Tag: UFO

  • Is er dan toch een planeet B?

    Is er dan toch een planeet B?

    Tot voor kort werd de zoektocht naar buitenaards leven afgedaan als pure onzin. Vandaag de dag is het een serieuze, wetenschappelijke zaak.

    Plotseling heeft iedereen het over aliens. Na decennia krijgt de vraag naar buitenaards leven eindelijk de aandacht die het daadwerkelijk verdient. Zo heeft NASA inmiddels een goed gefinancierd astrobiologieprogramma en zal de opvolger van de peperdure James Webb-ruimtetelescoop worden afgesteld om tekenen van buitenaards leven op te sporen. Ufo’s en andere uaps (‘unidentified aerial phenomena’ in het Engels) duiken daarnaast ook steeds vaker op in sensationele krantenartikelen.

    Wat is de betekenis van deze twee bewegingen, de wetenschappelijke zoektocht naar buitenaards leven aan de ene kant, en de eindeloze stortvloed aan onverklaarbare waarnemingen aan de andere? Een terugblik op de geschiedenis van discussie over buitenaards leven toont aan dat deze tegenstrijdige benaderingen eigenlijk nauw met elkaar verbonden zijn, maar niet op een goede manier.

    Jarenlang werden wetenschappers die serieus nadachten over leven in het universum geconfronteerd met wat nu bekendstaat als de ‘giechelfactor’. Meerdere keren dreigde deze factor de zogeheten ‘search for extraterrestrial intelligence’ ofwel SETI vervroegd te beëindigen. Hoewel nieuwe ontdekkingen en technologie de zoektocht nieuw leven hebben ingeblazen, blijft de giechelfactor nog altijd een obstakel.

    Als hoofdonderzoeker van NASA’s allereerste subsidie om tekenen van buitenaards leven op exoplaneten te bestuderen, zoeken mijn collega’s en ik onder andere naar sporen van buitenaardse technologie. Mijn aanname van deze rol is de bekroning van een levenslange fascinatie voor de vraag naar leven in het universum. Deze fascinatie ontstond toen ik als kind in de zeventiger jaren mijn vrije tijd doorbracht met sciencefictionromans, ufo-documentaires en herhalingen van Star Trek. Als tiener die zowel Carl Sagan als Erich Däniken (auteur van het controversiële, pseudowetenschappelijke Waren de Goden Kosmonauten) las, moest ik al vroeg leren hoe ik het kaf van het koren kon scheiden.

    Achteraf bleek deze periode in mijn jeugd een trainingsgrond voor het werk dat ik nu verricht. Zo moet ik, als wetenschapper en wetenschapsambassadeur, kunnen begrijpen hoe mensen zonder wetenschappelijke opleiding of kennis vragen over ufo’s en buitenaardse wezens benaderen. Tijdens het schrijven van een recent en populair boek getiteld The Little Book of Aliens keek ik daarom ook zorgvuldig naar de verstrengelde geschiedenis van ufo’s, de wetenschappelijke zoektocht naar leven in het heelal en de allesbepalende vraag naar normen van bewijsvoering.

    Wat geldt als bewijs voor het bestaan van buitenaards leven? Deze vraag dook voor het eerst op in het allereerste virale ufo-verhaal. Op 24 juni 1947 was de lucht boven het stadje Mineral in de noordwestelijke staat Washington helder en zonnig. Kortom: een perfecte dag voor amateurpiloot Kenneth Arnold. Fladderend langs de imposante piek van Mount Rainier op weg naar een vliegshow in Oregon hield Arnold een oogje in het zeil voor een sportvliegtuig van de Amerikaanse marine die onlangs vermist was geraakt. Wie het wrak als eerste vond, zou een beloning ontvangen. Denkend aan het prijsgeld draaide Arnold een extra rondje om de berg, niet wetende dat hij op dat moment regelrecht de ufo-geschiedenis invloog.

    Terwijl Arnold de berghelling inspecteerde, zag hij plotseling een blauwe lichtflits. In de verte vloog een DC-4, een verkeersvliegtuig, maar daar kwam de flits niet vanaf. Toen verscheen het licht opnieuw, ditmaal van dichterbij. Arnold keek vol verbazing toe hoe negen objecten ‘als de staart van een Chinese vlieger’ in diagonale formatie langs hem vlogen. Voor de amateurpiloot het wist, waren deze objecten echter weer verdwenen. Met een ‘angstaanjagend gevoel’ in zijn onderbuik bracht Arnold zijn vliegtuig vervolgens aan de grond.

    ‘Schotelachtige vliegtuigen’

    Arnolds verhaal, dat hij na het landen met vrienden deelde, verspreidde zich haast net zo snel als de mysterieuze objecten de horizon benaderen. Verslaggevers van een lokale krant, de East Oregonian, nodigden de piloot uit op de redactie en zagen hem als een geloofwaardige getuige en zorgvuldige waarnemer. Zo beschreef hij niet alleen het uiterlijk van de objecten, maar ook hun geavanceerde bewegingen. Zijn historische woordkeuze zou de samenleving voor altijd bijblijven: ‘als schotels die je over het water laat scheren.’

    De East Oregonian citeerde Arnolds beschrijving als ‘schotelachtige vliegtuigen’. Toen de Associated Press het verhaal oppakte, werd de krantenkop verder verdraaid: ‘Supersonische vliegende schotels gezien door piloot uit Idaho.’ De sensationele titel veroorzaakte een culturele lawine. In minder dan zes maanden tijd verscheen het artikel in meer dan 140 Amerikaanse kranten en in de jaren daarna werden steeds vaker vliegende schotels waargenomen.

    ANP 447464905
    Een vliegende schotel voor de Kamer van Koophandel in Roswell. – ©ANP

    Een van de belangrijkste lessen die ik van het Arnold-incident opstak, was de kracht van een meeslepend verhaal. Arnold was de eerste persoon die vliegende schotels zag en zijn kleurrijke waarneming verklaart waarom zo veel lezers zonder enig verifieerbaar bewijs meegingen in het speculeren over buitenaards leven en ufo’s. Zijn verhaal markeerde het punt waarop het idee van technologisch geavanceerd, interstellair leven het publieke bewustzijn definitief binnendrong. Met de verschijning van de eerste ufo’s verscheen ook de huidige ufo-cultuur: een cultuur die neigt naar ongeloofwaardigheid en paranoia. Natuurlijk waren er ook veel mensen die interesse toonden in ufo’s zonder hun scepticisme op te offeren. Als sociaal fenomeen zouden discussies over ufo’s echter gestuurd worden door twijfelachtig bewijs, samenzweringstheorieën en regelrecht bedrog.

