Tag: vader-zoonrelatie

  • Mijn zoon, de modeprins

    Mijn zoon, de modeprins

    De Amerikaanse auteur Michael Chabon ging met zijn zoon naar de Paris Fashion Week: ‘Wat het me heeft opgeleverd is een diep besef van wie mijn zoon is, wat hij met zijn leven wil, en hoe het is om een volwassen man in een gele shaggy Muppetbroek over een catwalk te zien lopen.’

    Een half uur te laat, maar nog net iets eerder dan zijn begeleider – hij is zijn stramme, oude begeleider altijd een stap voor – komt Abraham Chabon de ruimte binnen slenteren waar ontwerper Virgil Abloh in besloten kring een tipje van de sluier oplicht van zijn nieuwe Off-White voorjaars- en zomercollectie. De aanwezigen zijn journalisten, redacteuren en mode-inkopers. Abe is zelfverzekerd en hij heeft rode wangen. Zijn bewegingen zijn misschien een klein beetje krampachtig, maar onmiskenbaar sierlijk. Slenteren, er is geen ander woord voor.

    ‘Die jongen daar, dat is nou precies wat ik bedoel,’ zegt Abloh, die Abe glimlachend aankijkt vanuit het midden van de ruimte, een zolderverdieping van een voormalige fotostudio in Quartier Latin: stalen balken kriskras door de ruimte, brede grenen vloerplanken, alles smetteloos wit, op de schuine ramen met spijlen in het hoge dak na. Op de kapstoelen tegenover de atelierramen draaien alle inkopers en moderedacteuren zich om, benieuwd over wie Abloh het heeft. Ook de vier mannelijke modellen die artistiek slungelig voor de mensen op de klapstoelen staan, kijken om. Tegen de tijd dat zijn begeleider hem eindelijk heeft weten in te halen, lijken alle ogen gericht op Abe. Wie op tijd komt, maakt nooit een grootse entree.

    ‘Kom eens hier,’ zegt Abloh. Abloh is een grote man, stevig gebouwd. Hij heeft architectuur gestudeerd en is begin deze eeuw komen bovendrijven uit het bruisende intellectuele kringetje rond stadgenoot Kanye West – een derde hiphop, een derde hustle, een derde mclarenesque inside jokes. Abloh heeft naam gemaakt in de modewereld, vooral op het avant-gardeterrein van streetwear, zeefdruk, diagonale zebrastrepen en cryptische teksten op onbedrukte Champion-T-shirts, en vintage Rugby Ralph Lauren flanellen hemden die hij verkoopt voor een duizelingwekkend veelvoud van de oorspronkelijke prijs. In Abe’s ogen is Virgil Abloh ‘lit’ – het grootste compliment denkbaar. ‘Kom eens hier. Kijk hem nou.’

    Abe loopt naar hem toe, opgerolde mouwen, handen in zijn zakken, de onderkant van zijn grijsgroene overhemd losjes in de band van zijn grijze keperbroek. Aan de voorkant is het overhemd strakgetrokken, al is het net iets te groot, en aan de achterkant bolt het op boven zijn smalle zwarte ceintuur. Het hemd is Maison Margiela, strak gesneden, met een smalle kraag en gestoffeerde knopen die het iets gesoigneerds geven. Abe heeft het de vorige dag gekocht, in de uitverkoop, bij Ton Greyhound, een winkeltje in de Marais. Hij draagt een paar zilverkleurige Adidas-schoenen van Raf Simons, die hij op adidas.com heeft gekocht voor 250 dollar in plaats van 400 dollar, met daarboven een stel Off-White-sportsokken. Hij heeft de sokken opgetrokken tot aan zijn knieën, waar ze de opgerolde pijpen raken van zijn broek – vintage krantenjongen. Het geld voor de ‘Rafs’ heeft Abe verdiend met bladeren harken voor de buren, overal in huis laden en kasten opruimen en allerlei andere klusjes. Het geld voor het Margiela-overhemd heeft hij van zijn ouders gekregen, vanwege zijn bar mitswa, en de broek hoorde oorspronkelijk bij het Appaman-pak dat hij met zijn bar mitswa droeg.

    Abe is dertien jaar en drie maanden, en Virgil Abloh, of wie ook, hoeft hem niet te vertellen hoe hij eruitziet. Dat weet hij zelf als geen ander.

    ‘Hi,’ zegt Abe tegen Abloh, met zijn hese stem – die al van jongs af aan diep en schor is, en die nog altijd lager wordt, en tegenwoordig zelfs op willekeurige momenten breekt. ‘Ik ben Abe.’

