Tag: tuinieren

  • Een landbouwtraditie krijgt nieuwe wortels in de Mississippi-Delta

    Een landbouwtraditie krijgt nieuwe wortels in de Mississippi-Delta

    In een landbouwgebied waar de meeste gewassen voor de export zijn bedoeld, kiest een groeiend aantal boeren er nu voor om gewassen te verbouwen voor de lokale bevolking.

    Dorothy Grady trekt aan een plukje groen dat de kop heeft opgestoken in een van de vele met aarde gevulde emmers op de oprit van haar huis. Er komt een stevige wortel tevoorschijn, van een centimeter of twaalf. Een stukje verderop groeit een saliestruik in een andere emmer, een lage kweekzak zit vol lente-uitjes.

    Over een week of drie begint voor Grady het voorjaarsseizoen op het land dat ze bewerkt in en om Shelby, in Mississippi. Haar land omvat ook twee stukken grond bij de inmiddels gesloten school aan de overkant van de straat, een kleine boomgaard met perziken en peren even verderop in de straat, en nog twee hectare buiten de stad. Grady staat op het punt om aubergines, meloenen, tomaten en een scala aan andere gewassen te planten die uiteindelijk op het bord belanden van 127 mensen uit de buurt.

    Shelby ligt een paar kilometer ten oosten van de Mississippi en is omgeven door vlakke, vruchtbare landbouwgrond. Maar Grady’s groenten en fruit behoren tot de weinige gewassen die bestemd zijn voor de plaatselijke bevolking. De overgrote meerderheid van de boeren in de Mississippi Delta is gespecialiseerd in handelsgewassen zoals soja en maïs.

    Het ‘voedsel is medicijn’-project

    Grady is een van de ongeveer tien lokale telers die leveren aan Delta GREENS, een gezamenlijk onderzoeksproject dat verse ingrediënten levert aan inwoners met diabetes in de counties Bolivar, Sunflower en Washington. Vervolgens worden de effecten op de gezondheid in kaart gebracht. Dit ‘voedsel is medicijn’-project is een van de initiatieven in deze westelijke regio van Mississippi om boeren te steunen en om de markt voor lokale producten te vergroten. Het mes snijdt aan twee kanten: de voedzame voedingsmiddelen komen binnen het bereik van de lokale bevolking én de kleinschalige boeren die ze verbouwen krijgen een steuntje in de rug.

    ‘Ons streven is een coöperatieve ontwikkeling tussen de verschillende landbouwbedrijven,’ zegt Julian Miller, oprichter en directeur van het Reuben V. Anderson Institute for Social Justice in Jackson. Miller is ook een van de belangrijke onderzoekers bij Delta GREENS, en hij maakt zich al sinds jaar en dag sterk voor lokaal voedsel in de Delta-regio. ‘Uiteindelijk willen we landbouwers de capaciteit bieden om op te schalen en een bredere markt aan te boren.’

    De 300 kilometer lange Delta-regio, gelegen op de vruchtbare uiterwaarden tussen twee rivieren, de Mississippi en de Yazoo, heeft een rijke agrarische geschiedenis. Ooit stond het gebied bekend om de katoenteelt, maar tegenwoordig wordt het getekend door velden waar voren in zijn getrokken, waarin gewassen worden verbouwd die worden verwerkt tot diervoeding of ethanol. 

    ‘Die traditie, om je eigen voedsel te verbouwen, is verloren gegaan’

    In het verleden verbouwden veel inwoners van de Delta groente en fruit, zegt Miller, maar in de loop der tijd is die praktijk onder druk komen te staan door mechanisatie en een verlies aan landbouwgrond. Miller, een vijfdegeneratieinwoner van de Delta, die een paar kilometer van Shelby is opgegroeid, heeft nooit iemand gekend met een eigen moestuin. ‘Die traditie, om je eigen voedsel te verbouwen, is verloren gegaan.’

    Ondanks een overvloed aan vruchtbaar land wordt maar een heel klein deel ervan gebruikt voor eetbare gewassen. Zo’n negentig procent van het voedsel dat hier in de regio wordt gegeten, wordt elders verbouwd en vervolgens geïmporteerd. ‘Dat is het schrijnende,’ zegt Miller.

    Zelfs geïmporteerd vers voedsel is soms moeilijk te verkrijgen. Sinds 2021 staan 63 van de 82 counties in Mississippi te boek als zogeheten ‘voedselwoestijnen’, wat wil zeggen dat er in de directe omgeving geen winkel of andere mogelijkheid is om aan verse ingrediënten te komen.

    Deze regio wordt gekenmerkt door grote verschillen in gezondheid en door een grote inkomensongelijkheid. In Bolivar, Sunflower en Washington – de counties waar het Delta GREENS’ onderzoek zich specifiek op richt – leeft bijna een derde van de inwoners op of onder de armoedegrens. Ondertussen komt er twee keer zo veel diabetes voor als het landelijk gemiddelde.

    Moestuinen

    Deze combinatie van een grote economische ongelijkheid en aanzienlijke verschillen op het gebied van gezondheid, en daarnaast ook nog eens een gebrek aan voedselsoevereiniteit, is de motor geweest achter de pogingen om de traditie van het voedsel verbouwen weer in ere te herstellen, onder aanvoering van telers zoals Grady. Grady, een kind van pachters, herinnert zich dat haar ouders altijd een moestuintje hadden en dat er groente en fruit werd geruild met buren. Ze is al betrokken bij het uitbouwen van de lokale voedselbeweging in de Delta sinds de jaren 1990, toen ze begon met schooltuinprojecten.

    Niet alleen heeft ze geholpen om honderden moestuintjes op te zetten voor scholen en kerken in de wijde omgeving, ze heeft bovendien haar eigen landbouwproject uitgebouwd, en inmiddels gaat haar oogst naar de mensen die in en om Bolivar County wonen. Vorig jaar hebben haar perzik- en perenbomen zo’n 900 kilo fruit opgebracht, wat naar plaatselijke scholen is gegaan en via groente- en fruitpakketten is gedistribueerd onder deelnemers aan het Delta GREENS-onderzoek.

    Deze wekelijkse groentepakketten zijn een middel om een van de structurele problemen te ondervangen bij het ontwikkelen van een lokaal voedselsysteem, legt Miller uit: het ontbreken van een structurele markt. Hoewel veel mensen graag meer lokale producten willen eten, hebben telers geen betrouwbare distributielijnen om hun producten bij de mensen te krijgen. Maar met voedsel- en voedselveiligheidsprojecten, die producten betrekken van lokale boeren, worden deze bedrijfjes nu geholpen om op te schalen.

    Het verbouwen van groente en fruit is ingewikkelder dan het telen van handelsgewassen, legt Pollard uit

    Zo’n zestig kilometer ten noordoosten van Shelby is Robbie Pollard druk in de weer met het planten en verzorgen van meer dan vier hectare groente- en fruitgewassen. 

    Pollard is opgegroeid met het telen van gewassen – zijn opa verbouwde handelsgewassen. Maar naar eigen zeggen wist hij maar weinig van het verbouwen van voedsel totdat hij het zelf ging proberen, in zijn achtertuin. Het bleek een roeping te zijn, zegt hij, en al snel zegde hij zijn baan in de IT op om zich er fulltime op te richten.

