Tag: utopie

  • Vijftien ideeën voor de wereld na corona

    Vijftien ideeën voor de wereld na corona

    Het coronavirus heeft onze wereld (tijdelijk) fundamenteel veranderd. Nu is er eindelijk hoop dat we de pandemie onder controle krijgen. En dan? Willen we gewoon doorgaan zoals voorheen, of de kans grijpen dingen te heroverwegen? GEO vroeg 15 deskundigen welke verbeterpunten zij zien.

    1. Kunnen we de crisis als kans aangrijpen?

    Geschiedenis – Historicus Mischa Meier ziet de coronapandemie als perspectief voor de herinrichting van ons samenleven.

    De coronacrisis vertoont alle kenmerken van situaties waarin samenlevingen fundamenteel veranderen als gevolg van een dreiging die als existentieel wordt ervaren. Noch financiële crises, noch vluchtelingengolven, noch terroristische aanslagen noch milieurampen vertonen deze kenmerken. Het zijn eerder oorlogen, revoluties en epidemieën die een dergelijke ingrijpende verandering teweegbrengen.

    Kenmerken van zulke situaties: ze raken iedereen zonder uitzondering en maken iedereen onrustig. De vaste routines van een samenleving staan gedurende een langere periode onder druk. Mensen verliezen hun vertrouwen in het handelen van hun medemens en het geloof in een zekere toekomst. Er ontstaat een dominante vorm van communicatie, de taal is moreel geladen.

    Een voorbeeld van dat laatste waren de de foto’s van de doodskisten en vrachtwagens uit Bergamo in het voorjaar. De communicatie werd emotioneel en moreel, soms zelfs religieus. Ook dat is een kenmerk dat in de hele geschiedenis terugkomt.

    De dreiging verliest zijn kracht naarmate de samenleving effectieve manieren vindt om deze te bestrijden. Op deze manier krijgen mensen een nieuw gevoel van veiligheid en onderdrukken of vergeten ze de dreiging geleidelijk, ook al is die er misschien nog steeds.

    De pest brak voor het eerst uit in 541 na Christus en veranderde alles. Maar langzamerhand raakte de ziekte in de vergetelheid

    Een voorbeeld uit de geschiedenis: de pest brak voor het eerst uit in 541 na Christus en veranderde alles. Maar langzamerhand raakte de ziekte in de vergetelheid, hoewel er door de eeuwen heen regelmatig plaatselijke uitbraken waren. Iets soortgelijks gaan we met het coronavirus meemaken: pas als we leren accepteren dat het virus bedreigend is maar niet weggaat, kunnen we ons leven echt reorganiseren.

    Zoals in iedere crisis zijn er winnaars en verliezers, zoals we nu ook al zien als we kijken naar de economische gevolgen. Om kansen op verandering te benutten moeten wij – ook wij historici – heel bewust en zorgvuldig nadenken over hoe we individueel reageren – en wat voor gevolgen dat heeft voor onze toekomst.

    Wanneer mensen zich bedreigd voelen, wordt één ding plotseling buitengewoon relevant: identiteit. Mensen gaan als individu en als collectief nadenken over bij wie ze horen, en ook: bij wie niet. Dat kan leiden tot conflicten. In wezen gaat het om de herstructurering van sociale machtsverhoudingen. Dat is tegelijkertijd ook onze kans, daaraan moeten we actief helpen vorm te geven.

    2. Onze steden zullen bloeien

    Stedelijke planning – Meer ruimte voor voetgangers: de pandemie versnelt verandering, zegt Christoph Koch, die o.a. onderzoek deed naar de toekomst van mobiliteit in Amsterdam.

    Hoe minder mensen dagelijks naar de binnenstad gaan om te werken of te winkelen, hoe minder kantoorruimte er nodig is en hoe goedkoper de huren op de lange termijn zullen zijn. Nieuwe toepassingen in de binnensteden zijn dus niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk. De coronapandemie laat zien dat omwentelingen die ondenkbaar leken, ineens haalbaar zijn. Meer woonruimte in het stadscentrum, meer ruimte voor cultuur in plaats van warenhuisketens. Nu hebben we ideeën nodig die deze verandering vormgeven.

    Onze steden zijn nog steeds verdeeld: werken en winkelen in het centrum, wonen in de periferie. Als dit verandert, verandert ook het verkeer. De routes worden korter, wat het gebruik van fietsen en elektrische scooters bevordert. Speelstraten, meer fietspaden en 30km/uur-zones, zoals Parijs vanaf 2021 over de hele linie wil invoeren, krijgen een steeds breder draagvlak. Daarnaast neemt de behoefte aan groene recreatiegebieden in de steden toe.

    Als we deze gelegenheid goed aangrijpen, zullen onze binnensteden over een paar jaar vriendelijker, bewoonbaarder en drukker zijn.

    3. Een nieuw thuisgevoel

    Toerisme – Reizen over lange afstanden worden steeds zeldzamer, wat de klimaatbescherming ten goede komt, zegt reisverslaggever Gunnar Herbst.

    Corona heeft het over-the-toptoerisme tot stilstand gebracht en ons laten zien hoe het ook kan. Minder vaak reizen, langer ter plaatse blijven, naar bestemmingen in de buurt gaan, met de bus en trein reizen en korte vluchten vermijden.

    Geen goedkope hotels huren die hun personeel uitbuiten, geen all-inclusive ketens, maar restaurants, winkels en musea bezoeken om de lokale bevolking te ondersteunen. Dat alles helpt om reizen duurzamer te maken. De pandemie heeft aangetoond dat het mogelijk is. Nu moeten we doorzetten.

    4. Een groter gevoel van vrijheid

    Werkomgeving – Velen die tijdens de coronacrisis konden blijven werken, zijn thuiswerken als het nieuwe normaal gaan beschouwen – en als een model voor de toekomst.

    Kantoormeubelfabrikant Sedus Stoll merkt al jaren verandering. Het bedrijf bestaat al bijna 150 jaar. In het verleden bestonden bestellingen voor 85 procent uit tafels, stoelen en kasten. Rond de millenniumwisseling was dat 70 procent, nu 50.

    In plaats daarvan zorgt het voormalige stoelenbedrijf nu ook voor banken, akoestische elementen, spraakcellen: ‘communicatieapparatuur’. Sedus bouwt bijvoorbeeld ook sensoren in kantoorapparatuur. De app kan worden gebruikt om werkplekken te reserveren en na te gaan wie welke gebruikt. Perfect in tijden van corona.

    Series als The Office presenteren het kantoor als een soort kooi voor medewerkers.

    Zo ontstaat langzaam het ‘flexkantoor’. Wellicht wordt het straks normaal om ongeacht de locatie een aanvraag in te dienen: één keer per maand een paar honderd kilometer reizen is beter dan vijftig kilometer pendelen per dag.

    De historische redenen voor het kantoor zijn verdwenen, zegt ook de Londense auteur Philip Ross. ‘Het kantoor heeft een nieuwe bestemming nodig om te overleven.’

    5. Herwaardering van de natuur

    Milieubescherming – Mensen ontdekken hoe dicht ze bij de natuur kunnen zijn. Dat vraagt ook om extra bescherming van onze leefomgeving.

    De behoefte om de stad uit te gaan is tijdens corona bij de meesten toegenomen. ‘Het besef dat je voorlopig niet ver kunt reizen, biedt ruimte voor reflectie’, zegt Christian Buer van Heilbronn University. Hij spreekt van een nieuwe ‘ervaring van je eigen rust en stilte’ en is ervan overtuigd dat degenen die zich ‘gast’ gaan voelen van de natuur daar bevrediging van ondervinden.