    De auteur en zijn zoon Abe bij de Haider Ackermann-show in Parijs. – © Matthew Schneier / HH
    De auteur en zijn zoon Abe bij de Haider Ackermann-show in Parijs. – © Matthew Schneier / HH

    Een aantal van de aanwezigen kent Abe – gewoonlijk uitgesproken als Ah-bay, zoals de achternaam van de Japanse premier, door de Franse medewerkers die zijn naam op de gastenlijst hebben gezet van de veertien shows die hij gedurende de Paris Men’s Fashion Week heeft bijgewoond. Ze hebben hem ontmoet of ze hebben hem ergens gezien. Hij is vrijwel altijd veruit de jongste, en alleen al daarom zou hij er overal zijn uitgesprongen, zelfs wanneer hij zijn kleren niet met zo veel zorg en schijnbare nonchalance bij elkaar zou hebben gezocht. Maar het zijn met name de kleren en de manier waarop hij ze draagt die de aandacht trekken van de aanwezige journalisten. Enkelen vonden hem interessant genoeg om hem een paar vragen te stellen, on the record. De vragen komen meestal op hetzelfde neer: wat vindt hij van die of die collectie? Waar komt zijn belangstelling voor kleren vandaan? Wil hij zelf ooit ontwerper worden? Wat komt hij doen op de Fashion Week?

    Ik ben hier met mijn vader, het is een cadeau voor mijn bar mitswa, mijn vader is schrijver en hij schrijft een artikel over ons bezoek aan de Fashion Week voor GQ. Ik wil wel iets met mode doen maar ik weet nog niet wat, misschien iets met ontwerpen; ik maak schetsen, meestal streetwear, ik vind het leuk om patronen en stoffen te gebruiken die niet meteen voor de hand liggen, zoals, wat zal ik zeggen, een Japanse bewerkte stof voor een bomberjack, of een overall van Glen Urquhart-wol. Mijn belangstelling voor kleren is gewekt door mijn oudere broer, het is begonnen met sneakers en van daaruit werd het steeds groter, en inmiddels weet ik meer van mode dan hij. Ik vond de collectie boeiend of ik vond de collectie fantastisch of ik vond het een beetje saai, het sprong er niet echt uit, zeg maar, we hebben deze week al meer trench coats gezien of ik heb het idee dat de kwaliteit niet zo goed was of ik vond het waanzinnig of het was te gek of het was echt lit.

    Het valt Abe’s begeleider op dat hij in vrijwel elk gesprek met journalisten een manier vindt om het bladeren harken en het kasten opruimen ter sprake te brengen, zich maar al te zeer bewust van het sfeertje van rijkdom en extravaganza dat de modewereld aankleeft. Hij weet heel goed dat voor veel van zijn leeftijdgenoten – onder wie enkele van zijn beste vrienden – de prijs van een paar te gekke sneakers een veel groter en wezenlijker offer is dan voor hem en zijn ouders. Maar hij begint nooit direct over de morele kwestie, over het feit dat hij een overhemd draagt dat hem 225 dollar heeft gekost, in de uitverkoop. Hij komt niet met diepzinnige theorieën over economische waarde of over de betekenis van stijl, als een soort Roland Barthes in de dop, die met de ene na de andere kritische beschouwing of paradox komt.

    Vanaf het moment dat zijn persoonlijkheid zich uitkristalliseerde, onderscheidde hij zich voornamelijk van anderen – zijn broer en zussen, zijn klasgenoten, welke kinderen ook

    Abe is gewoon een jongen die van kleren houdt. Hij kan uren over kleren praten, vindt het heerlijk om ernaar te kijken, om ze te dragen, en op het gebied van mannenmode, en dan met name het hippe terrein van streetwear, hoef je hem niets meer te vertellen. Hij kan zo carrière opsommen van Raf Simons, die van Raf is overgestapt naar Jil Sander en vervolgens naar Dior en die inmiddels bij Calvin Klein zit. Hij kan moeiteloos de ontwerpers noemen van ontelbare kledingstukken – sneakers, overhemden, jasjes, broeken – en als hij het niet zeker weet doet hij een weloverwogen gok, die blijk geeft van een grote kennis van zaken, en die vaak juist blijkt. Hij lijkt een gedetailleerde getijdenkaart in zijn hoofd te hebben zitten van alle modetrends die zijn opgekomen en weer afgezwakt. Achteloos doet hij iets op de catwalk af als ‘niet onaardig – voor 2014’ of hij merkt op: ‘Dat heeft vorig jaar eigenlijk al zijn beste tijd gehad.’ Zijn smaak, die wordt weerspiegeld in de kleren die hij draagt, is feilloos, interessant en in zekere zin onverschrokken.

    De liefde voor kleding moet wel heel diep zitten, en je moet ook behoorlijk wat geluk hebben, wil je na een concert van Rush iemand tegen het lijf lopen die zin heeft in een gesprek over de nieuwste mannenmode. Maar Abe is erin geslaagd, een jaar voor zijn trip naar Parijs, om na afloop van het Rush-concert in Madison Square Garden aan de praat te raken met John Varvatos. Abe was die dag met zijn enigszins verdwaasde begeleider op een queeste geweest in SoHo, van Supreme naar Bape naar Saint Laurent naar Y-3, en met nog suizende oren van de Rush-toegift (‘Working Man’) bracht hij verslag uit van alles wat hij downtown aan mode had gezien, compleet met anekdotes en voorzien van persoonlijk commentaar. Toen hij klaar was wendde Varvatos zich tot Abe’s begeleider – een onvervalste Rush-fan, die natuurlijk ook Abe’s vader is – en zei: ‘Hoe kom je aan die jongen?’

