Tag: Tsjaad

  • Tsjaad: juntaleider Mahamat Déby tot president gekozen

    Tsjaad: juntaleider Mahamat Déby tot president gekozen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Koreaanse president wil nieuw ministerie dat geboortecijfer verhoogt

    » Massale donatie van fossielen helpt wederopbouw Braziliaanse nationale museum

    Déby kreeg meer dan 60 procent van de stemmen

    Generaal Mahamat Idriss Déby Itno is op donderdag 9 mei uitgeroepen tot winnaar van de presidentsverkiezingen in Tsjaad, meldt Alwihda Info. De verkiezing volgt drie jaar nadat Déby de macht overnam aan het hoofd van een militaire junta.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Déby, 40 jaar oud, ontving 61,03 procent van de stemmen, volgens de voorlopige officiële resultaten van de kiescommissie die hij had benoemd. Zijn premier, Succès Masra, ook 40 jaar oud, kreeg 18,53 procent van de stemmen.

    Van zijn kant claimde Masra ‘de overwinning en suggereerde, vóór de bekendmaking van de voorlopige resultaten, dat hij zich zou verzetten tegen de verkiezing van Mahamat Idriss Déby Itno’, aldus Alwihda Info.

  • Frankrijk dreigt ook laatste bondgenoot in de Sahel te verliezen

    Frankrijk dreigt ook laatste bondgenoot in de Sahel te verliezen

    De langdurige Franse interventie heeft geen vrede gebracht in Mali, Niger en Burkina Faso. En nu dreigt Frankrijk ook nog Tsjaad als bondgenoot te verliezen.

    In de Sahel, de immense dorre regio ten zuiden van de Sahara, is sprake van een sterke toename van anti-Frans sentiment. De oorzaak daarvan is dat een langdurige Franse militaire interventie het jihadistische geweld in Mali, Niger en Burkina Faso niet heeft weten te beteugelen. Het aantal doden als gevolg van conflicten is gestegen van ongeveer achthonderd in 2016 tot bijna zesduizend in 2021, het laatste volledige jaar van de Franse operaties in Mali. 

    Sinds 2020 is er een golf van staatsgrepen in de regio geweest, zoals in Mali, Burkina Faso en Niger. Die waren noodzakelijk voor de veiligheid, beweren de plegers, die Frankrijk als zondebok aanwezen om hun steun onder het volk te vergroten. De ooit welkome Franse soldaten werd de deur gewezen. Maar dat heeft de veiligheid niet verbeterd.

    Het hoofdkwartier van de Franse militaire operaties in deze landen bevindt zich nu op een permanente basis in Ndjamena, de hoofdstad van Tsjaad, dat al lange tijd de krachtigste bondgenoot van Frankrijk is in de regio. Grote Franse legerkonvooien die zich terugtrekken uit Niger arriveren nu in de stad.

    Maar westerse strategen vrezen dat Frankrijk ook Tsjaad moet verlaten. Uit recente opiniepeilingen blijkt dat de steun voor Frankrijk afneemt en de populariteit van Rusland stijgt, aldus een westerse functionaris. Sommigen zijn zelfs bang dat politieke spanningen en onrust aan de grens van Tsjaad kunnen uitmonden in een burgeroorlog. Dat zou een geopolitieke nachtmerrie zijn, want Tsjaad is een buffer tussen diverse veenbranden in de regio: een burgeroorlog en genocide in Soedan, jihadistisch geweld in de Sahel en gewelddadige confrontaties in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Libië, landen waar de Russische huurlingen van de Wagnergroep actief zijn.

    Dat de machtsovername van zijn zoon ongrondwettelijk was, maakte Frankrijk niet uit

    De huidige leider van Tsjaad, Mahamat Déby, kwam in april 2021 aan de macht nadat rebellen zijn vader, Idriss Déby, hadden gedood. Die had in 1990 tijdens een gewapende opstand de heerschappij gegrepen. Dat de machtsovername van zijn zoon ongrondwettelijk was, maakte Frankrijk niet uit. President Macron kwam naar de begrafenis en benadrukte publiekelijk dat Frankrijk aanvallen van rebellen in de kiem zou smoren. 

    Frankrijk heeft een lange geschiedenis van steun aan dictators in Tsjaad. In ruil daarvoor kreeg het rekruten om zij aan zij met Frankrijk in de regio te vechten en om Franse bases in het land te bevolken. Op die manier werd in 2019 een opmars van rebellen neergeslagen. Duidelijk is dat Frankrijk in 2021 inlichtingen verstrekte over rebellenbewegingen en dreigend met zijn gevechtsvliegtuigen over het land vloog, maar het werd nooit rechtstreeks door de Tsjadische heersers gevraagd om in te grijpen.

    Déby junior beloofde aanvankelijk een overgangsperiode van achttien maanden, gevolgd door verkiezingen waaraan hij niet zou meedoen. Maar in oktober 2022 verlengde hij de transitie met twee jaar en stelde hij zichzelf toch verkiesbaar. Oppositiegroepen gingen woedend de straat op. Veiligheidstroepen schoten op één dag minstens 128 mensen neer en namen honderden betogers gevangen.

    Eind dit jaar zijn er verkiezingen. Déby gaat die zeer waarschijnlijk winnen. De belangrijkste oppositieleider, Succès Masra, verliet Tsjaad in oktober 2022 na bloedig neergeslagen protesten tegen het besluit van Déby om nog twee jaar langer aan de macht te blijven. Het bewind vaardigde een internationaal arrestatiebevel tegen Masra uit. Begin november keerde hij terug, na een overeenkomst te hebben getekend met de regering van Déby.

    Ingekapseld

    Daarna werd door velen gevreesd dat Masra, die het ontbreekt aan geld en aan steun van Washington en Parijs, door het regime zou worden ingekapseld, en die vrees lijkt inmiddels bewaarheid: op 1 januari werd hij benoemd tot premier. Hij zou een ‘pro-democratisch akkoord’ met het regime hebben bereikt. Toch verwachten weinigen vrije verkiezingen.

    De kans bestaat dat rebellen vanuit het buitenland zullen binnenvallen om het bewind van Déby omver te werpen. Het waren tenslotte opstandelingen uit Libië die zijn vader in 2021 vermoordden. Eerder dit jaar suggereerden gelekte interne berichten van Amerikaanse inlichtingendiensten dat Wagner-huurlingen zuidelijke Tsjadische rebellen in de Centraal-Afrikaanse Republiek aan het klaarstomen zijn om Déby af te zetten.

    Dergelijke bedreigingen zijn wellicht de reden dat Déby op zoek is naar nieuwe manieren om zijn macht te consolideren. In november keurde het Hongaarse parlement de inzet van maximaal tweehonderd militairen in Tsjaad goed, zogenaamd om terrorisme en illegale migratie tegen te gaan. Sommige analisten vermoeden dat deze inzet eigenlijk is bedoeld om Déby te helpen de goudmijnen in het onrustige noorden veilig te stellen, of misschien zelfs om hem te beschermen tegen een staatsgreep.

    Een akkoord met Khalifa Haftar, een krijgsheer die aan de macht is in Oost-Libië, heeft onlangs geleid tot aanvallen door troepen van Haftar op Tsjadische rebellenbases in Libië. Déby onderhoudt ook warme betrekkingen met Macron, die hij onlangs in Parijs heeft bezocht. Die relatie, samen met de status van Tsjaad als Frankrijks laatste bondgenoot in een uitgestrekte en instabiele regio, kan betekenen dat Frankrijk opnieuw zijn luchtmacht inzet tegen rebellen die aanvallen vanuit Libië uitvoeren. Ten zuiden van Tsjaad lijkt Déby, ondanks de vermeende plannen van Wagner, het verrassend goed te kunnen vinden met Faustin-Archange Touadéra, de president van de Centraal-Afrikaanse Republiek, die toestond dat Tsjadische troepen tot in zijn land rebellen bestreden. 

