Tag: vete

  • Van escargots tot Big Mac

    Van escargots tot Big Mac

    Jarenlang vervulde de Franse keuken een modelfunctie. De haute cuisine is zelfs uitgeroepen tot immaterieel cultureel erfgoed. Nu wordt voorspeld dat in 2030 bijna de helft van de Franse bevolking obees zal zijn. En dat komt niet door de beroemde botersauzen.

    ‘Zeg me wat je eet, en ik zeg je wie je bent.’ Zo verwoordde de eerste foodie, de gastronoom Jean Anthelme Brillat-Savarin, het in 1825. En hij had als geen ander 
verstand van groene puy-linzen en kaviaar, 
langoustines à la nage, poulette du perche en poitrine de grive.Jaren en jaren heeft de Franse keuken – en dan niet alleen in restaurants – een modelfunctie vervuld: veel basisingrediënten (eieren, boter, brood, aardappelen), weinig bewerkt voedsel of fastfood, veel vis, fruit, plantaardige oliën en (vanzelfsprekend) volle zuivelproducten, gestructureerde, gezellige maaltijden met de hele familie. Franse vrouwen worden tenslotte niet dik.

    Hoe kan het dan dat er onlangs een onderzoek 
is verschenen waarin wordt geopperd dat dertig miljoen Fransen – bijna de helft van de bevolking – in 2030 obees zou kunnen zijn? En hoe kan het dan dat er, tijdens de lunch op een 
zonnige dag aan het begin van de herfst, een lange rij staat voor de McDonald’s op de Boulevard des Italiens in het centrum van Parijs? Met 1440 vestigingen is Frankrijk het op een na grootste afzetgebied van de fastfoodketen.

    ‘Ik begrijp niet hoe je dat kunt vragen’, zegt 
Stéphane Loiseau, een 29-jarige accountmanager die zijn bestelling – een ‘CBO’ (chicken, bacon, onion) met frites – intikt op het touchscreen. ‘Het is zo’n cliché. Het is goedkoop, het gaat snel, ze gebruiken best goede ingrediënten. Waarom zouden Fransen anders zijn dan de rest van de wereld?’

    Kruistocht tegen junkfood

    Nathalie Girardot, verkoopster in een nabijgelegen juwelierszaak, schiet ook meteen in de 
verdediging. ‘Wist je dat ze alleen maar Franse ingrediënten gebruiken?’ zegt ze, terwijl ze naar haar dienblad wijst. ‘Kijk maar: Charolais-rundvlees, Fourme d’Ambert-kaas eroverheen. En een echte vinaigrette. Frankrijk is dol op McDonald’s. Dat is nooit anders geweest.’

    Dat is niet helemaal waar. Volgend jaar is het twintig jaar geleden dat een pijprokende schapenboer met een snor, José Bové, veel aandacht trok met het ontmantelen van een in aanbouw zijnde McDonald’s in Millau, in het zuiden van Frankrijk. Hij deed dat samen met een aantal andere kleine boeren en ex-hippies, en zette 
zo een landelijke kruistocht in gang tegen la 
malbouffe – junkfood.

    Maar inmiddels is Frankrijk dol op burgers: uit onderzoek dat eerder dit jaar is gepubliceerd door consultancybureau Gira Conseil, blijkt dat de 66 miljoen inwoners van het land in 2017 samen 1,46 miljoen burgers aten – bijna 10 
procent meer dan het jaar ervoor. Wat misschien nog wel opmerkelijker is, is dat inmiddels in 85 procent van de Franse restaurants burgers op het menu staan. Niet dat je die altijd ‘malbouffe’ zou noemen. Bij L’Artisan du Burger in de Rue 
du Faubourg Poissonnière staan burgers op het menu met rucola, citroenrasp, reblochon, compote van rode ui en gerooktespecerijensaus, voor 12 euro (of meer, als je hem op een broodje met inktvisinkt wil, of met een topping van zwartekomijnzaad).

    © Pexels
    © Pexels

    Bernard Boutboul, de algemeen directeur van 
Gira Conseil, beschrijft de onstuitbare opkomst van de burger in Frankrijk als ‘een euforie, een gekte’, die inmiddels de vorm dreigt aan te nemen van ‘hysterie’, waardoor in veel restaurant de klassiekers van 
de Franse bistro, zoals eendenborst en boeuf bourguignon, van hun plek worden verdrongen door modieuze burgers.