    ‘Geen idee,’ zei ik.

    Eigen plek

    Abe heeft zich pas laat aangediend binnen het gezin, de laatste van vier kinderen, gezegend met een oudere broer en nog een zus daarboven en daaronder. Tegen de tijd dat het vierde kind ter wereld komt hebben de andere kinderen zich meestal al een scala aan eigenaardigheden, talenten, grillen, zwakke plekken, angsten en sterke punten toegeëigend. Voor een vierde kind kan het nog een hele uitdaging zijn om een eigen plek te veroveren.

    Voor Abe leek dat echter geen probleem. En als het al een probleem was, dan was het tevens een zegen. Vanaf het moment dat zijn persoonlijkheid zich uitkristalliseerde, onderscheidde hij zich voornamelijk van anderen – zijn broer en zussen, zijn klasgenoten, welke kinderen ook – doordat hij er geen enkel probleem mee leek te hebben dat hij anders was. Iedereen wil zich onderscheiden, maar slechts weinigen hebben het in zich, en van die weinigen zijn er maar een paar die zijn opgewassen tegen de druk om zich te conformeren. Abe heeft altijd al over het uitzonderlijke vermogen beschikt om zich niet alleen te onderscheiden, en zich staande te houden, maar dat ook nog eens met verve te doen. De manier waarop hij het meest openlijk, en het meest gedreven, uiting gaf aan zijn anders-zijn, was door zich te verkleden.

    Al toen hij heel klein was, stonden verkleedkleren voor hem – net al voor de meeste kleine jongens – gelijk aan ‘een superheld’. Op z’n derde was hij er heilig van overtuigd dat je je overal kon vertonen in een felgekleurd wolvenpak, geel met hemelsblauw, of een vleermuizenpak met hangende oren. Later was er sprake van een hartstochtelijke flirt met een ouderwetse, zingende cowboyachtige westernuitdossing – zwarte hoed, rood overhemd met wit borduursel, zwart gilet, leren beenstukken met chromen versiering, zwarte laarzen. Op de lagere school bleek het dragen van een dergelijke uitdossing niet alleen te worden ontmoedigd, of slechts op bepaalde dagen toegestaan, zoals op de kleuterschool – nee, het was domweg verboden. Hij zou er ook, zonder enige twijfel, verschrikkelijk mee zijn gepest. Abe’s oplossing was om, instinctief en in alle stilte, te werken aan een soort geheim kostuum, dat nog net binnen de grenzen viel van ‘normaal’ of wat op school betamelijk werd geacht. In de jaren die volgden ging hij steeds vaker naar school verkleed als man – een zeer stijlvolle man.

    Hij had slechts een vage, enigszins karikaturale notie van hoe volwassen mannen zich kleden, opgehangen aan enkele kledingstukken. Daarbij ging hij voornamelijk af op enkele zeer specifieke items als gleufhoeden, vesten, overhemden, bretels en vlinderdasjes. Hij had een tweed blazertje waar hij ongekend veel kracht aan ontleende, vergelijkbaar met het harnas van Marvels IJzeren Man. Op het borstzakje was een wapen geborduurd en dat maakte hem domweg gelukkig. In groep drie ging hij vrijwel elke dag verkleed als man naar school. Hij werd er wel mee geplaagd; een van zijn twee jagershoedjes werd zo nu en dan van zijn hoofd getrokken en heen en weer gegooid over het schoolplein. Maar het pesten was nooit erger geworden dan Abe’s vermogen of bereidheid om het te verduren, en hij liet het plezier dat hij eraan ontleende om zich uit te leven in zijn kleren er niet door vergallen. Door zijn koppige volharding begon zich geleidelijk een patroon af te tekenen, dat zich zou herhalen naarmate zijn smaak verfijnder en modieuzer werd. Steeds vaker zag je ook bij de andere jongens in de klas ineens een gleufhoed opduiken, of een platte hoed, of een slappe vilthoed. Het was niet ongebruikelijk om een van Abe’s voormalige pestkoppen te zien rondlopen in een vest, of met een vlinderdasje.


    Ik stond weleens ’s avonds in de deuropening van zijn kamer, en zag hem dan met de grootst mogelijke zorg de outfit samenstellen die hij de volgende dag naar school wilde dragen. Hij drapeerde alle kledingstukken op de vloer van zijn kamer, in een soort tweedimensionaal zelfportret – Oxford-overhemd in een katoenen jackje gewurmd, extra smalle broek (met het verstelbare elastiek in de taille vastgezet op het allerlaatste knoopje), geruite sokken, en het geheel afgemaakt met de onmisbare hoed. Ik probeerde te begrijpen wat hem dreef om ’s ochtends de deur uit te gaan als een mini-uitvoering van Ronald Colman die eens lekker door de natuur gaat struinen. Ging het hem om de aandacht – al was het dan negatieve aandacht? Probeerde hij zich door middel van kleren te onderscheiden van de andere jongens, of waren die kleren voor hem de meest directe manier om duidelijk te maken dat hij anders in elkaar zat, domweg anders ter wereld was gekomen? Probeerde hij zich uit alle macht te onderscheiden, of onderscheidde hij zich tegen wil en dank?