    Ze zijn bang dat de ineenstorting van het regime kan leiden tot een burgeroorlog of een pro-Russisch bewind

    Een andere zorg voor Déby is de kans op repercussies van de burgeroorlog in Soedan, die hem nu al kopzorgen baart – al zou een einde van de oorlog in Soedan hem nóg meer problemen kunnen opleveren. Veel strijders van de RSF [Rapid Support Forces, een van oorsprong door de Soedanese regering gesteunde paramilitaire groepering die inmiddels slaags is geraakt met het Soedanese leger] hebben banden met Tsjaad en hebben nog allerlei rekeningen daar te vereffenen, ondanks Déby’s recente impliciete steun. Mochten de RSF het officiële leger van Soedan verslaan, dan zouden ze naar Tsjaad kunnen trekken, met alle destabiliserende gevolgen van dien. Ze zouden vrijwel zeker achter vluchtelingen of strijders aangaan die over de grens zijn gevlucht. Mochten de RSF verliezen, dan kunnen er evengoed grote aantallen gewapende strijders Tsjaad binnenstromen en misschien zelfs rechtstreeks naar Ndjamena gaan om de macht te grijpen.

    Westerse regeringen zien het bloedige autoritarisme van Déby vooralsnog door de vingers, zoals ze ook bij zijn vader deden, omdat ze bang zijn dat de ineenstorting van het regime kan leiden tot een burgeroorlog of een pro-Russisch bewind. Na de debacles in Niger en Mali meent Frankrijk dat het zich niet kan veroorloven om Déby te houden aan zijn belofte af te treden en vrije verkiezingen zonder zijn deelname mogelijk te maken, aldus een westerse diplomaat. Deze houding frustreert onder andere Masra. Tsjaad lijkt in zijn ogen enkel een nuttig veiligheidsinstrument te zijn voor Frankrijk en de VS, zonder dat met de behoeften van het volk veel rekening wordt gehouden. 

  • Moordenaar George Floyd berecht | Raúl Castro treed af als leider Communistische Partij

    Moordenaar George Floyd berecht | Raúl Castro treed af als leider Communistische Partij

    ‘Een moment van catharsis’ voor de VS

    Derek Chauvin, die een mondkap droeg, ‘toonde geen emotie toen rechter Peter Cahill het vonnis voorlas’, schrijft Star Tribune, een lokale krant. Aan het einde van een drie weken durend, hoogoplopend proces in Minneapolis werd de voormalige politieagent dinsdag 20 april veroordeeld voor het doden van de Afro-Amerikaanse George Floyd, op 25 mei 2020.

    Na een beraadslaging van ongeveer tien uur, verdeeld over twee dagen, achtten de twaalf juryleden de verdachte schuldig op alle drie punten – moord, doodslag en mishandeling met de dood tot gevolg. De vijfenveertigjarige agent werd geboeid en onmiddellijk in hechtenis genomen. De veroordeling zal over ongeveer acht weken zal plaatsvinden. Chauvin kan tot veertig jaar gevangenisstraf krijgen. Drie andere politieagenten die bij de arrestatie betrokken waren, moeten in augustus terechtstaan voor ‘medeplichtigheid’.

    Het nieuws veroorzaakte een explosie van vreugde in Minneapolis, meldt CNN. De menigte, verzameld buiten het gerechtsgebouw en voor de Cup Foods-buurtwinkel waar George Floyd werd vermoord, scandeerde ‘gerechtigheid’ en ‘Black Lives Matter’. Na een interview met een witte man die tranen van vreugde huilde, sprak een verslaggever van de zender van een ‘teken van ongeloof’ onder de demonstranten ‘dat dit echt gebeurd is’.

    Het vonnis, zo schrijft The New York Times, ‘was een moment van catharsis voor velen in de stad (…) en van collectieve genoegdoening’. Soortgelijke taferelen waren overigens in het hele land te zien. ‘Voor sommige zwarte Amerikanen in het bijzonder, was het moment bijzonder aangrijpend, de bevestiging dat gerechtigheid was geschied voor meneer Floyd.’

    ‘Chauvins veroordeling is de uitzondering die de regel bevestigt’, merkt The Atlantic op. ‘Historisch gezien’, legt het tijdschrift uit, ‘zijn moordzaken tegen politieagenten uiterst zeldzaam, en van de weinige zaken die worden voorgeleid, zijn veroordelingen uiterst zeldzaam.’

    ‘Hoewel dit een opluchting is, valt er hier niet veel te vieren. Een man is zonder reden gestorven’, schrijft The Root, een site die als tagline heeft: The Blacker the Content the Sweeter the Truth.

    ‘Het valt nog te bezien of het vonnis zal leiden tot een grotere verantwoordingsplicht van de politie en het momentum zal consolideren dat door de tragedie is ontketend’, stelt Vox. Voor The Washington Post betekent het een ‘potentieel keerpunt’ voor Joe Biden, ‘die van rassengelijkheid en politiehervorming een kernpunt van zijn campagne had gemaakt, maar de thema’s nog niet op de voorgrond van zijn presidentschap plaatste’.


    Idriss Déby, president van Tsjaad, is gesneuveld op het slagveld

    Hij stond meer dan dertig jaar aan het hoofd van Tsjaad, en had zichzelf moeiteloos een zesde termijn in de wacht gesleept. Het nieuws dat op dinsdag 20 april om 12.00 uur op de nationale radio en televisie bekend werd gemaakt, kwam voor iedereen als een verrassing: Idriss Déby Itno is dood.

    Lees ook:

    ‘De president van de republiek, staatshoofd, opperbevelhebber van de strijdkrachten, Idriss Déby Itno, heeft zojuist zijn laatste adem uitgeblazen terwijl hij de territoriale integriteit op het slagveld verdedigde. Met diepe bitterheid kondigen wij het Tsjadische volk het overlijden aan, deze dinsdag 20 april 2021, van de maarschalk van Tsjaad’, kondigde legerwoordvoerder generaal Azem Bermandoa Agouna aan, in een verklaring voorgelezen op TV Tchad.

    ‘De grondwet is ontbonden. Dat geldt ook voor de regering en de Nationale Vergadering. Een militaire overgangsraad (CMT), onder leiding van zijn zoon, Mahamat Idriss Déby [37 jaar], is geïnstalleerd voor achttien maanden’, meldt Chad Infos.

    De president, die een van de befaamdste legers van het continent had opgebouwd, was gewend zich tussen de troepen te begeven. Volgens de eerste berichten zou hij gewond zijn geraakt tijdens gevechten tegen de opstand van rebellengroep FACT, die zijn doorgestoten vanuit Libië, in de regio Kanem, even ten noorden van N’Djamena. Op deze plek hebben de gevechten zich de afgelopen dagen geconcentreerd, met honderden doden tot gevolg.

    Strijd tegen terrorisme

    Met zijn 68 jaar, waarvan hij bijna de helft aan de macht heeft doorgebracht, is de man die zichzelf in 2020 uitriep tot ‘maarschalk voor het leven’, een van de alleenheersers die met ijzeren vuist regeren. Aan het hoofd van een van de meest doorgewinterde, best uitgeruste en best getrainde legers op het continent, was hij ook Europa’s en in het bijzonder Frankrijks beste bondgenoot. In de afgelopen jaren, toen Tsjaad werd bedreigd door zowel Boko Haram als jihadistische groeperingen uit de Sahel, toonde hij zich in deze gevechten onmisbaar.

    De Burkinese krant L’Observateur Paalga schrijft over de overleden president: ‘Déby is nu helaas des te onmisbaarder omdat iedereen zich van één ding bewust is: als na Libië ook de Tsjadische dam zou breken, zou de hele regio worden overspoeld door terrorisme.’ Na de dood van Idriss Déby is niet alleen Tsjaad in onzekerheid gedompeld, maar de gehele regio.



    Miguel Díaz-Canel krijgt de leiding in Cuba, maar Raúl Castro houdt de macht

    Miguel Díaz-Canel, president van Cuba – vandaag 61 jaar oud –, is op 19 april officieel eerste secretaris geworden van de Communistische Partij van Cuba (PCC), het centrum van de macht op het eiland. Een positie die tot nu toe was voorbehouden aan de broers Castro, eerst aan Fidel, tot zijn overlijden in 2016, en daarna aan zijn broer Raúl (89).