    We moeten natuurbezoekers aanspreken, informeren, sturen – maar niet als indringers behandelen

    Maar waar mensen massaal naar het platteland trekken, zijn conflicten onvermijdelijk. Wordt de druk op de natuur te groot? Holger Belz, die het Archezentrum runt, maakt zich geen zorgen. ‘De natuur is kwetsbaar, maar dat betekent niet dat mensen buitengesloten moeten worden’, zegt hij. ‘We moeten bezoekers aanspreken, informeren, sturen – maar niet als indringers behandelen. We willen dat ze de natuur beleven.’

    6. Onze gezondheidssystemen zullen leren van de pandemie

    Zorg – Prof.dr. Monika Klinkhammer-Schalke, voorzitter van het Duitse netwerk voor gezondheidsonderzoek, ziet vier belangrijke verbeterpunten voor de branche.

    Beschikbaarheid van gegevens. De pandemie roept op medisch vlak vele vragen op: zijn er minder patiënten naar de dokter gegaan? Werd kanker later ontdekt, verminderde dat de overlevingskansen van de getroffenen? Wat is het effect van het uitstellen van operaties?

    Er zijn al veel gegevens beschikbaar, bijvoorbeeld in onderzoek, in kankerregisters of bij zorgverzekeraars. Nu moeten we een manier vinden om de verschillende bronnen snel en in overeenstemming met de gegevensbeschermingsregels met elkaar te verbinden en te evalueren.

    Netwerken. Daarnaast is het van belang dat medische professionals, gespecialiseerde verenigingen en verenigingen beter netwerken – nationaal en internationaal. Een positief voorbeeld: voor een anesthesieonderzoek staken aan het begin van de pandemie dertig universitaire ziekenhuizen over de hele wereld de koppen bij elkaar om ideeën uit te wisselen over de methode om covid 19-patiënten te intuberen. Het verliep vlot omdat alle betrokkenen vooraf waren verbonden.

    Betere samenwerkingen. Er wordt wel geroepen om minder ziekenhuizen: grote topcentra in plaats van kleine, regionaal georiënteerde klinieken. Maar Klinkhammer-Schalke deed veel onderzoek naar de kwaliteit van leven van kankerpatiënten en zag hoe belangrijk het voor patiënten is om vrienden en familie aan hun zijde te hebben. Om de kwaliteit van de behandeling in kleinere ziekenhuizen te waarborgen, moet de samenwerking met de topcentra worden versterkt.

    Betere betaling. Er zijn veel te weinig verplegers. Om knelpunten in het aanbod te voorkomen en meer mensen voor zorgberoepen te laten kiezen, moeten de salarissen omhoog. Daaraan moeten zowel de overheid als zorgverzekeraars bijdragen.

    7. We hechten meer waarde aan kwaliteit

    Economie – Groeiend bewustzijn van duurzaamheid: corona zal ons winkelgedrag blijvend veranderen, voorspelt econoom Thomas Straubhaar.

    De verkoop op onlineplatforms en bij bezorgdiensten neemt enorm toe. We zien ook dat veel mensen hun huis opnieuw inrichten. Dat leidt tot een toename van bestellingen van met name duurzame consumptiegoederen; kopers zijn meer geïnteresseerd in kwaliteit.

    Huidige en toekomstige generaties zullen steeds minder accepteren dat bepaalde producten in verband worden gebracht met kinderarbeid

    Online kopen wordt momenteel niet geassocieerd met milieuvriendelijk gedrag, maar daar zal verbetering in komen. Online winkelen maakt het gemakkelijker om producten te vergelijken. Er zullen minder verkeerde aankopen worden gedaan en retouren worden verzonden en er zullen intelligente, collectieve leveringen plaatsvinden bij knooppunten in de wijk en in de buurt.

    Big data helpt bovendien om meer overeenstemming te bereiken tussen wat klanten echt willen en wat providers kunnen leveren. Ook wat kwantiteit betreft leiden data-analyses tot een grotere nauwkeurigheid van vraag en aanbod.

    Op middellange en lange termijn zal duurzaamheid minder worden afgedwongen door het consumentengedrag van individuen en steeds meer door de algemene stemming. Huidige en toekomstige generaties zullen steeds minder accepteren dat bepaalde producten in verband worden gebracht met kinderarbeid of slecht zijn voor het klimaat en het milieu.

    En deze trend wordt versneld door corona.

    8. Achteraf zullen we dankbaar zijn

    Filosofie – Corona biedt kans op een zinvoller leven, zegt filosoof Wilhelm Schmid.

    Corona bood een remedie tegen het rusteloze leven dat velen van ons leidden. Inzichten werken immers het beste als we geen theorie volgen, maar leren uit de praktijk.

    We kregen de kans om na te denken over wat ‘leven’ eigenlijk is. Nu kunnen we onze ideeën hierover aanpassen aan het echte leven.

    Velen dachten dat het alleen om het ‘goede leven’ ging, waarin alles altijd positief is en naar wens verloopt

    Velen dachten dat het alleen om het ‘goede leven’ ging, waarin alles altijd positief is en naar wens verloopt. We moesten gelukkig zijn, wat er ook gebeurde. Zonodig offerden we er relaties voor op. Geen ruimte voor anderen die ons van ons geluk af dreigen te houden! Geen begrip ook voor onze eigen imperfecties.

    Deze ideologie van autonomie weerhield ons ervan een zinvol leven te leiden. Wat niet altijd hetzelfde is als een gelukkig en goed leven. Want in het echte leven moet je accepteren dat de dingen niet altijd gaan zoals we graag willen.

    Autonomie is een goede zaak; het maakt mensen zelfverzekerd en zelfvoorzienend. Ideologie is dat niet; het is blind

    Autonomie is een goede zaak; het maakt mensen zelfverzekerd en zelfvoorzienend. Ideologie is dat niet; het is blind. De ideologie van autonomie deed ons geloven dat er geen grenzen zijn aan onszelf. Niets mocht ooit ons ego beïnvloeden – anderen niet, de omstandigheden niet, de samenleving niet, zeker de staat niet of een virus dat onzichtbaar is en daarom niet lijkt te bestaan.

    Maar door corona moesten we inbinden – de een meer dan de ander. Dat doet denken aan de beoefening van ascese; het horrorconcept van de autonome levensgenieter die gewend is om op elk moment te nemen wat hij maar wil.

    Toch is ascese ook bevorderlijk voor de volgende extase: hoe heerlijk smaakt de wijn dan, hoe fantastisch is de seks! Vandaar dat we dankbaar mogen zijn voor de periode die weldra achter ons ligt. We hebben een idee gekregen van wat de zin van het leven zou kunnen zijn.

    9. Wetenschap stijgt in aanzien

    Wetenschap – Ondanks alle gevolgen van de huidige situatie biedt de coronapandemie de wetenschap een enorme kans. GEO-hoofdredacteur Jens Schröder ziet nu al een toenemende waardering voor onderzoek.

    Zelden is er een situatie geweest waarin zoveel mensen het werk van wetenschappers zo nauwlettend hebben gevolgd.

    Vooraanstaande onderzoekers bereiken een miljoenenpubliek met podcasts waarin ze de voortgang van kennis becommentariëren. Talkshow kunnen nauwelijks nog zonder wetenschappelijk geschoolde gasten. Media worstelen zich een ​​weg door de nieuwste onderzoeksresultaten, waarbij ze op de vaak dunne lijn tussen noodzakelijke vereenvoudiging en ontoelaatbare versimpeling balanceren. Meningsverschillen worden zichtbaar, over de betekenis van onderzoeken en over hoe nieuwe bevindingen worden vertaald in regels die voor iedereen zouden moeten gelden, al loopt niet iedereen evenveel risico.

    Voor veel mensen is het de eerste keer dat ze een wetenschappelijk proces zo diepgaand meemaken. Ze zien het risico op fouten en doodlopende wegen, maar ook dat fouten worden ontdekt door een constructieve discussie tussen de experts.