    Zo rond de tijd dat Abe naar groep zeven ging, was ook mijn oudste zoon veel met kleren bezig, en dan vooral met streetwear. Zijn interesse werd gevoed door een opkomende belangstelling voor hiphop, die hij deelde met Abe. Er was een gouden tijdperk in aantocht voor streetwear, met als vaandeldragers merken als Supreme, Palace en A Bathing Ape, en er tekenden zich samenwerkingsverbanden af tussen grote sneakerfabrikanten en eigenzinnige topontwerpers als Rick Owens en Raf Simons, voortgestuwd door hiphoptrendsetters als A$AP Rocky en de inmiddels in ongenade gevallen Ian Connor. Abe’s oudere broer had de deur opengezet naar die wereld (de wereld van Virgil Abloh) en Abe was zonder aarzeling naar binnen gestapt.

    Maar hoewel hij zijn broer volgde in deze wereld, die werd gedreven door trends en die was geënt op iconen, deed Abe er alles aan om zijn eigenheid te behouden, om zich te onderscheiden. Hij maakte vrijelijk gebruik van bloemmotieven, vintage sjaaltjes en de kleur roze bij zijn kledingkeuze binnen de knellende, heteronormatieve greep van zijn klas. Omdat Abe klein van stuk was – mannenmaat XS was al bijna te groot – had hij veel moeite om iets van mannenmode te vinden dat ‘echt te gek’ was en dat hem paste. Zodoende struinde hij met een scherpe blik door de rekken met dameskleding: damesmaat XS, daar kon hij wel wat mee. Het Maison Margiela-overhemd dat hij bij de Off-White-preview draagt is een damesmodel, en een van zijn andere favoriete kledingstukken, een shirt van Tigran Avetisyan, heeft hij ook bij toeval gevonden terwijl hij bij Opening Ceremony in L.A. over de damesafdeling doolde.

    Wanneer ik hem zo zag, terwijl hij met een vriendje op straat hing en zich volkomen op zijn gemak leek te voelen in zijn soepel vallende crème-zwart-en-grijs Avetisyan-hemd, met de brede rode banden bij de kraag en de manchetten, en met een druk grafisch patroon, realiseerde ik me dat ik vrijwel nooit jongens van zijn leeftijd zag die ook maar iets vergelijkbaars droegen – vrijwel alle jongens droegen een T-shirt of een sportshirtje, een hoodie of een flanellen hemd. De mantel van uniformiteit hing zwaar en onontkoombaar op de schouders van puberjongens (hoe zwaar en hoe onontkoombaar wist ik zelf nog maar al te goed).

    Disneyland

    Abe werd nog altijd – en zelfs nog erger dan voorheen – gesard en gepest met zijn kledingstijl en zijn belangstelling voor mode. Maar hij liet zich niet klein krijgen; hij zette nog een tandje bij. Hij voerde zijn Tigran Avetisyan freakvlag hoog in het vaandel. En hoewel ik niet helemaal kon doorgronden wat mijn zoon dreef om zich elke dag opnieuw bloot te stellen aan pesterijen en verbaal geweld, bewonderde ik hem erom dat hij zich niet klein liet krijgen. Gaandeweg begon ik te begrijpen wat mijn taak was als de vader van deze modieuze excentriekeling: ik hoefde Abe of zijn hartstocht voor mode helemaal niet te doorgronden; het enige wat ik hoefde te doen was hem laten gaan waar zijn hartstocht hem dreef en hem daarin te volgen, zo lang hij me nodig had.

    In de week waarin Abe de Parijse modeshows afloopt is er wat hem betreft maar één probleem, en dat is zijn slome begeleider, door wiens schuld hij steeds te laat komt. De begeleider zelf heeft het veel minder naar zijn zin dan Abe. De begeleider heeft het warm, en hij verveelt zich. En het belangrijkste: de begeleider is au fond totaal niet geïnteresseerd in mode. Kleren, oké. De begeleider vindt het leuk om in tweedehandswinkels te zoeken naar mooie westernshirts, of naar een Hermès-das, hij voelt zich prettig in zijn lievelingspakken van Shipley & Halmos (grijze cashmere, bruine corduroy), hij is blij met zijn Paul Smith-overhemden en schoudertas. Hij geniet er misschien net iets minder van dan van lezen, muziek luisteren, lekker koken of met zijn vrouw naar oude films kijken, maar dat wil niet zeggen dat hij er geen plezier aan ontleent. Er is niets mis met kleren, in de beleving van Abe’s begeleider. Maar hij hangt er geen religie, hobby, of zelfs een heuse obsessie aan op.

