Tag: verveling

  • Het Westen verveelt zich dood

    Het Westen verveelt zich dood

    Ons politiek nihilisme is de vrucht van de verpletterende verveling en geestelijke leegte van onze moderne maatschappij. Burgers weten zich geen raad met de vrijheid en overvloed die door eerdere generaties tot stand is gebracht.

    Stel dat Schopenhauer gelijk heeft en het leven één voortdurende slingerbeweging is tussen pijn en verveling. De enorme materiële overvloed van de rijke geïndustrialiseerde samenleving heeft weliswaar een pijnstillende werking (er is simpelweg minder fysieke pijn dan vroeger, toen we nog geen fluoride, geen anesthesie en geen zittend leven hadden), maar de oplossing van het ene probleem lijkt het andere alleen maar te verergeren. In plaats van pijn lijden we nu aan verveling, dé kenmerkende gemoedstoestand van het moderne leven. Die verveling is een direct gevolg van overvloed: een onuitputtelijke stroom ‘videocontent’ of chocoladetaart of eender wat voor snoepgoed en verwennerij kan geen blijvende voldoening geven. Op den duur krijg je overal een keer genoeg van, en dan moet je op zoek naar je volgende kick.

    Volgens Schopenhauer komt verveling voort uit ‘botheid van geest’, uit de ‘innerlijke leegte’ die een mens doet ‘smachten naar prikkels van buitenaf’, naar alles wat afleiding schenkt en de tijd kan doden. Een man die in weelde baadt maar niet beschikt over de intellectuele gaven om verveling uit te bannen ‘zou beter af zijn als de armoede hem wat te doen had gegeven’. Is het toeval dat zo veel jonge miljardairs in een gênante midlifecrisis belanden? Het probleem met ‘het bezit van vrije tijd’ is dat die tijd soms meer als een last dan als een geschenk gaat voelen, zowel voor de bezitter als voor de samenleving. Vrije tijd ‘brengt gevaren met zich mee’.

    Overtollige mensen met overtollige tijd zijn zelden een recept voor maatschappelijke stabiliteit. Vandaar dat de Romeinen hun stadsbevolking voorzagen van brood én spelen. Vandaar dat de protestantse hervormers zo’n felle strijd voerden tegen ledigheid, om te voorkomen dat de armen ten prooi vielen aan de verlokkingen van de duivel. Maar materiële vooruitgang brengt altijd een potentieel teveel aan vrije tijd met zich mee. ‘Minstens even belangrijk als het grote probleem van werk’, schreef de Amerikaanse filosoof Alfred H. Lloyd in de jaren twintig van de vorige eeuw, is een probleem dat ‘om nadere beschouwing schreeuwt en iedereen opvalt die er de ogen voor opent en ze er niet koppig voor gesloten houdt: het probleem van de vrije tijd’. Vrije tijd kan een bedreiging voor de maatschappelijke orde vormen als mensen niet in staat zijn hun besteding ervan in goede banen te leiden. Daarom was John Dewey ook van mening dat een ‘waarlijk democratische samenleving’ in de moderne tijd ook een ‘zinvolle vrijetijdsbesteding voor iedereen’ moet garanderen.

    ‘Overtollige mensen met overtollige tijd zijn zelden een recept voor maatschappelijke stabiliteit’

    Conservatieve critici hebben dat ideaal altijd afgedaan als luchtfietserij. ‘Het is bespottelijk om te denken dat als mensen maar vijftien of twintig uur per week werken, ze in hun vrije tijd in de weer zullen gaan met een brok marmer of een partituur’, schrijft Richard Posner. ‘Als ze geen consumptiegoederen en diensten hadden om hun tijd mee te vullen, zouden ze vechten, stelen, te veel eten en drinken en uitslapen.’ Los van de maatschappelijke functie van werk is het ook een noodzakelijk kwaad. Zonder zo’n overloopvat om de tomeloze hartstocht en de overtollige energie van mensen op te vangen zou de beschaving snel tot barbarij vervallen.

    Weinig standpunten zijn zo lang en zo consequent door de elite gehuldigd, en dat is niet zo gek. In de satirische middeleeuwse boerenutopie Luilekkerland of Cocagne, een land ‘sonder arbeit ende sonder pijn’, kon je met een uur slapen een stuiver verdienen en met drie keer boeren ‘oft eenen harden scheet te laten’ een hele daalder. In het Amerikaanse volksliedje Big Rock Candy Mountains wordt gejubeld dat ‘they hung the jerk that invented work’ en ‘little streams of alcohol come a-trickling down the rocks’. Toen in Groot-Brittannië de industrialisatie goed op gang kwam, was het aantal nationale feestdagen door de autoriteiten in 1834 van zeventien teruggebracht naar vier. Vrije dagen verleidden de mensen immers maar tot allerhande zedeloos gedrag, variërend van volkssporten als ‘hanenwerpen’ tot liederlijke dronkenschap. Zoals ook duidelijk geïllustreerd werd door de onuitroeibare traditie van ‘Blauwe Maandag’, of ‘Sint Maandag’ in het Engelse taalgebied, de dag waarop arbeiders met een weekendkater hun werk verzuimden.

    Deze arbeiders beschikten niet over de financiële armslag van de rijke man die volgens Schopenhauer beter af zou zijn als de armoede hem wat te doen had gegeven, maar ook hun vrije tijd bracht gevaren met zich mee. Of het onvermogen om de vrije tijd nuttig te besteden nu leidde tot verveling en geestelijke leegte onder de rijken of tot driftige buien van genotsbevrediging onder het ‘klootjesvolk’, de wortel van het probleem is dezelfde. Te veel vrije tijd, te veel verveling maakt mensen licht vatbaar voor oplichters, volksmenners en hun eigen lage driften.

    De zoektocht naar identiteit

    In de ruim tien jaar dat ik nu schrijf en nadenk over werk en de opofferingskosten daarvan in de moderne tijd, heb ik het ‘probleem van de vrije tijd’ meestal alleen terloops aangestipt, vooral omdat ik hoopte dat het wel oplosbaar is. Maar de huidige politieke situatie in de Verenigde Staten (en in sommige andere geïndustrialiseerde democratieën) vraagt om nadere bezinning en kan niet volledig worden begrepen zonder het probleem van verkeerd bestede vrije tijd mee te wegen. Niet alleen is het aantal gewerkte uren gaandeweg steeds verder gedaald, maar het meeste werk (al die ‘niet-onmisbare’ functies) kan mensen ook niet meer zo veel zingeving verschaffen als vroeger. Uit een peiling van Gallup blijkt dat ‘werknemers in de VS zich steeds minder verbonden voelen met hun werkgever, lagere verwachtingen koesteren, minder voldoening putten uit hun organisatie en minder voeling hebben met de missie en doelstellingen daarvan’.

    Die trends onderstrepen hoe belangrijk het is dat vrije tijd voorziet in alle behoeften en verlangens die maken dat wij mensen zijn en niet slechts ‘aangeklede apen’, zoals C.S. Lewis het noemde. Maar het is geen geheim wat de meeste mensen met hun vrije tijd doen. Verslavende, sensatiebeluste en onbenullige media en amusementsvormen zijn doorgedrongen in alle uithoeken van het leven in de eenentwintigste eeuw, tot de werkvloer aan toe. Veel van dat amusement speelt natuurlijk in op de essentiële behoefte van de moderne mens: het blijvende verlangen naar iets wat ontzag en verwondering inboezemt, naar een gevoel van stralende genade, de ervaring van het sublieme in een onttoverde wereld.

