Tag: verenigdestaten

  • Handvol families financiert Amerikaanse verkiezingen

    Handvol families financiert Amerikaanse verkiezingen

    Ooit werd Frankrijk bestierd door tweehonderd families. In de VS gebeurt nu iets soortgelijks: uit onderzoek van The New York Times blijkt dat 158 superrijke families bijna de helft van al het campagnegeld bijeen hebben gebracht.

    Het zijn in overgrote meerderheid rijke, oudere blanke mannen in een natie die in toenemende mate wordt gevormd door jonge kiezers, vrouwelijke kiezers en kiezers met een kleurtje. In dit onmetelijk grote land wonen zij vooral in een kleine archipel van exclusieve rijke wijken verspreid over een handjevol steden. En in een economie waarin miljardairs van oudsher fortuin maakten in een onafzienbare reeks verschillende industrieën, danken zij hun rijkdom grotendeels aan slechts twee sectoren: financiële dienstverlening en energie. Met hun enorme rijkdom hebben ze nu de politieke arena betreden. Bijna de helft van al het campagnegeld van de Democratische en Republikeinse kandidaten is van hen afkomstig. Uit onderzoek van The New York Times blijkt dat 158 families, deels via bedrijven die geheel of gedeeltelijk in hun handen zijn, nu al 176 miljoen dollar aan de campagnes hebben bijgedragen. Sinds Watergate is het niet meer gebeurd dat zo’n klein aantal mensen en bedrijven in zo’n vroeg stadium van de verkiezingen zo veel geld heeft ingebracht. Overwegend via kanalen die pas wettelijk zijn toegestaan sinds het Hooggerechtshof met het Citizens United-arrest vijf jaar geleden de weg vrijmaakte voor super-PAC’s [zie kader onderaan dit artikel]

    De samenstelling van deze groep donateurs weerspiegelt de veranderende samenstelling van Amerika’s economische elite. Er zitten betrekkelijk weinig mensen bij met oud geld of uit het traditionele bedrijfsleven. De meesten hebben zelf een bedrijf opgebouwd en zijn rijk geworden met een combinatie van lef en talent: door het oprichten van een hedgefonds in New York, door het opkopen van onderschatte olievelden in Texas of door kassuccessen in Hollywood. Meer dan een dozijn van deze donateurs is niet geboren in de 
VS maar in Cuba, de voormalige Sovjet-Unie, Pakistan, India of Israël.
    Maar hoe ze hun geld ook hebben 
verdiend, in hun politieke voorkeur neigen de grootste donateurs aan de verkiezingscampagnes naar rechts. 
Ze hebben al tientallen miljoenen gedoneerd aan Republikeinse kandidaten die paal en perk beloven te stellen aan regelgeving en overheidstoezicht, aan de belastingtarieven op inkomen, vermogenswinst en erfenissen en aan subsidies en sociale voorzieningen. Allemaal beleidskeuzes die hun eigen rijkdom beschermen, maar die ze om andere redenen zeggen te omarmen: volgens hen leidt dit tot economische groei en behoud van een stelsel dat ook anderen in staat stelt rijk te worden.
    ‘Veel families die op eigen kracht rijk zijn geworden, vinden dat kleine ondernemingen last hebben van het woud aan regelgeving,’ zegt Doug Deason, een belegger uit Dallas die vijf miljoen in de campagne van de Texaanse 
gouverneur Rick Perry had gestoken. (Nu Perry zich heeft teruggetrokken, dingen veel andere kandidaten naar zijn gunsten.) ‘Zij hebben goed geboerd. En ze gunnen het andere mensen om ook goed te boeren.’

    Een fundraiser voor Donald Trump in het huis van autohandelaar Ernie Boch Jr. in Norwood, Massachusetts. – © Brian Snyder / Reuters
    Een fundraiser voor Donald Trump in het huis van autohandelaar Ernie Boch Jr. in Norwood, Massachusetts. – © Brian Snyder / Reuters
    Het zijn razend succesvolle ondernemers die gewend zijn bergen te verzetten, en graag tegen de stroom inroeien

