Fotograaf Pelle Cass maakte duizelingwekkende foto’s van overvolle sportvelden. Verder: Luister naar uiteenlopende geluiden uit de 55 landen van het Afrikaanse continent op AIAC Radio & meer aanraders van de 360-redactie.
Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.
Foto’s van gewone Noord-Koreanen
Redacteur IJsbrand van Veelen stuitte op een fascinerende serie foto’s die de Franse fotograaf Stéphan Gladieu in Noord-Korea maakte van de bevolking. Dit artikel op de cultuursite It’s Nice That biedt daarvan een fraai overzicht.
Over doorsnee Noord-Koreanen horen we zelden of nooit iets, aldus Gladieu. ‘De 25 miljoen inwoners zijn een soort spook van de moderne wereld. Ik wilde daar een gezicht aan geven.’ Daarvoor waren wel vijf reizen naar het geïsoleerde land nodig en drie jaar lang onderhandelen over de plaatsen waartoe hij toegang wilde hebben.
‘Ik heb een vertrouwensband weten op te bouwen door me heel voorspelbaar, statisch en controleerbaar te gedragen. Daar is ook het hele idee van deze serie op gebaseerd: om binnen de controle waaraan ik was onderworpen precies genoeg vrijheid te vinden voor mijn foto’s.’
Gladieu maakte een boek van zijn foto’s van Noord-Koreanen, Corée Du Nord (2020).
Radio Afrika
De Sierra Leonees-Amerikaanse muziekproducent, dj, schrijver en cultureel activist Chief Boima, tevens hoofdredacteur van Africa Is a Country, medeoprichter van Kondi Band en de oprichter van het INTL BLK-platenlabel, heeft een maandelijkse onlineradioprogramma: AIAC Radio. De show bevat een mix van muziek en interviews met muzikanten, historici, journalisten en meer. Een aanrader van hoofdredacteur Laura Weeda.
Als luisteraar kom je veel te weten over de cultuur en politiek van de verschillende Afrikaanse landen, onderlinge en externe invloeden op alle gebieden en maak je dankzij Boima’s zeer gevarieerde selectie kennis met muziek van alle genres. De afleveringen zijn voorzien van tracklist, zodat je zelf verder op verkenning kunt gaan.
In de afgelopen drie afleveringen, respectievelijk gewijd aan Sierra Leone, Trinidad en Tobago en Djibouti, leerde ik onder andere dat reggae in Sierra Leone populair is, dat Trinidad en Tobago de meeste vakanties van alle landen ter wereld heeft omdat alle religieuze feestdagen er worden gevierd en dat de muziek- en filmindustrie op Djibouti het meest is beïnvloed door India, dat zich aan de andere kant van de Arabische Zee bevindt.
Overvolle velden
Nu we allemaal snakken naar zwetende mensenmassa’s ontwierp de Amerikaanse fotograaf Pelle Cass foto’s van overbevolkte sportvelden. Hij legt meerdere foto’s van dezelfde sportwedstrijd over elkaar waardoor de hele wedstrijd in één beeld lijkt samengevat, zoals te zien is in een voorproefje van deze fotoserie in The Guardian.
Een tip van art directorMajel van der Meulen: ‘Foto’s van sportevenementen, ik selecteer ze zelden voor 360 Magazine. Nooit heeft kijken naar sport me gefascineerd, liever zelf bewegen is mijn motto. Deze serie Crowded Fields is verbluffend mooi, en deel ik graag.’
Pelle Cass’ Crowded Fields is tot en met 21 maart te zien in Abigail Ogilvy Gallery in Boston.
Verbreek het pact
In heel Mexico protesteren al enkele dagen (voornamelijk) vrouwen tegen de kandidatuur Félix Salgado Macedonio voor gouverneur van de staat Guerrero. Deze kandidaat van regeringspartij Morena is door twee vrouwen beschuldigd van verkrachting.
Op 15 februari verscheen Basilia ‘N.’, een van de slachtoffers, voor de Nationale Commissie voor Waarheid en Rechtvaardigheid (CNHJ). Na de zitting vroeg zij de president om in haar zaak tussenbeide te komen, schrijft de Mexicaanse websiteAnimal Político.
Sinds afgelopen woensdag (17 februari) sporen vrouwen president Andrés Manuel López Obrador via sociale media aan om ‘het patriarchale pact te verbreken’ en de kandidatuur van Salgado Macedonio niet te steunen.
Donderdag (18 februari) zei de president dat de protesten van de vrouwen gegrond zijn, maar dat de inwoners van Guerrero die Salgado steunen ook het recht hebben om gehoord te worden.
‘Wat moet ik doen als mijn vriend, neef of partner een vrouw heeft verkracht of seksueel misbruikt?’
Daarom wil redacteur Joep Harmseneen les delen uit een tweede artikel van Animal Político, van de hand van Ana Estrada. ‘Wat moet ik doen als mijn vriend, neef of partner een vrouw heeft verkracht of seksueel misbruikt?’ In de ijdele hoop dat de Mexicaanse president en alle andere mannen in machtsposities meelezen (Geert Wilders en Dion Grauss bijvoorbeeld).
Animal Político: ‘Als u een man bent, heb ik nieuws voor u: het is tijd om dit pact te verbreken, om een soort “verraad aan het patriarchaat” te plegen en te stoppen met gedrag dat geweld tegen vrouwen veroorzaakt.
Mannen (…) moeten erkennen dat het verhaal van hun mannelijkheid complex is en begrijpen dat “we niet alleen monsters zijn die elke dag geweld uitoefenen; we zijn mensen, een product van onze omstandigheden en onze sociaalculturele constructies. Het is aan ons om te veranderen en verantwoordelijkheid te nemen voor onze daden.”’
Een tropisch netwerk opbouwen
De site Tropical Papers zet Latijns-Amerikaanse kunstenaars, architecten, ontwerpers en wetenschappers in de zon die ook hier weer begint te schijnen. Het is een kleurige ambitieuze site met de meest verrassende protagonisten uit verschillende disciplines.
Opgericht in Parijs in 2020 als een non-profit artistieke organisatie, brengt tropical papers een lokaal en internationaal publiek bijeen dat zich op verschillende vlakken bezighoudt met ‘de tropen’, in feite een denkbeeldig gebied.
‘Het is een hedendaags postkoloniaal laboratorium, een bron van kennis en multidisciplinaire projecten’
‘Het is een hedendaags postkoloniaal laboratorium, een bron van kennis en multidisciplinaire projecten die interconnectiviteit, uitwisseling van ervaringen en dialogen over sociale, historische en actuele geopolitiek stimuleren, door middel van milieu- en duurzame perspectieven’, schrijven de oprichters, onder wie voormalig directeur van het Museum voor Moderne Kunst (CAPC) in Bordeaux.
Editor at largeKatrien Gottlieb: ‘Zo, een mondvol over dit bewonderenswaardige initiatief dat allerlei programma’s ontwikkeld heeft om virtueel aan deel te nemen, bedoeld om een tropisch netwerk op te bouwen en kennis uit verschillende disciplines te delen.’
Ethiopië heeft zijn eerste vrouwelijke president, en een kabinet dat voor de helft bestaat uit vrouwen. Salonfeminisme? Misschien. Maar goed voorbeeld doet goed volgen.
Abiy Ahmed, de premier van Ethiopië, heeft de gewoonte om met grootse politieke gebaren deining te veroorzaken op het hele Afrikaanse continent. In korte tijd heeft hij duizenden politieke gevangenen vrijgelaten, vrede gesloten met Eritrea en democratische verkiezingen beloofd in een van de meest autocratische landen in Afrika.
Zijn meest recente actie zal wellicht de grootste schokgolven veroorzaken: hij gaf de helft van de ministersposten aan vrouwen. Hiermee sluit Ethiopië aan bij Rwanda, dat ook evenveel vrouwen als mannen in zijn kabinet heeft. [Ethiopië heeft bovendien sinds 25 oktober zijn eerste vrouwelijke president, Sahle-Work Zewde, die werd gekozen op voorspraak van de premier.]
Cynici zien de benoemingen als een handige truc om buitenlandse geldschieters te paaien en een besmeurd blazoen op te vijzelen. Daar zit misschien wat in. Maar laten we niet vergeten dat goed voorbeeld goed doet volgen en dat er daadwerkelijk iets kan veranderen. Vooralsnog zijn Ethiopië en Rwanda helaas uitzonderingen. Nu de Liberiaanse president Ellen Johnson Sirleaf is afgetreden, telt het Afrikaanse continent naast Zewde alleen nog mannelijke regeringsleiders.
Maar met Rwanda en Ethiopië als lichtende voorbeelden stijgt de druk op andere landen om vooral niet achter te blijven. Atiku Abubakar, presidentskandidaat voor de volgende verkiezingen in Nigeria, beloofde 40 procent van de posten in zijn kabinet aan vrouwen en jongeren af te staan, zo meldde de Nigeriaanse pers. Het woord ‘afstaan’ – gekozen door de verslaggever en niet noodzakelijk door de presidentskandidaat – is hierbij veelzeggend. Het tekent de hardnekkige tegenzin om de macht, die ‘rechtmatig’ aan mannen toebehoort, over te dragen.
Seksuele uitbuiting
Maar Afrika doet er beter aan dat idee te omarmen. Dat geldt zowel voor politici als voor de kiezer. Vrouwen zijn onevenredig vaak slachtoffer van veel van het onrecht dat op het Afrikaanse continent heerst – of het nu gaat om seksuele uitbuiting, beperkte toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, of banenschaarste. Ondanks de geboekte vooruitgang is het aantal ondervoede meisjes dat niet naar school gaat nog altijd groter dan het aantal jongens.
Recente gebeurtenissen in Liberia en Zuid-Afrika onderstrepen niet alleen dat vrouwen kwetsbaar zijn voor seksueel geweld, maar vooral ook dat ze hiertegen in het geweer komen. In Liberia gingen zowel vrouwen als mannen de straat op uit woede over de onthullingen dat meisjes van een door de Amerikaanse liefdadigheidsinstelling More Than Just Me gerunde school herhaaldelijk door de medeoprichter van de organisatie waren verkracht. In Zuid-Afrika trad Cheryl Zondi uit de anonimiteit om in de eerste live uitgezonden verkrachtingszaak te getuigen tegen de evangelische priester die haar vanaf haar veertiende had misbruikt.
Terwijl ze met haar getuigenis op veel steun kon rekenen en de donkere krochten van de Zuid-Afrikaanse verkrachtingscultuur aan het licht blootstelde, toonde het proces ook aan waarom vrouwen huiverig zijn om hun mond open te doen. Zondi werd op een agressieve manier ondervraagd en voor leugenaar uitgemaakt, en ze werd gedwongen onnodige, pijnlijke details van haar verkrachting te onthullen.
Gelukkig kan Afrika bogen op een lange traditie van sterke vrouwen. Voordat de Arabieren en Europese kolonisten Afrika onder de voet liepen en patriarchale religies als de islam en het christendom over het continent uitrolden, waren veel Afrikaanse samenlevingen matriarchaal. De Ashanti, in wat nu Ghana is, kennen een matrilineaire afstamming en overerving gaat meestal via de vrouwelijke lijn.
Onder Afrikaanse vrijheidshelden bevinden zich veel vrouwen, hoewel ze maar al te vaak uit de geschiedenis zijn weggeschreven. In de voormalige Britse kolonie Rhodesië, het huidige Zimbabwe, voerde spiritueel leider Nehanda Charwe (1840-1898) het verzet aan tegen de British South Africa Company (BSAC). In Kenia speelden vrouwen een prominente rol in het verzet tegen de koloniale macht, hoewel er nauwelijks straatnamen naar vrouwelijke vrijheidsstrijders zijn vernoemd.
Ook in het huidige Afrika is er geen gebrek aan inspirerende vrouwen. Zonder de onvermoeibare inzet van Thuli Madonsela, de voormalige ombudsvrouw van Zuid-Afrika, was oud-president Jacob Zuma ongetwijfeld nooit voor het gerecht gesleept. Ook onder de grote Afrikaanse schrijvers bevinden zich talrijke vrouwen, waaronder de Nigeriaanse Chimamanda Ngozi Adichie. En belangrijker nog: op het hele continent zijn het de vrouwen die de boel bijeenhouden, die het meeste zware werk verrichten en een centrale rol spelen binnen het gezin.
Uit talloze studies blijkt dat de samenleving als geheel – vrouwen én mannen – baat heeft bij geschoolde, sterke vrouwen. Dat een presidentskandidaat in Nigeria zich geroepen voelt om vrouwen meer macht te geven, is een positief teken. Maar hoe eerder vrouwen zelf die macht beginnen op te eisen, hoe beter.
In het misbruikschandaal in Rotherham vier jaar geleden, heeft geen enkele verantwoordelijke rekenschap hoeven afleggen. Veertienhonderd minderjarigen waren mishandeld, ontvoerd en verkracht met medeweten van de plaatselijke autoriteiten. De politie deed niets uit angst voor rassenrellen. Door te zwijgen hoopten ze dat het probleem zou verdwijnen. De Süddeutsche Zeitung keerde terug naar de Noord-Engelse stad en sprak met betrokkenen.
Ze is vanuit de stad naar een wijk met bakstenen rijtjeswoningen verhuisd, waarvan er tienduizenden zijn in Groot-Brittannië. Een aaneenschakeling van deuren, schroot in de voortuintjes, blinde vensters, in de verte akkers. De wijk is nieuw. De mensen kennen elkaar nog niet. Dat is goed.
Omdat de nieuwsgierige taxibestuurder die de gast heeft gebracht geen aanstalten maakt om te vertrekken, doet ze minutenlang de deur niet open. Erachter vier kleine kamers, keurig opgeruimd. Alleen de sokken van haar zoons hangen te drogen op de verwarming in de badkamer. Ze zijn elf en zestien, die twee. De vader van de oudste zit in de gevangenis, net als enkele van zijn familieleden. Hij heet Arshid Hussain, bijgenaamd Mad Ash, en is een verkrachter. Net als twee van zijn broers en een oom.
Ik was zijn favoriet
Naast de deur hangt een kinderfoto van de zoon van Mad Ash, een knul met een donkere huid en zwart haar die lachend in de camera kijkt. Recentere foto’s van de tiener zijn er niet; ze wil niet dat hij wordt herkend. Toen ze zwanger werd, wilde ze de baby per se houden, omdat ze dacht dat Mad Ash echt van haar hield. Soms denkt ze dat nog steeds. ‘Ik was zijn favoriet,’ zegt ze nog altijd, ‘de andere meisjes gaf hij door aan andere mannen. Mij niet.’
Van maatschappelijk werk moest het kind destijds uit de buurt van zijn vader blijven, die als gevaarlijk te boek stond. Maar dat de toen vierentwintigjarige Mad Ash haar, de tiener uit een volledig gezin, een goede leerlinge, had aangesproken, cadeautjes had gegeven, vervolgens dronken had gevoerd, gemanipuleerd, van haar gezinsleden had vervreemd en na een tijdje haar vertrouwen te hebben gekweekt had verkracht, ontvoerd, bedreigd, afgeperst, tot roofovervallen had aangezet, haar ouders had bedreigd, en dat het vijftienjarige meisje regelmatig werd opgepakt door de politie terwijl ze zich in zijn auto, in zijn bed of naakt in een of ander achterkamertje bevond, daaraan leek niemand zich te storen. Op een keer werd ze gearresteerd omdat er een knuppel bij haar werd gevonden die van hem was. Hij ging vrijuit.
Grooming wordt dat genoemd: een volwassene knoopt ogenschijnlijk vriendschap aan met een kind om het seksueel uit te buiten.
Nu is ze een tengere en toch pezige vrouw, het haar in een dikke vlecht gebonden, de wenkbrauwen bijgetekend tot een strenge boog. Ze noemt zichzelf ‘overlevende’. Het woord ‘slachtoffer’ klinkt haar te zwak in de oren. Een paar maanden geleden heeft ze afscheid genomen van haar pseudoniem ‘Jessica’, waaronder ze heeft getuigd tegen Arshid en zijn familie. Sammy Woodhouse heet ze, dat mag nu iedereen weten. Arshid, inmiddels 41, is een Brit van Pakistaanse komaf. Hij is tot 35 jaar cel veroordeeld.
Het geval van Sammy is er maar een van de vele in de stad nabij Sheffield, in het noorden van Engeland. En van de duizenden vergelijkbare gevallen in de rest van het land. Ze vertoonden allemaal hetzelfde patroon. Jonge mannen, vaak taxichauffeurs en uitbaters van afhaalrestaurantjes in de Curry Mile van Rotherham probeerden de meisjes te versieren – en naar hun hand te zetten. ‘Mindbending’, beïnvloeding van iemands wil, zo noemt Sammy’s advocaat David Greenwood dat proces. Vervolgens kwamen er oudere mannen bij die de meisjes gebruikten, meestal met geweld. Sommige meisjes werden naar andere steden gebracht, waarna gedwongen prostitutie volgde. Decennialang. De krankzinnigheid ten top.
Het ‘groomingschandaal van Rotherham’ was voorpaginanieuws, honderden artikelen werden erover geschreven, tientallen documentaires gemaakt. Alleen al in deze stad zouden er veertienhonderd kindslachtoffers zijn geweest. Iedereen had ervan geweten. Meer dan twintig jaar liepen ouders, maatschappelijk werkers en ook jonge slachtoffers zelf de deur plat bij politie en gemeentebestuur. Er waren bewijzen, maar die verdwenen. Er waren getuigenverklaringen, maar die werden niet serieus genomen. Er waren ordners met namen en feiten, met DNA-sporen en processen-verbaal. Ze werden genegeerd. Tegen de ouders werd gezegd dat ze zelf moesten omkijken naar hun vroegrijpe dochters die dronken in auto’s van onbekende mannen werden gearresteerd; dat was geen taak van de politie. Tegen de meisjes, onder wie ook veel kinderen uit tehuizen, werd gezegd dat het sletten waren. Eigen schuld, niets waard.
In hun pogingen een halt toe te roepen aan wat politie en autoriteiten lieten gebeuren, gingen maatschappelijk werksters ook naar de moslimgemeenschap, naar de imams in de moskeeën om te zeggen: Kijk, we hebben namen, adressen. Praat met de families van deze mannen, zorg ervoor dat het ophoudt. Maar er gebeurde niets.
In 2016 werd vonnis gewezen in de zaak-Arshid. Toen was Sammy dertig jaar oud, maar in de tijd dat het allemaal begon, was ze net veertien. ‘Destijds waren wij meisjes onzichtbaar,’ zegt ze, terwijl ze onzichtbare kruimels van haar nepmarmeren salontafel veegt. ‘Nu hebben we tenminste een stem.’
Het wegkijken had vele oorzaken. Onwetendheid, incompetentie, laatdunkendheid. De angst om als racist te worden bestempeld. De vrees dat het fragiele evenwicht tussen de moslims en de rest van de bevolking zou worden verstoord. Het was iedereen duidelijk dat de kwestie een enorme politieke lading had. Wetenschapster Alexis Jay verwoordt het in haar rapport over ‘seksuele uitbuiting van de kinderen van Rotherham van 1997 tot 2013’, dat ze in opdracht van de overheid maakte, als volgt: de autoriteiten ‘wisten dat de meeste daders islamitische Aziaten waren en de meeste slachtoffers wit. Door te zwijgen hoopten ze dat het probleem zou verdwijnen. Ze waren bang om te zeggen wat er aan de hand was.’
Maatschappelijk werkers en jeugdwerkers die erop wezen dat het om overwegend Aziatische daders ging, werden naar een cursus racial awareness gestuurd om te leren hun vooroordelen te bestrijden. Politie en gemeente durfden geen maatregelen te treffen omdat ze rassenrellen vreesden. Ze waren bang, zegt advocaat Greenwood, dat het ‘een voedingsbodem voor rechtsextremisme’ zou zijn.
De neonazi’s maakten inderdaad een sterke opleving door in Noord-Engeland. Aanhangers van de National Defense League en de British National Party marcheerden schreeuwend door de steden: ‘Onze meisjes zijn niet vogelvrij.’ Dit moest er niet nog eens bijkomen.
Het gaat allemaal gewoon door, de daders van vroeger hebben inmiddels zoons die de dochters van de overlevenden opwachten. “Het is al zo lang gaande dat de mensen er op een of andere manier aan gewend zijn geraakt”
Het is spitsroeden lopen. In Duitsland zijn met de vluchtelingencrisis en de toestroom van honderdduizenden moslimmannen vergelijkbare zorgen gerezen, die in de verwerking van de gebeurtenissen in Keulen in de oudejaarsnacht van 2015 op 2016 tot uiting kwamen: is het ongeoorloofd om te constateren dat veel moslimmannen een problematisch vrouwbeeld hebben? En welke consequenties trekt een maatschappij als het antwoord ‘ja’ luidt?
De lijst van plaatsen waar hetzelfde is gebeurd als in Rotherham is eindeloos: Newcastle, Rochdale, Huddersfield, Leeds, Manchester, Sheffield, Derby, Keighley, Skipton, Blackpool, High Wycombe, Leicester, Dewsbury, Middlesbrough, Peterborough, Bristol, Halifax, Oxford. De daders hadden vrijwel allemaal een migratieachtergrond: Pakistan, India, Bangladesh, Iran, Irak, Turkije.
