Enkele dagen daarvoor was zijn paspoort in beslag genomen
De Braziliaanse oud-president Jair Bolsonaro verbleef twee dagen in de Hongaarse ambassade in Brasilia, nadat zijn paspoort in beslag was genomen. Op beveiligingsbeelden die door The New York Times zijn verkregen, is te zien dat de rechtse populist begin februari onderdook in de ambassade. Enkele dagen daarvoor moest de oud-president zijn paspoort inleveren vanwege een onderzoek naar betrokkenheid bij een mogelijke poging tot een staatsgreep. Ook werden toen twee medewerkers van Bolsonaro opgepakt.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Het Braziliaanse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Hongaarse ambassadeur opgeroepen om uit te leggen waarom Bolsonaro zich vorige maand twee nachten ‘verstopte’ in de Hongaarse ambassade, schrijft The Guardian.
Volgens The New York Times suggereert het verblijf van Bolsonaro in de ambassade dat ‘hij zijn vriendschap met een andere extreemrechtse leider, de Hongaarse premier Viktor Orbán, probeert te gebruiken om het Braziliaanse rechtssysteem te omzeilen terwijl er in zijn eigen land strafrechtelijke onderzoeken tegen hem lopen’.
Na de val van het communisme hebben Polen en Hongarije hun economie weliswaar hervormd naar westers ideaal, maar de open liberale samenleving keren ze de rug toe. ‘Orbán heeft weinig op met het westerse mensenrechtendiscours.’
In de zomer van 1992 bracht een 29-jarige Hongaar met politieke ambities voor het eerst een bezoek aan de VS. Zes weken lang toerde hij met een coterie van jonge Europeanen door het land op kosten van het German Marshall Fund, een Amerikaanse denktank voor trans-Atlantische samenwerking.
Viktor Orbán was al lange tijd gefascineerd door Amerika, maar toen het gezelschap door het centrum van Los Angeles liep, dat nog aan het bijkomen was van de Rodney King-rellen twee maanden eerder, leek hij niet erg betrokken en onder de indruk. Een Nederlandse journalist die ook aan de reis deelnam herinnert zich dat de Oost-Europeanen in de groep hun daggeld liever aan ‘een walkman en andere elektronica’ besteedden dan aan eten of dure hotels. De vrije markt en geavanceerde technologie spraken Orbán duidelijk meer aan dan de Amerikaanse strijd voor gelijkheid, gerechtigheid en de rechten van mensen van kleur.
Dat het lot van westerse minderheden Orbán koud liet werd nog duidelijker tijdens een rondleiding door het reservaat van de Umatilla-indianen in Oregon. Orbán en een van zijn reisgenoten, de Poolse journaliste Malgorzata Bochenek, luisterden naar de klachten over economisch onrecht. Hij reageerde met vragen over landverdeling. Waarom ontwikkelden de inheemse stammen geen strategie om hun gemeenschappelijke grond te gelde te maken? Dat hadden kleine Hongaarse pachtboeren zoals zijn ouders tenslotte ook met de collectieve landbouwbedrijven gedaan na het eind van het communisme. Orbán begon een businessplan voor het reservaat te ontvouwen, maar toen de Umatilla met wie hij sprak niet enthousiast genoeg reageerden, verloor hij algauw zijn belangstelling.
Het bezoek aan de VS sterkte hem in zijn voornemen om premier van Hongarije te worden
Wat Orbán het meest fascineerde tijdens de rest van de trip was de hogere politiek. De rondreis eindigde in juli in New York City, waar hij de Democratische Nationale Conventie bijwoonde en Bill Clinton genomineerd zag worden op de klanken van Don’t Stop van Fleetwood Mac. Deze opwindende gebeurtenis maakte veel indruk op Orbán. Het bezoek aan de VS sterkte hem in zijn voornemen om premier van Hongarije te worden.
De aard van de aantrekkingskracht die het Westen op jonge Oost-Europeanen uitoefende was in die tijd aan het veranderen. In 1989, toen Orbán in Oxford studeerde met een beurs van de Soros Foundation, stonden de westerse waarden van de Koude Oorlog – gedereguleerd kapitalisme, sociale stabiliteit en nationale tradities – nog fier overeind. Dat waren de waarden die hij mee terug wilde nemen naar zijn vaderland. Drie jaar later, tijdens zijn rondreis door de VS, was er een kentering merkbaar. Hoewel de vrije markt nog oppermachtig was, waren de Europese en Noord-Amerikaanse cultuur introspectiever geworden. Orbán stond achter de clintonistische benadering van economie en bestuur, maar hij had weinig op met het westerse mensenrechtendiscours, de discussies over gender en ras of de erfenis van kolonialisme en de holocaust.