    Tegenwicht voor demografie

    Met al dat geld voor Republikeinse kandidaten bieden deze rijke donateurs financieel tegenwicht aan de demografische ontwikkeling. Die levert juist steeds meer electorale steun op voor 
de Democraten en hun economische beleid. Uit een peiling van The New York Times en CBS News bleek in juni dat twee derde van alle Amerikanen voorstander is van een hoger belastingtarief voor wie meer dan een miljoen per jaar verdient. Zes op de tien is voorstander van actiever overheidsbeleid om de kloof tussen arm en rijk te dichten. 
En volgens het Pew Research Center 
is bijna zeven op de tien Amerikanen voor behoud van ons huidige uitkeringen- en ziektekostenstelsel.
    Republikeinse kandidaten hebben moeite om stemmen te winnen onder latino’s, vrouwen en zwarte kiezers. Maar in deze campagne blijken de Republikeinen een grote voorsprong op de Democraten te hebben in de wereld van de zogenaamde super-PAC’s. Voor donaties aan het campagneteam van een kandidaat geldt een strikte limiet, maar aan zo’n ‘onafhankelijk’ political action committee mag iedereen zo veel geven als hij wil. De meeste donaties vloeien dan ook daarheen. Tot 30 juni hadden de 158 grootste donateurs in de campagne ieder al minstens 250.000 dollar bijgedragen, zo blijkt uit gegevens van de Federale kiescommissie 
en andere bronnen. En nog eens 200 andere families gaven ieder meer dan 100.000 dollar. Bij elkaar opgeteld waren deze twee groepen verantwoordelijk voor meer dan de helft van al het campagnegeld tot nu toe, en het leeuwendeel daarvan ging naar Republikeinen. ‘Het stelsel voor campagnefinanciering werkt nu als tegenkracht tegen de feitelijke ontwikkeling van het electoraat en het beleid dat kiezers willen,’ zegt Ruy Teixeira, een politicoloog van het linkse Center for American Progress.

    In hun politieke voorkeur neigen de grootste donateurs naar rechts

    Eigen klasse

    Zoals de meeste superrijken treden de nieuwe donateurs niet graag naar buiten. De meeste families die wij benaderden, wilden ons niet te woord staan over hun campagnebijdragen of hun politieke denkbeelden. Veel donaties waren afkomstig van bedrijfsadressen of postbusnummers, of ze liepen via brievenbusfirma’s of trustfondsen. Allemaal nieuwe methoden die mogelijk zijn gemaakt door het Citizens United-arrest, dat bedrijven veel meer speelruimte geeft om verkiezingscampagnes te financieren. Sommige donateurs staan vanwege hun privacy of om belastingtechnische redenen niet ingeschreven als eigenaar van het huis waar ze wonen. Dat maakt het nog moeilijker de sociale verwevenheid en de familiebanden van deze kleine groep te achterhalen.
    Maar uit interviews en onderzoek in openbare bronnen – zoals kiezersregistraties, bedrijfsgegevens en data van de federale kiescommissie – komt een beeld naar voren van een heel eigen klasse die geografisch, sociaal en economisch sterk samenklit. De wijken waar ze wonen, zouden samen bijna allemaal binnen de stadsgrenzen van New Orleans passen. Maar nog geen vijfde van de totale bevolking van die wijken bestaat uit minderheden, en praktisch niemand is zwart. De bewoners verdienen er vierenhalf keer zo veel als de gemiddelde Amerikaan en de kans dat ze een universitaire opleiding hebben genoten is tweemaal zo hoog. De meeste families wonen in slechts negen steden, vaak vlak bij elkaar in buurten zoals het chique Bel Air en Brentwood in Los Angeles of River Oaks in Houston, een wijk die vooral in trek is bij topmannen van energiebedrijven. Of Indian Creek Village, een particulier eiland bij Miami met een eigen beveiligingsdienst, 35 villa’s en een 18 holes-golfbaan. Soms zijn ze, Republikeinen zowel als Democraten, donateur van dezelfde musea, symfonieorkesten of hulpprogramma’s voor achterstandskinderen. Ze doen samen zaken, ze trouwen met elkaar en zitten soms in hetzelfde pokerclubje. Meer dan vijftig leden van deze families staan in de Forbes 400-lijst van de rijkste miljardairs van het land. Ze zijn zo rijk dat zelfs een campagnebijdrage van een miljoen dollar voor hen een kleinigheid is.
    Neem hedgefondsmiljardair Kenneth C. Griffin uit Chicago: volgens de gegevens die zijn vrouw indiende in hun echtscheidingszaak, bedraagt zijn besteedbaar inkomen 68,5 miljoen dollar per maand. Hij heeft in totaal 300.000 dollar aan lobbygroepen van Republikeinse presidentskandidaten gegeven. Dat lijkt een enorm bedrag, maar gemeten naar zijn jaarinkomen is het evenveel als 21,17 dollar voor een gemiddeld Amerikaans huishouden (uitgaande van cijfers over het gemiddeld besteedbaar inkomen van het Congressional Budget Office [de Amerikaanse rekenkamer]).
    De rijkdom van deze families is deels een gevolg van de enorme groei van de financiële dienstverlening en de hausse in de olie- en gasindustrie, twee ontwikkelingen die de Amerikaanse economie in de afgelopen decennia ingrijpend hebben veranderd. De families profiteren bovendien van de politieke en economische ontwikkelingen die ten grondslag liggen aan de groeiende kloof tussen arm en rijk. Terwijl het aandeel van de middenklasse in het nationaal vermogen en het nationaal inkomen is gekrompen, is dat van deze families juist gegroeid.