    ‘het meeste werk […] kan mensen ook niet meer zo veel zingeving verschaffen als vroeger’

    Waar we nu mee kampen, zijn de gevolgen van deze combinatie van ontwikkelingen. Valse romantiek is sterk in opkomst bij hoogopgeleide jonge conservatieven, die zijn grootgebracht met de gedachte dat ze ertoe doen en nu tot de ontdekking komen dat er eigenlijk geen behoefte aan hun diensten bestaat. En een theatraal idealisme is het grote euvel van veel te veel hoogopgeleide linkse jongelui, die de historische overwinningen van eerdere progressieve generaties vaak dunnetjes over willen doen, ook al is die buit grotendeels allang binnen. Maar het resultaat dat voor de politiek het meest relevant is, is misschien dat politieke partijen uit de mode zijn en online massabewegingen zeer in trek. Hoe klein dat verschil ook lijkt, het gaat diep. Niet iedereen die als Republikein geregistreerd staat, zal zich meteen aansluiten bij een gewelddadige opstand of juichen als de pijlers van de Amerikaanse rechtsorde worden ontmanteld. Niet iedereen die op de Democraten stemt, wordt daarmee op slag een activist voor intens impopulaire maatschappelijke hervormingen. Daar is meer voor nodig.

    Zowel de MAGA-stroming als de intolerante, autoritaire equivalenten ter linkerzijde vertonen veel kenmerken van de massabeweging van ‘ware gelovigen’ zoals die begin jaren vijftig door de havenarbeider annex filosoof Eric Hoffer getypeerd werd. Beide stromingen zijn natuurlijk een afspiegeling van bredere sociaaleconomische ontwikkelingen, die variëren van verstoringen in de arbeidsmarkt en groeiende ongelijkheid tot dalende sociale mobiliteit en een ‘hoogopgeleiden-overschot’. Maar belangrijker is dat beide stromingen hun achterban bespelen via die kanalen en bezigheden die de meeste vrije tijd en aandacht van mensen opslurpen. Als er één ding is dat de maatschappelijk meest schadelijke achterbannen van onze tijd verenigt, is het dat ze allemaal ‘erg online’ zijn.

    Massabewegingen gedijen net als sommige strenge religieuze sekten bij de zelfhaat van hun volgelingen. Dat zijn mensen die zichzelf niets te bieden hebben. Als ze in zichzelf kijken, vinden ze slechts leegte. De gemiddelde volgeling is niet alleen gefrustreerd door zijn levensomstandigheden, maar ook murw van verveling en ontevreden over zichzelf. In zijn werk, zijn sociale leven en zijn privésituatie vindt hij volop bewijzen van zijn machteloosheid, dus zoekt hij een nieuwe identiteit voor zichzelf in het lidmaatschap van de beweging. Ineens hoort hij ergens bij.

    ‘Wie zelf weinig gepresteerd heeft, beroept zich vaak op de prestaties van zijn land’

    De concrete boodschap van de beweging is bijzaak. De ongewenste eigen identiteit kan men afschudden door bij zichzelf een of andere geestelijke stoornis vast te stellen (die zelfdiagnose is een groeiende trend op sociale media) en zo toe te treden tot een nieuwe gemeenschap van lotgenoten. Door zichzelf weg te cijferen ten opzichte van historisch onrecht. Door zich een nieuwe identiteit of godsdienst aan te meten. Of door trouw te zweren aan een charismatische leider die belooft de instanties op de schop te nemen die jouw ontplooiing zogenaamd in de weg hebben gestaan. Dit gedrag tref je doorgaans niet aan onder mensen die zelf een gezonde en verrijkende invulling aan hun ongeregimenteerde vrije tijd geven.

    Dat het inhoudelijke programma van de beweging van ondergeschikt belang is, levert ironische situaties op. De traditioneel ‘mannelijke’ beeldtaal van de MAGA-beweging lijkt velen aan te spreken; maar wat zijn zij die braaf achter de alfafiguur van de grote leider aanlopen anders dan gedweeë meelopers? Veel aanhangers klagen over economische ongelijkheid, maar zijn zelf bepaald niet berooid. Wie echt straatarm en wanhopig is, heeft tijd noch middelen om af te reizen naar partijbijeenkomsten, aan opstanden mee te doen of memecoins en ander waardeloze merchandising te kopen. Die kan zich niet de uitrusting veroorloven om in het weekend soldaatje te spelen.

    Ook het nationalistische karakter en de hersenloze destructiedrang van de beweging zijn kenmerkend. Wie zelf weinig gepresteerd heeft, beroept zich vaak op de prestaties van zijn land. ‘Wanneer we ons ik afzweren en opgaan in een compact geheel, doen we niet alleen afstand van ons individueel gewin, maar ook van onze individuele verantwoordelijkheid’, schreef Hoffer. ‘Wanneer we onze individuele onafhankelijk verruilen voor het groepsgevoel van een massabeweging, vinden we daarin een nieuwe vrijheid: de vrijheid om zonder wroeging of schaamte te haten, intimideren, liegen, martelen, moorden en verraden.’

    Een nieuwe vrijetijdsethiek

    Krijgen de oude puriteinse zedenmeesters dan toch gelijk? Misschien, maar alleen omdat zij ons een selffulfilling prophecy hebben nagelaten. Een samenleving die zo doortrokken is van het protestantse arbeidsethos en zo in het teken staat van het najagen van individueel succes, is niet in staat om zijn burgers op een ander soort leven voor te bereiden. 

    Terwijl onze eigen wijsgerige traditie toch oplossingen te over biedt voor het probleem van de vrije tijd, of die nu de nadruk leggen op het belang van vriendschap (Epicurus), bezinning (Aristoteles) of het dienen van de publieke zaak ‘met oog voor de ander’ (Cicero). Deze essentiële menselijke kwaliteiten zijn danig uitgehold, resulterend in een tijdperk van eenzaamheid, achteloosheid en opgeklopt groepsdenken. Maar met genoeg vrije tijd en bewuste benutting daarvan kunnen ze in ere worden hersteld. Demagogen, complottheorieën en sekteleiders zullen er altijd zijn, maar ze krijgen geen vat op een volk dat in zichzelf vervulling vindt.

    Een gezonde relatie met onze vrije tijd krijgen we niet vanzelf. Dat vereist een ethiek van de vrije tijd, en net als de deugdethiek van Aristoteles moet die ons waarschijnlijk met de paplepel worden ingegoten. Alleen door diepgaande en aanhoudende gewenning leert een mens gaandeweg onderscheid te maken tussen kunst en amusement, tussen lagere en hogere geneugten, tussen het prikkelende en het sublieme. Zij die dit onderscheid ontkennen, zijn van dat idee niet af te brengen, want zij behoren niet tot de ingewijden. Zij weten niet waarover ze spreken.

    ‘Alleen door diepgaande en aanhoudende gewenning leert een mens gaandeweg onderscheid te maken tussen kunst en amusement’

    Het leren waarderen van de meer verrijkende bronnen van zelfontplooiing vergt tijd en zelfdiscipline. Maar een complete entertainmentbranche is er louter op gericht ons van dat rechte pad af te brengen. Vanaf een bepaald moment kreeg onderwijs niet langer tot doel om te streven naar het vormen van evenwichtige burgers met een rijk geestelijk leven, politiek inzicht en geestelijke of emotionele zelfstandigheid, zoals Dewey ooit hoopte. Het doel is nu alleen nog om in een tijd van aanhoudende technologische veranderingen de voorraad ‘menselijk kapitaal’ voor onze economie op peil te houden.

    Enkele jaren geleden werd alle leerlingen nog op het hart gedrukt dat ze moesten ‘leren programmeren’, ongeacht of daar hun interesse lag. Maar nu krijgen we te horen dat juist op dit vlak de grote taalmodellen al veel beter zijn. Zal een deel van de voor bèta-onderwijs gereserveerde miljarden alsnog opzijgezet worden om de geesteswetenschappen te redden, de vakgebieden bij uitstek waarvan de waarde niet volledig van onvoorspelbare macro-economische ontwikkelingen afhankelijk is? Ik zou er maar niet op rekenen.