Orbáns enthousiasme voor de Amerikaanse economie en zijn onverschilligheid jegens Amerikaanse culturele aangelegenheden waren een voorbode van de richting die Hongarije en Polen de volgende decennia uiteindelijk zouden inslaan. In de jaren negentig gingen de twee landen de rest van Oost-Europa voor in een economische shocktherapie, met verdergaande markthervormingen dan hun westerse adviseurs eisten. Maar in cultureel opzicht kozen Polen en Hongarije een conservatievere koers. Het gevolg is dat beide landen zichzelf als in- en in-Europees zijn blijven zien, ook al zijn ze steeds meer afstand gaan nemen van het liberalisme van de EU.
Jezelf modelleren naar een extern ideaal wekte onvermijdelijk gevoelens van schaamte en wrok op wanneer het volmaakte origineel onbereikbaar bleek
Tien jaar nadat ze samen met Orbán het Umatilla-reservaat in Oregon had bezocht, werd Malgorzata Bochenek adviseur van de Poolse president Lech Kaczynski, samen met zijn broer Jaroslaw de oprichter van de conservatief-nationalistische partij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) die nu de steun van bijna 45 procent van het Poolse electoraat geniet. Orbáns partij Fidesz bezet een supermeerderheid van twee derde van de zetels in het Hongaarse parlement. Beide partijen voeren een overeenkomstig beleid: het aanstellen van regeringsgezinde rechters en journalisten bij rechtbanken en media; het verdrijven van linkse en liberale ngo’s, academici en universiteiten; het schenden van het EU-handvest van de grondrechten door het beperken of verbieden van abortus en het niet wettelijk erkennen van transgenders; en het negeren van pogingen van Europese instituties om hen voor deze provocaties aansprakelijk te stellen.
Tegelijkertijd staan vier op de vijf burgers van Polen en Hongarije achter het EU-lidmaatschap van hun land. Het is de anti-liberalen in Boedapest en Warschau te doen om autonomie binnen Europa, niet om onafhankelijkheid daarbuiten.
Hoe komt het dat de revolutionairen van 1989 in de jaren tien en twintig van deze eeuw zo teruggrijpen op oude nationalistische waarden? Er is een aantal antwoorden op deze vraag, variërend van geleidelijke vervreemding, of een gedwongen terugkeer naar het eigenbelang als gevolg van een externe shock, tot de puberale opstand van leerlingen tegen hun voormalige leraren.
In hun boek Falend licht uit 2019 pleiten de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev en de Amerikaanse hoogleraar rechten Stephen Holmes voor de opstandhypothese. Zij betogen dat de overgang van het communisme naar de kapitalistische democratie werd gedreven door ‘liberalistische na-aperij’. De Oost-Europeanen namen de gewoonten, normen en instituties van de westerse wereld over om deelgenoot te worden van de welvaart en vrijheid daarvan. Het probleem, volgens Krastev en Holmes, was dat onderwerping aan dit ‘imitatiegebod’ tot ‘inherente spanningen’ leidde en ‘emotioneel belastend’ was. Jezelf modelleren naar een extern ideaal wekte onvermijdelijk gevoelens van schaamte en wrok op wanneer het volmaakte origineel onbereikbaar bleek. Onder invloed van dit vernederende minderwaardigheidscomplex grepen Orbán en Kaczynski de economische en migratiecrises uit de periode 2008-2015 aan om het westerse liberalisme te verwerpen en met een illiberaal alternatief te komen.
Groot-Hongarije
Krastev en Holmes zien de emigratie uit centraal Oost-Europa als een bepalende factor voor de aantrekkelijkheid van nationalistische politiek. De decennialange braindrain, zo betogen ze, heeft tot een demografische paniek geleid die volgens hen de angst voor de komst van immigranten uit het Midden-Oosten en Afrika aanwakkert. Vooral in Hongarije is de anti-immigratiepolitiek inderdaad hand in hand gegaan met pogingen de bevolkingsafname als gevolg van lage geboortecijfers en emigratie te remmen. Orbán heeft een ambitieus en populair gezinsbeleid ontwikkeld met maatregelen als nationalisatie van ivf-klinieken en genereuze leningen en belastingvrijstellingen voor jonggehuwden en grote gezinnen. Ook heeft hij burgerrechten verleend aan meer dan een miljoen in Slowakije, Roemenië, Kroatië, Servië en Oekraïne woonachtige etnische Hongaren en daarmee een diasporisch, door Fidesz geleid maatschappelijk middenveld gecreëerd in wat Hongaarse nationalisten als een ‘Groot -Hongarije’ beschouwen.
