Tag: verleden

  • Oorlogen, crises en binnenkort weer Trump. Was vroeger echt alles beter? Helemaal niet!

    Oorlogen, crises en binnenkort weer Trump. Was vroeger echt alles beter? Helemaal niet!

    De wereld verkeert in zwaar weer, wat bij velen een sterk verlangen naar het verleden oproept. Nostalgie kan echter onze blik op de geschiedenis vertroebelen en een vertekend beeld schetsen van hoe het vroeger werkelijk was.

    Onlangs, tijdens een voetbalwedstrijd van de Dallas Cowboys, werd de camera gericht op de VIP-tribune: daar zat een goedgeluimde George W. Bush, de 43e president van de VS, in de loge. Dat waren nog eens tijden, aldus het gezelschap dat met mij voor de televisie zat. Toen de Republikeinen nog fatsoenlijk en betrouwbaar waren – in tegenstelling tot Donald Trump en zijn MAGA-discipelen! En zo denken veel mensen er vandaag over na de comeback van Trump, die zelfs onder nuchtere tijdgenoten wordt beschouwd als een potentiële doodgraver van de liberale democratie. Ah, die goeie ouwe tijd.

    Natuurlijk verschilt Bush, die uit het diepste establishment van de Grand Old Party kwam, in veel opzichten van Trump. Maar was alles toen echt zoveel beter in onze beleving?

    Bij de verkiezing van Bush in 2000 was er een hoop gesteggel bij het tellen van de stemmen in Florida (waar een van zijn broers gouverneur was). Even later kwam de schok van 9/11 en, als directe reactie, de zogeheten War on Terror: de invasie van Afghanistan, de invasie van Irak – onder valse voorwendselen – en de omverwerping van dictator Saddam Hoessein. Het Midden-Oosten verviel in chaos. Overal ter wereld werd gedemonstreerd tegen het Amerikaanse beleid; zelfs in Zwitserland gingen tienduizenden de straat op. Wie vandaag de foto’s bekijkt, zal versteld staan van het radicalisme: in Bern werd een groot spandoek door de stad gedragen: ‘USA World Enemy No. 1’ – de S in ‘USA’ is een hakenkruis.

    En de ooit gedemoniseerde Bush, die nu op wonderbaarlijke wijze weer populair is geworden, is slechts een willekeurig voorbeeld. Maar dat voorbeeld is symptomatisch voor de huidige tijdgeest in een heden dat gebukt gaat onder crises en oorlogen. Een tijdgeest die nostalgie wordt genoemd.

    Erkende ziekte

    Nostalgie was ooit een erkende ziekte. Het woord werd uitgevonden in Bazel aan het einde van de zeventiende eeuw in een medisch proefschrift door een zekere Johannes Hofer, die heimwee bestudeerde: een pathologisch verlangen om terug te keren naar de plaats van herkomst, vooral bij Zwitserse huurlingen. Later veranderde de betekenis van de term en maakte het concept snel carrière buiten de geneeskunde: het begrip stond nu voor een lyrische terugblik op voorbije, geïdealiseerde tijden. Mensen stelden zich een tijd voor die nooit was geweest, althans, niet zoals ze dachten dat hij was geweest. Maar het voelde goed. Nostalgie was ‘lijm voor alles’, zoals de Weense historicus Valentin Groebner het verwoordt.

    De romantisering en vervorming van het verleden leveren vandaag de dag bijzonder vreemde resultaten op. Enkele jaren geleden diagnosticeerde de socioloog Zygmunt Bauman in zijn boek Retrotopia een echt ‘tijdperk van nostalgie’; het oproepen van prachtig gekleurde verloren verledens is de laatste effectieve politieke utopie.

    Als je kijkt naar de politici die zich beroepen op die zogenaamd goeie ouwe tijd, is Baumans analyse allesbehalve vergezocht. Het ‘Make America Great Again’ van Trump is slechts het bekendste voorbeeld. En de bagatellisering van de openluchtgevangenis van de DDR door Duitse linkse en rechtse partijen is misschien wel het meest bizarre.

    Dit fenomeen is niet moeilijk te verklaren: het komt voort uit de worsteling met een heden dat als verwarrend en bedreigend wordt ervaren. Dat heden wordt gekenmerkt door veranderingen die zich schrikbarend snel voltrekken en door een stortvloed aan informatie in real time over de waanzin op aarde. De vele crises hebben geleid tot een wereldmoeheid waar vooral populisten handig gebruik van weten te maken. Zij die niets positiefs meer in de toekomst zien, worden bang en wenden zich tot het schijnbaar veilige en voorspelbare verleden – terug naar de rust. ‘De toekomst is niet meer wat ze geweest is,’ grapte de komiek Karl Valentin ooit. Tegenwoordig wordt deze uitspraak serieus genomen.

    De toekomst in westerse welvarende samenlevingen is veranderd van een belofte in een somber voorgevoel

    In feite is het geloof in een betere toekomst in het Westen grotendeels verloren gegaan, niet alleen onder de altijd al cultuurpessimistische conservatieven, maar over het gehele politieke spectrum. De afgekondigde rust- en keerpunten stapelen zich op en hellen altijd over naar de negatieve kant: eerst de pandemie, dan de aanvalsoorlog van Poetin in Oekraïne, de escalatie van het geweld in het Midden-Oosten, de dreigende signalen van China, de verzwakkende economieën, de toenemende sociale ongelijkheid, de democratische opkomst van ondemocratische krachten, niet in de laatste plaats door de nauwelijks beheersbare migratiestromen. En vooral: klimaatverandering en het uitsterven van diersoorten.

