Tag: vader

  • Maak kennis met de ‘soft daddy’. Hoe gendernormen in animatieseries aan de kaak worden gesteld

    Maak kennis met de ‘soft daddy’. Hoe gendernormen in animatieseries aan de kaak worden gesteld

    Een nieuwe reeks animatiesitcoms toont wat voorheen zeldzaam was in het genre: goede vaders.

    Het nieuwste seizoen van de Netflix-serie Big Mouth, een animatiecomedy, verkent de mysterieuze wereld van vaderfiguren. Het resultaat is een openbaring. Elliot Birch, de vader van middelbare scholier Nick, loopt al langere tijd met een geheim rond: vroeger was hij een gevreesd tegenstander in de machovechtsport ‘Schots tepeldraaien’. Elliot is een echte lieverd, een familieman en een knuffelbeer die confrontaties uit de weg gaat. Hij is een uitgesproken feminist die zijn mannelijke vrienden op de mond zoent en zijn vrouw vaak met complimenten overspoelt. Hij is regelmatig met zijn moisturizer in de weer. Hoe zit dat dan precies? Elliot legt aan Nick uit dat hij alleen maar op de vechtsport zat om goedkeuring te krijgen van zijn eigen hypermannelijke vader. Uiteindelijk heeft Elliot dat leven achter zich gelaten. ‘Ik beloofde mezelf dat ik als vader precies het tegenovergestelde zou zijn,’ vertelt hij Nick. ‘Een soft daddy dus?’ vraagt Nick. ‘Precies. De meest zachtaardige en de meest vaderlijke,’ antwoordt Elliot.

    Elliot kwam zijn belofte na: hij is waarschijnlijk de zachtaardigste vader die er rondloopt. En niet alleen in Big Mouth, maar waarschijnlijk in de volledige canon van hedendaagse animatieseries. Dat wil wat zeggen, want cartoonechtgenoten zijn niet meer de patriarchale macho’s die ze ooit waren. Jarenlang waren cynische afschilderingen van slechte vaders in animatieseries een belangrijk stokpaardje. Om het publiek aan het lachen te maken, vertrouwden ze bijvoorbeeld op de lompheid van Fred Flintstone of Peter Griffin uit Family Guy. De soft daddy die onlangs is opgedoken, representeert een heel ander – en heel welkom – archetype: dat van huiselijke mannelijkheid.

    Soft daddies zijn geen heiligen, zoals hun voorgangers niet in alle opzichten tekortschoten

    In de animatiewereld van vandaag de dag maken soft daddies de dienst uit: mannen die zachtaardig, communicatief en bedachtzaam zijn. Denk aan Owen Tillerman uit Central Park, die met zijn dochter op beha-jacht gaat, aan Tatsu uit de anime-serie The Way of the Househusband, die zijn yakuza-leven gedag zegt om kroketten te gaan frituren voor zijn vrouw, en aan Greg Universe, die samen met drie aliens co-ouderschap heeft over zijn zoon Steven. Soft daddies worden niet gekenmerkt door benevelde hufterigheid, woedeaanvallen en luiheid. Het zijn geen karikaturen van mannen die niet met hun vrouw en kinderen kunnen omgaan. Ze lijken niet op Randy Marsh van South Park, die straalbezopen aan het knokken slaat bij de sportwedstrijden van zijn kinderen, op Homer Simpson, die zijn zoon Bart af en toe wurgt, of op Stan Smith van American Dad, die zich voordoet als een tienerpestkop om de middelbareschooltijd van zijn zoon te verzieken. Toegegeven, soft daddies maken natuurlijk ook fouten. Ook zij handelen uit frustratie en gedragen zich soms dwaas – ze zijn geen heiligen, net zoals hun voorgangers niet in alle opzichten tekortschoten. Maar over het algemeen zorgen ze ervoor dat de fictionele werelden die ze bewonen veiliger en prettiger aanvoelen.