    Maar tijdens die warme week in juni, in Parijs, woont Abe’s begeleider zijn eerste Men’s Fashion Week bij, en daar dringt tot hem door dat hij er nog minder van begrijpt dan hij al dacht. Modeshows blijken een hoog freakshowgehalte te hebben, en als ze niet pompeus of excentriek zijn, dan zijn ze gewoon bizar. Je moet half Parijs doorkruisen om op de bewuste plek te komen – bij de planning lijkt een speciaal algoritme te worden gehanteerd om te zorgen dat elke show plaatsvindt op een zo groot mogelijke afstand van de show ervoor én de show erna – en dat alles in de zomerse hitte. Je arriveert steevast te laat en moet evengoed buiten wachten tot je er pijn in je voeten van krijgt, en je weet gelijk zeker dat je ook weer te laat zult zijn voor de volgende show. Vervolgens zit je nog eens twintig minuten te wachten in een donker, lawaaierig, heet, vol zaaltje. Dan gaat ineens het licht aan en begint de muziek te dreunen. Er doemt bijvoorbeeld een wand op van oude koplampen, en een geluidsmuur van elektronische dansmuziek, en een stel lange, knokige, norse jongemannen met de ingestudeerde blik van iemand die is verslaafd aan opiaten, lopen langs, maaiend met hun armen, als kleine jongens die vadertje en moedertje spelen. Deze manier van lopen is bedoeld als fierce, krijgt Abe’s begeleider uitgelegd. Hetzelfde geldt voor de blik van de modellen: een uitdrukkingsloos bleek gelaat, aangezet met rouge, waarop geen glimlach te zien mag zijn.

    De looks die ze in beeld brengen variëren van bespottelijk tot functioneel tot opmerkelijk, meestal binnen het bestek van een en dezelfde show. Soms is de muziek geen EMD maar Neil Young of Leonard Cohen of de waanzinnige Japanse neopsychedelische band Kikagaku Moyo. Tijdens de Paul Smith-show lopen – of beter gezegd, slenteren – de modellen domweg over de catwalk als de knappe jongens die ze zijn, en wanneer ze een bekende in het publiek zien zitten, of wanneer ze zich gewoon fantastisch voelen in de prachtige pakken en overhemden waarin Paul Smith hen heeft gestoken, zie je – geheel tegen alle regels in – even een glimlach om hun lippen spelen. Issey Miyake geeft je een coldpack voor in je hals, waar het zweet op je huid parelt. Tijdens een van de shows – die van Y-3 – blijken de broeken opblaasbaar. De hele show moet tien minuten duren maar loopt toch uit, waarna we in een taxi duiken en algoritmisch de stad doorkruisen. Het is een soort Disneyland, maar dan met opblaasbare broeken in plaats van een drie minuten durende log fume of roller coaster.

    Tegen het einde van een dag met maar liefst vier shows, een dag die Abe’s begeleider nogal slopend vindt, krijgt Abe lucht van nog een andere show waar hij dolgraag naartoe wil. Die begint om acht uur ’s avonds, en het is de laatste show van die dag. Maar Abe’s begeleider is er heel stellig in dat hij de laatste show van de dag al heeft bijgewoond.

    ‘Het is een show van Stéphane Ashpool – een heel interessante nieuwe ontwerper,’ zegt Abe. ‘Volgens iedereen was zijn show vorig jaar echt te gek. Ah toe, pap?’

    Maar Abe’s begeleider laat zich niet vermurwen door Stéphane Ashpool. Abe heeft het geluk dat een paar redacteuren van dit blad, die met Abe in gesprek zijn geraakt over de Pigalle-show van vorig jaar en die meer in algemene zin, en met bevredigend resultaat, zijn kennis van de herenmode wilden testen, zeggen dat hij wel met hen mee mag. Er is nog een plekje over in de auto. Ze beloven hem weer over te dragen aan zijn begeleider, op een party in het Musée Picasso.

    Naar later blijkt heeft Abe’s begeleider wellicht de verkeerde keuze gemaakt door niet mee te gaan naar de show van Pigalle. Een paar uur later komt Abe het Picasso-museum binnen, helemaal opgetogen over de kleren die hij heeft gezien, en al helemaal over de onconventionele manier waarop ze zijn geshowd. In plaats van het gebruikelijke duistere paleis of een donkere, kleine ruimte volgestouwd met elektronica, in plaats van de gebruikelijke catwalk, heeft de Pigalle-show buiten plaatsgevonden, in een tuin aan de achterkant van een museum. Er was een bruiloft geënsceneerd, compleet met muzikanten en een overkapping en kleine, ronde tafeltjes voor alle ‘gasten’. Er was eten geserveerd. Het was allemaal heel cool. Abe had bij de mensen van GQ gezeten en was volkomen opgegaan in de avond en het gezelschap en de prachtige kleren.

    ‘Het was net een toneelstuk,’ zegt hij. ‘Maar dan een stuk waarin je ook zelf meespeelt.’

     Abe Chabon (zittend op de achtergrond) kijkt naar een modeshow op de Paris Fashion Week. – © Victor Virgile / Getty
    Abe Chabon (zittend op de achtergrond) kijkt naar een modeshow op de Paris Fashion Week. – © Victor Virgile / Getty

    ‘Ga jij maar daar staan,’ zegt Virgil Abloh tegen Abe. Hij wijst naar de rij mannelijke modellen, die enigszins van hun stuk lijken gebracht door deze onverwachte wending. Maar ze schikken in om ruimte te maken voor Abe.