    De toestand van de wereld is niet erg rooskleurig. En dat roept angsten op. Je afkeren van het Westen of zelfs van de hele mensheid is een rage. De dreigende apocalyps heeft als genre allang de bestsellerlijsten veroverd – van Zeiten Ende (Het einde der tijden) tot Der Mensch schafft sich ab (De mensheid schaft zich af). Het boek van het moment is Verlust: Ein Grundproblem der Moderne (Verlies: een fundamenteel probleem van de moderniteit) van Andreas Reckwitz. Hierin analyseert de socioloog hoe de toekomst in westerse welvarende samenlevingen is veranderd van een belofte – we zullen het beter hebben dan vorige generaties – in een somber voorgevoel. En in de toekomst zullen we allemaal teleurgesteld zijn! Het burgerlijke idee van vooruitgang is vastgelopen, zo niet tot een einde gekomen, schrijft Reckwitz. Voorlopig is het enige advies dat overblijft veerkracht, oftewel het versterken van het vermogen om weerstand te bieden om beter om te gaan met de verlieservaringen van onze tijd.

    Dit zijn bevindingen die tot nadenken stemmen. Maar staan we echt op een belangrijk keerpunt in de geschiedenis?

    Rooskleurige retrospectie

    Als historicus kijk ik hier met scepsis naar. Bijna elke generatie was ervan overtuigd dat ze de laatste generatie vóór de ondergang was. Wanneer mensen tegenwoordig vol heimwee terugverwijzen naar voorbije decennia – in de politiek, de populaire cultuur, de journalistiek – blijven de grote onzekerheden van die tijd vreemd genoeg onderbelicht.

    Het ‘economische wonder’ vanaf 1950, dat achteraf zo overtuigend op ons overkomt, kwam voor tijdgenoten als een complete verrassing. De wereldorde werd bipolair en baarde mensen zorgen; volgens enquêtes waren de toekomstvoorspellingen tijdens de Koreaanse Oorlog pessimistischer dan ooit tevoren. In 1962, tijdens de Cubaanse Raketcrisis, had de mensheid geluk dat ze een nucleaire catastrofe kon vermijden. De VS voerden een verwoestende oorlog in Vietnam, terwijl West-Europa zich bewapende tegen een aanval van het Sovjetleger en zich terugtrok in bunkers. In 1972 publiceerde de Club van Rome De grenzen aan de groei, de heilige tekst van het scepticisme over de toekomst. Het jaar daarop volgden de schok van de olieprijs en de ergste recessie sinds 1945. De Britse historicus Eric Hobsbawm vatte het later samen in zijn boek Age of Extremes (1994): ‘Sinds 1973 is de geschiedenis van de twintigste eeuw de geschiedenis van een wereld die haar houvast verloor en afgleed naar instabiliteit en crisis.’

    De jaren tachtig waren sowieso een decennium van angst: zure regen, stervende bossen, het gat in de ozonlaag, de dreiging van een nucleair inferno, de ramp in Tsjernobyl, chemische rampen, de wereldwijde aidsepidemie, de heroïne- en crackepidemieën, maar ook de massale introductie van computers op het werk. Filosoof Jürgen Habermas sprak over de ‘nieuwe complexiteit’. En bijna niemand dacht er in deze ‘no future’-stemming aan dat de Berlijnse Muur een paar jaar later zou kunnen vallen. Zelfs de jaren negentig, die tegenwoordig worden geïdealiseerd als zulke onbekommerde jaren, waarin haastig het einde van de geschiedenis werd afgekondigd, bleven hectisch en wreed: de nerveuze reorganisatie van Oost-Europa, de Joegoslavische oorlogen, de genocide in Rwanda. Ze werden gevolgd door een decennium van islamitische terreur en de grootste wereldwijde financiële crisis sinds de beurskrach van 1929. Tot zover de goeie ouwe tijd.

    Nostalgie is een gevoelsmatige obsessie met een verleden dat nooit heeft bestaan

    De romantisering van het verleden kan psychologisch worden geïnterpreteerd. De jeugd en vroege volwassenheid stempelen ons meer dan latere jaren, terwijl negatieve ervaringen achteraf worden weggefilterd: deskundigen noemen dit ‘rooskleurige retrospectie’. Er is ook een trend om in het negatieve te blijven hangen, vooral in de media. Deze vertroebelt ons zicht op de positieve trends voor de lange termijn die er zijn, zoals wereldwijde verbeteringen op het gebied van gezondheid, welvaart, onderwijs, levensverwachting en vrede.

    Maar bovenal is het een basisprincipe van de geschiedenis dat het beeld in de achteruitkijkspiegel bedrieglijk is: de mist is opgetrokken, de vroegere onduidelijkheden hebben plaatsgemaakt voor duidelijke contouren. We weten hoe het is afgelopen. En met deze veronderstelde vanzelfsprekendheid vergeten we hoe zwaar en moeilijk deze tijden waren, hoe onzeker de toekomst ooit was – en hoe avontuurlijk sommige voorspellingen waren.