    Animatieseries lenen zich bijzonder goed voor het aan de kaak stellen van gendernormen. Valerie Palmer-Mehta, communicatieprofessor aan Oakland University, betoogt in haar essay The Wisdom of Folly: Disrupting Masculinity in King of the Hill, dat dat deels komt doordat cartoons niet beperkt worden door realisme. Door middel van karikaturen en overdreven situaties kan hierin uitstekend sociale kritiek worden geuit. Palmer-Mehta gebruikt Hank Hill als voorbeeld in haar essay. Deze patriarch met de droevige ogen uit de serie King of the Hill illustreert hoe het medium veranderende normen en waarden onderzoekt.

    Hank is bij geen van de twee eerdergenoemde archetypen onder te brengen: hij is geen machovader, maar ook geen soft daddy. De serie, die vanaf eind jaren negentig tot aan begin jaren 2000 werd uitgezonden, schetst de spanning die er in die tijd heerste tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ vormen van mannelijkheid perfect door middel van de ambivalente relatie tussen Hank en zijn gevoelige zoon Bobby. Hank is het soort man dat, hoe geconstipeerd ook, weigert naar de dokter te gaan. Hij wil een ‘mannelijk’ stoïcisme uitstralen, maar doordat Bobby geenszins interesse heeft in traditioneel mannelijke activiteiten zoals sport, wordt hij vaak juist panisch en gestrest. Hank en Bobby belichamen beiden een komisch archetype, maar wel twee totaal verschillende. Bobby is vooral lachwekkend door zijn excentrieke hobby’s – zo wordt hij rodeoclown en later buikspreker. Hank daarentegen is grappig vanwege alle stress die hij zichzelf bezorgt door erin te blijven geloven dat zijn ‘jongen niet deugt’. Vaak eindigt King of the Hill met een verzoening, waarbij vader en zoon tot een dieper wederzijds begrip komen – dat hooguit standhoudt tot de volgende aflevering, waarin Hank weer compleet overspannen raakt.

    Diepe heteroseksualiteit

    Bob’s Burgers is in zekere zin de opvolger van King of the Hill: uitvoerend producent Jim Dauterive werkte mee aan beide series. De vader, Bob Belcher, reageert in Bob’s Burgers niet met bezorgdheid en afkeuring op het gedrag van zijn excentrieke zoon Gene, maar eerder met beleefde nieuwsgierigheid. Bob hoeft niet constant onderwezen te worden in hoe hij zich beter in zijn familie kan inleven, en hij voedt zijn kinderen niet op met patriarchale normen. Hij heeft over het algemeen een meer zachtaardige houding. Bob is dan misschien niet de beste zakenman, maar een emotionele kostwinner is hij absoluut. Hoewel het gezin altijd op de rand van de armoedegrens leeft, heerst in de serie een gevoel van geborgenheid, door de milde hand waarmee Bob zijn kinderen opvoedt en zijn vermogen om zowel samen te werken als lol te trappen met zijn vrouw Linda. Zo presteert Bob’s Burgers mede door de vriendelijke hoofdpersoon Bob iets wat in het eeuwenoude genre van de sitcom zeldzaam is: de serie schetst een portret van een gezin dat liefdevol is en goed functioneert, maar toch grappig is.

    De soft daddy moet onder andere laten zien dat een mildere vorm van mannelijkheid een keuze is, maar soms ook een uitdaging kan zijn. Elliot komt in het huidige seizoen van Big Mouth weer in aanraking met zijn vader en hun oude dynamiek, waarin ze hun liefde alleen kunnen uitdrukken door woest te tepelworstelen. (‘Maak plaats voor de nieuwe sheriff – hij treedt hard op tegen tieten!’ aldus Elliot. U raadt het al: de ironie van uitdrukkelijk heteroseksuele mannen die obsessief met elkaars tepels bezig zijn, speelt een grote rol.) Ondertussen jaagt Marty Glouberman, de vader van Nicks vriend Andrew, zijn vrouw het huis uit, doordat hij te bazig en chagrijnig is om haar interesses buitenshuis te ondersteunen. Beide mannen moeten emotionele obstakels overkomen om hun gezin bij elkaar te houden en hebben daarbij hulp nodig. De moeite die ze ermee hebben onderstreept dat het veel gemakkelijker is om boos en vervreemd te zijn dan meelevend en empathisch. Het kan intimiderend zijn om af te stappen van vertrouwde, zij het schadelijke, gewoonten – op maatschappelijk vlak, op persoonlijk vlak, en vooral op beide vlakken tegelijk. Toch kiezen de personages uiteindelijk voor zachtaardigheid. Zo suggereren deze verhaallijnen dat ‘toxic masculinity’ een zwakte is die overwonnen moet worden, en dat het overkomen van dit obstakel het makkelijker maakt om liefde te geven en te ontvangen.