Maar andere landen hebben miljoenen burgers zien emigreren zonder tot illiberalisme te vervallen. Letland is tussen 1989 en 2017 27 procent van zijn bevolking kwijtgeraakt, Litouwen 22,5 procent, Kroatië 22 procent en Bulgarije 21 procent. Maar deze staten aan de Oostzee en in de oostelijke Balkan zijn niet in dezelfde mate veranderd als Polen en Hongarije. Hoewel ook daar een oude nationalistische tendens bestaat, is die niet dominant geworden in de nationale politiek. In Bulgarije is een EU-gezinde protestbeweging afgelopen lente als tweede geëindigd bij de parlementsverkiezingen en de vertrekkende premier van het land, Boyko Borisov, heeft benadrukt dat hij wil dat de ‘Euro-Atlantische oriëntatie van het land duidelijk zichtbaar is’. In Roemenië, waar een vijfde van de bevolking sinds 1990 is vertrokken, zijn geen sterke mannen dominant maar fanatieke corruptiebestrijders en protesterende EU-aanhangers. Polen en Hongarije daarentegen, waar het illiberalisme het verst gevorderd is, kennen de laagste netto emigratiepercentages in de regio.
Migratie doet de hang naar oude nationalistische waarden herleven, maar is geen afdoende verklaring voor de bredere crisis van het liberalisme. Anti-immigratiebeleid wordt in de meeste Europese landen gevoerd. Maar ondanks een algemeen anti-immigratiesentiment is het alleen in het VK, Polen en Hongarije dat nationalistische regeringen uit de Europese Unie zijn gestapt dan wel de waarden daarvan hebben afgezworen, en alleen in Boedapest en Warschau liggen het liberale maatschappelijk middenveld en de rechtsstaat onder vuur. Kaczynski en Orbán nemen niet vanwege hun chauvinisme een bijzondere plaats in onder de Europese nationalisten, maar vanwege hun autoritaire optreden tegen opponenten in eigen land en tegen Europese en internationale instituties.
In 2002 was Orbán verbitterd en ervan overtuigd dat post-communisten in de Hongaarse samenleving hadden samengespannen om zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen
De regeringspartijen in Polen en Hongarije voeren een breuk met het verleden door die in hun eigen ogen radicaler is dan de schijntransitie van 1989. Het antiliberale nationalisme in Oost-Europa is meer dan een uitbarsting van onbeheersbare hartstochten. Net als in 1989 wordt gedacht dat er sprake is van een historische opdracht en dat het eind van het communisme alleen maar het begin van de weg naar nationale bevrijding was. Het feit dat deze ideeën werden gevormd tijdens het transitiedecennium duidt er ook op dat de illiberale democratie een gericht project is en niet alleen reactief, met duidelijke eigen ideologische doelstellingen.
De opstand tegen het liberalisme begon in de late jaren negentig en het begin van deze eeuw, toen steeds meer rechts georiënteerde Polen en Hongaren op een radicalere breuk met het verleden begonnen aan te dringen. Tijdens Orbáns eerste premierschap, van 1998 tot 2002, toen Fidesz samen met de conservatieve Partij van Kleine Landbouwers (FKgP) regeerde, werden holocaustontkenning en racisme jegens de Roma aangemoedigd en steun uitgesproken voor de extreemrechtse regering van Jörg Haider in het naburige Oostenrijk. Maar omdat de Hongaarse economie gestaag groeide en het land in 1999 lid werd van de NAVO, werd het rechtse beleid van het kabinet al snel vergeten in de westerse hoofdsteden.
In 2002, toen hij de verkiezingen nipt verloor van de socialisten, was Orbán verbitterd en ervan overtuigd dat post-communisten in de Hongaarse samenleving hadden samengespannen om zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen. Toen Hongarije in 2004 lid werd van de EU, vloeiden er enorme sommen Europees geld naar een groep liberale politici rond de centrumlinkse premier Ferenc Gyurcsány, een econoom die in de jaren tachtig leiding gaf aan de communistische jeugdbeweging KISZ. Tijdens de transitie van communisme naar democratie hadden Gyurcsány en zijn oude kameraden een klein fortuin verdiend met pop-up-adviesbureaus die luisterden naar namen als Eurocorp International Finance Inc. Rond 2004 waren ze vaste gasten in Davos. Hoewel zo’n door opportunisme gedreven economische gedaanteverwisseling schering en inslag was in Midden- en Oost-Europa, maakten deze associaties het makkelijker voor Orbán om het Sovjetcommunisme en het Europese liberalisme af te schilderen als opeenvolgende vormen van buitenlandse overheersing.