    De laatst overgebleven broer is nu al twee jaar bezig met het opzetten van deze overgang. Voor het eerst komt de achternaam Castro niet voor onder de vijftien leden van het Politbureau, het besluitvormingsorgaan van de PCC.

    ‘Castro gaat, castrisme blijft’

    Raúl Castro heeft niettemin vele loyalisten in het Politbureau en het Centraal Comité geplaatst, en er zijn maar weinigen die geloven dat hij het land niet op de achtergrond met ijzeren vuist zal blijven regeren.

    Hoewel hij na de revolutie van 1959 is geboren en dus geen deel uitmaakt van de ‘historische generatie’, heeft Miguel Díaz-Canel zich in de tijdperken van Fidel en Raúl als een goed apparatsjik gedragen. Hij is sinds 1997 zonder onderbreking lid van het Politbureau.

    In zijn toespraak aan het einde van de zitting waarin hij door het partijcongres werd bekrachtigd, liet hij zelf doorschemeren dat de ‘generaal van het leger’, Raúl, meer dan alleen aan zijn zijde zou blijven.

    ‘Raúl Castro blijft de enige en onbetwistbare leider, met een grenzeloze macht’

    Granma, het officiële dagblad van de PCC, citeert hem: ‘Kameraad Raúl (…) zal worden geraadpleegd over strategische beslissingen die van invloed zijn op het lot van de Cubaanse natie. Hij zal altijd aanwezig zijn, van alles op de hoogte worden gehouden. Hij zal energiek strijden, ideeën en voorstellen aandragen voor de revolutionaire zaak (…), en alert blijven om eventuele fouten of tekortkomingen te voorkomen.’

    Continuïteit: daar wijst ook de onafhankelijke Cubaanse pers op. De website Diario de Cuba kopt: ‘Niets absurder dan te praten over het einde van het Castro-tijdperk in Cuba’. En schrijft vervolgens: ‘Raúl Castro blijft de enige en onbetwistbare leider, met een grenzeloze macht. Van nu af aan zal hij zich tevreden stellen met het uitzetten van de strategische lijnen, het nemen van de belangrijke beslissingen en vooral het toezien op zijn nieuwe luitenants.’

    ‘Castro gaat, Castrisme blijft’, kopt de website 14ymedio, die eraan toevoegt: ‘Castrisme gaat verder dan een man en zijn clan. Het is een manier om politieke macht uit te oefenen, de media te controleren, de economie te beheren via het leger (…) en ideologische propaganda te structureren.’

    Lees ook:

  • Bedreiging persvrijheid in Tunesië | Idriss Déby krijgt een zesde termijn

    Bedreiging persvrijheid in Tunesië | Idriss Déby krijgt een zesde termijn

    Tsjadische president Idriss Déby Itno wordt herkozen voor een zesde termijn

    De Tsjadische Idriss Déby Itno werd bij de presidentsverkiezingen van 11 april herkozen voor een zesde termijn met 79,32 procent van de uitgebrachte stemmen, volgens de voorlopige officiële resultaten die maandag door het nationale verkiezingsorgaan Alwihdainfo.com bekend werden gemaakt. De voormalige en laatste premier van Déby, Albert Pahimi Padacké, werd tweede met 10,32 procent van de uitgebrachte stemmen. De opkomst bij deze verkiezing was 64,81 procent, zoals eveneens is te lezen op de site.

    Eerdere verkiezingen werden door oppositiepartijen bestempeld als een farce. Ook dit keer kwam zijn herverkiezing niet als een verrassing, aangezien zijn rivalen bij de verkiezingen niet veel politiek gewicht in de schaal konden brengen, schrijft o.a. het Zuid-Afrikaanse Mail&Guardian. Het Afrikaanse land wordt al sinds Déby in 1990 met een staatsgreep aan de macht kwam met ijzeren vuist geleid.


    In Tunesië zijn journalisten in oorlog met hun nieuwe CEO

    De benoeming van Kamel Ben Younes tot hoofd van het officiële Tunesische persbureau, Tunis Afrique Presse (TAP), heeft een ernstige crisis veroorzaakt. Afgelopen dinsdag schakelde de nieuwe baas zelfs de politie in om zijn kantoor te bereiken, waar journalisten de ingang blokkeerden, meldt de site van Business News

    Dit is ongehoord in de geschiedenis van het persbureau. De journalisten demonstreerden tegen zijn recente benoeming door de regering. Een aantal van hen werd door de politie met geweld aangepakt.

    De kersverse CEO van TAP, die zich al lange tijd dicht bij de macht bevindt van voormalig president Zine El-Abidine Ben Ali, wordt er door zijn werknemers van beschuldigd in dienst te zijn van de islamistische beweging Ennahda.

    Volgens de Tunesische site Kapitalis maakt Kamel Ben Younes deel uit van de RCD, de partij van ex-dictator Ben Ali; ‘De crème de la crème van wetteloze benalisten, opportunisten die klaarstaan ​​om hun vaders en moeders op de politieke markt te verkopen.’

    Bedreiging voor de persvrijheid

    ‘Waarom is het zo erg dat Kamel Ben Younes aan het hoofd van TAP wordt geplaatst?’ vraagt ​​de site Webdo.tn zich af. Mounir Souissi, journalist en lid het persbureau, legt het uit: ‘De TAP is de locomotief van de publieke media. Hichem Mechichi (het hoofd van de regering) weet dit en wil hier op deze manier invloed kunnen uitoefenen.’

    De krachtige interventie van de politie bij het gebouw van TAP lokte sterke reacties uit binnen de beroepsgroep, in het bijzonder bij de Internationale Federatie van Journalisten, die van mening is dat wat er is gebeurd niet alleen ‘een bedreiging is voor de gevestigde journalisten, maar [ook] voor de persvrijheid in Tunesië’.

    Kamel Ben Younes vertrok uiteindelijk zonder zijn kantoor te hebben bereikt. De journalisten blijven om de beurten sit-ins houden om de regering te dwingen haar besluit te herzien.


    In Ghana worden homoseksuelen achtervolgd als nooit tevoren

    Afgelopen zondag kwam in Ghana een ​​interreligieuze groep christelijke hoogwaardigheidsbekleders – priesters, pastors, dominees, bisschoppen – bijeen tijdens een nationale gebedsbijeenkomst in Accra. Het centrale thema en de titel van hun gebeden luidde: ‘Homoseksualiteit: een verfoeilijke zonde voor God.’

    Het evenement werd georganiseerd met de steun van Ghanese media en bracht vertegenwoordigers van de islam, traditionele religies, het maatschappelijk middenveld en het parlement samen. Deze invloedrijke figuren spraken ook over de criminalisering van de LGBTQI+ gemeenschap en ‘de heropvoeding, hulp en ondersteuning’ van deze ‘verloren zielen’.

    ‘Onnatuurlijke relaties’

    De golf van homofobie begon eind januari, toen LGBT+ Rights Ghana een ontmoetingsruimte in Accra opende. Het was de eerste in zijn soort en de ruimte bleef er niet lang, want het nieuws werd snel opgepakt door de lokale media.

    De eerste ronde van protest behelste een campagne waarin de regering werd opgeroepen het centrum te sluiten en de verantwoordelijken te arresteren. Leden van de regering haastten zich om zich bij het homofobe discours aan te sluiten.

    In de zeldzame interviews met homo’s vroegen journalisten hen of ze niet zelf verantwoordelijk waren voor het geweld waarmee ze te maken hadden

    Tegelijkertijd geven Ghanese media parlementsleden alle ruimte om hun homofobe opvattingen te uiten. In de zeldzame interviews met homo’s vroegen journalisten hen of ze niet zelf verantwoordelijk waren voor het geweld waarmee ze te maken hadden, door gelijke rechten te eisen.

    Op 24 februari zorgden al deze gebeurtenissen tezamen ervoor dat de politie het kantoor van de vereniging sloot, waarvan het team vervolgens onderdook. Sinds de sluiting is volgens activisten het aantal verbale en fysieke aanvallen op homoseksuelen toegenomen, vooral op het afgelegen platteland. 

