Tag: US

  • Jongens van porselein en meisjes van staal

    Jongens van porselein en meisjes van staal

    Voorstanders van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes hameren erop dat hun hersenen fundamenteel anders in elkaar zitten. Dergelijke overtuigingen versterken niet alleen verraderlijke genderstereotypen, maar ook raciale.

    Op een heldere herfstochtend in 2017 begaven de ervaren biologieleraar Mary Bozenmayer en haar collega’s zich naar de kantine van hun middelbare school in New Jersey voor een professionele ‘ontwikkelingssessie’, die de hele dag zou duren. De spreker betrad het podium, glimlachte opgewekt en legde uit dat hij er was om hen te vertellen hoe verschillend jongens en meisjes denken.

    Bozenmayer was sceptisch. Door haar biologieopleiding wist ze dat de meeste theorieën over seksegerelateerde hersenverschillen al lang geleden waren ontkracht. Toch probeerde ze open te staan voor het verhaal van de trainer, die werkzaam was voor een organisatie genaamd het Gurian Institute, en die de leraren vertelde dat meisjes het beste leren door rustig te zitten en aanwijzingen op te volgen, terwijl jongens competitie en fysieke activiteit nodig hebben om moeilijke concepten onder de knie te krijgen. ‘Mannen kunnen trivia (zoals sportstatistieken) beter opslaan dan vrouwen, en voor een langere periode’, stond op een van de kaarten die hij liet zien. Op een andere stond: ‘Jongens hebben meer tijd nodig om emoties te verwerken dan meisjes, waardoor ze over het algemeen emotioneel kwetsbaarder zijn.’ Moderne klaslokalen, zei de trainer, spelen in op de leerstijl van meisjes – met als gevolg, concludeerde hij, dat meisjes op school slagen terwijl jongens gevaarlijk achterop raken.

    ‘De opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’

    Dat ging Bozenmayer te ver. Ze stak haar hand op en vroeg:  ‘Als jongens het zo moeilijk hebben, waarom zien we dan nog steeds dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in het Congres, en in Fortune 500-bedrijven?’ De trainer reageerde door zijn punten te herhalen. ‘Ik voelde mijn bloeddruk stijgen,’ herinnert Bozenmayer zich. ‘Ik had zoiets van: dit is gewoon te scheef.’ Maar toen ze de ruimte rondkeek, zag ze veel van haar mannelijke en vrouwelijke collega’s instemmend knikken, ijverig de kaarten doornemen en aantekeningen maken.

    Het idee dat jongens en meisjes aangeboren kenmerken hebben waardoor ze anders leren, is het afgelopen decennium in een stroomversnelling geraakt. Het Gurian Institute zegt dat het 60.000 leraren heeft opgeleid in 2000 schooldistricten – voor een bedrag van maar liefst 10.000 dollar per sessie. Een andere prominente pleitbezorger van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs, psycholoog Leonard Sax, biedt een populaire tweedaagse workshop aan voor scholen over ‘de opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’. Op de Boy Brains & Engagement-conferentie scoren honderden leraren onderwijscredits door te luisteren naar uitleg over de leerstijlen van jongens en meisjes. ‘Wetenschappers hebben ongeveer 100 typische geslachtsverschillen in de hersenen ontdekt,’ aldus de brochure.

    Schermafbeelding 2020 11 24 om 16.24.17
    Jongens op een Amerikaanse school met seksegedifferentieerd onderwijs hebben een time-out, zodat ze even wat energie kwijt kunnen. © Getty

    De ideeën vonden ook aansluiting bij beleidsmakers. De in 2002 door president George W. Bush ondertekende No Child Left Behind-wet moedigt aparte klaslokalen voor jongens en meisjes aan. Hoewel de regering-Obama zich tegen dat idee heeft verzet, hebben wetgevers op staatsniveau de zaak opgepakt: de gouverneur van Florida, Rick Scott, heeft in 2014 een wet ondertekend die ‘genderspecifieke klaslokalen’ toestaat; Californië heeft in 2017 een soortgelijke wet aangenomen. Het aantal openbare seksespecifieke scholen is de afgelopen twee decennia explosief gestegen, van een handvol begin 2000 tot een paar honderd vandaag.

    Achter de beweging die scholen ‘gendervriendelijker’ wil maken, schuilt de angst dat ons onderwijssysteem vooral jongens achterstelt. Een reeks bestsellers over hoe jongens worstelen met leren liet duidelijk zien dat ze achterblijven op het gebied van cijfers, toetsscores en afstudeerpercentages. ‘Het bewijs dat jongens achterop raken stapelt zich op,’ schreef de New York Times-columnist David Brooks in 2012. ‘Dit is een uitgemaakte zaak.’ In een opinieartikel uit 2015 in The Washington Post, getiteld ‘Waarom scholen onze jongens in de steek laten’, schreef een ouder (een moeder): ‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon.’ Sommige schrijvers zien de zogenaamde jongenscrisis als een gevolg van het feminisme. In een National Review-artikel uit 2017 getiteld ‘De vervrouwelijking van alles gaat ten koste van onze jongens’, beschuldigt conservatief expert David French ‘de gefeminiseerde school, compleet met zijn zerotolerancebeleid, dodelijke angst voor alles wat ook maar enigszins martiaal is, en de niet-aflatende nadruk op medeleven en zorg in plaats van verkenning en avontuur (tenzij de avonturier een vrouw is).’

    De stereotypen van meisjes als van nature ijverige huiswerkmakers en jongens als verkeerd begrepen rebellen bieden een handig kader om de matige schoolprestaties van sommige jongens te verklaren. Maar er is één probleem: overweldigend bewijs toont aan dat onze culturele verwachtingen van gender een minstens even grote rol spelen als de zogenaamd kernachtige verschillen in de leerstijlen van jongens en meisjes. Hoewel sommige studies van een paar jaar geleden lieten zien dat meisjes het wat leren betreft beter doen dan jongens, suggereert recenter onderzoek dat deze bevindingen verre van universeel zijn: de genderkloof in schoolprestaties varieert enorm per afkomst, klasse en geografische locatie.

    ‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon’ 

    En zelfs als meisjes een voorsprong hebben op school, is de oorzaak misschien niet biologisch: toonaangevend hersenonderzoek trekt het idee van consistente en significante hersenverschillen tussen meisjes en jongens in twijfel, en onderwijsonderzoekers hebben ontdekt dat seksegedifferentieerd onderwijs geen studievooruitgang garandeert. Integendeel, onze vooroordelen over hoe meisjes en jongens leren en zich gedragen, beïnvloeden juist hun schoolervaringen en versterken genderstereotypen. En het meest verontrustende is dat neurologisch onderzoek erop wijst dat deze stereotypen de hersenen van de leerlingen misschien zelfs vórmen.

    Bescheiden overwinning

    Bozenmayer deelde haar zorgen over de koers van haar school met het schoolhoofd en zijn superieuren. Toen ze geen actie ondernamen, nam ze contact op met Galen Sherwin, een senior advocaat bij de American Civil Liberties Union (ACLU), die leiding geeft aan de ‘Teach Kids, Not Stereotypes’-campagne. De ACLU betoogt dat het scheiden van jongens en meisjes op school bijna altijd oneerlijk is – en in veel gevallen kan het illegaal zijn volgens Title IX, de federale wet die discriminatie op grond van geslacht in het onderwijs verbiedt. Tot dusver heeft de ACLU seksegescheiden onderwijs in vijftien staten betwist, wat heeft geleid tot de sluiting van 36 programma’s. Nadat de ACLU in 2018 contact had opgenomen met het kantoor van de procureur-generaal van New Jersey voor burgerrechten, stopte het district van Bozenmayer met de trainingen.

    Sherwin noemt het een bescheiden overwinning.