    Zoals de meeste superrijken treden de nieuwe donateurs niet graag naar buiten
    Indian Creek Village, een particulier eiland bij Miami met ruim tachtig supperrijke bewoners, onder wie veel politieke donateurs. – © Scott Morgan / Reuters
    Indian Creek Village, een particulier eiland bij Miami met ruim tachtig supperrijke bewoners, onder wie veel politieke donateurs. – © Scott Morgan / Reuters

    Financiën en energie

    De vermogensgroei is vooral hard gegaan in de hogere echelons op Wall Street. Waar beleggers voorheen vooral het geld van anderen beheerden, werden ze steeds vaker zelf schatrijk. Eén tiende procent van de Amerikaanse belastingbetalers werkt in de financiële sector, en volgens één onderzoek is hun aandeel in het nationaal inkomen sinds 1979 vervijfvoudigd. Van de hier besproken families zijn er 64 rijk geworden in de financiële sector. Dat is de grootste subgroep onder de superdonateurs in deze verkiezingsrace. De meeste hebben zich daarbij niet omhooggewerkt binnen een gevestigd bedrijf als Goldman Sachs of Exxon. Ze hebben, al dan niet in samenwerking met anderen, eigen ondernemingen opgezet. In de financiële sector beheerden ze hedgefondsen en andere risicovolle beleggingsfondsen die profiteerden van het gunstige belastingklimaat voor schulden en beleggingen, en van de aantrekkende beurzen en lage rentetarieven van de laatste tijd. In de energiesector gaat het onder meer om avonturiers die als eersten profiteerden van de nieuwe boortechnieken en de hoge energieprijzen die de winning van schaliegas in North Dakota, Ohio, Pennsylvania en Texas rendabel maakten. Anderen maakten fortuin door die pioniers te voorzien van pijpleidingen, vrachtwagens en apparatuur om te ‘fracken’.
    In beide sectoren kan een succesvol 
bedrijf in korte tijd enorme winsten opleveren – in tegenstelling tot sectoren waar het kapitaal vastzit in investeringen. En als ze niet worden gehinderd door aandeelhouders of een raad van bestuur, hebben deze ondernemers alle vrijheid om met dat geld hun politieke passie uit te leven. Meer dan de helft van het geld van de 158 grootste donateurs komt uit deze twee sectoren. ‘Als ik die families zie: dat zijn razend succesvolle ondernemers die gewend zijn om bergen te verzetten, en die graag tegen de stroom in roeien,’ zegt David McCurdy, vroeger Congreslid voor Oklahoma en nu voorzitter van de Vereniging van Amerikaanse Aardgasbedrijven.
    Grote beursgenoteerde bedrijven laten zich doorgaans niet in met super-PAC’s, vanwege de negatieve publiciteit over de invloed van het grote geld op de campagnes. Maar deze zelfstandige ondernemers stoppen er rustig miljoenen in. En ze zetten hun geld soms op kandidaten waar het partijestablishment en traditionele donateurs de neus voor ophalen. Neem de drie families die tot nu toe de grootste campagnebijdragen hebben gedoneerd: de familie Wilks uit Texas, die miljarden heeft verdiend met vrachtwagens en boorapparatuur voor de schaliegasvelden; de familie Mercer uit New York, van hedgefondsbelegger Robert Mercer; en Toby Neugebauer, een private equity-belegger uit Texas. Allemaal steunen zij de Texaanse senator Ted Cruz, de uiterst conservatieve Tea Party-hardliner die slecht ligt bij de Republikeinse partijtop.
    ‘Veel geld inzetten op iets waar 
anderen nog niets in zien. Dat is de overeenkomst tussen het succes in 
die twee sectoren, energie en beleggingen,’ zegt Tim Phillips. Hij is de voorzitter van Americans for Prosperity, een conservatieve lobbygroep gelieerd aan de Republikeinse geldschieters Charles G. en David H. Koch.
    Sommige families zitten in netwerken van ideologisch gedreven partijdonateurs die, zowel op links als op rechts, fundamentele invloed proberen uit 
te oefenen op de koers van hun partij. Zo zijn meer dan een dozijn donateurs of hun familieleden ook betrokken bij Koch Seminars, de tweejaarlijkse conferentie van de gebroeders Koch, die 
via diverse lobbygroepen onder meer ijveren voor afschaffing van de Export-Import Bank [een bank van de federale overheid, die kredieten verstrekt om 
de export van Amerikaanse goederen te bevorderen. Het rendement hiervan is omstreden en rechts-conservatieven zoals de gebroeders Koch beschouwen dit als een ongewenste vorm van staatsinmenging in de economie]. Dat geldt bijvoorbeeld voor bovengenoemde Deason en zijn vrouw, voor beleggingspionier Charles Schwab, wiens vrouw Helen veel aan de partij doneert, en voor Karen Buchwald Wright, van de familie die compressoren voor de 
winning en het transport van aardgas maakt. ‘De meeste deelnemers aan de conferentie zijn ondernemers die hun bedrijf helemaal zelf, van de grond af, hebben opgebouwd,’ zegt Deason, die alle vormen van subsidies en sociale uitkeringen wil afschaffen, ook als zijn eigen investeringen ervan profiteren.
    Anderen, zoals hedgefondsbelegger George Soros en zijn zoon Jonathan, hebben juist banden met de Democracy Alliance, een netwerk van linkse partijdonateurs die willen dat de Democratische partij veel meer doet aan klimaatbeleid en een progressief belasting-
stelsel. Deze groep geldschieters, die hun rijkdom veelal te danken hebben aan Hollywood of Wall Street, hebben miljoenen in de campagne van Hillary Clinton gestoken.