    Toch kan de overgrote meerderheid – 70 procent – van de burgers die in Frankrijk worden geconsumeerd, bepaald niet worden geschaard onder de term ‘fastfood’. Ze worden genuttigd aan een tafeltje, vaak met een glas wijn, in een ‘echt’ restaurant. Wat nog niet wil zeggen dat het thuisland van de haute cuisine niet zou zijn gezwicht voor fastfood: dat is namelijk wel het geval. De Franse eetgewoonten 
zijn aan het veranderen.

    Door de toenemende tijdsdruk (geen lunchpauzes meer van twee uur; volgens een onderzoek neemt de gemiddelde Franse werknemer nu 31 minuten pauze) en de opkomst van thuisbezorgdiensten als Deliveroo en Uber Eats maakt de fastfoodsector in Frankrijk een exponentiële groei door. Afgelopen jaar hebben de 32.000 fastfoodrestaurants een omzet gedraaid van zo’n 51 miljard euro – 6 procent meer dan in 2016, 13 procent meer dan vier jaar geleden en bijna drie keer zoveel als in 2005. En bovenal maakt de fastfoodsector inmiddels 60 procent uit van het Franse restaurantwezen.

    66 miljoen inwoners aten in 2017 samen 1,46 miljoen burgers

    Fastfood ‘wil nog niet meteen zeggen dat je ook slecht eet’, zegt Josiane Bouvier, een aardrijkskundelerares die we aanspreken bij de uitgang van Nous, een organisch afhaalrestaurant aan de Rue de Châteaudun. In haar handen heeft 
ze een weinig Frans klinkende ‘hotbox’ van gegrilde kip, mint-yoghurtsaus, seizoenssalade en bruine rijst. ‘Ik denk dat veel Fransen, ook de Fransen die naar een fastfoodketen gaan, zich heel erg bewust zijn van de kwaliteit van de ingrediënten, en van de vraag of het eten echt
    ter plekke wordt bereid’, zegt ze. ‘Maar goed, dan moet je het je wel kunnen veroorloven om 9, 10 of 11 euro neer te tellen voor je lunch.’

    En dat is de crux: in Frankrijk is kwalitatief goed eten niet langer goedkoop – noch in restaurants, noch thuis. De voedselproducenten en de distributiebedrijven zijn groot en machtig. De Franse eetgewoonten zijn niet langer een voorbeeld, aldus het voedselagentschap Anses: er komt steeds meer bewerkt voedsel aan te pas, er zit 
te veel zout in en te weinig vezels. Frankrijk mag dan nog zo’n bijzondere band hebben met eten, het land is bepaald niet 
ongevoelig voor la malbouffe. In het parlement is onlangs de zorg uitgesproken dat mogelijk dertig miljoen Fransen, vooral in de lagere inkomensgroepen, in 2030 obees of te dik zullen zijn, tenzij de grote voedselproducenten de gehaltes aan zout, suiker, vetten en andere additieven terugbrengen, en kinderen leren hoe ze gezonder moeten eten.

    ‘Franse gezinnen besteden minder geld en 
minder tijd aan eten dan ooit tevoren’, aldus het Kamerlid Loïc Prud’homme. ‘We moeten weer baas worden over eigen bord.’ Een ander Kamerlid, Michèle Crouzet, dat campagne heeft gevoerd voor minder zout in het eten, neemt al helemaal geen blad voor de mond. ‘Het is niet 
zo dat Fransen doodgaan aan een overdaad aan eten’, zegt ze, ‘maar het eten dat we nuttigen, zal ons beetje bij beetje fataal worden.’

    Auteur: John Henley

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Skateboarden 
in Oeganda: 
vallen en opstaan

    Skateboarden 
in Oeganda: 
vallen en opstaan

    In Oeganda, waar twee derde van de bevolking onder de 24 jaar is, leek het skateboarden een vliegende start te maken. Maar een hardnekkige vete houdt de ontluikende scene in haar greep.

    Het oudste skatepark in Oost-Afrika ligt in een voormalig suikerrietveld in een stoffige uithoek van een sjofele wijk in Kampala, de hoofdstad van Oeganda. Onder aan een heuvel, over zandweggetjes vol geulen en langs de vrouwen die fruit verkopen en kleren wassen, kom je bij een kleine, open plek waar een quarterpipe en betonnen ramps uit het zand steken.

    Op een dinsdag is er een tiental mensen, van kleuters tot middelbare ouderen, aan het skateboarden of ze zitten vanaf de kant toe te kijken. Rookwolken van een hoop brandend vuil deinen over het park, terwijl de skaters grinds en flip tricks oefenen en Kendrick Lamar en The Notorious B.I.G. op de achtergrond spelen.

