Tag: vakbond

  • Tunesische vakbond waarschuwt president na lage opkomst verkiezingen

    Tunesische vakbond waarschuwt president na lage opkomst verkiezingen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: boete voor vliegen met vuurwapens verhoogd in 2023

    » Indonesië: nieuwe wet verbiedt online beledigen van de president

    Tweede ronde verkiezingen moet worden uitgesteld, aldus UGTT

    De UGTT, de machtigste vakbond van Tunesië, heeft de Tunesische president Kais Saied gewaarschuwd dat een tweede ronde van de omstreden parlementsverkiezingen moet worden uitgesteld om chaos te voorkomen, aldus Al Jazeera. Volgens de UGTT zal het nieuwe parlement geen legitimiteit hebben, gezien de absurd lage opkomst bij de eerste verkiezingsronde vorige maand, toen uit protest slechts 11,2 procent van de kiesgerechtigden stemde. ‘Ik verwachtte dat de president de boodschap van die lage opkomst zou hebben begrepen… maar hij gaat door met zijn plannen,’ aldus UGTT-voorman Noureddine Taboubi. Zijn vakbond met meer dan een miljoen leden wist eerder door stakingen de economie stil te leggen en speelde een belangrijke rol in de revolutie van 2011.

    In Tunesië is het onrustig sinds Saied vorig jaar het door de oppositie gedomineerde parlement ontbond en de grondwet zodanig wijzigde dat die ondergeschikt werd aan het presidentschap. De oppositie beschuldigt hem ervan een ‘staatsgreep’ te hebben gepleegd.

    Lees ook:

  • Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Bijna iedereen is het erover eens: ons voedselsysteem moet op de schop. Maar hoe zorgen we ervoor dat we én gezonder eten, én beter omgaan met de planeet, én betere arbeidsomstandigheden creëren in de voedselindustrie? Deze activisten doen een poging.

    Een altaar is een heilige plek, maar je kunt er overal een inrichten, met wat je maar wil of toevallig voorhanden is. Zo kwam vorig jaar op 5 december een groepje mensen bijeen op een plein in het centrum van Springdale in Arkansas om daar op de betonnen treden van een trap een wake te houden met chrysanten en kaarsen van Onze Lieve Vrouw van Guadalupe, en handgeschreven witte kaarten met de namen van werknemers in pluimveeslachterijen die waren overleden aan corona. Onder elke naam stond ‘¡Presente!’ (Aanwezig!), wat zowel op de doden als de levenden kan slaan: in Latijns-Amerika wordt ermee gewezen op de aanwezigheid van de doden, met name slachtoffers van onderdrukking. Er lagen witte veiligheidshelmen bij, en aan de leuning hingen blauwe schorten: onderdelen van het bedrijfstenue dat deze werknemers droegen toen de coronapandemie al volop woedde en zij nog steeds schouder aan schouder 175 kippen of kalkoenen per minuut stonden te slachten – in deze stad die leeft van de pluimveeslachterijen en door Arkansas dan ook is uitgeroepen tot pluimveehoofdstad van de wereld.

    De arbeidersorganisatie Venceremos (Wij Zullen Zegevieren), die deze wake organiseerde, had maandenlang geijverd voor beschermingsmiddelen en gespreide diensten om het risico op coronabesmetting te verkleinen. (Volgens de Centers for Disease Control and Prevention waren eind mei in het hele land al meer dan 16.000 werknemers in de vleesverwerkende industrie besmet geraakt.) ‘Je zat in de orkaan en probeerde te overleven,’ zegt de voorzitter van Venceremos, de van oorsprong Mexicaanse Magaly Licolli (38). ‘En ineens begin je de doden te tellen.’ De mensen die ze daar herdachten, waren gestorven doordat ze werkzaam waren in de ‘vitale beroepen’, zoals de overheid dat nu noemt. Vitaal en dus waardevol, zou je denken, maar in plaats van waardering en een hogere beloning, bracht die kwalificering slechts dwang met zich mee.

    Toch heeft de term ‘vitale beroepen’, met die ondertoon van heroïek, sommige Amerikanen voor het eerst de ogen geopend voor de lang genegeerde levens van de boeren, de werknemers in slachterijen en de vakkenvullers zonder wie wij geen eten op tafel zouden krijgen. ‘Corona heeft een breder publiek erop attent gemaakt dat we een voedselsysteem hébben,’ zegt Navina Khanna (40), de directeur van de HEAL Food Alliance, die in Oakland woont. (HEAL staat voor Health, Environment, Agriculture and Labor.)

    Dat komt mede doordat het bedrijfsleven in de begindagen van de coronacrisis inspeelde op de angst voor lege schappen en waarschuwde dat een lockdown de voedselvoorziening in gevaar zou brengen. (In de brute optelsom van de kapitalistische productie zijn arbeiders minder waard dan de kippen die ze slachten.) Tyson Foods in Springdale, de grootste vleesverwerker van de VS (met in 2020 een omzet van 43,2 miljard dollar, 800 miljoen meer dan in het coronavrije jaar ervoor) plaatste in april een paginagrote advertentie in de grote kranten. ‘Het is onze verantwoordelijkheid om het land van voedsel te voorzien,’ schreef bestuursvoorzitter John Tyson daarin. ‘Dat is van even vitaal belang als medische zorg.’

    Gericht op winst

    Op zichzelf was dat voor zo’n industriegigant een radicale omslag. Sociale hervormers wijzen al jaren op de gevaren van een voedselsysteem dat louter gericht is op winst. Als je voedsel alleen maar ziet als handelswaar en niet als basisbehoefte, accepteer je in feite dat er altijd mensen zullen zijn die er geen geld voor hebben en dus honger moeten lijden. Volgens Feeding America, een landelijk netwerk van voedselbanken dat opereert vanuit Chicago, waren er het afgelopen jaar zo’n vijftig miljoen burgers, ofwel één op de zes Amerikanen, die gebrek aan voedsel hadden. Kijk maar naar de met 60 procent gestegen afname van producten bij voedselbanken in het hele land, waar soms kilometerslange rijen staan, en de scherpe stijging in het aantal winkeldiefstallen van zulke basisbenodigdheden als brood.

    Maar ook vóór de pandemie waren er al 35 miljoen mensen die niet genoeg eten konden kopen, en toen waren er maar weinig bedrijven die vonden dat ze het volk moesten voeden. En het was ook niet vanwege lege supermarkten dat mensen in 2020 bij de voedselbank aanklopten. Toen de president in april gelastte dat de vleesverwerkende industrie moest blijven draaien, zogenaamd om ‘de Amerikaanse burger van voldoende eiwit te blijven voorzien’, bleek de productie zo hoog dat de grote bedrijven voor honderdduizenden tonnen (en miljarden dollars) aan vlees naar het buitenland konden exporteren.