    Veel op het spel

    Tot op zekere hoogte doneren deze families geld omdat ze persoonlijke, regionale of professionele banden 
hebben met de kandidaten die ze steunen. De vader van Jeb Bush heeft zijn geld verdiend in de olie en Jeb Bush heeft zelf miljoenen verdiend op Wall Street. Sommige kandidaten die door de superrijken worden gesteund, 
hebben een politiek ambt bekleed in Florida of Texas, de twee staten waar de meeste families op de lijst van 158 wonen. Maar dat deze families de mogelijkheden van het Citizens United-arrest ten volle uitbuiten, is vooral een teken dat er voor hen ook veel op het spel staat, juist in de financiële dienstverlening en de energiesector. De regering Obama, de Democraten 
in het Congres en zelfs Jeb Bush zijn voorstander van regelgeving en belastingmaatregelen die een fikse lastenverhoging voor durfkapitaal- en private equity-fondsen kunnen betekenen. Hedgefondsen kenden van oudsher weinig regelgeving, maar zijn sinds 2010 gebonden aan de regels van de Dodd-Frank-wet [848 pagina’s aan financiële regulering die in juli 2010 werden doorgevoerd ter bestrijding van de financiële crisis]: verschillende Republikeinse kandidaten hebben beloofd om die terug te draaien, terwijl Clinton hem juist wil handhaven.
    En de schaliegashausse heeft in korte tijd weliswaar heel veel geld opgeleverd, maar ook geleid tot overproductie van olie, waardoor de prijzen nu dalen. Binnen de industrie bestaat brede steun voor opheffing van het veertig jaar oude verbod op de export van olie, om Amerikaanse olieproducenten een nieuwe afzetmarkt te geven, en voor de aanleg van de omstreden Keystone XL-oliepijpleiding [vanuit Canada 
naar de VS. Olie-raffinaderijen, milieuactivisten en enkele leden van het Amerikaanse Congres spanden rechtszaken aan die de bouw moesten dwarsbomen]. ‘Ze vragen geen hulp van de overheid, ze willen alleen graag olie exporteren, en de meesten willen ook de Keystone-pijpleiding,’ zegt T. Boone Pickens, belegger en voorstander van aardgaswinning, over zijn collega’s in de energiesector. ‘De olie- en gasindustrie heeft wonderen verricht voor dit land. Ze betalen zich krom aan belasting, en toch blijven de mensen je aanvallen,’ vervolgt Pickens, die 125.000 dollar heeft gedoneerd aan steuncomités voor Jeb Bush of Carly Fiorina. ‘Het zijn ondernemers, en ze hebben overal een mening over.’

    Nicholas Confessore, Sarah Cohen en Karen Yourish

    Kader: Wat zijn super-PAC’s?

    Amerikaanse presidentskandidaten krijgen in hun campagnes vaak bijval van zogenaamde political action committees (PAC’s), lobbygroepen die in naam onafhankelijk zijn, maar in feite actie voeren voor (en vooral ook tegen) specifieke kandidaten. Net als de financiering van campagneteams is die van PAC’s aan strikte regels gebonden: donaties mogen niet anoniem plaatsvinden en niet meer bedragen dan 5000 dollar per persoon. 
Maar twee uitspraken van het Hooggerechtshof in 2010, waaronder het Citizens United-arrest, hebben de weg vrijgemaakt voor zogenaamde super-PAC’s. Daaraan mogen particulieren en bedrijven zo veel geld doneren als ze willen. Officieel mogen de super-PAC’s niet met een kandidaat of zijn campagneteam overleggen over de te volgen koers, maar in de praktijk spelen hun publiciteitscampagnes al sinds 2012 een grote rol in de verkiezingen.