Het zou een nationaal schandaal moeten zijn, maar Groot-Brittannië heeft te veel misbruikschandalen gekend. De verontwaardiging en de ontzetting zijn verflauwd. Misbruik in de kerk, op sportverenigingen, internaten, bij de BBC, en bovendien het vrijwel dagelijks terugkerende, stuitende misbruik in gezinnen en het exploderende aantal gebruikers van onlineforums over seks met kinderen. Bovendien worden tienduizenden Aziatische en Afrikaanse slachtoffers van prostitutie als seksslaven uitgebuit in Groot-Brittannië. In een recentelijk verschenen rapport heeft de politie toegegeven volledig overbelast te zijn. En ‘onthutst’.
Onderweg naar Rotherham, gewapend met de vragen of grooming inmiddels aan banden is gelegd, of politie en autoriteiten ervan hebben geleerd, krijgt de verslaggeefster een telefoontje van het persbureau van de gemeente. Sorry, er wordt geen interview gegeven omdat er niets meer te melden is. Grooming – dat is inmiddels geschiedenis. Overwonnen. Uitverteld. De gemeentepolitie stuurt een mail: ‘Wij staan niet ter beschikking voor een interview.’ Doorlopen, er valt hier niets te zien.
Niets is meer bezijden de waarheid. Je hoeft alleen maar naar Sammy Woodhouse te luisteren. Of naar haar advocaat, die vijfenzeventig, soms heel jonge slachtoffers vertegenwoordigt. Of naar de lokale parlementariër, die vanwege het schandaal haar carrière op het spel zette. Of naar de journalist die de kwestie aan het rollen bracht. Zij zeggen allemaal wat niemand wil horen: grooming gaat verder. En het zwijgen over de oorzaken en de achtergronden ook.
Times- verslaggever Andrew Norfolk, die tal van prijzen heeft gekregen voor zijn onderzoek, woont in Leeds. Londen, zegt hij, sluit zijn ogen voor de echte problemen in het land. In 2004 kreeg hij de eerste tips, maar hij deed er tien jaar later pas iets mee. Nu schaamt hij zich daarvoor.
‘Een etnische minderheid aan de ene kant, kwetsbare, naïeve slachtoffers, voor een deel uit gebroken gezinnen en kindertehuizen, aan de andere, daar waagde niemand zich aan. Te veel gevaar voor generalisering, demonisering. Te veel explosief materiaal.’ Toen Norfolk de beerput eenmaal had opengetrokken, schreef hij lange tijd over niets anders. Een jaar geleden heeft hij het opgegeven, hij kreeg de beelden niet meer uit zijn hoofd. De politie heeft er toch van geleerd, zegt hij tegen zichzelf, ze nemen de zaak serieus. Maar hij is nog altijd prikkelbaar en schreeuwt woedend over het lawaai in een arbeiderskroeg in Leeds heen: ‘Het bestraffen van individuele daders is niet genoeg. De politie behandelt het fenomeen nog altijd als een aaneenschakeling van afzonderlijke gevallen.’ Het ‘fenomeen’ – het is en blijft beladen in een multiculturele maatschappij die op een goede verstandhouding en tolerantie gebaseerd en aangewezen is.
Een prijswinnend voorpagina-artikel van Andrew Norfolk. Inmiddels is hij gestopt over de zaak te schrijven. Hij krijgt de beelden niet meer uit zijn hoofd.
In de hal van het gemeentehuis hangt een poster met mooie woorden: ‘We zullen luisteren naar kinderen en jonge mensen. We zullen de juiste beslissingen nemen.’ Ernaast hangt er nog een: ‘Ik ben je maatschappelijk werker, ik beloof je te helpen zoeken naar een veilige plek om te wonen, waar je geen kwaad wordt gedaan.’ Er zijn in Rotherham geen kindertehuizen meer omdat grooming nu eenmaal vaak kinderen uit tehuizen trof. In plaats daarvan organiseert de stad een ‘week van de adoptie’.
Omdat bewijs werd geleverd van ‘collectief falen’, overbelasting en doofpotpraktijken bij politie en gemeentebestuur werden de betrokken chefs ontslagen en vervangen door regeringsfunctionarissen. Kortgeleden kwam het bericht dat geen enkele verantwoordelijke van toen ook maar rekenschap heeft hoeven afleggen. Opnieuw staan de ‘overlevenden’ sprakeloos.
In Rotherham onderzoekt het National Crime Agency (NCA) alle gevallen tot 2014, waar nooit iets mee is gedaan. De rechtbanken draaien op volle toeren. Drie Brits-Pakistaanse bendes zijn veroordeeld. Het volgende proces is aanstaande: nog eens twaalf mannen zijn aangeklaagd en staan vanaf januari voor de rechtbank. Het NCA wil ook niet praten, maar meldt zich schriftelijk bij de Süddeutsche Zeitung met een soort activiteitenoverzicht: 28 aanhoudingen, 88 verdachten, 36 vooronderzoeken. Vanwege het enorme aantal daders concentreert men zich op degenen die nog altijd in deze omgeving actief zijn en het grootste leed hebben aangericht.
De lokale Labour-afgevaardigde Sarah Champion vindt dat onvoldoende. In het kantoor van haar kiesdistrict laat ze cijfers van de plaatselijke politie zien: 231 meisjes hebben aangifte gedaan wegens seksuele uitbuiting door groomingbendes. Alleen al in het afgelopen jaar. ‘Moeders, vroeger zelf slachtoffer, komen in paniek op mijn spreekuur. Ze vertellen dat mannen tegen hen hebben gezegd: Je dochter is al bijna zo ver, ze is rijp.’
Het gaat allemaal gewoon door, zegt Sarah Champion, de daders van vroeger hebben inmiddels zoons die de dochters van de overlevenden opwachten. ‘Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Het is al zo lang gaande dat de mensen er op een of andere manier aan gewend zijn geraakt.’
Ook de politieke druk blijft. Champion heeft dat onlangs ervaren. Ze is afgestudeerd psychologe, een intelligente, hartelijke vrouw met donkere krullen en een ontspannen zelfbewustzijn. Tot voor kort was ze een rijzende ster binnen de Labour Party. In het schaduwkabinet van Jeremy Corbyn was ze verantwoordelijk voor de gelijke rechten van vrouwen. In de zomer werd ze uit haar functie ontheven. Ze had een taboe doorbroken, dat geen taboe meer zou moeten zijn: ze had twee keer in het openbaar gezegd dat Groot-Brittannië een ‘probleem met Brits-Pakistaanse mannen’ had. Dat was racistisch, heette het, haar positie was onhoudbaar geworden. Sindsdien is ze persona non grata bij Labour.
Maar Champion blijft erbij: ‘Als ik met mijn constatering ongewild veel moslims in het land heb beledigd, maar een bijdrage heb geleverd aan de bescherming van kinderen, dan zou ik het zo weer zeggen.’ Dat er bij de groomingbendes anders dan bij de meeste andere gevallen van misbruik een etnische component aanwezig is, vindt ze voor de hand liggend. ‘Heel langzamerhand komen de eerste onderzoeksprogramma’s bij de vraag aan of er religieuze en culturele bijzonderheden zijn die aan dit schandaal ten grondslag liggen.’ Evenals alle andere gesprekspartners benadrukt ze dat de meeste verkrachters van kinderen in het Verenigd Koninkrijk witte mannen zijn. En dat de meeste gevallen van misbruik zich binnen het gezin voordoen. ‘Maar dat mag toch niet betekenen dat dit heel speciale patroon niet wordt onderzocht.’
‘Jullie hebben je kinderen opgevoed om te drinken en seks te hebben, wij maken daar alleen maar gebruik van’
Ook voor de rechtbank komen taboes en culturele conflicten aan het licht. Maar weinig verdachten hebben een bekentenis afgelegd. Ook Arshid Hussain niet, Sammy’s verkrachter. Pakistaanse immigranten bestempelen hun slachtoffers als ‘trash’, uitschot, in de ogen van de daders hebben de meisjes ‘geen eer’, citeert advocaat David Greenwood uit de dossiers. Hij is bij tal van rechtszaken aanwezig geweest. ‘Jullie hebben je kinderen opgevoed om te drinken en seks te hebben, wij maken daar alleen maar gebruik van,’ hoorde hij steeds weer.
Veel moslimdaders, zegt misbruikspecialist Greenwood, zien deze kinderen niet als kinderen omdat tieners in hun wereld voor huwbaar doorgaan. Het gaat ‘niet om pedofiele freaks, maar om mensenhandelaren’. Solidariteitsbetuigingen uit de Pakistaanse gemeenschap zijn er beslist ook. Zlakha Ahmed van de vrouwengroep Apna Haq, die huiselijk geweld bestrijdt, zegt: ‘Misbruik is misbruik. Het wordt tijd dat we dat erkennen en de daders ter verantwoording roepen, ook als ze uit ons midden komen.’ Een woordvoerder van de jonge generatie, Mobeen Hussein, heeft naam gemaakt als mediator en benadrukt dat zijn mensen de eersten waren die hebben gezegd: dit moet stoppen.
‘De Brits-Pakistaanse gemeenschap praat met ons, absoluut,’ bevestigt Alan Billings, de door de overheid aangestelde toezichthouder bij de politie van South Yorkshire. ‘We mogen niet toestaan dat onze maatschappij verdeeld raakt. Verbondenheid is belangrijk. En we mogen niet vergeten dat de daders brute criminelen zijn, die ook angst inboezemen bij hun eigen gemeenschap.’
Sammy Woodhouse heeft andere zorgen. Ze is niet geïnteresseerd in de motieven van de daders, maar wel in de overlevenden.
‘Seks met wederzijdse instemming’
Meer dan zevenhonderd meisjes uit Rotherham die een aanvraag tot schadeloosstelling voor het doorstane leed hadden ingediend bij de bevoegde overheidscommissie kregen een afwijzing. Ook Sammy moest haar schadeloosstelling bevechten. De motivatie van de autoriteiten: zelfs als hun verkrachters achter de tralies zitten, dan is nog niet uit te sluiten dat de meisjes de facto toch hebben ingestemd met de gemeenschap. ‘Seks met wederzijdse instemming’ heet dat. Zelfs de kinderen die op het moment van het vergrijp elf jaar oud waren, kan volgens de geldende wetgeving een schadeloosstelling worden geweigerd.
De verontwaardiging was groot toen dit bekend werd; de slachtoffers worden tot daders gemaakt, zo werd gezegd. De ministerie van Justitie beloofde hervormingen, maar tot nog toe is er niets gebeurd.
In Sammy’s nieuwe leven is er geen man en zijn er maar nauwelijks privécontacten. Ze heeft daar de kracht niet voor en torst te veel bagage met zich mee waarvan ze zich nog moet zien te verlossen: sinds haar tijd met Ashid Hussain heeft ze een lang strafblad. Veel meisjes hebben strafbare feiten gepleegd omdat ze daartoe werden gedwongen, omdat ze afhankelijk waren. Sammy strijdt nu voor een nieuwe wet, die ze ‘Sammy’s law’ noemt. Slachtoffers van groomingbendes, zegt ze, moeten erop kunnen vertrouwen dat hun strafblad wordt geschoond, want anders zijn ze bang om naar de politie te gaan. Tot op heden vindt ze geen gehoor.
Ze is nog altijd bezig om de brokstukken van haar leven op te vegen. Een paar jaar geleden, ze was toen vijfentwintig, geloofde ze er heilig in dat ze zich eindelijk geestelijk had losgemaakt van Mad Ash. Hij was nog op vrije voeten en zij had nog geen verklaring tegen hem afgelegd. Uit een affaire met een alcoholist kreeg ze een tweede kind. Toch ging ze terug naar Arshid Hussain. ‘Ik was alleen. En hij was de vader van mijn zoon.’ Mad Ash zat inmiddels in een rolstoel, hij was beschoten. Ze was er zeker van dat hij haar niets kon doen – maar misschien wel iets voor haar zoon.
‘Ik heb me ontzettend vergist. Wat hij mijn zoon heeft aangedaan, was onverdraaglijk, onbeschrijflijk.’ De tiener heeft nu ernstige psychische problemen. Zijzelf is nu meestal sterk, zegt ze. Alleen af en toe moedeloos. Omdat de angst blijft. ‘Ik krijg steeds weer mails van meisjes die nu het doelwit van die kerels zijn. Het houdt nooit op.’ Ze wijst naar de voordeur, die stevig gebarricadeerd is. ‘Die kerels zijn daar buiten.’
Cathrin Kahlweit is correspondent in Londen voor de Süddeutsche Zeitung. Ze werkt al ruim twintig jaar voor deze krant op verschillende redacties, zoals binnenland en Centraal- en Oost-Europa.
Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.
De Nigeriaanse Aisha Bakari Gombi jaagde vroeger met haar vader op antilopen en bavianen. Tegenwoordig jaagt ze op Boko Haram.
Terwijl zeven ontvoerde vrouwen en vier kinderen werden meegevoerd in het Sambisawoud, kreeg Aisha Bakari Gombi een telefoontje. De stem die ze hoorde was vertrouwd: een legercommandant die haar vroeg een groep jagers te verzamelen om de ontvoerden op te sporen. De elf waren eerder die dag verdwenen nadat een groep militanten van Boko Haram hun dorp, Daggu, had aangevallen. Ze schoten drie inwoners dood en staken auto’s, huizen en winkels in brand.
Daggu ligt op een halfuur rijden van Chibok, waar in april 2014 tweehonderd schoolmeisjes werden ontvoerd. Beide dorpen liggen in de staat Borno in het noordoosten van Nigeria, waar dit soort aanvallen door de dodelijkste terreurgroep ter wereld vaker voorkomen.
‘Boko Haram kent me en is bang voor me’
Bakari Gombi groeide op in de buurt van het Sambisawoud, waar de extremisten, ondanks het militaire offensief van vorig jaar, waarbij veel van hun kampen werden vernietigd, nog steeds actief zijn. Vroeger jaagde ze met haar grootvader op antilopen, bavianen en parelhoenders. Nu jaagt ze op Boko Haram.
In het gebied bevinden zich duizenden jagers die tijdelijk door het leger zijn ingezet. Bakari Gombi is een van de weinige vrouwen, en zowel voor de jagers als voor de bevolking is ze een heldin geworden. Haar moed heeft haar de titel ‘koningin van de jagers’ opgeleverd.
De eerste reddingsactie in Daggu mislukte ‘omdat Boko Haram zwaar bewapend was. Maar we zagen de plek waar de meisjes vastgehouden werden,’ legt Bakari Gombi uit. ‘We zouden ze kunnen bevrijden als het leger ons betere wapens zou geven,’ voegde ze er nog aan toe, met een blik op het dubbelloopsgeweer op haar schoot.
Evenals veel mensen op het platteland in het noordoosten is Bakari Gombi moslim, maar ze gelooft ook in traditionele geesten. In een van haar rituelen besprenkelt ze de andere jagers met een ‘geheime’ vloeistof om ze te beschermen tegen kogels.
De 38-jarige vrouw staat aan het hoofd van een commando mannen van vijftien tot dertig jaar, die communiceren via gebarentaal, dierengeluiden en zelfs door middel van vogelzang. ‘Boko Haram kent me en is bang voor me,’ zegt Bakari Gombi. Haar groep jagers heeft honderden mannen, vrouwen en kinderen gered.
Het Nigeriaanse leger begon in 2011 vrouwen te rekruteren, en hoewel de aantallen nationaal gezien laag blijven, hebben sommige vrouwen in dit gebied persoonlijke redenen om de terreurgroep te bestrijden. Zoals Hamsat Hassan, wier zus twee jaar geleden door Boko Haram werd gekidnapt. De zus is sindsdien niet meer teruggezien.
‘Ik kon nog niet met een geweer omgaan toen ik vroeg of ik me mocht aansluiten bij de Vereniging van Jagers. Ik wist alleen dat ik wraak wilde nemen op de mensen die mijn zus hadden ontvoerd,’ vertelt ze. Hassans grootouders zorgen voor haar zeven kinderen, zodat zij op jacht kan gaan als er een beroep op haar wordt gedaan.
Geldgebrek
Hoewel de meeste mensen in de groep vrijwilligers zijn, behoren Bakari Gombi en Hassan tot de 228 mannelijke en vrouwelijke jagers die vorig jaar op een meer officiële basis werden gerekruteerd door een lokale regeringsvertegenwoordiger. Maar in oktober stopten de toelagen van 10.000 naira (30 euro) die de jagers ontvingen. Twee maanden later had het grootste deel van het team zich teruggetrokken, al bleven sommigen, onder wie Bakari Gombi en Hassan, toegewijd aan de strijd.
Bukar Jimeta, de commandant van de Vereniging van Jagers in Gombi, zegt dat ze door het failliet van de missie en het gebrek aan geld niet meer in staat zijn om de toenemende dreiging af te wenden van Boko Haram, dat zich in de omliggende gebieden aan het hergroeperen is.
De jagers zijn niet de enigen die geldproblemen hebben. In december stuurde een groep Nigeriaanse soldaten een video naar YouTube waarin ze om een betere uitrusting, voedsel en water vroegen. Het leger heeft ook te maken met een corruptieschandaal op het hoogste niveau. Voormalig veiligheidsadviseur Sambo Dasuki moet voor de rechter verschijnen wegens het verduisteren van 2,1 miljard euro die bestemd was voor de strijd tegen Boko Haram.
De jagers vinden dat hun opsporingstechnieken van essentieel belang zijn voor de strijd van het leger tegen de terreurgroep, hoe weinig financiële middelen ze ook tot hun beschikking hebben. ‘Ik wacht op een oproep om terug te gaan en die vrouwen en kinderen uit Daggu te redden, maar ik weet niet of we meer wapens zullen krijgen,’ zegt Bakari Gombi.
Of ze die wapens nu krijgt of niet, ze zweert dat ze zal doorgaan met haar missie om Boko Haram te verdrijven uit het woud waarin zij is opgegroeid.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten. Onder de naam Guardian News and Media is het een van de meest succesvolle mediabedrijven van Groot-Brittannië, met als vlaggenschip guardian.co.uk, een van ’s werelds meest bezochte nieuwssites. Hoewel de krant dicht bij Labour zou staan, houdt zij de traditie van redactionele onafhankelijkheid in ere: het commentaar is vaak zeer kritisch over de regering.
Een achttienjarig meisje vertelt dat ze is verkracht onder bedreiging met een mes. Vervolgens zegt ze dat ze het allemaal heeft verzonnen. Daar begint dit verhaal, dat werd bekroond met een Pulitzerprijs 2016.
12 MAART 2009
Lynnwood, Washington
Er komt die dag niemand met haar mee naar de zitting, behalve haar pro-deoadvocaat. Ze is achttien jaar, haar wordt een ernstige overtreding ten laste gelegd, waarvoor ze tot een jaar gevangenisstraf kan krijgen.
Overtredingen krijgen meestal maar weinig aandacht. Haar zaak is een van de 4859 zaken die in 2008 zijn voorgekomen in de Lynnwood Municipal Court, een rechtbank die tot doel heeft ‘om mensen zich beter te laten gedragen – om Lynnwood een prettigere, veiligere en gezondere plek te maken om te wonen, te werken, te winkelen en te recreëren’.
Maar haar overtreding heeft de kranten gehaald en daarmee komt de nieuwsgierigheid los, maar ook, wat erger is, de hoon. De zaak maakt korte metten met de onlangs verworven onafhankelijkheid die zo belangrijk voor haar is na een geschiedenis van pleeggezinnen. De zaak maakt korte metten met haar gevoel van eigenwaarde. Elke keer dat de telefoon begint te rinkelen lijkt er weer iemand de vriendschap te willen opzeggen. Een vriendin uit de eindexamenklas belt op met de vraag: Hoe kun je over zoiets liegen? Marie – zo heet ze, Marie – zegt geen woord. Ze luistert alleen maar, hangt dan op. Zelfs haar pleegouders beginnen aan haar te twijfelen. Ze begint aan zichzelf te twijfelen, vraagt zich af of er misschien iets mis is met haar.
Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest
Ze heeft aangifte gedaan van verkrachting, in haar eigen appartement, door een man die haar heeft vastgebonden en een prop in haar mond heeft gedaan. Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest. Vervolgens geeft ze toe het hele verhaal te hebben verzonnen. Een nieuwszender laat weten: ‘Een vrouw in West-Washington heeft toegegeven dat ze het verhaal over een verkrachting eerder deze week uit haar duim heeft gezogen.’ Vervolgens wordt ze aangeklaagd voor het doen van een valse aangifte. Dat is de reden dat ze in de rechtbank moet verschijnen, waar ze al dan niet op een schikkingsvoorstel kan ingaan.
Haar advocaat is verbaasd dat ze is aangeklaagd. Haar verhaal heeft niemand geschaad – er is niemand opgepakt, er is zelfs niemand verhoord. Hij gokt dat de politie zich geschoffeerd voelt. De politie vindt het niet fijn om haar tijd te verdoen.
Het aanbod van de openbaar aanklager is als volgt: als Marie zich het komende jaar aan bepaalde voorwaarden houdt, wordt de aanklacht ingetrokken. Ze moet psychologische hulp zoeken omdat ze heeft gelogen. Ze komt voorwaardelijk vrij, maar zal onder toezicht staan. Ze moet zorgen dat ze niet in de fout gaat, dat ze geen wetten overtreedt. En ze moet 500 dollar betalen voor de gerechtelijke kosten.