    Corrigeer elkaar, maak ruzie, stel veel vragen, maak fouten

    Het is zeker niet gebruikelijk dat wetenschappelijke bevindingen zo serieus worden genomen. Neem bijvoorbeeld de risico’s van opwarming van de aarde door CO2-emissies. Waarschuwingen van de jongere generatie over klimaatbescherming zijn vaak niet serieus genomen. Maar wie heeft gezien hoe de curve van coronabesmettingen kan worden afgevlakt, kan zich dat wellicht ook beter voorstellen voor de curve van CO2-emissies.

    Een extreme situatie als de coronapandemie kan de weg bereiden voor nieuwe inzichten. Alle betrokkenen bewegen zich op niet eerder gebaande paden. Corrigeer elkaar, maak ruzie, stel veel vragen, maak fouten. Ruzie is in de wetenschap – als het goed is – geen twist. Het is als het ware een vorm van kwaliteitsborging. Ook dat is een les die we dit jaar konden leren.

    10. De pandemie verscherpt ons realiteitsbesef

    Cultuur – Nieuwe vormen, nieuwe ideeën: corona zet aan tot creativiteit. Toch ziet theaterregisseur Karin Beier weinig reden tot optimisme.

    Als de pandemie ons iets kan leren, is het een aangescherpt realiteitsbesef: nederigheid ten opzichte van de immense kwetsbaarheid van onze samenleving, kennis van onze eigen verantwoordelijkheid, het in twijfel trekken van alles wat normaal is.

    Dat geldt ook voor de microkosmos van het theater. We zitten midden in de crisisbeheersing, we moeten leven van ons werk, alle medewerkers veiligstellen en blijven improviseren. Dat maakt de nodige creativiteit los.

    We hebben oplossingen ontwikkeld voor problemen, die ook in de toekomst bepaalde mogelijkheden bieden: we veranderen minder vaak van repertoire, zodat de technologie niet constant opnieuw hoeft te worden opgebouwd. We zochten het publiek steeds vaker op via digitale kanalen.

    Maar digitale formats kunnen alleen overbruggen en aanvullen. Theater behoeft direct contact. Het is een van de weinige openbare ruimtes waarin maatschappelijk relevante vraagstukken – inclusief het destructieve en utopische potentieel van de pandemie – gethematiseerd worden en op artistieke wijze tastbaar gemaakt. Live en met toeschouwers.

    En is dit verlangen om zo snel mogelijk terug te keren naar pre-corona-omstandigheden niet even goed voelbaar in de politiek, in het bedrijfsleven, in de hele samenleving?

    11. Onze kijk op jongeren verandert

    Samenleving – ‘We maken deel uit van een radicale verandering, veroorzaakt door een natuurramp’, zegt socioloog en sociaal psycholoog Harald Welzer. In deze omwenteling legt het virus kwetsbaarheden bloot die al aanwezig waren. Maar de pandemie laat ook nieuwe ontwikkelingen zien.

    We hebben gezien dat onze democratie werkt en stabiel is, zelfs in tijden van crisis. De overgrote meerderheid van de burgers bleek open te staan ​​voor feitelijke argumenten. De bereidheid om samen te werken met de regering is een krachtig hulpmiddel voor democratie.

    En hierin is een speciale rol weggelegd voor de jeugd. Jongeren werden tijdens de pandemie ten onrechte als onverantwoordelijk weggezet. In plaats daarvan hebben ze een hoge mate van solidariteit getoond met de risicogroepen, ook al behoren ze daardoor tot degenen die het hardst door de pandemie worden getroffen.

    Vóór Corona veranderde de oudere generatie nauwelijks hun consumptie- en reisgedrag, maar van de jongeren werd automatisch verwacht dat ze de ouderen beschermden

    Vóór Corona veranderde de oudere generatie nauwelijks hun consumptie- en reisgedrag, al liggen alle feiten over klimaatverandering op tafel. Maar van de jongeren werd automatisch verwacht dat ze de ouderen beschermden – wat ze ook deden.

    Nu is het tijd om solidair terug te zijn, bijvoorbeeld door af ​​te zien van onnodig consumentisme, ten gunste van de mogelijkheid tot leven en overleven in de eenentwintigste eeuw.

    12 Corona helpt ons in de strijd tegen klimaatverandering

    Wereldwijde opwarming – Corona is een uitdaging die ons zou kunnen leren hoe we die nog grotere uitdaging – klimaatverandering – kunnen aangaan, zegt politicoloog Kira Vinke.

    Onze aanpak van de pandemie onthult op indrukwekkende wijze dat we in staat zijn om te handelen, als individuen en als collectief. Dat we profiteren van het implementeren van de aanbevelingen van de wetenschap. En dat individueel gedrag direct invloed heeft op het verloop van een mondiale dreiging.

    De dreiging van een virus is concreet, terwijl velen klimaatverandering niet als onmiddellijke dreiging zien. Toch kan op sommige plekken al worden waargenomen dat mensen sterven door toenemende hittegolven, overstromingen en stormen. Om dergelijke noodsituaties te voorkomen – zo leert de coronacrisis ons – kunnen we niet wachten tot het probleem bij ons op de stoep staat.

    Het goede nieuws is dat er nog zoveel ongerepte wildernis en zo veel bedreigde gebieden zijn die we effectief kunnen beschermen

    Het is essentieel om preventief te handelen.

    Het goede nieuws is dat er nog zoveel ongerepte wildernis en zo veel bedreigde gebieden zijn die we effectief kunnen beschermen. De financiële middelen en ook de technische oplossingen zijn beschikbaar. Maar de belangrijkste vereiste blijft een drastische vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

    Zowel corona- als de klimaatcrisis zijn vooral gebaat bij een principe dat elke functionerende samenleving bijeenhoudt: solidariteit.

    13. Eindelijk digitaal onderwijs op school

    Onderwijs – Afstandsonderwijs in lockdown: voor onderwijsonderzoeker Nele Hirsch was dit slechts een voorproefje van de school van de toekomst.

    Corona heeft geleid tot meer openheid voor digitalisering. Leraren die er nog nooit mee in aanraking waren geweest, kregen bijscholing. Dit biedt de mogelijkheid om modern onderwijs te bevorderen en te verankeren in scholen.

    Het gaat niet alleen om de overgang van analoog naar digitaal, maar van geïsoleerd tot verbonden: welke ervaringen hebben docenten, studenten en scholen gehad? Wat werkte wel en niet? Waar moet het heen? Hoe moeten de lessen er concreet uit komen te zien?

    Deze ontwikkeling maakt docenten allesbehalve overbodig

    Deze ontwikkeling maakt docenten allesbehalve overbodig. Ze moeten veel meer concepten ontwikkelen, ze moeten leeromgevingen ontwerpen. Leerlingen moeten individueel worden begeleid. Dat is tijdrovend. We hebben meer leraren nodig, meer tijd om bij te scholen, meer ruimte om kinderen individueel te ondersteunen. Up-to-date onderwijs kost geld.

    Als de politiek daar niet op reageert, is dat fataal.

    14. De verplichte onderbreking helpt om prioriteiten te stellen

    Ervaring – Stephan Adelmund verloor de facto zijn baan door corona – en ontdekte de luxe van plotseling tijd hebben.

    ‘Ik had een evenementenbureau, een muziekschool, een strandclub en een online winkel.

    Als zanger van de band Knallfrosch Elektro speelde ik 100 concerten per jaar. Ik racete zo snel dat ik niet meer wist hoe het was om niet onder druk te staan.

    Toen kwam de pandemie. Alles viel plat. Ik had bang kunnen zijn. In plaats daarvan voelde ik opluchting. Ik kon afwegen welke dingen goed voor me waren en welke ballast. Ik stelde mezelf de vraag: welke materiële luxe heb ik echt nodig, en waar is de grotere luxe van gewoon tijd?