Net als in Hongarije zorgde de rol van Poolse post-communisten bij de versoepeling van de politieke transitie naar een liberale democratie uiteindelijk voor een radicalisering van rechts. In 1997 begonnen conservatieve denkers voor het eerst om een ‘vierde Poolse republiek’ te roepen ter vervanging van de derde herhaling van zetten die was gevolgd op het communisme. Vier jaar later stichtten Lech en Jaroslaw Kaczynski PiS, met de belofte de Poolse samenleving radicaal te zuiveren en politiek te vernieuwen. Doel van de Kaczynski’s was om de uitvoerende en wetgevende macht met volle kracht in te zetten voor een definitieve afrekening met de ‘besmetting’ van het staatssocialisme. Vele jaren lang had het Poolse constitutionele hof pogingen gedwarsboomd om staatsinstituties en het maatschappelijk middenveld te zuiveren van iedereen met communistische banden, een proces dat ‘lustratie’ werd genoemd. Deze bescherming werd gesteund door EU-wetten ter bewaking van de persoonlijke waardigheid en levenssfeer.
Wat op het spel staat is niet de westerse identiteit, maar wie er geschikt is om in een gezuiverde Poolse natiestaat te worden opgenomen
Maar toen PiS in 2005 voor het eerst aan de macht kwam, werd de lustratie geïntensiveerd. Er kwam een wetsvoorstel dat ervoor zou hebben gezorgd dat 350.000 ambtenaren, journalisten, academici, leraren en directeuren van staatsbedrijven vroegere communistische banden hadden moeten erkennen, hoe oppervlakkig ook, op straffe van baanverlies. Massaal verzet van de progressieve Poolse elite tegen deze zeer ingrijpende zuivering zorgde er mede voor dat de Kaczynski’s in 2007 het veld moesten ruimen voor het liberale pro-Europese Burgerplatform van Donald Tusk.
Deze eerste mislukte poging om de Poolse samenleving grootscheeps te zuiveren vormt de achtergrond van de hernieuwde aanval die PiS sinds 2015 op het Poolse rechtssysteem onderneemt en die meer internationale aandacht heeft getrokken dan de eerdere. Maar de illiberale agenda van PiS was niet, zoals Krastev en Holmes doen voorkomen, een reactie op het imiteren van het Westen. Het is juist het verlangen van de Poolse antiliberalen naar een grondiger uitbanning van het communistische verleden, zonder acht te slaan op de beschermende EU-wetten, dat hen ertoe heeft gebracht de rechtbanken en de progressieve burgerbeweging van het land onder vuur te nemen. Net als in Hongarije heeft precies datgene wat de transitie van communisme naar een liberale democratie zo vreedzaam heeft doen verlopen, het onderhandelingsproces, een kliek rechtsnationalistische opstandelingen gekweekt die de mythe verspreidt dat er in 1989 geen zuivere machtsoverdracht heeft plaatsgevonden, maar een massale rehabilitatie van de elite. Wat op het spel staat is niet de westerse identiteit – iets waaraan de Polen nooit hebben getwijfeld – maar wie er geschikt is om in een gezuiverde Poolse natiestaat te worden opgenomen.
Uiteindelijk heeft het Poolse en Hongaarse verzet tegen EU-normen en individuele burgerrechten niet tot een overeenkomstig verlangen naar economische soevereiniteit geleid, zoals bij de Brexiteers. De Brusselse geldkraan is simpelweg te aanlokkelijk. Ook al heeft Orbán liberale instituties ontmanteld, toch heeft hij enorme sommen EU-geld weten aan te trekken om het bedje te spreiden voor een loyale oligarchie van Fidesz-getrouwe tycoons en agrarische ondernemers. Ook conservatieve nationalisten in Polen hebben materiële steun binnen geharkt van een politieke en economische unie waarvan ze de invloed steevast laken.
Deze ongevoeligheid voor politiek gedrag is het gevolg van de manier waarop de EU geld aan haar leden verstrekt, namelijk in grote tranches die over een groot aantal jaren zijn verspreid volgens een van tevoren opgesteld bestedings- en investeringsplan; actuele politieke wrijvingen tussen nationale regeringen en Brussel zijn niet van invloed op deze langjarige financiële verplichtingen. Tussen 2007 en 2020 hebben Oost-Europese lidstaten 395 miljard euro ontvangen, waarvan de helft naar Hongarije en Polen is gegaan.