    Het verbouwen van groente en fruit is ingewikkelder dan het telen van handelsgewassen, legt Pollard uit. Om te beginnen is het arbeidsintensiever – met de hand wieden, verzorgen en oogsten. Handelsgewassen kunnen vaak direct bij de lokale groothandel worden afgeleverd, maar met groente en fruit ligt dat ingewikkelder. Zoals Pollard zegt: ‘Wij moeten zelf op zoek gaan naar onze markten.’

    Pollard heeft verschillende manieren gevonden om zijn producten te distribueren via zijn boerderij, Start 2 Finish, en via zijn daaraan gelinkte gezondheidsvoedingsinitiatief Happy Foods project. Momenteel is hij een van de belangrijkste telers die leveren aan Delta GREENS, en daarnaast levert hij aan vergelijkbare projecten die huishoudens op regelmatige basis voorzien van pakketten met lokale producten. Hij levert ook aan Northern Mississippi FoodRx, weer een ander voedselproject, in samenwerking met de University of Mississippi. Deze zomer gaat hij ook voedsel distribueren via een mobiele markt, en onlangs is hij begonnen met de verkoop via een net geopende supermarkt in Clarksdale, die zich sterk richt op lokale producten.

    Uitbreiding

    De groente- en fruitpakketten bieden hem de mogelijkheid zijn boerderij geleidelijk uit te bouwen door jaarlijks te investeren in kleine verbeteringen. Zo deed hij in het begin alles met de hand, later met een grondfrees en inmiddels met een kleine tractor. Hij pacht nu twintig hectare landbouwgrond. Vorig jaar heeft hij twee hectare verbouwd. Dit seizoen heeft hij meer dan vier hectare ingezaaid, en hij heeft plannen om de hydro- en aquaponic-capaciteit uit te breiden. Hij hoopt binnenkort een samenwerking aan te gaan met andere lokale telers om in het hele gebied een aantal verschillende technieken uit te proberen.

    Tyler Yarbrough, projectmanager van het Mississippi Delta-project voor de landelijke organisatie Partnership for a Healthier America, heeft samen met Pollard aan verschillende projecten gewerkt om de lokale voedselbeweging in de regio te versterken. Een van die projecten betrof het gedurende een beperkte tijd leveren van producten aan lokale huishoudens – zoals Good Food at Home, dat zo’n 500.000 wekelijkse groente- en fruitpakketten heeft geleverd aan gezinnen in de omgeving, waarbij elk huishouden in aanmerking kwam voor twaalf weken. Via dit soort kortlopende projecten kunnen telers stappen zetten naar een stabielere bedrijfsvoering, terwijl bij de consument de vraag naar lokale producten wordt gestimuleerd.

    ‘Je kunt het gebruiken om de consistentie te vergroten en om die markten dichter naar je toe te halen,’ aldus Yarbrough.

    ‘Het gaat erom dat je alle lijntjes in de markt met elkaar verbindt, het moet een holistische benadering zijn’

    Hoewel de groente- en fruitpakketten een succes zijn, leveren ze de boeren het meeste op als ze worden gecombineerd met andere initiatieven, zegt Yarbrough. Het is cruciaal om de telers flexibiliteit te bieden wat betreft de financiering zodat ze alles in de loop der tijd kunnen uitbouwen.

    ‘Het kan niet alleen maar één ding zijn,’ zegt Yarbrough. ‘Je moet het koppelen aan financiering zodat deze boeren ook echt de capaciteit van hun bedrijf kunnen vergroten. Het gaat erom dat je alle lijntjes in de markt met elkaar verbindt, het moet een holistische benadering zijn.’

    Binnen de Delta-regio staat de lokale voedselbeweging nog voor veel uitdagingen, aldus Natalie Minton, een onderzoekster die is verbonden aan de University of Mississippi en die samen met Pollard de lokale voedselmarkt bestudeert. Ook werkt ze voor North Mississippi Food Rx. Telers hebben moeite om arbeiders te vinden – en te betalen. En zonder betrouwbare markt is het heel moeilijk om het bedrijf uit te bouwen.

    Ook omgevingsfactoren spelen een rol. Nog los van het extreme weer, zoals droogte en zware stormen, krijgen ze te maken met problemen die zijn gerelateerd aan het dominante handelsgewas. Voor de handelsgewassen wordt stelselmatig gebruikgemaakt van pesticiden en chemicaliën, die schadelijk zijn voor de voedselgewassen.

    Succes

    Maar toch, zegt Minton, zie je dat veranderingen in het lokale voedselsysteem voet aan de grond krijgen. Het succes van boeren als Pollard laat zien dat specialistisch telen een levensvatbare toekomst kan bieden.

    Voor projecten die afhankelijk zijn van beurzen en financiering van buitenaf is er nog een grote uitdaging bij het werken met federale programma’s, zegt Miller. Lokale voedselsystemen staan zwaar onder druk nu Trump diep heeft gesneden in de overheidsuitgaven, waaronder ook subsidies om het kopen van lokale producten te bevorderen. Delta GREENS wordt gefinancierd door de National Institutes of Health, en volgens Miller is het onzeker of die steun gecontinueerd zal worden.

    Ondanks alle onzekerheid is de lokale voedselindustrie in de Mississippi Delta uniek omdat het allemaal lokaal wordt aangestuurd, zegt Marlene Manzo van HEAL Food Alliance, een voedselrechtvaardigheidscoalitie die werkt met groepen uit het hele land, waaronder Mississippi Fresh. Volgens Manzo toont de groei van de lokale voedselvoorziening in de Mississippi Delta de kracht van initiatieven op kleine schaal, die veranderingen in gang kunnen zetten die echt aansluiten bij de gemeenschap.

    ‘Wat in ieder geval duidelijk is, is dat het genereren van collectieve kracht binnen onze gemeenschappen en binnen regionale systemen echt van wezenlijke, blijvende invloed kan zijn,’ zegt ze.

    Grady bespeurt een verschuiving binnen de gemeenschap. Ze kent steeds meer mensen, onder wie ook familieleden, die zelf voedsel gaan verbouwen. Een voormalige student is nu kok op een school in de buurt. Hij heeft een moestuin en gebruikt wat hij verbouwt in de schoolkeuken.

    ‘Dat andere mensen nu ook dit soort dingen gaan doen is de mooist denkbare beloning,’ zegt ze.

  • Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Het verbouwen van voedsel in de stad kan een middel zijn om honger tegen te gaan, de voedselaanvoerketen te verkorten en tot dan toe verdeelde gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen. ‘Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s.’

    Door middel van stedelijke landbouw kunnen mensen hun intense teleurstelling in de regering opvangen en meer zelfvoorzienend worden, zeggen stadstuinders en wetenschappers. En nu de kosten voor levensonderhoud in Zuid-Afrika de pan uit rijzen en ook de werkloosheidscijfers tot grote hoogte stijgen, moeten de stadsbewoners zo snel mogelijk aan de slag om de dichtstbijzijnde stoep in een moestuin te veranderen.