    Neem bijvoorbeeld de zogeheten Roswell-affaire. Deze affaire betreft een boer die, slechts een paar weken na de waarnemingen van Arnold en de daaropvolgende mediahype, een stel uit stokken, draad en folie bestaande wrakstukken op zijn landgoed tegenkwam en deze vervolgens als de restanten van een gecrashte ufo aan een lokale krant liet overleveren.

    Ruim 30 jaar later werd de affaire nieuw leven ingeblazen door een reeks bestsellers en ‘documentaires’ die wederom beweren dat het vuilnis van deze boer daadwerkelijk uit de hemel was komen vallen. Met ieder boek en iedere film werd het verhaal alsmaar complexer en verwarrender. Zo werden er steeds meer getuigenissen aan het licht gebracht, waaronder begrafenisondernemer Glenn Dennis, die meende dat de boer hem persoonlijk de lijken van aliens heeft laten zien. Sommige bronnen beweren dat er meer schotels en meer buitenaardse passagiers waren dan de oorspronkelijke rapportage had vermeld. Enkele beweren zelfs dat de inmiddels opgeruimde lijken werden bezichtigd door niemand minder dan toenmalig president Dwight Eisenhower.

    Bewijsmateriaal

    Afwezig in de Roswell-affaire is het belang van bewijsmateriaal. Iedereen die in de verste verte gerelateerd was aan de boer, mocht zijn of haar verhaal vertellen. Nieuwe boeken stapelen zich op oude boeken en de theorieën vermenigvuldigen tot zelfs de hardnekkigste ufo-onderzoekers er geen touw meer aan vast weten te knopen. Ontwikkelingen zoals de Roswell-affaire creëerden zo een ‘alles kan’-mentaliteit wat betreft discussies rondom ufo’s en buitenaards leven in het algemeen.

    Deze mentaliteit had ook zeker een invloed op mij als tiener. In mijn puberjaren las ik zowel boeken over ware wetenschap (Sagan) als speculatieve werken over ufo-gerelateerde onderwerpen. Zo was ik een tijdlang gecharmeerd door Von Dänikens Waren de Goden Kosmonauten (1968) en zijn beweringen dat veelal archeologische mysteries verklaard konden worden door buitenaardse wezens die millennia geleden de aarde bezochten. Mijn fascinatie eindigde toen ik op een avond een PBS-documentaire genaamd The Case of the Ancient Astronauts (1977) tegenkwam. De documentaire bestond uit interviews met echte wetenschappers die hun leven hadden gewijd aan onderwerpen waar Von Dänikens enkel over speculeerde. De eenvoud en logica waarmee ze Von Dänikens boeken met de grond gelijk maakten, maakte mij zowel kwaad (ik voelde me door de auteur bedrogen) als opgetogen. Het vaststellen van bewijsmateriaal, dat is wat echte wetenschappers onderscheidt van Von Dänikens en zijn wensdromen.

    Als ik niet zo kwaad was geweest, had ik er haast om kunnen lachen. Dit is dan ook precies die giechelfactor die het werk van professionele astrobiologen zoals mijzelf zo moeilijk maakt. Arnold, de Rosswell-affaire en Von Dänikens maakten SETI een kwetsbaar doelwit voor spot.

    Het vaststellen van bewijsmateriaal, dat is wat echte wetenschappers onderscheidt van Von Dänikens en zijn wensdromen

    Het eerste SETI-project vond plaats in 1960 onder leiding van een jonge astronoom genaamd Frank Drake. Drake gebruikte een radiotelescoop om ‘niet-natuurlijke’ signalen van twee zonachtige sterren op te sporen. Erkenning voor Drakes inspanningen als startpunt van de moderne astrobiologie is een zelden besproken maar cruciaal punt, mede omdat de astronoom de normen voor bewijsmateriaal uiterst serieus nam. Om foutmarge te verminderen, schonken Drake en zijn collega’s tijdens het ontwerp van hun experiment dan ook aandacht aan vragen over signalen, ruis en fout-positieven. Drakes SETI-project en de daaropvolgende projecten trokken enorme publieke aandacht. Toch werd het opbouwen van een samenhangend, blijvend wetenschappelijk onderzoeksteam almaar verhinderd door de ufo-gekte.

    Kort na Drakes project hadden verschillende wetenschappelijke instanties nog een gezonde belangstelling voor de zoektocht naar buitenaards leven, intelligent of anderszins. Het was per slot van rekening de Amerikaanse National Academy of Sciences die in 1961 de Interstellar Communications-bijeenkomst organiseerde waar Frank Drake zijn befaamde Drake-vergelijking formuleerde. NASA was eveneens enthousiast in haar onderzoek naar microben op planeten in ons zonnestelsel, mits deze bereikt konden worden. In de zeventiger jaren werken SETI-wetenschappers met NASA aan nieuwe telescooptechnologie, waaronder Project Cyclops: een gigantische opstelling van wel duizend radiotelescopen die ongekend zwakke signalen uit de uithoeken van het heelal kon oppikken.

    Al deze projecten confronteerden wetenschappers met de vraag hoe ze het beste bewijs konden verzamelen en evalueren. Op deze vraag was geen duidelijk antwoord. Onderzoekers waren zich er terdege van bewust dat het leven op andere planeten een compleet andere vorm kon aannemen dan hier op aarde. Mensen buiten wetenschappelijke kringen keken daar echter anders naar.

    Giechelfactor

    William Proxmire was een senator uit Wisconsin die zichzelf graag zag als een strikte bewaker van de staatskas. Te allen tijde stond hij op de loer voor wat hij beschouwde als verspilling van belastinggeld. In 1978 stuitte de senator op NASA’s financiering van een handvol SETI-projecten waar hij de zin niet van kon inzien en daarom besloot hij de geldkraan dicht te draaien. Proxmire trok zich pas terug toen Sagan, op dat moment al een gerespecteerd schrijver, wetenschapper en wetenschapsambassadeur, hem persoonlijk benaderde. Hoewel de overheidsfinanciering van SETI-projecten in 1983 weer doorging, was de reputatie van de onderzoekers permanent aangetast. De doorsnee burger zag SETI als geldverspilling en onzin, impliciet verbonden met de ufo-gekte.

