Tag: tweedehands

  • Is tweedehands winkelen wel echt zo duurzaam?

    Is tweedehands winkelen wel echt zo duurzaam?

    Tweedehands winkelen is populairder dan ooit. Is dit een belangrijke stap richting duurzaamheid of overconsumptie in een nieuw jasje? Directrice van Oxfam Groot-Brittannië Halima Begum en journalist Chloë Hamilton gaan in debat.

    ‘Door zelfs maar af en toe voor tweedehands te kiezen, laten we zien dat we verandering eisen’ 

    ‘Het beste fashion-statement dat je dit seizoen kunt maken? Koop tweedehands’, schrijft Halima Begum, directrice van Oxfam Groot-Brittannië, in The Guardian. Ze herinnert zich het therapeutische gezoem van de naaimachine uit haar kindertijd nog. ‘Het is een geluid dat ik associeer met mijn vader, die kledingmaker was in East End in Londen. Vanaf mijn vroegste jeugd heeft mijn vader me de waarde van een kledingstuk en de kunst van het creëren ervan bijgebracht, evenals de noodzaak om afval bij de productie te verminderen.’ Ze omschrijft haar vader als een klassiek voorbeeld van de Bengaalse man die naar het Verenigd Koninkrijk kwam om in een naaiatelier te werken. Deze kledingmakers verloren hun werk toen fast fashion zijn intrede deed, stelt Begum. De Britse textielsector ging over naar goedkope productiecentra in het buitenland, waaronder Bangladesh. Toen de textielfabriek Rana Plaza daar instortte, waarbij 1100 kledingarbeiders om het leven kwamen, legde dat pijnlijk bloot wat er mis is met de huidige modeindustrie, stelt de directrice van Oxfam GB.

    Als het aan haar ligt, zijn te weinig mensen zich bewust van de schade die fast fashion aanricht aan de aarde. ‘Als we even voorbijgaan aan de vaak erbarmelijke arbeidsomstandigheden in deze industrie, verbruikt de productie van slechts één T-shirt in een fabriek in een opkomende economie en het transport ervan het equivalent van 2700 liter zoet water.’ Dit is genoeg voor de dagelijkse behoeften van 1600 mensen, vervolgt de directrice van Oxfam. ‘Voor de productie van een spijkerbroek is 8000 liter water nodig.’ De fast fashion-industrie produceert wel 80 miljard kledingstukken per jaar en is verantwoordelijk voor meer schade aan het milieu dan de internationale scheep- en luchtvaart samen.

    ‘Uit ons onderzoek blijkt dat twee derde van de mensen in het Verenigd Koninkrijk tweedehands kleding bezit’

    Begum vertelt dat Oxfam een campagne heeft gelanceerd om duurzame kleding aan te moedigen. Tweedehands kleding aanbieden is volgens haar hoogst noodzakelijk om de planeet te redden. ‘Nu consumenten het schadelijke idee van fast fashion de rug toekeren, zien we betekenisvolle resultaten. Uit ons onderzoek blijkt dat twee derde van de mensen in het Verenigd Koninkrijk tweedehands kleding bezit.’ De belangstelling is groot. ‘Zo groot zelfs dat Oxfam en onze partner Vinted het voorrecht hadden om de Londense modeweek van dit najaar te openen met onze Style for Change-show. Beroemdheden, waaronder Deborah Meaden, Vick Hope en George Robinson, toonden tweedehands kleding die direct te koop was op de websites van Oxfam en Vinted.’

    ‘Kledingliefhebbers denken misschien dat het politiek gezien ingewikkeld is om de reus van de kledingindustrie te bestrijden. Maar dat valt reuze mee’, schrijft ze. ‘Door zelfs maar af en toe voor tweedehands te kiezen, ondernemen we actie om de machtsbalans tussen de fast fashion-industrie en onszelf als consument te herstellen en laten we zien dat we verandering eisen, of het nu gaat om milieunormen of arbeidsomstandigheden.’