    Homoseksualiteit, een ‘westers kwaad’

    Eind februari liet president Nana Akufo-Addo uit het niets weten dat hij legalisering van het homohuwelijk nooit zou toestaan. Begin maart hebben acht afgevaardigden van de regering een nieuwe versie van een eerder ingediend wetsvoorstel voorgesteld, waarin expliciet wordt opgeroepen tot strafbaarstelling van homoseksualiteit en verplichte ‘seksuele heroriëntatietherapie’ voor degenen die ervan worden ‘verdacht’.

    Veel homofoben beweren dat homoseksualiteit een product van westerse import is. Maar, zoals in veel voormalige koloniën, zijn de homofobe wetten van Ghana een residu van de Europese overheersing. De Commissie voor christelijk huwelijk en gezinsleven (CCMFL), die pleit voor het heteroseksuele gezinsmodel, werd in 1966 opgericht met financiering van een Britse organisatie, Christian Aid. Meer recentelijk hebben organisaties zoals de National Coalition for Appropriate Sexual Rights and Family Values ​​het discours van Amerikaanse evangelisten herhaald, onder meer met de officiële steun van het World Congress of Families, een organisatie gevestigd in de Verenigde Staten.

    Schaduwgevecht

    LGBT+ Rights Ghana heeft een geldinzamelingsactie gelanceerd om een ​​permanent pand te verwerven voor de huisvesting van een nieuw sociaal centrum. De vereniging heeft tot nu toe meer dan 40.200 dollar opgehaald.

    Andere verenigingen oefenen druk uit op afgevaardigden om te voorkomen dat nieuwe wetgeving wordt aangenomen die homoseksualiteit expliciet strafbaar stelt. Vanwege het risico op vervolging organiseren de meeste activisten zich ondergronds.

  • De  duivels van het Tsjaadmeer

    De duivels van het Tsjaadmeer

    De Spaanse journalist Xavier Aldekoa reisde naar het Tsjaadmeer, de schuilplaats van Boko Haram. Het geweld van de islamitische terreurbeweging brengt miljoenen burgers in een uitzichtloze situatie.

    De naam die Djafana Ali haar vijfde kind gaf was een kleine daad van verzet, bijna een genoegdoening, geboren uit trots. De man die Djafana uit de groep vrouwen pikte om te verkrachten was minder subtiel. Luttele weken na haar ontvoering in april 2015 door de Nigeriaanse fundamentalistische terreurorganisatie Boko Haram duwde een van de jihadisten de poort van het erf open waar Djafana samen met honderden andere vrouwen en meisjes (het waren er zo’n zevenhonderd, schat ze, opgedeeld in verscheidene groepen) opgesloten zat. De man pakte haar arm vast en nam haar mee naar een bos, waar hij haar misbruikte. De Boko Haram-strijder wees haar aan als zijn vrouw en niet lang daarna raakte ze zwanger van hem.

    Een paar dagen voor haar ontvoering had Djafana haar man en kinderen achtergelaten in haar geboortedorp Melea, op het vasteland van Tsjaad, omdat haar zieke moeder, die alleen in Buduma woonde (een eiland midden in het meer van Tsjaad), haar zorg nodig had. Djafana wist maar al te goed hoe riskant de tocht was. Het labyrint van vaarwegen en de talrijke eilanden in het Tsjaadmeer, dat een natuurlijk grensgebied vormt tussen Nigeria, Kameroen, Niger en Tsjaad, is sinds een paar jaar de schuilplaats van islamitische extremisten. Maar haar moeder was ziek en daarom ging Djafana toch naar haar toe.

    Een paar uur na het weerzien met haar moeder vielen Boko Haram-strijders het eiland binnen en ontvoerden ze alle jonge vrouwen en kinderen. Over de precieze toedracht geeft Djafana geen details prijs. Ze vertelt alleen hoe ze een deur opentrokken, een vrouw pakten en die aan een van de strijders gaven. Wanneer een vrouw weigerde, dan was ze een hoer en werd ze of ter plekke vermoord, of mocht iedereen zich aan haar vergrijpen.

    Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden

    Er zaten meisjes van tien tot twaalf jaar tussen. Ook zij stonden op het keuzemenu. De drieëntertigjarige Djafana was getrouwd – in haar streek trouwen meisjes jong – maar niemand vroeg ernaar en het leek niemand iets te kunnen schelen. De moslimextremist sloot haar op in een hutje en kwam af en toe langs om zijn lusten bot te vieren. Achttien maanden lang hield de radicale terreurbeweging, die in 2015 trouw zwoer aan Islamitische Staat, haar gegijzeld. Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden.

    Nu, vier maanden na haar ontsnapping, is ze terug in haar dorp, waar het veilig is. Op het Tsjadische vasteland is het afgelopen jaar de jihaddreiging afgenomen, op de eilanden niet.
    Djafana weigert zijn naam te noemen. Soms is het besluit van de vrouwen om de rebellen dood te zwijgen hun manier om wraak te nemen. Het is misschien wel de enige wraak die ze kúnnen nemen. Daarom heeft Djafana het bij haar verwekte kind dat nu, een jaar oud, hongerig naar haar borst hapt, Hissein genoemd, naar haar eerdere man.

    Djafana slaagde erin om samen met honderden andere vrouwen te ontsnappen toen Nigeriaanse legerhelikopters eind 2016 het eiland aanvielen dat in handen was van Boko Haram. Tijdens het zwaarste militair offensief sinds de zomer van 2015 werden de rebellen grotendeels verjaagd uit de gebieden die ze in het noorden van Nigeria in handen hadden en moesten ze zich terugtrekken in het ondoordringbare Sambisa-reservaat, dat op de grens tussen Nigeria en Kameroen ligt, en in het labyrint van eilanden en vaarwegen in het Tsjaadmeer. Daar hadden ze alleen te vrezen van aanvallen uit de lucht. Zoals op de dag dat Djafana wist te vluchten. Die ochtend stierven tientallen strijders en gegijzelde burgers door kogels en bommen, maar lukte het rond de vijfhonderd ontvoerde meisjes en vrouwen om in de chaos te ontkomen.

    Omdat er niemand was om hen op te vangen, deden de vrouwen er dagen over om de Tsjadische kust bereiken. Van eiland naar eiland liepen ze door het water, de langsten tilden de baby’s boven hun hoofd zodat ze niet zouden verdrinken. Slechts honderd vrouwen bereikten hun eindbestemming, al denkt (hoopt?) Djafana dat veel vrouwen het mogelijk wel hebben gered maar via andere routes zijn gegaan. Toen ze aankwam in haar dorp kreeg ze te horen dat haar man Hissein tijdens haar ontvoering ziek was geworden en was gestorven. Als haar jongste zoon volwassen is, zal ze niet zeggen wie zijn vader is. ‘Dat komt niet eens in mijn hoofd op, al zou het kunnen dat iemand anders dat wél doet.’

    Kulkime, aan het Tsjaad-meer, is een van de dorpen waar slachtoffers van Boko Haram worden opgevangen. – © Michael Zumstein / Agence VU
    Kulkime, aan het Tsjaad-meer, is een van de dorpen waar slachtoffers van Boko Haram worden opgevangen. – © Michael Zumstein / Agence VU

    Sinds haar vrijlating woont Djafana weer in Melea, een gehuchtje van strohutjes in the middle of nowhere op een kale vlakte. Overal waar je kijkt is zand of droog struikgewas en krabt de wind je huid open. Rond het middaguur komt het leven traag tot stilstand, de mannen, die in de schaduw bij elkaar zitten, mompelen af en toe iets, waarna ze weer terugvallen in hun lethargisch stilzwijgen. Alleen een handvol kinderen, spelend met lemen speelgoed – een koe, een pan, een radio met een draadje dat een koptelefoon moet voorstellen – zorgt voor wat leven in de brouwerij. De vrouwen zijn aan het werk: twee vermalen ritmisch het kleine beetje graan in een houten kom. Djafana woont daar vlakbij. De inrichting van haar huis is sober. Op de aangestampte zandgrond heeft ze een donkere mat gelegd, in een hoek liggen een deken met tijgerprint, twee verkreukelde stukken stof en een blauwe plastic emmer, aan de andere kant staat een zilverkleurige kom. Djafana woont daar met haar baby Hissein en haar vier andere kinderen, die tussen vier en veertien jaar oud zijn. Ze klaagt dat niemand zich om hen bekommert.