    Soft daddies uiten hun liefde voor de vrouwen in hun leven door uiting te geven aan iets wat Jane Ward, professor feminisme aan UC Riverside, ‘diepe heteroseksualiteit’ noemt. Ward schrijft in haar boek The Tragedy of Heterosexuality dat echtgenoten hun vrouw niet moeten zien als een trofee om andere mannen mee te imponeren en/of een moederfiguur die zorg verleent, maar als een multidimensionaal mens met haar eigen verlangens en ambities. Tatsu, de anime-huisman, uit zijn liefde door de carrière van zijn vrouw Miku te ondersteunen en een feestmaal voor haar te bereiden wanneer ze uitgeput door alle overuren thuiskomt. Bob Belcher leert zijn drie kinderen in zijn eentje op het potje plassen, omdat Linda het niet kan opbrengen. Ook doet hij enthousiast mee aan een Downton Abbey-achtige LARP [Live Action RolePlay], omdat zij dat wil.

    Dat soort dingen lijken misschien vanzelfsprekend in elk huwelijk. Maar veel vrouwen, zowel echte als getekende, moeten in de woorden van schrijfster Melanie Hamlett een ‘beste vriendin, bedpartner, carrièreadviseur, stylist, sociaal secretaresse, emotionele cheerleader [en] moeder’ zijn voor mannen die niets van dat alles teruggeven. Kunstenares Soolagna Majumdar ontwikkelde in 2017 Marge Simpson Anime, een onofficiële internetstrip waarin de huisvrouw uit The Simpsons op zoek gaat naar een nieuw leven. Aan Vice vertelde Majumdar dat ze dat had gedaan om te experimenteren met de bevrijding van een personage wiens ‘hele identiteit’ was ‘gevormd door het patriarchaat’. Het bestaan van Marge in The Simpsons wordt vooral gekenmerkt door eindeloze klusjes en verraad en kan als tragisch worden gezien. Linda en Miku daarentegen lijken een gelukkig leven te lijden: hun echtgenoten zien hen als volwaardige mensen.

    Veel vrouwen, zowel echte als getekende, moeten een ‘beste vriendin, bedpartner, carrièreadviseur, stylist, sociaal secretaresse, emotionele cheerleader [en] moeder’ zijn voor mannen die niets van dat alles teruggeven

    De manier waarop soft daddies invulling geven aan moderne mannelijkheid kan ook grappig zijn. Zoals wanneer Elliot zich afvraagt waarom iemand het etiket ‘pussy’ aanstootgevend zou vinden: ‘Sinds wanneer is het een belediging om een beeldschoon geslachtsdeel te worden genoemd?’ vraagt hij zich hardop af. Waar mensen Homer Simpson en zijn soortgenoten vooral uitlachen om hun extreme incompetentie, ligt de humor hier in Elliots overschot aan empathie. Als een onderliggende boodschap van The Simpsons is dat de Amerikaanse maatschappij lage verwachtingen heeft van mannen, dan is de observatie die ten grondslag ligt aan het soft daddy-archetype dat mannen eigenlijk zoveel meer te bieden hebben. Dit is misschien wat de soft daddy werkelijk onderscheidt van andere cartoonvaders: hij is komisch, maar ook ambitieus. Hoe grappig Homer Simpson ook is, ik zou zelf liever Elliot Birch als vader hebben.

    Luister ook:

    https://soundcloud.com/blendle/360-magazine-de-kracht-van-de-soft-daddy?si=0f40c971bc5e4380ab48942286bb9401&utm_source=clipboard&utm_medium=text&utm_campaign=social_sharing
  • ‘Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt’

    ‘Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt’

    De Mexicaanse socioloog Karina García Reyes interviewde 33 voormalige narco’s om de logica van hun wereldbeeld te kunnen begrijpen. Hiermee wil zijn een nieuw perspectief belichten: dat van de daders. ‘We moeten erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij.’