    Maar nieuwe openbare single-sex-scholen blijven opduiken, meestal in arme gemeenschappen van kleur, waar ze volgens haar niet alleen verraderlijke genderstereotypen versterken, maar ook raciale. Uit een Education Week-rapport uit 2017 bleek dat openbare single-sex-scholen bestaan ​​uit een onevenredig groot aantal leerlingen van kleur – ongeveer 90 procent, vergeleken met ongeveer 50 procent door het hele land. Meer dan driekwart van de leerlingen op single-sex-scholen komt daarbij uit arme gezinnen, tegen ongeveer de helft in het hele land.

    Voor leraren die worstelen met discipline, overvolle klaslokalen en ondergefinancierde scholen, kan het argument voor leerverschillen tussen jongens en meisjes overtuigend zijn. Zoals Rebecca Bigler, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Texas, Austin, die onderzoek doet naar de genderrolontwikkeling bij kinderen, opmerkt: ‘Het biedt een eenvoudige oplossing voor een in werkelijkheid complex probleem.’

    The Wonder of Boys

    Deze manier van leren is natuurlijk niet nieuw. Het werd ooit als ongepast beschouwd dat meisjes en jongens samen zouden leren. Toen ik in de jaren negentig naar een middelbare meisjesschool ging, was de heersende gedachte dat jongens de klasgesprekken domineerden en meisjes zich niet van hun slimme kant durfden te laten zien. Maar de overheersende onderwijsfilosofie voor jongens en meisjes die in deze eeuw is ontstaan, is minder gericht op het vergroten van de macht van meisjes dan op het redden van jongens.

    In 2006 publiceerde auteur en zelfbenoemd ‘sociaal filosoof’ Michael Gurian The Wonder of Boys, waarin hij betoogt dat de mannelijke hersenstructuur, samen met de ontbinding van traditionele maatschappelijke structuren, jongens vatbaar heeft gemaakt voor ‘bende-activiteiten, seksueel wangedrag en misdaad’. Critici prezen het boek als het mannelijke antwoord op Reviving Ophelia van Mary Pipher, de bestseller uit 1994 over worstelende tienermeisjes. Van The Wonder of Boys zijn meer dan 400.000 exemplaren verkocht en het is vertaald in 17 talen. Op zijn site beweert Gurian het Congres over zijn werk te hebben ‘ingelicht’. In 1996 richtte hij het Gurian Institute op, dat schooldistricten helpt om aparte klaslokalen voor mannen en vrouwen in te richten en sommige ertoe heeft overgehaald om seksegescheiden scholen op te richten.

    Gurian, die geen certificaten heeft in onderwijs, psychologie of neurowetenschappen, heeft zijn ‘op de natuur gebaseerde theorie’ over gender in meer dan twee dozijn boeken uitgewerkt. In The Minds of Boys: Saving Our Sons From Falling Behind in School and Life trekt Gurian van leer tegen een onderwijssysteem dat is afgestemd op volgzame, goed opgevoede meisjes, maar dat onstuimige, competitieve jongens achterstelt en buitensluit. ‘Ouders die hun zonen naar hun eerste dag op de kleuterschool brengen, zullen in toenemende mate merken dat ten minste een van hun jongens uiteindelijk een onderwijscrisis krijgt te doorstaan,’ schrijft hij.

    Om dit tegen te gaan, zegt Gurian, moeten we klaslokalen en onderwijsstrategieën speciaal voor jongens inrichten. Dit zou moeten beginnen op de kleuterschool, waar leraren in plaats van geweld te verbieden ‘agressiezorg’ moeten onderwijzen, zodat jongens elkaar kunnen slaan en schoppen in plaats van woorden te gebruiken. ‘Gezien de hormonale en neurale samenstelling van mannen,’ schrijft hij, ‘geldt voor jongens (en mannen) vaak dat agressieve gebaren net zo vormend zijn als woorden, en voor net zo veel binding zorgen als een knuffel.’ (Sax, de eerdergenoemde psycholoog, beaamt deze ideeën en raadt slaan aan als straf voor jongens, maar niet voor meisjes.) Gurian stelt een reeks strategieën voor waarvan hij beweert dat ze het leren van jongens op alle niveaus zullen verbeteren: leraren mogen jongens niet in de ogen kijken – het mannelijke brein raakt gefrustreerd door direct oogcontact. Het licht moet altijd fel blijven, want bij weinig licht kunnen jongens ‘zich gaan misdragen’. Om jongens tot lezen te verleiden stelt hij voor om ze handleidingen, businessboeken en strips aan te bieden in plaats van To Kill a Mockingbird of Romeo en Julia.

    Gurian stelt dat jongens zeer geschikt zijn voor het soort lessen dat ze een paar eeuwen geleden zouden hebben gekregen: jagen, boer worden of een vak leren bij een ervaren ambachtsman. Hij geeft de Industriële Revolutie de schuld van de ondergang van dat type onderwijs. Amerikaanse scholen, zegt hij, zijn ontwikkeld om leerlingen op te leiden voor fabriekswerk. Gurian, die ook romanschrijver is, verwerpt de moderne nadruk op lezen en verbale taken, waar meisjes, zo beweert hij, van nature beter in zijn. ‘Omdat jongenshersenen van nature niet geschikt zijn voor klaslokalen die de nadruk leggen op lezen, schrijven en complexe woordvorming, ontstaan in elke cultuur die sterk afhankelijk is van die vaardigheden problemen bij de jongens.’ Bovendien, zegt hij, zijn jongens van nature minder veerkrachtig dan meisjes – dus een slecht cijfer kan hun kwetsbare ego’s beschadigen. ‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal.’

    Geslachtsmozaïek

    Meer dan tien jaar geleden merkte Lise Eliot op dat ouders vaak verwezen naar zogenaamd aangeboren verschillen in hoe jongens en meisjes denken. Dat klonk aannemelijk, vond Eliot, een neurowetenschapper aan de Rosalind Franklin University in Chicago die de plasticiteit van de hersenen bestudeert – het vermogen van onze geest om zich te ontwikkelen en aan te passen. Dus besloot ze er een onderzoeksproject van te maken, waarbij ze een schat aan gegevens vergaarde uit brain imaging-onderzoek van kinderen en volwassenen.

    ‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal’

    Eliot verwachtte consistente verschillen te zien in de structuren van mannelijke en vrouwelijke hersenen, dus ze was perplex toen de beelden iets heel anders onthulden. Sommige kenmerken kwamen inderdaad vaker voor in de hersenen van één geslacht. Bij vrouwen is de buitenste laag van de hersenen, die bekendstaat als de hersenschors, bijvoorbeeld dikker; de hippocampus, een regio die geassocieerd wordt met het geheugen, is bij mannen verhoudingsgewijs vaak groter dan bij vrouwen. Toch ontdekte ze dat individuele hersenen een mix van eigenschappen bevatten die als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ worden beschouwd. In feite vond ze slechts één consistent verschil tussen mannelijke en vrouwelijke hersenen dat voor alle leeftijden gold: mannelijke hersenen zijn ongeveer 11 procent groter dan vrouwelijke hersenen. Maar dat leek niet echt veelzeggend, aangezien alle mannelijke organen iets groter zijn, wat in verhouding staat tot de grotere lichaamsomvang van mannen.

    Toen Eliot en haar collega’s naar beelden en studies van de hersenen van kinderen keken, zagen ze nog minder consistente verschillen tussen mannen en vrouwen. ‘Ik stond versteld,’ herinnert ze zich. ‘Mensen beweren dat als we ons anders gedragen, er ook iets anders moet zijn aan de hersenen. Maar dat is aan de grote hersengebieden of zenuwbanen zeker niet te zien.’ Daphna Joel, hoogleraar psychologie en neurowetenschappen aan de universiteit van Tel Aviv, beschrijft het algehele effect als een ‘geslachtsmozaïek’ – elk brein heeft een ‘specifieke configuratie’ van ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ kenmerken.