    Dit is geenszins bedoeld om de enorme uitdagingen van vandaag te bagatelliseren. En een serieuze bestudering van de geschiedenis helpt ons om het heden te begrijpen en de problemen aan te pakken. Maar nostalgie is een gevoelsmatige obsessie met een verleden dat nooit heeft bestaan. Klagen dat vroeger alles beter was, is niet alleen inhoudelijk verkeerd, onproductief en oncreatief – het is ook gevaarlijk. Er worden veel politieke spelletjes mee gespeeld, met ernstige gevolgen: mensen raken gedesillusioneerd en trekken zich terug, denken meer aan de wereld van gisteren dan aan die van morgen en ontvluchten uiteindelijk hun verantwoordelijkheden. Juist het tegenovergestelde is nodig – de verdediging en verdere ontwikkeling van onze liberale orde. Vooral in moeilijke tijden. 

  • Wanneer was nu? Wetenschappers snappen nog weinig van de tijd

    Wanneer was nu? Wetenschappers snappen nog weinig van de tijd

    Heden, verleden, toekomst: wie zich met het wezen van de tijd bezighoudt, raakt snel in verwarring. Tot op de dag van vandaag puzzelen fysici hoe de wereldklok tikt.

    I De controversiële tijd

    ‘Wat is tijd? Wanneer niemand het mij vraagt, weet ik het. Maar als iemand het mij vraagt en ik zou het willen verklaren, dan weet ik het niet.’ 

    Dit citaat van de filosoof Augustinus beschrijft onze verhouding tot de tijd beter danwelk ander ook. We ervaren allemaal hoe de tijd soms voorbij kruipt, en dan weer vliegt.

    ‘Ik weet dat er geen verleden tijd zou zijn als niets voorbij zou gaan, en geen toekomstige als er nu niets was. Maar hoe kunnen die beide tijden, het verleden en de toekomst, er zijn terwijl toch het verleden er niet meer is, en de toekomst er nog niet is?’ klaagt Augustinus. De tijd kan je veel hoofdbrekens bezorgen.

    In de natuurkunde leidt de jacht op het wezen van de tijd regelrecht naar de grenzen van ons begrip van de wereld. De mechanica, de thermodynamica, de relativiteitstheorie en de quantumfysica leveren steeds weer puzzelstukjes op. Bovendien beroven ze de tijd van alle eigenschappen die ons gevoel voor tijd kenmerken. Wat overblijft is een verwarrende, vreemdsoortige constructie. 

    Als we de tijd ooit werkelijk zullen begrijpen, zal hij de weg wijzen naar de toekomst van de natuurkunde: naar die felbegeerde theorie die het hele universum beschrijft.

    II 1687: de absolute tijd

    Op 5 juli 1687 publiceerde de Britse geleerde Isaac Newton een van de belangrijkste werken in de geschiedenis van de natuurwetenschap, de Philosophiae Naturalis Principia Mathematica. In zijn theorie tikt in het verborgene onafgebroken een kosmisch uurwerk, dat het ritme van de wereld bepaalt en aan alle dingen een exacte duur en volgorde verleent. Zijn begrip van tijd komt ons meteen plausibel voor. Maar Newtons vergelijkingen zeggen ook iets heel verbazingwekkends over het wezen van de tijd. Want zijn mechanica maakt geen onderscheid tussen verleden en toekomst. Als iemand een kosmische terugspoelknop zou indrukken, dan zouden Newtons bewegingswetten onveranderd geldig blijven.

    Terwijl het hemellichaam duizenden jaren lang onverstoorbaar zijn baan vervolgt, verliest de biljartbal al na enkele ogenblikken zijn vaart

    Denkt u maar aan de aarde die om de zon draait. Twee principes uit de klassieke mechanica bepalen de baan van planeten. Enerzijds dwingt de traagheid van de massa ze om in een rechte lijn het heelal in te vliegen, maar anderzijds duwt de zwaartekracht ze (vooral) in de richting van de zon. Deze tegengestelde krachten dwingen ook de aarde in haar baan. Stel nu dat we de loop van de tijd zouden kunnen omkeren, wat zou er dan aan haar omloop veranderen? Het antwoord luidt: helemaal niks. Alle wetten die haar baan bepalen, blijven gelden. De aarde zou alleen de andere kant op vliegen.

    III 1850: de stromende tijd

    Voor een hemellichaam dat door het heelal raast, speelt de richting van de tijd dus geen rol. Voor een bal die over een biljarttafel rolt, doet hij dat wel. 

    Het beslissende verschil is de wrijving. Als de biljartbal over het groene vilt rolt en door een zee van luchtdeeltjes heen moet, wordt haar bewegingsenergie door de wrijving onverbiddelijk in warmte omgezet en gaat daarbij verloren.

    Hier is de tweede hoofdwet van de thermodynamica aan het werk. Die zegt dat bepaalde processen zonder inwerking van buitenaf slechts in één richting verlopen, zo goed als nooit in de andere richting. Biljartballen worden door de wrijving afgeremd. Warmte beweegt van het hete naar het koude. Vallende theekopjes breken in scherven, maar nooit vormen de scherven weer spontaan een geheel. 

    De tweede hoofdwet van de thermodynamica, in 1850 voor het eerst geformuleerd door de Duitse natuurkundige Rudolf Clausius, is de enige wet van de klassieke natuurkunde waarin de tijd niet omkeerbaar is. 

    Deze door Clausius bedachte grootheid wordt in gewone taal graag aangeduid als de mate van wanorde. De tweede hoofdwet zegt: in het verleden waren de dingen meer geordend. In de toekomst zullen ze wanordelijker zijn. 