    Het is geen toeval dat naarmate Amerikaanse consumenten steeds verder vervreemd zijn geraakt van de herkomst van hun voedsel en de grotendeels onzichtbare arbeid die nodig is voor de productie ervan, datzelfde voedsel ook is uitgegroeid tot een soort nationale obsessie, zoals die tot uiting komt in alle kookprogramma’s op tv, de verafgoding van topkoks en #foodporn op Instagram. Het is makkelijk om dit af te doen als het hedonisme van een beschaving in zijn nadagen, waarvan de decadentie des te meer opvalt doordat de lockdowns een kloof hebben geschapen tussen mensen die zich niet kunnen afzonderen omdat ze tomaten moeten plukken of vakken vullen, en zij die zich de luxe kunnen veroorloven om thuis te blijven en al hun boodschappen te laten bezorgen.

    De obsessie met eten is een teken van een verlangen om weer in contact te komen met onze oorsprong

    Maar die obsessie met eten is ook een teken van angst en van een verlangen – al is het nog zo confuus – om weer in contact te komen met onze oorsprong. Dat biedt kansen aan voorvechters van verandering in de wereld van de voedselproductie, zoals Licolli en Khanna: zij kunnen zich richten tot een publiek dat nu ook (zij het aan de late kant) oog begint te krijgen voor de grote problemen van onze tijd: de kloof tussen arm en rijk, raciale ongelijkheid en de afbraak van het milieu. Problemen die ons al vóór corona parten speelden en waar we zonder systeemverandering ook nog wel mee zullen kampen als de pandemie alweer verleden tijd is.

    De gebreken van ons moderne voedselsysteem dateren al van de eerste suikerplantages op het Portugese eiland Madeira in de vijftiende eeuw, en de eerste mondiale ondernemingen die voortkwamen uit de zeventiende-eeuwse specerijenhandel. Europeanen konden zich toen verrijken dankzij de inzet van goedkope en vaak gedwongen arbeid uit andere landen: een bedrijfsmodel dat voor velen te winstgevend was om te weerstaan, ondanks de humanitaire tol die het eiste.

    Aan het eind van de achttiende eeuw hekelden Britse tegenstanders van de slavernij het leed dat in elk kopje thee en elk lepeltje suiker school, geproduceerd als die waren door Afrikaanse slaven in wat toen West-Indië heette. De boekhandelaar William Fox publiceerde in 1791 het pamflet ‘Een Pleidooi aan het Volk van Groot-Brittannië, over waarom het van Fatsoen getuigt om geen Suiker en Rum uit West-Indië te nuttigen’, waarvan aan weerszijden van de Atlantische Oceaan meer dan honderdduizend exemplaren in omloop waren: het was het meestverkochte pamflet van zijn tijd. ‘Met elk pond suiker consumeren wij in feite ook één ons mensenvlees,’ schreef Fox.

    Fair Trade

    De Engelse quaker Sophia Sturge ging in Birmingham van deur tot deur om mensen over te halen suiker uit West-Indië te boycotten, en sommige winkeliers gingen er prat op geen uit slavernij voortkomende producten te verkopen. Dat groeide uit tot een heuse beweging onder de noemer ‘Free Produce’, ‘slaafvrije producten’, die ook in Amerika voet aan de grond kreeg. Veel quakers hadden daar suikerriet al in de ban gedaan ten faveure van ahornsiroop en wilden geen katoen dat afkomstig was van de plantages in de Zuidelijke staten. (Het hedendaagse equivalent van Free Produce is het in de jaren tachtig ingevoerde Fair Trade-keurmerk, gestoeld op de gedachte dat het ethisch is om zo veel voor een product te betalen dat kleine boeren en producenten er iets aan kunnen verdienen – al blijft er discussie over de vraag wie daarop moet toezien en wie er werkelijk beter van wordt.)

    Tegenwoordig zijn alle onderdelen van de voedselvoorzieningsketen mikpunt van activisme: hoe voedsel wordt geproduceerd (milieuvervuilende landbouwpraktijken, onveilige arbeidsomstandigheden, de uitbuiting van illegalen en dwangarbeid van gedetineerden, dierenmishandeling), wie het kan produceren en hoe het wordt verkocht (raciale ongelijkheid bij het krijgen van leningen en investeringen, het schaalvoordeel van grote bedrijven, de verdringing van minderheidsculturen of de verspreiding van valse stereotypen daarover) en bij wie het belandt (armoede en honger, buurten waar geen vers en gezond voedsel te krijgen is, moralistische praatjes over de besteding van voedselbonnen).

    Sommige van die problemen worden wel opgepakt door topkoks, die in onze obsessieve eetcultuur enig respect afdwingen, maar hun pleidooi is vaak eerder juichend dan kritisch van aard (zoals in hun aansporing om vooral te eten wat het seizoen te bieden heeft en wat vers van de boer komt) en resulteert doorgaans niet in aanbevelingen voor nieuw beleid. Al zou dit onder invloed van de pandemie kunnen veranderen: de uit Spanje afkomstige José Andrés, die restaurants bezit in Las Vegas, Miami en Washington en die in het verleden voedselhulp heeft georganiseerd voor miljoenen slachtoffers van orkanen en ziekte, haalde onlangs uit naar de Amerikaanse overheid omdat het zou ontbreken aan de ‘politieke wil’ om een eind te maken aan de honger.

    ‘En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Maar ook buiten de schijnwerpers wordt veel belangrijk werk verricht met buurtactivisme, zoals de moestuinen die Karen Washington (66) aanlegt in de Bronx. Ze begon in 1988 met één braakliggend, met vuilnis bezaaid perceel tegenover haar huis. Ze had geen grootse plannen, ze was al blij dat ze dat onooglijke lapje grond wist om te toveren tot de oase die ze de Garden of Happiness noemde, en dat ze haar buren op verse groente kon trakteren. Maar al snel sloeg ze de handen ineen met andere stadstuiniers om zich te verweren tegen de pogingen van de gemeente om hun tuintjes weg te halen en gebouwen neer te zetten op deze voorheen verwaarloosde stukjes grond, die inmiddels groeiden en bloeiden. (Natuurbeschermingsorganisaties schoten uiteindelijk te hulp door een aantal van die percelen op te kopen.) Ze heeft mettertijd al veel tuinen helpen opzetten en beleidsvoorstellen voor ambtenaren geschreven, maar de kern van haar werk is nog steeds wat ze in en voor haar eigen buurt doet. Tijdens de pandemie ging ze de huizen af om te kijken of ouderen wel genoeg te eten hadden, en een groot deel van de oogst uit haar moestuin gaat naar voedselbanken en gaarkeukens. ‘Als we koken, maken we altijd wat extra,’ zegt ze.