    Muziek maken is goed voor mij, dat moest blijven. Maar ik heb mijn evenementenbureau ontbonden. Mijn grote huis voelde als een last. Ik heb het vakantiehuis van mijn ouders gerenoveerd en ben verhuisd naar 30 vierkante meter.

    Nu weet ik: het waren de kleine dingen die mijn leven onnodig moeilijk maakten. Misschien lijkt het makkelijk om ergens afstand van te doen. Voor mij was de hindernis dat ik patronen moest doorbreken waar ik al decennia lang aan gewend was. Ik was verrast dat mijn nieuwe leven in alle opzichten gezonder aanvoelde.’

    15. Europa komt sterker uit de crisis

    Politiek – De pandemie heeft veel mensen in hun levensonderhoud gestoord. Maar de economie is overeind gebleven en de EU heeft bewezen te kunnen handelen.

    Deze crisis is ingewikkelder dan eerdere economische crises. In dergelijke noodsituaties grijpt meestal de staat in, zodat de cyclus gaande blijft. Hij staat garant voor leningen, deelt geld uit zodat mensen blijven consumeren, zodat bedrijven nieuwe machines kunnen kopen et cetera. Maar nooit in de geschiedenis van de moderne industriële samenleving was de staat gedwongen om delen van de economie stil te leggen.

    Sinds het begin van de crisis is het doel geweest om de economie, dus de oude wereld, weer zo snel mogelijk op gang te krijgen en de schade te beperken. Het gaat niet om minder of duurzamer, maar om überhaupt verder te kunnen.

    The Economist omschreef de wereld tijdens de pandemie als ‘90 procent-economie’: een economie zonder luchtvaart en toerisme, zonder evenementen, cultuur en gastronomie. Tien procent minder klinkt niet eens zo erg, maar er zitten miljoenen banen in deze tien procent – in restaurants, bioscopen, theaters, muzikanten, fitnesstrainers, obers en koks.

    Hier wordt een blauwdruk gecreëerd voor toekomstige crises. Europa is machtiger geworden

    Veel landen hebben hun reddingspakketten zo ontworpen dat grote sommen geld naar nieuwe technologieën, digitalisering en klimaatbescherming stromen. Een derde van het pact van 1,8 miljard euro is bestemd voor klimaatbescherming. Hiervan maakt 750 miljard euro deel uit van het ‘corona-reddingspakket’: een historische prestatie die, ook al blijft het een omstreden beslissing, de EU op lange termijn zal veranderen. Hier wordt een blauwdruk gecreëerd voor toekomstige crises. Europa is machtiger geworden.

    Elders hebben zich drie belangrijke veranderingen voorgedaan, of ze doen zich momenteel voor: enerzijds komt het land waarin de pandemie begon naar voren als de winnaar – de economie in China is allang hersteld. Ten tweede: de krachtige technologieplatforms (Google, Facebook, Amazon) zijn nog krachtiger geworden.

    De derde grote verschuiving betreft de rol van de staat: in deze crisis treedt de staat niet alleen op als redder, maar als actor die steeds dieper doordringt in industrieën en bedrijven door middel van leningen en investeringen.

  • Rechtvaardig  loon, 
bestaat dat?

    Rechtvaardig loon, 
bestaat dat?

    Een nieuwe Duitse wet zou salarissen transparanter moeten maken. Maar dan nog blijft een volledig rechtvaardige beloning een utopie – of het nu voor een man of een vrouw is.

    Kennelijk is niets machtiger dan een idee dat zijn tijd gehad heeft. En misschien is het omgekeerde al even waar: dat niets kanslozer is dan een idee waarvoor de tijd nog niet rijp is. Terwijl Adi Drotleff het nog wel zo’n goed idee vond om de salarissen van al zijn medewerkers transparant te maken, toen al, in 1986. Twee jaar daarvoor had deze ingenieur informatica in Weißling bij München zijn grafische softwarebedrijf Mensch und Machine opgericht. Het bedrijf had destijds ongeveer twintig medewerkers en de baas vond het verstandig dat iedereen meebesliste over salarisverhogingen.

    Maar hoe moest dat in de praktijk? Niemand wist waarover geoordeeld moest worden. Dus noteerde Drotleff alle salarissen in een tabel die hij afdrukte voor zijn medewerkers. ‘Dat zorgde hier en daar natuurlijk voor irritatie,’ vertelt Drotleff nu met een lachje. Niet meer, maar ook niet minder. In elk geval stond de ongewone maatregel het succes van zijn onderneming niet in de weg. 
Integendeel: in 1987 opende Drotleff een filiaal in Hamburg, in 1990 volgden Stuttgart en Düsseldorf, in 1991 Berlijn. In 1993 behaalde het bedrijf voor het eerst een omzet van meer dan 50 
miljoen mark, het aantal medewerkers groeide de jaren daarop tot een kleine 800.

    Maar terwijl de zaken floreerden, werd transparantie van salarissen steeds moeilijker. Daarom maakte Drotleff in 2009 een eind aan het experiment – en is hij tegenwoordig een geharnast 
tegenstander van monetaire transparantie: ‘Vanaf een bepaalde omvang van een onderneming is het gewoon niet meer te doen.’

    Misschien moet hij maar eens gaan praten met Manuela Schwesig (SPD). De huidige minister-president van Mecklenburg-Vorpommern stond aan de wieg van een wet die dezer dagen voor extra bedrijvigheid op de kantoren en opgewonden gesprekken in 
de kantines zorgt. De zogeheten Entgelttransparenzgesetz 
(wet transparantie van beloningen) van de voormalige minister voor Familiezaken geeft werknemers het recht op inzage in de salarisstructuur bij hun bedrijven.

    “Op geld ligt in onze maatschappij een sterker taboe dan op seks”

    In theorie moet dit ertoe leiden dat mensen met vergelijkbaar werk niet ongelijk betaald worden; dat werknemers niet op grond van hun geslacht achtergesteld worden. Ook indien gecorrigeerd wordt voor verschillen in achtergrond, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek dat vrouwen bij gelijke kwalificatie voor vergelijkbare arbeid 6 procent minder verdienen dan mannen – aanleiding voor de wet is er dus zeker.

    Maar kijkend naar de praktijk roept de wet meer vragen op dan hij beantwoordt. Want in elke vergelijking glippen ook onvergelijkbare zaken mee – en de ene vraag naar rechtvaardigheid roept de volgende op: hoe beoordelen we inkomensverschillen tussen ouderen en jongeren, tussen mensen die al jarenlang hun werk doen en 
zij die net beginnen? En hoe een medewerker te behandelen die formeel hetzelfde werk doet als een ander, maar dat wel heel goed doet: enthousiast, nauwkeurig, creatief en goedgeluimd?

    Rechtvaardig loon

    Het ideaalbeeld dat er in Duitse bedrijven strikt volgens prestatie 
en productiviteit wordt betaald, klopt niet, zegt Holger Bonin, directeur onderzoek bij het Institut zur Zukunft der Arbeit in Bonn. Grof geschat gaat het misschien op voor 10 procent van de werknemers. Maar verder spelen formele kwalificaties, tradities en vaak ook onderhandelingsvaardigheden en sympathieën een grote rol.

    Kortom: de nieuwe wet is niet alleen ‘een uiterst, uiterst bescheiden poging om iets aan de loonkloof tussen mannen en vrouwen 
te veranderen’, maar ook een heel klein antwoord op het grote vraagstuk van een rechtvaardig loon volgens Marcel Fratzscher, president-directeur van het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung.

    Het Duitse verbond van vrouwelijke juristen achtte het effect 
van de wet zelfs zo gering, dat het adviseerde om de wet niet aan 
te nemen. Ook de Duitse regering is niet erg overtuigd. Om de 
verwachtingen te dempen liet ze het woord ‘loongelijkheid’ uit de titel van de wet schrappen. Toch werd over vrijwel geen enkel ander voornemen zo hard met de werkgeversverbanden gesteggeld, wat volgens Steffen Kampeter, secretaris van de Bundesvereinigung der Deutschen Arbeitgeberverbände (BDA) ook veroorzaakt wordt doordat veel ondernemers ‘alle besluiten over salarissen als hun hoogsteigen zaak beschouwen’.