    Laten we een voorbeeld van entropie bekijken: als je melk in een kop koffie giet, zweeft die korte tijd als een licht gekleurde wolk in het bruine brouwsel. De bestanddelen melk en koffie zijn duidelijk gescheiden. Op dat moment is de entropie nog gering. Maar die ordening duurt niet lang: de moleculen bewegen kriskras heen en weer, ze botsen en mengen zich zienderogen met elkaar. Algauw is de melk door de koffie verdeeld. De entropie is toegenomen. 

    De entropie neemt ook toe in de scherven van het kapot gevallen kopje, ze neemt toe in een door wrijving opgewarmde biljartbal, waarin de moleculen nu sneller bewegen. Maar er zijn talrijke situaties waarin ze plaatselijk afneemt. Als de aarde ’s nachts afkoelt, neemt de entropie aan de oppervlakte af; in plaats daarvan verhogen de ontsnappende warmtestralen de wanorde in het heelal. Op het lopen van de klokken heeft dat geen invloed. 

    IV 1905: de relatieve tijd

    Misschien kunnen plaatselijke omstandigheden de loop van de tijd helemaal niet veranderen? Dat zou je kunnen denken, ware het niet dat een fysicus genaamd Albert Einstein tussen 1905 en 1915 het tegendeel heeft aangetoond. De relativiteitstheorie rekent af met iedere voorstelling die we ons intuïtief maken van de aard van de tijd. We moeten het geloof opgeven dat voor ons allemaal een en dezelfde tijd bestaat. Het tegendeel is het geval: elk punt in de ruimte heeft zijn eigen tijd. Zelfs voor je hoofd verloopt de tijd anders dan voor je voeten. In de wereld van de relativiteit hebben we steeds een referentiekader nodig.

    Zelfs voor je hoofd verloopt de tijd anders dan voor je voeten

    Einsteins eerste geniale inzicht was dat bewegende uurwerken langzamer tikken dan stilstaande. Dat wordt aanschouwelijk in de beroemde tweelingparadox: daarin blijft een van de twee op aarde (het referentiekader) terwijl de ander het heelal inreist. Omdat het ruimteschip gezien vanuit de aarde zeer snel beweegt, wordt de tijd voor de reiziger uitgerekt. Hijzelf merkt daar niets van: de klok in het ruimteschip tikt voor hem met onveranderde snelheid. Maar als hij na vele jaren op aarde terugkeert, stelt hij met verbazing vast dat zijn tweelingbroer sneller oud geworden is dan hij. Voor de thuisblijver is sinds het afscheid meer tijd verstreken dan voor de reiziger.

    Einsteins tweede geniale inzicht luidde: ook grote massa’s vertragen de tijd – en wel meer naarmate hun zwaartekracht sterker werkt. Op een berg, verder verwijderd van het middelpunt van de aarde, verstrijkt de tijd daarom sneller dan in het dal. Op aarde verstrijkt hij sneller dan op de veel massievere zon.

    De relativiteitstheorie gooit niet alleen ons beeld van een gelijkmatig stromende, voor iedereen geldige tijd overhoop. Ze berooft ons ook van de voorstelling dat er een algemeen geldig heden zou bestaan. Denk even terug aan de tweelingen. Hoe kan de thuisblijver weten wat zijn broer in het ruimteschip ‘nu’ doet? Mededelingen als ‘vijf jaar na vertrek’ hebben voor de broers een verschillende betekenis.

    En als de een nu contact maakt met de ander om te vragen wat hij op dat moment doet?

    Ook dat werkt niet: communicatie kan hooguit met de lichtsnelheid plaatsvinden. Als de ruimtevaarder in een ander melkwegstelsel onderweg is, heeft het signaal jaren nodig om heen en weer te reizen. Net als het woord ‘hier’ heeft ook het woord ‘nu’ vanaf een bepaalde afstand geen zin meer.

    Einsteins theorieën zijn bevreemdend, maar onder fysici onomstreden. Deze eenstemmigheid gaat verloren als we de kosmos verlaten en binnentreden in de wereld van het microscopische.

    V. 1926: Quantumtijd

    Quanten vertonen allerlei exotische eigenschappen. Ze kunnen schijnbaar ontstaan uit het niets en weer spoorloos verdwijnen. Ze bevinden zich op hetzelfde moment op verschillende plekken. Ze verkeren gelijktijdig in tegengestelde toestanden. Maar zodra we een meting uitvoeren, lijken ze willekeurig te kiezen voor een plek of een toestand. Wat er op dat moment gebeurt, is tot op heden onderwerp van verhitte debatten.

    De tijd gedraagt zich in deze wirwar op het eerste gezicht onopvallend. In de oorspronkelijke quantummechanica komt hij overeen met Newtons voorstellingen. Net als in de klassieke mechanica hebben processen één duur – niet meer en niet minder. 

    In plaats daarvan is er iets zo mogelijk nog vreemders aan de hand. Wat als de tijd zich even gek gedraagt als de elementaire deeltjes zelf? 

    Veel grootheden in het rijk van het allerkleinste zijn gequantiseerd – ze bestaan uit kleine, niet verder deelbare eenheden. Materie en straling zijn bijvoorbeeld samengesteld uit elementaire deeltjes. Ook de energie is gequantiseerd: deeltjes moeten haar steeds in minuscule pakketjes opnemen of afgeven. Daarbij gedragen ze zich alsof ze een onzichtbare trap opklimmen. Is de energie niet voldoende om op de eerstvolgende traptrede te springen, dan vallen ze terug op hun vorige niveau. 