    Toen Eliot zich begon te verdiepen in psychologische onderzoeken viel haar iets soortgelijks op. Over het algemeen waren verschillen in gedrag op basis van geslacht bij zowel kinderen als volwassenen statistisch klein. Bij zeer jonge kinderen bestonden ze vrijwel niet, terwijl ze bij tieners en volwassenen iets aanweziger waren: meisjes hadden de neiging om iets op jongens voor te lopen in hun verbale taken, en jongens werden over het algemeen iets beter in ruimtelijke en wiskundige problemen. Tussen de vroege kinderjaren en het einde van de adolescentie ontdekten onderzoekers van de Emory-universiteit dat de voorsprong van jongens op meisjes bij ruimtelijke taken verdrievoudigde, van ‘klein’ tot ‘gemiddeld’. Er is een statistisch significante genderkloof te zien bij leestoetsen die aan Amerikaanse leerlingen worden gegeven, waarbij meisjes hoger scoren, vooral op de middelbare school. Maar zoals een rapport van de Brookings Institution opmerkt, is deze kloof kleiner geworden en kleiner dan de kloof tussen witte en zwarte leerlingen, tussen leerlingen in de stad en leerlingen uit voorsteden, en tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. En deze genderkloof verdwijnt op volwassen leeftijd.

    Eliot wist vanuit haar vakgebied dat het menselijk brein uitzonderlijk goed is in zich aanpassen en veranderen als reactie op prikkels van buitenaf. Dat bracht haar ertoe te onderzoeken of we onbedoeld de hersenen van onze kinderen vormgeven volgens genderstereotypen. Hiervoor zijn goede bewijzen te vinden. Wetenschappers hebben bijvoorbeeld ontdekt dat het gebied van Broca, een hersengebied dat verantwoordelijk is voor verbale verwerking, groter is bij meisjes en vrouwen. Toch is aangetoond dat ouders de taalvaardigheid van hun jonge kinderen kunnen verbeteren door met hen te praten – en dat moeders meer met babymeisjes praten dan met babyjongens, wat de ontwikkeling van deze regio zou kunnen stimuleren. ‘Hoe,’ vraagt Joel zich af in haar recente boek Gender Mosaic: Beyond the Myth of the Male and Female Brain (dat ze samen met Luba Vikhanski schreef), ‘kunnen we dan zien of de superieure verbale vaardigheden van de meisjes inderdaad het gevolg zijn van hun geslacht, of dat ze worden beïnvloed door de genderspecifieke zorg die ze krijgen?’ Ze haalt een onderzoek uit 2014 aan, waarin wetenschappers de hersenactiviteit bij ouders van zuigelingen analyseerden. Bij heteroseksuele koppels waren er consistenties langs geslachtslijnen – de vrouwenpatronen wezen de ene kant op, de mannenpatronen de andere kant. Maar bij homoseksuele paren, waar de opvoedingsrollen minder geslachtsgebonden zijn, vertoonden beide ouders typisch mannelijke én vrouwelijke patronen in de hersenactiviteit. Dit, schrijft Joel, roept een interessante vraag op: ‘Zijn dergelijke verschillen voorgeprogrammeerd in onze biologie, of worden ze gedicteerd door de rollen die vrouwen en mannen in onze samenleving krijgen toebedeeld?’

    De invloed van onze sociale omgeving op de vorming van ons lichaam, beperkt zich niet tot de hersenen. Terwijl Gurian en Sax beweren dat een overvloed aan testosteron ervoor zorgt dat jongens competitief zijn, kan het omgekeerde ook het geval zijn: studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes.

    Essentialistisch denken

    Als ik vrienden en kennissen vertel wat ik heb geleerd over het gebrek aan bewijs voor consistente op geslacht gebaseerde hersenverschillen, krijg ik vaak opmerkingen als: ‘Dat kan onmogelijk waar zijn! Ik heb mijn kinderen en hun vriendjes bestudeerd, en vanaf de peuterleeftijd leggen de meisjes de speelgoedtrucks als baby’s in bed en veranderen de jongens poppen in geweren.’ Dat is misschien zo, zegt Joel tegen mij, maar we weten niet hoeveel hiervan te wijten is aan de manier waarop stereotypen onze kinderen vormen. Als mensen hebben we een opmerkelijk vermogen om onze waarnemingen te filteren op informatie die onze overtuigingen versterkt. We zullen dus eerder de kleine meisjes opmerken die de vrachtwagens vertroetelen, dan degenen die het verschil kunnen zien tussen een shovel en een graafmachine. En zodra we gedrag opmerken dat overeenkomt met onze vooroordelen, hebben we de neiging dit te versterken. ‘Is die vrachtwagen jouw baby?’ vragen we het meisje bijvoorbeeld. ‘Wil je hem een ​​flesje geven?’

    Studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes

    Zulke stereotypen sluipen het klaslokaal binnen. Bigler, de psycholoog, heeft ontdekt dat het simpelweg gebruiken van de termen ‘jongens’ en ‘meisjes’ op school (en elders) de manier kan veranderen waarop kinderen over gender denken. Zelfs de schijnbaar onschadelijke begroeting ‘Goedemorgen, jongens en meisjes!’ bevordert wat psychologen essentialistisch denken noemen – het idee dat mensen in verschillende categorieën ‘op grote, ingrijpende manieren anders zijn’, zegt Bigler. Kinderen worden sterk beïnvloed door de houding van hun ouders en leraren – en, zegt Bigler, volwassenen verwerpen het ‘gendervooroordeel’ van kinderen gewoonlijk als schattig of onschadelijk. Bigler vroeg ooit een klas met basisschoolleerlingen om hun favoriete en minst favoriete klasgenoten te noemen. Veel van de jongens zeiden dat ze niet slechts vijf kinderen konden noemen die ze niet leuk vonden – ze vonden alle meisjes stom. Wanneer Bigler me dit verhaal vertelt, lach ik. ‘Ik vertel deze anekdote al dertig jaar en iedereen lacht,’ zegt Bigler. ‘Maar het is niet grappig. Het probleem is dat als kinderen zulke dingen zeggen, volwassenen er niet tegen ingaan.’

    Deze vicieuze cirkel van stereotypeversterking vindt Eliot kwalijk. ‘Als je wilt dat jongens en meisjes meer hetzelfde denken, moet je ze een vergelijkbaardere opleiding geven,’ vertelt ze. ‘Alles wat we weten over de hersenen ondersteunt dit.’ Het is één ding wanneer ouders de gendervooroordelen van hun kinderen beïnvloeden; het is iets anders wanneer die vooroordelen niet alleen weerspiegeld worden, maar bovendien worden gepromoot op onze openbare scholen.

    Toch is Gurian niet onder de indruk van de groeiende wetenschappelijke consensus omtrent het sekseneutrale brein – hij verzet zich zelfs vaak tegen de wetenschappers die dit hebben aangetoond. Toen Eliot Gurian op Twitter tagde om zijn bewering te bekritiseren dat vrouwelijke hersenen beter uitgerust zijn voor verbale taken, tweette Gurian terug: ‘Je bent net een klimaatontkenner: een wetenschapper die de wetenschap ontkent.’ (‘Laat me de gegevens zien,’ stuurde ze terug, Gurians misleidende argumentatie rechttrekkend. Hij reageerde niet.)

    Grabbelton

    Toen ik contact opnam met Gurian was zijn eerste opmerking: ‘Als je achter Lise Eliots ideeën staat, ben ik niet geïnteresseerd in een gesprek.’ Haar onderzoek staat volgens hem te ver af van het klaslokaal om van belang te zijn voor het onderwijs. Hij beweert dat zijn werk ter bevordering van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs en single-sex-scholen is gebaseerd op ‘meer dan 1000 onderzoeken naar mannelijke en vrouwelijke hersenen’. De bronnen die op zijn site worden vermeld, zijn op zijn zachtst gezegd een grabbelton: recentere, peer-reviewed studies worden afgewisseld met tientallen jaren oude artikelen met titels als ‘IJsconsumptie, de neiging tot overmatig eten en persoonlijkheid’ en ‘Vrouwelijke voorkeur voor aantrekkelijke make-up veroorzaakt veranderingen in hun testosteron’, en een boek uit 1999 genaamd Why Men Don’t Iron. (Toen ik contact met hem opnam om toelichting te vragen over zijn bronnen, wilde hij geen commentaar geven.)