  • Zwart New Orleans heeft niet zo veel te juichen

    Zwart New Orleans heeft niet zo veel te juichen

    Onder de zwarte bevolking van New Orleans leeft veel wrok over de reactie van de autoriteiten op Katrina en de veranderingen die de stad sindsdien heeft ondergaan. Kunstenaars vertolken deze gevoelens van onvrede, en proberen de lokale tradities in ere te houden.

    New Orleans is een stad die onuitwisbaar getekend is door blanke suprematie. Reusachtige monumenten gewijd aan ‘helden’ van de Geconfedereerden, zoals Robert E. Lee, Jefferson Davis en P.G.T. Beauregard, zijn zowel geestelijk als geografisch lelijke littekens in de stad. Maar New Orleans is ook een zwarte stad. Een plek waar een cultuur van verzet is ontstaan tegenover de blanke minderheidsklasse. De tradities van de stad vinden hun oorsprong in de diaspora van Afrikanen die elkaar ontmoetten op Congo Square en daar kunst en magie uitwisselden, en in de oorspronkelijke indiaanse bevolking die in Louisiana leefde voordat het een kolonie werd. Deze ontmoeting en uitwisseling van Afrikaanse en indiaanse volkeren vormt de kern van de cultuur van het New Orleans dat ik ken.


    In 1977 werd Ernest ‘Dutch’ Morial tot burgemeester van New Orleans gekozen en daarmee werd een tijdperk van zwarte burgemeesters ingeluid dat tot 2010 zou duren, toen Mitch Landrieu aan de macht kwam. Landrieu, de eerste blanke burgemeester in dertig jaar, werd in 2014 herkozen voor een tweede termijn. De bevolking van de stad was radicaal veranderd. De orkaan Katrina, die duizenden mensen het leven had gekost, had ook gezorgd voor de gedwongen verhuizing van zwarte inwoners. De zwaar getroffen ‘Ninth Ward’ zag in de eerste tien jaar na Katrina zijn zwarte bevolking met 50 procent afnemen, terwijl in dezelfde buurt de blanke bevolking met meer dan 20 procent toenam.

    Geesten

    Er waren nog wel steeds veel geesten rond. Van onze voorouders, die vanuit de westkust van Afrika en later Haïti arriveerden, tot de slachtoffers van grote en kleine opstanden, waaronder de grootste Amerikaanse slavenopstand in 1811. In de dagen na Katrina werd Henry Glover vermoord door de politie van New Orleans, werd zijn lijk weggehaald van de moordplek en later door weer andere agenten verbrand. Zijn schedel is nooit teruggevonden. En dan de ernstigste gebeurtenis van allemaal: de autoriteiten van New Orleans, een van de grote steden in Amerika, hadden besloten tot een verplichte evacuatie, maar de 25 procent van de mensen die geen vervoer had, werd achtergelaten. Er waren geen bussen, geen treinen die de stad uit reden. Het zou vijf dagen duren voor er extra vervoer werd geregeld en de federale overheid ingreep, en toen gebeurde dat meteen ook onder bedreiging van vuurwapens.

    Het verhaal van een ‘nieuw’ Orleans is een macaber verhaal geworden

    In New Orleans leven we nog steeds met het trauma van die vijf dagen en de vele dagen die erop volgden. Om in de stad te blijven wonen moest je snel herstellen, vergeten zonder te rouwen. De waarheid bleef onder tafel, en je kreeg geen schadevergoeding voor wat je was kwijtgeraakt, voor wat je was afgenomen. Nooit werd toegegeven wat we allemaal weten: dat de ergste gevolgen van de orkaan Katrina niet 
de schuld waren van Moeder Natuur.

    Twee leden van The Max Band, een van de vele schoolfanfares in New Orleans. © Jamie James Medina / HH
    Twee leden van The Max Band, een van de vele schoolfanfares in New Orleans. © Jamie James Medina / HH

    Zwarte middenklasse

    Nooit zijn er meer blanke mensen en non-profitorganisaties nodig geweest om het tekort aan leraren en naschoolse programma’s op te vullen. Tegenwoordig is het leerlingenbestand in New Orleans voor 90 procent zwart. In 2005 was bijna 75 procent van de leraren ook zwart. Maar in 2013 zou volgens gegevens van het Cowen Institute van de Tulane-universiteit ongeveer 54 procent van de leraren aan charter schools – openbare scholen, maar onder onafhankelijk bestuur, tegenwoordig voor de meeste ouders in New Orleans de enige keuze – uit de zogenaamde ‘minderheden’ afkomstig zijn. Dat heeft tot veel onenigheid geleid tussen docenten, ouders en leerlingen, en ook kwamen er studentendemonstraties tegen het tekort aan zwarte onderwijzers dat steeds verder oploopt in de stad.