Marie wil niets liever dan dit alles achter zich laten. Ze gaat in op het schikkingsvoorstel.
5 JANUARI 2011
Golden, Colorado
Iets na enen op een winterse dag in januari 2011 loopt rechercheur Stacy Galbraith naar een rij eentonige appartementencomplexen, op een flauwe helling in een voorstad van Denver. Op de grond ligt her en der wat sneeuw. Het is winderig en vrieskoud. Ze is hier omdat er aangifte is gedaan van een verkrachting.
Galbraith ziet het slachtoffer staan in een waterig zonnetje voor de deur van haar appartement op de begane grond. Ze is jong, gekleed in een bruine, lange jas. In haar ene hand heeft ze een tas met spullen. Ze ziet er kalm uit, onaangedaan. Galbraith stelt zichzelf voor. Overal in het appartement zijn mensen van de forensische dienst in de weer. Galbraith stelt voor om samen met het slachtoffer in een anonieme politieauto te gaan zitten die even verderop staat, zodat ze enige beschutting hebben tegen de ijzige wind.
De vrouw vertelt Galbraith dat ze 26 is, dat ze een technische opleiding volgt aan een nabijgelegen college en dat ze nu vakantie heeft. De vorige avond was ze alleen thuis geweest. Nadat ze een bonenschotel had gemaakt als avondeten, ging ze lekker in bed naar een paar afleveringen kijken van Desperate Housewives, gevolgd door The Big Bang Theory. Uiteindelijk was ze in slaap gesukkeld. Om een uur of acht schrok ze wakker doordat er een man op haar rug dook, die haar tegen de matras drukte. Hij droeg een zwart masker, een soort sjaal die hij om zijn hoofd had gebonden. Hij had een pistool in zijn hand, zilverkleurig met zwart. ‘Niet gillen. Eén kik en je bent er geweest,’ zei hij tegen haar.
Hij wist precies wat hij deed. Hij bond haar handen losjes op haar rug. Uit een grote, zwarte tas haalde hij lange kousen, doorzichtige plastic pumps met roze strikken, glijmiddel, een doosje vochtige doekjes en een flesje water. In de vier uur die volgden verkrachtte hij haar herhaaldelijk. Hij legde het allemaal vast met een digitale camera en dreigde de beelden online te zetten als zij naar de politie zou gaan. Na afloop zei hij dat ze haar tanden moest poetsen en moest douchen. Tegen de tijd dat ze uit de badkamer kwam, was hij verdwenen. Hij had al haar beddengoed meegenomen. Eén uiterlijk kenmerk stond haar haarscherp voor de geest: een donkere plek op zijn linkerkuit, zo groot als een ei.
DNA
Geschokt hoort Galbraith de vrouw aan. De verkrachting is zo beestachtig; de dader zo bedreven. Er is geen tijd te verliezen. Galbraith zit vlak naast de vrouw, voor in de auto, en ze haalt voorzichtig een paar wattenstaafjes over het gezicht van de vrouw om eventueel DNA-materiaal te verzamelen. Vervolgens brengt ze haar naar het St. Anthony North-ziekenhuis. De vrouw krijgt een speciaal medisch-forensisch onderzoek om nog meer DNA-bewijsmateriaal te vergaren. Voor ze met de verpleegster meegaat zegt Galbraith: ‘Ik vermoed dat hij dit eerder heeft gedaan.’
Galbraith keert terug op de plaats delict. Er zijn een handvol agenten en mensen van de forensische dienst bezig. Ze doen buurtonderzoek, maken foto’s in het appartement, keren vuilnisbakken ondersteboven, zoeken overal naar DNA-materiaal, op de muren, op de ramen. Ze zien voetsporen in de sneeuw, die van en naar de achterkant van het appartement lopen, over een kaal terrein. Ze spuiten fluorescerende oranje verf in de voetstappen, zodat ze duidelijk te zien zijn, en maken foto’s. Het is allemaal niet veel. Maar beter dan niets. Een van de agenten zegt dat hij naar het toilet wil. ‘Niets daarvan, gewoon doorwerken!’ zegt Galbraith.
Als Galbraith die avond naar huis gaat, blijft ze maar malen. ‘Wie is deze man?’ vraagt ze zich af. ‘Hoe krijg ik hem te pakken?’ Galbraith neemt geregeld verkrachtingszaken op zich. Ze is zelf getrouwd, heeft kinderen. Ze kan zich goed inleven in de slachtoffers, die in overgrote meerderheid vrouw zijn. De meesten zijn verkracht door een vriendje of een oude vlam, of door iemand die ze hebben ontmoet in het uitgaansleven. In deze gevallen draait het vaak om de vraag of de vrouw al dan niet heeft ingestemd. Heeft de vrouw ‘ja’ gezegd? Vaak een lastige vraag voor zowel politie als openbaar ministerie. Een jury zal niet zomaar iemand naar de gevangenis sturen als het zijn woord is tegen dat van het slachtoffer. Verkrachting door een onbekende komt veel minder vaak voor – slechts in zo’n 13 procent van de gevallen. Maar goed, nu is er het verhaal van deze vrouw. Vertelt ze de waarheid? Of is het een verzinsel, om een uit de hand gelopen seksueel avontuur goed te praten?
In die zin zijn verkrachtingszaken onvergelijkbaar met de meeste andere misdrijven. Er wordt niet alleen geoordeeld over de vraag of de beklaagde schuldig is, maar ook over de vraag in hoeverre het slachtoffer geloofwaardig is. En op het lange, precaire traject van misdrijf naar veroordeling is het de politie die als eerste de feiten weegt. Het is aan de rechercheur om erachter te komen of het slachtoffer al dan niet de waarheid spreekt.
Galbraith heeft een eenvoudige stelregel: luisteren en verifiëren. ‘Er wordt vaak gezegd: je moet je slachtoffer geloven, je moet je slachtoffer geloven,’ aldus Galbraith. ‘Maar ik geloof niet dat dat de juiste insteek is. Volgens mij gaat het erom dat je naar je slachtoffer moet luisteren. En dan in het verhaal meegaan, of het weerleggen, al naar gelang het verdere verloop.’
Als ze thuiskomt, heeft haar man David de afwas gedaan en de kinderen naar bed gebracht. In de woonkamer laten ze zich ieder op een bank ploffen. Galbraith vertelt wat er die dag is gebeurd. De verkrachter is slim te werk gegaan, hij heeft geprobeerd alle DNA-sporen op de plaats delict te wissen. Voor hij vertrok heeft hij de studente laten zien hoe hij binnen is gekomen, via een glazen schuifdeur. Hij heeft gezegd dat ze het beste een balkje in de sponning kan leggen om toekomstige indringers buiten de deur te houden. Het slachtoffer heeft hem omschreven als een gentleman, zegt Galbraith. Het zal nog knap lastig worden om hem te pakken te krijgen, denkt ze.
David Galbraith is wel gewend aan dit soort naargeestige verhalen. Ze werken tenslotte allebei bij de politie. Hij werkt in Westminster, zo’n 20 kilometer naar het noordoosten. Golden en Westminster zijn slaapsteden, ingeklemd tussen de wolkenkrabbers in het centrum van Denver en de oprijzende Rockies.
Dit keer is het anders dan anders. Terwijl David het verhaal aanhoort, komen de details van de zaak hem onrustbarend bekend voor. Hij zegt tegen zijn vrouw dat ze de volgende ochtend meteen contact moet opnemen met het bureau waar hij werkt. ‘Wij hebben er precies zo een,’ zegt hij.
Lynnwood, Washington
Ze weet niet of ze op de kleuterschool heeft gezeten.
Ze weet dat ze honger heeft geleden en hondenvoer heeft gegeten.
Ze zegt dat ze op haar zesde of zevende onder pleegzorg is komen te vallen.
Het rapport over Marie – opgesteld door een psychologisch expert die vijf uur lang met haar heeft gepraat – is opgetekend met een klinische afstandelijkheid, en het gaat met name over haar leven voordat ze werd ondergebracht bij pleeggezinnen…
Ze heeft haar biologische vader slechts één keer gezien.
Ze zegt dat ze maar weinig weet over haar biologische moeder, die Marie naar eigen zeggen geregeld achterliet bij allerlei vriendjes.
Ze is zowel seksueel als lichamelijk mishandeld.
… en daarna: volwassenen, verzorgenden en hulpverleners die komen en gaan, enkele schokkende ervaringen, al dan niet gepaard gaand met misbruik, en een algeheel gebrek aan stabiliteit.
‘Ik ben als kind heel veel verhuisd,’ zegt Marie in een interview. ‘Ik heb ook in groepsverband gewoond. Dat laatste twee keer, en ik denk in een stuk of tien, elf pleeggezinnen.’
‘Ik gebruikte een stuk of zeven verschillende drugs. En Zoloft is een drug voor volwassenen – dat gebruikte ik op mijn achtste.’
Marie heeft twee halfbroers en een halfzus van moeders kant. Soms werd ze samen met haar broers en haar zus in een pleeggezin geplaatst. Maar meestal werden de kinderen uit elkaar gehaald.
Niemand legde haar ooit echt uit waarom ze moest verhuizen, of wat er aan de hand was. Ze moest gewoon weer ergens anders heen.
Toen Marie de puberleeftijd bereikte, leek er een einde te komen aan de jaren van onrust. Haar pleegouders wilden haar adopteren. ‘Ik was echt dol op die mensen en ik maakte veel vrienden,’ zegt Marie.
Veel kinderen zien als een berg op tegen de eerste dag op de middelbare school. Marie stond echt te popelen. Ze mocht alle vakken volgen die ze wilde. Ze had vriendinnen. Ze had eindelijk het gevoel dat ze erbij hoorde.
Maar op die eerste dag kwam er een maatschappelijk werkster naar school om Marie te vertellen dat het pleeggezin niet langer als zodanig mocht functioneren. Marie kon niet langer bij hen blijven wonen. De maatschappelijk werkster kon er verder niets over zeggen.
‘Ik moest vooral heel hard huilen,’ zegt Marie. ‘ Ik kreeg iets van twintig minuten om mijn spullen te pakken en te vertrekken.’
In afwachting van een structurelere oplossing trok Marie in bij Shannon McQuery en haar man in Bellevue, een welvarende hightechvoorstad van Seattle. Shannon, een makelaar die al langere tijd pleegkinderen in huis had, kende Marie van bijeenkomsten voor kinderen met een moeilijke achtergrond, en ze voelde zich op een bepaalde manier met Marie verwant.
Shannon en Marie waren allebei ‘een beetje maf’, om Shannons eigen woorden te gebruiken. ‘We konden om elkaar lachen en we hadden veel lol samen. We leken in veel dingen op elkaar.’ Ondanks alles wat Marie had doorgemaakt was ze niet verbitterd, zegt Shannon. Ze hield contact met eerdere pleeggezinnen. Ze was prima in staat om een gesprek te voeren met volwassenen. Ze ging ’s ochtends zonder problemen naar school.
‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien’
Maar al was Shannon nog zo dol op Marie, ze wist ook dat ze niet zou kunnen blijven, omdat ze al een ander pleegkind in huis hadden dat erg veel aandacht behoefde. ‘We vonden het echt heel erg dat we haar niet bij ons konden houden,’ zegt Shannon.
Na een paar weken bij Shannon te hebben gewoond ging Marie naar Peggy Cunningham, die als kinderadvocaat werkte in de daklozenopvang. Ze woonde in Lynnwood, een kleinere voorstad op zo’n 20 kilometer ten noorden van Seattle. Marie was Peggy’s eerste pleegkind.
‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien,’ zegt Peggy lachend. ‘Maar het was prima. Ik heb een achtergrond in de geestelijke gezondheidszorg en ik had jaren en jaren met kinderen gewerkt. Waarschijnlijk dachten ze bij jeugdzorg: Zij kan het wel aan. Zodoende.’
In het begin wilde Marie helemaal niet bij Peggy wonen. Marie was gewend aan andere kinderen om zich heen. Peggy had geen kinderen. Marie was dol op honden. Peggy had twee katten. ‘In het begin botsten we nogal,’ zegt Marie. ‘Ik was niet bepaald de makkelijkste. Ik heb het gevoel dat mensen vaak een ander beeld van mij hebben dan ikzelf.’
Peggy, die een vuistdik rapport had gekregen over Maries achtergrond, stond er eigenlijk van te kijken hoe goed ze het deed. Marie had belangstelling voor jongens, tekenen en muziek – of het nou popmuziek, country of gospel was. ‘Ze was heel vrolijk en een en al energie, maar er waren ook momenten dat ze heel geladen was,’ zegt Peggy. Marie wilde niets liever dan erbij horen, wat voor vrijwel alle kinderen geldt. Ze wilde per se een heel vrouwelijke, witte jas met een bontkraag hebben, omdat ze dacht dat meisjes er zo bij hoorden te lopen, maar toen dat niet het geval bleek te zijn, liet ze de jas in de kast hangen.
Peggy begreep algauw dat de middelbare school waar Marie op zat niet echt geschikt voor haar was – ‘echt van die meidenkliekjes,’ aldus Peggy – en ze ging op zoek naar een school die beter bij haar paste. Daar had Marie het naar haar zin. Ze onderhield nauw contact met Shannon, die grappend zei dat Peggy en zij Marie samen opvoedden – Shannon voor de leuke dingen (laten we lekker gaan varen) en Peggy voor de regels (ik wil dat je zo en zo laat thuis bent).
Prettig gezelschap
Via via leerde Marie Jordan Schweitzer kennen, een scholier die een bijbaantje had bij McDonald’s. Uiteindelijk kregen ze verkering. ‘Ze was gewoon heel prettig gezelschap. Het was altijd leuk om met haar te praten,’ zegt Jordan.
Volgens Marie zelf was de gelukkigste tijd van haar leven zo rond haar zestiende, zeventiende, en de gelukkigste dag van haar leven was misschien wel de dag die ze doorbracht met haar beste vriendin, die ook in de bovenbouw zat en haar de fijne kneepjes van het fotograferen bijbracht.
‘Ik kon echt uren op het strand zitten om naar de ondergaande zon te kijken. Ik deed niets liever. Ze heeft een foto genomen die ik echt prachtig vind. We waren naar het strand gegaan, het was een uur of zeven ’s avonds, ik weet niet wat ons bezielde, maar ik ging het water in, sprong op uit de golven en gooide mijn haar naar achteren.’
Marie maakte haar school niet af maar probeerde in plaats daarvan een soort staatsexamen te doen. Ze was zeventien en ging tot diep in de nacht uit, wat Peggy zorgen baarde. Er ontstonden spanningen in huis. In het voorjaar van 2008 werd Marie achttien. Ze kon bij Peggy blijven wonen, als ze zich aan bepaalde regels zou houden. Maar Marie wilde op zichzelf gaan wonen.
Op internet stuitte Peggy op een programma dat onlangs in het leven was geroepen: Project Ladder. Het was het jaar daarvoor opgezet om jongvolwassenen die in pleeggezinnen waren opgegroeid te helpen met de overgang naar een zelfstandig bestaan. Projectmedewerkers zouden de deelnemers bij de hand nemen en ze leren wat de valkuilen waren bij dingen als boodschappen doen, omgaan met een creditcard of een verzekering afsluiten. ‘De spelregels van het leven,’ noemt Marie het. Een van de mooie dingen van Project Ladder was dat men ook zorgde voor gesubsidieerde woonruimte, met voor iedere deelnemer een tweekamerappartementje. ‘Het was een godsgeschenk,’ zegt Peggy.
Er waren maar een paar plekken, maar Marie wist een plekje te bemachtigen. Ze vond het wel een beetje eng, maar alle huiver werd overwonnen door een gevoel van trots. Ze nam haar intrek in de Alderbrooke Apartments, een rustiek complex dat adverteert met een nabijgelegen winkelcentrum en uitzicht op de watervallen. Marie kreeg ook haar eerste baantje, bij [groothandelsketen] Costco, waar ze de klanten bepaalde producten mocht laten proeven. Ze zat er niet mee om zes uur onafgebroken op de been te zijn. Ze vond het leuk om met mensen te kletsen, zonder de druk om iets te moeten verkopen.
Veel kinderen die uit huis zijn geplaatst raken aan de drugs of belanden in de gevangenis. Maar Marie was er goed doorheen gekomen. ‘Het was fijn om zelfstandig te wonen, zonder alle regels die je in pleeggezinnen hebt,’ zegt Marie. ‘Dit was echt vrijheid. Het was te gek.’
6 JANUARI 2011
Golden, Colorado
De ochtend na de verkrachting in Golden haast Galbraith zich naar haar werk om de tip van haar man na te trekken. Om 9:07 uur stuurt ze een mail naar de politie in Westminster. De onderwerpregel is de klemmende vraag: ‘Overeenkomsten verkrachtingszaken?’
Rechercheur Edna Hendershot in Westminster is net aan haar bureau gaan zitten nadat ze, zoals gebruikelijk, langs Starbucks is gereden voor een Venti, upside-down, skinny caramel macchiato. Ze leest de e-mail, en haar gedachten gaan terug naar vijf maanden eerder, een frisse dinsdag in augustus 2010. In verband met de aangifte van een verkrachting gaat ze naar een appartementencomplex in een arbeiderswijk in het noordwesten van haar stad. Daar vertelt een 59-jarige vrouw dat ze thuis lag te slapen toen er ineens een man boven op haar sprong. Hij droeg een zwart masker. Hij bond haar handen vast. Hij pakte haar roze Sony Cyber-shot-camera en maakte foto’s van haar. Na afloop zei hij dat ze onder de douche moest gaan. Hij zette een keukenwekker zodat ze wist wanneer ze onder de douche vandaan mocht komen. ‘Ik denk niet dat je in de toekomst je ramen nog open laat staan,’ zei de indringer tegen de vrouw, van wie onlangs de man was overleden.
Krachten bundelen
Er is meer. Hendershot herinnert zich dat tijdens het onderzoek naar deze zaak een agent haar wees op een voorval in oktober 2009, in Aurora, een voorstadje aan de andere kant van Denver. Destijds had een 65-jarige vrouw de politie verteld dat ze in haar eigen huis was verkracht door een man die een zwart sjaaltje om zijn gezicht had geknoopt. Hij had foto’s genomen en gedreigd die op internet te zetten. Tijdens de aanval mepte hij een gele teddybeer van een tafel in haar slaapkamer. ‘Je moet hulp zoeken,’ had de vrouw gezegd, die huismoeder was bij een studentensociëteit. ‘Daar is het al te laat voor,’ had de man geantwoord.
Rechercheurs willen een zaak soms voor zich houden, uit angst dat er bepaalde details uitlekken die het onderzoek in gevaar kunnen brengen. Ze zijn zich soms niet eens bewust van het bestaan van de FBI-database die jaren geleden is opgezet om recidivisten te pakken, of ze maken er domweg geen gebruik van. Uit onderzoeken blijkt dat het bij een kwart tot twee derde van de verkrachters niet om een eenmalig misdrijf gaat.
Hendershot ziet gelukkig meteen de meerwaarde van samenwerking en de inzet van alle mogelijke middelen. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ zegt ze. Galbraith denkt er precies zo over. Haar korps is betrekkelijk klein – niet veel meer dan veertig agenten voor een stadje met twintigduizend inwoners. Niets ligt meer voor de hand dan de krachten te bundelen. ‘Ik heb er geen moeite mee om hulp in te roepen,’ zegt Galbraith. ‘Laten we alles op alles zetten om hem te pakken.’
Een week later zitten Galbraith, Hendershot en rechercheur Scott Burgess uit Aurora samen aan een vergadertafel op het politiebureau van Westminster. Ze leggen hun bevindingen naast elkaar. De beschrijvingen van de verkrachter komen overeen. Net als zijn werkwijze. En er is nog een houvast: de vrouw in de zaak van Galbraith is gedurende de hele, afschuwelijke ervaring scherp gebleven, heeft geprobeerd zo veel mogelijk details te onthouden. Het fototoestel dat de verkrachter gebruikte staat haar scherp voor de geest. Een roze, digitale Sony-camera – een omschrijving die overeenkomt met het toestel dat is gestolen uit het appartement van het slachtoffer in Westminster.
Galbraith en Hendershot ontmoeten elkaar voor het eerst op die bespreking. De jacht op de verkrachter smeedt een sterke band tussen de twee rechercheurs – beide vrouwen functioneren in een mannenwereld. In Amerika bestaat het politieapparaat voor gemiddeld zo’n 13 procent uit vrouwen. Het is nog altijd een echt mannenbolwerk, vaak met een hiërarchische en militaristische structuur. Maar de beide vrouwen hebben zich een plaats weten te verwerven binnen deze organisatie. Ze zijn opgeklommen.
Het klikt meteen tussen beide vrouwen. Ze dragen allebei het hart op de tong. Ze maken veel grappen en zijn goedlachs. Galbraith is jonger. Ze is een en al energie. ‘Die stormt met 150 kilometer per uur een bepaalde kant op,’ zegt een collega. Hendershot heeft meer ervaring. Ze heeft al meer dan honderd verkrachtingszaken gedaan. Ze is behoedzaam, onvermoeibaar, precies – de vrouwen vullen elkaar perfect aan. ‘Met 150 kilometer per uur zie je soms bepaalde broodkruimels over het hoofd,’ aldus dezelfde collega.