    ‘Ik vrees dat te veel van mijn tweedehands aankopen dopaminehits zijn geweest’

    Tweedehands shoppen is duurzaam en kostenbesparend. Hoewel kringloopwinkels en apps als Vinted om die reden vaak de hemel in worden geprezen, ziet journalist Chloë Hamilton dit gedrag vooral als een verkapte shopverslaving, legt ze uit in een ander artikel in The Guardian. ‘Net als andere shopverslaafden overtuig ik mezelf ervan dat mijn verslaving eigenlijk niet zo problematisch is – en dat wordt ons tegenwoordig verrassend makkelijk gemaakt. Apps (ik heb ze allemaal: Vinted, Depop, eBay) wakkeren mijn slechte gewoonte aan. Ik scroll ’s nachts door goedkope kleding en speelgoed en kan soms niet slapen van de opwinding over al mijn vondsten.’ Maar zodra haar pakketje aankomt, is voor haar de spanning er al snel weer af.

    Hamilton vreest dat tweedehands winkelen fast fashion in de hand werkt, wat juist niet de bedoeling zou zijn. Zo worden er na de feestdagen extra veel spullen aangeboden, aangezien mensen cadeaus die niet naar hun smaak waren weer doorverkopen. Op die manier kan een overmaat aan tweedehands spullen een wereld die lijdt aan chronische overconsumptie juist voeden, aldus de journalist.

    Soms wordt die overconsumptie zelfs direct aangemoedigd, betoogt Hamilton. Klarna speelt daar volgens haar een belangrijke rol in, een achterafbetalingssysteem dat samenwerkt met Depop en eBay. Zo worden mensen verleid om geld uit te geven dat ze niet hebben. Leden van Vinted worden continu gestimuleerd om kleding te consumeren, onder andere door middel van een constante stroom van e-mails. 

    ‘Misschien heb ik ook gewoon een lesje in duurzaamheid nodig’

    ‘Mijn zoon is een goed voorbeeld. Hij is drie jaar en een van zijn favoriete bezigheden is de kringloopwinkel bezoeken. Ik ben hier altijd nogal tevreden over geweest en heb altijd lopen pronken met zijn liefde voor alles wat tweedehands is. Voor hem niet het glimmende nieuwe spul, hij geeft de voorkeur aan ouder speelgoed. Het heeft me een tijdje gekost – te lang misschien – om te beseffen dat dit kleine kind geen aangeboren verlangen heeft om geld te besparen, het milieu te beschermen of aan een goed doel te doneren; hij houdt van de sensatie van een nieuwe speelgoedtrein. Ik heb hem gewoon geleerd om van spullen te houden.

    Ik plunderde liefdadigheidswinkels voordat dat cool was en, in een verhaal dat familiefolklore is geworden, vond ik ooit een lamp in een filiaal van de British Heart Foundation en nam hem mee in de bus naar huis’, schrijft ze. ‘Eerlijk is eerlijk, die lamp is zeven keer met me meeverhuisd en staat nog steeds, schitterend, in mijn woonkamer.’ Maar niet alle inkopen bleven haar zo lang dierbaar. ‘Ik vrees dat te veel van mijn andere tweedehands aankopen dopaminehits zijn geweest.’ Zoals de stapels kleding die nu liggen te verstoffen achterin haar kledingkast.

    Ze denkt dat duurdere prijzen haar zouden helpen tegen overconsumptie. ‘Dat zou me dwingen om bewuster te zijn van wat ik koop. Misschien heb ik ook gewoon een lesje in duurzaamheid nodig. Uiteindelijk is niets echt gratis. Alles kost iets.’

  • Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

    Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

    Afrikaanse landen, Rwanda voorop, willen af van de tweedehandskleding uit het Westen. Maar die blijkt moeilijk tegen te houden.

    Als er in de VS grote schoonmaak wordt gehouden, voelt het als een daad van onbaatzuchtigheid om geliefde kleren in een inzamelingsbak te gooien. Die sweaters met vlekken erop, T-shirts die je in het zomerkamp droeg en uit de mode geraakte shorts mogen wel naar iemand die ze harder nodig heeft, toch?

    Het ligt iets gecompliceerder. Het grootste deel van Amerika’s afgedankte kleren wordt door onder meer het Leger des Heils en Goodwill aan privébedrijven verkocht. Balen tweedehandskleren worden met containerladingen tegelijk verscheept, voornamelijk naar het Afrika ten zuiden van de Sahara – het is een industrie geworden waarin miljarden dollars omgaan.

