Tag: Tweede Wereldoolog

  • Stel, je bent Jood.  En je moet vriendschap sluiten met een nazi

    Stel, je bent Jood. En je moet vriendschap sluiten met een nazi

    Over de Tweede Wereldoorlog leek alles wel zo’n beetje uitgeplozen. Toch ontdekte Die Zeit een goedbewaard geheim: in een militair kamp aan de Amerikaanse oostkust verhoorden Duitse Joden de moordenaars van hun familie. In plaats van hen te folteren, gingen ze samen schaken en winkelen.

    Keuze uit het archief

    Net na de oorlog werden drie Duits-Joodse vrienden woonachtig in de Verenigde Staten aangesteld om Duitse krijgsgevangen te verhoren, nazi’s. Peter Weiss, Henry Kolm en Arno Mayer doen decennia later hun verhaal aan de Duitse krant Die Zeit. Tijdens de ondervragingen zetten ze hun gevoelens van haat en wraak opzij en proberen ze juist met vriendelijkheid de waarheid boven tafel te krijgen. Een bijna onmenselijke prestatie als je bedenkt dat diezelfde nazi’s veel van hun familieleden hebben vermoord.

    De drie vrienden trekken hun uniformen aan en stappen vanuit de barak aan de Amerikaanse oostkust de aangenaam warme ochtendzon in. Ze hebben geen idee dat ze nog diezelfde dag tegenover nazi’s zullen staan.

    Als Amerikaanse soldaten verheugen ze zich op dit moment. Ze hebben er maandenlang voor getraind. Als Europese vluchtelingen jubelen ze vanbinnen. Het waren immers de nazi’s die hen uit hun vaderland verdreven. En als Duitse Joden is er niets dat ze heviger verlangen. Ze haten de nazi’s om hun antisemitisme, om hun beestachtige bruutheid.

    De drie jongemannen waren enthousiast over het nieuws dat de Verenigde Staten zich mengden in de oorlog tegen het Duitse Rijk. Nauwelijks meerderjarig, meldden ze zich aan bij het Amerikaanse leger, waar ze elkaar leerden kennen. Peter Weiss, de intellectueel die Kant las en Machiavelli. Arno Mayer, de provocateur die nooit om een kwinkslag verlegen zat. En Henry Kolm, de knutselaar die als kind al wetenschappelijke tijdschriften las.

    Ze zaten nog in de basisopleiding toen het Amerikaanse leger de stranden van Normandië veroverde. Kregen een speciale training van de militaire geheime dienst terwijl hun kameraden de Rijn overstaken. En oefenden verhoormethoden tijdens de laatste dagen van Hitler. Vlak voordat de drie hun opleiding afrondden in de bossen van de Amerikaanse staat Maryland, bereikte hun het bericht van de capitulatie. De oorlog in Europa was voorbij, en zij, de drie vrienden, waren hem misgelopen.

    Arno Mayer. – 
© Alex Trebus / photoselection
    Arno Mayer. – 
© Alex Trebus / photoselection

    Als ze dus op die ochtend van de 9e juni 1945 een legerbus instappen, weten ze niet dat het oorlogsgeweld, dat tot in alle uithoeken van de planeet voelbaar is geweest, hen alsnog zal bereiken. De bus rijdt

    richting de hoofdstad Washington, en stopt voor een gebouw dat de jonge soldaten met verbazing bekijken. Een vijfhoekig blok beton, het grootste gebouw ter wereld, hoofdkwartier van de grootste strijdmacht van de wereld. Een uur wachten ze op de parkeerplaats. Dan krijgen ze het bevel over te stappen in een tweede bus, die er heel anders uitziet dan de eerste.

    Peter Weiss: De ruiten waren met triplex dichtgetimmerd. Alleen de chauffeur vooraan kon naar buiten kijken. We stopten bij een kamp. Er stond geen bord, alleen een slagboom en een man van de militaire

    politie. Iemand vroeg hem: ‘Hoe heet het hier?’ Hij zei alleen maar: ‘Nothing.’ Een naamloze plek.

    Henry Kolm: Ze zeiden tegen ons: dit kamp is hoogst geheim. Praat er met niemand over.

    Arno Mayer: Het was volkomen krankzinnig. Jullie lezers denken waarschijnlijk: die Mayer heeft ze niet meer allemaal op een rijtje, maar zoiets kun je niet verzinnen.