    Het massaontslag van 7500 onderwijzers, vooral zwarten, in december 2005 maakte de weg vrij voor de ontmanteling van het traditionele systeem van openbare scholen en het begin van het eerste schooldistrict in het land met alleen maar charter schools. Die ontslagen onderwijzers vormden een groot deel van de zwarte middenklasse van New Orleans, en velen van hen hebben sindsdien geen vergelijkbaar werk kunnen vinden. Een ‘prachtig’ sociaal experiment heeft de onafhankelijke, artistieke en politiek bewuste zwarte mensen in het nauw gebracht, mensen die New Orleans wereldwijde bekendheid verschaffen. In de bijna tien jaar na Katrina is het verhaal van een ‘nieuw’ Orleans een vertrouwd maar macaber verhaal geworden.

    We overleven en houden vol, gewoon omdat dat de traditie is

    Schone lei

    Het Downtown Development District – het bureau dat plannen maakt voor de ontwikkeling van de binnenstad – hangt in het zakenkwartier van de stad spandoeken op met de tekst: ‘Welkom op een schone lei’. Een verhaal waarin het leed en de dood van zwarten een onvermijdelijk en niet te betreuren gevolg is van de ‘vooruitgang’ wordt voor zoete koek aangenomen. Dat verhaal vertelt dat het ‘nieuwe’ New Orleans een plaats is waar creatieven en innovatieven van elders massaal naartoe trekken, een plaats die ‘diverser’ is dan ooit.

    Het verhaal van het ‘nieuwe’ New Orleans vertelt de nieuwkomers niets over de zwarte en Vietnamese wijken waar ik ben opgegroeid. Of over de avonden waarop we enkel indianen op straat zagen, geen enkele blanke. De tijd dat we recht hadden op onze identiteit en we niets tegenover iemand van buiten hoefden te bewijzen. Toen we elke gelegenheid te baat namen om uitbundig feest te vieren, en onze waardigheid en identiteit wisten te behouden.

    Maar het vermogen om te creëren in de woelige nasleep van een gedwongen verhuizing is ouder dan het rampenkapitalisme en onlosmakelijk verbonden met de cultuur van New Orleans. De orkaan Katrina is niet de eerste ramp die onze cultuur heeft overleefd.

    Succesvol toneelschrijver, artiest en sjamaan Geryll ‘Dr. G Love’ Robinson is zo’n kunstenaar die onze cultuur niet verloren laat gaan. Robinson heeft, samen met een groep die Category 5 Arts heet, na de verwoestingen van Katrina helende mandala’s gemaakt voor de stad. Robinson is ook een voorbeeld van iemand die gebruikmaakt van de traditie van de collectiviteit die vanuit Afrika over de oceaan naar New Orleans was meegenomen en ook bij de indiaanse volkeren van Noord- en Zuid-Amerika leefde.

    Het is een traditie die nog steeds springlevend is. Die vind je terug in Spirit House, een toneelstuk geschreven door Robinson en kunstenares en activiste LaKeesha J. Harris, in samenwerking met de Greater New Orleans Housing Foundation en de Cripple Creek Theatre Company. Met behulp van spirituele elementen zoals de orisha’s – bovennatuurlijke wezens afkomstig uit verschillende Afrikaanse religies – behandelt het toneelstuk de discriminerende huisvestingspolitiek en de huurpraktijken waar de zwarte inwoners van New Orleans zo veel last van ondervinden.

    Zwarte kunstenaars in New Orleans maken nog steeds kunst, zoals ze altijd hebben gedaan, creëren een nieuwe connectie met de diaspora en houden de oude drie-eenheid in ere: het optreden, de ceremonie en de traditie, die al sinds lange tijd de basis vormen van de cultuur van het zwarte New Orleans.