    Als het voedsel eenmaal is geoogst, is de volgende stap om het uit te delen, en dan zullen als vanzelf de apartheid en de op klassenverschillen gebaseerde ruimtelijke segregatie verdwijnen, zegt Djo BaNkuna, een stoeptuinder uit Pretoria. In zijn achtertuin en op de stoep voor zijn huis verbouwt hij bananen, kruiden, avocado’s, spinazie, biet, zoete aardappel en uien. Hij en zijn vrouw, een maatschappelijk werkster, delen alles vervolgens uit in Soshanguve en omstreken, aan gezinnen met een kind aan het hoofd of gezinnen waarvan de ouders geen werk hebben.

    ‘Velen van ons hebben geen idee van de honger die er heerst. De tranen springen in mijn ogen als ik een kind van vijf zie dat al twee dagen niet heeft gegeten, hier in Soshanguve, niet ver van het winkelcentrum. Er zijn gezinnen met een meisje van dertien aan het hoofd, en dat meisje heeft dan de zorg voor vijf andere kinderen, die overdag naar het winkelcentrum gaan om te kijken of er nog wat restjes eten bij elkaar geschraapt kunnen worden. Ons land staat er heel slecht voor,’ zegt BaNkuna.

    BaNkuna kwam in november in de publiciteit toen de politie hem beval de groente uit te trekken die hij op de stoep voor zijn huis had geplant, en in plaats daarvan bloemen of gras te planten. Daarnaast moest hij een boete betalen van vijfhonderd rand [zo’n dertig euro]. Toen BaNkuna beide weigerde, moest hij voor de rechter verschijnen. De rechter trok de zaak tegen hem in.

    ‘Ik ben groot voorstander van tuintjes, maar onze overheid is niet bepaald vooruitstrevend op dat gebied. Het evangelie van de grote winkelketens zit er zo in geramd dat mensen niet langer op zichzelf en de natuur durven te vertrouwen, terwijl we geschikte grond hebben die ons in voedsel kan voorzien,’ zegt hij.

    Ui, kool en aardappel

    ‘Als je eenmaal een ui en kool hebt, heb je verder alleen nog maar gekookt maismeel nodig. En vervolgens kom je tot de ontdekking dat je geen maismeel nodig hebt, maar een aardappel die je ook zelf hebt geplant. Die drie dingen samen vormen een maaltijd. In Soshanguve word ik vaak vreemd aangekeken als ik zeg dat ik de kool heb verbouwd in mijn eigen stoeptuin. Voor velen van ons komt voedsel uit het winkelcentrum.

    Melissa Britz is een van de oprichters van Oppieyaart (In de tuin), een achtertuin vol medicinale kruiden, met de nadruk op inheemse planten. Samen met haar partner Lucelle Campbell heeft ze alles aangeplant in hun achtertuin in Elsies River, op de Kaapse Vlakte.

    ANP 427929419
    – Oogsten op een stadsboerderij in Banda Atjeh, Indonesië. Meer mensen in Indonesië hebben hun toevlucht genomen tot stadslandbouw omdat de aanhoudende Covid-19-pandemie hen dwong thuis te blijven. © Sepa / Hotli Simanjuntak

    Het project heeft zich nog niet uitgebreid naar de stoep, maar ze maken en distribueren wel compost om andere stadstuinders te helpen en om de vruchtbaarheid van de zanderige grond te verhogen in dit gebied, dat zich van nature niet echt leent voor het verbouwen van groente. In de achtertuin liggen enorme hopen compost, bestaande uit bladeren, gebruikte zakjes rooibosthee, gemaaid gras en groenteafval van de buren. Alles wat het Oppiyaart-team niet composteert, wordt gebruikt om mulch te maken. Zowel compost als mulch wordt gratis uitgedeeld.

    ‘Een van de belangrijkste dingen voor mensen die net beginnen, is de aarde beschermen tegen de zon, want er zit leven in de aarde: organismen, wormen, bacteriën en schimmels, die allemaal gevoelig zijn voor licht en de warmte van de zon. Het makkelijkste is om mulch te maken van wat er ook maar voorhanden is in het gebied waar je woont,’ zegt Britz.

    Zanderige grond houdt geen water vast en door de klimaatverandering en het veranderde patroon van regenval, moeten stadstuinders zorgen dat de grond meer water kan vasthouden, zegt ze.

    ‘Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen’

    Britz heeft net gember geoogst die acht maanden heeft gegroeid. Ze pakt een handvol van de donkerbruine, vochtige aarde waar de gember in heeft gestaan – het resultaat van haar inspanningen om de aarde te verrijken, van zanderig naar meer leemachtig. Ze voedt de aarde ook met wormenmest. ‘Een wormenfarm hoeft niet duur te zijn. We hebben een oude badkuip vol wormen, en zo komen er weer voedingsstoffen in de aarde.’

    Voor beide projecten wordt regenwater opgevangen in bakken, lege vaten en emmers die ze op de hoeken van het huis zetten, waar het water uit de goten loopt. Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen, zeggen ze.

    Robert Wolfe, die ook in het Oppieyaart-team zit, giet het regenwater vervolgens in lege frisdrankflessen, die hij opslaat om de tuinen in de droge maanden van water te kunnen voorzien. ‘We hadden bijna een hele kamer vol tweeliterflessen,’ zegt Britz.

    BaNkuna’s huis heeft geen dakgoten, maar als het hard regent verzamelt hij zo’n duizend liter water per nacht door domweg emmers bij de hoeken van zijn huis te zetten.

    Vers en organisch

    Het is van groot belang dat zo veel mogelijk mensen een tuintje bij hun huis aanleggen, aldus Munyaradzi Chitakira, een expert op het gebied van klimaatbestendige middelen van bestaan in rurale en stedelijke omgevingen, en verbonden aan Unisa (Universiteit van Suid-Afrika). ‘De voedselprijzen blijven maar stijgen en er is steeds meer werkloosheid. Het is heel belangrijk dat mensen nadenken over manieren om hun gezin van voedsel te voorzien. Vers en organisch voedsel is van groot belang, ook omdat je er zelf controle over kunt uitoefenen.’

    annie spratt GaLzDCnA5EI unsplash
    – Eten verbouwen op de stoep of in de achtertuin is voor velen een manier om zelfvoorzienend te worden. © Unsplash

    ‘Als je geen land hebt, gebruik dan emmers en blikken of iets anders waarin je iets kunt verbouwen, zodat je niet alles hoeft te kopen,’ zegt Chitakira. Hij voegt eraan toe dat gemeentebesturen zouden moeten zorgen voor stukjes grond en voor bewakers, zodat er buurttuinen kunnen worden aangelegd.

    Lokale buurttuintjes zijn van cruciaal belang om te komen tot kortere distributieketens

    Veel kleine moestuintjes vormen een integraal deel van klimaatbestendige stedelijke landbouw. Ze vormen een buffer tegen klimaatschokken omdat ze voedselzekerheid bieden aan gezinnen die lijden onder de gevolgen van de klimaatverandering. De gewassen zelf zorgen voor een vermindering van broeikasgassen, een effect dat nog eens wordt versterkt doordat er minder groente van commerciële boeren in vrachtwagens door het land vervoerd hoeft te worden.