    Omdat ze niet in een vluchtelingenkamp wonen, krijgen ze geen voedsel en lijden haar kinderen honger. Ze kijkt moe uit haar ogen. Monotoon vertelt ze over het afschuwelijke dat haar is aangedaan. Ondanks haar verhalen over massale verkrachtingen en meedogenloze executies blijft Fatima, een van haar dochtertjes, dicht tegen haar aan zitten met de onschuldige en geconcentreerde blik van een kind dat naar een verhaaltje of een liedje luistert. Djafana draagt een zwart gewaad bedrukt met rode, oranje en gele figuurtjes, waarmee ze ook haar hoofd bedekt; haar gouden neusring, bij de Buduma-stam een teken dat ze getrouwd is, heeft ze afgedaan. Haar gezicht is versierd met scarificaties, in haar huid gekerfd toen ze zes was en waaraan men kan zien bij welke stam ze hoort. Het zijn niet haar enige littekens. De verse op haar armen zijn het gevolg van de luchtaanval op het eiland waarbij de jihadstrijder omkwam die een kind bij haar verwekte. Ook de kleine Hissein heeft littekens op zijn hoofd.

    De hele regio vormt een wond die maar niet sluiten wil. Het grensgebied rondom het Tsjaadmeer dat Nigeria, Tsjaad, Kameroen en Niger met elkaar delen gaat sinds acht jaar gebukt onder een enorme geweldsgolf. De opkomst van Boko Haram in het noorden van Nigeria en hun invasie van de buurlanden heeft vijftigduizend levens gekost, duizenden mensen zijn gegijzeld en op de vlucht geslagen. Volgens de Verenigde Naties zijn bijna tweeëneenhalf miljoen burgers dakloos. Het overgrote deel is weggetrokken van het platteland, waar Boko Haram meestal huishoudt, en zoekt bescherming in vluchtelingenkampen, in de steden of bij familieleden of kennissen.

    Dat Boko Haram onder druk van een multinationale strijdmacht, aangevoerd door Nigeria en Tsjaad, een groot deel van hun gebied moest inleveren – de rebellen riepen in 2014 in Noord-Nigeria het kalifaat uit – heeft niet tot een afname van succesvolle dodelijke aanslagen geleid. Naast snelle, guerrilla-achtige aanvallen waar weinig materieel voor nodig is, zet Boko Haram nu ‘zelfmoordenaars’ in om de samenleving te ontwrichten. Boko Haram heeft de afgelopen drie jaar meer dan honderd zelfmoordaanslagen gepleegd, zo blijkt uit gegevens van UNICEF en The Long War Journal, een organisatie die de geweldsdelicten van de terreurbeweging bijhoudt. Alleen al in het eerste trimester van 2017 hebben zevenentwintig meisjes zichzelf onder dwang opgeblazen.

    Op 1 januari heeft een meisje van nog geen tien jaar oud, aldus ooggetuigen, haar bomgordel laten afgaan op een markt in Maiduguri. Dat het in tachtig procent van de gevallen meisjes zijn die zelfmoordaanslagen plegen is niet toevallig. Boko Haram gebruikt de ruimvallende gewaden van meisjes en vrouwen om bomgordels te verstoppen en stuurt ze vaak gedrogeerd naar een markt of moskee om zichzelf tot ontploffing te brengen.

    Volgens de Nigeriaanse analist en veiligheidsdeskundige Fullan Nasrullah is het een effectieve militaire tactiek. ‘De strategie van de opstandelingen is onder meer om het moreel van de samenleving en de strijdmacht te breken, én om de landen te dwingen hun schaarse middelen aan te wenden ter bescherming van makkelijke doelwitten en niet te gebruiken voor de strijd.’


    Jaren van angst en de geur van kruitdampen hebben tot miljoenen lege buiken geleid. En niet alleen wie gevlucht is voor het geweld, ook de mensen die hun land niet durven te bewerken of die de gevolgen van een ingestorte economie dragen, lijden honger. Door de oorlog is handel niet meer mogelijk en zijn levensmiddelen peperduur geworden, veel mensen kunnen geen voedsel meer kopen. De omvang van deze ramp zal nieuwe slachtoffers maken: de Verenigde Naties waarschuwen dat meer dan zeven miljoen burgers urgent medische hulp nodig hebben en in de gebieden waar Boko Haram het felst tekeer gaat is al sprake van een hongersnood.

    Daarom hebben de baby’s uit het gebied rond het Tsjaadmeer koude handjes. Aan het eind van de woestijnstrook die Niger scheidt van zijn buurland Tsjaad – een stuk niemandsland waar de nabijheid van jihadstrijders een militaire escorte noodzakelijk maakt – woont Ache Gomborom, en zijn handjes zijn ijskoud. Hij heeft ook andere symptomen van ondervoeding: je kunt zijn ribben tellen, hij heeft spillebeentjes en een starende blik. Als hij in een weegschaal wordt getild, trekt er een kleine frons over zijn gezichtje. Het gezicht van de Tsjadische arts die hem behandelt spreekt boekdelen: voor zijn zeventien maanden is zijn gewicht alarmerend laag. Wanneer zijn moeder, Bakouli Maloum, hem overneemt wikkelt ze hem in een rode sjaal en kijkt naar de grond. Na een poosje is hij in slaap gevallen. Zijn moeder protesteert: ‘Op ons eiland was alles normaal, we werkten op land en visten in het meer. Nu is alles anders. Als Boko Haram je te pakken krijgt, snijden ze je keel door. Hoe kun je daar blijven?’ Bakouli, geboren op Kindjira, een klein eiland in het Tsjaadmeer, draagt twee zwarte armbanden om haar rechterpols en groene oorbellen in haar oren. Al haar andere bezittingen zijn afgepakt door de jihadstrijders.

    Ofschoon Noord-Nigeria en de streek rondom het Tsjaadmeer hoofdzakelijk islamitisch zijn, zijn er maar een paar stammen, zoals de Buduma, die hun geloof in Allah belijden met traditionele rituelen. Het handjevol christenen is de streek al jaren geleden ontvlucht. Maar de fundamentalisten maken geen enkel onderscheid: wie hun radicale geloofsopvatting niet deelt, is een ongelovige die gestraft en gedood moet worden. Bakouli kent die fatale minachting maar al te goed: ‘Ze zeggen dat we christenen zijn, zo noemen ze iedereen die in hun ogen geen goede moslim is. Daarom vermoorden ze ons. Daarom snijden ze onze keel door. Ze vinden ons minderwaardig, net als dieren.’

    Voor de deuren van de winkel die dienstdoet als mobiele kliniek wacht een grote groep vrouwen en uitgeteerde kinderen op hun beurt onder de schaduw van een boom. Het zijn er zo veel dat niet iedereen een plaatsje in de schaduw kan bemachtigen, een enkeling staat in de volle zon. Vliegen zoemen om de ogen, neuzen en monden van de kinderen. Niemand probeert ze te verjagen. In de omgeving staan zo’n vijftienhonderd geïmproviseerde hutjes van takken, stro en plastic. Hier is de voorbode van de honderden kampen in de regio waar niemand naar omkijkt. Zo’n negenduizend vroegere eilandbewoners wonen nu op een lap woestijngrond, Magui gedoopt, en wachten op hulp. Er is zo onnoemelijk veel zand dat je alleen traag kunt voortbewegen, de zon prikt op je voorhoofd en de wind dwingt je met dichtgeknepen ogen te lopen.