    Maar Afrikaanse regeringen hebben daar langzamerhand meer dan genoeg van. Wat velen in het Westen beschouwen als een genereus gebaar, verhindert hen hun eigen kledingindustrieën op te bouwen, zeggen ze. In maart 2016 besloten vier Oost-Afrikaanse landen de importheffingen op tweedehandskleren te verhogen, in sommige gevallen zelfs met een factor twintig.

    De patstelling laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt

    De Amerikaanse tweedehandskledinglobby trok aan de alarmbel en de regering-Trump startte vorig jaar een onderzoek naar de vraag of de vier landen misschien een achttien jaar oud handelsverdrag met de VS overtraden. De Oost-Afrikaanse regeringen werden onder druk gezet en verlaagden hun heffingen weer naar het oude niveau. Behalve Rwanda.

    Nu lijdt een Rwandese leider, die zichzelf als een trotse visionair ziet, onder de consequenties van zijn beslissing zich te verzetten tegen Washington. Binnenkort staat Rwanda volgens de African Growth and Opportunity Act de opschorting te wachten van enkele van zijn belastingvrije handelsprivileges op het gebied van kleding. De pogingen een binnenlandse kledingindustrie van de grond te krijgen, hebben intussen weinig resultaten opgeleverd. En Rwandezen die in de tweedehandskledingindustrie werken, klagen dat ze schade lijden.

    De patstelling tussen de economische reus van de wereld en een van Afrika’s snelst groeiende economieën kan niet echt een handelsoorlog worden genoemd – het is meer een schermutseling. De totale tweedehandskledingimport in Rwanda was in 2016 volgens regeringsstatistieken nog geen 7 procent van die van heel Oost-Afrika. En de kledingexport naar de VS bedroeg een minuscule 2 miljoen dollar. Maar het laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt.

    ‘Made in Rwanda’

    President Paul Kagame is ervan overtuigd dat hij in Rwanda fabrieken kan opzetten en zijn land afstand kan laten doen van de tweedehandskleren die hij als onwaardig beschouwt. Hij maakt deel uit van een aantal Afrikaanse leiders die een dam willen opwerpen tegen de stroom gebruikte goederen – van kleren tot elektronica en medische apparatuur – die op het continent terechtkomen nadat iemand anders ze heeft weggegooid. ‘Wat mij betreft is het een simpele keus,’ zei Kagame vorig jaar tegen journalisten over het handelsgeschil. ‘Er zouden consequenties aan vast kunnen zitten.’ Maar, zei hij, Rwanda en andere landen in Afrika ‘moeten groeien en eigen industrieën opzetten’.

    Vroeger produceerde Rwanda, net als andere Oost-Afrikaanse landen, het grootste deel van zijn kleding zelf. Maar in de jaren tachtig werkten regionale leiders samen met de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds om hun economieën open te stellen en meer handel toe te laten. Dat resulteerde in een toevloed van goedkope import. De Rwandese genocide in 1994 bracht verdere schade toe aan de lokale industrie. De kleding die nu in Rwanda voor de lokale markt wordt geproduceerd, is voornamelijk erg duur en gericht op stedelingen met een goede baan.

    De regering van Kagame lanceerde onlangs ‘Made in Rwanda’, een campagne om lokale productie aan te moedigen en te subsidiëren. Tot nu toe heeft die echter nog weinig vooruitgang geboekt. Het luxemerk Kate Spade laat in Rwanda handtassen in elkaar zetten voor de export, en twee andere fabrieken hebben er hun deuren geopend – een met een Rwandese en een met een Chinese eigenaar.

    Rwanda heeft te kampen met talloze nadelen. Het is geheel door land omgeven en ligt ver van zeehavens, de binnenlandse markt is klein en arm, en er is een gebrek aan goed opgeleide arbeiders. Het zal niet snel het volgende Vietnam of Bangladesh worden.

    Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images
    Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images

    De Rwandese kledingindustrie is nauwelijks gegroeid en de markt voor tweedehandskleding – die chagua wordt genoemd, van het Swahilische woord voor ‘kiezen’ – is ingezakt vanwege de nieuwe invoerrechten, terwijl er meer dan 18.000 mensen werkzaam zijn. ‘Ik heb mijn prijzen moeten verdriedubbelen,’ zegt Zaetzev Sibomana (26), die tweedehandskleding verkoopt op de markt in de wijk Nyamirambo in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. ‘Ze hebben de branche vernietigd en daarmee mijn spaarcentjes. Ik woon nog bij mijn ouders.’ De eigenaren van de winkel naast hem zijn de goedkope, Chinese kleding gaan verkopen die nu de Amerikaanse tweedehandskleren vervangt. Die Chinese kleren zijn nieuw, waardoor ze niet onderworpen zijn aan de hoge invoerrechten.

    Isai Mugabo, een van de winkeleigenaren, is niet blij met die verschuiving. Chagua was chiquer dan de Chinese kleren, mensen konden zich er modieus in voelen, zegt hij. ‘De meeste van mijn klanten gaan nu ontevreden de winkel uit. Vroeger vonden ze altijd wel iets unieks, maar nu gaat iedereen weg met hetzelfde overhemd. Ze lopen nu allemaal rond in een soort Chinees uniform.’

    ‘Banenverlies in VS’

    De belangrijkste Amerikaanse handelsvereniging voor tweedehandskleding, de Secondary Materials and Recycled Textiles Association, riep vorig jaar Amerikaanse handelsvertegenwoordigers op kritiek te leveren op de gestegen importheffingen van de Oost-Afrikaanse landen. Volgens hen hadden de maatregelen al een ‘dramatische, negatieve invloed’ op de Amerikaanse industrie. De industriegroep zei dat er 5000 banen in de private sector plus 19.000 posten bij non-profitorganisaties verloren waren gegaan, en dat uiteindelijk 40.000 Amerikaanse banen ‘negatieve invloeden’ konden ondervinden door de verhoogde heffingen. Een verzoek om een interview werd door de groep afgewezen.

    Drie onafhankelijke analisten zetten vraagtekens bij het berekende banenverlies in de industrie. ‘Die aantallen klinken absurd hoog,’ zegt Todd Moss, een voormalig Amerikaans plaatsvervangend staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken, die nu staflid is van het Center for Global Development, een denktank. Hij en anderen hebben kritiek geleverd op de acties van de regering-Trump. ‘Het is buitengewoon schadelijk om te zien hoe de grootste economie ter wereld – om irrelevante, mercantilistische redenen – een Afrikaanse partner straft en intimideert,’ zegt Moss.

    Ambtenaren van de regering-Trump zeggen echter dat een strengere naleving van internationale overeenkomsten essentieel is om het handelsbeleid weer in evenwicht te brengen in het belang van Amerikaanse arbeiders. En Amerikaanse functionarissen merken op dat Oost-Afrikaanse landen zich moeten houden aan wat ze hebben afgesproken toen ze het akkoord, dat hun vele voordelen oplevert, sloten.

    Kagames woordvoerder wilde geen commentaar leveren op dit artikel, evenmin als Rwanda’s ministerie van Handel.

    ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan’

    Op de korte termijn zou het handelsgeschil gunstig kunnen uitpakken voor China. In haar kritiek op de Oost-Afrikaanse verhoging van invoerrechten op tweedehandskleding voerde de Amerikaanse Handelsvertegenwoordiging aan dat Chinese import ‘een veel groter gevaar oplevert voor de Oost-Afrikaanse binnenlandse industrieën’ dan Amerikaanse tweedehandskleding. De Chinese kledingexport naar Oost-Afrika was in 2016 goed voor 1,2 miljard dollar, ‘een factor vier groter dan de waarde van tweedehandskleding’, schreef de instantie.

    Leveranciers van tweedehandskleding in Kigali zeggen dat zij en hun klanten zich in de steek gelaten voelen door de handelsverschuivingen. ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan,’ zegt Nadine Ingabire, die al tien jaar chagua verkoopt. ‘Zover zijn we nog niet. We hebben chagua nodig tot we wel zover zijn. Die keus is noodzakelijk. Het is niet ideaal om alleen chagua te hebben, maar alleen goedkope Chinese kleding hebben is dat ook niet. En tegen mensen die zeggen ‘Koop in Rwanda gemaakte kleding’, zeg ik: niet iedereen kan zich een klerenkast vol zondagse kleren veroorloven.’

    Auteurs: Max Bearak en David J. Lynch
    Vertaler: Tineke Funhoff