    Ook Juanee Cilliers, een specialist stedelijke landbouw, denkt dat lokale buurttuintjes van cruciaal belang zijn om te komen tot kortere distributieketens en duurzamere vormen van landbouw.

    Uit onderzoek is al gebleken dat bestaande moestuintjes een waardevolle rol spelen in de economische en sociale ontwikkeling van bepaalde gemeenschappen. ‘Het potentieel van deze innovatieve markten is nog niet onderzocht, maar ze zouden een katalysator kunnen blijken voor stedelijke gemeenschappen in Zuid-Afrika, en ze zouden kansen kunnen bieden op het gebied van voedselzekerheid, werkgelegenheid, empowerment en ondernemingszin,’ aldus Cilliers.

    Gezamenlijke inspanning

    BaNkuna heeft onderzocht hoe de stijgende werkloosheidscijfers hebben geleid tot hongersnood, zelfs in dorpen in de buurt van Tzaneen in Limpopo – een vruchtbare streek met veel regen – waar de inwoners van oudsher hun eigen gewassen verbouwen en zelfredzaam zijn. ‘Ik kwam tot de ontdekking dat zelfs daar dorpskeukens moeten worden geïnstalleerd, omdat er honger heerst. Als je maismeel met zout moet eten, is dat niet fijn. Sterker nog, het is erg pijnlijk,’ zegt hij.

    Hoewel een groot deel van de bevolking kampt met extreme honger, collectief geschokt is door de ongekende corruptie die welig tiert binnen de overheid, en de gevolgen ondervindt van de klimaatverandering en de noodlottige modderstromen, zegt BaNkuna dat ze nooit de hoop mogen opgeven dat ze het land weer gezond kunnen maken door gezamenlijke inspanning – om te beginnen moet er een einde worden gemaakt aan het achterhouden van voedsel.

    ‘We moeten zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid’

    ‘Het is nergens voor nodig om voedsel achter te houden. Het is een eerste levensbehoefte, net als zuurstof. Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s en de Ngobeni’s zullen weer gaan praten met de Mahmoods. Zo zullen we de kloof overbruggen die is geslagen door ruimtelijke segregatie,’ zegt hij.

    Momenteel interviewt BaNkuna andere stoeptuinders voor een boek. Onlangs heeft hij een vrouw ontmoet die honderd meter stoep heeft bebouwd. De oogst zal genoeg zijn voor honderd gezinnen.

    ‘We moeten echt zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid. Ja, natuurlijk kun je zeep kopen in de supermarkt. Dat is normaal. Maar er is geen enkele reden om een ui of een zoete aardappel te kopen,’ besluit hij.

  • Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Er is al heel lang een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Tuiniers zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels. Het aanplanten van groente en fruit is niet alleen duurzaam, het kan ook de gemeenschapszin bevorderen.

    In het uiterste noorden van Duitsland leidt midden in het stadscentrum van Kappeln an der Schlei een klein straatje naar een eerder grijze dan groene idylle. Een kille stilte hangt over verlepte hortensiastruiken en kale fruitbomen, over afgeoogste tuinbedden en leeggehaalde kassen. Alles wacht hier op het voorjaar, als het eindelijk weer kiemt, geurt en zoemt. Alles wacht op het moment dat hier weer gewerkt kan worden aan een betere toekomst.

    Een betere toekomst? Het idee dat tuinders een avant-garde zouden kunnen zijn en hun voorjaarsplannen relevant voor het landelijk beleid, lijkt op zo’n braaf volkstuincomplex op het eerste oog nogal vergezocht. Maar over volkstuintjes kan ook groot worden gedacht. Zo kan het samen bezig zijn sociale verdeeldheid tegengaan. Je leert er niet alleen met anderen tot democratische besluitvorming komen maar je leert ook de natuur kennen en de gevaren die haar bedreigen. Insecten en vogels vinden er hun leefgebied, bomen gaan met hun microklimatologische koeling de dreigende opwarming van de aarde tegen. En je kunt zelfs nog groter denken: de beheerders van kleine en ook grotere tuinen kunnen met zaaigoed en nieuwe inzichten bijdragen aan een duurzame landbouw. Zelfs bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) spreken experts al van een nieuwe, door tuinders geïnspireerde landbouwrevolutie.

    Spitten voor utopia: al heel lang is er een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Iedereen die weleens in hobby-, school- en kasteeltuinen komt, die met landbouwwetenschappers, historici, beheerders van stadsparken, directeuren van milieuorganisaties, boeren, pedagogen en ontwikkelingsexperts praat, weet het. Zij zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels: tuinders aller landen, verenigt u!

    De omheinde tuinkabouterparadijzen werden decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken

    Op het complex in Kappeln weten ze al heel lang dat het aanplanten van groente en fruit de gemeenschapszin kan bevorderen. Het volkstuincomplex was 207 jaar geleden wat we tegenwoordig een sociale innovatie zouden noemen. De dominee van het stadje stelde toen aan enkele verpauperde gezinnen een stuk grond ter beschikking op het terrein van de kerk, vertelt verenigingsvoorzitter Frank Unterspann. Omdat dat stuk collectief beheerd en de pacht gezamenlijk opgebracht diende te worden, sommeerde de dominee de toekomstige gebruikers om woordvoerders te kiezen en stelde hij een overeenkomstig contract op. Duitslands oudste moestuinvereniging was een feit, en daarmee een waarborg tegen al te grote nood.

    Inmiddels kent Duitsland 13.500 van zulke verenigingen, met in totaal bijna 900.000 leden. Tegenwoordig streven die niet meer naar voedselzekerheid, maar ‘zoekt iedereen er zijn eigen kleine beetje rust’, zoals Frank Unterspann dat noemt. Dansen in de meimaand, grillen en barbecueën: vanwege zulk soort rituelen werden de omheinde tuinkabouterparadijzen decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken.

    Verandering

    Maar dat er iets aan het veranderen is valt ook te lezen in de welig tierende, rijk geïllustreerde tuinliteratuur. Steeds vaker houden de schrijvers daarvan zich bezig met een ‘humusrevolutie’ of met ‘klimaatbeschermingsbedden’ die ‘toekomstbestendig’ moeten zijn. Naast strakke coniferen moeten er volop permaculturen, compost en terra preta te vinden zijn. In verenigingskantines wordt fel gediscussieerd over de vraag of chemische bestrijdingsmiddelen zijn toegestaan en geven de mensen elkaar tips over hoe het in de praktijk ook zonder kan. Ook in Kappeln hebben leden van het eerste uur geen Nackensteak en Rostbratwurst meer op hun grill liggen maar paprika en halloumi, en leveren ze met zakjes zaad, schoffel en gieter een bijdrage aan de oplossing van grote wereldproblemen.

    Dat die wereldwijde problemen ook gevolgen hebben voor de tuinen, horen we van Sven Hannemann. Hij is parkbeheerder bij slot Sanssouci in Potsdam. In de hete zomers die ons te wachten staan moeten we onze bloemperken misschien wel laten verpieteren, zegt hij, anders zal er niet voldoende water zijn om alle bomen naar behoefte te beregenen. Daarvoor werden ook oude tappunten weer uitgegraven.