    De Tsjadische UNICEF-voedingsdeskundige Ngandolo Kouyo strijkt de kreukels uit zijn witte doktersjas alvorens op een witte plastic stoel plaats te nemen. Of we het kort kunnen houden, is zijn verzoek. ‘Het is druk vandaag,’ zegt hij verontschuldigend, waarna hij de toekomst van zijn patiënten analyseert. Door de haast, of misschien wel de dagelijkse confrontatie met deze catastrofe, zijn zijn woorden weinig diplomatiek. ‘Deze mensen zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Als die niet komt, sterven ze bij bosjes. Allemaal. Geen twijfel mogelijk. Er is geen voedsel, er is geen water, geen toegang tot medische zorg. En als die zorg er wel is, hebben ze de middelen niet om de hulpposten te bereiken. Ergo: er gaan veel doden vallen.’ Eigenlijk verwoordt Kouyo in telegramstijl met onderkoelde onmacht de alarmkreet die negentien mensenrechtenorganisaties eind 2016 lieten horen over de crisissituatie rond het Tsjaadmeer, de grootste, door iedereen vergeten humanitaire crisis van 2016. Cijfers van de hulp die in 2017 is geboden stemmen niet vrolijk: van de 1500 miljoen dollar die de Verenigde Naties nodig denken te hebben om de voedselcrisis rond het Tsjaadmeer het hoofd te bieden, is in het eerste kwartaal van 2017 slechts 169 miljoen binnengekomen, 11 procent van het geld dat nodig is.

    Eilanden ontvlucht

    Tientallen kilometers zuidwaarts verraden de kapotte en halflege visnetten van Barkay Idriss dat je niet zo makkelijk uit deze val ontsnapt. In Tagal, een dorpje aan de oevers van het Tsjaadmeer, is het al bijna avond, maar op de bodem van zijn kano glibberen slechts een dozijn vissen. De lucht is hier fris, het groene landschap legt een zachte waas over de horizon en vanaf de oever komt de geur van tientallen vissen die op houten spijlen in de zon liggen te drogen. Gehurkt op een van de uiteinden van zijn boot bekijkt de zeventienjarige Barkay de dagvangst en schudt boos en beschaamd zijn hoofd. ‘Het visnet is oud, zodra de vissen zich een beetje uitrekken zijn ze weg.’

    Zijn vader leerde hem vissen toen hij twaalf was, hij kent alle fijne kneepjes. Je moet bijvoorbeeld ’s ochtends vroeg je visnetten uitzetten, voordat de nijlpaarden zich laten zien, want je kunt beter uit de buurt blijven van de snijtanden van deze lichtgeraakte beesten. Ook weet hij dat je in diepe, stille wateren de beste vis vangt, maar dat kan nu niet. ‘Boko Haram houd zich schuil op de eilanden, en omdat we bang zijn, vissen we allemaal dicht bij de oever. We zijn met te veel, daarom zijn er te weinig vissen.’

    De afgelopen jaren zijn duizenden burgers de eilanden ontvlucht, op zoek naar de relatieve veiligheid – vaak zit de terreurbeweging maar op een paar kilometer afstand – op het vasteland, waar meer militairen zijn en humanitaire hulporganisaties hulp kunnen bieden. De vluchtelingengolf heeft voor een demografische explosie gezorgd: de bevolking in de regio is verdriedubbeld.

    Barkay draagt een lichtblauw overhemd en een gele broek, kleding die betere tijden heeft gekend en verraadt dat het vroeger beter was. Toen hij op een van de eilanden woonde, verdiende hij met gemak veertig dollar per week, had hij een prima kano en meer dan genoeg visnetten. Nu haalt hij niet eens dertig dollar per maand en deelt hij zijn boot met twee andere vissers. Hij vertelt het met gepaste verbitterdheid, beseffend dat hij van geluk mag spreken.

    Gekrijs redde het leven van Barkay. Om drie uur ’s nachts vielen Boko Haram-strijders zijn dorp Bulari aan, op een van de Tsjadische eilanden, en namen als eerste de medicijnman van het dorp te grazen, want ‘zo gaan ze altijd te werk’. Voor de jihadisten is het geloof van de medicijnmannen in magische krachten en geesten een zonde. Ze onthoofden hem voor zijn deur. Met één simpel gebaar regen ze een van de dorpshoofden aan hun mes. ‘Ik werd wakker van zijn gegil en kon wegvluchten.’ Barkay en veel van zijn dorpsgenoten lieten noodgedwongen hun dieren en bezittingen achter, die de jihadisten meenamen als oorlogsbuit.

    Door het geweldsconflict zijn de handelsroutes met buurlanden afgesloten, wat funest is voor de economie. Naast het verbod van lokale overheden om met auto’s de grens over te steken zodat de jihadisten-strijders zich niet vrij kunnen verplaatsen, bleek een ander verbod de genadeslag voor de lokale handel. Omdat de rebellen hun activiteiten onder meer financierden met de verkoop van gestolen vee – duizenden stuks vee, die goed waren voor honderdduizenden dollars – besloot men een van de diepst gewortelde handelsactiviteiten in de streek, de handel in dieren, stil te leggen. De wereldwijde daling van de olieprijs, een van de steunpilaren van de Nigeriaanse en Tsjadische economie, en de hogere investeringen in defensie ten koste van de sociale voorzieningen heeft de wond nog verder opengereten.

    Hoe dan ook, Barkay peinst er niet over om naar huis terug te keren. ‘Wat ik daar heb gezien wil ik nooit meer zien, ik blijf hier de rest van mijn leven.’ Maar hij ziet als een berg op tegen zijn toekomst. Het liefst zou hij trouwen en een gezin stichten, maar hij heeft geld nodig voor de bruidsschat, een met de schoonfamilie afgesproken aantal koeien of geiten. Meestal, aldus Barkay, betaal je een bedrag van zo’n achthonderd dollar, al kan de prijs oplopen als het meisje gestudeerd heeft of uit een rijk gezin komt. Op dit moment en in deze situatie is dat een onmogelijk te vergaren fortuin. Evenwel, als Barkay er niet in slaagt zo veel geld bij elkaar te krijgen, is zijn eer aangetast. ‘In onze cultuur moet een man trouwen. Slaag je daar niet in, dan is dat een sociale schande.’

    ‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen’

    Boko Haram heeft munt weten te slaan uit deze traditie waarin de jonge mannen klemzitten. De oprichting van de Nigeriaanse terreurgroep, de groei en de uitbreiding naar de buurlanden hangen nauw samen met de armoede en de sociale ongelijkheid in Nigeria: het rijke, ontwikkelde zuiden van Nigeria met zijn moderne steden (al is daar ook een kloof tussen arm en rijk) vormt een schril contrast met de arme, veronachtzaamde noordelijke regio’s, waar nauwelijks infrastructuur en geasfalteerde wegen zijn.

    De UNESCO schat het aantal alfabeten in het noorden van Nigeria, de bakermat van Boko Haram, in 2002 op een krappe 14,5 procent. In Lagos, Zuid-Nigeria, ligt dat percentage op 92. De opstandelingen wisten wat hen te doen stond: in 2014 begonnen ze aan een nog altijd voortdurende reeks ontvoeringen van meisjes – de bekende gijzeling van de 219 schoolmeisjes in Chibok, in het noordoosten van Nigeria, maakte deel uit van deze strategie –, waar de jonge mannen die zich bij hen aansloten voor niks mee konden trouwen. Het bleek een uiterst effectieve zet. De nieuwelingen kwamen bij bosjes. Honderden jonge mannen zagen dat ze een vrouw en kinderen konden krijgen en geen sociale vernedering hoefden door te maken omdat ze geen bruidsschat kunnen betalen.

    De zeventienjarige visser Djibirine Mbodou, die meer dan een jaar lang gevangen werd gehouden en in januari 2017 wist te ontsnappen, bevestigt deze lezing. Veilig aan de oever van het Tsjaadmeer herinnert hij zich glashelder hoe Boko Haram-strijders op een nacht zijn eiland Galoa in Tsjadische wateren aanvielen en het voltallige dorp, zo’n zevenduizend bewoners, meenamen. Meteen werden er strikte regels opgelegd: bij diefstal werd je hand afgehakt en op voetballen stond de doodstraf. Dagelijks werden ze in groepen opgedeeld om te bidden. ‘Ze schreeuwden naar ons dat we vroeger verkeerd baden.’ Nog steeds heeft hij nachtmerries, want hij zag hoe ze een veertienjarige meisje martelden omdat ze weigerde seks te hebben met een strijder en hoe mensen die probeerden te ontsnappen werden gekeeld. Een aantal van zijn vrienden en buren besloten zich vrijwillig aan te sluiten. ‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen.’