De aanvankelijke pogingen om de verkrachter op te sporen leveren weinig op. De politie in Galbraith weet beelden te bemachtigen van een beveiligingscamera waarop de ingang is te zien van het gebouw waar Galbraiths slachtoffer is belaagd. Een collega-rechercheur bekijkt meer dan twaalf uur korrelig beeldmateriaal. Hij registreert heel nauwgezet 261 auto’s en mensen die in de nacht van het voorval zijn gekomen of gegaan. Er is één aanwijzing die misschien bruikbaar is. In de uren vlak voordat de zon opkomt, duikt tot tien keer toe een witte Mazda pick-up op in de beelden. Misschien de verkrachter die wachtte tot de vrouw in slaap was gevallen? Maar pogingen om de eigenaar van de auto te achterhalen zijn vruchteloos. Het nummerbord is onleesbaar.
In de weken die volgen lopen steeds meer sporen dood. Hendershot probeert het met de database die is bedoeld om verkrachters te pakken door zaken in verschillende jurisdicties aan elkaar te koppelen. Het levert enkele doodlopende sporen op. De frustratie neemt toe. ‘Hij gaat nog een slachtoffer maken,’ sombert Galbraith.
Honingraatmotief
Eind januari besluiten de rechercheurs dat ze hun onderzoeksterrein moeten verbreden. Hendershot vraagt een van de misdaadanalisten van haar korps om bij andere korpsen naar soortgelijke misdrijven te speuren. De analist stuit op een incident in Lakewood, ook een voorstad van Denver, dat ongeveer een maand voor de verkrachting in Westminster heeft plaatsgevonden. Destijds heeft de politie de zaak afgedaan als een inbraak. Maar in dit nieuwe licht bezien heeft het veel weg van een mislukte poging tot verkrachting, en de dader vertoont veel overeenkomsten met de beschrijving van de verkrachter. De analist stuurt Hendershot een berichtje. ‘Ik moet je spreken.’
In het rapport staat te lezen hoe een 46-jarige kunstenares in haar eigen huis is belaagd door een man met een mes. Hij draagt een zwart masker. Hij probeert haar polsen vast te binden. Maar als de man even de andere kant op kijkt, springt de vrouw uit haar slaapkamerraam. De val van bijna drie meter levert haar drie gebroken ribben en een klaplong op, maar ze weet te ontkomen.
Op de plaats delict treffen onderzoekers enkele sporen die heel misschien als bewijsmateriaal kunnen dienen. Vlak voor het misdrijf zijn er zware buien gevallen. In de zompige grond onder het slaapkamerraam van de vrouw vindt de politie voetafdrukken. Op het raam zien ze een honingraatmotief.
Een honingraatmotief. Hendershot gaat ermee aan de slag. De onderzoekers in Westminster hebben soortgelijke afdrukken aangetroffen op het raam van het appartement van het slachtoffer. Hendershot laat de afdrukken vergelijken. De afdrukken van beide plaatsen delict komen overeen. Ze lijken ook overeen te komen met de afdrukken van een stel Under Armour-handschoenen die een rechercheur in Lakewood, heel toevallig, bij Dick’s Sporting Goods heeft gezien.
Galbraith laat de voetafdrukken natrekken die in Lakewood zijn aangetroffen. Ze komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw bij het appartement van haar slachtoffer in Golden. Ze stuurt afdrukken van de schoenen naar crimeshoe.com, een website die beweert een onderzoek vooruit te kunnen helpen door ‘in één simpele stap’ van een niet nader geïdentificeerde voetafdruk op een plaats delict te komen tot zeer gedetailleerde informatie over de schoen in kwestie. De site, die inmiddels ter ziele is, laat weten dat de afdrukken afkomstig zijn van de Adidas ZX 700 mesh, een schoen die in maart 2005 op de markt is gekomen.
Er ontstaat een hechte samenwerking: wanneer rechercheur Stacy Galbraith en brigadier Edna Hendershot tot de conclusie komen dat de verkrachtingen het werk zijn van een veelpleger, zoeken ze de samenwerking met andere rechercheurs in Colorado teneinde hem te pakken te krijgen. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ aldus Hendershot.
De man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent
Eind januari 2011 hebben de rechercheurs vier verkrachtingen met elkaar in verband gebracht, allemaal gepleegd in voorsteden van Denver, in een periode van vijftien maanden. Het spoor begint in Aurora, ten oosten van Denver, op 4 oktober 2009, met de 65-jarige vrouw. Dan wordt het negen maanden later weer opgepikt, zo’n 35 kilometer naar het westen, waar de verkrachter de kunstenares in Lakewood belaagt. Weer een maand later wordt de 59-jarige vrouw verkracht in Westminster, zo’n 15 kilometer noordelijker. En tot slot, in januari 2011, volgt de aanval op de 26-jarige vrouw in Golden, dik 20 kilometer ten zuidwesten van Westminster. Als je een kaart zou tekenen, is het bijna alsof de verkrachter vanuit Denver alle windrichtingen heeft willen bestrijken.
Galbraith en Hendershot proberen door middel van DNA-materiaal de verkrachter te identificeren. Ze hebben de plaatsen delict aan een grondig onderzoek onderworpen. De forensische dienst zoekt naar sporen op ramen, deurkrukken, zelfs op stortbakken van de wc – alles wat de verkrachter maar kan hebben aangeraakt.
Maar de man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent. Hij weet hoe hij moet zorgen dat hij geen DNA-materiaal achterlaat. Hij gebruikt vochtige doekjes om zijn sperma weg te vegen. Hij gebiedt de vrouwen te douchen. Hij neemt hun kleren en beddengoed mee als hij weggaat.
Hij is heel nauwgezet. Maar niet onfeilbaar. De verkrachter heeft minieme sporen achtergelaten. De technici weten drie monsters van zogeheten ‘touch DNA’ veilig te stellen – slechts zeven of acht huidcellen die met behulp van moderne laboratoriumtechnieken kunnen worden geanalyseerd.
Een van de monsters is afkomstig uit de keuken in Westminster. Een tweede monster is afkomstig van het slachtoffer in Golden. Een derde van de teddybeer in Aurora.
11 AUGUSTUS 2008
Lynnwood, Washington
Net even voor negen uur op een maandagochtend reageren twee politiemannen in Lynnwood op een melding van een verkrachting in de Alderbrooke Apartments. Er zijn al een aantal agenten ter plaatse om de plaats delict veilig te stellen. Buiten staat een agent van de hondenbrigade. De hond probeert een geur op te pikken. De politiemannen, brigadier Jeffrey Mason en Jerry Rittgarn, hebben het slachtoffer, Marie, op de bank aangetroffen, onder een deken, zo nu en dan huilend. Haar pleegmoeder, Peggy Cunningham, is bij haar. Ook Wayne Nash is aanwezig, haar case manager van Project Ladder.
Marie, die net drie maanden daarvoor achttien is geworden, vertelt de politie dat ze een groot deel van de avond met haar vriendje Jordan aan de telefoon heeft gezeten. Nadat ze eindelijk in slaap is gevallen, schrikt ze wakker van een man met een mes – die haar vervolgens vastbindt, blinddoekt, een prop in haar mond doet en haar verkracht. Volgens haar gebruikte de man een condoom. Over hoe haar belager eruitzag kan Marie maar weinig zeggen. Blanke man, grijze trui. Ze heeft het idee dat de verkrachting heel lang duurde, zegt Marie tegen de politie, maar ze weet het niet zeker. Het is allemaal een grote waas.
Richtlijnen
Marie zegt dat ze, nadat de verkrachter eenmaal is vertrokken, met haar voet een schaar uit de onderste la van een kast heeft weten te halen en zichzelf heeft weten te bevrijden, waarna ze Jordan heeft gebeld. Jordan nam niet op, dus heeft ze haar pleegmoeder gebeld en vervolgens de bovenbuurvrouw, die meteen naar beneden is gekomen en het alarmnummer heeft gebeld.
Mason, die op dat moment 39 is, heeft tot dan toe voornamelijk gepatrouilleerd en drugszaken gedaan. Zijn langste betrekking was bij een klein korps in Oregon, waar hij bijna negen jaar heeft gewerkt en een onderscheiding heeft gekregen voor betoonde moed. Hij komt in 2003 te werken in Lynnwood, bij de narcoticabrigade. Zes weken voordat de melding van Marie binnenkomt, wordt hij gepromoveerd tot brigadier – en overgeplaatst naar de recherche. Tot nog toe heeft hij slechts meegewerkt aan een of twee verkrachtingszaken. Bij deze zaak moet hij de leiding nemen.
Rittgarn werkt al elf jaar bij het korps, de laatste vier jaar als rechercheur. Hij heeft eerder gewerkt als technicus in de ruimtevaartindustrie. Daarvoor werkte hij bij het korps mariniers, als specialist helikopterelektronica.
Het politiekorps van Lynnwood heeft 79 beëdigde agenten, op een inwonertal van rond de 34.000. In 2008 is Maries zaak een van de tien aangiften van verkrachting die bij het korps binnenkomen; met zo weinig meldingen beschikt het korps niet over een apart team voor seksuele geweldsmisdrijven.
Tegen de tijd dat Marie aangifte doet, hebben specialisten in seksueel geweld allerlei protocollen opgesteld waarin wordt benoemd waar de problemen en de gevoeligheden schuilen bij het onderzoek naar een verkrachtingszaak. In deze richtlijnen, die voor alle politiekorpsen beschikbaar zijn, komen veelgemaakte vergissingen aan de orde.
Zoals in een van de richtlijnen staat, moeten de onderzoekers er niet van uitgaan dat het slachtoffer per definitie hysterisch is in plaats van kalm, dat ze duidelijk zichtbare tekenen van lichamelijke verwondingen vertoont of dat ze in staat is alles tot in detail te beschrijven. Sommige slachtoffers halen details door elkaar of zullen zelfs terugkomen op hun woorden. De politie moet ook vooral niet denken in stereotypen – dat een volwassen slachtoffer geloofwaardiger is dan een puber, bijvoorbeeld.
De politie moet de slachtoffers niet verhoren of dreigen met het gebruik van een leugendetector. Een leugendetectortest is met name onbetrouwbaar wanneer mensen getraumatiseerd zijn, en kan het vertrouwen van het slachtoffer in het politieapparaat schaden. In veel staten is het gebruik ervan verboden bij mensen die het slachtoffer zijn van een verkrachting.
‘Het was net alsof ze het script voorlas van een aflevering van Law & Order’
Wanneer de politiemensen door Maries appartement lopen, zien ze dat een glazen schuifdeur aan de achterkant niet op slot is, en dat deze een heel klein stukje openstaat. De deur biedt toegang tot een platje, met een houten hekje dat onder het vuil zit – op één stuk na, van ongeveer een meter breed, waar zo te zien iemand overheen is geklommen die al doende het hekje heeft schoongeveegd. Op het bed vindt de politie een schoenveter – kennelijk gebruikt om Marie vast te binden. Boven op een computermonitor treffen ze een tweede veter aan, vastgeknoopt aan een onderbroek: de blinddoek of de prop in haar mond. Beide veters zijn afkomstig uit Maries zwarte tennisschoenen die in de woonkamer staan. Naast het bed ligt een mes met een zwart heft. Marie zegt dat het mes van haar is – het is afkomstig uit haar keuken, en dit is het mes waarmee de verkrachter haar heeft bedreigd. De politie vindt Maries handtas op de vloer van de slaapkamer, haar portemonnee op het bed en haar voorlopige rijbewijs, dat om de een of andere reden uit haar portemonnee is gehaald, in de vensterbank van de slaapkamer.
Mason zegt tegen Marie dat ze naar het ziekenhuis moet voor een medisch onderzoek, wat standaard is bij verkrachtingszaken. Nadat Marie is vertrokken, samen met haar pleegmoeder en haar case manager, helpen de rechercheurs bij het onderzoeken van de plaats delict. Op zoek naar een condoom of de verpakking van een condoom kijkt Rittgarn in de badkamer en in vuilnisbakken op de nabijgelegen heuvel, maar het levert niets op. Ondertussen heeft de hond een spoor gevolgd in zuidelijke richting, naar een kantoorgebouw, maar ook de hond kan de politie niet dichter bij de identiteit van de verkrachter brengen.
In het ziekenhuis neemt het medisch personeel meer dan tien huidmonsters. Er wordt getest op hepatitis, chlamydia en hiv. Maria krijgt [de antibiotica] Zithromax en Suprax, omdat ze mogelijk is blootgesteld aan seksueel overdraagbare aandoeningen, en ze krijgt een morningafterpil.
In het medisch rapport wordt melding gemaakt van verwondingen aan Maries polsen en haar vagina. De blauwe plek op haar rechterpols meet 6,5 centimeter, die op haar linkerpols 7 centimeter. Tijdens het onderzoek, zo staat in het verslag te lezen, is Marie ‘alert en helder, en niet volkomen overstuur’.
Aandacht trekken
Op de dag dat ze aangifte doet van verkrachting belt Marie met Shannon, haar voormalige pleegmoeder, zodra ze terug is uit het ziekenhuis. ‘Ze belde me en zei: “Ik ben verkracht,”’ herinnert Shannon zich. ‘Volkomen emotieloos. Alsof ze vertelde dat ze net een broodje had gesmeerd.’ Omdat Marie niet hysterisch is, of zelfs maar overstuur, vraagt Shannon zich af of Marie wel de waarheid vertelt.
De volgende dag, wanneer Shannon bij Marie thuis komt, wordt die twijfel alleen nog maar versterkt. Wanneer Shannon de keuken binnenkomt, ontwijkt Marie haar blik. ‘Dat vond ik nogal merkwaardig,’ zegt Shannon. ‘We omhelsden elkaar altijd, en ze keek mensen ook altijd recht aan.’ In de slaapkamer gedraagt Marie zich net als anders, en niets wijst erop dat er zich daar iets afschuwelijks heeft afgespeeld. Buiten ‘rolde Marie lachend en giechelend door het gras’, zegt Shannon. Als de twee nieuw beddengoed gaan kopen – het andere beddengoed is door de politie in beslag genomen als bewijsmateriaal – ontsteekt Marie in razernij omdat ze niet hetzelfde overtrek kan vinden. Waarom zou je elke dag opnieuw tegen dezelfde lakens en sprei willen aankijken als je op dat beddengoed bent verkracht? denkt Shannon bij zichzelf.
Ook Peggy weet niet goed raad met Maries houding. Toen Marie haar die eerste dag belde, nog voor de politie was gearriveerd, ‘zat ze te huilen en kon ik haar nauwelijks verstaan’, zegt Peggy. ‘Ze had echt zo’n heel klein stemmetje, en ik wist het niet goed. Op de een of andere manier leek het gemaakt… in zekere zin had het ook iets heel overdrevens.’ Peggy heeft inmiddels nieuwe pleegkinderen in huis – twee zussen, allebei tieners. Niet lang daarvoor is Marie een keer met Peggy en de zussen en Peggy’s vriend gaan picknicken. Zoals Peggy het zich herinnert probeerde Marie de hele middag de aandacht naar zich toe te trekken. Zozeer zelfs dat Peggy zich nu afvraagt of dit misschien ook een poging is om aandacht te trekken, maar dan wanhopiger.
Als Peggy die ochtend als een speer naar het appartement gaat, treft ze Marie huilend op de vloer aan. ‘Het was heel gek, want ik ging naast haar zitten en ze vertelde me wat er was gebeurd en toen – ik kijk heel veel naar Law & Order en ik had gewoon het gevoel dat er iets niet klopte,’ zegt Peggy. ‘Het was net alsof ze me het script voorlas van een aflevering van Law & Order.’ Deels komt dat door wát Marie vertelt. Waarom zou een verkrachter schoenveters gebruiken om haar vast te binden? En deels komt het door de manier waaróp Marie het vertelt: ‘Ze was zo afstandelijk, alsof het haar echt op geen enkele manier raakte.’
De twee vrouwen die hebben geholpen Marie groot te brengen bellen elkaar. Peggy zegt tegen Shannon dat ze vraagtekens heeft bij het verhaal. Shannon zegt dat ze ook zo haar twijfels heeft. Geen van beiden kennen ze Marie als iemand die liegt – overdrijven, oké, om aandacht vragen, oké – maar nu horen ze van elkaar dat ze niet de enigen zijn die zich afvragen of Marie dit heeft verzonnen.
Op 12 augustus, de dag nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting, gaat de telefoon van brigadier Mason. Degene die belt laat weten ‘dat [Marie] een geschiedenis heeft van aandachttrekkerij, en de beller vraagt zich af of de “verkrachting” werkelijk heeft plaatsgevonden’, schrijft Mason later. In Masons verslag staat niet wie het telefoontje heeft gepleegd – maar het is Peggy.
Ze belt de politie om haar twijfels kenbaar te maken. Vervolgens gaat Mason naar haar huis om haar te spreken. Peggy licht de politie in over haar twijfels en verzoekt om anonimiteit. ‘Ik wilde niet dat het bij Marie terecht zou komen,’ zegt Peggy. ‘In feite wilde ik gewoon mijn burgerplicht doen. Snap je? Ik wilde niet dat ze allemaal tijd en middelen zouden steken in iets wat, nou ja, wat uiteindelijk gewoon een persoonlijke tragedie zou blijken.’
Mason heeft bovendien een tip gekregen dat Marie niet gelukkig is in haar appartement. Mogelijk wil ze de verkrachting gebruiken om andere woonruimte te krijgen.
Op 13 augustus vervoegt Marie zich op het politiebureau van Lynnwood en legt een geschreven verklaring af, waarin ze beschrijft wat er is gebeurd. De verklaring is slechts één pagina. Maar voor Mason staat er een cruciale passage in. Marie schrijft dat haar belager heeft gezegd dat ze zichzelf kan bevrijden als hij weer weg is:
Zodra hij weg was, pakte ik met mijn mond mijn telefoon (die vlak naast mijn hoofd lag) en probeerde Jordan terug te bellen. Hij nam niet op, dus belde ik mijn pleegmoeder… Ze kwam meteen naar me toe. Ik verbrak de verbinding en probeerde mezelf te bevrijden.
Dat komt niet helemaal overeen met wat Marie eerder aan Mason heeft verteld. Ze heeft eerder verklaard dat ze heeft geprobeerd Jordan te bellen nádat ze de veters had doorgeknipt. In deze geschreven verklaring zegt ze echter dat ze hem heeft gebeld terwijl ze nog is vastgebonden.
Later die dag praat Mason met Rittgarn, zijn collega-onderzoeker, en hij zegt dat hij er nu – op basis van de tegenstrijdigheden in Maries verhaal, en op basis van informatie die hij van Peggy en Jordan heeft gekregen – van overtuigd is dat Marie het verhaal heeft verzonnen.
De angst voor valse aangiften van verkrachting kent een lange geschiedenis binnen het rechtssysteem. Rond 1600 waarschuwde de Engelse opperrechter Matthew Hale al dat verkrachting ‘een beschuldiging is die makkelijk wordt gedaan maar moeilijk valt te bewijzen, en waar de beschuldigde partij zich nog moeilijker tegen kan verweren’. In Amerika lazen rechters deze zogeheten Hale-waarschuwing altijd voor aan juryleden – tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uit recent onderzoek blijkt echter dat er betrekkelijk zelden een valse aangifte wordt gedaan. Uit cijfers van de FBI komt naar voren dat de politie jaarlijks zo’n 5 procent van de verkrachtingszaken geheel of ten dele ongegrond verklaart. Sociaal wetenschappers die de politierapporten heel grondig hebben uitgeplozen en methodologisch doortimmerde methoden gebruiken, komen met vergelijkbare percentages, van onder de 10 procent.
De volgende ochtend gaat Mason naar het huis van Jordan om met hem te praten. Jordan vertelt de rechercheur dat hij en Marie al een paar maanden uit elkaar zijn, maar nog altijd goed bevriend zijn. Volgens Masons uitgeschreven rapport zegt hij op geen enkel moment dat hij aan Maries verhaal twijfelt. Wél zegt hij dat Marie hem heeft verteld dat ze, toen ze die ochtend probeerde te bellen, haar tenen had gebruikt omdat ze was vastgebonden.
Later die dag – 14 augustus, drie dagen nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting – belt Mason haar op, met de vraag of ze kunnen praten. Hij zegt dat hij haar kan komen ophalen en dat ze vervolgens naar het bureau kunnen gaan.
‘Moet ik me zorgen maken?’ vraagt Marie aan de rechercheur.
9 FEBRUARI 2011
Westminster, Colorado
Op 9 februari 2011 komen meer dan tien agenten en rechercheurs van het Colorado Bureau of Investigation samen in de vergaderkamer van het politiebureau in Westminster om de voortgang van het onderzoek te bespreken.
Het staat er niet al te best voor. Na vijf weken speurwerk zijn er nauwelijks aanknopingspunten en is er niet één verdachte. De analyse van het touch DNA heeft gemengde resultaten opgeleverd. Het onderzoek heeft het aantal mogelijke verdachten beperkt tot mannen die behoren tot één en dezelfde familie, van vaderskant. Maar er is niet genoeg genetisch materiaal om één iemand aan te wijzen. De resultaten kunnen dan ook niet worden ingevoerd in de nationale database van de FBI om te kijken of er een match is met een verdachte.