    Decennialang lag hun verhaal verborgen in stoffige kisten in het Amerikaanse Nationale Archief.

    Honderdduizend bladzijden akten, sommige getypt, vele met de hand geschreven, in kriebelig handschrift. Op elke bladzijde het stempel secret. Geheim. Pas een paar jaar geleden gaf het leger de documenten vrij, aanvankelijk onopgemerkt door

    de media. Nu kan men de akten inzien, in een stad

    in Maryland die College Park heet.

    Lang zwegen de mannen over hun missie, zoals

    het leger hen had opgedragen – ook tegenover hun vrouwen en kinderen. Maar nu, eindelijk, spreken de weinigen die nog in leven zijn, onder wie Arno Mayer en Peter Weiss, beiden negentig jaar oud. Henry Kolm stierf in 2010, hij liet autobiografische notities achter en een zes uur durend interview met een

    historicus, waaruit hier geciteerd wordt.

    Mensen willen altijd laten zien hoeveel ze weten, schrijft Griffith. Dat geldt 
in het bijzonder voor Duitsers

    Die Zeit heeft zes veteranen van dit geheime project opgespoord. Daarnaast is dit artikel gebaseerd op een twintigtal gesprekken die wetenschappers gevoerd hebben met intussen gestorven soldaten, plus een dagboek en documenten uit het archief. Dat alles samen vormt een tot dusver onbekend hoofdstuk 
van de Tweede Wereldoorlog – dat van het ‘naamloze kamp’, of, zoals de veteranen het noemen: Eleven Forty-Two.

    Zo luidt het officiële adres van het geheime kamp, een paar mijl ten zuiden van Washington: P.O.Box 1142, postbus 1142.

    Wie nu naar de plek rijdt waar destijds dit kamp was, stuit op een park met een keurig gemaaid grasveld. Tussen 1942 en 1946, zo blijkt uit foto’s en plattegronden, stonden er houten barakken waar nu een parkeerterrein is. Twee met prikkeldraad omheinde rijen cellen waar nu jongelui softbal spelen en wandelaars in een openbaar toiletgebouwtje verdwijnen. Verborgen in het plafond van de cellen had het leger microfoons geïnstalleerd, zo groot als kerkklokken. Ook dat is op foto’s te zien. Het hele kamp was voorzien van een kabelnetwerk. Men zou de gevangenen niet alleen verhoren, zo was het idee. Men zou ze 
ook afluisteren als ze na het verhoor in de cellen met hun medegevangenen praatten. Daarvoor hadden de Amerikanen vooral één ding nodig: veel personeel dat perfect Duits sprak: Hoogduits, Berlijns, Saksisch, Badisch, Beiers, Oostenrijks.

    Peter Weiss: Tijdens mijn artillerietraining werd ik bij de kolonel geroepen. Hij zei: ‘Ik heb gehoord dat je Duits spreekt?’ – ‘Yes, sir.’ – ‘Zeg eens iets.’ – ‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater mit seinem…’ – ‘Oké, genoeg. Ik heb een job voor je.’

    Het Amerikaanse leger doorzoekt alle eenheden naar soldaten die Duits spreken. Ze vinden Peter Weiss, geboren in Wenen; Henry Kolm, ook geboren in Wenen; Arno Mayer, geboren in Luxemburg. En enkele tientallen anderen, gevlucht uit alle hoeken van het Groot-Duitse Rijk. Ze zijn pas sinds kort Amerikaans staatsburger. En het zijn bijna allemaal Joden.

    In de idylle van de Amerikaanse oostkust, vredig en groen, ver weg van het gebulder van de oorlog, werd de verhouding van macht en onmacht omgekeerd. De almachtige nazi’s, vertegenwoordigers van het regime dat miljoenen Joden vermoord had, waren opeens uitgeleverd aan hen, de jonge Joodse mannen. Alsof iemand hier het verhaal van de volmaakte wraak schreef. 3451 gevangenen. 3451 doelwitten 
om neer te schieten, af te ranselen, te kwellen.

