maken van verre reizen binnenkort ook iets om je voor te schamen, net zoals roken en het rijden in een SUV?

    Het is ingewikkeld. Bij dit conflict loopt de scheidslijn niet door de samenleving, maar dwars door bijna ieder individu. Ergens door je hoofd, je hart of je buik. De man die in een helikopter over de Grand Canyon vliegt, is thuis wellicht een zeer betrokken milieuactivist. Hij vindt alleen dat hij nu wel een keer de bloemetjes buiten mag zetten.

    Goede toerist

    Als je het de Duitsers vraagt, zegt meer dan de helft dat ze zo veel mogelijk milieuvriendelijk en verantwoord reizen. Maar de meerderheid doet dat helemaal niet. Waar dat aan ligt, kan ik ook zonder veldonderzoek wel vertellen. Tot een paar weken terug vond ik afzien van een verre vakantie nog paradoxaal. Net als suikervrije taart. Maar ik ga het toch proberen. Ik wil weten hoe het voelt om na decennia als stratosfeerverpester een goede toerist te zijn.

    Waarom dat me uitgerekend naar het overvolle Barcelona brengt, moet ik uitleggen. Want ik zag mezelf eerder langs Zweedse meren fietsen. Een cliché, ik weet het. Duurzaam toerisme bestaat al langer dan de biowinkel. Je kunt zelfs met een gerust hart naar het oog van de orkaan reizen, als je het goed aanpakt.

    Van een koud land naar een warm land gaan is al prima. Je hebt minder verwarming nodig, en dat beperkt emissie. Het is ook goed om in het laagseizoen te gaan, dat ontziet de infrastructuur. De tip van Catalonië dank ik aan Petra Thomas, de secretaris van het forum Anders Reisen. Dat is geen ngo, maar een brancheorganisatie van meer dan honderd milieubewuste reisorganisaties. Het is een invloedrijk forum, omdat het al actief was toen nog niemand het over klimaatverandering had. ‘Bij de Catalanen,’ zei ze, ‘is het leed groot. Daarom bedenken ze van alles om het toerisme beter vorm te geven.’

    Dat milieubewustzijn een prijs heeft, is ook zo’n cliché. Ik zie het bevestigd als het boeken van mijn treinreis van Hamburg naar Barcelona buitengewoon omslachtig blijkt te zijn. Het is twee keer zo duur als vliegen en duurt ook nog eens minstens zeven keer zo lang! Mijn eerste impuls is om de heenreis zo snel mogelijk achter me te hebben.

    Want zo doe je dat als je gaat vliegen. Maar dan heb je meteen de slechtst mogelijke start. Reispedagogisch gezien ben je, als je een korte vakantie neemt, een soort fastfoodjunkie. Je propt je snel vol met indrukken en krijgt even snel weer honger. Duurzaam reizen begint ermee dat je duurzame indrukken opdoet. Ik boek dus een rustige en trage verbinding door de Elzas en de Provence. ‘Maak de heenreis onderdeel van je reiservaring,’ had Petra Thomas me aangeraden.

    La durée du voyage

    ‘La durée du voyage’ gebruik ik voor het lezen van brochures vol goede adviezen. Daarvan zijn er meer dan sterren aan de hemel. En in wezen zeggen ze allemaal hetzelfde: blijf dichter bij huis, reis langzamer en langer. Maar dan wordt het verwarrend. Moet ik de man die op het strand sapjes verkoopt echt mijn waterfles geven om te laten vullen? En de buschauffeur vragen of hij zijn motor wil afzetten terwijl hij staat te wachten? Of zijn dat ‘puur symbolische duurzaamheidspraktijken’, waarmee ik wel mijn geweten, maar niet het milieu ontlast?

    Ik heb advies gevraagd bij het Instituut voor Technische Milieubescherming van de Technische Universiteit Berlijn. Annekatrin Lehmann en David Bossek werken daar aan een methode om mensen te helpen hun ecobalans te berekenen. Ze nemen de tijd om me gedurende mijn reis te coachen. Iedere avond zal ik hun verslag doen: van hoelang ik onder de douche heb gestaan tot aan het slaapmutsje uit de minibar. En dan berekenen zij hoeveel ik het milieu heb belast.

    Op de avond van de tweede dag bereik ik Barcelona. Mijn hotel is me aangeraden door de Catalaanse VVV. Het is aan alle kanten op duurzaamheid gericht. Overal wordt energie bespaard: het water uit de kraan wordt afgeknepen, shampoo en eten dat overblijft, wordt aan hulpbehoevende mensen gegeven.