Galbraith heeft goede hoop. In ieder geval hebben ze nu iets concreets. Het is een en dezelfde dader. ‘Het is een doorbraak,’ zegt ze. ‘Maar het is nog niet genoeg.’
Wanneer de vergadering ten einde loopt, staat een jonge misdaadanalist van het korps in Lakewood op van haar stoel. Ze heeft gezocht naar meldingen uit de afgelopen zes maanden, voertuigen of mensen die zich verdacht hebben gedragen binnen een straal van vierhonderd meter van het huis van het slachtoffer in Lakewood. Ze heeft iets gevonden. Maar ze weet niet of het belangrijk is.
Drie weken voor de poging tot verkrachting in Lakewood heeft laat op de avond een vrouw de politie gebeld met de mededeling dat er een verdachte pick-up geparkeerd stond in de straat, met een man erin. De politie ging een kijkje nemen, maar de man was verdwenen. De agent maakte summier melding van het voertuig. Wat de aandacht van de analiste had getrokken was de plek waar de pick-up had gestaan. Hij stond een half huizenblok van het huis van het Lakewood-slachtoffer, naast een kaal terrein dat grensde aan de achtertuin van het slachtoffer.
Het betrof een witte Mazda pick-up uit 1993.
Hij stond op naam van een man uit Lakewood, ene Marc Patrick O’Leary.
Het onderzoek belandt ogenblikkelijk in een stroomversnelling. Kunnen de rechercheurs O’Leary’s Mazda in verband brengen met de korrelige beelden van de witte Mazda op de beelden van de beveiligingscamera in Golden? Aaron Hassell, de rechercheur die op de Lakewood-zaak zit, gaat als een speer terug naar zijn bureau. De patrouillewagens in Lakewood hebben camera’s die automatisch een foto maken van elk nummerbord dat ze passeren. Het resultaat is een doorzoekbare database van duizenden nummerborden die zijn gekoppeld aan een bepaald moment en een bepaalde plek. Hassell tikt het nummerbord in uit het politierapport van Lakewood: 935VHX. Hij heeft beet. Een patrouillewagen in Lakewood heeft een foto gemaakt van O’Leary die naast zijn witte Mazda staat, op de oprit van zijn huis – een kleine twee uur nadat in augustus de weduwe in Westminster is belaagd.
Op beelden van een bewakingscamera in Golden, Colorado, is te zien hoe een Mazda pick-up uit 1993 rondjes rijdt om een appartementencomplex waar een 26-jarige studente is verkracht. De rechterzijspiegel lijkt verbogen.
Hassell stuurt de foto door naar Galbraith. Heel nauwgezet vergelijkt zij de witte Mazda van O’Leary met die van de beveiligingscamera. Op een still is goed te zien dat het spiegeltje aan de passagierskant van de Mazda is beschadigd. Precies als bij de auto van O’Leary. Beide voertuigen hebben een trekhaak. Beide hebben dezelfde vlekken op de achterkant – misschien een bumpersticker die eraf is getrokken.
‘Dat is ’m,’ zegt Galbraith.
Hendershot komt tot de ontdekking dat de patrouillewagen in Lakewood de foto heeft gemaakt toen O’Leary op weg was naar een nabijgelegen vestiging van het Department of Motor Vehicles [DMV, een soort rijksdienst voor het wegverkeer]. Uit de gegevens van het DMV blijkt dat O’Leary nog geen vier uur na de belaging in Westminster een foto heeft laten nemen voor zijn rijbewijs. Op de foto zien we een man van 1 meter 85 met bruine ogen. Hij is 32 jaar en hij weegt 100 kilo. Hij draagt een wit T-shirt. Zijn uiterlijke kenmerken komen overeen met de beschrijvingen die de slachtoffers hebben gegeven. En de weduwe in Westminster heeft tegen Hendershot gezegd dat haar belager een wit T-shirt droeg.
Hendershot wil geen overhaaste conclusies trekken. ‘Het is zeer bemoedigend, ik ben heel blij,’ zegt ze. Maar: ‘Het is nog niet zeker, voor mij staat het nog niet vast dat dit ook echt onze man is.’
Tijdens de 24 uur die volgen probeert een handvol onderzoekers met vereende krachten al het mogelijke over O’Leary aan de weet te komen. O’Leary heeft geen strafblad. Hij staat niet bekend als zedendelinquent. Hij heeft in het leger gediend.
Die avond zitten Galbraith en haar man David weer op de bank in hun woonkamer. Op hun laptop zoeken ze naarstig naar informatie over O’Leary – ieder met behulp van een andere zoekmachine. Het duurt niet lang of David heeft iets gevonden. In september 2008 heeft O’Leary een pornowebsite gekocht. Ze vragen zich af of daar foto’s van zijn slachtoffers op staan.
De rechercheurs willen proberen aan O’Leary’s DNA te komen. Hoewel het onzuivere DNA-materiaal dat ze op de plaatsen delict hebben aangetroffen niet voor honderd procent gelinkt kan worden aan dat van O’Leary, kan wel aangetoond worden dat de misdaden vermoedelijk zijn begaan door een mannelijk lid van zijn familie. Als de politie O’Leary’s mannelijke familieleden kan uitsluiten, kunnen de misdrijven met een hoge mate van waarschijnlijkheid aan O’Leary zelf worden toegeschreven. ‘We kunnen hem nog altijd niet met zekerheid als dader aanwijzen,’ zegt Hendershot.
Op de ochtend van vrijdag 11 februari houden agenten het huis van O’Leary in de gaten. Het is een klein, gelijkvloers huis met grijze buitenmuren, een half blok van een benzinestation, een plaatwerkerij en een slagerij, in een armoedige buurt. Er staat een laag hek van draadgaas om het huis. Hoge, winters kale bomen torenen boven het huis uit. Net na het middaguur zien de agenten een vrouw en een man die op O’Leary lijkt het huis verlaten. Ze volgen het stel naar een nabijgelegen restaurant en zien hen eten. Als de twee klaar zijn met eten gaan de agenten snel naar binnen. Ze grissen de glazen van tafel. Op de rand moeten sporen van zijn DNA zitten.
Het huis waar Marc O’Leary woonde met zijn broer, die sterk op hem leek. Maar dat wisten de FBI-agenten niet toen ze op zijn deur klopten.
Terwijl de agenten achter de man aan gaan van wie ze denken dat het Marc O’Leary is, klopt een andere FBI-agent op de deur van het huis. Hij is van plan een camera bij het huis te installeren en wil er zeker van zijn dat er niemand thuis is. Onverwacht doet een man de deur open. Hij lijkt op Marc O’Leary. In de war gebracht, grijpt de agent terug op een beproefde smoes. Hij zegt tegen de man dat hij langs de deuren gaat om mensen te waarschuwen dat er een inbreker in de buurt actief is. De man stelt zich voor. Hij heet Marc O’Leary. Zijn broer, Michael O’Leary, is net weggegaan om met zijn vriendin te gaan lunchen. O’Leary bedankt de agent voor de informatie en doet de deur weer dicht.
Het opduiken van Michael is verwarrend. De rechercheurs wisten niet dat Michael met zijn broer samenwoonde. Of dat zij zo op elkaar leken. Ze besluiten Michaels DNA van de glazen bij het restaurant te vergelijken met het DNA dat op de plaatsen delict is gevonden. De monsters gaan naar analisten van het speciale rechercheteam in Colorado. Normaal gesproken duurt het maanden voor de uitslag van een DNA-analyse terugkomt. Maar in dit geval werken ze de hele nacht door. Tegen twee uur op zaterdagmiddag hebben ze de uitslag. Het DNA van het glas komt overeen met het DNA dat bij de slachtoffers is gevonden. Een man uit de familie O’Leary is de dader. Maar welke?
Galbraith sluit de vader van de twee broers uit – die is te oud en woont in een andere staat. Maar Michael kunnen ze nog niet als verdachte afschrijven. Het is mogelijk dat hij de verkrachtingen heeft begaan. Of zelfs dat Michael en Marc hebben samengewerkt. De rechercheurs hebben meer informatie nodig.
Haastig stelt Galbraith een huiszoekingsbevel op om het huis van de broers te mogen binnenvallen. Het is buiten al donker wanneer ze ermee klaar is. Ze belt de rechter die weekenddienst heeft. Hij wil per se dat ze hem een fax stuurt. Galbraith rent naar een supermarkt in de buurt van haar huis om het bevel door te faxen. De rechter tekent het op zaterdagavond om tien uur.
Ze weet precies wat ze zoekt. Ze vertrouwt het geheugen van haar slachtoffer. De donkere plek op zijn kuit. Ze mailt een misdaadanalist van een ander politiebureau: ‘Ik móét het been van die kerel zien. Heel nodig!’
14 AUGUSTUS 2008
Lynnwood, Washington
Als iemand vraagt of hij zich zorgen moet maken, dan is dat meestal ook zo, weet rechercheur Mason uit ervaring.
Als Mason, samen met rechercheur Rittgarn, om half vier ’s middags Marie gaat ophalen, vinden ze haar zittend op het gras voor haar flatgebouw. De drie gaan naar het politiebureau van Lynnwood, waar de twee politiemannen Marie meenemen naar een vergaderkamer.
Te oordelen naar het rapport dat Mason hierover later opmaakt, duurt het niet lang voor hij Marie confronteert met de verschillen tussen haar eigen verklaringen en die van andere getuigen. Marie zegt dat ze niets afweet van tegenstrijdigheden. Maar ze vertelt het hele verhaal nog een keer – alleen zegt ze deze keer dat ze gelooft dat de verkrachting heeft plaatsgevonden en niet dat ze het zeker weet. In tranen beschrijft ze haar verleden – al die pleegouders, haar verkrachting als zevenjarige, het feit dat ze nu op zichzelf woont, dat ze zich alleen voelt. Rittgarn zegt tegen Marie dat haar verhaal niet overeenkomt met het bewijsmateriaal. Hij zegt dat hij denkt dat ze het verhaal heeft verzonnen – zomaar ineens, zonder dat ze het van plan was. Hij vraagt haar of er echt wel een verkrachter rondloopt in de buurt, waar de politie naar op zoek moet. ‘Nee,’ antwoordt Marie met zachte stem en neergeslagen ogen.
‘Gezien haar antwoorden en lichaamstaal was duidelijk dat [Marie] over de verkrachting loog’, schrijft Rittgarn later.
Zonder Marie op haar rechten te wijzen – u hebt recht op een advocaat, u hebt het recht om te zwijgen – vragen de rechercheurs Marie om het ware verhaal op te schrijven, waarin ze toegeeft dat ze gelogen heeft, in feite dus dat ze een misdaad heeft begaan. Ze stemt toe en ze laten haar een paar minuten alleen. Op het formulier vult ze haar naam, adres en social security-nummer in en dan schrijft ze, onder andere:
Ik praatte die avond met Jordan aan de telefoon over zijn dag en over van alles. Na mijn gesprek met hem begon ik na te denken over alles, ik was over mijn toeren en ik vond het ook eng om in mijn eentje te wonen. Toen ik ging slapen, droomde ik dat er iemand inbrak en me verkrachtte.
Als de politiemensen terugkomen, zien ze dat Marie de verkrachting in haar nieuwe verklaring beschrijft als een droom, niet als een leugen.
‘Waarom heb je niet opgeschreven dat je het verhaal verzonnen hebt?’ vraagt Rittgarn.
Marie zegt huilend dat ze echt geloofde dat de verkrachting had plaatsgevonden. Ze bonkt met haar vuisten op tafel en zegt dat ze het ‘behoorlijk zeker’ weet.
‘Behoorlijk zeker, of echt zeker?’ vraagt Rittgarn.
‘Misschien is de verkrachting wel gebeurd en heb ik het verdrongen,’ zegt Marie.
‘Wat vind je dat er moet gebeuren met iemand die liegt over zoiets als dit?’ vraag Rittgarn aan Marie.
‘Ik heb misschien therapie nodig,’ zegt Marie.
Mason komt terug op het bewijsmateriaal. Hij vertelt Marie dat haar beschrijving van het telefoontje naar Jordan anders is dan wat Jordan erover heeft gezegd.
Marie kijkt omlaag, met haar hoofd in haar handen. Dan ‘schieten haar ogen heen en weer, alsof ze naar een antwoord zoekt’.
De politiemannen herhalen nog eens wat ze eerder heeft gezegd – hoe gespannen ze was, hoe eenzaam – en uiteindelijk lijkt het erop dat Marie zich ontspant. Ze houdt op met huilen. Ze lacht zelfs een beetje. Ze verontschuldigt zich – en is bereid een nieuwe verklaring te schrijven, waarin ze er geen twijfel over laat bestaan dat ze gelogen heeft.
Er zijn veel spanningen in mijn leven op dit moment en ik had zin om met iemand uit te gaan, maar niemand kon, dus heb ik dit verhaal verzonnen, en ik had niet verwacht dat het zo veel gevolgen zou krijgen. Ik weet niet waarom ik niet iets anders ben gaan doen. Dit is nooit de bedoeling geweest.
Kennelijk zijn de rechercheurs met deze verklaring wel tevreden. Rittgarn schrijft later: ‘Op basis van ons verhoor van Marie en de inconsequenties die brigadier Mason in sommige verklaringen heeft aangetroffen, wisten we zeker dat Marie ons nu naar waarheid vertelde dat ze niet verkracht was.’
‘Alsjeblieft, kom me halen, voordat ik iets stoms doe’
Marie heeft het gevoel dat de ondervraging uren heeft geduurd. Ze doet wat ze altijd doet als ze onder druk staat. Ze zet de knop om, zoals zij het noemt, en onderdrukt alle gevoelens waar ze geen weg mee weet. Vóór haar bekentenis dat ze het verhaal heeft verzonnen, kan ze de twee politiemannen niet recht aankijken. Erna kan ze dat wel. Dan lacht ze tegen hen. Ze gaat naar het toilet en wast haar gezicht. Het is een opluchting geweest om de knop om te zetten, en zo kan ze tenminste weg.
De volgende dag zegt Marie tegen Wayne Nash, haar case manager bij Project Ladder, dat de politie haar niet wilde geloven. Ze begrijpt dat ze in moeilijkheden verkeert en zegt dat ze een advocaat wil. In plaats daarvan nemen de medewerkers van Project Ladder contact op met brigadier Mason. Die vertelt hun dat het verhaal van Marie niet wordt ondersteund door het bewijsmateriaal en dat ze haar verhaal heeft teruggetrokken.
Maar nu wil Marie niet van wijken weten. Op 18 augustus, een week nadat ze haar verkrachting heeft gemeld, heeft ze een gesprek met twee medewerkers van Project Ladder, en tegenover hen houdt ze vol dat ze de verklaring waarin ze haar verhaal intrekt, onder dwang heeft geschreven. Met zijn drieën gaan ze naar het politiebureau, zodat Marie haar intrekking weer kan intrekken – met andere woorden: tegen de politiemensen kan zeggen dat ze de eerste keer de waarheid heeft gesproken.
De medewerkers van het programma blijven buiten wachten, terwijl Marie een gesprek heeft met Rittgarn en een andere agent.
Afschrikken
Rittgarn vraagt Marie wat er aan de hand is. Marie zegt dat ze wel degelijk is verkracht – ze begint te huilen en vertelt dat ze steeds beelden heeft van die man boven op haar. Ze wil een leugendetectortest ondergaan. Rittgarn vertelt Marie dat ze, als ze niet voor die test slaagt, naar de gevangenis moet. En bovendien zal hij dan Project Ladder aanraden om haar huisvestingsondersteuning in te trekken.
Marie laat zich afschrikken. De politiemensen begeleiden haar naar beneden, waar de vertegenwoordigers van Project Ladder haar vragen of ze verkracht is. Marie zegt nee.
Na het bezoek aan het politiebureau ontdekt Marie dat ze nog steeds niet alles achter de rug heeft. De mensen van Project Ladder zeggen tegen Marie dat ze, als ze in het programma wil blijven – en haar gesubsidieerde woning wil behouden – ook nog tegenover iemand anders een bekentenis moet afleggen.
Later die dag wordt in het wooncomplex een bijeenkomst georganiseerd, waar Maries medebewoners in een kring bij elkaar zitten. Marie doet wat haar is gezegd en vertelt de mededeelnemers van Project Ladder dat ze over de verkrachting heeft gelogen. Ze hoeven zich geen zorgen te maken, zegt ze tegen de groep. Er loopt daarbuiten niemand rond die haar iets heeft aangedaan en die hun vervolgens iets aan kan doen.
Als er al enig medeleven aanwezig is in de ruimte, dan merkt Marie dat maar bij één persoon, de jonge vrouw die rechts van haar zit. Verder blijft het pijnlijk, ondraaglijk stil.
Na de bijeenkomst loopt Marie naar het huis van een vriendin. Onderweg komt ze over een brug. Ze overweegt te springen. ‘Waarschijnlijk de enige keer in mijn leven dat ik alleen maar dood wilde,’ zegt ze nu. Ze belt een vriendin: ‘Alsjeblieft, kom me halen, voordat ik iets stoms doe.’ Daarna smijt Marie haar telefoon over de brugleuning.
Later die maand volgt nog een laatste verrassing. Marie krijgt een brief waarin staat dat ze voor de rechter moet komen. Ze is aangeklaagd wegens het doen van valse aangifte, waar een maximumstraf van een jaar cel op staat. De tenlastelegging is ondertekend door brigadier Mason. De afhandeling van de zaak is overgedragen aan een klein juridisch bureau dat door de stad Lynnwood is ingehuurd om overtredingen te vervolgen.
Mason heeft niet al te diep nagedacht over zijn besluit om de zaak voor te laten komen. Hij is ervan overtuigd dat Marie heeft gelogen. De politie heeft veel tijd en geld besteed aan het natrekken van die leugen. Volgens de wet is haar leugen een misdaad. Zo simpel is het.
Er zijn geen harde cijfers over het aantal keren dat de politie een vrouw arresteert wegens het doen van valse aangifte van verkrachting, en ook niet over het aantal keren dat het openbaar ministerie dit soort zaken voor de rechter brengt. Die gegevens worden nergens bijgehouden. Maar vooraanstaande politieorganisaties dringen aan op voorzichtigheid bij dit type aanklachten. Volgens de International Association of Chiefs of Police en de FBI moet er eerst grondig onderzoek worden gedaan, voordat een aangifte van verkrachting als onwaar wordt bestempeld. Politiemensen moeten even hard hun best doen om een leugen te bewijzen als om een waarheid te bewijzen.
In de praktijk zullen veel politiediensten alleen in extreme omstandigheden besluiten de vrouw te vervolgen – bijvoorbeeld wanneer het gaat om een zaak die veel publiciteit heeft gekregen en waarin de reputatie van een verdachte ernstig is geschaad, of wanneer de politie heel veel middelen heeft moeten inzetten om onderzoek te doen. Die terughoudendheid komt voort uit de overtuiging dat het grootste probleem bij verkrachtingszaken niet de valse aangiftes zijn, maar het niet doen van aangifte. Slechts eenvijfde tot eenderde van alle verkrachtingen wordt bij de politie aangegeven, zo blijkt uit landelijk onderzoek. Een reden daarvoor is dat vrouwen bang zijn dat de politie ze niet gelooft.
Binnen enkele dagen nadat ze haar verkrachting heeft aangegeven, zegt Marie haar baan bij Costco op. Ze kan het niet opbrengen om daar te staan, mensen aan te kijken, verloren en verward als ze zich voelt. Nu stapelen de nare gevolgen zich op.
Project Ladder verplicht haar om elke avond vanaf negen uur thuis te blijven en zich twee keer zo vaak bij de medewerkers te melden.
De media schrijven over haar zaak, zonder haar naam te noemen. (‘Politie: aangifte verkrachting Lynnwood was bedrog’, kopt de Seattle Post-Intelligencer.) Maries beste vriendin van de middelbare school – de vriendin die haar heeft leren fotograferen en die de foto van haar heeft gemaakt waarop ze uit de golven opduikt – maakt een webpagina waarop Marie voor leugenaar wordt uitgemaakt, met een foto van Maries Myspace-pagina, de politieverslagen, Maries volledige naam. Wanneer iemand haar op de site wijst, krijgt Marie een aanval van razernij en slaat haar appartement kort en klein.
Marie gaat niet meer naar de kerk. ‘Ik was kwaad op God,’ zegt ze nu. Ze verliest haar belangstelling voor fotografie. Ze durft de deur niet meer uit. ‘Op een avond probeerde ik wel alleen naar de winkel te lopen, en toen kreeg ik een soort hallucinatie dat iemand me volgde,’ vertelt ze. ‘Ik was doodsbang. Ik kwam niet verder dan vijfhonderd meter van mijn huis. Toen rende ik terug.’ Thuis vermijdt ze de slaapkamer, ze slaapt liever op de bank met het licht aan.
‘Ik kwam in een donker gat terecht,’ zegt ze. Zelfvertrouwen maakt plaats voor zelfhaat. Ze gaat roken, drinken, wordt dik.