    Maar juist dat hebben de instructeurs de jonge 
Amerikaans-Duitse soldaten verboden. In de weken voordat Arno Mayer, Henry Kolm en Peter Weiss 
naar Eleven Forty-Two komen, zijn ze gedrild in 
verhoortechnieken. De instructeurs hebben hun geleerd hoe je de vijand informatie ontlokt: Niet dreigen! Niet slaan! Niet folteren!

    Dat vonden de rekruten vreemd. Moesten ze, 
geconfronteerd met de grootste misdadigers, 
vriendelijk tegen ze zijn? Hun belangrijkste instructeur is een verhoorspecialist die Sanford Griffith heet. Al in de Eerste Wereldoorlog heeft hij Duitse gevangenen verhoord. En zoals scherpschutters technieken ontwikkelen om mensen te doden op honderd meter afstand, zo heeft hij methoden uitgedacht om mensen die tegenover hem zitten aan het praten te krijgen. Belangrijkste regel: vriendelijk zijn. Niet alleen omdat dit past in het volkenrecht, zoals het in de Geneefse Conventie van 1929 is vastgelegd, en opgenomen in het militaire instructieboek van de U.S. Army, bladzij 33, punt 45. Maar vooral omdat het werkt.

    Griffith heeft hierover een opstel geschreven dat hij uitdeelt aan de soldaten. Mensen willen altijd laten zien hoeveel ze weten, schrijft Griffith. Dat geldt 
in het bijzonder voor Duitsers. Die hebben een schoolmeesterneiging. ‘Duitse krijgsgevangenen zullen proberen ons de les te lezen,’ aldus Griffith. Dus moest je bij het verhoor de rol van de domme leerling spelen.

    Peter Weiss. – 
© Alex Trebus / photoselection
    Peter Weiss. – 
© Alex Trebus / photoselection

    Henry Kolm: Arno en ik werden zogeheten moraalofficieren. Het was onze taak belangrijke gevangenen te verhoren zonder dat ze het merkten. We moesten met ze schaken of tafeltennissen. Een van mijn eerste ‘klanten’ was nazipropagandist Kurt Hesse. Die zei eens tegen mij: ‘Jouw land, Oostenrijk, is prachtig.’ Hij had mijn accent herkend. Hij vertelde dat hij eens vakantie gevierd had aan een bergmeer op de Turracher Höhe, in een plaatsje dat zo afgelegen was dat ik het in geen geval zou kennen. Maar toevallig was ik daar eens geweest, er waren maar twee hotels. Dus ik vroeg: ‘O, was je in de Sieglerhof of in het 
Seehotel?’ Vanaf dat moment dacht hij dat ik alles over hem wist. God, wat heb ik daarvan genoten!

    Belangrijke gevangenen als Hesse wonen niet in 
de cellenblokken, maar in houten huizen in het bos, met meerdere kamers, een keuken en een bad. De Amerikanen noemen het ‘villa’s’. Op de veranda staan stoelen, zodat de nazi’s in de zon kunnen zitten. De strategie van het vleien, paaien, verstrikken leidt tot surreële scènes: jongensachtige, Joodse Amerikanen, van wie velen zich nog Duits voelen, geanimeerd in gesprek met officieren van de 
Wehrmacht. Op zomerdagen zwemmen ze in het zwembad. ’s Avonds gaan ze naar de kampbioscoop.

    Peter Weiss: Het zag eruit als een vakantiekamp.

    Anders dan zijn beide vrienden is Weiss geen moraalofficier; zijn werkplek is een centraal gelegen barak, waarin de onderaardse afluisterkabels samenkomen. Weiss zit aan een tafel en luistert met zijn koptelefoon. Voor hem staat een bandrecorder. 
Weiss kan van cel naar cel, van hut naar hut schakelen. Hoort hij iets interessants, dan neemt hij het op.

    De afluisterprotocollen die Weiss en zijn collega’s opstellen, zullen zeventig jaar later een inkijkje 
geven in het dagelijks leven van Duitse frontsoldaten. De gevangenen spreken over nachten doorzakken, over vrouwen, over de oorlog en oorlogsmisdaden.

    ‘S.: Dat was in de herfst van 1941. De hele Joodse bevolking van een stad werd in een massamoord doodgeschoten.

    P.: Heb je dat gezien?

    S.: Ik niet. Maar twee mannen van mijn peloton. 
Die hebben zelf mee geschoten. Dat is onweerlegbaar. Daar was ook geen Jood meer te vinden. Dat 
is door de SS uitgevoerd.