    Waarom zou ook de tijd niet uit kleinste eenheden bestaan? Dan zou ze niet continu stromen, maar sijpelen, zoals de korreltjes in een zandloper. 

    VI. De toekomst van de tijd

    Met de verkorreling van de tijd verlaten we de wereld van de experimenteel vastgestelde kennis en betreden we het rijk van de speculaties. De tijd heeft in de quantumfysica andere eigenschappen dan in de relativiteitstheorie. Hij is daar niet vervlochten met de ruimte, maar verstrijkt onafhankelijk daarvan.

    Om alle stukjes in elkaar te passen, moet men bereid zijn afscheid te nemen van dierbare overtuigingen

    Daarmee markeert de tijd een van de vele tegenstrijdigheden tussen de twee theorieën die onze wereld beide voortreffelijk beschrijven – de quantumfysica op microniveau, de relativiteitstheorie op macroniveau.

    Er zijn al concrete aanzetten om quantumfysica en relativiteitstheorie te verenigen. Een daarvan postuleert het bestaan van ruimte-tijdatomen: hyperkleine, ondeelbare bouwstenen van ruimte en tijd. Als zulke structuren bestaan, gedragen ze zich vermoedelijk zoals fysici dat verwachten van kleinste deeltjes. Maar die deeltjes bestaan niet in ruimte of tijd: pas door hen worden ruimte en tijd gevormd. Onvoorstelbaar – en misschien toch reëel. 

    Om alle puzzelstukjes in elkaar te passsen, moet men bereid zijn afscheid te nemen van dierbaar geworden overtuigingen. ‘Het begrip tijd is zo fundamenteel dat het moeilijk is erover te spreken zonder het bij voorbaat te veronderstellen,’ zegt Renato Renner, professor theoretische fysica aan de ETH-universiteit in Zürich. Zijn onderzoeksteam aan de ETH in Zürich probeert met gedachte-experimenten te komen tot een begrip van tijd dat in beide werelden even geldig is. ‘Onze taal, onze logica, onze intuïtie – ze zijn er allemaal van doordrenkt. De genialiteit van de relativiteitstheorie zat in het feit dat ze afrekende met vanzelfsprekende voorstellingen. Wat we nu nodig hebben is een nog radicalere stap.’

    Renner gelooft dat de paradigmawisseling in de wetenschap die daarvoor nodig is, zich al voltrekt. De tijd, zegt hij, is rijp voor een nieuw begrip van tijd.

    Nora Saager is ervan onder de indruk hoezeer de fysici openstaan voor nieuwe ideeën. Geen theorie is ze te gek, zolang de wiskunde die erachter zit maar zinnig is.

  • 5. Polen maakt jacht op communistische symbolen

    5. Polen maakt jacht op communistische symbolen

    Of het nu om Lenin gaat of Karl Marx, de regerende Poolse conservatieve partij is vastbesloten alle herinneringen aan het communistische verleden uit te wissen.

    Dankzij een in de lente van 2016 aangenomen wet hadden de Poolse steden tot 2 september van dit jaar om alle straten, gebouwen en openbare plekken om te dopen die ‘personen, organisaties, evenementen of data eren die gelieerd zijn aan het communisme of een ander totalitair regime’.

    Deze wet past bij de manier waarop de ultraconservatieve partij Recht en Rechtvaardigheid (Pis), die sinds bijna twee jaar in Polen aan de macht is en het vaste voornemen heeft de revolutie van 1989 te vervolmaken, omgaat met het verleden. Volgens de PiS werd er tijdens de onderhandelingen die destijds tot een vreedzame overgang van communistische dictatuur naar democratie leidden, onvoldoende gebroken met het oude systeem en werd de verantwoordelijkheid van mensen die zich aan misdaden hadden schuldig gemaakt verzwegen. Al had Polen in het begin van de jaren negentig iedere verwijzing naar de meest controversiële figuren, zoals Lenin en Stalin, uit de publieke ruimte verwijderd, de journalistieke onderzoekssite OKO-press noemt een aantal andere namen die, hoewel ze gelieerd waren aan het communisme, niet per se in ongenade hoeven te vallen: Karl Marx, de verdedigers van Stalingrad of de Poolse vrijwilligers in de jaren dertig van de vorige eeuw.

    ‘De kabouters van Wroclaw’: een serie bronzen kabouters ter ere van verzetsbeweging Oranje Alternatief, die de kabouter als symbool gebruikte. Sinds 2001 worden de beeldjes verspreid door de stad geplaatst. – © Michael Gottschalk/Photothek/Getty
    ‘De kabouters van Wroclaw’: een serie bronzen kabouters ter ere van verzetsbeweging Oranje Alternatief, die de kabouter als symbool gebruikte. Sinds 2001 worden de beeldjes verspreid door de stad geplaatst. – © Michael Gottschalk/Photothek/Getty

    De oppositiekrant Gazeta Wyborcza onthult welke strategie sommige steden volgen om de wet te omzeilen. In Warschau, waar de liberalen de meeste zetels hebben in de gemeenteraad, ‘zullen zes straten van naamgever veranderen. De nieuwe naamgevers hebben dezelfde achternaam maar een andere voornaam en een andere biografie.’