    Financiële steun voor SETI bleef miniem in de periode na Proxime. Toen NASA in 1990 haar bijdrage aan onderzoek naar het microgolfgebied van het elektromagnetische spectrum van 4 miljoen naar 12 miljoen dollar probeerde te verhogen, kwamen volgelingen van de senator opnieuw in actie. ‘We hoeven dit jaar geen 6 miljoen dollar uit te geven om bewijs van deze schurkachtige wezens te vinden,’ spotte congreslid Silvio Conte uit Massachusetts. ‘Een roddelblad in de supermarkt kost slechts 75 cent.’

    ANP 377222239
    De Amerikaanse astronoom en astrofysicus Frank Drake speelde een sleutelrol in het zoeken naar buitenaards leven. – © ANP

    Toen die 12 miljoen dollar drie jaar later alsnog werd toegewezen, zette het debat zich voort. Zo zag senator Richard Bryan uit Nevada een kans om wat krantenkoppen te genereren en sponsorde hij daarom een campagne om het microgolfproject de das om te doen. ‘Beëindig het jachtseizoen op Mars op kosten van de belastingbetaler,’ luidde zijn slogan. Dat NASA helemaal niet bezig was met Mars, deed er niet toe. Bryans met humor aangedikte campagne vond een groot publiek en legde wederom een verband tussen SETI en de culturele randgebieden waar het ufo-enthousiasme rondzweefde. De giechelfactor had de zoektocht naar buitenaards leven zwaar benadeeld.

    Tussen deze zeer openbare afstraffingen door leerde NASA dat SETI politiek vergif was. Hoewel SETI-onderzoekers zoals Drake en de onvermoeibare Jill Tarter hun best deden om aan te tonen dat hun veld wel degelijk een vorm van wetenschap was, dacht de rest van de maatschappij daar anders over. Toch lieten de onderzoekers zich niet klein maken. Als ze niet meer in aanmerking konden komen voor overheidssubsidies, zouden zij een sponsor vinden in de privésector.

    De giechelfactor had de zoektocht naar buitenaards leven zwaar benadeeld

    De afknelling van overheidssubsidies had echter wel degelijk grote gevolgen voor de zoektocht naar leven in het universum. Het bouwen, onderhouden en gebruiken van ruimtetelescopen kost veel geld en zonder stabiele financiering kwam de zoektocht uiteindelijk tot een stilstand. Dankzij aardse politiek bleef de hemel in andere woorden jarenlang onontdekt.

    De rol die ufo’s in dit tragische verhaal hebben gespeeld, valt niet te ontkennen. Historicus Stephen Garber schreef in een artikel over SETI en NASA dat de astrobiologie ‘slachtoffer werd van een “giechelfactor” die voortkwam uit een door de pers gelegde associatie met de speurtocht naar “kleine groene mannetjes” en ongeïdentificeerde vliegende objecten’. Door deze associatie kregen astronomen lange tijd geen kans om hun echte zoektocht uit te voeren.

    In het begin van de negentiger jaren leek het inderdaad alsof niemand geïnteresseerd was in de wetenschappelijke mogelijkheden van buitenaards leven. De Viking-missies van NASA uit 1975-1976 voerden biologische experimenten uit op Mars die de deur leken te sluiten voor de rode planeet als een thuis voor zelfs microbieel leven. Het spoor naar leven van welke aard dan ook leek te zijn gekoeld.

    Exoplaneten

    Een verrassende wending arriveerde in 1995 toen wetenschappers verkondigen dat ze zojuist de allereerste exoplaneet, een planeet die om een andere ster draaide dan de zon, hadden gevonden. Het bleek een historisch moment. Na 2500 jaar discussiëren over het bestaan van andere werelden hadden we eindelijk bewezen dat de planeten in ons zonnestelsel niet uniek waren. Binnen de kortste keren werden overal in het heelal nieuwe exoplaneten ontdekt. Nu weten we dat vrijwel elke ster die je ’s nachts ziet, vergezeld wordt door een familiekring van werelden.

    Een tweede omwending arriveerde toen wetenschappers een stukje van Mars tegenkwamen in Antarctica. De meteoriet, die ooit van de rode planeet was afgebroken door een asteroïde-inslag, leek tekenen van fossiel leven te tonen. Hoewel deze conclusie nu niet langer wordt geaccepteerd, gaf toenmalig president Bill Clinton aan NASA een opdracht om terug te keren naar Mars om daar de zoektocht naar leven te hervatten. De geldkraan ging weer open, waardoor onderzoekers nieuwe experimenten konden voorstellen en uitvoeren.

    Vandaag de dag kunnen we precies zien welke exoplaneten zich bevinden in de bewoonbare zone van hun ster, een regio waar vloeibaar water (de sleutel voor leven, aldus wetenschappers) kan bestaan. Dit betekent dat we ook precies weten waar de grootste kans is om buitenaards leven tegen te komen, iets waar Drake alleen maar van kon dromen.

    Nog opmerkelijker is dat astronomen inmiddels weten hoe ze naar buitenaards leven op exoplaneten kunnen zoeken zonder ze met een raket te bezoeken. Dit doen ze door middel van het analyseren van sterrenlicht dat door de atmosfeer van deze planeten is afgereisd en door verschillende chemicaliën in de atmosfeer is geabsorbeerd. Onder wetenschappers staan dit soort sporen bekend als biosignaturen: tekenen van stoffen die alleen in de atmosfeer kunnen zitten als ze daar door een vorm van leven zijn geplaatst.

    Spectaculaire vooruitgang in de jacht op biosignaturen leidde tot een diepgaande verfijning van onderzoekscriteria. Een vroege vorm van signaturen was de aanwezigheid van zuurstof in een buitenaardse atmosfeer. Op aarde maakt zuurstof onderdeel uit van de atmosfeer enkel omdat fotosynthetische organismen het produceren. Echter hebben astronomen in de afgelopen tien jaar alternatieve mechanismen ontdekt waardoor planeten zonder leven mogelijk zuurstofrijke lucht kunnen produceren. Dit was een grote sprong in de ontwikkeling van methoden voor het evalueren van fout-positieven: de manieren waarop we denken dat we ergens bewijs voor buitenaards leven hebben gevonden terwijl dat leven er in werkelijkheid helemaal niet is.