    De grootsheid van Amerika heeft een samenleving voortgebracht waarin de burgers zich geen raad weten met de vrijheid en overvloed die door eerdere generaties tot stand is gebracht. We zijn er nu getuige van hoe deze erfenis wordt verkwanseld, en dat schouwspel is nog vunziger en stompzinniger dan gedacht.

  • Waarom zijn we zo bang om ons te vervelen?

    Waarom zijn we zo bang om ons te vervelen?

    Onze weerzin tegen verveling zit diep. 67 procent van de mannen en 25 procent van de vrouwen dient zichzelf liever een pijnlijke elektrische schok toe dan een kwartier alleen in een ruimte te moeten doorbrengen zonder iets omhanden. Joe Fassler legt uit waarom dat onterecht is.

    Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Reader #19

    Laat even alles uit uw handen vallen en probeer te bedenken wanneer u zich voor het laatst hebt verveeld. En dan heb ik het niet over ‘telefoonverveling’ – de lusteloosheid van generatie Z als gevolg van een overdaad aan digitale input – maar over echte verveling, een gevoel van lusteloosheid door een gebrek aan prikkels. Wanneer hebt u voor het laatst toegegeven aan dat gevoel van lusteloosheid dat zich aandient na een tijdje niksen?

    Het zou me niets verbazen als u het niet meer weet. Verveling is de gesel van ons moderne bestaan en de machtige motor van het Amerikaanse consumentisme draait op volle toeren om het uit te bannen. We laten onze boodschappen en onze kleren thuis bezorgen en platforms als TaskRabbit en Seamless beloven ons te verlossen van alledaagse klusjes zoals de boodschappen, het in elkaar zetten van meubels, lekker uitgebreid koken in het weekend of zelfs het ophalen van een afhaalmaaltijd.

    Podcasts bestrijden de verveling wanneer we ’s ochtends naar ons werk rijden of wanneer we na het eten aan de afwas staan. ’s Avonds kijken we naar series die onophoudelijk doorgaan, waardoor het moment van bezinning na de aftiteling voor eeuwig uitblijft.

    En dan is er natuurlijk nog de mobiele telefoon. Op wachtkamers over de hele wereld staren mensen met gebogen hoofd naar een schermpje. De telefoon, die ons toegang biedt tot alles waar we maar in geïnteresseerd zijn, heeft voorgoed afgerekend met verveling – met ons mobieltje bestrijden we de innerlijke rusteloosheid die ooit kenmerkend was voor ons mens-zijn. Ook al zijn we gestrest, of afwezig, of overwerkt, ook al hebben we last van branderige ogen of hersenmist – we vervelen ons geen moment meer. Anno 2019 is dat nergens meer voor nodig.

    ‘Acedia gezien als een stoornis – het tragische onvermogen om de schoonheid te zien in het door God geschapen universum’

    Waarschijnlijk is dat geen goede ontwikkeling. Uit recent onderzoek is gebleken dat verveling verrassend positieve effecten heeft, die verband houden met verbeelding en creativiteit. Het blijkt dat al onze inspanningen om verveling uit te bannen ons leven er niet beter op hebben gemaakt. Sterker nog, er wordt ons iets waardevols afgenomen. 

    Voordat we het gaan hebben over de waarde van verveling, is er nog iets anders om in gedachten te houden: verveling is niet van alle tijden. Natuurlijk is er altijd wel iets vergelijkbaars geweest. Maar de manier waarop we ons verhouden tot dat gevoel is in de loop der eeuwen radicaal veranderd, net als onze opvatting over de implicaties ervan.

    In Boredom: The Literary History of a State of Mind, stelt wetenschapper Patricia Meyer Spacks dat het gevoel van verveling van vandaag de dag pas is opgekomen in de achttiende eeuw: ‘Het was een nieuw begrip’, schrijft ze, ‘of misschien zelfs wel een geheel nieuwe ervaring.’ Middeleeuwse denkers schreven over acedia, een woord dat ze hadden geleend van de oude Grieken en dat de benaming was voor een van de zeven hoofdzonden, namelijk luiheid. Net als andere begrippen uit de oudheid, zoals melancholie en lusteloosheid, werd acedia gezien als een stoornis – het tragische onvermogen om de schoonheid te zien in het door God geschapen universum.

    Onze moderne verveling verschilt op twee belangrijke punten van acedia. Ten eerste is het zeer situatiegebonden. Verveling komt meestal van buiten, niet van binnenuit; we vervelen ons wanneer de omstandigheden saai zijn. Ten tweede wordt het niet langer beschouwd als een karaktereigenschap noch als een ernstige zonde tegenover God, maar als iets relatief onbeduidends. Ja, het kan overweldigend zijn, maar verveling is ook grillig, vluchtig. Het is een gevoel dat ook weer kan verdwijnen.

    Spacks komt met verschillende verklaringen voor dit veranderende perspectief, van de afnemende invloed van het geloof tot het toegenomen individualisme – dat laatste heeft het benoemen van diverse gevoelsschakeringen in de hand gewerkt. 

    Maar ze wijst er ook op dat er een correlatie bestaat tussen de definitie van het begrip verveling en de opkomst van de roman als literair genre, een historisch gegeven dat vermoedelijk niet toevallig is: beide hangen samen met de opkomst van het fenomeen ‘vrije tijd’. Zoals Spacks het ziet waren werk en vrije tijd vóór de Industriële Revolutie meer met elkaar vervlochten, waren werk en spel één in de dagelijkse strijd om het hoofd boven water te houden. (Een voorbeeld hiervan is de worksong, het arbeidslied.) Maar naarmate de achturige werkdag zijn intrede deed, ontstond er meer en meer een scheiding tussen ‘werk’ en ‘vrije tijd’. 

    Bestrijding

    In die periode duikt ook voor het eerst het woord ‘verveling’ op. Halverwege de negentiende eeuw kwam je het ineens overal tegen, in krantenartikelen en in romans van Charles Dickens, als verklaring voor de indolentie van de armen en de lethargie van de rijken. Halverwege de twintigste eeuw werd het in brede kring gezien als een onlosmakelijk deel van het bestaan. ‘Life, friends, is boring. / We must not say so’ (Het leven is saai, vrienden. / Laten we het niet zeggen’) schreef de dichter John Berryman in zijn bundel 77 Dream Songs (1964), die hem de Pulitzer-prijs opleverde. Acedia werd gezien als een interne tekortkoming, maar verveling was iets van buitenaf – een natuurlijk fenomeen dat de maatschappij als geheel zo goed mogelijk probeerde in te dammen en te verhullen, maar dat evengoed overal op de loer lag.

    Naarmate deze opvatting van verveling terrein won, zien we een toename van middelen om verveling te bestrijden. Spacks beschrijft de ongekende variëteit aan vermaaksmogelijkheden die hun intrede deden in het Europa van de achttiende eeuw – van circussen en dierentuinen tot toneelopvoeringen – en waaruit uiteindelijk variétévoorstellingen en films voortkwamen.

    Werk was ook een remedie. In De menselijke conditie schrijft Hannah Arendt dat werk ooit werd gerechtvaardigd vanuit de gedachte dat het contemplatie mogelijk maakte. De Industriële Revolutie zette alles op zijn kop: in toenemende mate werden mensen beoordeeld op de veronderstelde waarde van hun werk. Het onvermijdelijke gevolg hiervan was een devaluatie van de tijd waarin niet werd gewerkt – waar nu smalend de term ‘niksen’ voor kon worden gebruikt.

    Vandaag de dag heeft die houding groteske vormen aangenomen, culminerend in de zogeheten hustle culture, waarin van gretige jongeren lijkt te worden verwacht dat ze bereid zijn hun slaap te offeren op het altaar van productiviteit en zich maar al te graag door hun baas laten uitbuiten. Die houding spreekt ook uit de slogans die overal opduiken op de muren bij WeWork: ‘Thank God It’s Monday’ en ‘Never stop getting better’. Wie niet bezig is, bestaat niet.