    Jihadist zijn stelt je bovendien in staat om in no time oude ruzies te beslechten. Eenmaal ingelijfd bij Boko Haram maak je met een kalasjnikov in je handen fluitend een eind aan een conflict met die snel gepikeerde buurman over een stuk land, vereffen je een rekening met die jongen die er ooit met je vriendinnetje vandoor ging of krijgt die rijke, gierige kennis op wie je zo jaloers was eindelijk zijn vet. De fundamentalistische terreurbeweging heeft zich aan de tijd moeten aanpassen. Initieel heette ze niet eens Boko Haram. Begin deze eeuw predikte de radicale geestelijke Mohammad Yusuf in de straten van de Nigeriaanse stad Maiduguri voor een strikt islamitische samenleving die een einde zou maken aan sociale ongelijkheid. Zijn vijand was de inefficiënte en corrupte Nigeriaanse overheid, die hij ervan beschuldigde decennialang niet naar het noorden te hebben omgekeken. In zijn preken, die steeds grotere menigten trokken, gebruikte hij in het Hausa het mantra Bokoisharam! Bokohisharam! Hij bedoelde dat het gebruik van boeken – symbool van westerse educatie dat haaks staat op het gebruik van houten plankjes op de koranscholen – een zonde was en de oorzaak van een falend systeem. Eigenlijk gebruikten ze dus niet de naam Boko Haram maar hun officiële naam: Zij die de leer van de Profeet en de jihad zullen verkondigen.

    Zijn radicale discours viel in vruchtbare aarde bij een generatie wanhopige werkloze jongeren en ontaardde in gewelddadige protestacties waarbij Nigeriaanse veiligheidsagenten en politici werden vermoord. Yusuf wilde een nationale koers varen: zijn doel was om de regering af te zetten en de sharia in te voeren. De beweging kon rekenen op machtige peetvaders. Ofschoon ze hun inkomsten later uit bankroven, afpersingen en plunderingen haalden, werden ze aanvankelijk financieel gesteund door hoge politici en geestelijken uit het noorden van Nigeria. Met de moord op Yusuf tijdens zijn gevangenschap in 2009 en de standrechtelijke executies van honderden van zijn aanhangers brak de hel los. Enkele maanden later nam Abubakar Shekau de leiding over en sloeg de terreurgroep een nog bloederiger koers in met aanslagen en moordpartijen op grote schaal en gebruikten ze het zaaien van paniek als pressiemiddel. Vanaf dat moment danken ze hun machtspositie aan het aura van geweld dat hen omringt. Alleen de naam Boko Haram al doet iedereen verstijven van schrik.

    Gevraagd naar Boko Haram laat de jonge Mbodou, die langer dan een jaar door de rebellen werd gegijzeld, zien hoezeer zijn angst is geïnternaliseerd. Hij zit op zijn knieën onder een bladerdek dat hem tegen de zon beschermt en er is er geen spoor van rancune te horen in zijn antwoord. ‘Wie de rebellen zijn? Het zijn de mannen die ’s nachts op pad gaan. Als je ze tegenkomt, snijden ze je strot door. Daar krijgen ze een kick van.’

    De verhalen die je hoort in het gebied rond het Tsjaadmeer worden gevoed door de angst voor nachtelijke verrassingsaanvallen en de ongekende wreedheid. In Baga Sola, de belangrijkste stad in het Tsjadische grensgebied, doet een afschuwelijk verhaal de ronde. Op een nacht bereikten twee Boko Haram-strijders een gehuchtje, even buiten de stad. Ze namen hun intrek in de lemen hut van een doodsbange oude man die, niet in staat om te vluchten, zijn enige overlevingskans zag in het zo gastvrij mogelijk behandelen van de twee mannen. Hij stond vroeg op om bij de put water voor de thee te halen. Hij ververste het stro in hun matrassen en bereidde zelfs een geit voor hen. Hij probeerde niet te ontsnappen. De dag voor hun vertrek zeiden ze tegen hem: ‘Je gastvrijheid en opofferingsgezindheid hebben diepe indruk op ons gemaakt. Je bent een goed man, je verdient een plek in het paradijs. Maar stervelingen zijn zwak en je loopt het risico verleid te worden en de weg kwijt te raken. Daarom, opdat Allah je toelaat tot het paradijs, gaan we je vermoorden.’ En ze sneden zijn keel door.

    Dit verhaal, bij de ene verteller met een wat langere monoloog of met iets meer nadruk op de goedheid van de oude man dan bij de ander (omdat er geen getuigen zijn is de precieze inhoud niet te verifiëren), laat zien hoe de angst zelfs is doorgedrongen tot de horrorverhalen in de streek. Voor velen is Boko Haram de duivel.

    Ook in het dorpje Dileram aan het Tsjaad-meer worden mensen opgevangen die aan Boko Haram zijn ontsnapt of hun eigen dorp ontvlucht. – © Zumstein / Agence VU
    Ook in het dorpje Dileram aan het Tsjaad-meer worden mensen opgevangen die aan Boko Haram zijn ontsnapt of hun eigen dorp ontvlucht. – © Zumstein / Agence VU

    Naast religieus-extremisme en armoede zijn er twee andere factoren die verklaren waarom een handjevol fanatiekelingen – tussen de vier -en zesduizend goed getrainde strijders, volgens de CIA – Nigeria, de belangrijkste economie van Afrika, en de buurlanden helemaal klem heeft gezet: dat ze vergeten worden en zich gekwetst voelen.

    In Dar es Salaam, het grootste vluchtelingenkamp aan de Tsjadische zijde van het meer, tekent Nasiru Saidu beide factoren met zijn vingers in het zand. Met zijn handpalm egaliseert hij de zandgrond en trekt met drie vingers een golvende baan. Aan één kant schrijft hij Doro, de naam van zijn Nigeriaanse dorp, aan de andere Tsjaadmeer. Zittend tegenover een voetbalveld waar ngo’s potjes voetbal organiseren om de kinderen hun trauma’s te laten verwerken, roept Saidu herinneringen op aan begin januari 2015, toen zijn leven als vis- en uienhandelaar voorgoed een andere wending nam. Terwijl Parijs beefde onder de fundamentalistische terreuraanslag op het satirische tijdschrift Charlie Hebdo en de westerse wereld bedolven werd onder spandoeken met de tekst ‘Je suis Charlie’, pleegde Boko Haram aan de Noord-Nigeriaanse kust van het Tsjaadmeer de heftigste aanval uit hun geschiedenis. Na de verovering van een legerbasis belegerden jihadstrijders vijf dagen lang de stad Baga en zestien dorpjes zonder ook maar enige vorm van tegenstand te ondervinden. Duizenden burgers – enkele bronnen spreken van tweeduizend, maar niemand bleef achter om ze te tellen – werden vermoord, duizenden anderen staken in paniek het meer over in de richting van Tsjaad. Saidu was een van hen. ‘Toen we zagen hoe een Nigeriaanse soldaat met een schotwond op een bromfiets werd vervoerd, wisten we dat dit geen gewone aanval van Boko Haram was.’

    Een paar weken daarvoor had Saidu eindelijk na twee jaar al zijn moed verzameld om zijn dorp te bezoeken. Omdat het Tsjaadmeer nu militair grondgebied is, moest hij een omweg nemen. Hij was vier dagen onderweg en reisde mee met zes verschillende vrachtwagens. As was alles wat hij vond. ‘Alles is verlaten. Hier en daar zie je nog botten liggen.’

    Saidu is 36 jaar en heeft niets meer, behalve zijn trots. Hij spreekt rustig maar vastberaden. ‘Eerlijk gezegd hebben we banen nodig. Wachten tot er hulp komt schiet niet op. Van niks doen krijg je honger, en een hongerige man is een boze man. Wij willen niet afhankelijk zijn van humanitaire hulp.’