    Astronomen hebben in de afgelopen tien jaar alternatieve mechanismen ontdekt waardoor planeten zonder leven mogelijk zuurstofrijke lucht kunnen produceren

    Deze nieuwe ontdekkingen herstelden de reputatie van SETI. Zo is er tegenwoordig een nieuw onderzoeksveld voor de zoektocht naar wat wetenschappers als ik ‘technosignaturen’ noemen, waarbij klassieke SETI-methoden worden omarmd en de zoektocht naar buitenaards leven nieuwe richtingen inslaat. In plaats van een baken opzetten en onze aanwezigheid aan het universum verkondigen, zoals de eerste generatie SETI-wetenschappers dat deed, proberen we nu zelf contact te leggen met buitenaards leven. Door te zoeken naar sporen van de dagelijkse activiteiten van buitenaardse samenlevingen (oftewel technosignaturen) stellen we een nieuwe gereedschapskist samen om intelligent, beschavingsvormend leven te vinden.

    Het was in 2019 dat NASA mijn collega’s de eerste subsidie toekende om atmosferische technosignaturen te bestuderen. Hoewel er nog steeds maar een handvol technosignatuur-subsidies zijn in vergelijking met onderzoek naar biosignaturen, was dit een duidelijk teken dat de giechelfactor eindelijk afnam. Sindsdien is onze groep hard aan het werk om voorbeelden van mogelijke technosignaturen op te pikken, onder andere met behulp van de James Webb Space Telescope. Bovendien hebben we aangetoond dat er geen goede reden is om aan te nemen dat biosignaturen vaker voorkomen dan technosignaturen. Juist omdat we allemaal dezelfde technieken gebruiken, is het logisch om beide zoekopdrachten tegelijk uit te voeren.

    De criteria voor zoekopdrachten naar biosignaturen zijn bovendien relevant voor zoekopdrachten naar technosignaturen. Ons team, onder leiding van de astrofysicus Manasvi Lingam van het Florida Institute of Technology, publiceerde onlangs een van de allereerste studies waarin wordt geprobeerd een basismethode op te stellen voor het evalueren van fout-positieven in technosignaturen. Projecten als deze stellen ons in staat om volledig te begrijpen hoeveel vertrouwen we kunnen hechten aan ieder spoor van intelligent leven.

    Maar wat betekent de afname van de giechelfactor dan eigenlijk voor ufo’s en uaps? Daar blijven de wateren ietwat troebel. Natuurlijk is het fijn dat piloten het gevoel hebben dat ze hun waarnemingen kunnen melden aan de autoriteiten zonder angst voor represailles of vernedering, helemaal met betrekking tot luchtveiligheid en defensie. Een transparant en agnostisch onderzoek naar uaps fungeert bovendien als een masterclass voor hoe wetenschappers kennis van geloof onderscheiden.

    Als mijn collega’s en ik beweren leven op een andere wereld te hebben gevonden, dan zouden we ons verplicht voelen om bewijs te leveren dat aan de hoogste wetenschappelijke standaarden voldoet. Op dit moment is er simpelweg geen overtuigend bewijs rondom ufo’s en uaps. Een recente hoorzitting van het NASA-uap-panel onthulde dan ook dat een groot percentage van de gemelde waarnemingen niets met aliens te maken kon hebben.

    Wat telt, is dat na duizenden jaren aan speculeren over leven in het universum, onze collectieve wetenschappelijke inspanningen ons eindelijk op een punt hebben gebracht waar rigoureuze wetenschappelijke studie van het onderwerp van start kan gaan. De volgende grote ruimtetelescoop van NASA zal het Habitable Worlds Observatory gaan heten. Die naam vertelt je alles wat je over het apparaat moet weten. We gaan ons binnenkort volledig inzetten voor de zoektocht naar buitenaards leven omdat we eindelijk over de middelen beschikken die zo’n zoektocht mogelijk maken. Kortom, de giechelfactor is officieel geschiedenis.

  • Ufo-onderzoeker toont ‘bewijs’ voor aliens in Mexicaans Congres

    Ufo-onderzoeker toont ‘bewijs’ voor aliens in Mexicaans Congres

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Vrouw ‘El Chapo’ komt vrij uit gevangenis

    » Mogelijk 20.000 doden door overstromingen in Libië

    De controversiële onderzoeker nam twee mummies mee

    Een zelfverklaarde ufo-onderzoeker heeft getuigd in het Congres van Mexico over zijn bevindingen. Daarbij nam hij twee mummies mee, waarvan hij beweerde dat het de lichamen van buitenaardse wezens waren. El Universal bracht foto’s over de bijzonder getuigenis naar buiten.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Jaime Maussan toonde twee wezens die volgens hem in 2017 in Peru waren gevonden. Het zou gaan om aliens. Op foto’s blijkt dat het gaat om kleine, grijze wezens met drie vingers per hand en gekrompen hoofden. Volgens experts gaat het mogelijk om gestolen mummies van het Peruaanse Nazca-volk.

    Deze experts noemen de getuigenis van Maussan ‘beschamend’. De journalist staat in Mexico bekend als pseudowetenschapper die eigen gezondheidssupplementen verkoopt via YouTube. Het Congres-lid dat Maussan had uitgenodigd voor de getuigenis legde later uit ‘alle perspectieven’ over buitenaards leven te willen horen.

    Lees ook:

  • Ufo’s worden weer serieus genomen, bijna té serieus

    Ufo’s worden weer serieus genomen, bijna té serieus

    Onlangs vloog een verdachte ballon boven de Verenigde Staten en recenter werden unidentified flying objects waargenomen. Is er te veel verkeer in de stratosfeer? Spionage? Verhoogde buitenaardse belangstelling? De waarheid ligt niet ergens daarbuiten, maar diep in onszelf.

    De terechte vraag hoe buitenaardse wezens zullen reageren als ze als eerste mens uitgerekend Kurt Waldheim gaan horen, die hun in een enigszins Oostenrijks Engels (‘Greedings!’) de hartelijke groeten van de aarde overbrengt, werd door Tim Burton in 1996 al beantwoord in zijn film Mars Attacks!: het zal ze vermoedelijk veel hoofdbrekens kosten.