    ‘Waar heeft een ecohotel een zwembad voor nodig?’

    Prima allemaal, denk ik. Maar in Berlijn zijn ze niet enthousiast. Het zwembad op het dak belast mijn milieubalans. Waterverbruik, stroom voor de pomp, materiaal- en energiekosten voor bouw… ‘Waar heeft een ecohotel een zwembad voor nodig?’

    Gaudí was een recycler avant la lettre (Park Güell, Barcelona)
    ‘Gaudí was een recycler avant la lettre’ (Park Güell, Barcelona)

    Die twee zijn alleen zo streng omdat ik het ze gevraagd heb. Het doel van hun onderzoek is immers om ervoor te zorgen dat ik in de toekomst zelf let op mijn ecologische impact, omdat je je totale uitstoot net zo makkelijk kunt meten als het aantal kilometers dat je aflegt of je bloeddruk. ‘In elk geval verwarmen ze het water niet,’ schrijf ik timide terug.

    Na een verantwoord ontbijt (jam van restfruit en biologisch brood) wandel ik naar de ontmoetingsplek voor een rondleiding door de stad. De Sagrada Familia, slechts één blok van het hotel verwijderd, neem ik voor kennisgeving aan. Voorbeeldtoeristen moeten de grootste drukte vermijden. Dat is helemaal niet meer zo erg, nu entreekaarten bijna alleen in de voorverkoop verkrijgbaar zijn en ordebewakers verdwaalde toeristen als verkeersbrigadiers de weg wijzen.

    Wat ik dan te zien krijg, is duurzaam, omdat je het niet snel vergeet

    Gaudí, dat was al een goede, zegt mijn gids Juan later: een recycler avant la lettre, die voor het bouwmateriaal voor zijn beroemde gevels gebruikmaakte van wat elders was overgebleven. Een overtuigd wandelaar en vegetariër bovendien. ‘Hij had altijd een handje pinda’s in zijn zak. Daaraan herkenden ze hem toen hij in 1926 een verkeersongeluk kreeg.’ Te laat helaas. Vanwege zijn excentrieke uiterlijk belandde Gaudí in het armenhospitaal. Drie dagen later was hij dood. ‘Als hij er niet als een zwerver bij had gelopen, zou hij absoluut langer hebben geleefd.’

    Juan mag dat zeggen: hij is zelf een hele tijd dakloos geweest. Een Duitse Spanjaard uit het Zwarte Woud. Hoe hij hier is terechtgekomen is een lang verhaal, met drugs in de hoofdrol. Nu werkt hij in een gaarkeuken en bij een touroperator die alleen bemiddelt voor stadsgidsen zoals hij, met straatervaring.

    Op een paar passen verwijderd van Instagram-Barcelona.  © Jonathan Ford / Unsplash
    Op een paar passen verwijderd van Instagram-Barcelona. © Jonathan Ford / Unsplash

    Ik wist niet wat me te wachten stond. Ik vond het voldoende te weten dat mijn geld naar hem ging en niet naar een groot toeristisch concern. Dat we te voet zouden gaan, weg van de belangrijkste attracties (daar mogen alleen gidsen met een vergunning naartoe). Wat wat ik dan te zien krijg, is duurzaam, omdat je het niet snel vergeet. Juan laat me een stad in de stad zien, vaak maar een paar passen verwijderd van Instagram-Barcelona.

    De rondleiding eindigt in het armenhospitaal waar Gaudí destijds lag. Tegenwoordig is de Catalaanse Staatsbibliotheek er ondergebracht. In de schaduw van de neogotische muren zit een groep jongeren met rugzakken en flesjes. Juan bekijkt ze eens goed. ‘Vakantiegangers en zwervers,’ zegt hij, ‘je kunt ze soms bijna niet uit elkaar houden.’

    Geïmporteerde groente, bedreigde vissoorten, rundvlees zelfs (methaan!). Vol weerzin annuleer ik. Ik moet ergens heen waar ik zonder bedenkingen kan eten en drinken.  © Jessica / Unsplash
    ‘Geïmporteerde groente, bedreigde vissoorten, rundvlees zelfs (methaan!). Vol weerzin annuleer ik. Ik moet ergens heen waar ik zonder bedenkingen kan eten en drinken.’ © Jessica / Unsplash

    Ik had me erg verheugd op de avond: er stond een menu gourmet gepland bij een topkok. Maar nu ik de kaart nog eens bekijk: geïmporteerde groente, bedreigde vissoorten, rundvlees zelfs (methaan!). En ook nog eens kaas, wat milieutechnisch niet veel beter is. Vol weerzin annuleer ik. Ik moet ergens heen waar ik zonder bedenkingen kan eten en drinken.

