Torenhoge inflatie, een verwoestende aardbeving: de Turkse leider Erdogan staat onder druk. Met de verkiezingen in aantocht ziet de oppositie haar kans schoon om na twintig jaar de macht over te nemen.
Het gebeurt niet vaak dat de Turkse oppositieleider Kemal Kiliçdaroglu op een zaterdagavond twee uur de tijd krijgt voor een televisieoptreden op prime time. Kiliçdaroglu – in zwart pak met rode das, montuurloze bril op – was op zaterdag 14 januari de enige gast in de politieke talkshow van een gerenommeerde journalist op de particuliere zender TV100. Tijdens het interview verschenen aan de rand van het beeld zwaarbewapende mannen en de tekst ‘Sadat’.
Sindsdien is de oppositie woedend, ook al was het beeld van de gewapende mannen geen commentaar maar een reclameboodschap. Sadat is een Turks beveiligingsbedrijf dat vaak wordt vergeleken met de Russische Wagner Group. Het werd opgericht door een oud-generaal die publiekelijk zijn islamistische overtuiging kenbaar maakt. Kiliçdaroglu, leider van de seculiere CHP, noemde Sadat onlangs een ‘paramilitaire organisatie’ en ‘een gevaar voor de nationale veiligheid’.
Dit jaar zijn er in Turkije nieuwe parlementsverkiezingen en wordt ook de president gekozen, allemaal op één dag. Tot nu toe kon Recep Tayyip Erdogan altijd vertrouwen op zijn politieke talent en de mobilisatiekracht van zijn conservatief-islamitische AKP. Maar nu hij twintig jaar aan de macht is, kunnen de tegenwerkende krachten niet meer worden genegeerd. Het land gaat gebukt onder een verschrikkelijke inflatie, die in het najaar een recordhoogte van 85,5 procent bereikte. Door de desintegratie van de rechtsstaat en het oude euvel van corruptie blijven investeerders op afstand. Steeds meer jonge, goed opgeleide Turken vertrekken naar het buitenland.
De oppositie belooft de grondwet opnieuw te veranderen
In Turkije zijn de peilingen maar in beperkte mate te vertrouwen, maar ze zijn wel unaniem: de achtenzestigjarige Erdogan zou de verkiezingen wel eens kunnen verliezen. Uitgerekend nu het honderd jaar geleden is dat Kemal Atatürk de republiek oprichtte, wat tot een jubeljaar voor de regering had moeten leiden.
Erdogan heeft het land sinds 2003 ingrijpend veranderd, eerst als premier en na 2014 als president. Veel zaken heeft hij gemoderniseerd. Maar de laatste tijd maakt hij steeds meer gebruik van vrijwel onbeperkte bevoegdheden en treedt hij steeds autoritairder op. De oppositie belooft de grondwet opnieuw te veranderen: weg van het ‘uitvoerende presidentschap’ en terug naar de parlementaire democratie.
Vervroegde verkiezingen
De verkiezingen moeten uiterlijk op 18 juni plaatsvinden, maar Erdogan heeft laten doorschemeren dat de datum vervroegd kan worden. Hij lijkt haast te hebben, mogelijk omdat hij bang is dat het effect van de recente uitkeringen voor armlastigen zal wegebben. Op zijn initiatief werd in aanloop naar de verkiezingen het minimumloon aanzienlijk verhoogd en er werd een huisvestingsprogramma voor de lagere klassen aangekondigd. De regering zette grote supermarkt-ketens onder druk om de prijzen van duizenden producten voor januari te verlagen of te bevriezen. Enkele filialen van een grote winkelketen, die zich aanvankelijk verzetten, werden bezocht door burgemeesters van de AKP en de ultranationalistische coalitiepartij MHP.
Meer dan twee miljoen Turken kunnen nu eerder met pensioen. Erdogan hield dat lange tijd af: ‘Aan die maatregel zijn de Scandinavische landen ten onder gegaan.’ Nu heeft hij toch gekozen voor een pensioenhervorming die minstens twee miljard euro gaat kosten.
De president houdt de mensen niet alleen een wortel voor de neus, hij hanteert ook de stok voor zijn tegenstanders. Daarbij wordt hij een handje geholpen door de rechterlijke macht; uit de hoeveelheid rechtszaken valt af te lezen dat Ekrem Imamoglu zijn gevaarlijkste concurrent is. Deze burgemeester van Istanboel, tevens lid van de oppositiepartij CHP, werd in december veroordeeld tot twee jaar en zeven maanden gevangenisstraf. Bovendien kreeg hij een verbod om politiek te bedrijven, omdat hij ambtenaren zou hebben beledigd.