    Keuze uit ons archief

    Dat verdeeldheid onder neoliberalisme toeneemt, zien we overal gebeuren – nu ook in de politiek. Reyes legde dit gegeven vast in een studie. Ze kreeg de kans te ontsnappen uit een uitzichtloos gebied in Mexico, en besloot te onderzoeken wat ze overal om zich heen had gezien. De drugsbendeleden die ze interviewden zien zichzelf als de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan. Ze hebben de individualistische ethiek waarvan de hele (Mexicaanse) samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme doortrokken is, geïnternaliseerd.

    Dit artikel verscheen eerder in #174, februari 2020.

    Ik kom uit het noorden van Mexico, een gebied dat het zwaarst te lijden heeft van het geweld in de war on drugs. De periode van 2008 tot en met 2012 was de meest onzekere en gewelddadige in de geschiedenis van mijn stad. In het begin waren de confrontaties tussen het leger en de drugskartels, waarbij met scherp werd geschoten, sporadisch, maar algauw werden ze frequent, overal in de stad en op klaarlichte dag.

    Ikzelf maakte een keer een vuurgevecht mee op het deel van de universitaire campus waar ik college gaf. We moesten de deuren sluiten en de veiligheidsmaatregelen in acht nemen die voor dit soort situaties golden. En al mijn vrienden en familieleden hebben wel iets dergelijks meegemaakt, sommigen zagen het gebeuren vanuit hun auto en anderen vanuit huis.

    Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld

    Tegelijk met het toenemende geweld begon het kartel Los Zetas de plaatselijke middenstand af te persen. Als de kleine ondernemers geen ‘stageld’ – de eufemistische term voor beschermgeld – betaalden, kregen ze met geweld te maken of werden leden van hun familie ontvoerd.

    Geleidelijk aan sloten alle kleine ondernemers hun deuren en groeide de paranoia onder de bevolking vanwege de berichten die de narco’s op sociale media plaatsten. ‘Ga vanavond de deur niet uit, want er wordt geschoten.’ Soms werden die dreigementen nog waargemaakt ook.

    In die omstandigheden besloot ik naar het buitenland te gaan om te promoveren. Ik wilde in die onzekere toestand niet verder studeren en ging daarom naar Engeland. Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld. Dankzij de goede raad van een van mijn professoren was ik in staat om door middel van een proefschrift mijn frustratie uit te leven over de veiligheidspolitiek van Felipe Calderón, die van 2006 tot 2012 president van Mexico was. Ik ben zeven jaar met dit onderwerp bezig geweest.

    Screen Shot 2021 03 19 at 8.47.40 AM

    In mijn proefschrift onderzoek ik het drugsgeweld aan de hand van persoonlijke geschiedenissen. Tussen oktober 2014 en januari 2015 interviewde ik 33 mannen uit de wereld van de drugscriminaliteit. We spraken over hun kindertijd en hun puberteit, over alcohol- en drugsverslaving, vandalisme en hoe ze in de criminaliteit terecht waren gekomen en welke rol ze daarin vervulden. Om begrip te krijgen van de invloed die hun persoonlijke ervaringen hadden op hun intrede in de drugswereld, onderwierp ik hun verhalen aan een discursieve analyse.

    Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt

    De geïnterviewden hebben op twee manieren bijgedragen aan het karakter van mijn studie. In de eerste plaats methodologisch, omdat directe interviews met drugscriminelen iets totaal nieuws zijn in de academische wereld. Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt. Ook opent mijn studie voor de academische wereld een nieuw perspectief, namelijk dat van de daders, dat tot nog toe zowel door onderzoekers als door bestuurders en politici werd genegeerd.

    In deze zin werpt de analyse van hun persoonlijke verhalen licht op de mogelijke oorzaken van hun intrede in de drugswereld en verklaart deze de logica van hun wereldbeeld. Dat te begrijpen is cruciaal, niet alleen voor de benadering van zo’n complex fenomeen, maar ook voor het bepalen van beleid om de veiligheid te waarborgen. Tot nog toe werden die maatregelen alleen genomen vanuit de logica van hen die de maatregelen nemen. Geen wonder dus dat ze faliekant mislukten.