    P.: Hoeveel?

    S.: Ze hadden het toen over achthonderd. Naar 
schatting. Dat zei een korporaal tegen me. Die zei uit zichzelf: Daar had ik graag aan meegedaan. Een oude nazi. Terwijl de anderen allemaal zeiden dat het een rotstreek was. Alleen daarom al, dat is niet gelogen.’

    Geen haat

    Peter Weiss: Wij vermoedden alleen maar dat

    sommige familieleden in de kampen gestorven waren. Had ik toen al geweten dat mijn grootvader vergast was, dan had ik dit werk misschien niet

    kunnen doen.

    Arno Mayer: Soms had ik een gevoel alsof ik moest kotsen, omdat ik vriendelijk tegen deze types moest zijn. Ik vroeg me af: wat hebben die in de oorlog gedaan? Ik haatte de Duitsers met elke vezel van mijn lijf. Maar ons was bevolen dat we die haat moesten onderdrukken.

    Soms verzetten soldaten in Eleven Forty-Two zich tegen hun instructies. Maar het is geen haat of wraak die ze de grenzen laat overschrijden, maar

    de wens om belangrijke informatie los te krijgen.

    Zo pogen officieren een gevangene aan de praat te krijgen door hem te injecteren met cocaïne. Een andere keer proberen ze het met hypnose. Beide pogingen mislukken. Een poging om een gevangene dronken te voeren eindigt ermee dat de verhoorofficieren zo dronken worden dat het verhoor moet worden afgebroken. Maar iets anders lukt wel.

    Henry Kolm: Wij hadden zo’n SS-type dat ondanks alle vriendelijkheid niet wilde praten. Op een bepaald moment waren we het zat, en zeiden tegen hem: Dan geven we je aan de Russen. We brachten hem naar een ruimte waarin een van onze kameraden wachtte: Alex. Hij sprak net zo goed Russisch als wij Duits, en droeg een Sovjetuniform. Alex zei: ‘Oké, je wilt niet praten. Dan vergassen we je.’ Hij sloot de deur en liet met een ventilator stof door een ventilatiegat blazen. Toen begon de nazi te praten.

    Maar deze pogingen om uitspraken af te dwingen zijn zeldzaam, net als zwijgzame gevangenen. De strategie van de gespeelde vriendelijkheid werkt.

    De Duitsers leveren de Amerikanen de gewenste inlichtingen. De Tweede Wereldoorlog werd op vele plaatsen gewonnen. Eleven Forty-Two, zo weten we nu, was er een van. Gedurende de oorlog tekenen Duitse gevangenen voor hun verhoorders kaarten van wapenfabrieken, en schetsen ze constructietekeningen van wapensystemen. De Amerikanen krijgen gegevens over hoe diep de Duitse onderzeeërs duiken en over de precieze locatie van een Hamburgse scheepswerf, die ze vervolgens vernietigen. Nu, in juni 1945, gaat het niet meer om militaire geheimen; de Wehrmacht is verslagen. Nu gaat het om het

    achterhalen van oorlogsmisdaden.

    En dan zegt Peter Weiss, na een urenlang gesprek, met zachte stem iets zo ongehoords dat je hem in eerste instantie niet wilt geloven

    Peter Weiss: Iedereen probeerde ons wijs te maken dat hij geen echte nazi was. Sommigen geloofde ik. Dan lag ik ’s nachts wakker en pijnigde mijn hersens af: heb ik me laten beetnemen?

    En dan zegt Peter Weiss, na een urenlang gesprek, met zachte stem iets zo ongehoords dat je hem in eerste instantie niet wilt geloven.

    Peter Weiss: Af en toe ontstond er sympathie tussen sommigen van hen en sommigen van ons.

    Sympathie met de moordenaars? Een andere veteraan van Eleven Forty-Two, die twee jaar lang in het kamp diende, zegt over een van de gevangen Duitsers in alle ernst: ‘Hij was een van de goede nazi’s.’