Voor Marie is dit een vertrouwde reactie, die ze nog kent van de jaren waarin ze misbruikt werd als kind, en van haar jaren in pleeggezinnen, waarin ze van gezin naar gezin werd gestuurd en van school naar school. Zich afsluiten. Het binnen houden. Doen alsof er niets ergs is gebeurd, alsof niets haar ooit raakt. Omdat ze altijd zo naar normaliteit verlangt, begraaft ze de pijn.
Peggy en Shannon laten haar niet vallen, maar er is wel iets veranderd. Marie weet dat ze allebei aan haar verhaal hebben getwijfeld, zelfs nog eerder dan de politie.
Het huis van Shannon is voor Marie lang een toevluchtsoord geweest, een plek waar ze tot rust kon komen. Marie en Shannon maakten vaak lange wandelingen in het bos of gingen er met de boot op uit, en dan eindigden ze hun dag bij Shannon thuis. Maar nu is Shannons man bang dat hij vals beschuldigd zal worden, en hij besluit dat het beter is als Marie niet langer bij hen blijft slapen. ‘Dat risico loop je, als je pleegouder wordt,’ zegt Shannon.
Shannon is degene het haar moet gaan vertellen. Ze vindt het verschrikkelijk om de boodschap over te brengen. Marie vindt het verschrikkelijk om de boodschap te krijgen.
Begin oktober, nog geen twee maanden nadat Marie in staat van beschuldiging is gesteld wegens het doen van valse aangifte, meldt een 63-jarige vrouw in Kirkland, ten oosten van Seattle, dat ze in haar appartement is verkracht. De vreemde droeg handschoenen. Hij had een mes. Hij bond de vrouw vast – met haar eigen veters. Hij nam foto’s en dreigde die op internet te zetten. De afgelopen twee of drie maanden, zegt de vrouw tegen de politie, had ze het gevoel dat iemand haar volgde.
Shannon ziet een reportage over de verkrachting op het journaal en is onthutst. Haar vader is vroeger hoofd van de politie geweest in Kent, ten zuiden van Seattle. Ze is opgegroeid met de politie, vertrouwt de politie, weet hoe die werkt. Ze gaat naar haar computer, zoekt het nummer op en belt – onmiddellijk – om de politie in Kirkland te attenderen op het verhaal van Marie en op de overeenkomsten met deze zaak.
Shannon belt ook met Marie en raadt haar aan om ook contact op te nemen met de politie in Kirkland. Dat heeft Marie nooit gedaan.
‘Ik was gewoon te bang,’ zegt Marie nu. Ze heeft al zo veel moeten doorstaan. Ze kan zichzelf er niet toe brengen om weer met de politie te gaan praten. Maar ze zoekt wel op internet op wat er met de vrouw in Kirkland is gebeurd. Als ze het verhaal leest, moet ze huilen.
Uiteindelijk belt een agent uit Kirkland Shannon terug. Naar aanleiding van Shannons tip hebben rechercheurs uit Kirkland contact opgenomen met hun collega’s in Lynnwood en daar hebben ze te horen gekregen dat het slachtoffer in Lynnwood geen slachtoffer was, dat het verhaal verzonnen was.
Een van de rechercheurs die aan de zaak in Kirkland werken, is Audra Weber. Zij weet nog dat ze twee keer de recherche in Lynnwood heeft gebeld en daar te horen kreeg dat ze het verhaal van Marie niet geloofden. ‘Ik vertrouwde gewoon op hun oordeel, dacht, nou ja, het is hun zaak, zij kennen de bijzonderheden, ik niet,’ zegt Weber nu. Maar ze weet nog dat ze ‘tamelijk geschokt’ was toen ze hoorde dat ze Marie in staat van beschuldiging hadden gesteld. Ze liet het er maar bij en hing op, met de gedachte: Oké, ik hoop dan maar dat dit goed voor jullie uitpakt, jongens.
13 FEBRUARI 2011
Lakewood, Colorado
Om kwart over acht ’s morgens klopt Galbraith op de deur van O’Leary. ‘Politie! Huiszoekingsbevel, doe open!’ schreeuwt ze een paar keer. Achter haar staan zeven agenten, tegen het huis aan gedrukt, met hun wapen in de aanslag.
Na een tijdje doet O’Leary de deur open. Hij kijkt verward en geschrokken als hij naar buiten stapt, de felle winterzon in. Twee honden, een kleine pitbull en een shar-pei, huppelen achter hem aan. Hij draagt een grijs capuchonvest, een slobberige grijze trainingsbroek en grijze sloffen. Hij is alleen.
Galbraith trekt hem opzij en gaat met haar handen langs zijn lichaam om hem te fouilleren. Als ze bij zijn benen komt, stroopt ze zijn broekspijp op om te kijken.
Daar is het, op O’Leary’s linkerkuit: een donkere moedervlek, met het formaat van een groot kippenei.
Het is hem. Hij is de verkrachter. Galbraith steekt even haar duimen omhoog.
Als een FBI-agent hem aanspreekt, beroept O’Leary zich meteen op zijn recht op een advocaat. Galbraith heeft zich inmiddels achter O’Leary gemanoeuvreerd. Om vijf over half negen doet ze hem de handboeien om. ‘U staat onder arrest wegens inbraak en aanranding in de stad Golden op 5 januari 2011,’ zegt ze tegen hem. O’Leary wordt in een politiewagen gezet en overgebracht naar de Jefferson County Jail.
Galbraith heeft die dag nieuwe schoenen aan. Altijd als ze daar voortaan naar kijkt, denkt ze terug aan de arrestatie van O’Leary. Het was voor haar belangrijk dat zij degene was die hem arresteerde. ‘Ik denk dat ik de blik op zijn gezicht wilde zien. En ik wilde dat hij wist: we hebben je doorzien.’
‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,” vertelt Galbraith. “Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, goddank’
De huiszoeking bevestigt het onderzoek van de rechercheurs. In O’Leary’s klerenkast wordt een paar Adidas ZX 700-schoenen gevonden. De zolen komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw in Golden en buiten het raam in Lakewood. Ze vinden een paar Under Armour-handschoenen met honingraatpatroon. In de badkamer ligt een zwarte sjaal, zo geknoopt dat hij als masker kan dienen.
‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,’ vertelt Galbraith. ‘Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, goddank.’
Ook de verhalen van de slachtoffers worden bevestigd. De meesten hadden een blanke man beschreven met groene of bruine ogen, rond de 1 meter 80, van rond de 110 kilo. Ze hadden verteld dat ze vastgebonden waren. Ze zeiden dat hij hun ondergoed had gestolen. In het huis van O’Leary ontdekken de politiemensen een zwart Ruger .380-kaliber pistool, een roze Sony Cyber-shot-camera en een grote rugzak, naast vochtige doekjes en glijmiddel. Verstopt in een onderdeel van een stereo-installatie in zijn kast vinden de rechercheurs een verzameling vrouwenondergoed. Trofeeën.
Die avond rijdt Hendershot naar ‘haar’ slachtoffer, de 59-jarige weduwe in Westminster, om haar het nieuws te gaan vertellen. De vrouw heeft het jaar daarvoor haar man verloren aan kanker. Ze heeft geen familie in de buurt wonen. Ze is nog steeds niet hersteld van de geestelijke en lichamelijke kwellingen die ze heeft doorstaan tijdens de verkrachting. Hendershot heeft met haar afgesproken bij restaurant Denny’s. Daar treft ze haar in een donkere hoek, waar ze in haar eentje zit te eten.
‘Ik kwam binnen en ze was superblij om me te zien, en ik vertelde het haar. Ik bedoel, ik krijg nog steeds kippenvel als ik eraan denk,’ zegt Hendershot nu. ‘Ik zei tegen haar: “Het is voorbij. Het is voorbij. We hebben hem.”’
Bewijsmateriaal: de politie vindt in O’Leary’s huis materiaal om mensen te boeien, een roze Sony Cyber-shot-camera, Adidas- schoenen en een grote rugzak.
Begin maart weet een forensisch computerspecialist de documenten te kraken die O’Leary op zijn harde schijf heeft opgeslagen. Hij vindt een map ‘meisjes’, met foto’s die O’Leary heeft genomen van zijn slachtoffers in Golden en Westminster. Galbraith herkent ze meteen.
Maar dan stuit Galbraith op een foto van een vrouw die ze niet herkent. Het is een jonge vrouw – veel jonger dan de slachtoffers in Colorado, een tiener misschien nog. Op de foto’s is te zien dat ze doodsbang is en vastgebonden en gekneveld op een bed ligt. Galbraith voelt zich misselijk worden. Hoe komt ze erachter wie dit meisje is? Hoe kan ze gerechtigheid voor haar krijgen?
Ze bekijkt alle beelden, en dan vindt ze een antwoord. Het is een foto van het tijdelijke rijbewijs van de vrouw, dat op haar borst is gelegd. Haar naam staat erop. En haar adres.
Lynnwood, Washington.
11 AUGUSTUS 2008
Lynnwood Washington
Hij komt altijd in de uren vóór de zon op gaat, staat dan te wachten bij haar appartement, bij haar slaapkamer, hoort haar telefoneren, wacht tot ze in slaap valt.
Het is een droge nacht, dus hij kan het zich gemakkelijk maken. De muur is dun, dus hij kan haar stem horen. Een paar keer verlaat hij zijn plek, even maar, anders ziet iemand hem misschien rondhangen.
Hij houdt van bomen, want die zorgen voor beschutting, en er staan er meer dan genoeg rond de Alderbrooke Apartments. In een appartement heb je niet zoveel privacy als in een huis, maar het heeft ook voordelen. Al die ramen, om te beginnen. En al die glazen schuifdeuren – belachelijk makkelijk open te krijgen als ze niet op slot zitten, wat zo vaak het geval is.
Ze is niet echt zijn type. Dat heeft hij al eerder gezien, toen hij haar slaapkamer binnen gluurde. Maar hij besteedt zo veel tijd aan jagen (zo noemt hij het, jagen), honderden uren, misschien wel duizend, dat hij zichzelf heeft getraind om zo veel mogelijk vrouwen, jong of oud, in zijn fantasieën toe te laten. Dan is al dat werk niet voor niets.
Hij heeft al eerder vrouwen begluurd en bij hen ingebroken, maar de volgende stap zetten is iets anders. Hij heeft geleerd van eerdere mislukkingen – op een keer kwam er een man binnen terwijl hij daar stond, met zijn masker op, voor de deur van de slaapkamer van de vrouw die hij had willen verkrachten – dus nu doet hij eerst nauwlettend onderzoek: hij gluurt door ramen, breekt vooraf al een keer in, verzamelt informatie. Jaren later zouden rechercheurs aantekeningen in zijn mobiele telefoon vinden over zijn observatie van een ander doelwit (zijn woord) waarin precies stond wanneer ze in welke kamer was, welke lampen uit of aan waren, welke ramen en luiken open stonden of dicht waren, of haar vriend er was of niet. ‘V in pyjama, game over,’ had hij op een avond geschreven.
Hij bladert altijd snel door de persoonlijke papieren van een doelwit. Zo komt hij achter haar geboortedatum en kenteken. Hij begluurt haar terwijl ze televisie kijkt. En aan het eind van de jacht, voor hij zijn daad begaat, loopt hij nog even snel door het huis, voor wat hij zelf pre-combat inspection noemt – hij verkent het slagveld, om zich ervan te vergewissen dat er geen wapens binnen bereik van het slachtoffer zijn.
Hij is al in de ban van afwijkende fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende
Even voor zonsopkomst hoort hij dat het telefoongesprek is afgelopen. Hij wacht nog even terwijl het stil blijft, klimt dan over het hek en glipt door de glazen schuifdeur die niet op slot zit. In het volgende halfuur, terwijl zij slaapt, bereidt hij zich voor, hij pept zichzelf op om nu wel de volgende stap te zetten.
Hij heeft haar weken eerder voor het eerst gezien, door een raam, toen hij buiten bij haar appartement rondsloop. Sindsdien heeft hij twee keer bij haar ingebroken, beide keren door diezelfde glazen deur.
Hij heeft een term voor wat hij gaat doen: ‘verkrachtingstheater’. Hij is al in de ban van afwijkende fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende. Wat moet er van je worden als je op je vijfde al fantaseert over handboeien, heeft hij zich vaak afgevraagd. De eerste keer dat hij bij een huis inbrak, was hij pas acht jaar. Het gaf hem zo’n kick. Sindsdien heeft hij in zeker tien andere huizen ingebroken.
Reservist
Nu is hij dertig, een veteraan uit het leger – infanterie, twee keer uitgezonden naar Zuid-Korea – die heeft getekend bij de reservisten, maar zich al maanden niet heeft gemeld.
In de keuken loopt hij naar het messenblok en trekt uit de bovenste rij, uiterst links, een mes met een zwart handvat. In de woonkamer haalt hij de veters uit haar zwarte tennisschoenen en zet de schoenen terug. Een rechercheur schrijft later in zijn rapport: ‘De schoenen stonden naast elkaar tussen het uiteinde van de bank en de slaapkamerdeur, op hun zolen, alsof ze daar zo waren neergezet (en niet waren verplaatst).’
Hij gaat gewoon netjes en ordelijk te werk, zoals altijd.
Hij rijgt een van de schoenveters door een slipje.
Dan stapt hij de slaapkamer binnen.
Rond zeven uur in de ochtend staat hij in de deuropening van haar slaapkamer, met in zijn linkerhand, op schouderhoogte, een mes.
Hij kijkt toe hoe ze wakker wordt.
Kijk de andere kant op, zegt hij tegen Marie – en dat doet ze. Ga op je buik liggen, zegt hij. Dat doet ze – en dan gaat hij schrijlings op haar zitten, terwijl hij het mes voor haar gezicht houdt.
Doe je handen achter je rug, zegt hij. Ze doet het. Hij bindt haar polsen vast en bedekt haar ogen. Hij propt een lap in haar mond om geluiden te dempen.
Dat was een interessant gesprek dat je daarnet had, zegt hij, om haar te laten weten dat hij al een tijdje heeft staan luisteren, wachten.
Het is niet zo slim om de deur van het slot laten, zegt hij.
Draai je weer om, zegt hij – en dat doet ze, en dan verkracht hij haar, en terwijl hij haar verkracht, gaat hij met zijn gehandschoende handen over haar lichaam.
Hij legt haar voorlopige rijbewijs op haar borst en maakt foto’s van haar.
Als hij klaar is, zegt hij dat hij de foto’s op internet zal zetten als ze het aan de politie vertelt, zodat haar kinderen, als ze kinderen heeft, ze kunnen zien.
Hij haalt de prop uit haar mond en doet de blinddoek af, terwijl hij haar beveelt haar ogen af te wenden en haar hoofd in het kussen gedrukt te houden.
Een van de laatste dingen die hij zegt, is dat het hem spijt. Hij zegt dat hij zich stom voelt, dat het in zijn hoofd beter leek.
Hij gaat de kamer uit, loopt naar de voordeur en is weg.
EPILOOG
O’Leary heeft schuld bekend aan 28 aanklachten wegens verkrachting en daarmee verbonden misdrijven in Colorado. Op 9 december 2011, bijna een jaar na zijn arrestatie, wordt O’Leary veroordeeld tot 327½ jaar gevangenisstraf wegens de verkrachtingen in Colorado – het wettelijk maximum. Hij verblijft nu in de Sterling Correctional Facility, in de kale, afgelegen noordoostelijke hoek van Colorado. Hij komt nooit meer vrij.
In een verhoor door de politie na zijn veroordeling doet O’Leary zijn verkrachtingen gedetailleerd uit de doeken. Hij beschrijft het gevoel dat hij had nadat hij een oudere vrouw had verkracht: ’Het was of ik net mijn Thanksgiving-diner op had,’ zegt hij.
Ander politiedistrict
De politie kan wel wat lessen van hem leren. Hij schept op over de maatregelen die hij heeft genomen om niet opgespoord te worden. Hij wist dat zijn DNA bij het leger bekend was. Dus zorgde hij dat hij geen sporen genetisch materiaal achterliet. Hij besefte ook dat politiebureaus onderling vaak niet communiceren. Dus pleegde hij met opzet elke verkrachting in een ander politiedistrict.
De vijf andere verkrachtingen – één in Washington, vier in Colorado – dateren allemaal van na de de verkrachting van Marie. ‘Als Washington iets beter had opgelet, was ik waarschijnlijk eerder in beeld gekomen,’ zegt O’Leary.
Vanuit Colorado brengt Galbraith O’Leary niet alleen in verband met de verkrachting in Lynnwood, Washington, maar ook met die in het nabijgelegen Kirkland. Daarvoor doorzoekt ze samen met een misdaadanalist van Washington State een database op onopgeloste zaken die vergelijkbaar zijn met de misdaden van O’Leary. Vervolgens vindt ze de naam van het slachtoffer uit Kirkland in een versleuteld document op O’Leary’s computer.
O’Leary bekent schuld in beide zaken in Washington. In juni 2012 wordt hij veroordeeld tot veertig jaar cel voor de verkrachting in Kirkland en tot 28½ jaar voor de verkrachting van Marie in Lynnwood.
Marc O’Leary zit in de gevangenis in het afgelegen noordoosten van Colorado.
Als duidelijk is dat O’Leary verantwoordelijk is voor de verkrachting in Lynnwood, laat Steven Jensen, hoofd van de politie in Lynnwood, een extern onderzoek uitvoeren naar de manier waarop zijn korps het politieonderzoek heeft afgehandeld. In een rapport, dat nog niet eerder openbaar is gemaakt, schrijft brigadier Gregg Rinta, hoofd van de afdeling Zedendelicten bij het openbaar ministerie in Snohomish County, dat ‘het slachtoffer regelrecht gedwongen is om toe te geven dat ze heeft gelogen over de verkrachting’.
Het is geen wonder dat Marie haar verklaring introk, schrijft Rinta, gezien de ‘intimidatie’ en de ‘bedreigingen’ waaraan ze is onderworpen. De rechercheurs hebben van ‘onbetekenende inconsequenties’ – die vaak voorkomen bij slachtoffers – grote tegenstrijdigheden gemaakt, terwijl ze sterk bewijs dat de misdaad wel degelijk had plaatsgevonden, negeerden. Wat betreft hun dreigement dat Marie de gevangenis in zou moeten en zelfs haar huis kon kwijtraken als ze niet slaagde voor de leugendetectortest, schrijft Rinta: ‘Die beweringen zijn wreed en ongelooflijk onprofessioneel. Ik kan geen enkele rechtvaardiging voor die beweringen bedenken.’
Jensen gelast ook een intern onderzoek, dat al even vernietigend oordeelt. Mason heeft zich veel te sterk laten beïnvloeden door het telefoontje van Peggy. Het tweede verhoor van Marie door de rechercheurs was ‘bedoeld om de bekentenis van een valse aangifte uit te lokken’. De aanklacht wegens het doen van valse aangifte kwam voort uit een ‘eigen behoefte om te scoren’.
Ondanks de harde woorden van beide onderzoeken werden er tegen niemand bij de politie van Lynnwood disciplinaire maatregelen genomen.
In een recent interview heeft Steve Rider, de huidige baas van de recherche in Lynnwood, Maries zaak ‘een grote misser’ genoemd, die door de mensen van het korps diep wordt betreurd: ‘Kun je je voorstellen, zij had die beestachtige al verkrachting moeten doorstaan – en dan zeggen wij ook nog tegen haar dat ze liegt. Dat is vreselijk. Wij hebben dit beroep gekozen om mensen te helpen, niet om ze pijn te doen.’ Politieman Rodney Cohnheim van bureau Lynnwood heeft over Marie gezegd: ‘Ze is twee keer geslachtofferd.’
Brigadier Mason is terug bij de narcotica-afdeling, waar hij aan het hoofd staat van een speciaal team. Als we hem interviewen in dezelfde ruimte waarin hij zeven jaar eerder Marie voor zich had, zegt hij: ‘Het was niet aan haar om mij te overtuigen. Achteraf gezien was het aan mij om de zaak tot op de bodem uit te zoeken – en dat heb ik niet gedaan.’
Volgens Rider is er naar aanleiding van Maries zaak veel veranderd in de manier van werken en de cultuur bij zijn korps. Politiemensen volgen nu een extra cursus over verkrachtingsslachtoffers. Een verkrachtingsslachtoffer krijgt onmiddellijk bijstand van een advocaat die verbonden is aan een plaatselijk zorgcentrum. Rechercheurs moeten ‘onweerlegbaar bewijs’ hebben dat er een leugen in het spel is, voordat ze een aangifte als ongeloofwaardig afdoen, en een aanklacht wegens valse aangifte moet worden goedgekeurd door hun superieuren. ‘We hebben hier heel veel van geleerd. En we willen niet dat dit ooit nog iemand overkomt,’ aldus Rider.
Rittgarn, die al voor de arrestatie van O’Leary de politie Lynnwood had verlaten, wilde niet meewerken aan een interview voor dit verhaal. Dat geldt ook voor Zachor & Thomas, het juridisch bureau dat de vervolging van Marie uit naam van Lynnwood afhandelde.