    Maar ze weet ook dat dit alleen maar een lapmiddel is. ‘We zijn al zo lang afhankelijk van de bedeling,’ zegt ze. ‘Er wordt voedsel uitgedeeld en we gaan in de rij staan. En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Voedselactivisme bestrijkt zo veel terreinen dat het een versnipperd geheel is, een bonte lappendeken van uiteenlopende achterbannen, van geïmmigreerde bessenplukkers in de staat Washington die in de zomer stikken in de rook van de bosbranden, tot zwarte stadsboeren in Atlanta die kampen met de erfenis van racistische grondonteigening en New Yorkse ondernemers met kraampjes voor taco’s of halal hapjes die aan het begin van de pandemie hun omzet met 80 procent zagen dalen, maar niet voor overheidssteun in aanmerking kwamen omdat ze in de marges van de officiële economie werken, met veel contante betalingen en een minimum aan papierwerk. Na jarenlang soms wel veertien uur per dag te hebben gewerkt, zaten veel van deze ondernemers ineens aan de grond en waren ze aangewezen op de voedselbank. Carina Kaufman-Gutierrez (30), adjunct-directeur van het Street Vendor Project van het Urban Justice Center in Manhattan, dat met een team van zes medewerkers opkomt voor de belangen van zo’n twintigduizend straatverkopers, vindt het beschamend ‘dat de mensen die nu in de rij staan om eten te krijgen, de mensen zijn die al hun leven lang anderen van voedsel voorzien’.

    ‘We hadden al die tijd ook kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld’

    Maar al sinds de jaren tachtig bestookt de voedselbeweging het grote publiek niet zozeer met oproepen om in opstand te komen, als wel met het vagelijk jubelende mantra om gezonder te eten door inkopen te doen op de boerenmarkt en biologisch en onbewerkt voedsel te kopen dat niet in massa geproduceerd is. En dat is ook wel goed voor het milieu en voor kleinere bedrijven, maar het lijkt soms alsof dat alleen maar mooi meegenomen is en het per saldo vooral gaat om het individueel welzijn. Alsof je mensen alleen zover kunt krijgen dat ze in het belang van arbeiders of de planeet ‘met hun vork stemmen’ door een beroep te doen op hun eigenbelang. De neiging om het gedrag van individuele consumenten te beïnvloeden in de hoop zo tot geleidelijke verandering te komen, staat in feite op gespannen voet met de noodzaak van directe politieke actie. ‘Dat geloof dat je de boel via de individuele keuzes van mensen kunt veranderen, is een manier om de markt zelf niet ter discussie te stellen,’ zegt de agro-ecoloog Eric Holt-Giménez (67), voormalig directeur van de in Oakland gevestigde denktank Food First. ‘We hebben de neiging vooral te kijken naar de romantische kant, de kleine boer die biologische groenten verbouwt, terwijl we al die tijd ook hadden kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld.’

    De moeilijkste opgave voor elke activist is misschien wel hoe je mensen tot inzicht kunt brengen. De uit Nigeria afkomstige schrijver en kok Tunde Wey (37) uit New Orleans heeft daar zijn missie van gemaakt. Hij verbindt zich niet aan een restaurant, maar vergast de wereld op bijzondere pop-ups: bijvoorbeeld een kraampje waar witte klanten dertig dollar betalen voor een gerecht dat zwarte klanten maar twaalf dollar kost, als een afspiegeling van het gemiddelde inkomensverschil tussen zwarte en witte inwoners van New Orleans. Of een diner in een kerk waar het menu in het teken staat van de gentrificatie en je voor een halve kip 50.000 dollar betaalt – wederom als je wit bent, want zwarte gasten eten er gratis. Het is niet alleen maar provocatie en ook geen surrealistische grap, het zijn eerder gedachte-experimenten over de reële gevolgen van ongelijkheid. Zijn projecten ‘blijven achter bij de omvang van het probleem, dat kan niet anders’, zegt Wey. Hij wantrouwt mensen die zijn werk klakkeloos omarmen, want hij weet ‘hoe moeilijk het is om te veranderen’. Het echte werk ‘moet vanbinnen gebeuren’, zegt hij. ‘Ook bij mijzelf.’

    Land- en tuinbouw-cao

    ‘Het vraagt meer van je om voor anderen te zorgen,’ zegt de directeur van Community to Community Development in de westelijke staat Washington, Rosalinda Guillén (69). Als dochter van een geïmmigreerde landarbeider werkte ze als kind in de jaren zestig zelf ook in de aardbeienpluk. Dertig jaar later probeerde ze een vakbond op te zetten onder de werknemers van Chateau Ste. Michelle, de grootste wijnmaker in de staat. Ze organiseerde demonstraties, liet van zich horen op aandeelhoudersvergaderingen (speciaal met dat doel hadden de activisten aandelen in het bedrijf gekocht), en wat misschien nog wel het belangrijkste was: ze trok de aandacht van de buitenwereld. De countryzanger Willie Nelson zegde uit solidariteit een voorgenomen concert bij het wijnhuis af, dokwerkers in Europa weigerden de wijn uit te laden en stewardessen wilden die niet meer aan passagiers serveren. Guillén heeft jarenlang bij het bedrijf actie moeten voeren, ze werd bedreigd door beveiligers, haar banden werden lek gestoken en er werd suiker in haar tank gegooid. Maar uiteindelijk kregen de arbeiders hun cao, de eerste voor land- en tuinbouwwerknemers in de staat Washington.

    Raj Patel, een 48-jarige docent op het gebied van voedselsystemen aan de Universiteit van Texas in Austin, wijst erop dat internationale activisten de afgelopen decennia een bredere kijk hebben omarmd op wat ze voedselsoevereiniteit noemen. Dat begrip is gemunt door La Via Campesina, een internationale organisatie van boeren en landarbeiders die ontstaan is tijdens een conferentie in België in 1993. Voedselsoevereiniteit omvat meer dan alleen een betrouwbare voedselvoorziening voor iedereen en gaat ook over het erkennen van het belang van de culturele context, rentmeesterschap en het grondrecht op zelfbeschikking. ‘Eet je een biologische banaan omdat je vindt dat je lichaam een tempel is, of omdat landarbeiders degenen zijn die het meest onder pesticiden te lijden hebben?’ vraagt Patel.

    (Er is ook een akelige historische link tussen de beweging voor biologisch eten en blank etnisch nationalisme: beide putten uit een vergelijkbaar jargon van zuiverheid en wazige en geïdealiseerde denkbeelden over een bloedband met de aarde die niet mag worden bezoedeld met industriële bestrijdingsmiddelen of ‘Fremdstoffe’ – zoals de naziwetenschapper Werner Kollath het noemde, die in de Tweede Wereldoorlog niet alleen voorstander was van de slogan Lasst unsere Nahrung so natürlich wie möglich (‘laat onze voeding zo natuurlijk mogelijk zijn’), maar ook van gedwongen sterilisatie en eugenetica. Een van de extreemrechtse opstandelingen die begin januari na de rellen bij het Capitool in Washington werden opgepakt, schijnt in de gevangenis biologisch voedsel te hebben geëist omdat hij vreesde anders ziek te worden.)

    Armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen

    Tijdens de Amerikaanse Gilded Age, de economische bloeitijd na de Burgeroorlog, leidde de snelle industrialisatie en de ophoping van rijkdom in de handen van een kleine groep tot de opkomst van een nieuwe arbeidersklasse in de VS. Die arbeiders waren veelal verse immigranten die onder aan de pikorde stonden en daarom geen kans maakten op goedbetaald werk. Zij zagen zich dus genoodzaakt de allerlaagste baantjes te accepteren, hoe vies en gevaarlijk de werkomstandigheden ook waren. Toen Upton Sinclair in zijn baanbrekende roman The Jungle (1906) het werk in slachthuizen en vleesverwerkingsfabrieken beschreef, was dat een sensatie – zij het om de verkeerde redenen, zo besefte hij al snel: de lezers gruwden eerder van de gedachte dat ze besmet vlees op hun bord konden krijgen dan van het harde arbeidersbestaan. ‘Ik mikte op het hart van het publiek, en raakte het bij toeval in de maag,’ schreef hij daar later over.

    Maar misschien dat de groeiende onzekerheid op de banenmarkt in alle sectoren, voor zowel arbeiders als kantoorpersoneel, en de miljoenen mensen die ten gevolge van corona nu zonder werk zitten, dit debat toch weer leven kunnen inblazen. ‘De gedachte dat men zich een uitweg uit de problemen kan kopen zit diep verankerd in het individualistische, kapitalistische denken,’ zegt Khanna, ‘in tegenstelling tot het besef dat we allemaal genaaid worden.’

    Critici van links tot rechts beschuldigen de voedselbeweging wel van elitarisme. Het vergt een zekere mate van betrekkelijke maatschappelijke voorsprong en welvaart om te kunnen eten op een manier die doorgaans als gezond wordt beschouwd. Etiketten zoals ‘biologisch’ dreigen daardoor alleen maar symbolen van status en deugdzaamheid te worden, terwijl mensen die op voedselbonnen zijn aangewezen geregeld wordt verweten dat ze met overheidsgeld ‘verkeerd’ voedsel kopen. De in voedsel gespecialiseerde schrijver en universitair docent S. Margot Finn uit Michigan stelde in 2019 in een artikel dat onder invloed van overwegend rijke en witte activisten de prioriteiten van de voedselbeweging te veel zijn doorgeslagen naar buurtmoestuinen, stadsboeren, groenteabonnementen en de beschikbaarheid van vers voedsel, in plaats van zich bijvoorbeeld te beijveren voor betaalbare gezondheidszorg voor iedereen of een hoger minimumloon. Het getuigt volgens haar van ‘een schrale morele verbeelding van wat de moeite waard is als het om eten gaat’. (Je kunt natuurlijk ook voor al deze zaken tegelijk strijden.)

    De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet

    Maar voor de welgestelden mag gezond eten dan misschien vooral een kwestie van levensstijl zijn, armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen. En de beschikbaarheid van gezond voedsel speelt vandaag de dag nog steeds een grote rol in het activisme van mensen van kleur. In 1969 begon de Black Panther Party met de verstrekking van een gratis ontbijt aan schoolkinderen, eerst in Oakland en daarna in het hele land: minstens twee keer per week kregen ze worst, spek of eieren met toast of maispap, melk, jus of warme chocolademelk en vers fruit. De Black Panthers beschouwden voedselonzekerheid als een vorm van onderdrukking en waren van mening dat gebrek aan goede voeding geen incidenteel probleem was, maar onderdeel van een systeem waarmee men zwarte mensen onder de duim hield. Het gratis ontbijt werd nooit als een oplossing voor de rassenongelijkheid beschouwd: het was een van de overlevingsprogramma’s van de Panthers (‘survival pending revolution’ was hun leus: overleven tot de revolutie). Zo wilden ze de zwarte burgers op de been houden tot ze in de positie verkeerden ‘om zich aan de laars van hun onderdrukker te ontworstelen’, zoals Huey P. Newton, een van de oprichters van de Panthers, in 1972 schreef.

    De federale overheid had in 1966 ook al een kleine pilot opgezet van haar eigen gratis ontbijtprogramma, maar dat werd pas landelijk uitgerold in 1975, toen de Panthers door de FBI praktisch waren ontmanteld en hun maatschappelijke hulpprogramma’s waren verdwenen. De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet. In veel steden waar de scholen dichtgingen, bleven de schoolkantines open en werden daar maaltijden bereid en uitgedeeld voor ’s ochtends, ’s middags en soms ook ’s avonds, niet alleen voor kinderen maar ook voor andere mensen in nood. De toenmalige minister van landbouw Sonny Perdue versoepelde de federale wetgeving die sommige scholen in staat stelt gratis maaltijden te verstrekken zonder naar een inkomensbewijs te vragen. ‘Kinderen kunnen zich niet op de les concentreren als ze honger hebben,’ zei Perdue, waarmee hij een gedachte verwoordde die meer dan een halve eeuw geleden ook al in de partijkrant van de Black Panthers had gestaan: ‘Hoe kunnen onze kinderen iets leren als hun maag meestentijds leeg is?’ Vanuit diezelfde gedachte hebben veel vrijwilligersorganisaties tijdens de Black Lives Matter-betogingen van vorig jaar maaltijden verstrekt aan demonstranten. Dat was behalve voedselhulp ook een statement: wij staan achter jullie.

    Gezond voedsel

    Je mensen te eten geven als die niet altijd zeker zijn van voldoende voedsel, kan ook een daad van verzet zijn – de erkenning dat het ook een vorm van geweld is om mensen zulke basisbenodigdheden te onthouden. Dara Cooper (43) woont in Atlanta en is directeur van de National Black Food and Justice Alliance (NBFJA). Toen ze in de jaren tachtig opgroeide in de South Side van Chicago, zag ze dat haar moeder keihard werkte en toch maar met moeite genoeg eten op tafel kreeg. De groente in hun supermarkt zag er altijd oud, verlept en gehavend uit, heel anders dan de fleurige groente- en fruitafdelingen vol verse waren in de winkels van de rijkere en wittere buurten van de stad.

    Buurten waar niet of nauwelijks winkels met vers en gezond voedsel voorhanden waren, werden vroeger wel een voedselwoestijn genoemd: bijna alsof het een willekeurig en natuurlijk verschijnsel was, in plaats van het gevolg van bewust beleid. Buurten die als ‘risicovolle’ investering werden beschouwd, zoals bijna alle buurten waar vooral minderheden woonden, moesten het immers vaak zonder essentiële diensten stellen en kwamen niet in aanmerking voor leningen van de in de jaren dertig opgerichte hypotheekverstrekker van de overheid, de Home Owners’ Loan Corporation. Door de Fair Housing Act van 1968 is deze discriminatie nu weliswaar officieel verboden, maar de ongelijkheid blijft hardnekkig. Activisten spreken tegenwoordig van voedselapartheid, een term die opgeld deed toen de lokale bewonersorganisatie Community Coalition of South Los Angeles campagne voerde om de wildgroei van fastfoodzaken in wijken met lage inkomens af te remmen.