    Na inwerkingtreding van de wet in juli 2017, hebben bedrijven zes maanden de tijd gekregen om zich erop in te stellen. Inmiddels moeten werkgevers met meer dan tweehonderd werknemers 
desgevraagd toelichten op basis van welke criteria zijn hun personeel betalen. Bovendien worden ondernemingen met meer dan vijfhonderd werknemers opgeroepen ‘hun beloningsstructuren regelmatig te checken op het in acht nemen van gelijkheid in 
beloning’ – en van de stand van zaken verslag te doen.

    Let wel, niemand krijgt het salaris te weten van een individuele collega, maar alleen het gemiddelde salaris van een vergelijkingsgroep van het andere geslacht binnen de onderneming. Maar daar begint het probleem al. Want wat is dat, een vergelijkbare baan? Hoe kan arbeid gemeten worden? En al helemaal in onze postfordistische tijd, waarin steeds minder sprake is van stukwerk door arbeiders en steeds meer werknemers kennis 
produceren, dat ook nog eens in teamverband doen, projectmatig en vaak virtueel?

    De zogeheten gender pay gap heeft veel oorzaken. Ten eerste werken vrouwen vaker dan mannen in sociale en dienstverlenende beroepen die slechter worden betaald. Ten tweede heeft 45 procent van de sociale verzekeringsplichtige vrouwen een deeltijdbaan. 
Ten derde zijn vrouwen op leidinggevende posities nog altijd sterk ondervertegenwoordigd.
    De ongelijke beloning van vrouwen zal daarom zeker niet veranderen door een wet die werkgevers nieuwe informatieverplichtingen oplegt. Toch ziet Schwesig haar wet als een ‘belangrijke bouwsteen’ om de 
loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten. Het zal volgens haar ‘op lange termijn bijdragen 
aan een cultuurverandering in de bedrijven en de samenleving’, omdat ‘het taboe om niet over geld 
te praten, wordt doorbroken’.

    Als ze zich daar maar niet vergist.

    ‘Op geld ligt in onze maatschappij een sterker taboe dan op seks,’ heeft sociologe Jutta Allmendinger 
ooit gezegd: we speculeren allemaal graag over het inkomen van een ander – maar ons eigen inkomen verklappen?

    Liever niet.

    Vooral niet wanneer het in eigen ogen aan de hoge kant is. Acteur Lars Eidinger liet onlangs weten 
dat hij het ‘ergens wel onrechtvaardig’ vond dat hij ‘best veel geld’ verdiende – maar over hoeveel dat 
dan wel was, liet hij geen woord los. Een op de drie mensen praat er hooguit met goede vrienden over, bleek een paar jaar geleden uit een enquête; een of 
de vijf verzwijgt het volledig. En ook onder collega’s betonen velen zich het liefst gesloten en beroepen 
ze zich op geheimhoudingsplichten.

    Dat geheimzinnige gedoe leidt tot allerlei geroddel – en vergroot de onzekerheid. Wat kan ik bij mijn salarisonderhandelingen vragen? Hoeveel verdient mijn collega? In hoeverre mag ik pokeren, met een ander aanbod achter de hand bijvoorbeeld?

    Vroeger was de situatie overzichtelijker. Wie enkele jaren hard en gedisciplineerd had gewerkt, werd daar doorgaans voor beloond, soms met meer verantwoordelijkheid en altijd met meer geld. Het resultaat: oudere collega’s verdienden meer.

    Nu is dat anders. Wie daar niet om vraagt, mag er niet op rekenen dat hij meer salaris krijgt. En wie meer presteert dan veel andere collega’s ook niet. Integendeel: vaak krijgt degene die slim onderhandelt meer. Arbeidsmarktonderzoeker Bonin denkt dat door het tekort aan vakmensen de salarisonevenwichtigheid binnen bedrijven zal groeien – zeker wanneer er meer beloningstransparantie komt. ‘Werkgevers die op zoek zijn naar ervaren vakmensen, moeten dan namelijk niet alleen de nieuwkomers bovengemiddeld betalen, maar ook de werknemers die al soortgelijke werkzaamheden in de onderneming verrichten.’ Daarom wordt vaak nu al afgezien van nieuwe dure aanstellingen.

    Daarbij komt dat de macht van de vakbonden 
afbrokkelt. In 1998 viel 76 procent van de werknemers in het westen van Duitsland onder een cao – 
in 2016 was dat nog maar 59 procent. En dat heeft ook gevolgen voor de salarissen: ‘Niets vergroot 
de loonongelijkheid in Duitsland zo sterk als de 
afnemende binding aan een cao’, constateerden de Bertelsmann Stiftung en het Münchense ifo-instituut in een gezamenlijke studie uit november 2015.

    Deze vlucht uit de cao heeft ook effect op gevoelens van ongelijkheid. ‘Werknemers die volgens een bedrijfs-cao of een regio-cao betaald worden, voelen zich gemiddeld genomen rechtvaardiger beloond dan werknemers van bedrijven die niet onder een cao vallen,’ vertelt Helena Schneider van het Institut der deutschen Wirtschaft in Keulen. Terwijl 63,2 
procent van de volgens een cao betaalde werknemers hun bruto-inkomen rechtvaardig vinden, wordt die opvatting slechts gedeeld door 56,3 procent van de werknemers die niet onder een cao vallen.


    Dat alles leidt tot een groeiend gevoel van onrechtvaardigheid. Slechts 35 procent van de Duitsers 
vindt het eigen salaris in vergelijking met dat van medewerkers met soortgelijke werkzaamheden bij andere ondernemingen rechtvaardig, bleek uit een in 2017 verschenen studie van bedrijfsadviesbureau Korn Ferry Hay; vijf jaar daarvoor werd die mening nog door 40 procent van de Duitsers gedeeld. ‘Veel werknemers zijn er diep van overtuigd dat prestatie in onze maatschappij beloond wordt – maar dat geldt duidelijk niet zonder meer voor de eigen werkplek,’ concludeert Marco Nink van marktonderzoeksbureau Gallup.

    Een ‘rechtvaardig loon’ – wat is dat eigenlijk? Tot ver in de middeleeuwen was dit een ethisch vraagstuk. Het centrale grondbeginsel suum cuique, ieder het zijne, wees in de goede door God geschapen orde ieder mens toe 
wat hem op diens plaats in de samenleving toekwam. Zo bestonden er bijvoorbeeld voor Thomas van Aquino (1225-1274) letterlijk ‘bij een stand behorende’, dus heel verschillende lonen.

    Anderzijds werd het vraagstuk van het rechtvaardige loon sinds de oudheid nauw verbonden met dat van de rechtvaardige prijs: het iustum pretium waarborgt in de ruileconomie ‘ieder het zijne’, beschermt dus tegen afzetterij en uitbuiting. Ook voor Maarten Luther 
(1483-1546) gold nog het aristotelische beginsel dat een loon gerechtvaardigd is indien een prestatie in overeenstemming is met een tegenprestatie.

    Pas met het verval van de middeleeuwse 
ordening maakte de economie zich los van 
de ethiek en werd het vraagstuk van het 
rechtvaardige loon steeds meer afgestemd op individuele belangen en voorkeuren. Voor 
Thomas Hobbes (1588-1679) bijvoorbeeld was de waarde van een mens ‘niet hoger dan zij door anderen geschat wordt’. Zo wordt de arbeider in de beginperiode van het kapitalisme niet meer dan een uitbuitbare productiefactor, onderworpen aan de wet van vraag en aanbod: het loon is ‘de prijs die nodig is om de arbeiders in staat te stellen zich in stand te houden’, meende David Ricardo (1772-1823).