    De burgemeester van Gdańsk, ook een liberaal, weigert vierkant de wet toe te passen, die hij zowel ‘absurd als strijdig met het principe van plaatselijke autonomie en de wil van de burgers’ noemt. De opstandige gemeenten zullen het moeten opnemen tegen de regioprefecten, die allemaal door PiS zijn benoemd toen de partij eind 2015 aan de macht kwam. De laatsten kunnen met de wet in de hand het omdopen van openbare plekken forceren als het Instituut voor Nationale Herinnering dat nodig acht.

    Met het risico dat je straten met twee namen krijgt? Het nationalistische weekblad Gazeta Polska looft niettemin het Poolse ‘model’ en legt uit ‘hoe Polen Oost-Europa van de communistische smet zou moeten ontdoen’, met name Oekraïne, de Baltische staten en Moldavië.

    Vertaler: Peter Bergsma

    Courrier International
    Frankrijk | weekblad | oplage 205.000

    De Franse 360. Sinds twintig jaar een begrip in de kiosk. Bijgenaamd het Pentagon van de journalistiek, omdat Courrier nauwlettend in de gaten houdt wat er over de hele wereld wordt geschreven door de media.

  • 3. Bremens blinde vlek

    3. Bremens blinde vlek

    Tot 19 november is in de Kunsthalle van Bremen een tentoonstelling te zien rond het koloniale verleden van de stad. Een dappere expo waar veel andere instellingen wat van kunnen leren, vindt Die Welt.

    De naam klinkt provinciaals, maar de tentoonstelling in de Kunsthalle van Bremen opent een wijde horizon. Aan de titel ‘Bremen en de kunst van de koloniale tijd’ gaan immers drie woorden vooraf: ‘De blinde vlek’. Die woorden geven aan waar het hier om gaat: de sporen van de grote jaren van die stad, van handel en verovering, liggen nog altijd tussen de museumcollecties verborgen. Hoewel overal in Duitsland etnologen min of meer buiten het zicht van het publiek om onderzoek doen en er al tientallen jaren lang contacten bestaan met de gemeenschappen in de landen van herkomst, kreeg de museumbezoeker nooit eerder een inkijkje in hoe het er in die tijd aan toe ging: wie geïnteresseerd waren in het halen van objecten naar Duitsland en hoe zeer de mentaliteit verweven was met het leven van alledag. Niet eerder werd de koloniale geschiedenis door een Duits kunstmuseum van zo veel kanten belicht.

    Grenzeloos en interdisciplinair

    Een korte uitleg over de ontstaansgeschiedenis van de tentoonstelling is hier op zijn plaats. Curator Julia Binter werkte, dankzij een beurs van de Federale Cultuurstichting, vanaf het voorjaar van 2016 met de plaatselijke universiteit en het Afrika-netwerk in Bremen aan manieren om die tijd over het voetlicht te brengen, te leren begrijpen en te bediscussiëren. Met deze expositie reageert de etnoloog, die eigenlijk in Oxford promoveert, op de crisis in haar vak dat zich al jarenlang veel moeite getroost om de Europese en de buiten-Europese geschiedenis in onderling verband te benaderen.

    Wat is hier nieuw? Haar tentoonstelling is grenzeloos en interdisciplinair, ook al omdat ze gehouden wordt in een kunstmuseum – ze behandelt de geschiedenis vanuit allerlei perspectieven: stadsgeschiedenis, etnologie, kunstgeschiedenis, en tezamen met hedendaagse kunstenaars en burgers stelt ze kritische vragen aan onze eigen tijd.

    Bremen is daarvoor de perfecte plek: de kooplieden, vaak ook vooraanstaande mecenassen in het culturele leven, waren sterk betrokken bij de kolonisatie van West- en Zuidwest-Afrika. Nog na de Eerste Wereldoorlog eiste de Bremer Ausschuss des Reichsverbands der Kolonialdeutschen de overzeese Duitse gebieden terug en onder het nationaalsocialisme werd Bremen aangeduid als de ‘Stadt der Kolonien’. De Kunsthalle zelf is het product van de door het kolonialisme nieuw verworven rijkdom. Kooplieden stonden in 1823 aan haar wieg. Inmiddels huisvest ze een voortreffelijke collectie, vanaf de veertiende eeuw tot heden.

    Affiche uit 1935: ‘Bremen, de sleutel tot de oceanen’. – © Deutsches Schiffahrtmuseum Bremerhaven
    Affiche uit 1935: ‘Bremen, de sleutel tot de oceanen’. – © Deutsches Schiffahrtmuseum Bremerhaven

    De tentoonstelling is ingericht als een langzaam aanzwellende golf. Ze begint met de in de vroege twintigste eeuw groeiende belangstelling bij kunstenaars voor het primitivisme. Emil Nolde gaat rond 1910 de oervolken in de musea van Berlijn bestuderen en reist in 1913-1914 zelf naar de Stille Zuidzee. ‘Rechts van mij lag de gespannen revolver en achter mij stond, mij in de rug dekkend, mijn vrouw met die van haar, eveneens ontzekerd. Misschien werkte nooit eerder een schilder onder zulk een spanning,’ schreef hij in zijn dagboek.

    Op artistiek hooggekwalificeerde vellen papier ontstaan portretten van mensen die niet uit vrije wil model zitten, wier blikken verraden hoe bruut deze toe-eigening in zijn werk ging, hoe zeer het vreemdsoortige hier geconstrueerd werd. Tientallen jaren wilde niemand in Europa die details zien.