    Saidu is dun, maar lang en grofgebouwd. Hij draagt een lang wit hemd, zijn kortgeschoren hoofd en zwarte puntbaardje met grijze plukken accentueren zijn scherpe gelaatstrekken. Hij glimlacht aan één stuk door en boezemt vertrouwen in. Hij knoopt meteen een gesprek aan met de vrouwen die water komen halen bij een nabijgelegen put.

    Zo op het eerste gezicht lijkt Saidu uit leidershout gesneden, wellicht omdat hij helder en genuanceerd spreekt. Hij beschouwt Boko Haram-strijders niet als de duivel en hij heeft recht van spreken: hij kent er een aantal. Hij weet dat mensen zich aansloten omdat ze honger leden, omdat Boko Haram naar hun dorp kwam en een salaris en voedsel beloofde. Hij heeft vrienden die niet diepreligieus waren en nog nooit iets misdaan hadden, maar uit wraakzucht toetraden tot Boko Haram. De corruptie en het misbruik van het Nigeriaanse leger zijn evengoed debet aan de huidige situatie als de moslimextremisten. Hij vertelt hoe het leger zich ineens in hun dorp liet zien en een dozijn jongeren meenam. Niemand heeft ze ooit nog teruggezien. En niet te vergeten de zo gevreesde regel één om vijftig: ‘Het was in Baga Sola, in een wijk die Flatari heette,’ herinnert hij zich. ‘Boko Haram had een soldaat vermoord en even later kwam het Nigeriaanse leger en brandde de hele wijk plat. Zieken, ouderen, blinden, allemaal onschuldige mensen kwamen om. En de reden: iemand had een militair gedood, maar niemand wist wie de moordenaar was.’

    Geef ons je geld en maak dat je wegkomt

    Lokale organisaties klagen al jaren over de gruweldaden die het Nigeriaanse leger pleegt onder het mom van de strijd tegen het terrorisme. Ook de internationale gemeenschap is hiervan op de hoogte. Amnesty International heeft een rapport gepubliceerd met beeldmateriaal en ander bewijs van martelingen en executies van honderden burgers. Human Rights Watch beschuldigt de mensen die de voor Boko Haram gevluchte vrouwen horen te beschermen van misbruik: militairen, politieagenten en opvangkampmedewerkers verkrachten meisjes of vragen seksuele gunsten in ruil voor bescherming of voedsel.

    Djim en Abdoulhassan, Tsjadische hulpverleners van een internationale organisatie, willen alleen anoniem spreken. Djim werkte in Nigeria en wil niet terug. ‘Het leger begint meteen te schieten.’ Hun angst voor Boko Haram maakt dat zodra de situatie een beetje gespannen is hun vinger wel heel snel richting de trekker gaat. Dan zijn er nog de systematische overvallen. Djim heeft zijn lesje wel geleerd toen het op een dag iets later werd op kantoor en hij ’s avonds door de straten van Maiduguri in Noord-Nigeria liep. Hij werd tegengehouden bij een militaire controlepost. Het deed er niet toe dat hij uitlegde waar hij werkte en dat hij hulpverlener was. De militairen namen al zijn bezittingen af. ‘Het enige wat ze zeiden was: geef ons je geld en maak dat je wegkomt.’

    Op het hoogtepunt van de radicale terreurbeweging maakte de paranoia van het slecht getrainde en nog slechter betaalde Nigeriaanse leger van elke routinematige controle op gevaarlijk terrein een vorm van Russische roulette. Een kleine blauwe plek kon voldoende zijn voor een veroordeling: had de verdachte op zijn schouder iets wat leek op een geweerafdruk, dan was dat het bewijs dat hij een Boko Haram-strijder was. Er waren nog andere methodes: de teennagels bestuderen, bijvoorbeeld. Had de persoon ingegroeide teennagels dan was dat voor sommige militairen een teken dat hij urenlang met militaire kisten aan had gelopen. Het onmiddellijke vonnis: Boko Haram-strijder, de gevangenis in, als de verdachte geluk had. Soms werd er snelrecht toegepast en kreeg de verdachte ter plekke een nekschot.

    Toen eind 2015 de noodtoestand in Tsjaad werd uitgeroepen kwam het leger met een voor het volk niet mis te verstane mededeling: iedereen die zou achterblijven op de eilanden, was een Boko Haram-strijder, inclusief de dieren. De eilanden waar burgers eeuwenlang hadden geleefd werden een nog gevaarlijker plek.

    Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land

    Desondanks ontkent de hoogste lokale autoriteit van de regio Baga Sola, Dimonya Sonapébé, keihard dat er in zijn jurisdictie burgers zijn omgebracht. Gestoken in zijn mooiste kleren ontvangt hij me in het zitje van zijn kantoor en pareert elke kritische vraag. ‘In het leger noemen we dat collateral damage. Dit gebeurt overal. Welke militair schiet nu vrijwillig op zijn eigen bevolking. Onmogelijk! Soms worden er fouten gemaakt als je een hele groep wilt redden. Dan kan het voorkomen dat je per ongeluk iemand doodt, dat is betreurenswaardig.’ Als hij geconfronteerd wordt met getuigenverklaringen van bombardementen op Tsjadische dorpen vol ontvoerde vrouwen en kinderen en illegale executies op Nigeriaans grondgebied, kapt hij het gesprek af. ‘Wij hebben nergens spijt van. Wij verwijten onze veiligheidsmacht niets. Wij zeggen alleen: Bravo! Bravo! Jullie hebben de strijd gewonnen!’

    De opkomst van burgerwachten in Nigeria, Tsjaad, Niger en Kameroen is evenmin bevorderlijk voor een strikte naleving van de wet. Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land. Af en toe vonden er rechtstreekse confrontaties plaats met de terreurgroep, die de mannen vanwege hun overduidelijke inferioriteit met hun leven moesten bekopen. Het zijn vrijwilligers die hun mensen en familie proberen te beschermen in een uitzichtloze situatie.

    Abakar Salha en Souleymane Obusmaneissa voldoen op het eerste gezicht aan dit profiel. De een draagt een lilakleurige tulband, de ander een witte. Gewapend met een metaaldetector fouilleren ze elke bezoeker die de markt van Baga Sola wil betreden, inclusief de kamelen. Als ze niks verdachts vinden halen ze het over de hele breedte van de straat gespannen touw weg en mag de gefouilleerde persoon doorlopen. Vinden ze iets verdachts, dan wordt hij of zij meegenomen naar de autoriteiten. De burgerwacht en controlepost bestaan sinds oktober 2015, toen er verschillende zelfmoordacties plaatsvonden op de markt en in de buitenwijken, die aan veertig mensen het leven kostten. Ofschoon je op je vingers kunt natellen dat bij een volgende aanslag hun leven gevaar loopt, is er geen enkele aarzeling bij Salha te bespeuren.

    ‘Vreest u niet tegenover een zelfmoordenaar te komen staan?’

    ‘Nee, daarom zijn we hier, om dat te voorkomen.’

    ‘Maar als u iemand fouilleert die een bomgordel draagt, dan kunt u hem activeren.’

    ‘Wij willen alleen maar onze mensen beschermen. Als wij het niet doen, wie dan wel?’

    Auteur: Xavier Aldekoa
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    De Spaanse journalist Xavier Aldekoa is sinds 2009 Afrika-correspondent voor de krant La Vanguardia. In 2014 publiceerde hij zijn eerste boek: Ocean Africa.

    Gatopardo
    Mexico | maandblad | oplage 50.000

    Gatopardo wordt verspreid in Latijns-Amerika en in Miami. Journalisten uit verschillende landen leveren bijdragen aan dit maandblad, dat ook het werk van schrijvers als Carlos Fuentes, Ernesto Sábato of Alma Guillermoprieto publiceert.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 87: Hoe deradicaliseer je Boko Haram?
    1. 120: Experiment in Niger: amnestie voor Boko Haram

    Reader # 10: Aisha maakt jacht op Boko Haram