    Marktvreemde componenten

    Een moderne wending maakt het verhaal van het rechtvaardige loon daarom pas met de emancipatie van de arbeider tot consument: de sociaaldemocratie werkt al honderdvijftig jaar niet alleen aan een oplossing voor het ‘sociale vraagstuk’, maar handelt ook in het belang van ondernemers die nieuwe afzetmarkten voor hun koopwaar moeten ontsluiten – en hogere lonen betalen om hun klantenkring uit te breiden. Sindsdien is het ‘rechtvaardige loon’ in Duitsland vooral een opwaartse beweging, om het in vaktermen te zeggen: de telkens weer nieuwe uitkomst van (loon)politieke en maatschappelijke onderhandelingsprocessen op basis van een groeiend aandelenkapitaal.

    Geen wonder dus dat economen het ‘rechtvaardige loon’ in de ‘categorie onzin’ plaatsen (Friedrich August von Hayek): het laat zich namelijk niet definiëren. En dat is niet alleen omdat de prijs van het loon noch alleen gebaseerd kan worden op de waarde van arbeid (arbeidswaardetheorie), noch alleen op wijzigingen in de vraag naar producten of diensten (grensnuttheorie), maar ook omdat de markt niet 
de flinken, ijverigen en begaafden beloont, maar degenen die succes hebben en goed in de markt 
liggen – en ook omdat marktvreemde componenten bij bepaling van het loonniveau een grote rol spelen.

    In zoverre kunnen we de wet transparantie van 
beloningen zien als een stap terug in de discussie om het ‘rechtvaardige loon’: het antwoord op die vraag wordt niet langer gezocht in sociale criteria (‘goed loon voor goede arbeid’), maar in ethische – met dit verschil dat vandaag de dag niet meer ‘ieder het zijne’ wordt beloofd, maar ‘ieder het gelijke’. Dat is ook merkwaardig omdat de sociaaldemocratie met de invoering van het minimumloon haar belangrijkste rechtvaardigheidsdoel van de afgelopen jaren heeft weten te realiseren – en omdat fractieleider Andrea Nahles niet ophoudt te benadrukken dat vooral vrouwen hiervan profiteren: zeventig procent van de werknemers in de laagste looncategorieën is vrouw.

    gettyimages 97615538

    Bij de besprekingen over een nieuwe grote coalitie is opnieuw gesproken over verdere maatregelen voor meer loongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Maar inmiddels zijn de betrokken partijen ervan doordrongen dat de belangrijkste maatregel in dit verband een betere betaling van werknemers in de gezondheidszorg en andere sociale beroepen is. En daarbij komt het, in elk geval volgens sommigen, minder aan op wetten dan op een andere denkwijze bij de cao-onderhandelaars.

    Dat verpleegsters of onderwijzeressen verhoudingsgewijs slecht worden betaald, dat secretaresses vaak minder geld krijgen dan veel vakarbeiders wordt tenslotte ook veroorzaakt door de wijze waarop prestaties gemeten worden. ‘Sociale competenties en psychische belasting worden nauwelijks gehonoreerd – maar dat kunnen we veranderen,’ zegt Julia Borggräfe, tot eind vorig jaar hoofd personeelszaken van de Berlijnse jaarbeurs.

    Voor haar vijfhonderd medewerkers ontwierp 
Borggräfe in overleg met de ondernemingsraad een nieuw beloningsmodel. Daarbij legde het bedrijf in een puntensysteem gedetailleerd de beoordeling vast van alle werkzaamheden, waarbij sterker rekening werd gehouden met de psychische belasting van bijvoorbeeld enkele medewerkers op de afdeling 
juridische zaken. Uitgangspunt, aldus Borggräfe, 
was enerzijds dat niemand er met het nieuwe beloningsmodel financieel op achteruit mocht gaan, terwijl anderzijds de opbrengsten van de komende jaren anders verdeeld zouden worden.

    Voor de vakbonden is het een heikele vraag of en in hoeverre zij in dit soort gedachtegangen mee willen gaan. Verschuiving van accenten kan immers ook leiden tot nieuwe onrechtvaardigheden en verliezers produceren – geen enkel criterium is boven elke 
twijfel verheven. Voor Borggräfe, inmiddels coach 
en adviseur, staat vast dat nieuwe salarismodellen 
en loontransparantie bij bedrijven alleen iets in beweging kunnen zetten indien de leiding bereid 
is er intensief over in discussie te gaan. Als er onrechtvaardigheden worden blootgelegd zonder 
dat er verder iets verandert, geeft dat alleen maar frustratie.

    Jaloezie en irritatie

    Anders gezegd: in theorie klinkt de idee van transparantie prachtig. Wanneer iedereen weet wat de anderen verdienen is het op de bedrijfsvloer gedaan met gekonkel en onrechtvaardigheid. Als alle vaste en variabele beloningen helder zijn, wint niet langer degene die het handigst weet te onderhandelen. En ook de economen zullen juichen: een salaris is niets meer dan informatie over de prijs – en markten functioneren het best wanneer de prijzen bekend zijn. Maar in de praktijk zorgt salaristransparantie vaak voor jaloezie en irritatie. Arbeids- en organisatiespychologen waarschuwen al jaren voor de gevolgen ervan. Diverse onderzoeken laten zien dat de frustratie bij de verliezers vaak groter is dan de 
blijdschap bij de winnaars. Wie constateert dat zijn eigen salaris bovengemiddeld is, vergroot daarmee nauwelijks zijn eigen psychische inkomen. Zijn tevredenheid neemt wel toe, maar niet heel veel. Maar bij degenen die beneden het gemiddelde betaald worden, gaapt, ondanks openheid en 
begrijpelijke criteria, een emotionele wond.

    De Amerikaanse economen George Akerlof en Janet Yellen ontwikkelden in de jaren negentig al de 
fair-wage-efforthypothese. Om het simpel te zeggen: de motivatie van werknemers is mede afhankelijk van het gevoel rechtvaardig te worden betaald. En het is nu eenmaal zo dat door maar heel weinig mensen heel goed verdiend wordt. De slechter betaalde meerderheid voelt zich daarentegen beroerd. En pas echt wanneer de prestaties en de daartegenover staande beloningen niet volledig objectief zijn of moeilijk te veranderen. Ook de 
Amerikaanse sociale wetenschapper Erzo Luttmer van Harvard-universiteit constateerde in een onderzoek uit 2005 dat mensen met eenzelfde salaris vaak ontevredener zijn wanneer hun buren rijker zijn.

    In Duitsland ziet een meerderheid dat ook zo. In elk geval bleek uit een onderzoek van Forsa in 2015 dat slechts 27 procent van de ondervraagden voorstander was van meer transparantie van salarissen in het algemeen. In het geval van soortgelijke werkzaamheden vond 33 procent het een goed idee, terwijl 38 procent per definitie tegen was. Het is met salarissen zoals met liefdesrelaties: soms is het beter wanneer je iets niet weet.

    Volgens deze logica moeten de Zweden wel een heel ongelukkig volkje zijn. Daar kan elke burger informatie inwinnen over het salaris van een andere Zweed – een telefoontje naar de belastingen volstaat. Alleen de inkomens van koning Carl Gustaf en koningin Silvia blijven geheim.

    Waarom functioneert het daar wel? Uit gewoonte, zeggen arbeidsmarktonderzoekers als Bonin, en hij voegt hieraan toe: ‘In beginsel kan transparantie beslist bijdragen aan grotere tevredenheid – zolang de werknemer zich fair behandeld voelt.’ In dat geval, ook dat blijkt uit vele studies, stijgt de motivatie namelijk aanzienlijk. Doorslaggevend voor de gevolgen van salaristransparantie is dus niet alleen de omvang waarin willekeur en onrechtvaardigheid 
aan de dag treden, maar vooral de moeite die een werkgever doet om te zorgen voor eerlijke verhoudingen. ‘De omgang met loontransparantie vereist heel veel fijngevoeligheid,’ bevestigt Dieter Frey, hoogleraar sociaalpsychologie aan de Ludwig 
Maximilian-universiteit van München.