    Maar misschien is het wel een goed idee om eens wat meer te lummelen – en wie weet juichen de opperheren voor wie we werken dat zelfs toe. Want verveling speelt een cruciale en vaak onderschatte rol bij creativiteit, inspiratie en innovatie – onvervangbare waarden, waar zelfs alle ambitie van de wereld niet tegenop kan.

    Leer- en ervaringsdeskundige Cindy Foley over de voordelen van verveling.

    Verveling mag dan een universeel fenomeen zijn, toch wordt er pas sinds heel kort wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. In een artikel uit 2012 in Perspectives on Psychological Science werd aangetoond dat er zelfs geen klinische definitie is van verveling, al kwamen de auteurs wel met een voorzet: ‘Het aversie opwekkende gevoel een bevredigende activiteit te willen ontplooien, maar daar niet toe in staat te zijn.’

    Die definitie zal ongetwijfeld nog worden bijgesteld naarmate er meer onderzoek wordt gedaan naar wat verveling precies is en wat de gevolgen ervan zijn. Maar de eerste onderzoeken wijzen uit dat verveling op ingrijpende en onverwachte wijze ons gedrag én ons probleemoplossend vermogen kan sturen.

    Wetenschappers die de waarde van verveling willen onderzoeken, zullen maar al te vaak deelnemers dwingen uitzonderlijk monotone handelingen te verrichten. Hoe zou u het vinden om een half uur lang nummers uit een telefoonboek voor te lezen of eindeloos naar een repeterende screensaver te kijken, of met één hand rode en groene bonen uit een grote bak op kleur te moeten sorteren? Dit zijn de taakjes die onderzoekers hadden bedacht voor hun proefpersonen in twee studies uit 2014 en een studie uit 2019.

    Deze onderzoeken leverden alle drie dezelfde uitkomst op: de mensen die het saaie taakje hadden moeten uitvoeren gaven in vergelijking met een controlegroep blijk van een grotere inventiviteit bij een volgende oefening, die meer creativiteit vergde. De telefoonboekmensen kwamen met interessantere antwoorden toen hen werd gevraagd nieuwe toepassingen te bedenken voor plastic bekertjes. De mensen die naar de screensaver hadden gekeken kwamen met originelere antwoorden bij een woordassociatiespelletje. En de bonensorteerders blonken uit in het verzinnen van smoesjes om te verklaren waarom ze te laat waren gekomen op een vergadering. De boodschap lijkt duidelijk: verveling doet ergens binnen in ons een mentaal vuur ontbranden.

    Deze tendens is diep geworteld, zo zeer zelfs dat hij niet lijkt niet te zijn voorbehouden aan de mens. Neem bijvoorbeeld de grijze roodstaartpapegaai, een vogel die er heel goed is om kleuren en aantallen te benoemen, maar die steeds wildere en bizarre antwoorden geeft als de puzzels te makkelijk worden, of als ze te veel op elkaar gaan lijken – met andere woorden, als hij zich gaat vervelen.

    Hoewel wetenschappers nog geen duidelijk evolutionair doel hebben gevonden voor verveling, lijken de voordelen onmiskenbaar: verveling zet ons ertoe aan nieuw terrein te verkennen en te zoeken naar een nieuwe aanpak wanneer er te veel sleur in ons werk of onze situatie sluipt. Dan gaan we onderzoeken, variëren, innoveren.

    De romanschrijver

    Het is makkelijker gezegd dan gedaan om je voordeel te doen met deze kennis. Maar onze weerzin tegen verveling zit diep: uit een onderzoek in Science uit 2014 bleek dat 67 procent van de mannen en 25 procent van de vrouwen zichzelf liever een pijnlijke elektrische schok toedienen dan een kwartier alleen in een ruimte te moeten doorbrengen zonder iets omhanden. Als we de keuze hebben, geven we de voorkeur aan een prikkel, zelfs als het pijn doet, boven een moment van stille overpeinzing.

    En tegenwoordig is er aan prikkels geen gebrek. Als het leven je bestookt met eindeloze berichtjes, meldingen en alerts, dan wordt verveling – van de intense, lusteloze soort – steeds onbereikbaarder.

    We hebben zelfs zo’n weerzin ontwikkeld tegen verveling dat we bijna moeten leren hoe we het weer kunnen toelaten in ons leven – en wat we daarbij te winnen hebben. Daarvoor kunnen we goed te rade gaan bij ’s werelds voornaamste experts op het gebied van lummelen, mensen die zich meer vervelen dan wie ook: romanschrijvers.

    Sinds 2013 heb ik meer dan 150 schrijvers geïnterviewd voor mijn column ‘By Heart’ in The Atlantic, een reeks gesprekken over artistieke invloeden en creatieve uitdagingen die de basis vormden voor mijn boek Light the Dark: Writers on Creativity, Inspiration, and the Artistic Process. Wat me tijdens die vele interviews duidelijk werd, is dat schrijvers heel bewust situaties opzoeken waarin ze zich langdurig en intens vervelen. Uit die verstilling – die velen van ons uit alle macht op afstand proberen te houden, al is het met een elektrische schok – komen ideeën voort. Zonder verstilling zouden velen van hen hun werk niet kunnen doen.

    Schrijvers zijn duursporters als het om verveling gaat, en de strategieën waarover ze mij in de loop der jaren hebben verteld zijn heel verschillend en zeer persoonlijk. David Mitchell heeft de Apple-homepage geïnstalleerd als startscherm, zodat hij bij het openen van zijn browser niet wordt afgeleid door allerlei interessants. Celeste Ng schrijft voornamelijk ’s nachts en ’s ochtends vroeg, als de stroom e-mails en andere vormen van afleiding enigszins is opgedroogd. Moshin Hamid heeft de gewoonte om tot de verbeelding sprekende wandelingen te maken – een kleine tien kilometer, elke dag opnieuw, puur om ruimte in zijn hoofd te creëren en zijn gedachten te laten dwalen. En Jonathan Franzen zorgt dat hij niet te veel tijd op internet doorbrengt zodat er tijd overblijft voor introspectie.

    ‘Ik moet zorgen dat ik echt bij mezelf kan blijven,’ zei hij tegen me. ‘Bij mijn kern, waar daar ontspruit mijn werk. Als ik daar te ver vandaan raak, word ik de zoveelste die van alles verkondigt en herhaalt wat er al is. ‘Als schrijver probeer ik aandacht te besteden aan dingen waar mensen zich niet van bewust zijn.’

    Om het anders te formuleren: Verveling gaat om het ontwikkelen van de kracht om in je eentje in de kamer te blijven zitten waar niets gebeurt, om verstilling te verkiezen boven een elektrische schok. Want dan gaat de geest vanzelf op zoek naar ongewonere, wildere mogelijkheden – en dat is het moment waarop we in staat zijn tot dingen waar we zelf nog wel eens van konden opkijken. 

    ‘Als je goed kijkt, is het een illusie dat het fenomeen verveling op zijn retour zou zijn’

    Geïnspireerd door deze schrijvers heb ik mijn eigen manieren ontwikkeld om in een dergelijke toestand te geraken. Voor The Paris Review heb ik een stuk geschreven over een routine die ben gaan koesteren: elke avond voor het slapengaan zet ik de router uit, zodat ik ’s ochtends niet wordt verleid door het felle, verveling-verdrijvende licht van mailtjes, Twitter en het nieuws.

    ’s Ochtends probeer ik altijd te schrijven, maar zelfs als ik uiteindelijk niet veel verder kom dan wat op mijn gitaar spelen of in een dichtbundel bladeren, levert het me een helderheid op die de hele dag bij me blijft. Ik probeer altijd prioriteit te geven aan die productieve verstilling en ik ga het steeds meer missen als ik er geen tijd voor uittrek om de tijd te doden.