    Ruim vijfenveertig jaar geleden, op 5 september 1977, werd de ruimtesonde Voyager I het heelal in geschoten. De nummer 1 in de Amerikaanse hitlijsten was die herfst de discoversie van Star Wars Theme. Dit stuk muziek stond helaas niet op de gouden plaat waarmee de Voyager op zijn verre reis werd gestuurd; wel bevatte die een boodschap van de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, evenals vijfenvijftig begroetingen in evenveel talen (met interessante variaties: in het Duits klinkt een eenvoudig ‘Hartelijke groeten aan iedereen’, maar in het Mandarijn een al bijna joviaal ‘We hopen dat het jullie allemaal goed gaat. We denken aan jullie allemaal. Kom alsjeblieft hierheen en bezoek ons, als jullie tijd hebben.’)

    Men achtte het anno 1977 dus niet volkomen uitgesloten dat de Voyager ooit eens op intelligente levende wezens met platenspelers zou stuiten. Een andere wereld werd voor mogelijk gehouden. Maar het gouden tijdperk van de ufologie was op dat moment allang voorbij.

    Het onderscheid tussen feit en fictie is moeilijk te maken; maar dat is juist de lol ervan

    Dit klassieke tijdperk was op 24 juni 1947 begonnen met een rondvlucht van hobbypiloot Kenneth Arnold boven Mount Rainier in de Amerikaanse staat Washington. Arnold zag toen negen ongeïdentificeerde vliegende objecten in de vorm van boemerangs, die zich voortbewogen als ‘schotels die over het water ketsen’. Dat werd journalistiek ingekort tot ‘vliegende schotels’ – een beeld dat zich in het collectieve geheugen grifte als een pick-upnaald in de groef van een plaat. Alleen al in de tweede helft van 1947 registreerden de autoriteiten in de VS nog 850 andere ufomeldingen, evenals een vermoedelijk ongeval van een buitenaards ruimteschip ten noorden van het stadje Roswell in New Mexico. 

    De US Air Force richtte daarop de ufowerkgroep ‘Project Blue Book’ op, misschien ook onder invloed van de Koude Oorlog en de bijbehorende, ietwat paranoïde veiligheidspolitiek – tot het gewoon te veel werd. Tegen het eind van de jaren zestig zorgden ufomeldingen en waarnemingen van aliens – als onderdeel van de populaire mediacultuur intussen alom aanwezig – steeds weer voor hysterische taferelen. Dus werd er iets tegen ondernomen: in 1969 stelde een commissie onder leiding van natuurkundige Edward Condon een laatste bericht op voor het ‘Blue Book’-project, waarin men tot de conclusie kwam dat verder onderzoek naar ufo’s niet in het belang was van de wetenschappelijke vooruitgang. Basta.

    Pseudowetenschap

    Het bericht van Condon werd het worstcasescenario van de ufologie en verwees de bloeiende pseudowetenschap linea recta naar het rijk der complottheorieën. Niet dat ze daar niet prachtig verder bloeide. Het menselijk verlangen naar aandacht is groot, en als die aandacht ook nog buitenaards is: des te opwindender. Daarbij kwamen in de loop der jaren een verhoogde sensibiliteit voor onverklaarbare fenomenen en een steeds betere waarnemingstechnologie (alleen de camera’s van mobieltjes laten het bijna altijd afweten als het erop aankomt). In de afgelopen weken was deze fundamentele bereidheid om onverklaarbare dingen als buitenaards te interpreteren weer eens heel duidelijk waarneembaar. Uiteindelijk achtten ook serieuze instanties het mogelijk dat weggewaaide weerballonnen en verroeste metalen boeien sporen van buitenaardse intelligentie bevatten. Zelfs in Oostenrijk werden in het voorjaar dertig ufowaarnemingen gemeld, onlangs bijvoorbeeld in de omgeving van Knittelfeld.

    Florian Freistetter, astronoom en ‘science buster’, maakt over dit onderwerp een nuchtere rekensom: ‘We weten helaas niet hoe groot de waarschijnlijkheid is voor het ontstaan van intelligent leven. Als dat bij een op de miljoen planeten het geval was, dan zou het in het heelal heel vaak voorkomen. Ligt de waarschijnlijkheid bij een op een triljard, dan zou het ook kunnen dat wij het enige geval zijn. Dat zouden we dan ook weer raar en saai vinden.’ 

    Omdat hij een prominent astronoom is, krijgt Freistetter steeds weer meldingen van ufowaarnemingen. ‘Er is aan de hemel inderdaad heel erg veel te zien: er zijn sterren, er zijn planeten, vallende sterren, satellieten, en je hebt het ruimtestation ISS. Het probleem is dat verreweg de meeste mensen niet weten wat er allemaal aan de hemel te zien is. Veel mensen komen dus in situaties waarin ze iets waarnemen wat ze niet kunnen plaatsen. In de late herfst, als het weer vroeg donker wordt, is Venus vaak in de avondschemering al heel goed te zien. En die planeet kan extreem helder zijn. Maar de meeste mensen weten dat niet en zien een heel helder licht. Dan krijg je een hoop meldingen.’ En teleurstellingen.

    ‘We weten helaas niet hoe groot de waarschijnlijkheid is voor het ontstaan van intelligent leven’

    Want niets is zo deprimerend als een geheim dat er helemaal geen blijkt te zijn. We willen zo graag geloven. In 1980 publiceerden de pseudowetenschappelijke auteurs Charles Berlitz (De Bermudadriehoek) en William L. Moore (Het Philadelphia-experiment) het boek The Roswell Incident, over die allang vergeten gebeurtenis in de woestijn van New Mexico. Vermeende ooggetuigen en insiders vertellen in het boek over de vondst van een buitenaards ruimtevaartuig met bemanning, en de daaropvolgende doofpot op last van hoogst geheime kringen. Roswell werd het codewoord, en het boek een brontekst voor de nieuwere ufologie, tot en met de mysterieserie The X-Files. In de slipstream daarvan werd het nachtprogramma van commerciële tv-zenders volgestopt met autopsieën van aliens en complotdocu’s. De waarheid is ergens daarbuiten.