    Dara Cooper hielp in 2011 een afgedankte stadsbus om te bouwen tot een rijdende groentewinkel, Fresh Moves, waarmee verse groenten worden verkocht in wijken met te weinig goede winkels. Zo willen ze tegelijkertijd aandacht vragen voor het probleem en meteen ook demonstreren hoe je het kunt oplossen. Het probleem is niet alleen de afwezigheid van winkels met een goed assortiment, maar ook wie er in zo’n winkel de leiding heeft. Als grootwinkelbedrijven een filiaal in een zwarte wijk openen, zie je bij het management vaak nog vooroordelen die tot wrijving met klanten leiden, en weinig bereidheid om personeel uit de buurt te werven. Net als de moestuinen van Karen Washington in de Bronx was Fresh Moves bedoeld als een zaak van en voor de buurt, en het liep meteen storm. ‘We stonden naast een ijscowagen, en bij ons stond een langere rij,’ zegt Cooper.

    Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin

    Sommige zwarte activisten vinden het vooral aantrekkelijk om hun eigen groente te verbouwen – zowel om in hun eigen behoeften te kunnen voorzien, als om zich af te zetten tegen een verleden waarin zwarte mensen op het platteland geen eigen grond mochten hebben, maar tot slavernij werden gedwongen. Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin. Soul Fire Farm, een non-profitorganisatie buiten New York, organiseert workshops waarin praktijklessen in traditionele Afrikaanse landbouwmethoden gecombineerd worden met een kritische beschouwing van het voedselsysteem door de bril van ras en klasse. En wat betreft de groenteabonnementen van gemeenschapslandbouw, waarbij je als consument aandelen koopt in de jaaroogst van een boerderij en je dividend krijgt uitbetaald in de vorm van een aantal dozen verse groente per jaar: wie dat wegzet als een speeltje van linkse witte mensen, gaat voorbij aan het baanbrekende werk van Booker T. Whatley, een landbouwdocent aan de Tuskegee University in Alabama, die de lezers van zijn Handbook on How to Make $100,000 Farming 25 Acres in 1987 al adviseerde om zich van vaste inkomsten te verzekeren door een club op te zetten waarbij de leden vooruitbetalen voor een jaar lang groente.

    Jamila Norman (41), een milieukundig ingenieur die zich op de stadslandbouw heeft toegelegd wegens het gebrek aan winkels met gezond voedsel in haar eigen wijk in Atlanta, vindt het belangrijk om de grond waarop ze gewassen verbouwt in eigendom te hebben en rendabel te maken, ‘om een landbouwbedrijf neer te zetten als een levensvatbaar bedrijfsmodel voor mensen van kleur, zodat ze zien dat die weg voor hen vrij ligt’. Volgens cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw is het totale aantal boerderijen de afgelopen eeuw met 68 procent gedaald van bijna 6,5 miljoen in 1920 tot iets meer dan 2 miljoen in 2017. Maar het aantal boerderijen van zwarte boeren is gedaald van ongeveer 925.000 naar 35.000, een veel scherpere daling van wel 96 procent. Dat komt neer op de onteigening van miljoenen hectares, deels door discriminatie bij het verstrekken van leningen door zowel banken als de overheid. (In 1998 erkende het ministerie in een rapport dat er sprake was van ‘langdurige vooroordelen tegen en discriminatie van boeren uit etnische minderheden’.) Met de Patchwork City Farms, door Norman oorspronkelijk begonnen op een stuk grond dat ze pachtte van een openbare school, maar inmiddels gevestigd op een eigen perceel niet ver van haar huis, wil ze het ‘verhaal’ van de zwarte boer ‘heroveren’. Het doel is een toekomst waarin, zo zegt ze, ‘ik helemaal niet bijzonder meer ben omdat iedereen dan aan landbouw doet’.

    Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’

    De pandemie heeft veel voedselactivisten genoodzaakt om van belangenbehartiging over te stappen op noodhulp (de ‘overlevingsprogramma’s’ van Huey P. Newton) teneinde te kunnen voorzien in de eerste behoeften van mensen: voedsel voor wie honger lijdt, financiële steun voor kleine bedrijven op de rand van het faillissement, en bescherming van de levens van werknemers in ‘vitale’ beroepen. Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’. Maar ‘ons normaal is dodelijk’, zegt Guillén. En ook Holt-Giménez ziet het somber in: ‘Miljardairs, grote bedrijven en grote ketens komen beter uit de pandemie,’ zegt hij. ‘Het levert kansen op – en kijk wie die kansen benutten.’ Tegen het probleem van het schaalvoordeel valt praktisch niet op te boksen, zoals Wey ook laat zien. Norman wil haar kinderen van rond de twintig niet als knecht op haar boerderij inzetten. ‘Ik moet dit werk zelf kunnen doen,’ zegt ze, ‘dit rendabel houden zonder mensen uit te buiten.’ Maar grote landbouwbedrijven kunnen makkelijk lagere prijzen vragen door arbeidskrachten te behandelen als wegwerpartikelen en ze ‘in tijden van crisis zelfs op te offeren’, zegt Guillén. ‘De gedachte blijft toch: hoe dicht kun je de wettelijke grens van slavernij naderen?’

    Maar de huidige crisis zal niet meteen verdwenen zijn met het virus, die zoönotische infectie die van dier op mens is overgesprongen en dus duidelijk een nevenproduct is van onze inbreuken op de habitat van dieren en het existentiële gevaar van onze niet-aflatende belasting van het milieu. Met het stijgende tempo waarin de klimaatverandering om zich heen grijpt, en de schijnbare onuitroeibaarheid van raciale onrechtvaardigheid en de eeuwenoude verdeling van rijkdom en macht, zowel in Amerika als op mondiaal niveau (om nog maar te zwijgen over de bunkermentaliteit van diegenen die al zo lang aan de knoppen zitten dat ze het delen van macht meteen ervaren als de totale ondergang), is voedsel zowel een symbool als de letterlijke belichaming geworden van alle problemen om ons heen. Activisme kan de vorm aannemen van een betoging, van een boycot, van een campagne om een miljoen deuren af te gaan, of zelfs van een handvol zaad: een stukje toekomst dat je in de aarde steekt. Het kan bestaan uit een koor van stemmen en een groeiend bewustzijn dat wat wij eten niet alleen een afspiegeling is van onze (vaak laaghartige) keuzes als samenleving, maar die keuzes ook vormt; en dat het in onze macht ligt om iets aan die keuzes, en aan de manier waarop we leven, te veranderen.

  • En de grootste belastingontwijker is: Amazon

    En de grootste belastingontwijker is: Amazon

    Amazon boekte in 2020 een omzet van 44 miljard euro in Europa, maar betaalde geen cent vennootschapsbelasting. Volgens eigen woordvoerders leveren ze wel degelijk een belangrijke bijdrage aan de samenleving.