Hoe moeilijk het is geworden om het illiberalisme binnen de EU te beteugelen bleek eind 2020. Terwijl EU-leiders een ongeëvenaard begrotings- en stimuleringspakket van 1,8 biljoen euro voorbereidden als reactie op de pandemie, lieten Boedapest en Warschau de onderhandelingen bijna ontsporen. Omdat ze bezwaar hadden tegen een mechanisme dat financiering automatisch aan wettelijke toetsing onderwierp, dreigden Polen en Hongarije de hele EU-begroting voor de komende zes jaar te vetoën.
Als lidstaten betoogden Polen en Hongarije dat ze het volste recht hadden op hun aandeel in het financieringsplan; illiberale regeringen bleken de wettelijke en verdragsrechtelijke taal vloeiend te spreken. Uiteindelijk werd op het laatste moment de lont uit het kruitvat gehaald door middel van een ‘interpretatieve verklaring’ waarin werd gegarandeerd dat het wettelijke sanctiemechanisme moest worden goedgekeurd door het Europese Hof van Justitie voordat het kon worden toegepast. Of het daarvan zal komen is maar de vraag.
Voorlopig zal de financiering aan betrekkelijk weinig regels zijn gebonden. De strijd tussen liberalen en illiberalen in Oost-Europa zal zich op zijn belangrijkste slagveld blijven voltrekken: de politieke, wettelijke en culturele instituties. Zoals de landelijke vrouwenstaking tegen het wettelijke verbod op abortus in oktober 2020 heeft aangetoond, is dit een noodzakelijk en belangrijk gevecht. Maar wat niet ter discussie staat, is het economische model van de regio. De liberalen en illiberalen zijn het erover eens dat na het eind van het communisme het kapitalisme de enige manier is om hun maatschappij verder te ontwikkelen.
Bescherming en veiligheid
Waar Krastev en Holmes het Poolse en Hongaarse verzet tegen het westerse liberalisme als een psychologische reactie beschouwen, komt de befaamde Duitse historicus Philipp Ther met een andere verklaring. Volgens hem is het nieuwe nationalisme niet zozeer een reactie op het imiteren van het Westen, als wel op de blootstelling van hele samenlevingen aan de grillen van de wereldmarkt. In zijn boek Das Andere Ende der Geschichte schrijft hij dat nationalistisch rechts een ‘coherent wereldbeeld heeft, dat kan worden gekenschetst als een pakket beloften dat bescherming en veiligheid biedt’.
Ther stelt dat de snelle transitie van staatssocialisme naar vrijemarktkapitalisme een behoefte aan zelfbescherming heeft aangewakkerd. In 1993 en 1994 bleek tijdens verkiezingen in verschillende landen dat de bevolking in grote onzekerheid verkeerde. Poolse en Hongaarse kiezers kozen centrumlinkse kabinetten met flink wat ex-communisten erin, maar dat bood weinig bescherming. De Poolse privatisering vertraagde maar stopte nooit. In Hongarije drukte de nieuwe regering algauw een strenger bezuinigingspakket door. Een andere koers werd gevolgd in Slowakije, waar premier Vladimír Mečiar niet alleen brak met het neoliberalisme van zijn Tsjechische collega Vaclav Klaus, maar bovendien de verenigde Tsjecho-Slowaakse staat ontbond. Tijdens Mečiars bewind in de jaren negentig was Slowakije in alle opzichten een voorloper van het huidige illiberalisme, waarin populisme, nationalisme en beschermende welvaart werden gecombineerd om een steeds autocratischer bewind te verbloemen. Als gevolg van Mečiars eigenmachtige optreden werd Slowakije in 1999 ongeschikt geacht voor het NAVO-lidmaatschap; het land sloot zich vijf jaar later bij de organisatie aan dan zijn Midden-Europese buurlanden.
De Oost-Europese transitie naar de vrije markt in de jaren negentig werd bemoeilijkt door de plaatselijke zwakte van de bij het liberalisme favoriete bewerkstelligen van een kapitalistische overgang, de onroerend goed bezittende bourgeoisie. De sociologen Iván Szelényi, Gil Eyal en Eleanor Townsley beschrijven deze uitdaging als ‘het creëren van kapitalisme zonder kapitalisten’. West-Europese geldschieters gaven aanvankelijk voorrang aan marktexpansie boven democratisering: van 1990 tot 1996 ging maar 1 procent van het internationale EU-hulpprogramma voor voormalige socialistische staten naar de financiering van politieke partijen, onafhankelijke media en andere burgerorganisaties. Maar waar de markten opbloeiden, bleef de middenklasse anemisch.