    In tegenstelling tot wat Gurian beweert, wezen de experts met wie ik sprak op recent onderzoek waaruit blijkt dat de genderstereotypering van leraren zichzelf kan versterken. In een studie uit 2014 analyseerde Sarah Theule Lubienski, hoogleraar wiskunde aan de Indiana-universiteit, de manier waarop leraren van basisschoolleerlingen gedrag en leercompetentie beoordeelden. Ze ontdekte dat meisjes even goed in wiskunde konden zijn als ze door leraren werden gezien als hardwerkender en gretiger dan jongens. In een volgende studie toonde Lubienski aan dat de verwachting dat meisjes gehoorzaam zijn, hen ervan weerhoudt het gedurfde, creatieve, probleemoplossende denken te ontwikkelen dat vereist is voor wiskunde op een hoger niveau. Dat zou kunnen verklaren waarom meisjes over het algemeen gelijke tred houden met jongens bij gestandaardiseerde wiskundetoetsen, ook al zijn er onder de toppresteerders onevenredig veel jongens. ‘We leren meisjes om een goede leerling te zijn,’ zegt Lubienski. ‘In plaats daarvan zouden we hen moeten helpen strategieën te ontwikkelen om onbekende problemen op te lossen. Laten we leerlingen belonen als ze moedig zijn in hun denken.’

    Onderzoek toont aan dat single-sex-scholing de beweringen van Gurian niet waarmaakt. In 2010 onderzochten Bigler en een team van onderzoekers van de Universiteit van Texas een openbare middelbare school voor meisjes in het zuidwesten. Op papier was de school een lichtend voorbeeld van het succes van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes: de leerlingenpopulatie was divers en de toetsscores waren hoog. Maar toen de onderzoekers dieper in de gegevens doken, ontdekten ze dat de meisjes die werden toegelaten via een zogenaamd willekeurige loting al beter presteerden dan hun leeftijdsgenoten op andere gemengde scholen – terwijl meisjes aan wie de toelating werd geweigerd, lagere scores haalden. De leerlingen van de meisjesschool deden het niet beter op gestandaardiseerde toetsen dan hun leeftijdsgenoten op een gemengde school. In 2014 hebben onderzoekers in een meta-analyse, gepubliceerd door de American Psychological Association, 184 studies van 1,6 miljoen leerlingen over de hele wereld doorgekamd. Niet-gemengde scholen bleken ‘weinig of niets’ voor te hebben op gemengde scholen, waarbij werd opgemerkt dat die bevindingen de veronderstellingen over biologische verschillen tussen jongens en meisjes ondergraven.

    Om te zien hoe het er in het single-sex-onderwijs aan toegaat, reis ik naar een van de gebieden waar voor- en tegenstanders een harde strijd voeren. In 2014 diende de ACLU een klacht in bij het ministerie van Onderwijs tegen het schooldistrict Hillsborough County in Tampa, Florida, met het argument dat de betreffende scholen de rechten van leerlingen op grond van Title IX schonden. Het district, zo beweerde de klacht, had bijna 100.000 dollar uitgegeven aan trainingen door het Gurian Institute, Sax en anderen. (Een van die sessies heette Busy Boys, Little Ladies.) Daarop werden in achttien scholen klaslokalen voor jongens dan wel meisjes ingericht, waar leraren op gender gebaseerde instructiestrategieën implementeerden, zoals meisjes een vleugje parfum op hun polsen geven voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen. Dat programma werd uiteindelijk geschrapt. Maar in 2011 werden in het district opnieuw twee niet-gemengde middelbare scholen geopend: Ferrell Girls Preparatory Academy en Franklin Boys Preparatory Academy, die beide zijn benoemd tot Gurian Institute Model School.

    Vermoedelijk vanwege de ACLU-klacht heeft Tampa er alles aan gedaan te zorgen dat de single-sex-scholen niet in strijd waren met Title IX, dat over het algemeen verbiedt om kinderen volgens gender of geslacht te scheiden, terwijl het genderspecifieke scholen onder bepaalde omstandigheden toestaat. Zo is geen enkele leerling uit Tampa verplicht naar een jongens- of meisjesschool te gaan – het zijn programma’s waar gezinnen zelf voor moeten kiezen.

    Meisjes kregen een vleugje parfum op hun polsen voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen

    Franklin Boys Preparatory Academy bevindt zich in een buurt met lage inkomens aan de oostkant van Tampa. Leerlingen zijn gemiddeld armer dan op de meeste scholen in de buurt. Ongeveer 75 procent van de 530 leerlingen krijgt een gratis lunch of lunch met korting. Driekwart van de leerlingen is zwart of van Latijns-Amerikaanse afkomst, vergeleken met 57 procent in de rest van de wijk. Senior beheerder Kathy Wasserman leidt me rond in de school en wijst op de kenmerken die speciaal voor jongens zijn ontworpen. Bij de ingang staat een trofeekast met in het midden een grote beker. Die, vertelt ze, behoort toe aan de winnende afdeling van vorig jaar – de jongens zijn à la Harry Potter verdeeld over drie afdelingen, elk gestructureerd als een bedrijf, met hoofdmonitors die optreden als ‘directeur’. Door resultaten, sport en goed gedrag kunnen de afdelingen punten verzamelen, die elke twee weken worden opgeteld. Het afdelingssysteem, legt Wasserman uit, is een hoeksteen van de school. ‘Jongens gedijen bij concurrentie,’ vertelt ze me.

    De gangen worden in tweeën gedeeld door geel met zwart gestreepte lijnen. Wasserman vertelt dat de school tweebaansverkeer heeft ingesteld omdat ‘jongens gedijen bij structuur’. Dat is de sleutel van de aanpak van de school. ‘Alles wat we doen gaat volgens een bepaalde structuur en een bepaalde procedure.’ In een taalvaardigheidsles wijst Wasserman erop dat de bureaus in traditionele rijen zijn gerangschikt – omdat, zegt ze, jongens informatie het beste kunnen assimileren als ze recht vooruit kijken. Een assistent-leraar laat me een timer zien en vertelt dat deze elke 12 minuten afgaat, waarna de jongens naar de drinkfontein in de hal mogen gaan. ‘Jongens reageren heel goed op die timer,’ zegt Wasserman. ‘Schema’s, timers, al deze dingen liggen vast.’

    Als ik vraag wat ze denkt van het idee dat traditionele scholen het jongens moeilijk maken, zegt ze na even nadenken: ‘Meisjes zijn goed in zitten en stil zijn en doen wat ik zeg. Ik denk dat onderwijs vaak op dat principe is afgestemd. Maar wij zijn ingesteld op jongens, op beweging. We zijn luidruchtig. We hebben energie. We zorgen dat er tijdens de lunch genoeg tijd is om de jongens naar buiten te laten gaan.’

    Maar zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur. Tijdens de lunch in de kantine vertelt Wasserman: ‘Als je naar het toilet moet, gaat dat volgens protocol. Als je water wilt, gaat dat volgens protocol. Als je je vork bent vergeten, gaat dat volgens protocol. En het loopt op rolletjes.’

    Het Gurian Institute promoot seksuele voorlichting als onderdeel van de oplossing voor de specifieke uitdagingen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, zoals hoge schooluitval en de gang van-school-naar-de-gevangenis. De aanpak van het instituut wordt gepresenteerd door de lens van de veronderstelde jongenscrisis. ‘De meeste mannelijke problemen, inclusief de problemen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, houden verband met het onvermogen van onze samenleving om de aard van mannen te koesteren,’ schrijft Gurian. Een recente aflevering van zijn podcast heet: ‘We kunnen raciale en sociaaleconomische hiaten niet oplossen zonder de genderkloof te verhelpen.’