    Zou het? Waarom gelooft men in aliens, waarom hoopt men op ufo’s? Wellicht speelt eenzaamheid een rol: die van de mensheid in het oneindige universum, maar ook die van de lichtjarenlang reizende buitenaardse wezens op weg naar ons. Dat denkbeeld maakt een oeroud gevoel wakker dat ons ontvankelijk maakt voor mythen. Uit ufologie ontstaat gemakkelijk religie. De centrale geloofsbelijdenis uit het boek van [de Zwitserse schrijver] Erich von Däniken was: buitenaardse wezens hebben de menselijke beschaving gesticht. Dat is zo ongeveer ook wat de Raëlianen geloven, de volgelingen van de Fransman Claude Vorilhon, alias Raël, die ervan uitgaan dat de buitenaardse ‘Elohim’ iets meer dan twintigduizend jaar geleden de mens geschapen hebben naar hun beeld.

    Uitstekende biotoop

    George Knapp op zijn beurt, een onderzoeksjournalist uit Las Vegas, ziet de zaak duidelijk pragmatischer: wij zijn misschien een soort landbouwproject van een buitenaardse intelligentie – onwetenden in de Hof des Heren. Het internet heeft zich bewezen als een uitstekende biotoop voor bloeiende theorieën van het griezelige soort. Het onderscheid tussen feit en fictie is daarbij in principe moeilijk te maken; maar dat is geen probleem, het is juist de lol ervan. ‘Toen je nog complottheoreticus moest zijn om erin te geloven, was alles mooi en goed,’ schreef de in ufo’s geïnteresseerde Oostenrijkse auteur Clemens J. Setz in een essay voor het Hamburgse weekblad Die Zeit. Hij zinspeelde daarmee op een opmerkelijke ontwikkeling: ufo’s worden de laatste tijd weer serieus genomen, bijna té serieus zelfs.

    UFO-meldingen

    Het zijn niet de minsten die ufo’s zien. Op een formulier van het International UFO Bureau in de Jimmy Carter Presidential Library beschrijft de oud-president hoe hij in het stadje Leary in Georgia een lichtbal zag ‘die gedurende 10 tot 12 minuten veranderde van grootte, helderheid en kleur’. Vorig jaar werden in Engeland 411 en in Schotland 52 meldingen van ufo’s gedaan volgens de Britse krant The Mail.
    Serieuze Amerikaanse kranten en bladen als The New Yorker en het beroemde actualiteitenprogramma 60 Minutes hebben uitgebreid aandacht geschonken aan het fenomeen. Het Amerikaanse leger heeft vorig jaar zelfs bevestigd dat soldaten onverklaarbare dingen zien.

    In december 2017 berichtte The New York Times dat het Pentagon al sinds jaren een ufo-onderzoeksteam heeft. Prominente senatoren zoals de Republikein Marco Rubio en de Democraat Harry Reid speculeerden daarop in het openbaar over de mogelijkheid van buitenaardse bezoeken, er werden vage opnames gepubliceerd van geheimzinnige vliegende objecten, gefilmd door gevechtsvliegtuigen van de VS. In een persbericht van het Pentagon uit juni 2021 werden 144 meldingen van ufowaarnemingen geanalyseerd en in verschillende categorieën ondergebracht: geheime vliegende objecten van eigen of buitenlandse makelij, weersverschijnselen, atmosferische troep en ‘overigen’ – zeg: aliens? 

    De ufologie beleeft op dit moment haar scientific turn, ze wordt ‘mainstream’ en bevrijd van het gefantaseer – en daarmee verliest ze helaas ook iets van haar romantische aura. Waar eerst vliegende schotels waren, dwarrelen nu spionageballonnen. De lucht boven ons hoofd is weer een beetje dunner geworden. Maar niettemin: hartelijke groeten aan iedereen!

    Schrijver Sebastian Hofer griezelde in zijn jeugd bij The X-Files en heeft, mogelijk daardoor
    aangestoken, ook echt een keer een ufo gezien. Die kon overigens snel worden geïdentificeerd:
    de plaatselijke disco had een nieuwe skybeamer aangeschaft.

  • Amerikaanse leger haalt meerdere onbekende vliegende objecten neer

    Amerikaanse leger haalt meerdere onbekende vliegende objecten neer

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Erdogan onder vuur wegens overheidsoptreden na aardbeving

    » Israël breidt aantal nederzettingen op Westelijke Jordaanoever uit

    Op sociale media gaan geruchten rond over aliens

    Het Amerikaanse leger heeft toegegeven de afgelopen dagen drie keer een onbekend object uit het luchtruim te hebben neergehaald, meldt CNN. Openheid over de precieze aard van de objecten wordt niet gegeven, al zegt het Witte Huis dat het niet om Chinese spionageballonnen gaat. Twee objecten werden neergehaald vlak bij Canada, één object werd neergeschoten boven Alaska.

    Vanwege het gebrek aan officiële informatie gaan op sociale media in toenemende mate verhalen rond over ufo’s en aliens. Volgens ongeverifieerde beelden op Twitter zou het laatste neergehaalde object een achthoekige vorm hebben gehad. Waarom de Amerikaanse strijdkrachten ervoor hebben gekozen de objecten neer te halen is onduidelijk.

    Op 4 februari haalde het Amerikaanse leger een Chinese spionageballon neer die boven de staat South Carolina vloog. De objecten die de afgelopen dagen werden neergehaald zouden echter een stuk kleiner zijn geweest. Veiligheidsexperts sluiten uit dat de objecten drones waren, omdat ze op zeer grote hoogte vlogen.

    Lees ook:

  • UFO’s zijn een product van de Koude Oorlog | Watertekorten in Algerije

    UFO’s zijn een product van de Koude Oorlog | Watertekorten in Algerije

    Watertekorten in Algerije

    Verschillende regio’s van Algerije, waaronder de hoofdstad Algiers, kampen al maanden met watertekorten. Door haperende toevoer en rantsoenering neemt de woede toe. De Algerijnse pers zoekt een schuldige.

    De inwoners van de hoofdstad zijn onderworpen aan een strikt distributieschema: sommige wijken krijgen elke dag water van 08.00 uur tot 14.00 uur, andere wijken hebben slechts om de dag toegang tot water gedurende zes of acht uur, aldus de site van TSA Algerie. Bewoners van sommige wijken staan ’s nachts op om water te tanken en op die manier reserves aan te leggen, schrijft de nieuwssite.

    Deze omstandigheden leiden tot woede, schrijft TSA Algeria. Zo blokkeerden inwoners van Bab Ezzouar de weg naar de internationale luchthaven van Algiers uit protest tegen het watertekort dat naar verluidt drie dagen duurde.