    Goede nazi’s. Het zijn twee woorden die in volstrekte tegenspraak met elkaar lijken. Woorden die bewijzen dat de strategie van de vriendelijkheid niet alleen de Duitse gevangenen veranderde, die steeds praatgrager werden. Ze veranderde ook de Amerikaanse soldaten, die door al hun afschuw en hun haat heen opeens 
niet alleen monsters voor zich zagen, maar mensen, in al hun complexiteit, met alle tegenstrijdigheden.

    En in Eleven Forty-Two verandert nog iets anders. 
De interesse van de Amerikanen in de Duitse schuld duurt niet zo lang. Of preciezer: die wordt, eerst maar een beetje, dan steeds sterker, overvleugeld door de interesse in Duitse kennis, Duitse techniek, die nuttig kan zijn voor het volgende conflict, de volgende grote oorlog. Techniek zoals de Amerikanen die op de U-234 aantreffen. De bemanning van deze Duitse U-Boot heeft niets meegekregen over het einde van de oorlog. Als Duitsland capituleert, vaart de onderzeeër juist door de Atlantische Oceaan op weg naar Japan, van alle berichtgeving afgesneden. De Führer persoonlijk heeft de U-234 daarheen gestuurd, volgepakt met Duitse militaire techniek voor de Japanse bondgenoten. Ook een van Hitlers beste wetenschappers is aan boord, ingenieur Heinz Schlicke.

    Als de kapitein van de U-234 het bericht van de capitulatie verneemt, verandert hij van koers. Hij stuurt aan op de Amerikaanse oostkust en geeft zich over aan een schip van de US Navy. De Amerikanen slepen de U-234 naar de haven van Portsmouth in New England.

    Henry Kolm: Ze hadden iemand nodig die verstand had van techniek. Dus reed ik erheen. De U-234 lag in het dok. Onze mensen laadden de vracht uit met een kraan. Het was ongelofelijk: V2-motoren, kisten vol tekeningen en documenten, een gevechtsvliegtuig van het type Messerschmitt Me 262 in onderdelen, en een pallet met een soort tank erop. Later heb ik gehoord dat daarin 560 kilo uraniumoxide zat, de grondstof voor een atoombom. De Duitse wetenschap was de Amerikaanse indertijd jaren, en op sommige gebieden decennia vooruit. Ons geluk was dat er zelfs iemand aan boord was die die techniek begreep, dr. Heinz Schlicke. We brachten de crew naar Eleven Forty-Two.

    Een van de gevangenen van 1142.
    Een van de gevangenen van 1142.

    In die zomerdagen van 1945 rijdt bijna dagelijks een wagen het kamp uit, meestal tegen de middag, om uren later terug te keren. Erin zitten een Amerikaanse officier en steeds dezelfde gevangene: Heinz Schlicke. Vijftien kilometer naar het noorden, in het Pentagon, houdt Schlicke voordrachten over radar- 
of infraroodtechniek en geeft hij Amerikaanse 
officieren advies, aanvankelijk aarzelend, dan steeds vrijmoediger. Al snel ontstaat daaruit een nauwe samenwerking.

    Zo ontstaat in de loop van het jaar 1945 in Eleven Forty-Two uit het verhoorprogramma een wervingsprogramma. Doel: nieuw personeel aanwerven voor het Amerikaanse leger. Vooral Duitse wetenschappers zijn bijzonder gewild, niet zelden zijn zij in hun discipline de meest toonaangevende in de wereld.

    De belangrijkste onder hen is Wernher von Braun (bedenker van de V2, een voor die tijd revolutionaire ballistische raket).

    Kort voor de Duitse capitulatie meldt Wernher von Braun zich in de Allgäu bij de Amerikanen. Hij treedt daar met veel zelfvertrouwen op. Iemand van het Amerikaanse leger zal over hem zeggen: ‘Hij behandelde onze soldaten met de minzame neerbuigendheid van een congreslid op werkbezoek.’

    Von Braun weet dat hij iets te bieden heeft. Hij kan nieuwe raketten ontwikkelen voor de Amerikanen. Raketten die – destijds onvoorstelbaar – hele 
continenten en zeeën over kunnen vliegen.

    In de Amerikaanse regering ontbrandt een strijd. 
De militaire geheime dienst wil Wernher von Braun en zijn wetenschappers naar Amerika halen en van hun kennis profiteren. Maar op het State Department is de boodschap: geen sprake van, ze moeten bestraft worden.