    Spirit House brengt de gedwongen verhuizing van de zwarte inwoners van New Orleans in verband met het patroon van verjagen en landjepik dat zo onlosmakelijk met de uitbreiding van de Verenigde Staten is verbonden. Het huis waar Spirit House zich afspeelt is de woning van Mama Celeste en Joe, en een groep pensiongasten die er voor korte of lange tijd verblijven en lijden onder de woningnood in New Orleans. De eigentijdse spanning komt vooral voort uit het feit dat Celeste en Joe uit hun woning gezet dreigen te worden vanwege een niet betaalde onroerendgoedbelasting. Er hangt een bittere ironie over dit conflict. Tremé is de oudste zwarte wijk van het land, opgebouwd en bewoond door vrije gekleurde mensen en later door bevrijde zwarten. Katrina heeft de economie van die wijk volledig ontwricht. Joe is een Mardi Gras-indiaan, afstammend van de oorspronkelijke inwoners van Louisiana. Ondanks die geschiedenis, zijn band met het land en het repressieve verleden van ons land, kan hun belastingschuld niet worden kwijtgescholden.

    De orkaan Katrina is niet de eerste ramp die onze cultuur heeft overleefd

    Recht op leven

    In Spirit House worden alle verliezen gecompenseerd door de vreugde die wordt ontleend aan het behoud van het gemeenschapsritueel en de wetenschap dat als mensen worden verjaagd, ze nog niet dood zijn. Het valt niet mee om je weer op te richten en te gaan creëren na zo’n heftige verwoesting, maar het gebeurt in New Orleans. Het verzet, de ceremonie, de traditie en de schoonheid blijken niet onverenigbaar in het werk dat wordt geproduceerd, die bijten elkaar niet, en dat doen wij ook niet. We werken samen in een gemeenschap om ervoor te zorgen dat het New Orleans dat we kennen in ere wordt gehouden. Zwarte kunstenaars laten zien dat er een recht op leven bestaat, en op het ervaren van vreugde los van het lijden. Het verlangen naar vreugde en het putten uit het machtige potentieel ervan vormt een krachtig onderdeel van het werk dat door zwarte kunstenaars in deze stad wordt verricht. We herdenken de doden en leiden in hun schaduw een groots leven, en we komen voor onszelf op in een tijd waarin niet wordt gerouwd om de moord op onze mensen. Het is een drastische keuze van ons om door te zetten, maar we komen uit New Orleans, en daar overleven we en houden we vol, gewoon omdat dat de traditie is.

    Guernica

    Verenigde Staten, guernicamag.com
    Tweewekelijks tijdschrift dat in 2004 in New York werd opgericht door twee 
vrienden met een hartstochtelijke belangstelling voor literatuur en journalistiek. 
In de afgelopen tien jaar slaagden zij erin een stevige reputatie op te bouwen bij lezers in meer dan honderd landen.

  • Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Onder druk van hun ouders moeten scholieren in de VS steeds harder werken, zo stellen onderzoekers. Dat leidt tot angsten, slaapgebrek en zelfs het gebruik van pepmiddelen. Gaan Amerikaanse ouders te ver?

    Frank Bruni: Ja

    Bij het lezen van het zojuist verschenen boek Overloaded and Underprepared kreeg ik soms medelijden met Amerikaanse middelbare scholieren. De meest ambitieuze onder hen doen er alles aan om maar beter te zijn dan de rest. Sommige gebruiken pepmiddelen als Aldenall. Anderen spieken. Maar het meest aangrijpende was wel wat ik las over slaap. Zolang je nog niet volwassen bent moet je goed slapen. Anders ga je er geestelijk aan onderdoor. Maar veel tieners zijn tegenwoordig zo opgefokt en gestrest dat ze bij lange na niet genoeg uitrusten. In het boek komt een middelbare school in Silicon Valley voor die slaapexperts van buitenaf inhuurde, een soort slaapcurriculum opstelde en leerlingen opleidde tot ‘slaapambassadeurs’. Allemaal om maar een oog dicht te kunnen doen. Slaapambassadeurs? Zelf ging ik in de tachtiger jaren naar de middelbare school, in een omgeving die destijds als veeleisend gold. Het enige slaapprobleem waar ik en mijn medeleerlingen mee kampten was dat we ons versliepen, waardoor we te laat op school kwamen. Nu is het andersom: het probleem is niet meer hoe je tieners hun bed uit krijgt, maar hoe je ze kunt laten pitten. Dat geeft aan hoe – onder een ambitieus en bevoorrecht deel van de Amerikanen tenminste – opgroeien is verworden tot een exact uitgestippelde, op status gefixeerde en soms ronduit geestdodende race. Het boek, geschreven door Denise Pope, Maureen Brown en Sarah Miles, kijkt naar de hoeveelheid huiswerk, de opbouw van een schooldag en nog veel meer. Het is het laatste in een reeks boeken die vraagtekens zetten bij de overdreven bemoeizucht van ouders, het teveel aan bijlessen, de al te intensieve voorbereiding op gestandaardiseerde tests en dergelijke uitwassen. Een overkoepelend thema van het genre is: ‘genoeg is genoeg’. Volgens Denise Pope, professor pedagogiek aan Stanford University, komt er een moment dat je moet zeggen: nee, dit wordt te gek. De waanzin beperkt zich niet tot een gebrek aan slaap, maar dit thema illustreert wel perfect de trend dat er bij het opgroeien steeds minder plek is voor spontaneïteit en speelsheid, omdat alles moet wijken voor ‘de druk van 
de perfectie’. Een recent artikel in The New York Times beschreef zes zelfmoorden in dertien maanden op de 
Universiteit van Pennsylvania, de angstigheid en depressies die heersen op college-campussen en het onvermogen van veel uitblinkers om ook maar de kleinste tegenslag te verwerken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben deze studenten gewoon behoefte aan slaap. In een recent onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift Pediatrics gaf 55 procent van de Amerikaanse tieners van tussen de 14 en 17 jaar aan minder dan zeven uur per nacht te slapen, terwijl de National Sleep Foundation hun wel acht tot tien uur aanraadt.