    Honderden bomen hebben in de voorbije drie droge jaren schade opgelopen. Sven Hannemann houdt stil bij een eik die wortel schoot ten tijde van de Dertigjarige Oorlog. Hij schrikt bij de aanblik van de diepe groeven die een schadelijk insect in de schors heeft gemaakt: ‘Als het niet zo droog was geweest, zou de boom zich hebben kunnen verdedigen,’ zegt de parkbeheerder bezorgd. ‘Nu zal hij waarschijnlijk niet lang meer te leven hebben.’

    Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden?

    Wandelend door de lanen en velden van zijn slotpark wijst Hannemann nu eens links op rode beuken met te lichte kronen, dan weer rechts op sparren met bruine takken, en vóór zich op boomgroepen waarin bepaalde exemplaren gekortwiekt moeten worden. Zulke decimeringen slaan harde wonden in de door tuinarchitecten als Peter Joseph Lenné zo weloverwogen vormgegeven landschappen en zichtassen.

    Daarom maken de tuinarchitecten van het Fürstlich Greizer-park en het Slotpark Nymphenburg zich al net zoveel zorgen als hun collega’s in Potsdam. Hoelang kunnen zij hun taak om de monumentale tuinarchitectuur voor het nageslacht te bewaren nog waarmaken; parken die de uiteenlopende machtsconcepten en natuurfilosofieën van afgelopen eeuwen vertegenwoordigen? Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden, waaronder in februari de winterakonieten en in het voorjaar de lelietjes-van-dalen ontspruiten; de loofrijke velden, sloten, kunstmatige meren en met riet begroeide oeverzones, waar duizenden uit kaalgeslagen landbouwgrond verdreven organismen beschutting vinden?

    Ook om die reden zijn de historische tuinen uitgegroeid tot een proeftuin voor klimaataanpassing en soortenbescherming. Zo trekt in het EU-onderzoeksproject I-React (Bescherming cultuurgoederen tegen extreme weersomstandigheden en vergroting van hun weerbaarheid) de Stichting Pruisische Paleizen en Tuinen Berlin-Brandenburg samen op met verschillende Fraunhofer-Instituten en het Climate Service Center in Geesthacht. Geodata en weersimulaties moeten uitwijzen welk risico op schade bomen de komende jaren lopen als gevolg van dreigende stortregens en stormen.

    ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen’

    De Potsdammers zetten nu boomkwekerijen op waar klimaatbestendiger inheemse soorten worden getest. Of ze gaan doelbewuster om met groenafval. Sven Hannemann houdt stil bij een groep jonge bomen die dreigde te verdrogen en daarom verplant werd naar een natter stuk in het park. Ze staan nu in een dikke laag compost: ‘Zo stimuleren we plant-schimmelsymbiosen en bouwen we bewuster nieuwe humus op.’

    Over hun problemen hebben de parkbeheerders niet alleen contact met wetenschappers maar ook met veel volkstuinders die nog oude soorten kweken en met bodembiologie experimenteren. Of profiteren zij van de ecosysteemkennis bij herders. Hun kuddes zien we nu vaker met zachte, groeibevorderende tred over de ooit vorstelijke weiden trekken. Vrijwilligers bij het onderbemande parkbeheer verzamelen takken die na een storm overal op de gazons liggen. Zij maken net zo goed deel uit van de nieuwe tuinbeweging – en sinds kort zelfs schoolkinderen.

    Vlak naast de Koninklijke Hofkwekerij van Sanssouci ligt een groot gezamenlijk moestuinbed. De groep die het heeft aangelegd noemt zich simpelweg Acker (akker). Het idee komt van landbouwwetenschapper Christoph Schmitz. Hij zag in hoe belangrijk en hoe miskend de tuin is als plek om te leren. In GemüseAckerdemien (groente-‘akkerdemieën’) zoals hier in Potsdam of in Indoor-Gemüseklassen (indoorgroentelessen), waarbij de gewassen in de school zelf ontspruiten, brengen zogeheten AckerCoaches onderwijzers en leerlingen bij hoe ze snijbiet en spinazie, Chinese kool en koolrabi, citroenmelisse en salie kunnen kweken. Landelijk adviseren ze bijna vijfhonderd scholen en kinderdagverblijven. Dankzij deze impuls zijn er veel nieuwe schooltuinen aangelegd. Ze bieden hoop op een generatie voor wie duurzaamheid een vanzelfsprekendheid is. ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen,’ zegt Christoph Schmitz vol overtuiging.

    ‘Guerrilla gardeners’

    Want als stadskinderen kennismaken met tuinieren, groeien naast nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen en zelfbewustzijn ook andere deugden voor een tijd van schaarse hulpbronnen: kennis van planten- en diersoorten, van bodemleven en gezonde voeding. Plezier in experimenteren. Waardering voor voedsel. Respect voor de onomstotelijke wetten en grenzen van de natuur, voor dood en ontkiemend leven, voor kringlopen. En voor langetermijndenken: ‘Ik kan het u allemaal aanraden: word tuinder,’ schreef de Amerikaanse zaadgoedkweker en minister van Landbouw Henry A. Wallace in de jaren dertig. ‘Dan zult u nooit sterven want u moet wel blijven leven om te zien wat er komend jaar gebeurt.’

    Zeker sinds de ontsteltenis over het verdwijnen van de bij leggen ook steeds meer volwassen stedelingen een tuinbed aan; en dat niet alleen op hun balkon of in hun voortuin. Ze gebruiken groenstroken of een braakliggend terrein in de stad. Een van de allereersten waren de revolutionaire guerrilla gardeners. Zij dropten zaadbommen, waaruit tussen het grijs van de stad kleurige bloeimengsels ontsproten. Zonder daarvoor toestemming te hebben plantten ze gewoon groenten, bloemen en struiken aan op elke plek langs de straat waar het asfalt ook maar verwijderd kon worden. Hoeveel gezamenlijke, huur-, wijk- en andere tuinen zijn er sindsdien als moderne volkstuinvarianten in stadswijken ontstaan? ‘Tot nu toe is dat niet precies vastgelegd,’ zegt Verena Exner van de Duitse Federale Milieustichting (DBU). ‘Maar we zien een duidelijk groeiende belangstelling.’

    De DBU zal het weten, ze heeft de tuinbeweging die volgens Exner ‘tal van facetten’ heeft, de wind in de rug gegeven. Naast een project met historische tuinen promoot zij overal in het land ook andere modellen zoals initiatieven voor het beplanten van daken en gevels, experimenten met ‘microlandbouw’ in een stedelijke omgeving of hulp aan kleine ondernemers om de biodiversiteit van hun groen te vergroten.

    Tuinieren biedt ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen

    Stadstuinders willen vooral buiten bezig zijn en gezond eten. Maar van het Tempelhofer Feld in Berlijn tot aan de Osnabrücker ‘vredestuinen’, van de Keulse Veedelsgarten tot aan het Münchense o’pflanzt is! biedt tuinieren ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen, zegt Exner. Daarbij gaat het er niet altijd zonder spanningen aan toe, maar in ieder geval ontstaat er over de notoire bubbels heen een publieke ruimte.