    De prijs voor watertanks van 500 liter steeg van 50 naar 80 euro

    De situatie heeft de afgelopen dagen de verkoop van plastic tonnen en watertanks in Algiers doen exploderen, merkt Algeria360 op. Handelaren profiteren door de prijzen te verhogen: de prijs voor tanks van 500 liter steeg van 8.000 naar 13.000 Algerijnse dinars, ofwel van 50 naar 80 euro.

    Cartoonist Hic, van de krant El-Watan, illustreert de crisis met een karikatuur van demonstrerende Algerijnse burgers die gewapend met emmers proberen de oproerpolitie uit te lokken om waterkanonnen te gebruiken. ‘Mik goed deze keer!’ roept een van de demonstranten naar de politie.

    Semi-aride regio

    In een artikel gepubliceerd door de staatskrant L’Expression, noemt de auteur de redenen voor de watercrisis op, nu het land ‘voor de poorten van de zomer’ staat. Hij benadrukt dat Algerije nu eenmaal ‘een semi-aride regio is’ die wordt gekenmerkt door schaarse regenval. Maar hij constateert ook dat de leidingen van het distributienet worden geteisterd door talrijke lekken.

    In een interview met Channel 3, een Franstalig Algerijns publiek radiostation, legt de minister van Watervoorraden, Mustapha Kamel Mihoubi, de schuld met name bij het Franse bedrijf Suez, dat verantwoordelijk is voor het waterbeheer in de hoofdstad. Suez zou ‘zijn verplichtingen niet nakomen’ op het gebied van netwerkonderhoud, aldus de minister.

    Maar TSA Algerie wijst op ‘tekortkomingen van het politieke management’. SEAAL, het bedrijf voor water en sanitaire voorzieningen van Algiers, zou naar verluidt ‘een plan hebben voorgelegd om de situatie aan te pakken, met maatregelen als het rantsoeneren van drinkwater en het verbieden van bepaalde activiteiten door watergebruikers. Maar het bedrijf kreeg geen reactie van de autoriteiten’, aldus TSA.

    Lees ook:


    UFO’s zijn een product van de Koude Oorlog

    Al 75 jaar lang bestuderen de Amerikaanse strijdkrachten rapporten over vreemde luchtverschijnselen, schrijft de Amerikaanse site Foreign Policy. Historisch gezien zijn UFO’s en UAP’s (niet-geïdentificeerde luchtverschijnselen) altijd een integraal onderdeel geweest van oorlogvoering in de lucht, en omdat ze een bron van zorg waren voor de nationale veiligheid van de Verenigde Staten, waren ze onderwerp van onderzoek en studie. Deze onderzoeken gaan nog steeds door en waarnemingen en getuigenissen blijven de Amerikaanse publieke opinie nog steeds bezighouden.

    De betrokkenheid van het Amerikaanse leger bij UFO’s gaat terug tot de zomer van 1947. Toen vond de waarneming die het allemaal in gang zette plaats door piloot Kenneth Arnold, de peetvader van UFO’s. Hij assisteerde bij het zoeken naar een vermist transportvliegtuig boven de Cascade Range in de staat Washington en meldde dat hij negen verschillende objecten boven de bergtoppen had zien cirkelen. Hij beschreef ze als zilver- of metaalachtig, snel en schijnbaar op intelligente wijze bestuurd. Toen hij landde, vertelde hij zijn collega’s erover. Daarna kwam de pers en dat leidde tot een golf van speculaties.

    De vliegende schotels van 1947

    Die gebeurtenis en de erop volgende aandacht, waren niet louter een toevalligheid van de geschiedenis, maar ze waren fundamenteel verbonden met de naoorlogse periode. De moderne UFO bracht elementen samen die kenmerkend waren voor de spanningen van 1947.

    Om te beginnen vertegenwoordigden het idee van vliegende schotels uit 1947 de tot het uiterste doorgevoerde technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen van de Tweede Wereldoorlog. De wereldoorlogen, de Tweede in het bijzonder, hadden geleid tot ongekende vooruitgang in de technologie en de wetenschap rond oorlogsvoering. Het opdoemen van vreemde, potentieel dodelijke objecten in de lucht resoneerde bij het publiek in de nasleep van de V2-aanvallen op Londen en de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.

    1947 markeerde het einde van de vriendschap tussen de oude bondgenoten Washington en Moskou

    1947 was ook een cruciaal jaar in de ontwikkeling van de Koude Oorlog, want het markeerde het einde van de vriendschap tussen de oude bondgenoten Washington en Moskou. Dat werd in maart 1947 verwoord in de Truman-doctrine, die het communisme afschilderde als een bedreiging voor The American way of life die op geopolitiek niveau bestreden moest worden. De Amerikanen zagen zichzelf plotseling tegenover een nieuwe tegenstander geplaatst.

    De bezorgdheid van het Amerikaanse militair-industriële complex over UFO’s is altijd een kwestie van nationale veiligheid geweest. Gezien het huidige tempo van de ontwikkelingen in luchtvaarttechnologie, is het geen wonder dat de Amerikaanse marine, de luchtmacht, het Pentagon en de Amerikaanse inlichtingendiensten ook in de eenentwintigste eeuw waarnemingen van vreemde luchtverschijnselen blijven bestuderen die door personeel worden gemeld. Zeker, het publieke enthousiasme voor UFO’s blijft bestaan, maar ook de strijdkrachten en inlichtingendiensten van de Verenigde Staten zijn nooit opgehouden om UFO’s en UAP’s te beschouwen als een kwestie van nationale veiligheid. In onze huidige wereld van luchtbewaking en oorlogvoering met drones, is het onwaarschijnlijk dat die houding op korte termijn zal veranderen.


    Kus of geen kus, en andere dilemma’s na de versoepelingen

    Nu de coronarestricties geleidelijk worden opgeheven, moeten we ons gaan afvragen: welk gedrag brengt risico’s met zich mee? Hoe uiten we genegenheid? Is het onbeleefd om een omhelzing te weigeren? Paul Taylor, een in Frankrijk gevestigde journalist en redacteur van Politico worstelt in een persoonlijke beschouwing met deze vragen.

    ‘Wanneer is het onbeleefd om een ander niet de wang toe te keren?’