    Er zijn nieuwe vragen gerezen over de belastingmoraal van Amazon nadat het Luxemburgse jaarverslag onthulde dat het bedrijf in 2020 in Europa een recordomzet van 44 miljard euro had geboekt, maar geen cent vennootschapsbelasting afdroeg aan het groothertogdom.

    Uit het jaarverslag van Amazon EU Sarl, de Luxemburgse tak van het bedrijf dat producten levert aan honderden miljoenen huishoudens in Europa, blijkt dat er ondanks een recordomzet een verlies van 1,2 miljard euro is geleden, zodat het bedrijf van belasting werd vrijgesteld. Sterker nog, het ontvangt een belastingaftrek van 56 miljoen euro bij eventuele winst in de toekomst. Het gaat om 2,7 miljard euro aan overgedragen verliezen, die op toekomstige winsten in mindering kunnen worden gebracht.

    De Luxemburgse tak, die de verkopen afhandelt aan Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, Polen, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden, heeft 5262 mensen in dienst, wat neerkomt op een omzet van 8,4 miljoen euro per werknemer.

    Oorverdovend

    Margaret Hodge, een parlementslid van de Labour Party dat al lange tijd campagne voert tegen belastingontduiking, zegt: ‘Het lijkt erop dat Amazons schaamteloze belastingontduiking onverminderd doorgaat. De inkomsten van het bedrijf zijn tijdens de pandemie de pan uit gerezen terwijl onze winkelstraten worstelen met hun voortbestaan, en toch blijven ze hun winsten naar belastingparadijzen als Luxemburg sluizen om een eerlijke belastingafdracht te vermijden. Deze grote digitale bedrijven zijn allemaal afhankelijk van onze openbare diensten, onze infrastructuur en onze goed opgeleide en gezonde arbeidskrachten. Maar anders dan kleinere bedrijven en hardwerkende belastingbetalers weigeren de techreuzen hun steentje bij te dragen aan de publieke zaak. De Amerikaanse president Biden heeft een nieuw, eerlijker systeem voorgesteld voor het belasten van grote digitale bedrijven, maar het Verenigd Koninkrijk heeft zich nog niet achter de hervormingen geschaard. De stilte hier is oorverdovend. De Britse regering moet deze unieke kans aangrijpen om belastingontduiking door grote bedrijven naar het verleden te verbannen.’

    ‘Amazon betaalt niet alleen nu geen belasting, maar zal dat ook de komende jaren niet doen‘

    Paul Monaghan, bestuursvoorzitter van de Britse Fair Tax Foundation, zegt: ‘Deze cijfers zijn ontstellend, zelfs voor Amazon. We zien overal ter wereld een exponentieel groeiende marktdominantie die grotendeels onbelast blijft, waardoor lokale bedrijven die voor een verantwoordelijker benadering kiezen op een schandalige manier worden ondermijnd. Het overgrote deel van het geld dat Amazon in het VK verdient vloeit naar de zwaar verliesgevende poot in Luxemburg, wat betekent dat ze niet alleen nu geen noemenswaardige belasting betalen, maar dat ook de komende jaren niet zullen doen.’

    Uit het jaarverslag van Amazon EU Sarl in Luxemburg blijkt dat de omzet van 32 miljard euro in 2019 in 2020 is gestegen met 12 miljard euro. Het verslag, dat maar 23 bladzijden telt, splitst niet uit hoeveel geld Amazon in elk afzonderlijk Europees land heeft verdiend.

    Maar uit het Amerikaanse jaarverslag van Amazon blijkt dat de omzet in het VK vorig jaar met 51 procent is gestegen tot een recordbedrag van 21,7 miljard euro. De winkels waren het grootste deel van het jaar gesloten vanwege de lockdown en het thuiswerken stuwde het gebruik van Amazon Web Services, het cloudplatform van het bedrijf, op tot ongekende hoogten. Maar hoeveel belasting daar het afgelopen jaar is betaald, blijft onvermeld. In 2019 betaalde het bedrijf, dat oprichter en CEO Jeff Bezos inmiddels een privéfortuin van 164 miljard euro opleverde, in het VK 339 miljoen euro belasting over een omzet van ruim 14 miljard.

    1,2 miljard

    1,2 miljard verlies leidde Amazon in Europa, ondanks een recordomzet van 44 miljard euro

    De 22,5 miljard euro die klanten in het VK in 2020 bij Amazon besteedden is ongeveer het dubbele van de omzet van Marks & Spencer, het 137 jaar oude Britse warenhuis, en benadrukt hoe de coronapandemie een revolutie heeft ontketend in onze manier van winkelen en een bedreiging vormt voor de toekomst van onze winkelstraten. Vorige week meldde Amazon zijn grootste kwartaalwinst aller tijden: 6,6 miljard euro over een omzet van 89 miljard.

    Een woordvoerder van Amazon zegt: ‘Amazon betaalt alle verschuldigde belasting in ieder land waar we actief zijn. Vennootschapsbelasting is gebaseerd op winst, niet op omzet, en onze winst blijft laag vanwege onze grote investeringen en de geringe winstmarge in de uiterst concurrerende detailhandel. We hebben sinds 2010 meer dan 78 miljard euro in Europa geïnvesteerd, en een groot deel van die investeringen betreft infrastructuur die vele duizenden nieuwe banen heeft opgeleverd, aanzienlijke bedragen aan lokale belasting genereert en kleine Europese bedrijven ondersteunt.’

    Doug Gurr, onlangs vertrokken als directeur van Amazon.co.uk, legt uit dat ‘de website Amazon.co.uk wordt beheerd door Amazon EU Sarl, een in Luxemburg gevestigde entiteit die het Europese hoofdkwartier van Amazon vormt’.

    Jean-Claude Juncker, de toenmalige premier van Luxemburg had persoonlijk zijn steun aan Amazon aangeboden

    Er wonen maar iets meer dan zeshonderdduizend mensen in Luxemburg, maar toch hebben veel van de grootste bedrijven ter wereld er hun hoofdkwartier. Amazon arriveerde in 2003 en sloot binnen enkele maanden een vertrouwelijke overeenkomst met de Luxemburgse belastingdienst.

    Bob Comfort, tot 2011 hoofd Belastingen bij Amazon, zei tegen een Luxemburgse krant dat Jean-Claude Juncker, de toenmalige premier van het land en de voormalige voorzitter van de Europese Commissie, persoonlijk zijn steun aan Amazon had aangeboden. ‘Hij zei gewoon: “Als jullie onoplosbare problemen tegenkomen, zeg het me dan. Dan probeer ik jullie te helpen.”’ Comfort werd later tot honorair consul van Luxemburg in Seattle benoemd, waar het Amerikaanse hoofdkwartier van Amazon is gevestigd.