Dertig jaar later zijn de voordelen van de vrije economie ongelijk verdeeld; de inkomenskloof tussen stad en platteland is in Oost-Europa groter dan waar ook op het continent. Maar het vrijemarktdenken is inmiddels alomtegenwoordig in de regio. In zijn beroemde toespraak van juli 2014, waarin hij de noodzaak van een ‘illiberale democratie’ voor Hongarije uiteenzette, voorspelde Orbán dat ‘samenlevingen die op liberale organisatieprincipes zijn gebaseerd de komende jaren hun concurrentiepositie in de wereld niet zullen kunnen handhaven en waarschijnlijk met een terugval zullen worden geconfronteerd’ en kondigde hij aan dat ‘we zoeken naar een organisatievorm die ons concurrerend zal maken in deze grote wereldrace’.
Toch zou het verkeerd zijn deze overstap op wereldwijd kapitalisme geheel aan verwestersing toe te schrijven. In hun boek 1989: A Global History of Eastern Europe laten James Mark, Bogdan Iacob, Tobias Rupprecht en Ljubica Spaskovska er geen twijfel over bestaan dat het belang van de Oost-Europese elites bij het kapitalisme voorafging aan hun democratische gezindheid. Hervormingsgezinde bureaucraten tijdens de laatste jaren van het socialisme hadden hun blik vooral op Oost-Azië gericht. De successen van Deng Xiaopings China waren een voorbeeld voor de latere economische hervormingen van Gorbatsjov. In de jaren tachtig waren de marktgeoriënteerde hervormingen in Polen en Hongarije deels naar het voorbeeld van Zuid-Korea gemodelleerd, waar het autoritaire kapitalisme voor grote economische groei had gezorgd.
Oost-Europa beschouwde niet alleen andere regio’s als zijn einddoel. De Oost-Europese transitie in de jaren negentig groeide uit tot een ‘nieuw wereldwijd scenario’ voor Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en Aziatische landen. Van Mexico tot Zuid-Afrika, overal waren de Oost-Europese democratisering en economische liberalisering een lichtend voorbeeld voor zowel de regerende elite als de oppositie. Oost-Europeanen kwamen na verloop van tijd in een positie waarin ze hun eigen ervaring konden gebruiken om anderen te adviseren. In 2003 maakte de architect van de Poolse liberale hervormingen, Leszek Balcerowicz, een rondgang door Washington DC om te vertellen hoe de VS de Iraakse economie moesten oppeppen. Tijdens de Arabische Lente bezocht Lech Walesa Tunesië ‘om hun te vertellen hoe wij het hebben gedaan’, in de woorden van de toenmalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken Radoslaw Sikorski, die zelf naar Benghazi vloog om de Libiërs van advies te dienen die Gaddafi hadden verdreven.
Gemeenschappelijke Europese erfenis
Het feit dat Oost-Europeanen uiteindelijk als ambassadeurs van het Westen optraden versterkte het idee dat 1989 een te lang uitgebleven terugkeer was naar een natuurlijk cultureel thuis. Maar die ommekeer was al lang voor het eind van het communisme in gang gezet. In de jaren zeventig en tachtig namen de Tsjecho-Slowaakse, Poolse en Hongaarse en elites en dissidenten steeds meer afstand van het anti-imperialisme en de socialistische solidariteit met de Derde Wereld, en legden ze steeds meer nadruk op hun ‘gemeenschappelijke Europese erfenis’.
Deze focus op hoge Europese cultuur had duidelijk een zowel anti-Afrikaanse als anti-islamitische bijklank. In 1985 verklaarde de Hongaarse minister van Cultuur dat ‘Europa een culturele erfenis’ bezat, ‘een specifieke intellectuele hoedanigheid, namelijk het Europese karakter’. Tijdens een bezoek aan Boedapest twee jaar later kreeg de Spaanse koning Juan Carlos de vestingwallen te zien die de Habsburgse troepen in 1686 op de Ottomanen hadden veroverd, een communistische lofzang op de strijd van het christelijke Europa tegen de islam. Naar aanleiding van de gewelddadigheden van de moedjahedien verklaarde de Roemeense dictator Nicolae Ceaușescu dat de islamitische wereld ‘miljarden fanatiekelingen telt. Een langdurige oorlog kan het gevolg zijn.’