Maar één veroordeling is blijkbaar niet genoeg. Er lopen nog twee andere zaken tegen Imamoglu
Totdat het hof van beroep uitspraak doet, is dat vonnis echter niet juridisch bindend. Het hangt als het zwaard van Damocles boven het hoofd van de tweeënvijftigjarige Imamoglu. Deze politieke popster wist bij de lokale verkiezingen van 2019 een spectaculaire overwinning te behalen op de conservatieven, die al vijfentwintig jaar lang domineren in het stadhuis van Istanboel, waar ook de carrière van Erdogan ooit begon. De rechter die Imamoglu niet schuldig bevond, werd overgeplaatst naar een buitenpost, ver weg in de provincie. Een andere rechter werd aangesteld.
Maar één veroordeling is blijkbaar niet genoeg. Er lopen nog twee andere zaken tegen Imamoglu: een voor vermeende bevordering van terreur en een andere voor corruptie. Als burgemeester van een voorstad zou Imamoglu in 2014 een overheids-opdracht hebben gegund aan een niet-gekwalificeerd bedrijf. Die zaak is allang afgehandeld door de hoogste administratieve rechtbank, aldus Imamoglu. ‘Mijn handtekening staat niet eens in de aanbestedingsprocedure.’
15 juni
Het Openbaar Ministerie eist tot zeven jaar gevangenisstraf. Datum van het proces: 15 juni. Die datum zal dan wel vlak voor de presidentsverkiezingen vallen, dan wel tussen twee stemrondes in. Dat laatste is het geval als geen enkele kandidaat in de eerste ronde 50 procent van de stemmen haalt, wat goed mogelijk is als de Koerdische HDP-partij als aangekondigd een eigen kandidaat voordraagt.
Bij de parlementsverkiezingen van 2018 kreeg de linkse HDP bijna 12 procent van de stemmen: genoeg voor een sleutelrol. Maar het wordt de Koerdische partijen in Turkije niet makkelijk gemaakt. Er loopt een verbodsprocedure tegen de HDP omdat de partij dicht bij de verboden partij PKK zou staan, die ook in Europa als een terroristische organisatie wordt beschouwd. Het constitutionele hof blokkeerde op 5 januari de toegang van de HDP tot staatsfinanciering van politieke partijen.
De bekendste HDP-politicus, Selahattin Demirtas, zit bovendien al sinds 2016 in de gevangenis. Naar het oordeel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is hij politiek gevangene. Demirtas, die er op zijn negenenveertigste nog jeugdig uitziet, zorgt er met zijn dagelijkse speelse, uitdagende tweets voor dat hij niet wordt vergeten. Maar dat wil de regering hem nu onmogelijk maken, in de vorm van een verbod op alle communicatie met advocaten en met familieleden die het Twitterprofiel van Demirtas beheren. Zelfs in Turkije is dat niet zo eenvoudig te realiseren. Met het oog op de verkiezingen adviseerde Demirtas de minister van Justitie in een tweet om zich te haasten, ‘want er is niet veel tijd meer voordat u mogelijk onze plek inneemt’.
Tafel van Zes
De tegenstanders van Erdogan hebben voor het eerst een brede alliantie gevormd, de Tafel van Zes. Het spectrum van de zes partijen loopt van seculier-links tot nationaal-rechts. Er zitten ook prominente ex-AKP-leden bij, onder wie de voormalige premier en oud-minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoglu. Hun gemeenschappelijke doel is om een einde te maken aan de macht van Erdogan. De Koerden zijn aan deze tafel niet uitgenodigd.
Oppositieleider Kiliçdaroglu heeft naar verluidt ambities om zich kandidaat te stellen voor het presidentschap. Maar deze politicus met zijn grijze slapen is meer technocraat dan volksheld. Bovendien is hij aleviet, een religieuze minderheid in het overwegend soennitische Turkije.
Volgens peilingen zou Imamoglu een betere kans maken tegen Erdogan, maar die zit binnenkort wellicht achter de tralies. De burgemeester van Ankara, Mansur Yavas, die in 2019 voor de oppositie de hoofdstad veroverde, maakt eveneens een goede kans. Maar hij is tevens oud-militair en was ooit ook conservatief.
Kemal Kilicdaroglu is op 6 maart gekozen door de oppositiepartijen als hun kandidaat om het op te nemen tegen Erdogan. De vierenzeventigjarige Kilicdaroglu is al sinds 2010 voorzitter van de Republikeinse Volkspartij (CHP), de grootste partij binnen de Tafel van Zes. De oppositieleider presenteert zich als gematigd, seculier en pro-Westers. Toch was er binnen de oppositiepartijen geen consensus over zijn kandidaatstelling: de nationalistische IYI-partij verweet hem een gebrek aan charisma en zei dat bijvoorbeeld de burgemeesters van Istanbul of Ankara meer kans zouden maken vanwege hun bekendheid.