    Slachtoffers noch monsters

    Om te beginnen moeten we erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij. Ze zijn onderhevig aan dezelfde normen en waarden en tradities als wij allemaal. Een van de voornaamste problemen in Mexico is dat de overheid ze systematisch discrimineert door het binaire discours van de Verenigde Staten over te nemen: ‘zij’ versus ‘wij’, ‘goed’ versus ‘kwaad’. Behalve dat dit discours een absurde oversimplificatie is, verdoezelt het de rijkgeschakeerde oorzaken van het geweld.

    Een analyse van de persoonlijke geschiedenissen van de ex-narco’s doet die schakeringen juist scherp uitkomen. De geïnterviewden zien zichzelf noch als slachtoffers, noch als monsters. Ze rechtvaardigen allemaal hun intrede in de drugswereld als hun ‘enige optie’ om te overleven, een motivatie die door veel wetenschappelijke studies wordt bevestigd. Maar hoewel ze goed van de schaduweconomie konden leven en voor hun gezinnen zorgden, wilden ze toch ‘meer’.

    De geïnterviewden zien zich ook niet als de bloeddorstige criminelen die in films worden opgevoerd. Ze omschrijven zichzelf als vrij handelende personen die besloten hebben in het illegaal circuit te opereren, maar tegelijkertijd noemen ze zichzelf ‘niks waard’, ‘wegwerpartikelen’.

    Dat gevoel van marginalisering, gevoegd bij de verslavingsproblemen en het ontbreken van een toekomstperspectief, maakt dat ze weinig waarde hechten aan hun leven en dat de dood zelfs als een bevrijding wordt gezien.

    Dit laatste is een cruciale factor voor het beleid dat ten aanzien van deze problematiek gevoerd dient te worden. De kernopdracht daarbij is te vermijden dat nog meer kinderen en jongeren zich als ‘niks waard’ gaan beschouwen.

    Mijn onderzoek laat zien hoe de participanten het binaire discours van de overheid overnemen. Ze noemen zichzelf de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan, ze vinden niet dat ze daar deel van uitmaken. Ze hebben ook de individualistische ethiek overgenomen waarvan de hele Mexicaanse samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme aan het eind van de jaren tachtig doortrokken is. Die ethiek is een tweesnijdend zwaard: ze geven niet de staat of de maatschappij de schuld van hun armoede, maar ze hebben ook geen spijt van hun misdaden.
    Ze vinden dat ze de ‘pech’ hebben gehad in armoede en in de marge van de maatschappij geboren te zijn en dat hun slachtoffers de ‘pech’ hebben gehad in hun handen te vallen. De logica is simpel: ‘Ieder voor zich.’

    Niets te verliezen

    Uit de analyse van de interviews kwam een cluster van ideeën en opvattingen naar voren die als vaststaande waarheden werden geponeerd en die ik ‘het narcodiscours’ heb gedoopt.

    De betekenis die armoede heeft in het narcodiscours liegt er niet om. Het heet dat arme mensen geen toekomst hebben en daarom ook niets te verliezen. Zoals een van de geïnterviewden (Wilson) zei: ‘Ik wist dat ik tot aan mijn dood in armoede zou leven en het enige wat ik deed was God vragen: waarom ik?’ Armoede wordt gezien als een natuurlijk gegeven, een omstandigheid waar niets aan te doen is en waar niemand verantwoordelijk voor is. Voetstoots wordt aangenomen dat ‘er iemand moet zijn die arm is’ (Lamberto) en ‘dat je er niks aan kunt veranderen’ (Tabo).

    Die kijk op armoede impliceert een individualistische kijk op de wereld: het individu is zelf verantwoordelijk voor zijn economische en sociale ontwikkeling. ‘Ik wist dat ik alleen stond, als ik iets wilde, dan moest ik het zelf gaan halen’ (Rigoletto).

    De logica van het narcodiscours met betrekking tot armoede is dat iedereen er alleen voor staat en dat dus ‘het recht van de sterkste’ (Yuca) geldt. Zo verklaart ook Cristian het: ‘In mijn wijk wisten we allemaal wat de regel was: als je zit te slapen, verlies je. Dat was de regel. Je moet gewelddadig zijn, door roeien en ruiten gaan, je moet voor jezelf opkomen, want niemand anders zal het doen.’