    Maar verveling zal altijd weer de kop opsteken. Als je goed kijkt, is het een illusie dat het fenomeen verveling op zijn retour zou zijn. En zodra je verveling gaat zien als iets om te koesteren, zie je overal nieuwe mogelijkheden: doe die oortjes uit als je gaat rennen en luister naar je ademhaling. Laat in de trein je telefoon gewoon in je tas zitten en laat je blik over de gezichten van je medereizigers glijden. De geest heeft een zekere verstilling nodig om zich tegen te verzetten. Het kan je veel opleveren, als je het de kans geeft.

  • 2. Stilte voor de storm?

    2. Stilte voor de storm?

    Volgens de Spaanse krant El País lijkt het Frankrijk van Macron op het Frankrijk van voor mei ’68. Sluimert er een opstand?

    Alleen de allerbeste journalisten zijn in staat om in 996 woorden, 12 alinea’s en 6180 tekens de stemming van een land te verwoorden. Alleen de allerbesten beschikken over 
een uitzonderlijk observatievermogen, een sensor waarmee ze de diepe onderstromen peilen die 
kenmerkend zijn voor een bepaald moment uit de geschiedenis. En alleen de allerbesten, zoals alleen de grote literaire schrijvers dat kunnen, schrijven teksten die je op verschillende manieren kunt interpreteren en die, afhankelijk van de bril waarmee ze worden gelezen, één ding betekenen of precies het tegenovergestelde. Het artikel in kwestie was de meest trefzekere diagnose van het prerevolutionaire Frankrijk van 1968 of een van de grootste analytische missers in de geschiedenis van de journalistiek.

    Verveling

    ‘Wanneer Frankrijk zich verveelt…’ Dat is de titel van het artikel van Pierre Viansson-Ponté – een ervaren journalist van Le Monde – dat op 15 maart 1968 op de voorpagina van de Parijse ochtendeditie van de krant stond afgedrukt. Het was een klassiek Frans journalistiek stuk: informatief, maar niet 
overladen met saaie data, interpretatief maar 
niet opiniërend, helder en prachtig geschreven. Viansson-Ponté beschreef een Frankrijk dat was weggezonken in lethargie en verveling, zoiets als ‘het einde van de geschiedenis’ 25 jaar voordat dit dankzij Francis Fukuyama een populair begrip werd. Frankrijk was een welvarend land, zonder oorlogen, zonder politieke spanningen, zonder sociale 
conflicten. Het paradijs, of de hel.

    Zes weken nadat het artikel was gepubliceerd, barstte mei ’68 los. Eerst waren er de studentenprotesten, daarna volgden de arbeiders en uiteindelijk brak er een politieke crisis uit die de Vijfde Republiek tot aan de rand van de afgrond bracht. In het door Viansson-Ponté beschreven conformistische, melancholische en doodverveelde Frankrijk ontketende zich in een paar weken tijd een ongebreidelde opstand – het tegendeel van verveling – waarin de ambities en dromen van een deel van de westerse jeugd zich samenbalden, en die de kiem droeg van veel van de sociale veranderingen – van gelijke rechten voor mannen en vrouwen tot het individualisme en de 
ik-cultuur – die onze huidige wereld kenmerken.

    Een Parijse demonstrant ligt op de grond tijdens clashes met de politie in mei 1968. – © HH
    Een Parijse demonstrant ligt op de grond tijdens clashes met de politie in mei 1968. – © HH

    Het zou zomaar kunnen dat Frankrijk zich nu, vijftig jaar later, opnieuw verveelt. Net als in 1968 heeft het land een sterke regering, is er geen noemenswaardige oppositie en staat er een zelfverzekerde, bijna koninklijke president aan het roer. Pas tien maanden nadat Emmanuel Macron de verkiezingen won, valt er iets van sociale onvrede over zijn hervormingen te bespeuren. Maar de diepgaande problemen waarover de Fransen zich ernstig zorgen maakten – de sociale tegenstellingen, de etnische verdeeldheid, de jihadistengetto’s, een bijna chronisch pessimisme en een onherroepelijke achteruitgang – lijken verleden tijd. Sinds de zomer van 2016 is de terroristische dreiging nog steeds van kracht maar groeit de economie, daalt de werkloosheid en wordt de president bewonderd in de wereld.

    Verveelt Frankrijk zich? ‘Nee,’ zei Frédéric Dabi, mededirecteur van marktonderzoekbureau Ifop. ‘Frankrijk wacht…,’ vulde hij aan. Dát zou vandaag een betere titel zijn voor het artikel van Viansson-Ponté. Of nog beter: Frankrijk wacht af… Wat wacht Frankrijk af? Wat de hervormingen van Macron gaan 
brengen. Dat de economie verder groeit en dat de werkloosheid daalt. En dat de kloof tussen het kansrijke en kansarme Frankrijk, tussen de Franse steden en de periferie, gedicht zal worden.

    Publicist Alain Minc, tot voor kort pleitbezorger van de globalisering, analyseert het onbehagen in zijn nieuwste boek Une humble cavalcade dans le monde de demain (Een bescheiden ritje ter paard door de wereld van morgen). ‘Het is niet nieuw in de geschiedenis: het kapitalisme is een machine die efficiëntie en ongelijkheid produceert’, schrijft hij. En hij ziet in het Frankrijk van 2018 tekenen van een aanzwellende golf, een gefrustreerde generatie, het pré-mei ’68-klimaat.

    Een beeld van wat Frankrijk anno maart 2018 zou kunnen zijn, geeft het Insee (het Centraal Bureau voor de Statistiek en Economische Studies) 
in zijn jaarlijkse rapport: ‘Frankrijk, een sociaal portret’. Het rapport 
concentreert zich op wat ze de modale Fransman met een gemiddeld
inkomen noemen. 18,5 procent van de bevolking behoort tot die categorie, voor wie het salaris schommelt tussen de 1510 en 1850 euro netto per maand. Hun opleidingsniveau, hun baan – 
áls ze al werk hebben – en hun 
toekomstvisie liggen dichter bij die van de arme Fransman. Wat betreft de kans op werk, de toegang tot primaire levensbehoeften, de kans op een eigen woning en de zeldzaamheid van eenoudergezinnen staan ze dichter bij de rijke klassen.

    Culturele kloof

    In een recent verschenen rapport van de Stichting Jean-Jaurès legt onderzoeker Jérôme Fourquet nóg een kloof bloot: de culturele kloof die de economische ongelijkheid, die in Frankrijk minder groot is dan 
in andere westerse landen, overstijgt. Het rapport ‘1985-2017: Wanneer de bevoorrechte klasse zich afscheidt’ beschrijft een ‘onzichtbaar proces’ dat bij de elite tot een vorm van separatisme heeft geleid.

    De elite woont in dezelfde wijken en steden, en wordt op dezelfde scholen opgeleid. Men gaat met elkaar om, trouwt met elkaar en krijgt kinderen met elkaar. Terwijl vroeger kruisbestuiving tussen de verschillende Frankrijken plaatsvond tijdens de dienstplicht en in de vakantiekampen, bestaat dit niet langer 
(het eerste geval) of is het nauwelijks meer in trek (het tweede geval).

    Als je het huidige Frankrijk op zijn Viansson-Pontés beschouwt, zou je het moeten hebben over een etnische breuklijn en de jihadisten in de getto’s, maar die diagnose zou onvolledig zijn als je voorbijgaat aan de angst van de modale Fransman voor een onzeker bestaan en het risico daarop dat hij loopt, zoals in het Insee-rapport staat. Of aan de sociale klassen die niet meer met elkaar in aanraking komen, zoals Fourquet beschrijft. Door die sociale segregatie is het ongenoegen met de politiek, dat zich niet alleen in Frankrijk manifesteert, beter te begrijpen.