    Verontrustende raciale boventonen

    Hoewel deze inspanningen worden gedreven door oprechte bezorgdheid over de raciale kloof in prestaties, maakt Sherwin, de ACLU-advocaat, zich zorgen dat het op geslacht scheiden van leerlingen van kleur ‘berust op het stereotiepe idee dat deze kinderen zo weerbarstig en onbeheerst zijn dat jongens en meisjes zich niet samen in één klaslokaal kunnen bevinden’. Dit is bijzonder verontrustend in het licht van de recente geschiedenis van het openbaar onderwijs voor jongens en meisjes in de Verenigde Staten. Juliet A. Williams, hoogleraar genderstudies aan de University of California, Los Angeles, is nagegaan welke schooldistricten leerlingen in het verleden scheidden op basis van geslacht, in opdracht van witte ouders die in opstand kwamen tegen het idee dat hun witte meisjes samen met zwarte jongens werden onderwezen. Ideeën over op sekse gebaseerde verschillen, zegt ze, ‘kunnen een verontrustende racistische ondertoon hebben en het vooroordeel uitdragen dat zwarte en latinojongens chaotischer, onhandelbaarder en onbeheerster zouden zijn’.

    Zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur

    Seksegescheiden schoolprogramma’s worden steeds vaker aangeboden als alternatief voor lokale scholen en ingekaderd als een onderdeel van de schoolkeuzebeweging die door minister van Onderwijs Betsy DeVos wordt gepromoot. Bijgevolg heeft de organisatie van Sax, de National Association for Single Sex Public Education, haar naam veranderd in de National Association for Choice in Education. ‘De realiteit is dat ouders beperkte onderwijskeuzes hebben,’ zegt Bigler. ‘En misschien is een school voor één geslacht in sommige gemeenschappen de beste optie, omdat die meer middelen heeft.’ Het is veelzeggend, benadrukt Sherwin, dat de trend onder elitescholen naar gemengd onderwijs neigt. ‘Als single-sex zo goed zou werken, zou je zien dat het overal werd toegepast, niet alleen in arme minderheidsdistricten.’ Een meta-analyse uit 2014 van dit type onderwijs heeft geen bewijs gevonden dat het arme leerlingen van kleur vooruithelpt.

    Ondanks het gebrek aan bewijs, houden de voorstanders van single-sex-onderwijs voet bij stuk. De National Association for Choice in Education heeft in 2011 haar openbare lijst van seksegescheiden klaslokalen en scholen geschrapt om de ‘intimiderende aanpak van ACLU’ te belemmeren. In 2017, twee jaar nadat ACLU een klacht had ingediend tegen een overwegend door latinokinderen bezochte middelbare school in Los Angeles die leerlingen naar geslacht scheidde, hebben wetgevers in Californië een wet aangenomen die de oprichting van zulke scholen legaal maakt. In 2018 verloor ACLU een zaak over de middelbare seksegedifferentieerde scholen in Austin, het schooldistrict met het grootste aantal latinoleerlingen van Texas. Het is niet duidelijk wat de volgende stap in de juridische strijd zal zijn. Tot dusver heeft de Trump-regering geen beleid uitgevaardigd over openbare scholen voor één geslacht, maar de trend lijkt te zijn om schooldistricten maximale speelruimte te geven.

    55 procent van de scores van de Ferrell-meisjes in 2018 kwalificeerde zich als bekwaam, tegen 40 procent van de Franklin-jongens

    Ik sprak met een lerares Engels uit een groot, veelal arm en niet-wit schooldistrict in Texas, die zich had beklaagd dat ze van de onderwijsinspecteur een training moesten volgen op basis van het werk van Gurian en Sax, waarna haar middelbare school zich enkel nog op jongens richtte. Maandenlang verzette ze zich tegen wat zij zag als een schoolcultuur gebaseerd op valse stereotypen over mannelijkheid – die schadelijk was voor een kwetsbare populatie jongens. Ze maakte zich vooral zorgen over het feit dat een groep homoseksuele leerlingen werd gepest en dat een beginnende lerares seksueel werd lastiggevallen door leerlingen. Haar klachten bleven grotendeels onbeantwoord en aan het einde van het schooljaar werd ze zonder toelichting ontslagen.

    Zo’n 3 kilometer van de Franklin Boys Preparatory Academy hangt er in de Ferrell Girls Preparatory Academy, waarvan de leerlingen demografisch vergelijkbaar zijn met die van Franklin, een heel andere sfeer. Hier geen timers, stroken in de gang of bureaus in rijen. Het is er niet zozeer chaotisch maar wel een beetje vriendelijker. En dat is geen toeval. De tegenhanger van Wasserman, Lori Bartholomew, vertelt me dat haar leraren de nadruk leggen op samenwerking en inclusiviteit, en uitzoeken hoe het emotionele leven van meisjes hun leren beïnvloedt. Het is gebruikelijk, zegt ze, dat leraren met de les beginnen met de vraag wat er bij de meisjes speelt. Net als bij Franklin worden de leerlingen verdeeld over verschillende afdelingen, maar hier ligt de focus op samenwerking, niet op concurrentie.

    Bartholomew noemt veel generalisaties waarvan ik vermoed dat ze het bloed van Lise Eliot zouden doen koken. Ze wijst erop dat een leraar een ‘zachte toon’ gebruikt omdat ‘meisjes erg gevoelig zijn voor geluid’. De toegewezen zitplaatsen in de kantine worden om de twee weken vervangen omdat de vriendschapsgroepen van meisjes ‘als beton zijn, en je een sloophamer nodig hebt om ze uit elkaar te halen’. Ze vertelt me dat meisjes gevoeliger zijn voor emoties dan jongens. ‘Veel daarvan heeft te maken met moederen en verzorgen,’ zegt ze. ‘Ze zeggen zelfs dat vrouwen oxytocine aanmaken als ze een baby horen huilen, want dat is hun instinct.’

    Het resultaat van dit alles is pervers genoeg een educatieve omgeving die echt lijkt te werken. Ik zie hoe de leraar in een wiskundeles meisjes uitdaagt om samen te werken en creatief na te denken. Op een gegeven moment verdeelt ze de klas in verschillende groepen om erachter te komen hoe het concept van absolute waarde zich zou kunnen verhouden tot de echte wereld. Na een paar minuten de koppen bij elkaar te hebben gestoken, delen de meisjes hun ideeën. ‘Als je loopt, loop je nooit negatieve afstanden,’ zegt een meisje. De anderen knikken. Later in de les moedigt de leraar de meisjes aan om samen te werken aan een oefening in grafieken tekenen. ‘Communiceer met je buren. Kijk of ze dezelfde soort grafiek hebben als jij,’ zegt ze. ‘Zo niet, help ze dan.’

    Sociaal-emotioneel leren

    Het soort onderwijsstrategieën dat ik bij Ferrell heb gezien, legt de nadruk op wat bekendstaat als sociaal-emotioneel leren: kinderen helpen hun emoties te uiten en te beheersen, zelfrespect te ontwikkelen, relaties aan te gaan en empathie te ervaren. Onderzoek toont aan dat sociaal-emotioneel leren de schoolprestaties kan verbeteren. In 2011 analyseerde de nonprofitorganisatie Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning meer dan 200 schoolprogramma’s en ontdekte dat hoogwaardige sociaal-emotionele leerprogramma’s correleerden met een sprong van 11 percentiel in de lees- en rekenscores van leerlingen. Uit een vervolgonderzoek in 2017 bleek dat de voordelen van deze programma’s jarenlang aanhielden.