    Abe lacht, en de blos op zijn wangen wordt dieper, maar hij doet wat hem wordt gevraagd, zo op het oog zonder enige aarzeling of schroom. Zijn lach en zijn rode wangen komen niet doordat hij zich opgelaten voelt: Abe is blij en opgetogen. Het feit dat hij Off-White-sokken draagt is geen toeval. Abe is niet zo iemand die naar een honkbalwedstrijd gaat met een honkbalhandschoen in zijn hand, in de hoop dat er een afgedwaalde bal zijn kant op komt, die hij in zijn fantasie dan zo vaardig uit de lucht plukt dat hem ter plekke een contract wordt aangeboden. Maar dat neemt niet weg dat op dit moment in zekere zin een droom wordt bewaarheid.

    En één ding is zeker: hij hoeft zich nergens voor te schamen. Toegegeven, de modellen zijn bijna allemaal twee keer zo lang maar, met alle respect voor Virgil Abloh en zijn stilisten: geen van de modellen ziet er beter uit dan Abe, of lijkt zich meer op zijn gemak te voelen. De afgelopen twee dagen, waarin Abe samen met zijn begeleider vele shows heeft afgelopen, heeft hij aandachtig alles bekeken wat zich op de catwalk afspeelde. Maar daarnaast heeft hij niet minder aandachtig gekeken naar de kleren van de jongens die zich rond de shows ophouden, en die met hun ingewikkelde kaartjes in de rij staan te wachten totdat iemand met een klembord zegt dat ze naar binnen mogen. De modellen op de catwalk zijn zonder meer modieus gekleed – van de shaggy, gele Muppetbroek en de transparante, met een clown geblazoeneerde borststukken bij de Walter van Beirendonck-show tot de hyperwijde pijpen en de jasjes met franje chez Dries van Noten tot de Mœbius-meets-Logan’s Run, jaren zeventig, postapocalyptische outfit die is te zien bij Rick Owens, met modellen die zich zwaarmoedig zwalkend door de ondergrondse zaal bewegen, als jonge vrijwilligers die worden geofferd aan de robotgod, met zulke reusachtige sneakers dat sommigen over hun eigen voeten struikelden – maar deze jongens die buiten tussen de belangstellenden staan, steevast in groepjes van twee, of drie, of vier, hebben stijl. Zij dragen kleren die ze hebben gekozen, gepast en gecombineerd, die ze uit hun eigen laden en kasten hebben gehaald. De basis van hun look bestaat meestal uit één verpletterend, en ongetwijfeld extravagant, kledingstuk, bijvoorbeeld een verblindende tracksuit van dieppaarse zijde, met een paisleymotief in lichtblauw en perzikkleur, gecombineerd met een gele bandanna, die als sjaaltje om de hals is geknoopt.

    Maar de looks waar Abe de meeste aandacht voor heeft zijn eclectisch, haast een allegaartje, een combinatie van meer betaalbare items die een verrassend geheel vormen. Waar Abe misschien wel het meest van onder de indruk is, zijn de kleren van een knappe zwarte jongen bij de Van Beirendonck-show. De jongen heeft een ruig baardje en draagt een vreemde, vilten hoed met een brede rand en brede diagonale strepen, een kruising van een amishattribuut en een Jell-O-vorm. Over een zwart gaatjeshemd draag hij een goud-met-groen geruite blazer, met op de voorkant zwarte draden geborduurd, in parallelle strepen, als gitaarsnaren. Hij heeft een hele reeks indianenarmbanden om zijn pols en zilverkleurige indianenringen in zijn oorlellen, en hij draagt een goudkleurig omabrilletje met ronde glazen. Zijn moonbootstyle sneakers zitten precies los genoeg, en zijn broek, met een smal zwart streepje, wordt om zijn middel gehouden door een stuk rood-wit springtouw, de pijpen opgerold tot aan de knieën. Het is een krankzinnig samenraapsel van kledingstukken, maar op de een of andere manier werkt het. Er spreekt een idee uit, en dat idee is niet afkomstig van Rick Owens of Juun.J – al die bij elkaar geraapte spullen vertellen het verhaal van degene die ze heeft aangetrokken.

    De look die hij heeft uitgekozen voor de Off-White-preview is getest en bijgesteld, aangepast aan zowel zijn lichaam als zijn geest, en zegt alles over zijn diepste zielenroerselen