    Belangrijk is dat werkgevers minimaal kunnen uitleggen waarom iemand minder verdient – en wat hij doen moet 
om meer salaris te krijgen

    Kleinere ondernemingen hebben het dan gemakkelijker. Zoals het Berlijnse bedrijf I + M, dat natuurcosmetica produceert en sinds tien jaar geleid wordt door Jörg von Kruse en Bernhard von Glasenapp. Toen de onderneming failliet dreigde te gaan, hebben beiden hem overgenomen. Productietechnieken, expeditie en design werden aangepast. Ruim een jaar werken de twee juristen en hun vijftien medewerkers nu op basis van het principe van holocratie, wat in de praktijk betekent dat de werknemers zelf beslissen over de organisatie van hun eigen werk – en binnenkort waarschijnlijk ook over hun salaris, ‘het koningsnummer van zelforganisatie’, aldus Kruse. Overigens zijn de verschillen daarbij niet 
bijzonder groot en identificeren de geëngageerde personeelsleden zich graag met de ecologische 
doelen van het bedrijf. Dit voorjaar wordt bij een workshop gesproken over de salarissen.

    In kleinere ondernemingen zoals start-ups of a
gentschappen achten experts transparantie zeker mogelijk. Maar in concerns is het een utopie. ‘Bij salarissen spelen vaak macht en afhankelijkheid mee,’ zegt psycholoog Dieter Frey. Heeft de werknemer alternatieve baanmogelijkheden en de werkgever dus weinig macht – of ligt het omgekeerd? 
En wat wanneer een concurrent een medewerker 
wil wegkopen en diens werkgever hem onmisbaar acht? Dan verhoogt hij zo mogelijk het salaris om hem voor het bedrijf te behouden. ‘Veel van zulke afspraken kunnen niet openbaar gemaakt worden,’ zegt Frey, ‘daarom leiden transparante salarissen gemiddeld genomen tot meer ontevredenheid.’ Rechtvaardigheid inzake loonvraagstukken is 
volgens hem daarom een onbereikbaar ideaal: 
‘men kan het alleen benaderen’. Belangrijk is dat werkgevers minimaal kunnen uitleggen waarom iemand minder verdient – en wat hij doen moet 
om meer salaris te krijgen.

    Dat is ook de ervaring van transparantiepionier 
Adi Drotleff. In zijn algemeenheid is hij nog altijd gecharmeerd van het idee. Maar zodra een bedrijf groeit wordt transparantie, zoals gezegd, moeilijk, ‘zeker wanneer sprake is van diverse standplaatsen en verschillen in kosten van levensonderhoud’. In Hamburg en München worden andere salarissen betaald dan in Weimar, datzelfde geldt ook in 
Zwitserland of Oostenrijk: ‘Daar zou een transparant salarissysteem alleen maar voor onvrede zorgen,’ zegt Drotleff.

    Salarisnivellering is ook geen oplossing: ‘Dan betalen we in structuurzwakke regio’s te veel en in booming gebieden te weinig.’ Wat in het ene geval niet 
voordelig is en in het andere geval goede medewerkers wegjaagt of interessante sollicitanten afschrikt.

    Het eenvoudigst kan salaristransparantie worden doorgevoerd in ondernemingen die toch al bedacht zijn op het voorkomen van grote verschillen – maar daar is openheid ook het minst noodzakelijk.

    Auteurs: Elisabeth Niejahr, Daniel Rettig, Dieter Schnaas, Christopher Schwarz, Claudia Tödtmann
    Vertaler: Marten de Vries

    Wirtschaftswoche
    Duitsland | oplage 190.000

  • Video: HyperNormalisation

    Video: HyperNormalisation

    Adam Curtis (61) is een BBC-journalist die al een aantal (lange) semidocumentaire(series) op zijn naam heeft staat. In zijn jongste, HyperNormalisation (2016), betoogt hij dat overheden, financiers en technologische utopisten sinds de jaren zeventig de complexe ‘echte’ wereld hebben ingeruild voor een simpele nepwereld, die wordt gerund door grote bedrijven en onder controle gehouden door politici.

    The Guardian schreef dat de film ‘een passend voorwoord zou kunnen zijn bij Donald Trumps “global horror show”’. En verder: ‘Curtis betoogt dat wij zijn verdwaald in een nagebootste wereld en de werkelijkheid achter de fake niet meer waarnemen.’

    En dat was ruim voor aan Trumps overwinning op 8 november 2016. HyperNormalisation bevat veel materiaal uit de BBC-archieven, en fragmenten van films als Dr. Strangelove, Stalker, Deep Impact, Independence Day, Godzilla, Armageddon en The Rock.


  • Waarom persen we niet alle continenten op elkaar?

    Waarom persen we niet alle continenten op elkaar?

    De Amerikaanse filosoof en conceptueel kunstenaar Jonathon Keats (1971) bedacht een radicaal plan om de klimaatonderhandelingen uit het slop te trekken. Een nieuw supercontinent, Pangea Optima, moet landen en partijen letterlijk dichter bij elkaar brengen.

    Keuze uit ons archief

    Deze week was er een belangrijke doorbraak in Glasgow: China en Amerika liggen eindelijk op één lijn over hun klimaatbeleid. Dat die samenwerking wereldwijd hard nodig is, hield filosoof Jonathan Keats al lange tijd bezig. Hij bedacht een naar eigen zeggen ‘naïef’ plan om eenheid in de hand te werken.

    De eerste keer dat ik hoorde van Jonathon Keats’ nieuwe project, omschreven als ‘een poging om de klimaatverandering een halt toe te roepen door een supercontinent te creëren’, kwam het me voor als tamelijk vergezocht – en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Toen Keats, de zelfbenoemde directeur van het Political Tectonis Lab, zijn idee toelichtte – een idee waar magnetrons en kernreactoren aan te pas komen, en een opeengeperste landmassa die luistert naar de naam Pangea Optima – wist ik het zeker: volslagen waanzin. Op het gebied van geo-engineering heb ik de meest onwaarschijnlijke ideeën gehoord – van een ‘bemestingsexperiment’ waarbij 100 ton ijzersulfaat in de Stille Oceaan wordt gedumpt (dat is daadwerkelijk gedaan) tot het idee om zonlicht weerkaatsende deeltjes de dampkring in te schieten (dat is nog niet gedaan). Maar dit slaat echt alles.

    Laatste strohalm

    En dat is nou precies waar het om gaat.

    Toen ik Keats, een experimenteel filosoof en conceptueel kunstenaar, vroeg wat het slechtst denkbare scenario zou zijn voor Pangea Optima, zei hij: ‘Het slechtst denkbare scenario zou zijn dat we ons daadwerkelijk genoodzaakt zouden zien ertoe over te gaan.’ Met andere woorden, het is een soort laatste-strohalmoplossing voor de klimaatverandering, die duidelijk maakt dat we de boel echt goed in het honderd hebben laten lopen – en dat keer op keer.

    Als ik met Keats over zijn project praat, kom ik tot de conclusie dat het is gebaseerd op prachtige ideeën over hoe de wereld in elkaar zou móéten zitten – en een nogal cynische kijk op hoe de wereld echt in elkaar zit.

    Alsof we niet met zijn allen op één planeet leven

    Pangea Optima is dus gebaseerd op het idee van Pangea Ultima, de landmassa die volgens de voorspellingen in de komende tweehonderdvijftig miljoen jaar gevormd zal worden als gevolg van natuurlijke tektonische processen. Hoe zou het ontstaan van Pangea Optima versneld kunnen worden?