Ondertussen vielen Roemeense ballingen Ceaușescu zelf aan als een buitenlandse heerser die hun land een ‘tropisch despotisme’ had opgedrongen. De dissident Ion Vianu schreef in 1987 dat ‘het huidige Roemenië meer op een Afrikaans dan een Europees land lijkt’. Hij hekelde ‘de desorganisatie van het openbare leven, het onvermogen van de regering om het niveau van het oude continent te bereiken; de staat van de wegen, de smerigheid van de straten, de lege winkels, de wijdverbreide corruptie; de willekeur van de politie’. Dit alles, schreef hij, deed hem aan Haïti denken. ‘Roemenen met westerse idealen zijn een soort zwijgende meerderheid in het huidige Roemenië.’
Voordat er een eind kwam aan het communisme had bij veel Oost-Europeanen al een nieuw gevoel van culturele verwantschap postgevat. Deze toenemende identificatie van hun respectievelijke banden met Europa en het christendom verklaart waarom de anti-immigratieretoriek over een ‘Fort Europa’ dat migranten uit Afrika en het Midden-Oosten buiten moet houden, het afgelopen decennium zo’n vruchtbare bodem heeft gevonden in de regio.
Gesloten samenlevingen
Om die reden stond het jaar 1989 uiteindelijk voor een moment waarop Oost-Europa zich afsloot voor oude invloeden en zich openstelde voor nieuwe ideeën. De socialistische planeconomie en de internationale solidariteit met ontwikkelingslanden werden vaarwel gezegd, terwijl identificering met een smallere Europese beschaving gepaard ging met integratie in de geliberaliseerde wereldeconomie. Momenteel is deze combinatie van open en gesloten kenmerken nog altijd zichtbaar in Oost-Europa. Hongarije is het duidelijkste voorbeeld van deze hybride benadering: onder Orbán heeft het land het liberale idee van een open samenleving verworpen, maar onderhoudt het desondanks nauwe banden met de transnationale Europese auto-industrie en, via de EU en NAVO, met de militaire netwerken van het atlanticisme.
Orbán heeft de vragen over zijn internationale loyaliteit gecompliceerd door nauwe banden met Moskou en Beijing te onderhouden. Rusland voorziet Hongarije van energie, terwijl Chinese staatskapitalisten een regionale hub van het land hebben gemaakt voor de pogingen van Huawei om de 5G-technologie over Europa uit te rollen. Ook is Boedapest het eindstation van de nieuwe Balkanspoorweg die van de Griekse havenstad Piraeus door Belgrado loopt, onderdeel van het Chinese Belt & Road Initiative, een wereldwijd infrastructureel project ter bevordering van de handel. De aanleg van deze vrachtspoorlijn kost 2 procent van het Hongaarse bnp, het grootste investeringsproject in de Hongaarse geschiedenis.
Halverwege maart 2020, toen het coronavirus zich door Europa verspreidde, sloot Hongarije zijn grenzen voor niet-ingezetenen. Tijdens de Hongaarse lockdown waren de enige buitenlanders in het land driehonderd Zuid-Koreaanse ingenieurs die de versnelde opening moesten afronden van de tweede fabriek in het land die accu’s voor elektrische voertuigen produceert.
Koreaanse conglomeraten zijn recentelijk in Hongarije en Polen neergestreken als hoofdleveranciers van accu’s voor de Europese auto-industrie. Omdat VW, Audi, BMW, Mercedes-Benz en Renault zaten te springen om accu’s, lichtte ook de Poolse regering de hand met de quarantaineplicht zodat specialisten van het Koreaanse chemiebedrijf LG Chem konden doorgaan met de bouw van een enorme fabriek in de buurt van Wroclaw, een 2,8 miljard euro kostend project dat wordt gesteund door de Europese Investeringsbank. 35 jaar nadat Oost-Europese economen Seoel als een voorbeeld van autoritair kapitalisme bestempelden, lopen de industriële reuzen van Zuid-Korea de regio onder de voet.
Sinds het begin van de pandemie waarschuwen liberale commentatoren geregeld voor het gevaar dat nationalisme en conflicten tussen grootmachten tot een ineenstorting van de internationale politieke en economische orde zullen leiden. Maar waarschijnlijker dan zo’n dramatische deglobalisering is dat we overal op de wereld nationalistische leiders zullen zien die politiek gesloten samenlevingen bouwen op de grondvesten van een open economie: een globalisering zonder globalisten.
Rusland, China en Israël proberen onderlinge vaccindeals te sluiten met Europese landen om zo het gezamenlijke aankoopbeleid van de Europese Unie te ondermijnen, waarschuwen verschillende Europese commentatoren.