    Milieubewust testlaboratorium

    Het is pijnlijk in een restaurant eerst naar het afval te vragen, maar de chef van Lasal del Varador laat het graag zien. Drie emmers, nauwelijks groter dan bij mij thuis, voor het hele bedrijf. Er ligt een stuk papier tussen het vuilnis dat gerecycled kan worden: Ricard Jornet ziet het meteen. Hij pakt het en legt het in de andere emmer.

    Voor mensen die liever naar de zee dan in een vuilnisemmer kijken, is Lasal del Varador aanvankelijk niets bijzonders. Een van de vele strandtenten aan de uitlopers van Barcelona, een halfuur met het boemeltje naar het noorden. Ricard ziet het meer als een testlaboratorium: hoe milieubewust kun je koken?

    Zijn waar koopt hij zo mogelijk onverpakt. Hij schenkt zijn gasten gratis gefilterd leidingwater. Hij verwarmt met zonne-energie, koelt met ventilatoren. Vlees is bijna helemaal van de kaart verbannen; vis komt van kleine bootjes uit de omgeving. Dat moet je steunen, vind ik. Met gegrilde inktvis, gestoomde mosselen en een prima paella.

    Weten de gasten zijn inzet te waarderen? Jazeker, zegt Ricard, alleen veel meer betalen willen ze niet. ‘Maar ik heb een oplossing gevonden.’ Hij tekent zijn businessmodel op mijn servet. Op stroom bijvoorbeeld bespaart hij geld. Eco is ook economisch. Maar zonder een beetje idealisme gaat het verhaal niet op: ‘Ik wil mijn kinderen geen varkensstal nalaten.’

    Ik heb met mijn treinreis meer CO2 veroorzaakt dan het beetje biovis goedmaakt

    Ricard is geen zendelingstype. Wanneer ik over mijn treinreis vertel, knikt hij schuldbewust. ‘Vijf jaar heb ik het volgehouden.’ Vijf jaar zonder te vliegen. ‘Toen kreeg ik de kans Costa Rica te bezoeken. En ik vond het daar zo geweldig.’ Hij is in zijn oude fout vervallen. Maar het moet snel afgelopen zijn, voor altijd. Ik stel me een bijeenkomst voor van de Frequent Flyers Anonymous. Dit was toch wel een goede dag, denk ik op de terugweg.

    Berlijn zegt: ‘Een ecologisch restaurant steunen is natuurlijk prijzenswaardig en absoluut zinvol.’ Alleen heb ik met mijn treinreis meer CO2 veroorzaakt dan het beetje biovis goedmaakt. Vandaar dat het beter was geweest naar een restaurant in de buurt te gaan en daar een veganistische of vegetarische maaltijd te bestellen.

    Na drie dagen Barcelona denk ik dat ik de slag te pakken heb. Mijn ‘broeikaspotentieel’ beweegt zich tussen de 15 kilo CO2 in het begin naar ongeveer eenderde daarvan nu. Bovendien meten de onderzoekers ook mijn bijdrage aan de zomersmog en het verzuren van de zee. Ik heb geen idee wat die waarden betekenen. Maar ze zijn nu groen onderstreept, niet meer geel of rood.

    Is het leuk? Moeilijk te zeggen. Ik heb het te druk met het uit de weg gaan van alle verleidingen. © George Kedenbur / Unsplash
    ‘Is het leuk? Moeilijk te zeggen. Ik heb het te druk met het uit de weg gaan van alle verleidingen.’ © George Kedenbur / Unsplash

    Is het leuk? Moeilijk te zeggen. Ik heb het te druk met het uit de weg gaan van alle verleidingen. Het wordt vast beter als ik de grote stad verlaat en het groen in ga.