    Door een combinatie van kerncentrales en magnetrons is het mogelijk om op bepaalde plekken op aarde de temperatuur te verhogen. Waar het op neerkomt is dat je ingrijpt in de platentektoniek door invloed uit te oefenen op de thermodynamiek die ten grondslag ligt aan de bewegingen van de tektonische platen. Tektonische platen bewegen zeer langzaam. Die snelheid kan wel degelijk beïnvloed worden door gebruik te maken van krachten (bij gebrek aan een betere formulering) die momenteel ín de aarde werkzaam zijn – en die te sturen. Ik denk dat we de tijd [van het tektonische proces] met dik vijftig miljoen jaar kunnen bekorten. Dan hebben we het nog altijd over tweehonderd miljoen jaar, maar het is niet niks om er zo’n vijftig miljoen af te halen.

    Maar als de klimaatverandering zich in het voorspelde tempo voltrekt, als alle landen doen alsof er niets aan de hand is en op de huidige voet doorgaan, zijn er over tweehonderd miljoen jaar helemaal geen mensen meer.

    Ja, en misschien zelfs al over tweehonderd jaar – of tweeduizend, of twintigduizend, het kan allemaal. Maar je hoeft niet als einddoel te hebben dat je je óp het supercontinent bevindt om het supercontinent te gebruiken als model om na te denken over je eigen positie ten opzichte van anderen. Op dit moment is er nauwelijks sprake van enig momentum waar het over klimaatactie gaat. Er liggen veel verschillende plannen, er zijn veel ideeën – en op sommige vlakken liggen die allemaal in elkaars verlengde, maar op andere vlakken botsen ze. Je zou het kunnen zien als een metafoor voor de continenten die allemaal hun eigen koers volgen en niet op een gestructureerde manier aankoersen op de vorming van een optimaal supercontinent. Het hele idee om de kant op te willen van een supercontinent, en van dat momentum, correspondeert in zekere zin met dat ontbrekende momentum. Alleen al het proces, de pogingen om iets van consensus te bereiken over de vraag wat dat supercontinent zou kunnen zijn, leidt tot een vorm van discussie over overeenkomsten en gedeelde belangen die volgens mij zeer inspirerend en productief kan zijn waar het gaat om de veel eenvoudiger manieren waarop we iets kunnen doen tegen de klimaatverandering.

    U beschrijft hoe, bij de vorming van Pangea Optima, de Verenigde Staten in geologisch opzicht – en in het ideale geval ook in politiek opzicht – op één lijn zullen komen met China en Rusland.

    Ja, het dichten van de Stille Zuidzee is in tektonische termen niet al te ingewikkeld. Hij is eerder dicht geweest. Ik heb geprobeerd over het supercontinent na te denken in termen van geopolitiek, in termen van tektoniek en ook in termen van milieu. Pangea was nou niet bepaald een prettige plek om te vertoeven voor wie niet het geluk had over een huis aan zee te beschikken, aangezien het grootste deel van dat supercontinent werd geteisterd door extreme droogte. Het denken over deze versie van Pangea draait dan ook deels om de vraag hoe je intern grote wateroppervlakken kunt verplaatsen teneinde die droogte tegen te gaan.

    Speelt de kwestie van socio-economische gelijkheid een rol bij het herpositioneren van de continenten, en zo ja, welke?
    O, zeker. Een van de factoren die een grote rol spelen bij het denken over welke vorm van klimaatactie ook is de positie van de zogeheten derdewereldlanden. Ze hebben nooit de beschikking gehad over kolen als brandstof, zoals de zogeheten eerstewereldlanden, en het is dan ook oneerlijk om die landen nu te straffen, of om van die landen even grote offers te vragen teneinde de klimaatverandering een halt toe te roepen. Dit is duidelijk een van de belangrijkste knelpunten binnen het klimaatdebat op dit moment – wat maar weer eens aantoont hoe ongelooflijk complex dit hele vraagstuk is in geopolitieke zin.

    Om te beginnen lijkt er sprake te zijn van een soort hemisferische kwestie die geregeld opspeelt, het noordelijke versus het zuidelijke halfrond. In geografische zin is er sprake van patronen van kolonisatie, die in de loop van de geschiedenis een gunstige dan wel een ongunstige uitwerking hebben gehad. Door continenten te verplaatsen op een manier die het vanzelfsprekende van dergelijke veronderstellingen ondermijnt, en die ook iets van het traditionele, longitudinale wij-zijdenken doorbreekt, lijkt het of we de problemen het hoofd zouden kunnen bieden die zich aandienen bij het continent Pangea Optima.

    Afrika en de oostkust van de Verenigde Staten zouden hetzelfde territorium kunnen delen

    We zouden – zelfs als we afzien van Pangea Optima – kunnen gaan nadenken over de mogelijkheid dat Afrika en de oostkust van de Verenigde Staten hetzelfde territorium zouden delen. Volgens mij zetten alleen al dergelijke verschuivingen op de kaart een verschuiving in gang in het denken, een verschuiving in de richting van erkenning van verschillen… Verschillen die we als vanzelfsprekend zijn gaan zien, maar die er in de toekomst niet per se meer hoeven te zijn, of die we niet langer als verschillen hoeven te zien.

    Maar Pangea Optima is míjn visioen – het is zeker niet zo dat iedereen dat visioen nu moet nastreven. Het kan domweg als uitgangspunt dienen. En wat van essentieel belang is, nog veel belangrijker dan de kaarten en de technologie, is het zogeheten supercontinentale-toekomst-bouwpakket. Dat pakket bevat onder meer een opblaaswereldbol en een Sharpie-stift en een doosje dat aan de Verenigde Naties kan worden gestuurd. Zo stellen we de mensen in staat hun eigen supercontinent te ontwerpen en te bedenken hoe ze de vorming van dat supercontinent voor zich zien. Door op die manier gebruik te maken van crowdsourcing, door te zoeken naar consensus, proberen we af te tasten hoe dat supercontinent er idealiter uit zou zien.

    pangea ultima

    Hoe bent u hier allemaal toe gekomen?

    We leven in een tijd waarin we geo-engineering steeds meer zien als een manier om de klimaatverandering een halt toe te roepen. Het uitgangspunt is dat de technologie verantwoordelijk is voor de problemen waarin we ons bevinden, en dat de technologie misschien ook wel krachtig genoeg zou kunnen zijn om die problemen weer het hoofd te bieden. Misschien klopt dat ook wel, al heb ik zo mijn twijfels. Ik denk wel dat het een discussie is die gevoerd moet worden.

    Het leek mij interessant om na te denken over de vraag of je geo-engineering op grote schaal zou kunnen inzetten, maar dan zonder technologisch oogmerk – eerder met de bedoeling bepaalde politieke doelen te bereiken. Dat wil zeggen: je niet in eerste instantie richten op het probleem dat ‘de aarde steeds verder opwarmt’, maar je richten op het onderliggende probleem, namelijk de manier waarop we met de aarde omgaan. Hoe de mens zijn eigen positie ziet in relatie tot de aarde. Het is alsof we de afstanden tussen ons als bepalend element beschouwen en niet het idee hebben dat we met zijn allen op één planeet leven. Het is bijna een conflictmodel, of in ieder geval een manier van denken waarin we onszelf afzetten tegen anderen, en dat lijkt niet echt bevorderlijk voor de vormen van grootschalige samenwerking die vereist zijn om de klimaatverandering het hoofd te bieden. De onderliggende gedachte van Pangea Optima is dan ook dat je het perspectief radicaal kunt verschuiven door – letterlijk – de plek te verschuiven waar je je bevindt – en waar je je bevindt ten opzichte van alle anderen.

    Het is, in wezen, een naïeve gedachte.

    Auteur: Eve Andrews
    Vertaler:

    Grist
    VS | grist.org

    Richt zich met serieuze achtergrondartikelen op 
de actualiteit rondom het milieu. Heeft ook een brutale en humoristische kant.