    Frank Bruni is opinieredacteur van The New York Times. Hiervoor werkte hij als restaurantcriticus voor dezelfde krant. Hij schreef boeken over de liefde van zijn familie voor eten en over George W. Bush.

    Robert Pondiscio: Nee

    Over het onderwijs wordt eindeloos gediscussieerd: over de hoeveelheid huiswerk, wiskundeonderwijs, straf op school en nog een aantal hete hangijzers. Zo nu en dan laaien deze discussies op en bedaren dan weer, zonder dat ze ooit afgesloten of beslist worden. Een van die eeuwige twistpunten is opeens terug van weggeweest: de mythe van het overbelaste kind. Opgetogen begroette _New York Times_–columnist Frank Bruni het verschijnen van een golf aan nieuwe boektitels over het onderwerp, met als overkoepelend thema: ‘genoeg is genoeg’. Hij beweert dat de Amerikaanse jeugd in een snelkookpan van overbelasting en stress moet opgroeien, 
al is daar in onderzoeksresultaten weinig van terug te zien. In 2006 bijvoorbeeld gingen psycholoog Joseph Mahoney en zijn collega’s na hoeveel tijd kinderen precies aan sportwedstrijden en -trainingen, religieuze activiteiten, vrijwilligerswerk, naschoolse activiteiten en andere verplichtingen besteden. Gemiddeld was het vijf uur per week. Zo’n veertig procent van de tieners deed doordeweeks helemaal niet mee aan georganiseerde activiteiten. Waar zijn die overbelaste uitblinkertjes eigenlijk? Niet meer dan zes procent van de Amerikaanse tieners neemt wekelijks twintig uur of meer deel aan buitenschoolse activiteiten, en zelfs deze overdrijvers blijken uiteindelijk beter af te zijn dan degenen die er helemaal niet aan doen. ‘De bewering dat buitenschoolse programma’s te zwaar zouden zijn, is overdreven,’ aldus professor Mahoney. ‘Relatief weinig jongeren hebben te veel naschoolse verplichtingen en zelfs zij doen het in alle stadia van hun jeugd op allerlei vlakken beter dan jongeren die helemaal nergens aan meedoen,’ benadrukt hij. Toen ze in 2012 opnieuw gingen kijken, bleek dat bij hen de gunstige effecten van extra–
curriculaire activiteiten ook als jongvolwassen nog merkbaar waren. ‘Ze hadden minder last van spanningen, hun studieresultaten waren beter en ze waren maatschappelijk meer betrokken.’ Er bestaat een wijde kloof tussen het 
beeld van de overbelaste Amerikaanse tiener in de media 
en de werkelijke situatie. Bruni geeft zelf al aan dat de overbelasting vooral een probleem vormt voor ‘een ambitieus 
en bevoorrecht deel van de Amerikanen’. Ik geloof graag dat in veel gezinnen kinderen inderdaad onder grote druk staan om te presteren en veel te bereiken. Maar veel zorgelijker zijn de vele Amerikaanse kinderen die veel te weinig worden uitgedaagd, niet over lesmateriaal van academisch niveau beschikken en nauwelijks kansen of mogelijkheden hebben om aan buitenschoolse activiteiten mee te doen. Het zou jammer zijn als de zorgen omtrent een kleine bevoorrechte groep – hoe gegrond ook – zonder meer worden betrokken op de rest. Onderzoeksresultaten spreken duidelijke taal: de meeste kinderen hebben behoefte aan meer verdieping en uitdaging, niet aan minder.

    Robert Pondiscio is voormalig journalist en onderwijsspecialist. Hij adviseert scholen in de New Yorkse wijk Harlem en schrijft regelmatig opiniestukken voor o.a. The Wall Street Journal en The Atlantic.