    ‘Het enige waarover ze zich druk maken is of de meisjes op de campussen van Nanterre en Antony op de kamers van de jongens mogen komen’

    ‘Verveling is wat ons openbare leven kenmerkt. 
De Fransen vervelen zich’, begon Viansson-Ponté op 15 maart 1968 zijn artikel ‘Wanneer Frankrijk zich verveelt…’ Frankrijk, betoogde hij, had zich afgekeerd van de problemen in Vietnam, Latijns-Amerika en Azië die de wereld op hun grondvesten deed trillen. Frankrijk leefde onder een vreedzame stolp van onwetendheid. ‘Het zijn hun problemen, niet de onze…’ Het Frankrijk van toen had een stabiele 
regering en de arbeiders, suf van het televisiekijken, gehoorzaamden de wet en de autoriteiten, net als de studenten. Bij de jeugd was de verveling voelbaar. ‘In Spanje, Italië, België, Algerije, Japan, Amerika, Egypte, Duitsland en Polen’, zo schreef de journalist van Le Monde, ‘protesteren de studenten, roeren ze zich. Maar in Frankrijk: vergeet het maar. Het enige waarover ze zich druk maken is of de meisjes op de campussen van Nanterre en Antony op de kamers van de jongens mogen komen.’ ‘Het probleem,’ zo concludeerde hij, was ‘dat je niks opbouwt zonder bevlogenheid.’ En zijn laatste zin was: ‘Uiteindelijk, en dat is gebleken, kun je ook doodgaan van verveling.’

    Het knappe van het artikel was dat de schrijver, zonder dat hij het wist, zijn vinger had gelegd op de symptomen van de opstand die op het punt stond uit te breken. De diagnose van de wereld van vandaag moet nog geschreven worden.

    Auteur: Marc Bassets
    Vertaler: Henriëtte Arons

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 238.560

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant 
met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • ‘Ik probeer gewoon de verveling te bestrijden’

    ‘Ik probeer gewoon de verveling te bestrijden’

    Andre Geim is de uitvinder van het grafeen, het dunste materiaal op aarde dat zo sterk is dat je er een neerstortend vliegtuig mee kunt opvangen. Een gesprek met de Nederlands-Britse Nobelprijswinnaar over de toepassingen van zijn vinding, de schoonheid van zuivere wetenschap, de toekomst van de universiteit en zwevende kikkers.

    Andre Geim is de vader van grafeen, het grafietlaagje van één atoom dik dat onze toekomst gaat veranderen. Het is het dunste materiaal op aarde en toch tweehonderd keer sterker dan staal: zo sterk dat je er in theorie een neerstortend vliegtuig mee kunt opvangen.

    Realistischer toepassingen zijn ultrabuigzame smartphones en zonnepanelen die energie uit regendruppels halen. Geim en zijn onderzoekspartner Konstantin Novoselov ontdekten grafeen in 2004 in hun vrije tijd bij een van hun ‘vrijdagavondexperimenten’. Een ontdekking die zes jaar later werd bekroond met de Nobelprijs.

    Maar dit ‘supermateriaal’ is maar één facet van Geims fascinerende wetenschappelijke loopbaan. Hij is in de Sovjet-Unie geboren en zijn ouders zijn Duits, zodat hij ooit een plaats aan een vooraanstaande universiteit misliep vanwege twijfels over zijn etnische afkomst. Toen hij dankzij de glasnost uiteindelijk in Europa kon studeren, was dat het begin van een unieke wetenschappelijke carrière. Wat Geim bovenal kenmerkt, is zijn passie voor zijn werk. Over de commerciële exploitatie van dit materiaal dat hem zo aan het hart gaat, is hij terughoudend, bijna bedeesd. De wereld is de revolutionaire gevolgen van zijn ontdekking nog aan het aftasten, Andre Geim wacht ondertussen nog altijd op revolutie.

    ‘Historisch heeft het altijd dertig tot veertig en soms wel honderd jaar geduurd voordat mensen geschikte toepassingen voor nieuwe materialen vonden’

    Wilt u om te beginnen misschien eens uitleggen wat grafeen zo uniek maakt?

    ‘Grafeen is een soort kippengaas van koolstofatomen, van één atoom dik. Er zijn waarschijnlijk nog honderd vergelijkbare materialen, maar grafeen blijft het bijzonderst. De ontdekking van grafeen heeft een heel nieuw type materialen binnen bereik gebracht. Een nieuw materiaal ontdekken is leuk en kan ook belangrijk zijn, maar een heel nieuwe materiaalsóórt ontdekken… dat heeft zich in de geschiedenis van de mensheid maar heel zelden voorgedaan.

    We weten nog niet wat we allemaal met dit materiaal kunnen doen. De hoop is dat het net zo belangrijk zal blijken te zijn als brons en ijzer ooit waren. Ik ben van nature vrij pessimistisch als het om beloftes gaat, maar binnen de groep mensen die verstand hebben van dit materiaal, heerst inmiddels de opvatting dat het minstens zo belangrijk is als de komst van plastic of aluminium.

    Als mensen me vragen wat ik ervan verwacht – want ik weet dat je dat wilt vragen – dan kom ik altijd met het volgende verhaal. Ik zat eens met een gezelschap in een bootje om dolfijnen te spotten. Vroeger als kind zwom ik in de Zwarte Zee ook in water waar dolfijnen zaten, ik ken die dieren dus vrij goed. Maar ditmaal gebeurde er iets bijzonders: deze dolfijnen wilden met ons spelen. Ze kwamen vlak naast de boot zwemmen, we konden ze strelen. Het waren wilde dolfijnen, ik had nog nooit gehoord dat die zoiets doen. Dus je kunt je voorstellen dat dit een heel bijzonder, romantisch moment was. Zulk direct contact met wilde dieren. De enige andere keer dat ik zoiets heb meegemaakt, was met een orang-oetan op Borneo. Maar die begon me met takken te bekogelen, dus dat was minder leuk. Met de dolfijnen was het echt magisch. Iedereen viel stil en leunde over de reling om de dieren aan te raken. En na een tijdje hoorde ik een klein jongetje roepen: “Mama, kunnen we ze ook opeten?”

    De situatie met grafeen kun je hiermee vergelijken. We zitten nog maar in de eerste fase, we rommelen nog wat aan met het materiaal en genieten van de wondere schoonheid van deze nieuwe tak van wetenschap. En toch wordt er al geroepen: “Ja, laat die romantiek maar zitten. Wat kúnnen we ermee?”’

    U bent dus meer geïnteresseerd in de schoonheid van zuivere wetenschap dan in praktische toepassingen?

    ‘Dat klopt voor 50 procent. Het is mijn werk om nieuwe dingen te vinden voordat een ander het doet. Dat is het Sherlock Holmes-spelletje waarop ik getraind ben: op basis van een miniem aantal aanwijzingen een compleet beeld zien te krijgen. De winnaar van dat Sherlock Holmes-spelletje is degene die met het kleinste aantal aanwijzingen het totaalplaatje compleet krijgt. En er zijn natuurlijk heel veel mensen die aan dit spelletje meedoen. Ik ben er vrij goed in, dus ik geniet er ook van.

    Anderzijds ben ik wat grafeen betreft zeker niet onverschillig voor de vraag wat je allemaal met dit materiaal kunt doen. Er is een hele lijst superlatieven: het dunste, sterkste, elektrisch en thermisch best geleidende, buigzaamste, flexibelste, enzovoort. Als je dat weet, ga je vanzelf ook denken aan hoe je dat kunt toepassen en hoe het ons leven kan verbeteren.

    Maar ik vind het frustrerend dat die ontwikkeling zo traag gaat, vooral bij grote bedrijven die geen sjoege hebben van innovatie. Binnen ons sociaaleconomisch bestel zijn die bedrijven gedwongen hun afdelingen voor onderzoek en ontwikkeling op te doeken. Ze zijn tegenwoordig alleen maar bezig met de volgende kwartaalcijfers, ze hebben niet eens de visie om een paar jaar vooruit te kijken. Daardoor zijn ze volstrekt niet in staat om aan innovatie te doen.