    Ik moet maar een taxi bellen, zeggen ze in het ecoresort. Geen denken aan. Trots sleep ik vanaf de bushalte mijn koffer de laatste kilometers over het stoffige weggetje. Ik heb geen rekening gehouden met de zon die in mijn nek brandt. Als ik nu zonnebrandcrème koop, bederven de olie en de kunststof natuurlijk mijn dagbalans. Berlijn begrijpt mijn dilemma: ‘Een conflict tussen gezondheid en milieubelasting.’ Het goede nieuws: er is een oplossing, als ik uit de zon blijf. Ik koop de crème en eet in plaats daarvan die avond geen kaas.

    Airco

    Mas Salagros ligt goed verborgen in de heuvels van het Parc Natural Serralada Litoral. De eigenaar van een supermarktketen heeft deze middeleeuwse hofstede gekocht om een nieuwe norm te stellen: het eerste honderd procent ecologische hotel op het Iberisch Schiereiland.

    Het is hier prachtig. Bijen zoemen in bloeiende struiken, hagedissen glippen over het met leisteen belegde pad. De piccolo brengt me naar mijn kamer. Hij laat me zien wat hier allemaal voor het milieu wordt gedaan, van warmtewerende dakbedekking tot gerecyclede toegangsdeuren. Ik sta ervan versteld hoe vaak je het woordje ‘eco’ kunt gebruiken. Dan zijn we op mijn kamer. Hij zegt: ‘Het is hier warm’, en zet eerst de airco maar eens op 18 graden.

    Ik breng de tijd door met wandelen, lezen, afval voorkomen. En natuurlijk verklap ik alles aan Berlijn. Is het consequent om ecowijn uit Chili te halen en biozeep uit China? Hoort de sales manager niet te weten of het water in het hotel wordt gezuiverd? Of ben ik degene over wie men zich moet verbazen? Ik wil een vakantieganger met verantwoordelijkheidsbesef worden, geen eco-inquisiteur. Ik besluit te relaxen.

    Daarvoor ben ik aan het juiste adres. Het hotel heeft vijf sterren, maar adverteert daar niet mee. Ik krijg een vermoeden waarom, als ik een gesprek op het terras van het restaurant afluister. Een jong stel, Nederlanders, modieus gekleed. Ze drinken cava en kijken hoe de zon ondergaat achter de heuvels. Haar telefoon rinkelt. ‘Ja, we zijn nog onderweg, in een ecoresort.’ Die twee krijgen echt geen uitbrander als ze weer thuis zijn.

    In mijn halfslaap verschijnt Greta Thunberg. Haar ogen kijken dwars door me heen

    Kan luxe duurzaam zijn? Ik betwijfel het zo langzamerhand. Niet als je luxe ziet als zoete overvloed: meer ruimte dan je nodig hebt, meer keuze dan je kunt overzien, meer kans om je te laten gaan. In Mas Salagros zijn ze trots op hun wellnesscomplex in de stijl van een Romeins badhuis. Daar maak ik het me een middag gemakkelijk zonder lang na te denken wat Berlijn ervan zal vinden. Het zwembad in Barcelona was petieterig vergeleken met de zes bassins hier. In een ervan is het water op lichaamstemperatuur en verzadigd met zout. Ik laat me er ruggelings in zakken en voel hoe hoog ik drijf. Al mijn spieren ontspannen zich. Ik ben toch zelf ook een onderdeel van het milieu, denk ik nog, ook mijn welzijn is belangrijk. In mijn halfslaap verschijnt Greta Thunberg. Haar ogen kijken dwars door me heen.

    Twee dagen later zit ik weer in de trein, het eerste deel van de terugreis. Ik kijk uit over zee en zit een beetje te piekeren. Mijn ecobalans ken ik nu tot tien cijfers achter de komma. Hij staat helaas weer in het rood, zoals altijd op dagen dat je onderweg bent. Het plezier dat ertegenover staat kan ik niet kwantificeren. En zelfs als dat wel kon: wat zou mijn vluchtige geluk wegen tegenover mijn aandeel in de klimaatramp? Berlijn kan me niet meer helpen. Berlijn is op vakantie: een conferentie in Brazilië. Eén advies hebben ze me nog meegegeven: als je wilt zwemmen, doe dat dan in zee, natuurlijker kan het niet.

    Dat ga ik nu in praktijk brengen. Mijn doel is een camping in het noorden van de Costa Brava, in natuurpark Aiguamolls de l’Empordà. Daar zou ook het probleem van luxe niet meer zo groot hoeven zijn.