    Het spel herhaalt zich bij Georg Kolbe en Fritz Behn, ze persen vreemdsoortigheid in sjablonen. De ‘hurkende negerin’ van Herbert Kubica werd nog in 1948 met financiële steun van de Hanzestad door het museum aangekocht. Bremen profiteert van de uitbuiting. Schilderijen tonen mondaine gezelschappen aan de thee. Een stilleven van Paula Modersohn-Becker uit 1905 is in onze ogen simpel, zo niet saai: een schaal met fruit. Maar de bananen op het schilderij verhalen van een veranderend consumptiepatroon – aan het begin van de twintigste eeuw werden ze voor het eerst massaal op de Europese markt gebracht.

    ‘Wij eisen koloniën, omdat elk volk het recht en de plicht heeft mee te werken aan het verspreiden van beschaving en cultuur, waarheid en recht en aan het exploiteren van de goederen der aarde’

    Tussen dit door de kunst gegeven beeld weeft de tentoonstelling historische documenten, relicten. Een oude schoolkaart maakt reclame voor de Duitse koloniën uit die tijd. Een aanplakbiljet van het Bremer Reichsverband der Kolonialdeutschen vraagt om handtekeningen. Het toont een zwarte jongen met een palmenwaaier en daaronder de oproep: ‘Wij eisen koloniën, omdat elk volk het recht en de plicht heeft mee te werken aan het verspreiden van beschaving en cultuur, waarheid en recht en aan het exploiteren van de goederen der aarde.’

    Het kolonialisme aan de schandpaal, maar de tentoonstelling gaat dieper. Tot nu toe werd de koloniale geschiedenis altijd op één manier verteld: de actieve veroveraar uit Europa en het slachtoffer in de veroverde gebieden. In een van de meest overtuigende ruimtes wordt ook hier het perspectief omgedraaid – met Afrikaanse voorstellingen van Europeanen. Hun parodieën getuigen van een behoorlijk intelligentieniveau bij deze zogeheten primitieve volken. Figuurtjes uit Togo tillen draagstoelen waarop dikke veroveraars zich met een pijp uitstrekken. De slaven zongen onder hun last hun liederen, waarin de blanke reiziger het woeste gezang van een oervolk meende te ontwaren. Maar in werkelijkheid dreven hun woorden de spot met de luie blanke man.

    1. Nolde: Hoofd van een inlander van voren, 1913-14. – © Nolde Stiftung Seebüll; 2. Kamerun. – © Übersee-Museum Bremen; 3. Modersohn-Becker: Stillevens met appels en bananen, 1905; 4. © Ngozi Schommers, 2017.
    1. Nolde: Hoofd van een inlander van voren, 1913-14. – © Nolde Stiftung Seebüll; 2. Kamerun. – © Übersee-Museum Bremen; 3. Modersohn-Becker: Stillevens met appels en bananen, 1905; 4. © Ngozi Schommers, 2017.

    Ook de Europese kunst was niet helemaal verblind: de Indisch-Hongaarse kunstenares Amrita Sher-Gil, dochter van een wereldomspannend leven, een Indische aristocraat en een Hongaarse operazangeres, schilderde in 1934 een ‘zelfportret als Tahitische vrouw’. We zien haar en profil. Naakt. Ze houdt haar armen voor haar borst, haar blik is – anders dan bij de vrouwen van Gauguin – wellustig op de toeschouwer gericht, haar haren vallen niet op haar schouders, maar zijn samengebonden in een knot. Op de achtergrond is de donkere schaduw van een man zichtbaar, een referentie aan de Zuidzee-schilder Paul Gauguin, die zich op deze wijze in zijn Tahiti-schilderijen vereeuwigde.

    Maar in Bremen mag deze schaduw niet ver meer reiken. Als de tentoonstelling bij onze eigen tijd komt, verbleekt hij – definitief. In plaats daarvan kijken we naar een wand met portretten van de Nigeriaanse kunstenares Ngozi Schommers. Ze toont zwarte vrouwen die het lot in eigen hand nemen. Sommigen ontmoette ze op reizen naar Nigeria en Ghana, op de luchthaven of onderweg op busstations tussen Accra en Takoradi, anderen in Europa, tussen Bremen, Hamburg en Zürich. We lezen op hun gezichten de kernboodschap van deze tentoonstelling: vreemdsoortigheid wordt geconstrueerd.

    Auteur: Swantje Karich
    Vertaler: Marten de Vries

    Openingsbeeld: Affiche van de Noord-Duitse Lloyd, ca. 1927. – © Deutsches Schiffahrtmuseum Bremerhaven

    Die Welt
    Duitsland | dagblad | oplage 202.000

    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.

  • 2. ‘De prijs van de herinnering is soms te hoog’

    2. ‘De prijs van de herinnering is soms te hoog’

    Volgens de Amerikaanse politicoloog David Rieff is het niet altijd verstandig het verleden te blijven oprakelen. In een opmerkelijk essay pleit hij voor een vergeetcultuur na grote tragedies. De Argentijnse krant Clarín sprak met hem.

    In uw boek In Praise of Forgetting uit 2016 bestrijdt u de zienswijze dat volkeren die zich het verleden niet herinneren gedoemd zijn in herhaling te vervallen. U vindt dat we beter kunnen doorgaan met leven?