    Ik probeer ook mee te helpen aan commerciële toepassingen van grafeen. Dat doe ik met flinke tegenzin, maar ik beschouw het een beetje als mijn sociale plicht om me niet zo volstrekt antisociaal op te stellen als men me doorgaans vindt. Promovendi van me hebben al vijf of zes bedrijven opgericht, dat stimuleer ik zo veel mogelijk. Soms moet ik ze zelfs voor het blok zetten. Het is bekend dat ik tegen een van mijn promovendi heb gezegd: Je kunt kiezen. Of je vliegt de laan uit, of je begint je eigen bedrijf, met alle hulp en faciliteiten die ik voor je kan regelen.’

    Grafeen. – © Adrian Wyld / HH
    Grafeen. – © Adrian Wyld / HH

    Er wordt over allerlei spannende toepassingen gespeculeerd. Ik heb al over van alles gelezen, van methoden voor waterzuivering tot diverse soorten wearables, zoals een pleistervormige glucosemeter voor diabetici. Kunt u iets over die producten vertellen?

    ‘Iedere twee weken hoor je wel weer een of ander spectaculair verhaal over mogelijke toepassingen van grafeen. Contactlenzen met ingebouwde elektronica, waterzuivering, superkrachtige nachtkijkers, enzovoort enzovoort. Ik zeg niet dat het allemaal onzin is, maar die toepassingen liggen momenteel nog niet echt binnen ons bereik. Om te beginnen moet je vaak concurreren met bestaande technologieën. Zulke ideeën monden zelden uit in commerciële producten, maar krijgen wel veel aandacht. Of de media nu met goed of met slecht nieuws komen, het moet altijd iets bijzonders zijn. En wetenschappers zijn helaas ook niet immuun voor die neiging om hun claims te overdrijven.

    Langzaam maar zeker vindt grafeen zijn weg in bestaande producten. Het wordt momenteel gebruikt in tennisrackets en fietsen, waarschijnlijk meer als gimmick. Al weet ik wel dat rubberbanden door de toevoeging van grafeen veel langer meegaan. En zo heb je nog andere, heel saaie toepassingen, bijvoorbeeld in mobiele telefoons en batterijen.

    Historisch heeft het altijd dertig tot veertig en soms wel honderd jaar geduurd voordat mensen geschikte toepassingen voor nieuwe materialen vonden. Het duurde veertig jaar voordat we echt iets met aluminium konden. Ineens had je dit nieuwe materiaal dat heel licht en heel sterk was, maar wat moest je ermee? Tot zich een ideale toepassing aandiende, vooral in de luchtvaart. Met grafeen wachten we nog steeds op zo’n ideale toepassing.’

    U hebt grafeen ontdekt toen u er buiten uw reguliere werktijd wat informele experimenten mee deed. Waarom is die experimentele, speelse benadering zo belangrijk voor u?

    ‘Ik probeer gewoon de verveling te bestrijden. De geijkte manier om wetenschap te bedrijven is als een spoorweg in een groot land. Dan denk ik aan een reis die ik in Peru heb gemaakt, waarbij je over een heel lang traject urenlang in een rechte lijn rijdt. De wetenschap lijkt daar een beetje op: je promotor zet jou als promovendus op de rails, en na je promotie rij je vanzelf naar de volgende fase. Als je slim genoeg bent en hard genoeg werkt, krijg je een aanstelling. Zo blijf je netjes op het wetenschappelijke spoor, van de wieg tot het graf. Dat vind ik saai, en ik vind niet dat het salaris van wetenschappers hoog genoeg is om die saaiheid eindeloos te verdragen.

    Dus probeer ik dingetjes uit te vinden en spelletjes te spelen. Ik begin vaak met iets wat een deskundige op dat gebied misschien triviaal vindt. Ik begin met een simpele vraag, en bij het zoeken naar een antwoord op die vraag stuit je soms op dingen zoals gekkotape, magnetisch zweven of grafeen.

    Ik stel mezelf bijvoorbeeld de vraag: wat gebeurt er als ik water in een magneet giet? Veranderen de eigenschappen van water dan, omdat het magnetisch veld sterker dan normaal is? Of: wat als we met technologie het effect van gekkopootjes proberen na te bootsen? Wat zouden de eigenschappen van een superdunne flintergrafiet zijn? Allemaal heel verschillende vragen, maar ze hebben gemeen dat ze strikt genomen allemaal buiten mijn vakgebied liggen. Elke leek zou zich die vragen kunnen stellen. Het is dus belangrijk dat je ook dingen doet die buiten je eigen vakgebied liggen.’

    ‘Ik ben verslaafd aan ervaringen, en de Nobelprijs biedt je een schat aan geweldige nieuwe ervaringen’

    Omdat u er toch over begint: ik moet u vragen naar die zwevende kikker, waarvoor u de Ig Nobelprijs hebt gekregen [een parodie op de Nobelprijs die uitvindingen bekroont die de lachlust opwekken, maar ook aan het denken zetten]. Ik hoop dat het onderwerp van magnetisch zweven u nog niet de keel uithangt.

    ‘Helemaal niet, ik ben er heel trots op. Ik vond het een heel leuk experiment en ik vind de Ig Nobel een heel leuke prijs. Een Nobelprijs neemt iedereen dankbaar in ontvangst, maar het vergt lef om de Ig Nobelprijs te aanvaarden. Veel van mijn collega’s kunnen hard lachen om grappen over iemand anders, maar zodra ze zelf het mikpunt van spot zijn, verdwijnt hun gevoel voor humor als sneeuw voor de zon.

    Als ik college geef, hang ik altijd een foto van die zwevende kikker op. Soms kijken studenten dan even op van hun mobieltje om te vragen wat dat is. Dus het heeft veel effect.

    Die kikker heeft het beeld van magnetisme veranderd. Diamagnetisme is een heel zwak verschijnsel waar jij en ik en alles in deze ruimte aan onderhevig zijn, afgezien van een paar dingen die gewoon magnetisch zijn. We zien het niet, maar het diamagnetisme is er wel. En dat je er een levend wezen mee kunt laten zweven, toont toch aan dat het ook weer niet zo’n zwak fenomeen is als we geneigd zijn te denken.’


    Het winnen van de Nobelprijs moet een van de grootste keerpunten in uw leven zijn geweest. Wat heeft het voor u veranderd?

    ‘Mijn leven is er niet echt door veranderd, ik doe nog steeds zo’n beetje hetzelfde. Ik werk nog evenveel als voorheen, alleen voel ik nu wat minder druk. Ik kan iedereen aanraden om een Nobelprijs te winnen, serieus, want het levert serieuze voordelen op. Dan denk ik niet aan het geld, want dat is allemaal in mijn hypotheek gaan zitten, maar de Nobelprijsceremonie is een unieke gebeurtenis. Daar hangt een sfeer die je zelfs op de Olympische Spelen niet vindt. En verder opent het veel deuren. Ik ben verslaafd aan ervaringen, en de Nobelprijs biedt je een schat aan geweldige nieuwe ervaringen, allerlei interessante en rare nieuwe mensen die je leert kennen.’

    U hebt gezegd dat universiteiten moeten ophouden ‘studenten met een ambtenarenmentaliteit’ te kweken, dat ze studenten moeten leren risico’s te nemen. Waarom vindt u dat?

    ‘Dat is gewoon een feit. Hoe kunnen we in hemelsnaam ooit de kloof tussen wetenschap en bedrijfsleven dichten als de slimste en beste mensen alleen willen werken voor grote bedrijven die niks aan innovatie doen? In Amerika is de mentaliteit heel anders. Er is een heel simpele reden waarom de VS sterk is in technologisch ondernemerschap: daar studeert elk jaar een grote groep jonge mensen af die ondernemer willen worden. Die willen geen ambtenaar zijn, die willen rijk worden.