    Ecokrediet

    Castell Mar is op het eerste gezicht een strandcamping als duizend andere, met tenten en caravans dicht op elkaar. Alleen wie erop let, ziet de nestkastjes aan de lantaarnpalen en de plaatsen waar hagedissen en konijnen kunnen schuilen. Tijdens het avondeten zit ik wat met de eigenaar te praten. Vanaf het terras van zijn restaurant hebben we uitzicht op zee en op de gruwelijke nieuwbouw in een naburige gemeente. ‘De klimaatverandering heeft ook iets moois,’ zegt hij. ‘Ooit spoelt dat allemaal weg en nestelen er aalscholvers in de ruïnes.’

    Jordi Sargatal is niet een typische toerismeondernemer. Hij was nog geen achttien, ‘een hippie en vogelgek’, zegt hij, toen in 1976 het moeras voor zijn deur zou worden drooggelegd. Er was een jachthaven gepland, nog groter en nog mooier, zeiden ze, dan de betonkolossen eromheen. Maar in elk geval slecht voor de zoveel duizend trekvogels die in het riet overnachten op reis naar Afrika. Met slaapzakken en spandoeken versperden Jordi en een paar vrienden de bulldozers de weg. ‘Veel moed was er niet voor nodig. Franco was net dood en de politie moest laten zien dat ze democratisch was. Ze hebben ons zelfs beschermd tegen de boeren uit het dorp die gier over ons heen wilden gooien.’

    Of hij zelf vliegt? ‘Heel vaak.’ Alleen de laatste paar maanden al naar Canada en China, om vogels te kijken. En naar Mauritanië. Daar leven monniksrobben, die hij graag hiernaartoe wil halen. ‘Ik weet wel dat al dat vliegen niet goed is.’ Hij knikt in de richting van het moeras. ‘Ik moet maar hopen dat ik genoeg krediet heb.’

    Dat was een grapje. Maar later in mijn wooncontainer houdt het me toch bezig. Kun je met je ecobalans eigenlijk ooit in de plus komen? Of gaat het er je leven lang alleen om je eigen schuld kleiner te maken? En als ik iedereen er thuis nu van weet te overtuigen dat duurzaam vakantie houden leuk is, geeft me dat dan genoeg krediet om in de herfst naar Japan te gaan?

    De Sagrada Familia, slechts één blok van het hotel verwijderd, neem ik voor kennisgeving aan. Voorbeeldtoeristen moeten de grootste drukte vermijden.   © Lucas Neves / Unsplash
    De Sagrada Familia, slechts één blok van het hotel verwijderd, neem ik voor kennisgeving aan. Voorbeeldtoeristen moeten de grootste drukte vermijden.  © Lucas Neves / Unsplash

    Het zwemmen in zee de volgende dag kan ik natuurlijk vergeten. Koud water is een van de nadelen van het laagseizoen. In plaats daarvan neemt Arnau, Jordi’s zoon, me mee op een excursie naar het natuurgebied. Hij studeert ecologie en heeft van zijn vader de liefde voor vogels geërfd. In het dorp gaan we naar Pau, die een bedrijf heeft dat ecoboten verhuurt.

    Dat is de mooiste verrassing van mijn week als goede toerist: hoeveel hartelijkheid je ontmoet

    Als je onderweg flink veel afval meeneemt, hoef je geen huur te betalen. Pau peddelt ons via het riviertje de Flavià door het moeras naar de kust. Een aardige vent, net als iedereen die ik op deze vakantie ontmoet. Dat is de mooiste verrassing van mijn week als goede toerist: hoeveel hartelijkheid je ontmoet.

    In het riet ontdekken we vogels die ik nog nooit gezien heb: bontgekleurde bijeneters, langssuizende ijsvogels, groene spechten, strandplevieren. Ook een purperreiger, die blijkbaar erg zeldzaam is: Arnau en Pau kijken elkaar stralend aan. ‘Waarom vogels?’ vraag ik ze. ‘De droom van de mens om te vliegen,’ zegt Arnau. ‘Bewondering,’ denkt Pau, ‘het zijn de koningen van de lucht.’ Ik kijk van de vogels aan de oever naar de condensstrepen in de lucht. Hebben we onze droom waargemaakt, of hebben we hem prijsgegeven?

    Ik wil weten hoe het voelt om na decennia als stratosfeerverpester een goede toerist te zijn. - © Amin Safaripour / Unsplash
    Ik wil weten hoe het voelt om na decennia als stratosfeerverpester een goede toerist te zijn. – © Amin Safaripour / Unsplash