    Bij gestandaardiseerde toetsen presteerden Ferrell-meisjes in elk vak beter dan Franklin-jongens. Het verschil was het grootste in wiskunde: 55 procent van de Ferrell-meisjes in 2018 scoorde een ruime voldoende, tegen 40 procent van de Franklin-jongens. Deze kloof tussen mannen en vrouwen op single-sex-scholen in Tampa duidt op een grote ironie: naar geslacht gedifferentieerd onderwijs moest de ‘jongenscrisis’ in het onderwijs oplossen, maar de meeste experts die ik heb gesproken, zijn bang dat precies het tegenovergestelde gebeurt. ‘We leren jongens soms dat het niet oké is om hun emoties te uiten, en dat kan voor hun leerproces verstikkend zijn,’ zegt Justina Schlund, de coördinator veldonderzoek van de Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning. Ze is bezorgd dat stereotypen over emotioneel afstandelijke mannelijke hersenen docenten zouden kunnen ontmoedigen om belangrijke lessen te geven die jongens nodig hebben om te slagen: ‘Jongens moeten leren dat ze empathische wezens zijn, dat ze lid van een klas zijn, een gezin, een gemeenschap. Dit zijn cruciale lessen in het echte leven, maar ook in de klas.’

    Het bevorderen van kwetsbaarheid

    Een onderdeel van het sociaal-emotionele leerplan is het stimuleren van kwetsbaarheid – de bereidheid om mislukkingen te accepteren en om hulp te vragen. Edward Morris, een socioloog van de University of Kentucky, onderzoekt hoe de verwachtingen van mannelijkheid het leven van jongens bepalen. In zijn uitgebreide observatie van middelbareschoolklassen stelde hij een patroon vast van onwil bij jongens om leraren om hulp te vragen als ze iets niet begrijpen. ‘Jongens worden gesocialiseerd om geen zwakte te tonen,’ zegt hij. Die mentaliteit is van grote invloed: niet alleen de schoolprestaties van jongens kunnen erdoor worden belemmerd, ook hun loopbaan en relaties kunnen eronder lijden. ‘Deze beperkende visie op mannelijkheid levert mannen aan de oppervlakte macht op, maar is uiteindelijk vooral schadelijk voor hun eigen welzijn en de gezondheid van de samenleving in het algemeen.’

    Tijdens mijn rondleiding in de middelbare jongensschool stoppen we bij het mediacentrum. Een schildering van inspirerende leiders – allemaal mannen – siert de muur. Onder het toeziend oog van Martin Luther King Jr., Benjamin Franklin en Abraham Lincoln zitten twee jongens aan een tafel huiswerk te maken. Wasserman vraagt hen om op te staan ​​en de schoolbelijdenis te reciteren, die de leerlingen elke ochtend in koor opzeggen. De jongens schuifelen zonder te glimlachen overeind.

    ‘Ik zal een verantwoordelijke, respectvolle, eerlijke en integere man worden,’ zeggen ze. ‘Vertrouwen, doorzettingsvermogen, hoffelijkheid, beoordelingsvermogen en sportiviteit. Zo’n man zal ik worden.’

    Wasserman glimlacht en gebaart de jongens weer te gaan zitten. ‘Dank u, heren.’

  • De open brief die een einde moest maken aan de afrekencultuur

    De open brief die een einde moest maken aan de afrekencultuur

    De open brief in Harper’s Magazine die Thomas Chatterton Williams schreef om zich uit te spreken tegen de onverdraagzaamheid in de ‘vrije uitwisseling van informatie en ideeën’ veroorzaakte een lawine aan reacties. Critici zagen een sinistere poging de landelijke discussie over raciale rechtvaardigheid na Black Lives Matter te ondermijnen. Bewees Chatterton hiermee zijn eigen gelijk?

    Wat ging er om in het hoofd van Thomas Chatterton Williams toen hij besloot om een korte open brief te schrijven over de gevaren van het liberalisme en het vrije debat, en om enkele gelijkgestemde intellectuelen te vragen die te ondertekenen?

    Hij dacht aan de Poetry Foundation, van wie de leiders terugtraden nadat hun verklaring van vier zinnen ter ondersteuning van Black Lives Matter als te halfslachtig werd bestempeld door de meer dan achttienhonderd mensen die een petitie tekenden. En hij dacht aan de National Book Critics Circle, waarvan het bestuur struikelde over hun poging een dergelijke verklaring op te stellen.

    Hij dacht aan David Shor, een politiek analist die werd ontslagen na een tweet over een onderzoek waarin werd geopperd dat de verkiezingen van 1968 dankzij gewelddadige straatprotesten waren uitgevallen in het voordeel van de Republikeinen; hij dacht aan Colin Kaepernick, een quarterback die uit de NFL werd gezet na zijn antiracisme-protest bij conservatieve fans in het verkeerde keelgat was geschoten.

    ‘In het bredere politieke spectrum hoorde je overal de roep om meer controle en minder ruimte om je te uiten,’ zegt Williams, een cultuurcriticus die uitvoerig over ras heeft geschreven.

    Daarom stelde hij samen met vier anderen ‘A Letter on Justice and Open Debate’ op – waarin wordt gewaarschuwd dat ‘de vrije uitwisseling van informatie en ideeën’ wordt beknot door ‘een onverdraagzaamheid jegens tegengestelde meningen, een trend om mensen publiekelijk aan de schandpaal te nagelen’ en ‘een tendens om complexe politieke vraagstukken terug te brengen tot een rigide moreel standpunt.’ De brief, die op 7 juli werd gepubliceerd door Harper’s, is ondertekend door 153 bekende mensen uit de wereld van de wetenschap, media en cultuur. Er staan namen onder als Noam Chomsky, Gloria Steinem, Margaret Atwood, Salman Rushdie en Wynton Marsalis.

    De reacties kwamen snel en waren venijnig – en voor veel van de ondertekenaars zeer onverwacht.

    De brief werd allerminst enthousiast onthaald als een hoogstaand eerbetoon aan vrijheid van meningsuiting en de positieve effecten van het politieke debat, maar neergesabeld omdat hij een boodschap zou uitdragen waarvan de auteurs bezweren dat ze die nooit zo hebben bedoeld. Sommige mensen zagen er een sinistere poging om de landelijke discussie over raciale rechtvaardigheid te ondermijnen. Transgender-activisten zagen de brief als een verhulde aanval op hun gemeenschap. Links las hem als de aloude aanklacht tegen politieke correctheid. Een paar ondertekenaars wilden hun naam weer laten weghalen toen ze zich ineens in het kamp leken te bevinden van hun ideologische vijanden. 

    Maar de meest vernietigende kritiek kwam van cynici die de brief afdeden als een afspiegeling van het gekwetste ego van de beroemde ondertekenaars – die zich door social media ineens gedwongen zagen te reageren op kritiek van de gewone man, en die het gevoel hadden dat daarmee hun eigen vrijheid van meningsuiting onder druk kwam te staan.

    Hoe dan ook heeft de brief ruime aandacht gekregen, redeneert Williams. ‘Drie alinea’s zouden nooit wereldwijd zoveel weerklank vinden als de inhoud geen hout zou snijden,’ zegt hij.

    Sommigen zagen de reacties al van verre aankomen. Bari Weiss hoogst waarschijnlijk ook – al valt te betwijfelen of dat haar ervan zou hebben weerhouden te tekenen. De brief verscheen een week voordat deze opinieredacteur van de New York Times op dramatische wijze ontslag zou nemen, met een eigen ingezonden brief waarin ze scherp uithaalde naar de redactie, die volgens haar de oren zou laten hangen naar twitteraars die met alle geweld willen vasthouden aan een links-orthodoxe koers en naar collega’s van de Times die haar zouden hebben getreiterd omdat zij – in haar eigen woorden – voor het midden koos.

    Maar goed, Weiss is ook weer iemand die graag de confrontatie mag opzoeken. Haar specialiteit bij de Times was deels het aankaarten van de afrekencultuur. Ze maakte zich sterk voor het werk van het ‘intellectuele dark web,’ dat volgens haar door de mainstream media werd gemeden vanwege de heersende opvattingen. En toen online critici haar wezen op bepaalde denkfouten in haar stukken, deed ze dat af als een aanval van een linkse ‘bende’.