    In kranten wordt het verschil tussen de mentaliteit in de VS en hier dagelijks geïllustreerd. De meest gehoorde klacht in Amerika is dat de overheid zich te veel met de burgers bemoeit, terwijl in Groot-Brittannië en andere Europese landen de meest gehoorde klacht juist is dat de overheid niet goed voor de mensen zorgt en allerlei dingen niet goed heeft geregeld. Ik vind dat frustrerend.

    Nu hebben we het niet over wetenschap maar over politiek. De VS is het enige land dat ik ken (want ook China volgt in Europa’s voetsporen) waar mensen nog steeds zelfstandig willen zijn, niet afhankelijk willen zijn van een “Grote Broer” die ze uit de penarie helpt en ook alle beslissingen voor ze neemt.’

    ‘Van oudsher hadden universiteiten één taak: kennis en onderwijs leveren. Nu worden ze gedwongen om iets te doen waarvoor ze nooit zijn opgericht: commercialiseren en innoveren’

    Een ratelslang is wel een goed excuus.

    ‘Dat is waar, dus toen heb ik ook gebeld. Ik ben opgehaald met een helikopter. Ik bleek ook nog onderkoeld te zijn, omdat ik te lang in koud water had gelegen.’

    Andre Geim – met kikkermok – in zijn lab in Manchester. 
– © Alex Macnaughton / HH
    Andre Geim – met kikkermok – in zijn lab in Manchester. 
– © Alex Macnaughton / HH

    Bent u in alle opzichten blij met het nieuwe National Graphene Institute (NGI) hier in Manchester? Ik geloof dat de bouw 61 miljoen pond heeft gekost, en ik weet dat u in het verleden kritiek heeft gehad op het feit dat er meer geld wordt gestopt in bakstenen dan in onderzoek.

    ‘Dat heb ik inderdaad ooit gezegd en die kritiek blijft overeind. Soms is het nodig om geld in bakstenen te stoppen, maar noem dat dan geen onderzoeksgeld. Ik houd me verre van alle bestuurlijke taken. Ik heb alle bemoeienis met het NGI tot nu toe weten te vermijden en als ik me weleens met grafeenbedrijven bemoei, is dat eerder informeel dan doordat ik binnen zo’n bedrijf een officiële functie krijg.

    Natuurlijk ben ik niet tevreden. Maar ik kijk heel anders naar de wereld dan veel mensen doen. Ik probeer te begrijpen waar het met de mensheid naartoe gaat en hoe vooruitgang werkt. Wat ik bij het NGI zie gebeuren, is voor mij zo’n voorbeeld van ons sociaaleconomisch systeem dat zijn evenwicht probeert te hervinden.

    We hebben een probleem met de relatie tussen onderzoek en bedrijfsleven: de beruchte “vallei des doods” voor innovatie. Tata Steel heeft zijn Britse tak net opgedoekt, AstraZeneca probeert zo veel mogelijk mensen te ontslaan. Overheden staan machteloos en alles wordt afgewenteld op de universiteiten. Van oudsher hadden die altijd maar één taak: kennis en onderwijs leveren. Nu worden ze gedwongen om iets te doen waarvoor ze nooit zijn opgericht: commercialiseren en innoveren. Dat leidt tot fouten bij alle partijen, zowel de universiteiten als de overheid, omdat we ons in nieuw vaarwater bevinden.

    Sommige fouten zijn al heel duidelijk zichtbaar, althans voor mensen als ik. Als je universiteiten stimuleert om te commercialiseren, moet je ze niet alleen geld geven voor nieuwe gebouwen, maar ook voor het jarenlang onderhoud van die gebouwen. Dat is hier niet gebeurd. En je moet heldere spelregels formuleren. Hoe ver mag je als openbare instelling gaan met commercialiseren? We worden gefinancierd door de Britse belastingbetaler, mogen we dan wel grafeen uit andere landen inkopen? Al die spelregels zijn nog niet vastgelegd. Maar we doen ons best.’

    U zei daarnet dat u nadenkt over de vooruitgang van de mensheid. Denkt u dat de wetenschap erin zal slagen ons een gelukkige en duurzame toekomst te schenken?

    ‘Misschien dat ik daar ooit nog eens een boek over schrijf. In mijn kijk op het universum is de mensheid maar een heel klein deeltje van het grote geheel. Het universum bestaat al dertien miljard jaar en de menselijke beschaving hooguit zo’n tienduizend. Tot die tijd verschilde de mens niet veel van andere dieren, dus we hebben een heel snelle evolutie meegemaakt.

    De evolutie maakt voor mij deel uit van het zelfregulerende proces van het universum dat steeds complexer en hechter verbonden raakt. De mensheid is in wezen continu bezig op te gaan in een groot, complex systeem: noem het Gaia, of de aarde zelf, of wat je maar wil. Daarin is de mens maar een klein onderdeeltje. Ik beschouw oorlogen en de hele geschiedenis altijd als deel van een continu proces van een steeds complexer universum.

    De situatie wordt wel steeds beter. Daarvan ben ik overtuigd. Mensen die zeggen dat robots de macht zullen grijpen of zoiets, dat vind ik zulke flauwekul. Het systeem heeft er helemaal geen baat bij om de mens door robots te vervangen.

    We zullen zien hoe het gaat. Maar het zou me nog twee uur kosten om jou te overtuigen van de logica van deze theorie van het universum als zichzelf organiserend systeem. Dan moeten we beginnen bij de big bang en eindigen met hoe het er over duizend jaar of nog verder in de toekomst uitziet.’

    Wie is Andre Geim?

    Sir Andrej Konstantin Geim (Sotsji, 1958) is een natuurkundige van Russisch-Duitse afkomst met de Nederlandse nationaliteit, werkzaam in het Verenigd Koninkrijk. Hij studeerde in Moskou en werd in 1994 aan de Radboud Universiteit benoemd tot universitair hoofddocent. Hij kreeg daar (en in Eindhoven) een hoogleraarschap aangeboden, maar dat wimpelde hij af. Het klimaat in het Nederlands wetenschappelijk onderwijs beviel hem niet. ‘Veel te hiërarchisch en vol kleingeestige politieke spelletjes.’ Het sociale klimaat in Nederland buiten de universiteit daarentegen beviel hem opperbest. Hij heeft in Nijmegen nog altijd veel vrienden, en koestert warme herinneringen aan zijn directe baas, de hoogleraar Jan Kees Maan.

    In 2001 werd Geim hoogleraar aan de University of Manchester, waar ook zijn vrouw Irina Grigorijeva doceert. In 2010 kreeg hij de Nobelprijs natuurkunde voor zijn werk aan het grafeen, samen met de man die bij hem in Nijmegen was gepromoveerd, zijn Russische landgenoot (inmiddels Brit) Konstantin Novoselov.

    Al eerder, in 2000, was Geim onderscheiden met de Ig Nobelprijs, een pretprijs voor bizar wetenschappelijk onderzoek. Geim had onder invloed van magnetische velden een kikker laten dansen. Hij schreef daarover een artikel in het wetenschappelijk tijdschrift ScienceDirect. Zijn coauteur was ene H.A.M.S. ter Tisha. Kort na publicatie bleek dat Geim daarmee zijn hamster Tisha bedoelde.

    Vertaler: Frank Lekens

    52 Insights
    52-insights.com

    De website 52 Insights werd in 2015 opgericht, en wil mensen informeren over de ingrijpende veranderingen die plaatsvinden in de wereld. Dit doet men door het wekelijks publiceren van interviews met schrijvers, onderzoekers, creatieven, uitvinders en anderen die ons leven veranderen.