    ‘Crises maken de sociale verbeelding los,’ schrijft publicist Mathias Greffrath in een essay over utopieën. Tuinprojecten onder de paraplu van ‘voedseltafels’ zijn zodoende ook in contact gekomen met andere groepen. Zo’n vijfenveertig van zulke initiatieven willen al een ‘eetbare stad’ creëren of een ‘klimaatvriendelijk en sociaal rechtvaardig voedselsysteem’ opzetten.

    Iets soortgelijks gebeurt ook elders in de wereld. In New York of Lagos moet urban gardening ervoor zorgen dat arme mensen gezond te eten krijgen, net als twee eeuwen terug in Kappeln. In het Indiase Kerala willen politici daktuinen omdat veel burgers bang zijn voor giftige pesticiden uit de grootschalige groenteteelt. Hier komen we op een terrein waar de tuinbeweging misschien wel haar grootste effect sorteert: de landbouw. Op veel plaatsen baant een paradigmawisseling zich al een weg.

    Verzilte, uitdrogende, eroderende grond en overbemest oppervlaktewater, het verdwijnen van soorten en variëteiten, een gigantisch energieverbruik, hoge CO2– en methaanemissies: wereldwijd zijn de verwoestende langetermijngevolgen van de inzet van landbouwchemicaliën in monoculturen en de verergering van die problemen als gevolg van klimaatverandering duidelijk zichtbaar. In de strijd tegen deze bedreiging van ons bestaan kan het diversiteitsprincipe van de tuin belangrijke impulsen geven ‘om de planeet voor mensen bewoonbaar te houden’, schrijft Jürgen Renn.

    In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’

    Deze wetenschapshistoricus zet momenteel een Max Planck Instituut voor Geo-Antropologie op poten om het antropoceen te bestuderen; het tijdperk waarin de mens als dominant levend wezen macht uitoefent over elke vierkante millimeter grond. In het fossiele tijdperk waren tuinen nog ‘hulpbron, toevlucht en plek van een tegencultuur’ tegenover het gejaagde bestaan van alledag, zegt Renn. Overdag verrichtten mensen vervreemd hun arbeid, ’s avonds spitten zij om tot rust te komen. In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’. Plekken dus die kunnen bijdragen aan herstel van bodem, water en lucht – en dat niet alleen in de volkstuin, maar ook op landbouwgrond. De wetenschapper hoopt op een omwenteling, zoals de neolithische revolutie die voor de landbouw heeft gebracht.

    Een herculestaak! Maar veel bedrijven experimenteren hier al mee. Ze verbouwen minder graan- en marktgewassen en vervangen deze door allerlei soorten peulvruchten en groenten, fruit- en notenbomen, bessen of andere struiken. Hoe geraffineerder de samenstelling van zo’n agro-ecologisch gemengd fruit- en boslandbouwsysteem, hoe beter ter plekke specifieke planten elkaar van schaduw en water kunnen voorzien, elkaar op natuurlijke wijze bemesten en beschermen tegen schadelijke insecten. De diversiteit in akkerbouw zorgt vervolgens ook nog voor diversiteit aan organismen op en in de grond.

    Zulk afzien van landbouwchemicaliën is arbeidsintensiever dan de conventionele landbouw, de technologieën ervoor moeten eerst nog worden ontwikkeld en tot nog toe betaalt alle moeite zich nauwelijks uit. Europese boeren die grote oppervlakten intensief bewerken, zouden een begin kunnen maken door in plaats van drie afwisselend zes of acht verschillende producten te telen. Ook kunnen zij bomenrijen op hun akkers planten. In de rendabeler groente- en fruitteelt kunnen tomaten en basilicum al op hetzelfde veld groeien, wijnranken kunnen zich rond appelbomen slingeren en bonen om maïsstengels, die het goed doen naast aardappelen.

    Voor armere landen, waar de meeste boeren van één of twee hectare voornamelijk hun eigen gezin voeden en slechts een deel van hun producten lokaal op de markt brengen, zijn complexere diversiteitssystemen daarentegen nu al kansrijk.

    Andhra Pradesh

    Zo wil Andhra Pradesh, een van de grootste deelstaten van India, stap voor stap voor alle boeren soortenrijke akkers met verschillende niveaus invoeren. In het beste geval groeien daar dan palmbomen met daaronder mango’s en papaja’s, en een niveau lager mais, kalebassen, yams, kurkuma, sperziebonen en andere groenten. Moringabomen en linzen zorgen voor de stikstof die planten nodig hebben om te groeien. Chili en ui verdrijven schadelijke insecten. Een eigen brouwsel van rundveemest, mineralen en planten zorgt voor vruchtbare grond.

    Een ander voorbeeld is Tsjaad. De Sahel wordt steeds droger, veel velden leveren nauwelijks nog iets op en arme boeren zijn afhankelijk van duur importvoedsel uit Libië. Om ze daar minder afhankelijk van te maken blaast men nu een oeroude vergeten teelt nieuw leven in. Dadelpalmen moeten zowel voor vruchten zorgen als voor bouwmateriaal in de vorm van hout en vezels. In de schaduw van deze bomen worden granaatappels en sinaasappels geplant, tomaten en bladgroenten, geneeskruiden en specerijgewassen. In dit project werken tuinders uit Noord-Afrikaanse oaseculturen samen met landbouwwetenschappers uit Bayreuth. De bijdrage van deze wetenschappers bestaat uit de levering van druppelsystemen voor irrigatie die gevoed worden door pompen op zonne-energie.

    Dit soort projecten kunnen vaak relatief snel de opbrengsten vergroten. Als een natuurramp een deel van de oogst ruïneert, zijn er altijd nog andere planten over om zelf te eten of te verkopen. Met de kwaliteit van het voedsel verbetert tevens de ‘planetaire gezondheid’, zoals dat in het jargon van de Verenigde Naties heet.

    Zal de wereld dan binnenkort echt opbloeien? Of is dit gewoon een door stedelingen gedroomde utopie? In feite fungeerde de tuin vaak genoeg als projectiescherm voor dromen. Dat begon niet pas met het verlangen van escapistische romantici die in ‘tuinen die over rotsen heen / in schemerende priëlen verwilderen’ (Eichendorff) het vuil van de vroeg-industriële samenleving ontvluchtten. Nazi’s projecteerden op de moestuin hun sociaal-darwinistische uitsluitingsslogans. Marxisten streefden naar een wetenschappelijk onderbouwde controle over de natuur met behulp van technologie. In dat opzicht verschilde het socialistische blok in elk geval niet heel veel van de kapitalistische klassenvijand. Die verdreef pas echt elk kruidje uit het veld. Bij een blik erwten voor 19 cent heeft elke peul uit eigen teelt het nakijken.