    Fiscale ondergrens

    Vorige maand heeft Joe Biden plannen voorgelegd aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, een club van voornamelijk rijke landen, om het wereldwijde belastingsysteem ingrijpend te herzien en onder andere een minimaal belastingtarief in te voeren om te voorkomen dat multinationals gebruikmaken van mazen in de wet. Duitsland en Frankrijk steunen de plannen, maar het VK hult zich in stilzwijgen. Washington dringt al lange tijd aan op wereldwijde verdragen die ervoor zorgen dat machtige multinationals een fatsoenlijk bedrag aan belasting betalen. Volgens het voorstel van de Amerikaanse president zouden grote techbedrijven voortaan belasting moeten betalen aan nationale overheden op basis van de omzet die ze in elk land genereren, ongeacht het land waar ze statutair gevestigd zijn.

    Ook zou er wereldwijd een fiscale ondergrens moeten worden afgesproken. De VS hebben een tarief van 21 procent voorgesteld, al zou dat een struikelblok kunnen vormen omdat het hoger is dan het wettelijk minimum in sommige landen, waaronder Ierland, Hongarije en het Caraïbisch gebied. Bezos, de rijkste man ter wereld, juichte Bidens plannen toe en zei dat Amazon achter een verhoging van de vennootschapsbelasting stond.

    Amazon is niet de enige multinational die ingewikkelde bedrijfsstructuren creëert om belasting te ontduiken. De zes grootste Amerikaanse techbedrijven – Amazon, Facebook, Google, Netflix, Apple en Microsoft – zijn ervan beschuldigd het afgelopen decennium voor 82 miljard euro aan belasting te hebben ontdoken, aldus een rapport van de Fair Tax Foundation. Stuk voor stuk zeggen ze keurig aan hun belastingverplichtingen te hebben voldaan.

    Het rapport wijst Amazon aan als de grootste zondaar. Het bedrijf zou dit decennium tot nu toe slechts 2,8 miljard euro belasting hebben betaald, ondanks een omzet van 788 miljard en een winst van 21,9 miljard.

    Volgens de Fair Tax Foundation betekent dit dat Amazons werkelijke belastingtarief het afgelopen decennium 12,7 procent bedroeg, tegen 35 procent voor de gehele VS in diezelfde periode.

    Volgens Amazon wekt het rapport een ‘verkeerde suggestie’ en heeft het bedrijf ‘in de periode 2010-2018 in werkelijkheid 24 procent aan belasting afgedragen’.

    TOCH GEEN VAKBOND VOOR AMAZON

    Werknemers in het Amazon-pakhuis in de stad Bessemer in Alabama, streden dit voorjaar voor de eerste vakbond binnen het bedrijf. Als deze er zou komen, zouden er meer volgen, was de verwachting. De werknemers in Bessemer verdienen meer dan het door de Democraten gewenste minimumloon van 15 dollar per uur, maar klagen over werkdruk en gebrek aan privacy: ze worden voortdurend in de gaten gehouden en hebben per tien uur maar twee keer een half uur pauze.

    Onder aanvoering van vakbondleider Stuart Appelbaum zag het er rooskleurig uit, maar toen de stemming begin april plaatsvond, keerde onverwacht ruim twee derde van de werknemers zich tegen het besluit: 1.798 versus 738. Ook werden zo’n vijfhonderd stemmen terzijde gelegd, vooral door Amazon, omdat er iets mis zou zijn met de formulieren.

    Volgens Appelbaum heeft Amazon de werknemers verkeerd geïnformeerd en geïntimideerd. Amazon voerde campagne tegen de vakbond door te zeggen dat de werknemers contributie moesten gaan betalen – wat niet klopte, want de lidmaatschapsbijdrage is in Alabama niet verplicht. Via verplichte anti-vakbondsbijeenkomsten, via sms-jes en via stickers op de wc kregen de medewerkers te zien en te horen dat ze ‘het winnende team’ niet moesten verlaten.

    Ook zouden bij een stembus die op het terrein van Amazon werd geplaatst, stemmers in de gaten zijn gehouden.

    Stuart heeft zich er nog niet bij neergelegd. ‘We laten Amazons leugens, bedrog en illegale activiteiten niet onbeantwoord’, aldus de voorzitter.

  • Moeten fresco’s weg van de Italiaanse muren? | Ernstige crisis voor Bolsonaro

    Moeten fresco’s weg van de Italiaanse muren? | Ernstige crisis voor Bolsonaro

    Leger, marine en luchtmacht keren zich tegen Bolsonaro

    De commandanten van het leger, de marine en de luchtmacht traden op dinsdag 30 maart af vanwege een conflict met de Braziliaanse president, die de dag ervoor de minister van Defensie had ontslagen. Volgens Folha de S. Paulo is de crisis tussen de Braziliaanse uitvoerende macht en het leger de ergste sinds 1977, toen minister van Defensie Sylvio Frota werd ontslagen te midden van een militaire dictatuur. De gerenommeerde Braziliaanse krant spreekt van ‘een primeur’.

    Volgens het dagblad was het onbehagen over het onverwachte ontslag van Azevedo ‘te groot’. Deze laatste en zijn bondgenoten zijn van mening dat Bolsonaro ‘een rode lijn heeft overschreden’ door in het bijzonder voor te stellen een ‘staat van verdediging’ uit te roepen om te voorkomen dat in het hele land lockdowns worden afgekondigd.

    ‘Mijn leger’ zal dergelijke maatregelen niet toestaan, verklaarde de Braziliaanse president publiekelijk. Volgens Folha de S. Paulo is het verzet tegen de lockdowns waartoe de gouverneurs van de Braziliaanse staten besloten hebben om de verspreiding van het coronavirus te beteugelen, een ‘obsessie’ geworden voor de president, die de vaccinatiecampagne al tegen zijn wil heeft moeten omarmen.

    Lees ook:

    De beperkende maatregelen roepen nog meer weerstand op dan de oproep tot vaccinatie, en Bolsonaro vreest dat ze zijn herverkiezing in 2022 ‘nog moeilijker’ zullen maken, concludeert het dagblad.

    Bolsonaro roept de Braziliaanse bevolking op om te stoppen met ‘zeuren’ over covid-19

    Ondertussen is de toestand in ziekenhuizen vanwege de agressievere Braziliaanse P.1-variant penibel, meldt Wall Street Journal, die een videoreportage op de intensive care in de staat Rio Grande do Sul maakte. ‘Volgens gezondheidswerkers neemt het sterftecijfer toe en verslechtert de toestand van patiënten die de P.1-variant dragen zeer snel.’ 

    Volgens intensivecaremedewerkers is deze nieuwe golf van covid-19-gevallen het gevolg van een versoepeling van de maatregelen. Veel Brazilianen trotseren de maatregelen, legt de Wall Street Journal uit, daarin aangemoedigd door ‘een president die het virus blijft bagataliseren’. Bolsonaro roept de Braziliaanse bevolking op om te stoppen met ‘zeuren’ over covid-19.


    Beladen controverse in Napels

    Veel muren in de stad aan de voet van de Vesuvius worden gesierd door tekeningen ter ere van overledenen. ‘Het vieren van overleden dierbaren met portretten of kleine altaren op straat is een traditie die verband houdt met een zekere archaïsche religiositeit’, legt La Stampa uit. 