In 2008 was de zaak van Marie een van de vier gevallen bij de politie Lynnwood die het predicaat ongegrond kregen, volgens cijfers van de FBI. Tussen 2008 en 2012 werden 10 van de 47 aangiftes van verkrachting bij de politie Lynnwood ongegrond verklaard – 21,3 procent. Dat is vijf keer zo hoog als het nationaal gemiddelde van 4,3 procent in diezelfde periode bij politiedistricten met een vergelijkbare hoeveelheid inwoners. Volgens Rider is zijn bureau sinds Marie voorzichtiger geworden met het ongegrond verklaren van een zaak. ‘Ik durf te zeggen dat we heel wat grondiger onderzoek doen naar onze zaken dan veel andere politiekorpsen,’ zegt hij. ‘We letten nu extra goed op dat we tot de juiste conclusies komen.’
Het Jefferson County Courthouse, waar Marc O’Leary tot 3271⁄2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hij komt nooit meer vrij.
Tweeënhalf jaar nadat Marie gebrandmerkt werd als leugenaarster, zoekt de politie van Lynnwood haar op in het zuiden van Seattle, en vertelt haar het nieuws: haar verkrachter is gearresteerd in Colorado. Ze geven haar een envelop met informatie over hulp aan verkrachtingsslachtoffers. Ze zeggen dat haar strafblad zal worden gewist. En ze overhandigen haar 500 dollar, als vergoeding voor de kosten van de rechtszaak. Marie stort in – ze voelt zich tegelijkertijd geschokt, opgelucht en woedend.
Later maakt Shannon met Marie een wandeling in het bos en zegt tegen haar: ‘Het spijt me zo dat ik aan je heb getwijfeld.’ Marie vergeeft het haar meteen. Ook Peggy biedt haar verontschuldigingen aan. Ze wenst nu dat ze nooit haar twijfels aan de politie kenbaar had gemaakt. ‘Want ik denk dat als ik mijn mond had gehouden, zij hun werk hadden gedaan,’ zegt ze.
Marie daagt de stad voor de rechter en treft een schikking voor 150.000 dollar. ‘Een kwestie van risicomanagement,’ zegt een advocaat van Lynnwood tegen The Herald in Everett, Washington.
Marie is naar een andere staat verhuisd, heeft haar groot rijbewijs gehaald en is trucker geworden. Ze is getrouwd en afgelopen oktober hebben zij en haar man hun tweede kind gekregen. Op haar verzoek wordt haar huidige woonplaats niet bekendgemaakt.
Voordat ze uit Washington vertrekt om haar leven een nieuwe start te geven, maakt Marie een afspraak voor een gesprek bij het politiebureau van Lynnwood. Ze gaat naar een vergaderkamer en wacht af. Rittgarn heeft de dienst dan al verlaten, maar Mason komt binnen, met een blik ‘als een geslagen hondje’, volgens Marie. ‘Hij wreef met zijn handen over zijn hoofd en zag er letterlijk uit alsof hij zich schaamde voor wat ze hadden gedaan.’ Hij zegt tegen Marie dat hij er spijt van heeft – ‘diepe spijt’, aldus Marie. Ze gelooft dat hij het oprecht meent.
Tijdens een recent interview vraagt iemand aan Marie of ze overwogen heeft de verkrachting niet aan te geven.
‘Nee,’ zegt ze. Ze wilde eerlijk zijn. Ze wilde zo veel mogelijk onthouden. Ze wilde de politie helpen. ‘Om te zorgen dat niemand anders dit zou overkomen,’ zegt ze. ‘Zodat ze op zoek zouden gaan naar de man die mij dit had aangedaan.’
T. Christian Miller werkt sinds 2008 als verslaggever voor ProPublica. Voor die tijd was hij elf jaar in dienst bij de Los Angeles Times. Daar schreef hij onder andere over de presidentscampagne van 2000 en was hij drie jaar bureauchef, verantwoordelijk voor tien landen in Zuid- en Centraal-Amerika.
Ken Armstrong is onderzoeksjournalist met een Pulitzerprijs op zijn naam. Hij heeft voorheen voor The Seattle Times gewerkt en voor de Chicago Tribune, waar het onder andere aan zijn werk te danken was dat de gouverneur van Illinois verschillende executies uitstelde en later de dodencellen sloot. Hij bekleedde de McGraw-leerstoel voor schrijven op Princeton en was Nieman Fellow op Harvard.
Na dertig jaar voor The New York Times te hebben gewerkt lanceerde Bill Keller in 2014 een nieuw project: een non-profitnieuwskanaal gewijd aan de behandeling van criminelen binnen het Amerikaanse rechtssysteem. Met deze site wil Keller een levendiger debat bereiken over het optreden van politie, rechtbank en gevangenissen in de VS. De naam verwijst naar de jurist Thurgood Marshall (1909-1993), een liberale voorvechter van burgerrechten die erop hamerde dat bescherming door de wet het meest fundamentele recht is in een vrije maatschappij. Het aantal gedetineerden in Amerika wordt slechts geëvenaard door dat van Noord-Korea, en racisme binnen het rechtssysteem is er aan de orde van de dag. Ook weigert het systeem zijn eigen fouten te corrigeren. De site is volledig onafhankelijk, en bestaat dankzij donaties van stichtingen en individuen, maar is niet neutraal. Medewerkers zijn zonder uitzondering van mening dat het Amerikaanse rechtssysteem dringend behoefte heeft aan serious rethinking.
Volgens de VN is ‘Congo de verkrachtingshoofdstad van de wereld’. Tientallen humanitaire organisaties hebben zich op deze ‘markt’ gestort, aangetrokken door de gigantische budgetten die ervoor beschikbaar zijn. In Bukavu, in het oosten van het land, is verkrachting pure business geworden.
Op de applausmeter verslaat Denis Mukwege Angela Jolie met groot gemak. De Congolese arts baant zich een weg door de menigte. Mensen raken hem aan, geven hem een staande ovatie, feliciteren hem met een handdruk of een weinig protocollaire omhelzing. Hij beklimt het podium en de zaal valt op slag stil. Er worden schokkende uitspraken verwacht van deze arts, gebaseerd op wat hij met eigen ogen heeft gezien. Een toekomstige Nobelprijswinnaar. Naast hem de lieftallige vrouw van Brad Pitt, goodwillambassadeur van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN.
De mondiale top over seksueel geweld in conflictgebieden die in juni 2014 in Londen werd gehouden trok 123 landen, 80 ministers, 900 deskundigen, honderden ngo’s, artsen, juristen en vertegenwoordigers van religieuze groeperingen. Elke delegatie had haar ‘eigen’ verkrachtingsslachtoffers meegenomen. Vrouwen die analfabeet waren, die hun dorp of land soms nooit uit waren geweest, was gevraagd het vliegtuig te nemen om tot in de intiemste details kond te doen van het geweld dat ze hadden ondergaan. ‘Verkrachting is in de mode,’ fluistert een Amerikaanse jurist tegen me.
Achter zijn katheder herhaalt Denis Mukwege wat hij al tien jaar onvermoeibaar verkondigt: in de Democratische Republiek Congo wordt verkrachting als oorlogswapen gebruikt. Hij heeft kortgeleden een meisje van twee geopereerd – ‘hersteld’ luidt de officiële term – van wie de vagina door haar belagers was vernield. In zijn land wordt verkrachting gebruikt om een heel volk te vernielen en een gebied in handen te krijgen. Er moet een einde komen aan de barbarij, vrouwenlichamen mogen niet langer als slagveld worden gebruikt. Stop, maak er een einde aan, ‘tot hier en niet verder’.
Gladde slogans
Ik hoor sleutelwoorden die door de hele wereldpers zullen worden overgenomen – ‘verkrachting als oorlogswapen’, ‘strijd tegen straffeloosheid’, ‘overlevenden van seksueel geweld’ – want ‘slachtoffer’ is achterhaald, voldoet niet langer aan de communicatiebehoeften. Gladde slogans voor glanzend papier.
Congo, ‘verkrachtingshoofdstad van de wereld’. ‘Minstens’ vijfhonderdduizend verkrachte vrouwen in het oosten van het land, een getal dat naar hartenlust wordt herhaald. Een gruwel waarbij het verstand stilstaat. Dat zou in deze regio één op de elf vrouwen betekenen. Dat is ofwel monsterlijk, ofwel idioot. Waarom sla ik u er dan mee om de oren? Omdat ik het wil begrijpen.
‘Sinds Rwanda en Bosnië zijn er twee “ideale” slachtofferstereotypen om geld binnen te halen: de kindsoldaat en de verkrachte vrouw’
Enkele maanden na de top in Londen steek ik de houten brug over de Ruzizi over, de rivier die het kleine Rwanda van het grote Congo scheidt. In 1994 vluchtten tienduizenden Rwandezen via deze kleine grenspost voor de genocide van de Tutsi. Onder hen de handlangers en leiders van de slachtpartij, maar ook burgers, families, vrouwen en kinderen.
Bukavu, de hoofdstad van de regio Zuid-Kivu, waar dokter Mukwege praktiseert, ligt even voorbij deze brug over de Ruzizi, bij de grens tussen de twee landen, op het breukvlak tussen twee werelden.
Mathilde Muhindo (62), een van de oudste activistes van de stad, ontvangt me in het Olame Centrum, een organisatie voor de verdediging van vrouwen die in de beboste heuvels boven de stad gevestigd is, op een open plek waar de regen vrij spel heeft. Ze was erbij toen de inwoners van Bukavu in 1994 de Rwandese vluchtelingen verwelkomden als ‘broers en zussen’. Ze herinnert zich de inzamelingen, de geleende bedden, de aangeboden stukjes grond. En de vluchtelingenkampen, die langzaam hun tentakels uitstrekten en steden werden.
Ze was er ook bij toen Kigali deze kampsteden waar de leiders van de genocide de scepter zwaaiden in 1996 met geweld ontmantelde. Duizenden vluchtelingen gingen terug naar Rwanda, duizenden anderen zochten hun heil in het binnenland van Congo. De leiders van de genocide, die burgers als schild gebruikten, werden opgespoord door Rwandese troepen die werden bijgestaan door Congolese opstandelingen. Het oerwoud werd het toneel van ontelbare misdaden.
Vanaf 1997 zag Muhindo vrouwen verschijnen die verkracht, gewond of verminkt waren; ze hadden dagenlang gelopen of zich vanaf de middenplateaus van Kivu vastgeklampt aan de rug van een motorrijder alsof het een reddingsboei was.
Toen er in 2002 en 2003 vredesakkoorden werden ondertekend, dacht Mathilde Muhindo weer te kunnen ademhalen. De openlijke oorlog liep ten einde, maar uit de as van de rebellengroepen verrezen plaatselijke milities. De criminele facties vermenigvuldigden zich snel. In 2002 publiceerde Human Rights Watch een eerste rapport over de manier waarop verkrachting in Congo als oorlogswapen werd gebruikt, dat onmiddellijk veel aandacht trok. Binnen enkele maanden stroomden de ngo’s en VN-agentschappen in groten getale naar Bukavu en koloniseerden de stad zodanig dat hun aantal van een tiental naar driehonderd steeg.
Dokter Mukwege, de ster van de top in Londen, was toen nog onbekend buiten de regio Kivu. Deze uitstekende chirurg had in Bukavi het Panzi-ziekenhuis opgericht, waar hij de slachtoffers van seksuele martelingen opereerde met behulp van een in Congo nog onbekende techniek, laparoscopie. Hij trok de aandacht van geldschieters en ontving vanaf 2004 financiële steun uit Europa voor het programma ‘Slachtoffers van seksueel geweld’.
Het Panzi-ziekenhuis werd een ontmoetingsplaats, een soort hub voor seksueel geweld. De verkrachting van Congolese vrouwen haalde de televisieschermen in 2009, toen Hillary Clinton de regio bezocht om uiting te geven aan haar ‘bezorgdheid’. ‘Dit land is getuige van een van de ergste wreedheden van de mensheid,’ verklaarde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Een jaar later zei Margot Wallström, de speciale VN-gezant voor de slachtoffers van seksueel geweld in conflictgebieden, het haar na: ‘Congo is de verkrachtingshoofdstad van de wereld.’ Een jaar of tien nadat het geweld zijn hoogtepunt had bereikt maakte de pers van deze karikatuur een kop.
Panzi-koffie en Panzi-T-shirts
‘Seksueel geweld is sexy. Het roept enorm veel emoties op,’ vat Alejandro Sánchez, Vrouwenbeschermingsadviseur van de VN-vredesmacht Monusco in Congo, de situatie met een berustend schouderophalen samen. De juridisch directeur van Artsen Zonder Grenzen, Françoise Bouchet-Saulnier, bevestigt: ‘Sinds Rwanda en Bosnië zijn er twee “ideale” slachtofferstereotypen om geld binnen te halen: de kindsoldaat en de verkrachte vrouw.’
Het Panzi-ziekenhuis van dokter Mukwege ligt op een halfuur rijden ten zuiden van het centrum van Bukavu, tegen het omgevingslawaai beschermd door bewakers en hoge hekken. De witte lanen en door bloemen omringde huizen doen denken aan een chique Amerikaanse buitenwijk. Denis Mukwege ontvangt me in de patio die zich langs zijn hele kantoor uitstrekt. Zijn brede glimlach en ogen die alles gezien lijken te hebben maken hem onmiddellijk sympathiek.
De kolossale man is teleurgesteld teruggekomen van de top over seksueel geweld. In Londen werden Panzi-koffie en Panzi-T-shirts verkocht en zijn samenwerking met Angelina Jolie tilde de aandacht voor verkrachting naar ‘stratosferische hoogten’, aldus Susannah Sirkin van de ngo Physicians for Human Rights. Na de top maakte de Wereldbank bekend zestig miljoen euro vrij te maken voor een ‘holistische’ behandeling van ‘minstens vijfhonderdduizend vrouwen en meisjes’ die slachtoffer waren van seksueel geweld. Hij had op meer gehoopt: ‘Ik verwachtte dat men de verkrachtingen een halt zou toeroepen.’
Ik vraag hem om het activiteitenrapport van het ziekenhuis, dat hij me met plezier overhandigt. Ik lees dat het programma ‘Slachtoffer van seksueel geweld’ tussen 2004 en 2013 32.247 vrouwen heeft ontvangen, onder wie echter ook 13.071 vrouwen die ‘specifieke’ gynaecologische zorg nodig hadden, zoals het opereren aan obstetrische fistels, een scheur in de vaginawand die kan optreden na een moeizame bevalling.
Ik ben verbaasd: ‘Dus deze vrouwen zijn niet verkracht?’ De dokter bevestigt dit en legt het graag uit: ‘We wilden niet dat een vrouw zou liegen dat ze verkracht was om gratis geopereerd te kunnen worden. Daarom hebben we ze opgenomen in ons programma, ook al kunt u zien dat onze statistieken twee heel verschillende categorieën onderscheiden.’
Het ziekenhuis heeft dus 19.176 vrouwen ontvangen die slachtoffer waren van seksueel geweld. Waarom blijven de media dan overal ter wereld herhalen dat hij ‘veertigduizend verkrachte en verminkte vrouwen heeft geopereerd’? ‘Dat weet ik niet. Journalisten willen een sappig verhaal.’
En die ‘vijfhonderdduizend verkrachte vrouwen in het oosten van Congo’? Zelfde laken een pak, dat aantal slaat nergens op. ‘Volgens de VN zijn er sinds 1998 op het hele Congolese grondgebied tweehonderdduizend vrouwen verkracht. Maar het American Journal of Public Health schrijft dat er alleen al in 2007 vierhonderdduizend Congolese vrouwen zijn verkracht, oftewel 48 per uur. En dat zijn nog maar twee van de tientallen schattingen die niet met elkaar stroken.
‘Mensen die zeggen dat verkrachting ‘in de mode’ is, hebben een verknipte geest. Ik zie de slachtoffers elke dag en ik vind het onethisch om over getallen en geld te discussiëren’
Dus vijfhonderdduizend is hooguit een gok! Waarom zou je je het hoofd breken over zulke details? Waarom zou je erop wijzen dat je in Congo onmogelijk statistische gegevens kunt verzamelen? Dat Congo een land zonder staat is, waar al sinds 1984 geen volkstelling heeft plaatsgevonden, waar geen identiteitskaarten bestaan, waar iedereen twee of drie verschillende voornamen heeft, om nog maar te zwijgen van de achternamen van zowel vaders- als moederskant? Dat het een stuurloos land is waar een groot deel van de bevolking officiële registratie ontloopt?
In de onpersoonlijke vergaderzaal waar we elkaar spreken vraag ik dokter Mukwege naar de verkrachte, gemartelde kinderen waar hij het in al zijn redevoeringen over heeft. Gevallen die volgens hem ‘absoluut traumatisch zijn voor ons personeel’. Deze kinderen, dertig in getal, zijn in 2014 aangevallen in Kavumu, een stad die verscheidene jaren voor het conflict gespaard was gebleven. Er doen geruchten de ronde over mystieke handelingen, bedreven door mannen die rijkdom en roem wilden vergaren door het ontmaagden van kleine meisjes. Dus van oorlogsverkrachtingen is geen sprake. ‘Maar uiteindelijk komt het op hetzelfde neer, het zijn uitzaaiingen van de oorlog!’ verzekert Mukwege.
Dan slaat hij krachtig zijn handen tegen elkaar. Hij heeft genoeg van het gemuggenzift over de gruwelen van zijn dagelijkse praktijk. ‘Mensen die zeggen dat verkrachting “in de mode” is, hebben een verknipte geest. Ik zie de slachtoffers elke dag en ik vind het onethisch om over getallen en geld te discussiëren terwijl de menselijke waardigheid geweld wordt aangedaan. Dat vind ik walgelijk.’ Hij staat op. Einde interview.
Burgerdaders
Buiten is het klam. Voor het ziekenhuis klampt een jongetje voorbijgangers aan om een taxi te vullen die midden op de weg staat te wachten en het verkeer hindert. De taxichauffeurs luisteren naar Radio Okapi, het uitstekende station van de VN. De verhalen die je er hoort bevestigen, net als de verhalen die ik sinds mijn aankomst heb verzameld, dat verkrachting als oorlogswapen niet de meest courante vorm van verkrachting is. De schuldigen zijn veel vaker burgers.
Ik interview een advocaat, Patient Bashombe, die samenwerkt met het Panzi-ziekenhuis. Hij heeft zich op de verdediging van slachtoffers van seksueel geweld gestort omdat dat, zoals hij ruiterlijk toegeeft, een ‘lucratieve niche’ is. De 64 zaken die hij heeft behandeld betroffen drie verkrachtingen door buitenlandse gewapende groepen, twee door Congolese militairen en 59 door burgers.
Maar dat is natuurlijk minder spectaculair voor de internationale gemeenschap dan ‘verkrachting als oorlogswapen’. Minder glorieus voor de Congolese regering, die liever gewapende groepen beschuldigt dan haar eigen burgers. En minder statusverhogend voor dokter Mukwege.
Waarom wordt er dan toch keer op keer met deze verbijsterende aantallen gezwaaid door de internationale organisaties, de geldschieters en de media? Nzigire, een veertiger uit Walungu, een dorp op vijftig kilometer van Bukavu, heeft het antwoord: ‘Zodat de blanken geld kunnen binnenhalen!’
‘De plaatselijke programma’s slaan nergens op, maar iedereen is tevreden zolang er maar geld binnenkomt’
‘Geld binnenhalen.’ Enkele duizenden kilometers verderop, in Frankrijk, komt de juridisch directeur van Artsen Zonder Grenzen met dezelfde woedende analyse: ‘De ngo’s in Kivu verzorgen tegenwoordig geen mensen meer, ze zijn alleen op zoek naar statistische gegevens. Ze zoeken vrouwen die verkracht zijn om meer statistische gegevens te verzamelen voor hun pleidooi voor meer budget voor meer programma’s om verkrachte vrouwen te identificeren. Het is een vicieuze cirkel. De plaatselijke programma’s slaan nergens op, maar iedereen is tevreden zolang er maar geld binnenkomt.’
En de budgetten zijn gigantisch. Volgens een studie van twee Nederlandse onderzoekers, Nynke Douma en Dorothea Hilhorst, getiteld Fond de commerce (Geldla), is er sinds 2010 meer dan 70 miljoen euro aan seksueel geweld gespendeerd, waarbij de eerder genoemde 60 miljoen van de Wereldbank nog buiten beschouwing is gelaten. Alleen de door de VN geleide missies in Congo hebben tussen januari 2010 en december 2011 al 7,4 miljoen euro opgestreken voor de strijd tegen seksueel geweld, twee keer zo veel als het budget voor de hervorming van de binnenlandse veiligheid van het land, en de helft van de gelden voor het nationale vredesprogramma. En dat in een land dat al bijna twintig jaar door gewapende groepen wordt gedestabiliseerd.
In Bukavu krijg je deze miljoenen niet te zien, laat staan dat je ervan kunt profiteren. Dat krijg je dagelijks ingepeperd. Hier leeft men volgens de ‘taux du jour’, een plaatselijke uitdrukking voor ‘leven bij de dag’. Er is geen werk, geen industrie, geen landbouw, geen elektriciteit tenzij je smeergeld betaalt.
De blanken vormen een aparte sekte en wonen allemaal in het oosten van de stad, dicht bij de Rwandese grens, alsof ze elk moment moeten kunnen vluchten. Ze wonen in elegante villa’s met uitzicht op het meer met zijn Zwitsers-Afrikaanse allure, omringd door hoge muren en prikkeldraad. Ze rijden rond in jeeps, gaan nooit te voet, wagen zich heel zelden in de stad en als ze toch lopen is het op en neer over de onverharde weg die ze goed kennen en die de grote hotels met hun kantoren verbindt.