    De laatste tijd organiseerde ze met enige regelmaat etentjes in de Comedy Cellar in Manhattan, waar gelijkgestemde bekendheden hun ongenoegen konden delen. Een van die avonden werd voortgezet in het huis van schrijfster Katie Roiphe, in Brooklyn. Dit samenzijn werd schertsend de ‘Thought Crimes Party’ genoemd, verwijzend naar George Orwells 1984, en zowel de lijst van aanwezigen als de besproken onderwerpen waren off the record. Het feestje ging door tot twee uur ’s nachts, zegt Roiphe, en iedereen had het reuze naar zijn zin.

    Enkele anderen, die zich wel kunnen vinden in Williams’ boodschap, neigen veel minder naar Weiss’ strijdlustige aanpak.

    ‘Dit is geen al te beste timing,’ aldus Robert Reich, econoom en voormalig minister van werkgelegenheid, die zich achter de geest van de brief schaarde, maar toch weigerde te tekenen.

    De brief sluit aan bij enkele controverses die vragen oproepen over de grenzen van wat nog acceptabel is binnen de politieke strijd. Zo was er op 7 juni het opstappen van James Bennet, de redacteur van de opiniepagina van de New York Times, na grote onenigheid binnen de redactie omdat Bennet een ingezonden stuk had geplaatst van Tom Cotton (de Republikeinse senator van Arkansas), die zich een voorstander verklaarde van het sturen van troepen naar steden waar de demonstraties op rellen waren uitgelopen. Later erkende Bennet dat hij het stuk niet had gelezen voordat het werd geplaatst en zei hij dat het niet voldeed aan de criteria van de krant. 

    En op dezelfde dag dat Weiss ontslag nam, zorgde de semi-conservatieve schrijver Andrew Sullivan voor bijna net zoveel ophef met de mededeling dat hij opstapte bij New York Magazine omdat ‘mijn collega’s niet langer met me willen samenwerken.’ (De hoofdredacteur, David Haskell, formuleerde het iets neutraler: ‘Het publiceren van conservatief getinte stukken… is een delicate kwestie in 2020.’)

    De brief viel ook midden in de anti-racismedemonstraties die in steeds meer Amerikaanse steden om zich heen grepen – protesten die zich aanvankelijk richtten tegen op het politiegeweld, maar die de katalysator werden voor een bredere herijking binnen culture instellingen en mediabedrijven, waarbij een al veel langer sluimerende ontevredenheid over ongevoeligheden en salarisongelijkheid naar buiten kwam.

    Reich omschrijft dit als ‘een ontkiemende beweging van mensen van kleur die de rest van Amerika iets duidelijk maakt over systemisch racisme, en van vrouwen die zich moedig teweer stellen tegen systemisch misbruik.’ Hij vreesde dan ook dat de brief ‘het risico in zich droeg om, al was het nog zo indirect, die mensen af te schilderen als obstinaat of overgevoelig.’

    En inderdaad hebben veel lezers die boodschap meegekregen in de derde zin van de brief. Daar staat dat ‘deze hoognodige herijking’ (en die is echt hoognodig, haastten de auteurs eraan toe te voegen) heeft geleid tot ‘een versterking van een nieuw stelsel van normen en waarden… dat onze norm van een open debat waarin ruimte is voor verschillen dreigt te ondergraven, ten gunste van ideologische conformiteit.’

    De reden dat Jill Abramson niet heeft getekend? ‘Ik dacht dat de brief deel uitmaakte van een anti-wokeness-campagne, een tegenbeweging vermomd als vrijheid van meningsuiting,’ zegt de voormalig executive editor van de New York Times onomwonden.

    ‘IJdel, zelfgenoegzaam geneuzel,’ schreef Richard Krim, editorial editor van HuffPost, die ook weigerde te tekenen, ‘dat alleen de mensen die ze zeggen te willen bereiken, zou trollen.’ Een deel van het probleem schuilt in de vage formuleringen van de brief –mensen die volgens de ondertekenaars ten onrechte de mond werd gesnoerd of die aan de schandpaal waren genageld, werden niet bij naam genoemd: ‘Redacteuren worden ontslagen omdat ze omstreden stukken plaatsen; boeken worden van de markt geweerd omdat ze onwaarheden zouden bevatten; journalisten wordt belet over bepaalde onderwerpen te schrijven; er wordt een onderzoek ingesteld naar hoogleraren omdat ze tijdens colleges literaire werken hebben geciteerd; een onderzoeker is ontslagen omdat hij een peer reviewed wetenschappelijk onderzoek heeft laten rondgaan; mensen die aan het hoofd staan van een organisatie worden aan de kant gezet vanwege iets wat in sommige gevallen niet meer dan een onhandigheid is.’

    Over welke gevallen gaat het hier precies? Degenen die het opschreven, wisten dat. Of in ieder geval meenden ze het te weten. Verder moet iedereen zelf maar proberen duiding te vinden in de namen van de 153 mensen die de brief hebben ondertekend – van wie sommigen zich al diep in de meer omstreden wateren van het huidige politieke discours hadden gewaagd en al doende mensen tegen zich in het harnas hadden gejaagd. 

    Denk aan: J.K. Rowling, vooral bekend als de auteur van de Harry Potter-boeken, maar ook iemand die onlangs haar ongerustheid heeft uitgesproken over het groeiende aantal kinderen dat genderbevestigende zorg verlangt, en iemand die onlangs mopperde dat de zinsnede ‘mensen die menstrueren’ (als aanduiding van zowel vrouwen als transgender mannen) kwetsend was voor vrouwen – waarmee ze zich de woede op de hals haalde van enkele trans-activisten die er vervolgens, omdat Rowling ook had ondertekend, van uitgingen dat de hele brief een frontale aanval op hén was.

    Of neem Steven Pinker, een psycholoog aan Harvard die ook heeft ondertekend, en wiens provocerende uitspraken over de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen, en de gevolgen daarvoor voor de intelligentie, heftige reacties hebben opgeroepen. Een van die reacties bestond uit een petitie, getekend door 550 academici, om Pinker zijn leerstoel bij de Linguistic Society of America af te nemen, vanwege zijn tweets waarin hij beweert dat ras geen belangrijke rol speelt bij police shootings, en nog een handvol andere tweets die naar hun mening ‘een poging zijn de stem te smoren van mensen die hebben te lijden onder racistisch en seksueel geweld.’

    En dan is er natuurlijk nog Weiss zelf, die velen aan de linkerkant van het politieke spectrum tegen de haren in heeft gestreken met haar columns waarin ze zich uitspreekt vóór culturele toe-eigening en waarin ze de spot drijft met wat zij ziet als een links ‘kastestelsel’ – gebaseerd op de mate waarin bepaalde identiteitsgroepen zich erop kunnen beroepen onderdrukt te zijn.

    Naar later bleek hadden zelfs de auteurs van de brief verschillende drijfveren. Williams zal vermoedelijk de Poetry Foundation in gedachten hebben gehad, en George Packer zal Bennet in gedachten hebben gehad. ‘Dat hij onder druk was opgestapt en dat er vervolgens een huivering door de burelen van de New York Times trok, baarde ons zorgen,’ zei Packer. Hij refereerde ook aan het geval van Alexis Johnson, een van de weinige zwarte verslaggevers van de Post-Gazette in Pittsburgh, die van de redactie geen verslag meer mocht doen van de demonstraties tegen raciale ongelijkheid omdat hij een ironische tweet had geplaatst waaruit naar de mening van de hoofdredactie een vooroordeel sprak (ze had een foto geplaatst van een terrein dat vol troep was achtergelaten na een countrymusic-show, met een grappende verwijzing naar de recente hype over plunderingen). Packer, die voor de Atlantic schrijft, wil duidelijk maken dat het er haar om gaat op te komen voor ánderen die met onverdraagzaamheid worden geconfronteerd. ‘Er is niets persoonlijks aan deze brief of aan de ervaring van de vijf opstellers.’