    Het park is in 2005 gebouwd door Jackson Mubiru, een 34-jarige man met glanzende ogen die bekendstaat als de Godfather van het Oost-Afrikaanse skaten. Hij is opgegroeid in deze buurt, die Kitintale heet, woont nu dichtbij en houdt toezicht op het park. Na de opening zijn er overal in Tanzanië, Kenia en Rwanda van dit soort parken verrezen.

    “Hier is het skateboarden in Oost-Afrika ontstaan,” zegt Mubiru trots

    ‘Hier is het skateboarden in Oost-Afrika ontstaan,’ zegt Mubiru trots, terwijl hij cement staat te mengen om de smalle strook beton te verbreden. Over tien jaar, voorspelt hij, ‘heeft Oeganda zo’n twintig of dertig skateparken. Dan zijn ze overal te vinden.’

    Maar ondanks Mubiru’s rol in de opkomst van het skaten heeft het tien jaar geduurd voor er in zijn eigen land een tweede park werd gebouwd. Dat park, dat pas een paar maanden geleden is voltooid, ligt in de stad Mukono, op een uurtje rijden met de minibus.

    Mubiru is nog nooit in het nieuwe park geweest en is ook niet van plan er binnenkort naartoe te gaan. De twee broers die het gebouwd hebben – David Kizza, vijfentwintig, en Gerald Gose, drieëntwintig – behoorden bij de eerste skaters in Oeganda en waren jarenlang Mubiru’s protegés. Maar ze hebben ruzie gekregen en beschouwen hun vroegere mentor nu als een vijand.

    Skatepark in Oeganda. – © Uganda Skateboard Union
    Skatepark in Oeganda. – © Uganda Skateboard Union

    Tussen de twee parken is een wedijver ontstaan die zijn stempel heeft gedrukt op de beginnende Oegandese skateboardinggemeenschap. Beide kanten beschuldigen de andere ervan dat ze internationale donoren manipuleren en achter de rug van de tegenpartij om gaan om er zelf van te profiteren. De jongere skaters zeggen dat Mubiru de baas wil zijn in de skatescene, terwijl hij juist zegt dat zij zijn vertrouwen hebben beschaamd en geprobeerd hebben de weinige beschikbare middelen in te pikken. ‘Jack is nu onze vijand,’ zegt Kizza, die zegt dat hij al jaren niet meer in het oorspronkelijke skatepark is geweest.

    Mubiru zag tien jaar geleden voor het eerst skateboarders op tv. Daarna kreeg hij een paar bezoekende skaters uit Canada en Zuid-Afrika zo ver dat ze hem onder hun vleugels namen. Hij hield toezicht op de bouw van het eerste park in Kitintale en werkte samen met skate-aid – een Duitse ngo die op vier continenten aan skateboardingprojecten werkt – om het te renoveren toen de goedkope constructie door de elementen was verwoest. ‘Tegen de tijd dat we echt begonnen, wist niemand meer wat we gingen bouwen,’ vertelt Mubiru. Hij grapte altijd dat het een krokodillenkooi was en moet nog steeds lachen als hij zich de reacties herinnert.

    Kizza, een stevige man met een achtergrond in de bouw, hielp met de constructie van het originele park. ’s Avonds, na het werk, leerde hij daar skaten. ‘Er lagen veel dure materialen, dus we sliepen buiten om die te beschermen,’ vertelt hij. ‘Dan konden we skaten in het maanlicht.’ Gose, die een diepere stem heeft en peziger is dan zijn oudere broer, voegde zich al snel bij hem. Samen behoorden ze uiteindelijk tot de beste skateboarders van Oeganda.

    Er was natuurlijk nog niet veel concurrentie, maar de bouw van het eerste park gaf de aanzet tot een ontluikende skatecultuur in de regio. Toen Mubiru’s park klaar was, hielp skate-aid met het bouwen van diverse andere parken in naburige landen, allemaal groter en uitgebreider dan het kleine park in Kampala.

    Net als in de Verenigde Staten spreekt skateboarding in Oost-Afrika vooral eigenzinnige jongeren aan, voornamelijk van de mannelijke kunne. Oeganda is een snel verstedelijkend land waarin twee derde van de bevolking onder de vierentwintig jaar is, en de omstandigheden lenen zich bij uitstek voor een explosie van jeugdcultuur.