    “Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?”

    In het narcodiscours wordt ervan uitgegaan dat kleine kinderen en tieners onvermijdelijk bendeleden en drugsverslaafden worden. ‘Als je in een arme buurt opgroeit, dan weet je dat je op een bepaald moment aan de drugs verslaafd raakt’ (Palomo). Net zo worden de bendes, die dagelijks geweld en vandalisme plegen, gezien als ‘de enige manier om het geweld van de straat te overleven’ (Piochas). Er wordt dus van uitgegaan dat die jongeren geen toekomst hebben en daarom niks waard zijn: ‘Als je aan drugs verslaafd bent, beschouw je jezelf als een nul, minder dan afval… Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?’ (Palomo).

    Ook de vroege dood van deze jongeren wordt als onvermijdelijk gezien: ‘Als je zo veel van je vrienden door geweld, door overdoses, door politiekogels, ziet omkomen, dan denk je dat dat ook jouw toekomst is’ (Tigre). Op die manier wordt al bij voorbaat aangenomen dat het met de jongeren slecht zal aflopen: ‘Ik dacht altijd dat ik óf aan een overdosis óf door een kogel zou sterven’ (Pancho).

    Volgens die logica kun je eigenlijk alleen maar van het leven genieten door de consumptie van luxegoederen, en de enige manier om daaraan te komen is door middel van ‘gemakkelijk geld’ dat het ‘gemakkelijke leven’ je biedt. Het gemakkelijke leven is de drugshandel. Ze weten dat de kick van gemakkelijk geld van korte duur is, maar toch loont die de moeite, omdat je ‘in deze wereld, als je geen geld hebt, niemand bent’ (Canastas).
    Ze kennen de gevaren. ‘De ene dag kun je nog in een duur restaurant zitten met allemaal mooie vrouwen om je heen, en de volgende dag word je wakker in de bajes’ (Ponciano). Het ‘gemakkelijke leven’ moet dus snel en op de toppen geleefd worden: ‘Mijn opzet was om elke dag te leven of het de laatste was. Ik liet het breed hangen. Ik kocht de duurste SUV’s, de duurste wijnen en ik had de mooiste vrouwen’ (Jaime).

    ‘Echte man’

    In het narcodiscours speelt ook het idee van de ‘echte man’, die agressief en gewelddadig dient te zijn. En een rokkenjager.

    De participanten noemden de arme wijken ‘de jungle’, de plaats waar het recht van de sterkste heerst. Lichamelijk geweld is essentieel om te kunnen overleven – letterlijk.

    In het narcodiscours komt ook een cruciaal element van geweldpleging tot uitdrukking, namelijk dat het aangeleerd gedrag is. Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt. Zoals Jorge zegt: ‘Als kind werd ik door grotere kinderen geslagen, ze maakten misbruik van me omdat ik alleen was. Ik was niet gewelddadig… maar ik moest wel gewelddadig worden, nog gewelddadiger dan zij. Dat moet als je op straat wilt overleven.’

    In ‘de jungle’ moeten mannen ook een reputatie opbouwen om te overleven. Een ‘echte man’, zo is de opvatting, is heteroseksueel, een rokkenjager, ‘een feestbeest met drugs en alcohol’ (Dávila).

    Daarnaast komt in het discours naar voren dat ‘echte mannen’, in tegenstelling tot vrouwen, geen angst of emoties of zwakte mogen tonen, en de beste manier om dat te doen is laten zien dat je onder alle omstandigheden sterk en dominant bent: binnen de bende, in gevechten met concurrerende bendes en thuis in het gezin.

    Screen Shot 2021 03 19 at 8.47.22 AM 2 1

    In de interviews uitten de participanten vaak de wrok die ze jegens hun vader koesterden. Van de 33 geïnterviewden bekenden er 28 dat ze op zeker moment in hun leven het liefst hun vader zouden hebben vermoord. Huiselijk geweld en geweld tussen mannen en vrouwen horen tot de eerste levenservaringen van deze participanten. Allemaal zijn ze het erover eens dat het dagelijks geweld van hun vaders tegen hun moeders hun als kind het meeste weerzin inboezemde. Het is een constant gegeven in de verhalen die ze vertellen, niet alleen over hun kindertijd, maar ook over drugsverslaving, geweld in het algemeen en hun intrede in de wereld van de misdaad.