    Tuinen én wildernis

    Maar met de ecologische crises faalt nu ook de kapitalistische utopie van de grenzeloze groei die de agrarische concerns en investeerders een tijdlang op kosten van de natuur in de schoot geworpen kregen. Daarom groeit het verlangen naar een nieuwe visie met inbegrip van concrete verwachtingen en praktische stappen om de ecologische crises te overwinnen – die dan niet meer zo volkomen verlammend lijken. Naar een nieuwe, toch al redelijk concrete paradijsutopie van diversiteit op kleine schaal. Bedenkingen daartegen komen van natuurbeschermers: het Paradijs in de Bijbelse metafoor is nu juist niet door de mens ontworpen. In plaats van meer tuinen zou er vooral meer wildernis moeten zijn. Meer onbebouwde grond voor – al naar gelang – goddelijke of ‘ongerepte’ natuur.

    Max Planck-onderzoeker Jürgen Renn is zo’n man met bezwaren: door zich over de hele wereld te vestigen, door de aarde uit te putten en technologisch te transformeren heeft de mens allang een nieuwe aardatmosfeer gecreëerd die ‘haar natuurlijkheid verloren’ heeft en waarbij ‘de planeet zelf tot tuin gemaakt’ is.

    En dus moet de machtigste soort, de mens, allebei herscheppen: tuin én wildernis.

    Over één punt zijn alle betrokkenen bij de opkomende tuinbeweging het eens: ze moet steun krijgen vanuit de politiek. Daar zijn veel ideeën over. Zo kan een jaarlijks door de minister van Landbouw uit te brengen verslag met betrekking tot de staat van historische parken en stadsplantsoenen (vergelijkbaar met het Waldbericht van de Duitse regering), publiek de aandacht trekken, schade voorkomen en initiatieven aanmoedigen.

    In Hamburg hebben gemeente, wijkbesturen en ondernemingen zich ondanks de bevolkingsgroei en de bouwhausse contractueel verplicht tot behoud van het stedelijk groen. Düsseldorf heeft een soortenbeschermingsfunctionaris aangesteld, een speciaal contactpunt dat groepen die een stedelijk tuinproject willen opzetten helpt op hun weg door de stedelijke bureaucratie. En natuurlijk helpt geld ook. De federale overheid heeft haar subsidiepot vorig jaar al verdrievoudigd van 300 miljoen euro naar 900 miljoen euro. Het Bundesverband Garten-, Landschafts- und Sportplatzbau vraagt daarbovenop een ‘groen miljard’ voor meer stedelijk groen en klimaatbescherming via het herinrichten van parken.

    Geld helpt om meer deskundig parkpersoneel aan te stellen nu als gevolg van de opwarming van de aarde sterkere onderhoudsinspanningen vereist zijn. Er is ook geld nodig voor onderzoek naar agro-ecologische teeltwijzen – wereldwijd. En met geld zou de landbouwsteun van de EU welbewust de diversiteitslandbouw en de ontwikkeling van een markt hiervoor moeten bevorderen.

    Want eigenlijk is het heel simpel. Decennialang hebben we het landschap kaalgeslagen – nu moeten we het weer inrichten.

  • ‘Games zijn niet verslavender dan tuinieren’

    ‘Games zijn niet verslavender dan tuinieren’

    Al decennia wordt er gespeculeerd over de gevaarlijke verslavende effecten van videogames. Maar volgens twee Amerikaanse psychologen is er geen enkel bewijs. ‘Na dertig jaar wetenschappelijk onderzoek moeten we concluderen dat games weinig verschillen van andere hobby’s.’

    Snookerspeler Neil Robertson klaagt dat zijn profcarrière is geschaad door een slopende verslaving. Niet aan drank of drugs, maar aan videogames. In een recent interview voor Eurosport vertelde de Australische sporter dat de onbedwingbare drang om World of Warcraft te spelen hem danig parten heeft gespeeld bij de voorbereiding op een toernooi in China. ‘Ik sta nu twee maanden droog,’ vertelde hij de site. ‘Zoals mijn vriendin zegt: een mens heeft zijn verslavingen niet voor het kiezen. Multiplayer onlinegames, daar moet ik gewoon 
niet aan beginnen, want dat slokt me helemaal op.’

    Dat is alleen nog maar het recentste artikel waarin geopperd wordt dat games misschien wel net zo 
verslavend zijn als drugs of gokken. De laatste twee decennia, waarin de populariteit van dit medium explosief is gegroeid, verschijnen er geregeld alarmerende berichten over tieners die als zombies aan hun pc gekleefd zitten, afkerig van huiswerk en sociale contacten. In Zuid-Korea, waar online gamen praktisch een nationale sport is en profgamers zo beroemd zijn als popsterren, heeft de politiek geijverd voor afkickcentra en wetgeving om de 
toegang tot games te beperken.

    Stoornis

    De twee belangrijkste westerse classificatiesystemen van mentale stoornissen bevatten binnenkort misschien ook aandoeningen die te maken hebben met buitensporig gamen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft een ‘game-gerelateerde stoornis’ opgenomen in het ontwerp voor een nieuwe versie van haar International Classification of Diseases (ICD-11). En ook in het recentste handboek van de Amerikaanse psychiatrievereniging (DSM-5) staat 
het als verslavingsstoornis vermeld, zij het nu nog in het hoofdstuk ‘Aandoeningen die verder onderzoek behoeven’. Dat houdt in dat het nog geen officiële stoornis is en de genoemde criteria nog niet voor klinisch gebruik zijn bedoeld.

    En dat is misschien maar goed ook. In een recent artikel in The New York Times schrijven de psychologen Christopher J. Ferguson en Patrick Markey dat mensen die aan de voorgestelde criteria voldoen, geen problemen lijken te ervaren. Ze wijzen erop dat volgens een grootschalig onderzoek in het American Journal of Psychiatry zelfs het kleine percentage van 
de bevolking dat voor de diagnose acute gamesverslavingsstoornis in aanmerking komt (hooguit 
1 procent), daarvan geen negatieve gevolgen voor 
de geestelijke of lichamelijke gezondheid ondervindt – wat niet bepaald strookt met hoe we doorgaans over geestesstoornissen denken. Dat komt doordat de handelingen die een verslaving definiëren misschien problematisch zijn als het om heroïne gaat, maar betrekkelijk normaal gedrag als je ‘online gamen’ vervangt door willekeurig welke andere hobby.

    ‘Ons artikel heette “Videogames zijn niet verslavend”,’ zegt Markey. ‘Een betere titel was misschien geweest: “Videogames zijn niet verslavender dan tuineren”. Alles wat de ene persoon een fijne tijdsbesteding vindt, kan een ander te ver doorvoeren.’

    Hun artikel is vooral gericht tegen het fabeltje dat videogames verslavend zijn, maar Ferguson en Markey vragen zich ook af waarom dat idee zo wijd verbreid is. Waarom zijn zo veel mensen, van ouders tot onderzoekers tot een 91-jarige acteur als Dick van Dyke (onlangs in The Guardian), zo overtuigd van de verslavende werking en andere negatieve gevolgen van videogames, als daar geen enkel bewijs voor is?