    Liefdadigheid

    Maar diverse obstakels verhinderen dat het skaten echt populair wordt. Ondanks de opkomst van een middenklasse wordt het land geteisterd door aanhoudende armoede. Bijna de hele uitrusting van skateboarders komt van schenkingen uit het buitenland, en vaak moeten de spullen gedeeld worden met andere skaters. Het is niet gemakkelijk om een verharde weg te vinden. Amerikanen hebben geluk, zei een skater tegen me, dat ze een onbegrensde hoeveelheid asfalt tot hun beschikking hebben om op te skaten.

    ‘Skateboarden in Oost-Afrika wordt meer geassocieerd met liefdadigheid,’ legt Augustine Rutasingwa uit, een Tanzaniaanse skateboarder die een blog bijhoudt over skaten in Afrika. Voor diegenen die de uitdaging aangaan, biedt skaten een kans om zich op individueel niveau te onderscheiden, anders dan bij een teamsport als voetbal of basketbal. Ze sluiten daarbij aan op een wereldwijd fenomeen dat allang verbreid is in de westerse cultuur en dat ze al jarenlang kennen als achtergrond van Hollywoodfilms en muziekvideo’s.

    ‘Toen we opgroeiden, was het moeilijk om aan geld te komen om te kunnen eten, om te overleven,’ zegt Gose. ‘Toen ik begon te skaten, veranderde mijn leven. Eerst had ik niets waardoor iemand me zag staan en me bewonderde. Maar toen ik me aansloot bij de skateboardingfamilie veranderde dat.’

    Ondanks hun gezamenlijke geschiedenis was er lang een gespannen verhouding tussen de twee broers en Mubiru. ‘David [Kizza] wilde de baas zijn,’ vertelt de drieëntwintigjarige Peter Kyomuhendo, een van Mubiru’s beste skaters. ‘Dus begon hij ruzie te zoeken.’ De broers kibbelden met Mubiru over de vraag of ervaren skaters vaker gebruik mochten maken van de weinige, kostbare boards of dat jongeren dezelfde kansen verdienden.


    Kizza en Gose raakten al snel geïnteresseerd in sponsors uit het bedrijfsleven en ondernamen stappen om bedrijven zoals Mountain Dew voor zich te winnen. In het Westen had het frisdrankmerk zich opvallend gelieerd aan skateboarding en andere extreme sporten. Het probeerde in ontwikkelingslanden als Oeganda eenzelfde jeugdig imago te cultiveren.

    Drie jaar geleden werd Gose als skater officieel ambassadeur van het merk Mountain Dew. Als zodanig is hij waarschijnlijk de enige Oegandees die door de sport een regelmatig inkomen geniet. Maar net als in het Westen waren de reacties op de invloed van het bedrijfsleven gemengd. ‘Mountain Dew – daar staan we niet op goede voet mee,’ zegt Mubiru droogjes. Volgens hem is de relatie van het bedrijf met Oegandese skaters een eenzijdige transactie geweest. ‘Zij hebben gebruikgemaakt van ons imago en gaven ons alleen frisdrank, meer niet.’

    Daniel Gluche, de regionale Oost-Afrika-directeur van skate-aid, staat wantrouwend tegenover grote bedrijven, maar heeft begrip voor hun aantrekkingskracht. ‘Het grootste deel van die jonge jongens is werkloos,’ zegt hij. ‘Sommigen proberen iets te verdienen met skaten, en als een groot bedrijf zoals Coca-Cola of Mountain Dew een deal met hen sluit waardoor ze hun rekeningen kunnen betalen en kunnen blijven doen wat ze willen, dan snap ik dat best.’

    Kort nadat Gose voor Mountain Dew begon te skaten, accepteerde Mubiru een beloning van vijfduizend euro van skate-aid voor het stimuleren van jongeren. Kizza wilde dat het geld verdeeld zou worden onder de diverse skaters, zodat zij zichzelf konden bedruipen als ze later een gezin wilden stichten. Maar Mubiru beloofde skate-aid dat het geld besteed zou worden aan de bouw van een opslagruimte en een kantoortje naast het park.

    Daarna gingen de twee partijen definitief uit elkaar en werd de vijandigheid openlijker. De laatste keer dat de twee broers naar Mubiru’s park kwamen, werd de politie gebeld om hen te verjagen.