    ‘Alles hangt af van de situatie, het moment, de context. Mijn standpunt is dat als de morele eis van het herinneren te veel leed veroorzaakt om nog te worden ingewilligd, je zelfs aan een “morele eis van het vergeten” zou kunnen denken. De titel van mijn boek is vooral provocerend, nodigt uit tot reflectie. Het is verkeerd om te zeggen dat herinnering natuurlijk is en vergeten niet. Het collectieve geheugen is een constructie, en een veranderende constructie. Maar ik zeg ook niet dat degenen die zich het verleden herinneren gedoemd zijn.’

    Toch is het moeilijk om niveaus van lijden te bepalen. Welk onderscheid maakt u daarin?

    ‘Mijn ervaring in Bosnië heeft me geleerd dat de prijs van de herinnering soms heel hoog is: mensen hebben elkaar vermoord vanwege gebeurtenissen van vier of vijf eeuwen geleden. In Noord-Ierland is de rancune blijven voortbestaan toen het dispuut allang niet relevant meer was. In zo’n geval, net als in de Israëlisch-Palestijnse kwestie, is misbruik van de herinnering “schadelijk voor de gezondheid”, zoals op sigarettenpakjes staat.’

    Heeft een samenleving niet het recht zelf te bepalen wat ze zich wil herinneren?

    ‘Herinnering is geen geschiedenis. Je moet onderscheid maken tussen individuele herinnering, het resultaat van historisch-juridisch onderzoek en de meningen die in een samenleving worden getolereerd. Of je je iets herinnert of vergeet beslis je altijd zelf. Ik breng veel tijd in Zuid-Afrika door en daar zijn degenen die met de dictatuur hebben gesympathiseerd van mening dat vergeten de beste oplossing is; de slachtoffers kiezen natuurlijk voor herinneren. Dat is een van de grote vragen in het boek: hoeveel willen we voor de herinnering betalen? In bepaalde contexten denk ik dat we moeten betalen, maar in andere is de prijs te hoog. Daarom heb ik meer sympathie voor de eis van het herinneren in Chili [aar in het begin van deze eeuw een verzoeningsproces is gestart nadat rechter Juan Guzmann dictator Pinochet met succes had aangeklaagd] dan in bijvoorbeeld Colombia – ik was voorstander van het eerste, veelomvattender vredesakkoord met de FARC dat werd voorgesteld door president Juan Manuel Santos.’

    David Rieff. ‘Ik ben ik er niet zeker van dat iemand over honderd jaar nog aan 11 september 2001 zal denken – alles zal vergeten zijn.’ – © YouTube
    David Rieff. ‘Ik ben ik er niet zeker van dat iemand over honderd jaar nog aan 11 september 2001 zal denken – alles zal vergeten zijn.’ – © YouTube

    Denkt u niet dat gerechtigheid tot vrede leidt?

    ‘Hegel definieert een tragedie als een mogelijk conflict tussen twee goede dingen. Ik ben het oneens met mensenrechtenbewegingen die verkondigen dat er geen vrede zonder gerechtigheid bestaat, dat vrede zonder gerechtigheid geen vrede is. In sommige gevallen moet je kiezen. In andere kun je het misschien allebei hebben – vrede en gerechtigheid. Maar in Colombia en Baskenland, om maar twee voorbeelden te noemen, denk ik dat het of het een is, of het ander. In Chili en hier in Argentinië is dat door de democratie bewerkstelligd. In Colombia is dat niet het geval. De mensenrechtenbewegingen hebben de illusie dat samenlevingen zich natuurlijkerwijze in de richting van waarheid en gerechtigheid ontwikkelen. Daar geloof ik niet in. Ik zie het meer als de Grieken, namelijk dat alles zich in historische cyclussen voltrekt. En als je naar Trump, Poetin of Maduro kijkt, aan de linker- en rechterzijde van het perspectief, dan moet je wel constateren dat we afstevenen op een minder democratische cyclus.’

    Hoe wordt uw standpunt in de Verenigde Staten ontvangen, waar de herinnering aan 11 september 2001 het voortbestaan van het kamp in Guantánamo rechtvaardigt?

    ‘In zekere zin zijn de Verenigde Staten een “vergeetland”. Jongeren zeggen “That’s history” als ze het over iets hebben wat niets meer betekent. De oorlog tussen de radicale islam en de Verenigde Staten duurt al zestien jaar, en die zal niet eindigen door de onomstotelijke overwinning van een van de twee kampen. Ik vergelijk onze herinnering aan Pearl Harbour en onze relatie met Japan graag met de herinnering aan 11 september. De aanval op Pearl Harbour wordt nog altijd met plechtigheden gememoreerd, maar die verhinderen niet dat de Japanners onze beste vrienden zijn. Aan de andere kant ben ik er niet zeker van dat iemand over honderd jaar nog aan 11 september 2001 zal denken – alles zal vergeten zijn.’

    Vertaler: Peter Bergsma

    David Rieff (Boston, 1952) is de zoon van Susan Sontag, de beroemde Amerikaanse activiste en essayiste. Hij was oorlogscorrespondent in Bosnië, in diverse Afrikaanse landen en in Israël en Afghanistan.

    Hier leest u zijn essay in The New York Times terug.

    Clarín
    Argentinië | dagblad | oplage 270.444

    De oudste krant van Argentinië, opgericht in 1945 door Robert Noble en nog altijd onder redactie van zijn weduwe, Ernestina Herrera de Noble. De nadruk ligt op lokaal nieuws, sport en cultuur.