    ‘Maar steeds vaker zijn de gezichten op de muren van de stad die van de doden die verband houden met de georganiseerde misdaad; jonge jongens die stierven als gevolg van illegale acties. (…) Emanuele Errico, Luigi Caiafa, Emanuele Sibillo, Ugo Russo en vele anderen. Ze hadden allemaal problemen met de wet, ze hadden allemaal recht op hun fresco, maar dat recht wordt nu bedreigd.’ Sommige portretten zijn al gewist.

    Lees ook:

    In het centrumlinkse dagblad La Repubblica neemt een Napolitaanse advocaat de pen op (en hij is niet de enige) om de symbolische waarde van de ‘kunstwerken’ te verdedigen. ‘We zijn het er allemaal over eens dat de dood van tieners in het stadscentrum een ​​tragedie is, maar om deze reden moeten we de dingen niet vereenvoudigen. De staat tegenover zijn vijanden plaatsen is zwart-wit. Een vijftienjarige jongen die wordt vermoord, is nog steeds een slachtoffer, en je kunt zijn dood niet bezweren door de verantwoordelijkheid bij hem zelf te plaatsen en te zeggen: ‘Hij heeft erom gevraagd.’”

    Het verwijderen van het fresco van Ugo Russo (hieronder) is voorlopig opgeschort door de rechtbanken, maar de druk van de bewoners is vaak niet voldoende om de regering te dwingen terug te treden. Als vergelding werd bijvoorbeeld het portret van een Napolitaanse zanger beklad met een ‘verhulde bedreiging’, schrijft Corriere della Sera: ‘De doden moeten worden gerespecteerd, niet gewist.’ Belangrijk detail: dit fresco is gemaakt in samenwerking met het stadhuis van Napels, merkt het Milanese dagblad op.

    Corriere zet het dilemma helder uiteen: ‘Enerzijds kunnen we de wens om de symbolen van een levensstijl die is gebaseerd op het negeren van regels en wettigheid, uit te wissen, niet betwisten, maar we kunnen ook erkennen dat een verflaag niet voldoende is om het probleem op te lossen, waarvan deze fresco’s slechts het gevolg zijn.

    Gaan we getuige zijn van een slepende oorlog tussen twee teams, totdat een van de twee het terugvechten beu wordt? Het probleem is dat het om veel muren gaat, aangezien veel jonge mensen leven van (en sterven door) criminele handelingen. Een leger van schilders zou niet genoeg zijn om al deze gezichten van de muren van Napels en uit van ons geweten te roeien.’

    Lees ook:

    Het belangrijkste dagblad van de stad, Il Mattino, deelt deze mening niet. Het is verheugd met de beslissing die ‘gemakkelijke compromissen vermijdt en geen consessies doet op het gebied van legaliteit’. 

    Om haar standpunt te illustreren, gebruikt de Napolitaanse krant geen grote woorden, maar haalt ze een voorbeeld aan dat het belang moet illustreren van het terugwinnen van het stedelijk grondgebied voor de bevolking zelf: ‘Denk aan het fresco van Luigi Caiafa. Hoeveel ouders moesten hier elke ochtend langs lopen en liegen tegen hun kinderen die hen vragen wie deze persoon was? Dat gezicht werd vereeuwigd vlak voor hun huis.’

    Lees ook:


    Amazon-medewerkers krijgen mogelijk een eerste vakbond

    Dinsdag begon de telling van de stemmen die zullen bepalen of werknemers in Bessemer, Alabama, de allereerste vakbond zullen vormen binnen een Amazon-magazijn in de VS, meldt ABC News.

    Het initiatief voor een vakbond bij een van de grootste werkgevers in de natie heeft de aandacht getrokken van wetgevers en beleidsmakers, aangezien velen de stemming beschouwen als een keerpunt in de georganiseerde arbeidersbeweging, die de afgelopen decennia in de VS wegkwijnde.

    De vakbondsformatie in Alabama zou bovendien een ‘precedent’ kunnen scheppen en andere Amazon-arbeiders in het hele land kunnen inspireren om dit voorbeeld te volgen.

    Als het doorgaat, zullen de magazijnmedewerkers worden vertegenwoordigd door de Retail, Wholesale and Department Store Union (RWDSU). ‘Deze campagne is in veel opzichten al een overwinning geweest’, zegt RWDSU-voorzitter Stuart Appelbaum in een verklaring. ‘Ook al weten we niet hoe de stemming zal verlopen, we denken dat we de deur hebben geopend voor meer organisatie in het hele land; en we hebben laten zien hoe ver werkgevers zullen gaan om tegen te gaan dat hun werknemers een ​​vakbondsstem krijgen. Deze campagne is het belangrijkste voorbeeld geworden van waarom in dit land hervorming van het arbeidsrecht nodig is.’

    Lees ook:

    Vorige week bezocht senator Bernie Sanders Alabama om enkele van de arbeiders te ontmoeten die betrokken waren bij de vakbondsinspanningen. ‘Waar ik benieuwd naar ben is waarom de rijkste man ter wereld, Jeff Bezos, miljoenen uitgeeft om te voorkomen dat arbeiders een vakbond oprichten, zodat ze kunnen onderhandelen over betere lonen, secundaire arbeidsvoorwaarden en contracten’, tweette Sanders voorafgaand aan zijn bezoek, geciteerd door CNN.

    Zijn tweet wekte woede van Amazon-directeur Dave Clark, die op Sanders’ tweet reageerde door op te merken dat het minimumloon van Vermont [waarvan Sanders senator is] $11,75 per uur bedraagt in vergelijking met Amazons $15. ‘De senator mag zijn onzinnige interpretaties bewaren tot hij zijn achtertuin op orde heeft’, aldus Clark.

    Aan de andere kant van het spectrum heeft ook de Republikeinse senator Marco Rubio publiekelijk zijn steun voor de vakbond uitgesproken in een opiniestuk dat eerder deze maand door USA Today werd gepubliceerd.

    Op de dag dat er voor de vakbond werd gestemd, bracht president Joe Biden een video op Twitter uit waarin hij zijn steun uitsprak voor de vakbonden en arbeiders aanmoedigde om ‘je stem te laten horen’.

    ‘Onze werknemers kennen de waarheid – een startloon van $15 of hoger, ziektekostenverzekering vanaf dag één en een veilige en inclusieve werkplek’

    In reactie op een verzoek om commentaar meldde Amazon dinsdag aan ABC News dat ‘het RWDSU-lidmaatschap met 25 procent is gedaald tijdens de ambtsperiode van Stuart Appelbaum, maar dat is nog geen rechtvaardiging voor de heer Appelbaum om de feiten verkeerd voor te stellen’.

    Het bedrijf vervolgt: ‘Onze werknemers kennen de waarheid – een startloon van $15 of hoger, ziektekostenverzekering vanaf dag één en een veilige en inclusieve werkplek. We moedigden al onze werknemers aan om te stemmen, en hun stem zal in de komende dagen worden gehoord.’