    Als reactie bouwden ze hun eigen park, dat bijna uitsluitend wordt gebruikt door nieuwe skaters in Mukono, van wie de meeste nooit in Mubiru’s oorspronkelijke park zijn geweest. De broers dromen ervan om in de komende jaren door het hele land parken aan te leggen.

    Mountain Dew

    ‘Wij willen de sport opbouwen,’ zegt Kizza. Hij beschuldigt Mubiru ervan dat hij zich wanhopig vastklemt aan zijn rol als de Godfather van de regionale skateboardingscene. ‘Er wordt al bijna twaalf jaar geskatet in Kitintale, maar al twaalf jaar is de sport niet verder gekomen. De pioniers van het skaten zijn merendeels van dezelfde leeftijd als ik. De meesten zijn ermee opgehouden. Ze zijn vader geworden, ze doen andere dingen, en dat betekent dat de sport geen toekomst heeft.’
    ‘Jackson wil dit vernietigen,’ zegt hij, doelend op zijn eigen park. ‘Hij wil niet dat er hier geskatet wordt.’

    Als onderdeel van zijn werk als merkambassadeur reisde Gose dit jaar door Oeganda op een door Mountain Dew gesponsorde, nationale skate- en BMX-tour. In een felgroen T-shirt deed hij tricks over Mountain Dew-logo’s op 
een verplaatsbare ramp in diverse steden om reclame te maken voor flesjes fris van dertig cent. Het was voor 
veel Oegandezen de eerste keer dat ze de sport met eigen ogen zagen.

    In augustus deed de tour Kampala aan voor een kampioenschap van één dag op het dak van een parkeergebouw, dat werd aangekondigd als het eerste van zijn soort in het land. ‘We zijn hier niet alleen om Mountain Dew te verkopen, niet alleen om Mountain Dew te promoten – we zijn hier om een nieuwe sport te introduceren,’ schreeuwde de presentator tegen honderden tieners die in de brandende zaterdagmiddagzon stonden. ‘En om te laten weten dat skaten heel erg leeft in Oeganda.’

    “We moeten bijeenkomen om een nationale ploeg samen te stellen,” zegt Mubiru

    Ondanks zijn wantrouwen jegens bedrijfsbelangen kwam Mubiru die dag naar het Mountain Dew-kampioenschap. Hij skatete zelf niet, maar vergeleek zijn huidige rol met die van een trainer, in de stijl van beroemde voetbalcoaches.

    Gose deed de hele middag tricks, maar was als ambassadeur van Mountain Dew uitgesloten van de competitie. De winnaar, die een beloning van zeshonderd dollar mee naar huis mocht nemen, was een verlegen veertienjarige pupil van Mubiru die Siraje Munyagwa heette en de toekomst van het skaten vertegenwoordigde. Munyagwa was nog maar een baby toen Mubiru’s park werd gebouwd. Kizza werd derde, met een prijs van zo’n honderdvijftig dollar.

    ‘Ik heb tegen de jongens gezegd dat ik erg blij ben,’ zei Mubiru over de broers. ‘Ik heb geen onmin met ze. Ik ben hier als trainer.’

    De echte test zal ergens in de volgende drie jaar komen, als de wereld uitkijkt naar de Olympische Spelen van 2020 in Tokio. Skateboarden zal voor het eerst als een officiële sport meedoen aan de Spelen; een belangrijke mijlpaal voor een sport die ooit werd geassocieerd met stuntelige drop-outs in Californië.

    De skaters in Oeganda dromen ervan mee te mogen doen aan de Olympische Spelen, ondanks de grote hindernissen die hun te wachten staan. Voor hen zijn de Spelen een gelegenheid om hun sport te legitimeren en nationale erkenning te krijgen. De kans dat het land trots op hen zal zijn, zou de regering zelfs aan kunnen zetten om een nieuw skatepark te bouwen, hopen ze.

    Maar eerst zullen ze een manier moeten vinden om samen te werken. ‘We moeten bijeenkomen om een nationale ploeg samen te stellen,’ zegt Mubiru. ‘Dat nationale team zal niet alleen uit Kitintale-skaters bestaan,’ zegt hij. ‘We zullen heel Oeganda bestrijken.’

    Auteur: Julian Hattem
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Roads & Kingdom
    VK | roadsandkingdoms.com

    Tijdschrift voor eten, politiek, reizen en cultuur. Begon in Myanmar met de focus op Birmees nieuws maar wordt inmiddels gemaakt in New York en Barcelona. Onlangs uitgeroepen tot Best Travel Journalism Site. Werkt o.a. samen met Slate.