    De militairen wachten de uitkomst van deze strijd niet af. In juni geven ze Wernher von Braun een arbeidscontract, buiten medeweten van grote delen van de Amerikaanse regering. Samen met 115 andere wetenschappers, onder wie zijn belangrijkste medewerkers, stapt Wernher von Braun een vliegtuig in.

    Henry Kolm: Arno, Peter en ik kregen het bevel naar Boston te rijden en het Von Braun-gezelschap te 
ontvangen. Omdat alles zo geheim was, richtten we op een verlaten eiland in de haven een provisorisch steunpunt in. Niemand mocht deze lui zien, dat zou een reusachtig schandaal zijn geweest. Op het eiland stond een groot huis, waarin wij met die wetenschappers woonden. Wij noemden het ‘Huis van de Duitse Wetenschap’. Ze gaven lezingen; Von Braun sprak over zijn droom om naar de maan te vliegen. Op een keer zeiden ze tegen mij: ‘We hebben al zo lang geen Mendelssohn meer gehoord. Dat was verboden.’ Dus zorgde ik voor een grammofoonplaat. Later brachten we de wetenschappers naar Eleven Forty-Two.

    Arno Mayer: Ik was Von Brauns moraalofficier. 
Gelukkig wist ik niet wat hij in de oorlog gedaan had. Maar niettemin had ik er geweldig de pest in deze types te moeten paaien. Achter mijn rug noemden de wetenschappers mij ‘mijn kleine Jodenjongen’. Een keer ben ik kwaad geworden, toen Von Braun zei: 
‘Hitlers enige fout was dat hij de Joden vermoordde.’ 
Ik zei: ‘Als je nu in Rusland was, zou je zeggen dat zijn enige fout was dat hij de Sovjet-Unie binnenviel.’ Later werd ik berispt door mijn meerdere. Als ik dat nog eens deed, zou ik voor een militaire rechtbank komen.

    Lingerie

    Op een zeker moment gaf mijn commandant mij 
een paar honderd dollar en stuurde mij met vier wetenschappers uit winkelen, Von Braun was er ook bij. Ze wilden hun vrouwen kerstpakketten sturen. Ik reed deze vier naziwetenschappers naar de grootste Joodse zaak van de stad, Lansburgh’s. Ze kochten cacao, suiker, koffie. Toen gingen ze naar de afdeling lingerie. Ik was negentien en had nog nooit damesondergoed gekocht. Ik zal het tafereel nooit vergeten: die vier figuren met hun leren jassen en Tiroler hoedjes op de afdeling lingerie. Toen de verkoopster met nylon slipjes aankwam, gooide Von Braun zijn handen in de lucht en zei: ‘O nee! Wollen onderbroeken met lange pijpen!’

    Wernher von Brauns contract wordt verlengd. 
Hij werkt voor het leger, daarna voor de nieuw 
opgerichte NASA. Hij bouwt de raketten voor de maanlanding en raakt bevriend met John F. Kennedy. Hij sterft in 1977 als een Amerikaanse held. In totaal brengen de Amerikanen meer dan zestienhonderd Duitse wetenschappers het land in, onder wie oorlogsmisdadigers, artsen die op mensen experimenteerden en chemici die gifgassen voor de Wehrmacht ontwikkelden. Allemaal beginnen ze een nieuw leven in Amerika.

    In de VS nemen de drie vrienden Henry Kolm, Arno Mayer en Peter Weiss in het jaar 1946 ontslag uit het leger. Weiss wordt een succesvolle advocaat, Mayer historicus, en Kolm fysicus aan het Massachusetts Institute for Technology in Boston. Ze blijven hun leven lang bevriend.

    In het jaar 2007 treffen de veteranen van Eleven 
Forty-Two elkaar na meer dan zestig jaar voor het eerst weer op de plek waar ze destijds dienden. Mayer, Weiss en Kolm zitten voor een speciaal gebouwd podium in het park. Een legerofficier legt in een toespraak een verband tussen de Tweede Wereldoorlog en Irak. Als hij de veteranen op het podium roept voor een eerbetoon, blijft Arno Mayer zitten. 
Uit protest tegen de Amerikaanse verhoormethoden van tegenwoordig. Kort tevoren zijn de beelden uit de foltergevangenis van Abu Ghraib gepubliceerd.