    Ik vermoed dat de echte oorzaak van bestaande problemen niet in het gamen schuilt, maar in iets anders – misschien iets wat mensen niet goed kunnen of willen aanpakken

    Misschien is het een politiek probleem. Toen Ferguson bij de WHO aan de bel trok over de opname van gameverslaving als een stoornis in ICD-11, kreeg hij van iemand in de organisatie te horen dat de WHO ‘onder grote druk staat, vooral van Aziatische landen, om 
dit toch in de ICD op te nemen’. In Zuid-Korea baart gameverslaving de overheid zo veel zorgen dat er wetten zijn aangenomen om kinderen minder toegang tot onlinegames te geven, en in door de staat gefinancierde behandelcentra voor deze verslaving wordt onder meer elektroshocktherapie toegepast.

    ‘Het blijft de vraag of kinderen in sommige Aziatische landen, met name Zuid-Korea en China, inderdaad meer gamegerelateerd probleemgedrag vertonen dan in het Westen,’ zegt Ferguson. ‘De gegevens zijn niet eenduidig, omdat het moeilijk is om landen met elkaar te vergelijken, vooral als er geen heldere internationale standaard is om vast te stellen wat een gameverslaving inhoudt. Ik ben benieuwd of 
er bredere socioculturele problemen zijn die de kinderen parten spelen. Ik vermoed dat de echte oorzaak van bestaande problemen niet in het gamen schuilt, maar in iets anders – misschien iets wat mensen niet goed kunnen of willen aanpakken, of waarop ze minder gemakkelijk de schuld kunnen afschuiven.’

    Vooroordelen tegen videogames zijn symptomen van een angst voor nieuwe media die van alle tijden is. Hetzelfde zag je bij de roman in de achttiende eeuw, stripverhalen en rock-’n-roll in de jaren vijftig en bloederige films in de jaren tachtig. Nu zijn games aan de beurt. En omdat het om een jong medium gaat, waar alleen jongeren belangstelling voor hebben en iets van begrijpen, zijn het vooral ouderen die zich om die jongeren zorgen maken. Dat is grappig, zegt Ferguson: ‘De mensen met een extreem negatief beeld van videogames hebben doorgaans ook een negatiever beeld van kinderen en jongeren. En dat geldt net zo goed voor onderzoekers als voor leken.’

    En als onderzoekers zo’n negatief beeld hebben, is het voor hen maar al te gemakkelijk om de gevonden data bewust of onbewust zo te presenteren dat die hun beeld bevestigen. In de woorden van Ferguson: ‘In de sociale wetenschappen zijn data zo vloeibaar dat je ze bijna alles kunt laten zeggen.’

    Wetenschappers kunnen dat probleem volgens 
Ferguson en Markey ondervangen door hun onderzoeksmethode vooraf vast te leggen (zogenaamde pre-registratie) en zo te voorkomen dat ze de methode achteraf aanpassen om de uitkomst een bepaalde kant op te sturen. Maar ook dan blijven de onderzochte variabelen zelf vaak zeer twijfelachtig. Zo is bijvoorbeeld onderzocht hoeveel hete chilisaus proefpersonen bereid zijn in andermans eten te stoppen, als indicatie voor hun agressieniveau. ‘En op basis van zo’n onderzoek wordt dan gezegd dat gewelddadige videogames ten grondslag liggen aan schietpartijen op scholen en andere vormen van echt geweld,’ 
zegt Markey. ‘En daar heb ik altijd grote twijfels bij.’

    Gamers op CampZone, het grootste outdoor gaming-festival van Nederland. – © Marcel van den Bergh / HH
    Gamers op CampZone, het grootste outdoor gaming-festival van Nederland. – © Marcel van den Bergh / HH

    Markey hecht meer belang aan statistieken uit de echte wereld, zoals de waarneembare afname van geweldsmisdrijven die samenvalt met de piekverkoop van gewelddadige games. ‘Er zijn miljoenen mensen die gamen, dus alleen al op basis van de data over de hoeveelheid mensen die daaraan “verslaafd” zouden zijn, zie je dat het duidelijk iets heel anders 
is dan heroïne of andere harddrugs. Stel dat je ineens aan miljoenen mensen heroïne zou verstrekken. 
Wat dat voor onze maatschappij zou betekenen. Totale ineenstorting.’

    ‘Ik denk dat het probleem voor een groot deel zit in ons gebruik van het woord verslaving,’ zegt Markey. ‘Als ouder kun je weleens zeggen: Mijn kind is verslááfd aan dat spel. Maar dan bedoel je niet verslaafd zoals bij een cocaïneverslaving.’ En dat ouders zo op videogames neerkijken, getuigt volgens Ferguson ook van een gebrek aan inzicht. ‘Ze denken: mijn kind verdoet zijn tijd met iets wat ik waardeloos vind, en omdat het zich daar niet van kan losrukken om iets te doen wat ík waardevol vind, word ik bang dat het verslaafd raakt.’

    Iedereen heeft natuurlijk zijn eigen vooroordelen. Zoals mensen met weinig verstand van games er soms onterecht op neerkijken, kunnen mensen die zelf gamen de waarde ervan overschatten. In hun boek Moral Combat, over de paniekzaaierij rond videogames, wijden Markey en Ferguson ook een hoofdstuk aan de fabeltjes over de weldadige effecten van videogames, zoals het schromelijk overdreven nut van denkspelletjes.

    Het enige onweerlegbare nut van videogames lijkt 
te zijn dat ze leuk zijn: als je ervan geniet, kan dat een goede manier zijn om stress te verlagen. ‘Ook 
dat is weer een aanwijzing dat games waarschijnlijk weinig verschillen van andere hobby’s,’ zegt Ferguson. ‘Het is niet dat games een wondermiddel zijn 
of speciale kwaliteiten hebben, maar net als zoveel hobby’s geven ze je een goed gevoel. Sommige mensen zoeken hun ontspanning liever in een breiwerkje. Als je niet van gamen houdt, zal het niet werken. Dat lijkt misschien een open deur, en dat is het ook, maar het heeft dertig jaar wetenschappelijk onderzoek gekost om daarbij uit te komen.’

    Wie objectief wil blijven, moet dus scherp kijken naar wat er precies met het woord ‘verslaving’ wordt bedoeld, en of die veronderstelde verslaving de gezondheid daadwerkelijk schaadt. Bij een heel klein percentage gamers kan inderdaad sprake zijn van problematisch of zelfs destructief gedrag, maar de cijfers geven geen aanleiding om te denken dat er sprake is van een verslavingsepidemie. Wie wetenschappelijk onderzoek wil aanvoeren, moet goed kijken welke variabelen er zijn onderzocht en of de gebruikte onderzoeksmethode vooraf is vastgelegd. We moeten kijken of de onderzoekers bepaalde opvattingen hadden en of ze voor hun onderzoek ook projectbeurzen hebben gekregen – want die worden volgens Ferguson sneller toegekend aan ‘alarmerende dingen’.

    Misschien is de moraal van Neil Robertsons verhaal dus gewoon dat games die al je aandacht opeisen 
simpelweg niet samengaan met een profsport die 
al je aandacht opeist. Als je carrière maakt in een activiteit die in feite een hobby is, kun je andere, 
leukere hobby’s beter even links laten liggen.

    Auteur: Jordan Erica Webber

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.