    Packer zegt dat ze heel bewust  hebben geprobeerd handtekeningen te verzamelen van een eclectische groep intellectuelen – ‘een lijst die zo divers zou zijn, als je kijkt naar identiteit en politieke overtuiging, dat er niet één stempel op zou zijn te plakken, zodat niemand ons zou kunnen afdoen als een kliekje, of zou kunnen zeggen dat het altijd weer  dezelfde mensen zijn,’ zegt hij. ‘Ik wilde een lijst waarvan mensen zich zouden afvragen: “Wat bindt al deze mensen? Welke overtuiging hebben ze gemeen?”’

    Williams vroeg ook de conservatieve econoom Glenn Loury, hoogleraar aan Brown University, die zich gevlijd voelde maar bedankte voor de eer: Als conservatief had hij het gevoel dat het debat ‘heel erg beperkt was tot een bepaald clubje’ – te weten een clubje liberalen – ‘en ik maak niet echt deel uit van die club.’

    De opstellers, zegt Packer, wilden niet de indruk wekken zich kritisch op te stellen ten aanzien van de demonstraties tegen politiegeweld. Maar: ‘Je kunt erop wachten dat iemand je bedoelingen verkeerd interpreteert, want er zal altijd iemand zijn die je bedoelingen verkeerd opvat.’

    Drie dagen na de Harper’s-Brief ondertekende een groep van meer dan 150 journalisten, wetenschappers en schrijvers een reactie, waarin werd gesteld dat het Harper’s-Manifest voorbij ging aan de heersende machtsstructuren en aan het feit dat ‘gemarginaliseerde stemmen binnen de journalistiek, de academische wereld en de uitgeefwereld, al generaties lang de mond worden gesnoerd.’

    ‘Zwarte mensen, bruine mensen en LGBTQI+’ers – met name zwarten en transmensen – kunnen nu publiekelijk kritiek leveren op de elite en die ter verantwoording roepen,’ valt te lezen in de reactie. ‘Dat lijkt de grootste zorg van de briefschrijvers.’

    ‘Ik weet niet zo goed wat ik met die kritiek moet,’ zegt Williams, die bi-raciaal is. Hij heeft de lijst van ondertekenaars ‘ongekend divers’ genoemd, met namen als Reginald Betts, een Afro-Amerikaanse dichter en memoiresschrijver die acht jaar in de gevangenis heeft gezeten omdat hij op zijn zestiende een auto heeft gestolen; Orlando Patterson, een van oorsprong Jamaicaanse socioloog aan Harvard die erom bekend staat dat hij zich veel bezighoudt met rassenkwesties; en Kian Tajbakhsh, een Iraans-Amerikaanse hoogleraar urban studies aan Columbia, die jaren in Iran in de gevangenis heeft gezeten voordat hij terugkeerde naar de Verenigde Staten. ‘Het idee dat het zou gaan om een stelletje elitaire witten is uitgegroeid tot een retorische stellingname die geen recht doet aan wat we hebben neergezet,’ aldus Williams.

    Hoewel de Harper’s-brief de schuld niet expliciet bij de ‘afrekencultuur’ legt, is dat voor veel lezers wel de subtekst – een belangrijk aspect van het debat dat zorgt voor zoveel ophef binnen elitaire culturele instellingen.

    Voor sommigen staat de afrekencultuur voor een schrikbeeld van online bendes die erop aansturen dat mensen worden ontslagen om redenen die kunnen variëren van een oude tweet tot een onbenullige opmerkingen die niet strookt met een bepaalde progressieve opvatting die op dat moment in zwang is. Volgens anderen is dat helemaal niet aan de orde – zij zeggen dat die manier van formuleren alleen al een poging is om jongeren of minderheden of LGBTQ-groepen die gebruik maken van social media om de machtigen ter verantwoording te roepen, buiten spel te zetten.

    In bepaalde liberale kringen gaan alle haren overeind staan zodra het woord afrekencultuur valt, al helemaal nu conservatieven de bal meteen terugspelen. Toen nog tachtig medewerkers van de Post-Gazette uit Pittsburgh te horen kregen dat ze geen verslag mochten doen van de protesten omdat ze per tweet hun steun hadden betuigd aan Jones, kreeg het verhaal landelijke bekendheid en schoof de hoofdredacteur bij Fox News de schuld in de schoenen van de ‘Twitter mob’ – een klassiek eufemisme binnen de afrekencultuur – die hem zou hebben afgeschilderd als racist.

    Michelle Goldberg, een linkse columniste van de New York Times, wilde de brief pas ondertekenen toen een verwijzing naar de ‘afrekencultuur’ eruit was gehaald. Het specifieke probleem, zo schreef ze, zijn de gevallen waarin activisten niet alleen iemand op een verkeerde argumentatie wijzen, maar erop aansturen dat diegene wordt ontslagen. ‘Wat mij de meeste zorgen baart is de betrokkenheid van het humanresourcemanagement dat in een wurggreep wordt gehouden door snel veranderende normen over hoe mensen zich moeten uiten en hoe het debat moet worden gevoerd.’

    Jonathan Chait, een columnist bij New York Magazine, heeft niet getekend, maar dat is alleen omdat hij principieel weigert mee te doen aan open brieven. Hij is ook van mening dat links ‘in het debat over identiteitsvraagstukken tegenwoordig regels hanteert die het onmogelijk maken om welke beschuldiging van racisme of seksisme dan ook te weerleggen.’ Wie ergens van wordt beticht, zegt hij, ‘rest geen andere mogelijkheid dan zich binnen de discussie de verontschuldigende rol aan te meten.’

    Masha Gessen, die verschillende boeken over autocratie en totalitarisme op haar naam heeft staan, is niet gevraagd te tekenen – misschien omdat Gessen zich al in het openbaar had uitgesproken over de suggestie van de opstellers dat het fenomeen van social media die het debat de kop indrukken even kwalijk is als onderdrukking door de staat. ‘De totalitaire ideologie wordt gesteund door de macht van de staat,’ schreef Gessen in juni in de The New Yorker. ‘De demonstranten in de straten van de Amerikaanse steden, en de journalisten die achter hen staan, worden niet gesteund door de staat of door een institutionele macht. Integendeel: ze staan op elk vlak tegenover elkaar.’

    Yascha Mounk, die wel heeft getekend, onderschrijft het onderscheid dat Gessen maakt, maar hij waarschuwt dat links zich wel degelijk zorgen zou moeten maken over het onderdrukken van de vrijheid van meningsuiting, omdat hij heeft gezien hoe het van kwaad tot erger kan gaan. Mounk is expert op het gebied van populisme en illiberalisme aan de Johns Hopkins School for Advanced International Studies, en zijn grootouders hebben in Polen gevochten voor een communistisch regime dat zich uiteindelijk tegen hen keerde en hen tijdens antisemitische pogroms heeft gedeporteerd. Mounk weet als geen ander dat bewegingen die een nobel doel lijken na te streven, kunnen ontsporen. Hij ziet hoe de autoritaire tendensen onder Trump het debat aan de andere kant van het politieke spectrum vergiftigen.

    Enkele dagen voor het verschijnen van de Harper’s-brief lanceerde Mounk een online publicatie, Persuasion, gewijd aan het open debat. Meer dan 25 duizend mensen hebben zich aangemeld voor de mailinglist – veel meer dan hij had verwacht. Hij wil dat het een veilige haven wordt voor mensen die zich gemuilkorfd voelen door wat hij ziet als het inperken van de vrijheid van meningsuiting in mainstream publicaties.

    Schrijvers als… Bari Weiss of Andrew Sullivan, misschien?

    Die twee lijken inmiddels hun eigen veilige haven te hebben gevonden. Sullivan heeft laten weten dat hij terugkeert naar een onafhankelijk blogging platform. Weiss heeft, in een mail, laten weten dat ze goede hoop heeft een manier te vinden om te helpen ‘de ongekende honger te stillen naar eerlijke journalistiek en integere debatten.’ Nog geen specifieke bestemming, maar volgens vrienden zijn er investeerders die maar wat graag haar volgende project willen steunen.