    ‘Na een jaar van door de overheid opgelegde sociale etiquette’, schrijft Taylor, ‘heeft de plotselinge opheffing van veel coronabeperkingen ons in een zenuwslopende periode van onzekerheid gebracht. De overgebleven voorzichtigheid botst nu met de wens om vriendelijk te zijn, of op zijn minst om hoffelijkheid te tonen. Wat is veilig en hoe weten we dat? Welk gebaar van genegenheid komt bij anderen over als harteloze of gevaarlijke dwang? Wanneer is het onbeleefd om een ander niet de wang toe te keren?

    Ik gaf vorige week een vriend een boks tijdens de opening van een kunstgalerie. Hij verhoogde mijn bod door me een uitgestoken hand aan te bieden. Die hand niet schudden zou onhandig of onvriendelijk hebben geleken. Maar ik geef toe dat ik me ongemakkelijk voelde. Moet ik, nu ik twee keer gevaccineerd ben, nog steeds lichamelijk contact vermijden of naar desinfecterende gel grijpen?

    Zenuwslopend

    Wat deze beslissingen zenuwslopend maakt, is wat het navigeren door de pandemie vanaf het begin al zo moeilijk maakte: het gebrek aan zekerheid over de gevaren van infectie of de effectiviteit van tegenmaatregelen. De pandemie lijkt voorlopig af te nemen, maar het is ook mogelijk dat we in de herfst weer te maken krijgen met een vierde golf door een combinatie van roekeloos gedrag, weerzin om afstand te houden, onvoldoende vaccins voor mensen in ontwikkelingslanden en weerstand tegen vaccinatie hier.

    Misschien zijn we te veel gaan vertrouwen op, of gehoorzamen aan, het oordeel van gezondheidsexperts en ministers. Vandaar het gevoel van paniek wanneer we zelf beslissingen moeten nemen. Is het echt veilig om deze week zonder mondkapje naar buiten te gaan, terwijl het vorige week nog een bedreiging voor de volksgezondheid was die bestraft werd met een boete van 135 euro? Is het gevaar echt geweken, of ligt het nog op de loer in nachtclubs en bars, of tijdens het samendrommen voor openbare tv-schermen om de wedstrijden van het EK voetbal te zien?

    ‘Waarom is het veilig om met zes mensen rond een tafel te zitten, maar niet met acht?’

    Restaurantregels zijn al net zo verwarrend. Waarom is het veilig om met zes mensen rond een tafel te zitten, maar niet met acht? Waarom moet je een mondkapje dragen als je binnen naar een tafel wordt geleid, maar niet wanneer je buiten dicht langs tafels op een terras loopt?

    Mijn kapper, laten we haar Magali noemen, is gematigd sceptisch over vaccins. Ze draagt een mondkapje als ze mijn haar knipt, maar vertelde me dat ze weigert zich te laten vaccineren omdat ze niet genoeg weet over de bijwerkingen. Ik vroeg haar of wat bekend is over de symptomen van corona en het risico op overlijden niet opweegt tegen de onzekerheid over de risico’s van de nieuwe vaccins. Ze haalde haar schouders op en zei dat ze zeker wist dat ze het virus niet zou krijgen.

    Als genoeg mensen vaccinatie blijven weigeren, zoals Magali, zijn we allemaal minder veilig. Maar zij zal niet van gedachten veranderen. Zou haar houding de mijne beïnvloeden? Het had gekund, maar het is niet gebeurd.

    In sommige landen beginnen de richtlijnen willekeurig te lijken omdat ze meebewegen met het aantal besmettingen. Een Belgisch vriendin vertelde me bijvoorbeeld dat ze haar geloof verloor toen de limiet voor bijeenkomsten in de buitenlucht werd verhoogd naar tien personen maar daarna snel weer daalde tot vier.

    ‘Geen wonder dat jonge mensen zich gedragen alsof we terug zijn in 2019’

    Geen wonder dat jonge mensen, van wie de overgrote meerderheid niet is ingeënt, niet langer voorzichtig willen zijn en zich gedragen alsof we terug zijn in 2019. Het is alweer zo lang geleden in hun korte leven dat ze niet hebben kunnen feesten, kussen en dansen. Kun je het ze kwalijk nemen?

    Voor mijn generatie, de babyboomers, van in de zestig en ouder, draait de angst iets te missen vooral om niet te kunnen reizen. Het plotselinge stilvallen van onze tweede jeugd doet de drang nog sterker gevoelen om de dromen van ons leven waar te maken. Voor veel mensen komt dat neer op het afwerken van een lijst met bestemmingen, iets wat nu een stuk moeilijker is geworden.

    Natuurlijk is dat niet zo moeilijk als 24 uur per dag vastzitten als legbatterijkippen in een klein appartement, thuiswerkend te midden van kinderen en huisdieren. Maar voor de Europese middenklasse is de vrijheid om grenzen over te kunnen steken fundamenteel en bijna net zo gewoon als het nemen van de metro of de bus. Het recht verliezen om ergens heen te kunnen gaan, veroorzaakt frustraties die grenzen aan depressie.

    Geen zin

    Maar hoezeer ik er ook naar verlang om weer op reis te kunnen gaan, ik heb geen zin om me naar het vliegveld te haasten, urenlang in rijen te moeten staan die nu nog langer zijn door coronatesten en te worstelen met al het papierwerk dat benodigd is om aan boord van een vliegtuig te mogen, met boven dat alles de zware dreiging van een mogelijke quarantaine bij terugkomst.

    ‘Omhelzen of niet omhelzen, dat is de vraag’

    Kijk maar naar de relatie tussen mijn geboorteland, Groot-Brittannië, en Frankrijk, mijn geadopteerde thuis. Het Verenigd Koninkrijk, dat meer coronasterfgevallen per hoofd van de bevolking heeft gehad dan bijna overal elders in Europa, blijft Frankrijk behandelen als een door pest geteisterde gevarenzone. En de Fransen slaan terug nu Groot-Brittannië ondanks massale vaccinaties worstelt met de Delta-variant.

    Volledig gevaccineerde vrienden die deze maand van Frankrijk naar Londen moesten reizen, moesten bijna 1500 euro per stel betalen voor drie sets verplichte testen, en daarna moesten ze nog een week in quarantaine na aankomst in het Verenigd Koninkrijk. Dat maakt reizen tot een straf plus opsluiting, en niet tot een plezier.

    Of ik moet blijven of moet gaan, is op dit moment niet zo’n moeilijke keuze. Maar omhelzen of niet omhelzen, dat is de vraag.’