Vanwege hun aanwezigheid in de stad die al diverse jaren geen conflicten heeft gekend zeggen de inwoners van Bukavu: ‘No viols, no job’: ‘Geen verkrachtingen, geen werk.’ Hoe grappig de mengeling van Frans en Engels ook lijkt, de constatering is onthutsend. Fond de commerce is niet alleen de titel van het rapport van Nynke Douma en Dorothea Hilhorst, het is ook een constatering die op ieders lippen bestorven ligt. De verkrachtingen hebben de ngo’s gebracht, die ‘programma’s’ hebben gebracht, die financiering hebben gebracht. Geld in overvloed, net als ambitie, hebzucht en aanleiding voor corruptie.
Lijsten
Ik besluit me naar het ‘binnenland’ te begeven om zo dicht mogelijk in de buurt te komen van degenen die van dit financiële manna zouden hebben moeten profiteren, de verkrachte vrouwen. Walungu, op anderhalf uur rijden van Bukavu, is een dorp dat langdurig onder aanvallen van gewapende groeperingen te lijden heeft gehad. In de hoofdstraat van Walungu wemelt het van de organisaties: UNDP (United Nations Development Programme), War Child, Jehova’s getuigen, IEDA (International Emergency and Development Aid), OSD (sociale bijstand aan misdeelden), de juridische kliniek van de Panzi Stichting, APEO (Actie voor het Vergeten Kind), AJP (Vrouwenactie voor Vrede en Gerechtigheid), Save the Children, Belgische Organisatie voor Technische Samenwerking…
Een twintigtal vrouwen wacht me op in de bibliotheek. Ze zijn gekomen op verzoek van Venantie Bisimwa en haar RFDP (Women for the Defence of Rights and Peace).
Ik luister naar hen. Eén ding valt me op: verkrachting is in hun verhalen maar een van de vele gruwelen die zich in de loop der tijd hebben voltrokken, naast moordaanslagen, martelingen, plunderingen, bedreigingen en ontvoeringen. Zo vertelt Bénite, ‘ongeveer’ veertig, dat haar dorp in maart 2005 is aangevallen door ‘mensen uit Rwanda’, waarbij een van haar broers werd gedood en zijzelf met vijf anderen naar het oerwoud werd meegenomen. Een van hen werd vrijgelaten om het losgeld te vragen dat de anderen moest redden. Haar familie had niet genoeg geld om de 130 dollar losgeld te betalen zodat ze hun land moesten verkopen. Bénite werd acht dagen na haar ontvoering vrijgelaten.
Bénite heeft haar verhaal ‘vele tientallen keren’ verteld, maar niemand heeft haar geholpen om haar land terug te kopen en haar leven weer op te pakken. ‘Ik heb op een heleboel lijsten gestaan, maar dat heeft niets geholpen.’
Alle vrouwen in Walungu hebben het over deze ‘lijsten’, deze ‘statistieken’ die het aantal verkrachte vrouwen vermelden en de ngo’s in staat stellen ‘hun behoeften te evalueren’ en geld binnen te halen. In Bukavu had Venantie Bisimwa me het systeem al uitgelegd: ‘Toen ik de coördinatievergaderingen nog bijwoonde, kwam elke ngo en elk VN-agentschap met zijn eigen slachtofferlijst alsof dat het bewijs was van hun goede werk.’
Bénite legt uit hoe de ngo’s de slachtoffers identificeerden: ‘Bij ons organiseerden de buitenlanders een gesprek in een school of kerk, en daarna vroegen ze hun tussenpersonen om de verkrachte vrouwen aan te wijzen.’ Een praktijk waarover Mathilde Muhindo van het Olame Centrum zich nog steeds geschokt toont: ‘Vind je het normaal dat een verkrachte vrouw in het openbaar haar hand opsteekt om te zeggen: “Ik ben verkracht! Ik! Ik!”? Ik weet niet hoe het in Europa gaat, maar hier is zoiets niet normaal.’
De vrouwen in Walungu hebben zich op verschillende lijsten ingeschreven. Het grote aantal namen, die nooit geverifieerd zijn, hebben de statistieken opgedreven. ‘We hebben geen idee wat de invloed van deze onnauwkeurigheid is,’ zegt Marie-Noël Cikuri van de ngo Action d’espoir: ‘Er zijn zo veel dorpen in het oerwoud die nooit benaderd zijn.’
Martin Birindwa Balyahamwabo, een aanhanger van de pinksterbeweging van een jaar of vijftig, draagt een onberispelijk overhemd en laat zijn aktetas, die hij voorzichtig op zijn schoot heeft gevlijd, geen moment los. Hij heeft als ‘tussenpersoon’ gefungeerd voor diverse ngo’s in Nindja, een door veelvuldig geweld getroffen dorp op enkele tientallen kilometers van Walungu. Hij behoorde tot degenen die informatie doorspeelden, behoeften blootlegden. Hij weet zeker dat dat de lijsten niet alleen doublures bevatten, maar ook vrouwen die helemaal geen slachtoffer waren.
Met zijn komische air van beste jongetje van de klas vertelt hij: ‘Soms hoorde ik op de radio dat er honderd vrouwen waren verkracht terwijl het er maar achttien of twintig waren. Mensen waren de dorpen langsgegaan om de vrouwen te laten zeggen dat ze verkracht waren.’
‘Wie dan?’
‘Medewerkers van de ngo’s. De Duitse vereniging Malteser betaalde bijvoorbeeld tussenpersonen in de dorpen om ze verkrachte vrouwen te brengen. Dus die moesten absoluut gevonden worden! Anders zou de hulppost dichtgaan, zou er geen werk meer zijn. Dat is nauwelijks een geheim, weet u. In de gemeenschap heerst een soort verstandhouding: de vrouwen verklaren zich bereid om op de lijsten te komen en daarna mogen ze het voedsel van de ngo’s onderling verdelen. Dat zat me dwars, ik vond het niet kunnen.’
‘Als een ngo een geit geeft aan een verkrachte vrouw en een andere vrouw er ook een nodig heeft, dan zal ze zeggen dat ze ook verkracht is’
Ik speel dit verhaal door aan Johan Bultinck van Malteser. Hij bevestigt dat de tussenpersonen ongeveer twintig dollar per maand kregen. Dat de vrouwen nog lang na hun verkrachting extra hulp probeerden te krijgen, dat er nauwkeurig onderzoek was vereist om ze uit te noodprogramma’s te kunnen weren. En dat de gezondheidscentra hun cijfers moedwillig aandikten om meer financiering te krijgen. Maar wat Malteser betreft is hij stellig: ‘Wij hebben nooit een geval van honderd verkrachte vrouwen in Nindja gehad en we geven de vrouwen geen eten. Ik geloof niet dat dit over Malteser gaat, of ze hebben u maar wat op de mouw gespeld.’
Ik vervolg mijn onderzoek in Kaniola, zo’n dertig kilometer verderop in de heuvels boven Walungu. In het centrum van het dorp bewijst een torentje van roze baksteen eer aan de slachtoffers van de oorlog. Op de binnenkant van de muren staan de namen van de gevallenen met de plaats en datum van hun dood. De slachtpartijen hebben plaatsgevonden tussen 1996 en 2007, met een hoogtepunt in de periode 2006-2007. Ik kijk door het raam van het mausoleum. In de afgesloten ruimte hangen foto’s van vrouwen met opengereten buiken, van mannen met een afgesneden tong, arm of geslacht.
Priester Maurice Bisimwa heeft de beschaamde bekentenissen van de verkrachtingsslachtoffers in zijn parochie aangehoord. Hij weet dat er ‘verzonnen verhalen’ bij zitten, maar daar heeft hij begrip voor: ‘Als een ngo een geit geeft aan een verkrachte vrouw en een andere vrouw er ook een nodig heeft, dan zal ze zeggen dat ze ook verkracht is. Vanwege de armoe…’
Françoise Bouchet-Saulnier van Artsen Zonder Grenzen bevestigt dit: ‘Ik zal nooit zeggen dat de verkrachtingsbusiness profijtelijk is voor de slachtoffers. Die is profijtelijk voor ons, de humanitaire organisaties. Als de slachtoffers tegen ons liegen, dan is het om te overleven, dan is het een aanpassingsstrategie, geen business.’ Ze schudt haar hoofd en zoekt naar woorden om haar collega-ngo’s afdoende op hun nummer te zetten: ‘Het is in de humanitaire wereld dat de cyclus van straffeloosheid doorbroken moet worden!’ Ze vertelt over een ervaring van Artsen Zonder Grenzen: ‘Het was ons opgevallen dat verkrachte vrouwen gemakkelijker voor een consult kwamen als het marktdag was: het was geruststellender om met vriendinnen naar de stad te gaan, en het kostte ze bovendien geen werkdag. Toen we motortaxi’s gingen vergoeden om de gang naar het ziekenhuis te vergemakkelijken, rees het aantal consulten op marktdagen de pan uit. Zeiden die vrouwen dus dat ze verkracht waren om gratis naar de markt te kunnen? Geen idee. Het is iets waar je je voortdurend het hoofd over breekt. We moeten altijd oog hebben voor de negatieve effecten van onze acties. Daar zijn professionaliteit en moed voor nodig, dingen die ontbreken bij al die zondagsredders die Kuifje in Afrika spelen.’
In Kaniola wordt de lucht doorkliefd door bliksemschichten en het kabaal van de regen maakt onze stemmen minutenlang onverstaanbaar. Op de overdekte binnenplaats van een vroegere school praat ik met Batunike M’ntuga, een van de tussenpersonen naar wie door Martin, de kleine man van de pinksterbeweging, met de beschuldigende vinger was gewezen. Ook zij voelt zich bedonderd. De ngo’s hadden bepaalde doelen voor ogen, eisten dat ze op iedere tocht vijftig of honderd verkrachte vrouwen identificeerde. ‘Ze vroegen ons naar Luhago te gaan, vijftig kilometer lopen, waar milities zijn. Om terug te komen met de lijsten moest je ze in een mand verstoppen onder de bladeren van zoete aardappels, zodat de militieleden dachten dat we van de akker kwamen. Het was gevaarlijk voor ons.’
Batunike ging van deur tot deur. ‘Op de lijsten noteerde ik “seksueel geweld” of “fysiek geweld”.’
Ik ben verbaasd: ‘Fysiek geweld, wat betekent dat precies?’
‘Dat is bijvoorbeeld marteling.’
‘Maar marteling is toch geen verkrachting?’
‘Zeker wel! Als ze je een hand afhakken, is dat zonder toestemming.’
‘En als de ngo vroeg hoeveel vrouwen er verkracht waren, hoeveel gaf je er dan op?’
‘Het totale aantal.’
‘En als ze vroegen hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel geweld?’
‘Dan noemde ik het aantal vrouwen dat seksueel geweld had ondergaan.’
Ik ben met stomheid geslagen. Werden de vrouwelijke tussenpersonen op die manier getraind? Werden de resultaten geverifieerd? Was er verwarring over de verschillende vormen van agressie? ‘Dit is voor het eerst dat ik dat hoor,’ reageert activiste Mathilde Muhindo, duidelijk geschrokken door deze volstrekte idiotie.
Zoho CRM – Affordable On-demand CRM
Diverse ngo’s geven desgevraagd toe dat ze de verhalen van de vrouwen niet checken. Dat is hun taak niet, zeggen ze, ze moeten begrip hebben voor het verdriet van de verkrachte vrouwen. Dat in twijfel trekken zou hun trauma nog verergeren. Johan Bultinck, van de Duitse ngo Malteser: ‘Bij de behandeling van de slachtoffers spelen ook vertrouwelijkheid en instemming een rol. Verificatie is niet eenvoudig.’
Terug in Bukavu dringt zich de vraag op: waar zijn die gigantische budgetten gebleven? Wie heeft ‘het geld opgegeten’, zoals men hier zegt? De internationale organisaties draaien eromheen. Alejandro Sánchez van Monusco houdt het op ‘de organisatiezeef’, oftewel de salarissen van de expats. Johan Bultinck van Malteser kiest voor ‘gebrek aan coördinatie’ en ‘een land waar het moeilijk is om te werken’, oftewel corruptie.
In de archieven van de [Congolese] krant Le Souverain vind ik een artikel van mei 2012, getiteld ‘Wie profiteren er van het seksueel geweld in Oost-Congo?’ De journaliste had zich in het geval Mamas for Africa verdiept. Deze Belgische ngo schakelde een kleine Congolese vereniging in die verkrachtingsslachtoffers opving. Mamas for Africa had toegang tot hun foto’s en getuigenverklaringen, stelde mailinglijsten samen en haalde geld voor hen op. Maar al heel gauw kwam de Congolese vereniging erachter dat ‘minder dan een procent van de ingezamelde gelden in hun centrum werd geïnvesteerd’.
In 2008 zei Mamas for Africa een groter huis nodig te hebben om de verkrachte vrouwen op te vangen. De directrice van de Congolese ngo haalde 360 duizend dollar op voor een nieuw opvanghuis met uitzicht op het meer. Maar het gebouw werd algauw een doorgangshuis voor Belgen die op bezoek waren in Bukavu. ‘Een ongebruikelijk concept,’ luidde de ironische conclusie van de journaliste, die bovendien onthulde dat Mamas for Africa in een brief aan de donateurs zei een opleidingscentrum te willen creëren om de inwonende vrouwen van een inkomen te voorzien. Oftewel, ‘het centrum was alleen maar een opvanghuis voordat de vrouwen werden doorgestuurd naar het Panzi-ziekenhuis’.
In Kaniola wordt de lucht doorkliefd door bliksemschichten en het kabaal van de regen maakt onze stemmen minutenlang onverstaanbaar. Op de overdekte binnenplaats van een vroegere school praat ik met Batunike M’ntuga, een van de tussenpersonen naar wie door Martin, de kleine man van de pinksterbeweging, met de beschuldigende vinger was gewezen. Ook zij voelt zich bedonderd. De ngo’s hadden bepaalde doelen voor ogen, eisten dat ze op iedere tocht vijftig of honderd verkrachte vrouwen identificeerde. ‘Ze vroegen ons naar Luhago te gaan, vijftig kilometer lopen, waar milities zijn. Om terug te komen met de lijsten moest je ze in een mand verstoppen onder de bladeren van zoete aardappels, zodat de militieleden dachten dat we van de akker kwamen. Het was gevaarlijk voor ons.’
Batunike ging van deur tot deur. ‘Op de lijsten noteerde ik “seksueel geweld” of “fysiek geweld”.’
Ik ben verbaasd: ‘Fysiek geweld, wat betekent dat precies?’
‘Dat is bijvoorbeeld marteling.’
‘Maar marteling is toch geen verkrachting?’
‘Zeker wel! Als ze je een hand afhakken, is dat zonder toestemming.’
‘En als de ngo vroeg hoeveel vrouwen er verkracht waren, hoeveel gaf je er dan op?’
‘Het totale aantal.’
‘En als ze vroegen hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel geweld?’
‘Dan noemde ik het aantal vrouwen dat seksueel geweld had ondergaan.’
Ik ben met stomheid geslagen. Werden de vrouwelijke tussenpersonen op die manier getraind? Werden de resultaten geverifieerd? Was er verwarring over de verschillende vormen van agressie? ‘Dit is voor het eerst dat ik dat hoor,’ reageert activiste Mathilde Muhindo, duidelijk geschrokken door deze volstrekte idiotie.
De naam Mamas for Africa kwam me opnieuw ter ore tijdens een gesprek met een collega van dokter Mukwege, die zich bezighield met het personeelsbeleid in het Panzi-ziekenhuis. Hij noemde de Belgische ngo een van de meest efficiënte organisaties, die hun de meeste verkrachte vrouwen had aangeleverd.
Naast vrouwen die zeggen verkracht te zijn om hulp te krijgen, organisaties die hun statistieken aandikken om meer geld te krijgen, malversaties op alle niveaus en verhalen die kant noch wal raken, ontdek ik in Bukavu dat er ook mannen zijn die onschuldig in de gevangenis creperen, mannen die ook slachtoffer zijn van de verkrachtingsbusiness.
Deze constatering was de aanleiding voor de studie Fond de commerce van Nynke Douma. In september 2008 was de Nederlandse onderzoeker aanwezig bij een zitting van een mobiele krijgsraad in een Congolees dorp, bedoeld om de plaatselijke bevolking een ‘gerechtelijke show’ voor te schotelen. Een man werd tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens verkrachting. ‘Er klopte niets van de zaak, helemaal niets. Er was geen enkel bewijs. Hoe konden ze mensen op zo’n wankele basis veroordelen?’
Ze ontdekte algauw dat dit proces geen geval op zichzelf was. ‘Het recht op een eerlijk proces wordt momenteel in Kivu met voeten getreden,’ oordeelt Faustin Cirhuza, die in Bukavu werkt voor Advocaten Zonder Grenzen. De ngo’s die opkomen voor verkrachte vrouwen ‘kopen gerechtigheid’, zegt hij. Ze organiseren processen, betalen dagvergoedingen aan rechters en advocaten en sporen de rechtbanken aan om hun zittingen te houden op plekken die zwaar getroffen zijn door het conflict.
Cordaid
Faustin Cirhuza was in 2013 adviseur voor een programma dat werd gefinancierd door Cordaid, een Nederlandse ngo die zestig slachtoffergevallen in de regio Kabare moest behandelen: ‘Zo veel dossiers verzamelen in één jaar, dat is volstrekt onmogelijk! Ze hebben in allerijl zaken geïdentificeerd en alle procedurele regels overtreden. Vaak was er sprake van een flagrant gebrek aan bewijs, van zaken die van geen kanten klopten. De helft van de zaken hebben ze verloren. Ze deden maar wat.’
Waarom hadden ze hun doelen dan niet naar beneden bijgesteld?
‘Het schept werkgelegenheid! Als je je doelen niet haalt vernieuwen de geldschieters je contract niet!’ De advocaat is ontgoocheld: ‘Ze handelen niet in het belang van de mensen. De ngo’s willen geen genoegdoening voor de slachtoffers, ze willen alleen maar een kopie van het vonnis dat ze aan de geldschieters kunnen sturen om te laten zien dat ze goed werk hebben geleverd, dat ze “strijden tegen straffeloosheid”. Ik heb zo veel vrouwen horen zeggen dat ze er spijt van hadden dat ze naar de rechter waren gegaan. Het is dramatisch voor ons land.’
Wanneer ik naar deze zaak informeer, antwoord Astrid Frey van Cordaid: ‘Vrouwen die liegen, die om ons heen draaien om ons hun verhaal te verkopen, dat komt voor. We moeten erg goed opletten, onze programma’s evalueren. Dat is een uitdaging!’ Dan voegt ze eraan toe: ‘Cordaid is in elk geval geen directe speler, wij financieren alleen de programma’s van onze partners.’
Ik loop voor de laatste keer door Bukavu. De lage ochtendzon schijnt op de orchideeën die de gevels roze kleuren. In de haven kom ik Alejandro Sánchez van Monusco tegen. Hij vertelt me dat hij zijn post binnenkort gaat verlaten. ‘Ik ga terug naar Colombia. Het is hier echt een te grote puinhoop.’
In het Europees Parlement ontvangt dokter Mukwege de Sacharovprijs. In geluiddichte radiostudio’s en onder felle tv-lampen herhaalt hij dat er in zijn land wordt verkracht om een volk te vernielen, een gebied in handen te krijgen. Er moet een einde komen aan de barbarij, vrouwenlichamen mogen niet langer als slagveld worden gebruikt. Stop, maak er een einde aan, ‘tot hier en niet verder’.
Auteur: Marion Quillard
Vertaler: Peter Bergsma
Marion Quillard studeerde in Toulouse, Toronto, Lyon en Lille, en schrijft voor de Franse bladen Revue XXI en 6Mois. Haar werk verscheen eveneens in Libération en op Mediapart.
Genomineerden in de categorie Investigative reporting award
Nizar Manek & Jeremy Hodge (Verenigd Koninkrijk):
Opening the Black Box of Egypt’s Slush Funds
Jürgen Dahlkamp, Sven Becker, Gunther Latsch, Walter Mayr & Jörg Schmitt (Duitsland):
Besondere Verdienste
Jonathan Calvert, George Arbuthnott, Heidi Blake & Bojan Pancevski (Verenigd Koninkrijk):
The FIFA Scandal
Mar Cabra (Spanje):
Swiss Leaks: Murky Cash Sheltered by Bank Secrecy
Roman Anin in samenwerking met FBK (Rusland):
The Values of the Clan
Luke Dale-Harris & Sorin Semeniuc (Verenigd Koninkrijk / Roemenië):
Land Grabbing in the EU: How Rabobank is Profiting of Theft and Abuse in Romania
Anita Vorák (Hongarije):
How the Son-in-Law of Hungary’s Prime Minister Benefited from EU Funds
Marion Quillard (Frankrijk):
Que celles qui ont été violées lèvent la main
Tijdschrift van voormalig Figaro-journalisten, een driemaandelijks avontuur van narratieve journalistiek, bestaande uit grote reportages in tekst, schetsen, foto’s en stripverhalen. Bijzonder grafisch vormgegeven. Gevrijwaard van reclame.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.