    Abe heeft veel geleerd door goed te kijken hoe ze eruitzien, deze ene jongen en al die andere dandy’s – want dat zijn het, ze worden niet betaald, niet gesponsord, ze zijn er enkel om te kijken en bekeken te worden, om met hun kleren te pronken op die zwoele middag. Elke avond haalt hij zijn hele koffer overhoop, kijkt met een scherpe blik naar alles wat hij heeft meegenomen (plus enkele nieuwe items; het is de week van de soldes), maakt talloze combinaties, spreidt zijn bescheiden zelfportret uit op de vloer. Wanneer hij de volgende ochtend wakker wordt, heeft hij zich bedacht over het een of het ander, of heeft hij ineens nieuwe inspiratie. De look die hij heeft uitgekozen voor de Off-White-preview is getest en bijgesteld, aangepast aan zowel zijn lichaam als zijn geest, en zegt alles over zijn diepste zielenroerselen. Nou ja, alles – het zegt wat hij er maar over kán zeggen in deze vroege en nog niet helemaal uitgekristalliseerde fase van zijn ontwikkeling. Zijn look is opgewassen tegen kritische blikken. Hij is zelfs speciaal met dat doel uitgezocht. Sterker nog, hij is haast bedoeld om kritische blikken uit te lokken, en daarbij gaat het dan niet zozeer om de kleren zelf maar om degene die erin zit. Zijn kleren zitten niet óm zijn lijf; ze zíjn zijn lijf – in ieder geval nu. Ze zijn de uiterlijke verschijningsvorm van hoe hij heeft besloten zichzelf neer te zetten. Dat kunnen de slungelige modellen, met hun voeten stevig op de grond en met hun afhangende schouders, gehuld in jassen en slobberbroeken die een ander voor hen heeft uitgezocht en die vervolgens om hen heen zijn gedrapeerd als een tafelkleed over een eetkamerset, geen van allen zeggen. Zelfs Virgil Abloh, in zijn zwarte trainingsbroek en met zijn zwarte T-shirt, leek Off-White te dragen.

    Virgil Abloh vraagt waar Abe vandaan komt. Abe zegt dat hij uit Oakland komt. Dat klopt niet helemaal; Abe woont in Berkeley, slechts een huizenblok verwijderd van de grens met Berkeley. Hij denkt duidelijk, en met redenen, dat het cooler klinkt, en ook ís, om in Oakland te wonen dan in Berkeley. Oakland staat voor de Black Panthers, voor de indrukwekkende cartoonmaskers die op muren langs de snelweg worden gespoten door de graffitikunstenaars GATS, voor de helden van de hiphop zoals Too Short, Marc Dre, Richie Rich en voor het Hieroglyphics-collectief. Berkeley staat voor mannen met een baard die in drug rugs en draw strings pants lopen en op zaterdagochtend met z’n allen trommelen bij het Ashby Bart-station.

    Een van de veertien shows die Abe en zijn vader bijwonen gedurende de Paris Men’s Fashion Week. De manier van lopen, leert de auteur, heet ‘fierce’. – © Peter White, Thierry Chesnot / Getty
    Een van de veertien shows die Abe en zijn vader bijwonen gedurende de Paris Men’s Fashion Week. De manier van lopen, leert de auteur, heet ‘fierce’. – © Peter White, Thierry Chesnot / Getty

    ‘Deze jongen begrijpt waar het om gaat,’ zegt Virgil Abloh tegen de verslaggevers, die met hun pen in de aanslag zitten. ‘Dit is precies wat ik wil bereiken.’ Abloh vraagt zijn gasten om Abe van top tot teen op te nemen. De modellen proberen een glimlach te onderdrukken, maar slagen daar niet allemaal in.

    ‘Om onderaan te beginnen,’ zegt Abloh, ‘zijn er allereerst de Adidas – wacht eens even!’ Hij komt wat dichterbij om Abe’s schoenen goed te kunnen bekijken. ‘Loop je op Rafs?’ Hij steekt Abe een triomfantelijke vuist toe. Abe gaat goedmoedig op het gebaar in. ‘Je hebt de sneakers, en de sportsokken – de júíste sportsokken.’ Hij grinnikt; Abe straalt. De mensen op de klapstoelen lachen. ‘Tot zo ver komt alles uit de streetwearcontext. Maar als je verder naar boven gaat, is het allemaal veel gekleder. De jonge jongens, die zijn groot geworden met streetwearmerken. Supreme, Bape… Daar begint het allemaal mee, toch?’

    Hij kijkt even naar Abe, die braaf, en gemeend, knikt. ‘Maar dan denken ze, misschien kan ik wel een stap verdergaan, zonder dat het al te veel hoeft te kosten.’

    ‘Oké,’ zegt hij tegen Abe. ‘Dank je wel. Ga maar lekker zitten.’

    Twee dagen en vijf shows later arriveert Abe, te laat, voor de Off-White-show. Hij heeft al de hele dag iets weemoedigs, en nu de show al voor de helft voorbij lijkt te zijn op het moment dat we binnenkomen, wordt hij nog gedrukter. Ik voel me schuldig; door mij zijn we lang bij de vorige show gebleven, die van Paul Smith.

    Na afloop van de show ziet Abe Virgil Abloh achter de coulissen staan, maar de ontwerper wordt omgeven door fans en pers. Hij knikt Abe even toe, met een glimlach, maar ze zien geen kans elkaar nog te spreken. Fashion Week is achter de rug. Tijd om naar huis te gaan.

    ‘Ik wil niet naar huis,’ zegt Abe.

    ‘Ik snap het,’ zeg ik. ‘Het is veel te leuk in Parijs.’

    ‘Dat is het niet.’