    Voor een aantal participanten was het verlangen om hun vader te vermoorden of te martelen de belangrijkste motivatie om in de drugscriminaliteit te gaan. Rorro, bijvoorbeeld, vertelde dat hij als kind ‘geen enkele illusie of plannen voor de toekomst had, het enige waar ik aan dacht was mijn vader vermoorden als ik groot was… ik wilde hem aan stukken hakken’. De drugscriminaliteit in gaan verschafte hem die mogelijkheid. Ook Ponciano gaf aan dat hij zich, als hij mensen moest martelen, altijd voorstelde dat het om zijn vader ging, ‘en dan martelde ik ze met genoegen, net zoals hij ons martelde’.

    De fantasieën die de participanten hadden over het vermoorden van hun vader lijken allemaal op elkaar, allemaal wilden ze hem laten boeten, niet uit wraak voor wat hij hun had aangedaan, maar voor wat hij hun moeder had aangedaan. Opmerkelijk is dat ze ook geen van allen in staat waren hun voornemen uit te voeren toen ze daar de gelegenheid voor kregen. Facundo verwoordt het zo: ‘Ik had hem kunnen vermoorden als ik wilde. Ik had tientallen huurmoordenaars die voor me werkten. Als ik wilde… ik had hem kunnen laten martelen en toekijken hoe hij crepeerde. Maar ik kon het niet… dus ik zei tegen hem: maak dat je wegkomt, ik wil je nooit meer zien. Als ik je weer zie, vermoord ik je.’

    Macho-ideologie

    De oorzaken van de criminaliteit en het geweld in Latijns-Amerika zijn vrijwel in alle landen dezelfde. Tussen de verschillende bronnen van het geweld – van drugscriminelen, het leger, de guerrilla of de bendes – zijn er volgens mij twee dwarsverbindingen: de armoede en de giftige macho ideologie*. De dagelijkse ervaringen van de mensen die in armoede leven is de soep waarin alle soorten geweld (huiselijk geweld, bendegeweld, geweld tussen de seksen) gaar koken. En dat alles binnen het kader van het onzichtbare geweld dat zelden onderkend wordt: het structurele geweld van de staat.

    Wij moeten allemaal, academici, politici en burgers, deze ervaringen proberen te begrijpen en ervan leren. We kunnen wel erkennen dat armoede de moeder is van alle kwaad, maar we weten niet hoe het is om in armoede te leven. Het terugdringen en voorkomen van geweld kan alleen op lokaal niveau gebeuren. Elke regio, elke wijk heeft zijn eigen specifieke problemen en behoeften. Algemene politieke maatregelen zullen niet helpen. En misschien is dat het grote struikelblok: de geweldsproblemen bij de wortel aanpakken, daar kunnen politici geen goede sier mee maken.

    Ook moeten we bedenken dat de dominante macho-ideologie in de Latijns-Amerikaanse landen het geweld niet alleen goedkeurt, maar ook aanmoedigt. In de regio’s worden de problemen onveranderlijk te lijf gegaan met agressie en gemilitariseerde veiligheidsmaatregelen. Geweldloze oplossingen waren tot nog toe geen optie in onze landen, omdat machismo en geweld geïnstitutionaliseerde fenomenen zijn.

    Om het geweld aan te pakken moeten we beginnen met het te begrijpen. Waar komt het vandaan? Wie rechtvaardigt het en hoe? Hoe wordt het gepropageerd? Hoe hebben ze het eerder proberen te bestrijden? Om antwoord te geven op die vragen loont het om interdisciplinair te werk gaan en dienen onze overheden bereid te zijn naar ons te luisteren.

    Wat eerst moet gebeuren is een verandering van paradigma: de militairen moeten terug de kazerne in, complexe problemen moeten lokaal worden aangepakt (al zal dat de landelijke politiek geen punten opleveren) en we moeten ophouden met het binair discours waarin het heet dat ‘zij’ dood moeten, want daar bereiken we alleen maar mee dat de onverschilligheid van ‘hen’ jegens ‘ons’ toeneemt.