    ‘Het was heel spannend voor je,’ opper ik. ‘Je vindt het jammer dat het voorbij is.’

    ‘Ja. Maar dat is het ook niet.’

    ‘Wat is er dan?’ zeg ik. ‘Vertel het me maar.’

    Maar hij wil er niet over praten. We nemen een taxi naar het appartement dat we hebben gehuurd in het twaalfde arrondissement. Traag pakt Abe zijn kleren in en legt de spijkerbroek en het T-shirt klaar dat hij in het vliegtuig naar huis wil dragen. Hij wordt steeds stiller en het is duidelijk dat iets aan hem knaagt. Hij moet bijna huilen. We krijgen ruzie. Ik heb het inmiddels wel gehad met al die mode en al die modeshows. Het enige wat ik voel is dat het mooi is geweest en dat ik nu weer gewoon naar huis wil. Het kost me grote moeite er anders tegenaan te kijken.

    ‘We hebben het goed gehad,’ zeg ik. ‘Je hebt allemaal coole dingen gedaan en interessante mensen ontmoet. Je hebt een paar mooie nieuwe kleren. Je bent in Parijs geweest. Nu wordt het tijd om weer naar huis te gaan. Kom op nou.’

    ‘Ik wil niet naar huis,’ zegt hij.

    ‘We gaan nog wel een keertje naar Parijs. Als je groot bent, kun je hier gaan wonen.’

    ‘Het gaat me niet om Parijs. Het gaat me niet om de kleren.’
    ‘Wat is er dan?’

    ‘De Pigalle-show,’ zegt hij.

    ‘Die vond je het mooist. Zonde dat ik niet ben gegaan.’

    Hij kijkt me aan, een merkwaardige blik in zijn ogen. Het begint me te dagen dat hij zo’n geweldige avond heeft gehad juist omdát ik er niet bij was. De afgelopen week was ik niet zijn vader, of zijn vriend. Ik was domweg zijn begeleider. Ik was een blok aan zijn been bij de modeshows, en omdat ik me er niet volledig aan kon overgeven, kon Abe dat ook niet. Hij maakte zich druk om mij, hield me in de gaten, vroeg zich af of ik het wel naar mijn zin had, vroeg zich bijvoorbeeld af of ik die shaggy Muppetbroek net zo stom vond als de blik in mijn ogen leek te suggereren.

    ‘Het gaat niet echt om de shows, hè?’ probeer ik, terwijl bij hem de tranen zie branden. ‘Toch? Het gaat om de mensen die je hebt ontmoet, de mensen van GQ, de inkopers, die gast van Wild Style.’

    ‘Zij snappen het,’ zegt hij. ‘Ze weten alles van de ontwerpers, en het huis, en ze vinden het belangrijk. Ze vinden het leuk om over kleren te praten. Ze houden van kleren.’

    Je wordt geboren binnen een gezin. En dat zijn de mensen bij wie je hoort. Ze kennen je en ze houden van je en als je geluk hebt, zijn ze ook nog in staat om je deels te begrijpen. En dat zou voldoende moeten zijn. Maar dat is het niet, dat is het nooit. Al die jaren dat Abe zich heeft verkleed, zich met zorg een stijl heeft aangemeten, deed hij dat níét met de bedoeling zich te onderscheiden van anderen. Hij deed het in de hoop – ooit, ergens – de aandacht te trekken van iemand die net zo is als hij. Hij liep niet te paraderen met zijn freakvlag; hij schoot een vuurpijl af, in de hoop dat er redding zou zijn, een metgezel op het eenzame pad van zijn passie.

    ‘Die mensen en jij – jullie horen bij elkaar. Je hebt je zielsverwanten gevonden,’ zeg ik.

    Hij knikt.

    ‘Dat is mooi,’ zeg ik. ‘Je bent er vroeg bij.’

    Auteur: Michael Chabon
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    GQ
    VS | maandblad | Totale oplage 938.359

    GQ kwam in 1931 in de VS op de markt als Apparel Arts, een kwartaalblad over herenmode dat werd verspreid onder wederverkopers van zaken waarin een man zich zoal hult. Het werd in de naoorlogse jaren een dermate groot succes dat de uitgever in 1957 besloot de markt te verbreden naar een algemeen (mannelijk) publiek onder de naam Gentlemen’s Quarterly, in 1967 afgekort tot GQ. Inmiddels verschijnt het wereldwijd, tot in India, China en Rusland, en in vele talen. De Amerikaanse oplage schommelt rond 600.000 exemplaren.

    Herenmode is nog steeds een raison d’être, maar het aandachtsgebied is gegroeid, onder meer naar minder warm geklede jonge vrouwen, ook en vooral op het omslag. En voorts bevat GQ artikelen van algemene strekking, zoals in 2009 een verhaal waarin werd gesuggereerd dat Vladimir Poetin in 1999 aan de macht zou zijn gekomen door het ensceneren van een ‘terreuraanslag’ op een flatgebouw in Moskou, die aan 300 Moskovieten het leven kostte en in werkelijkheid was gepleegd door Poetins vrienden van de KGB.