Geconfronteerd met het trage vaccinatietempo in Europa, hebben verschillende EU-lidstaten besloten zich tot andere partners te wenden, zoals Israël, Rusland of China. Deze zware klap voor de Europese solidariteit ondermijnt de vaccinatiestrategie van de EU, aldus de Belgische krant L’Echoin een commentaar.
‘Eendracht maakt macht als het leidt tot doeltreffend beleid, dat is de raison d’être van de Europese club. (…) Het is dan ook begrijpelijk dat, als dat doeltreffende beleid in twijfel wordt getrokken, deze eenheid begint te barsten’, schrijft El País in een redactioneel commentaar.
En reden voor twijfel is er genoeg. De Europese Unie heeft het moeilijk in de vaccinatiestrijd. Europese bedrijven, zoals BioNTech of CureVac, produceren vaccins, maar deze worden vooral in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Israël gedistribueerd door farmaceutische reuzen die hun besluitvormingscentra niet in Europa hebben, aldus L’Echo. ‘Intussen zullen de coronamaatregelen en de gevolgen ervan waarschijnlijk nog maanden aanhouden.’
Servië
Het eerste Europese land dat begon te flirten met China was geen lidstaat van de Europese Unie, maar het aangrenzende Servië, schrijft het Poolse weekblad Polityka. Toen president Aleksandar Vucic zag dat de EU geen oog had voor het Slavische land, besloot hij direct contact op te nemen met Beijing.
En met succes. In de eerste twee maanden van 2020 heeft China 1,5 miljoen doses van het Sinopharm-vaccin naar Servië gestuurd, genoeg om de twee benodigde doses aan 10 procent van de 7 miljoen inwoners toe te dienen. En deze maand zal nog een levering van zeker een half miljoen vaccins volgen. Ook het Russische Spoetnik V-vaccin is al geleverd aan het Balkanland.
Voor deze overwinning klopt Vucic zichzelf opzichtig op zijn borst, schrijft Polityka: ‘“Als je ziet hoeveel we voor de vaccins hebben betaald, wil je een monument voor mij oprichten”, vatte hij in ware trumpiaanse stijl samen, dodelijk serieus en zonder een spoor van bescheidenheid.’
Het partnerschap tussen Servië en China zou, als je kijkt naar de bredere geopolitieke context, geen verrassing moeten zijn, volgens Polityka. Zowel Beijing als Moskou proberen al jarenlang hun invloed uit te breiden in dit Balkanland. Het was slechts een kwestie van tijd voordat hun vaccins daar beschikbaar zouden komen.
‘Deze vaccin-geopolitiek, soms uitgevoerd ten nadele van hun eigen bevolking, zal China en Rusland in staat stellen hun invloed in de wereld te versterken’
‘Maar het is gevaarlijk dat de Europese Unie – dat verlamd is door gebrek aan daadkracht, door landen die op eigen houtje vaccins aankopen en vertragingen in de levering – niet over de capaciteit of middelen beschikte om hulp te bieden aan landen in haar directe nabijheid, zoals Servië’, schrijft het Poolse weekblad.
Ook L’Echo vreest hoe Rusland en China, bij gebrek aan daadkracht van de EU, hun invloed in de wereld versterken: ‘Intussen scoren Rusland en China punten door hun vaccin over de hele wereld te exporteren en zelfs aan de armste landen aan te bieden. Maar dat heeft altijd een prijs. Deze vaccin-geopolitiek, soms uitgevoerd ten nadele van hun eigen bevolking, zal hen in staat stellen hun invloed in de wereld van morgen te versterken.’
Hongarije en Slowakije
De echte politieke dreiging is de levering van Sinopharm en Spoetnik V aan EU-lidstaten, schrijft Polityka. De Hongaren waren de eersten die het Russische en Chinese vaccin bestelden. En er zijn genoeg andere gegadigden. Op 31 januari zei de Duitse minister van Volksgezondheid Jens Spahn dat hij ‘open’ stond voor vaccins uit Rusland en China, aldus het Poolse weekblad. Duitse lokale politici herhaalden zijn woorden en beweerden dat de Europese en Amerikaanse voorraden die door de EU zijn besteld niet voldoende zijn om het hele continent te vaccineren.
De Tsjechen overwegen ook om bij Sinopharm te kopen, aldus Polityka. Het land is recentelijk zwaar getroffen door de pandemie – gekeken naar het aantal nieuwe besmettingen per 100.000 inwoners belandt Tsjechië in februari op de eerste plaats in de wereld. Bovendien is de Tsjechische president Miloš Zeman enthousiast over het Spoetnik V-vaccin, hoewel premier Andrej Babiš eerst nog de goedkeuring van de EMA wil afwachten.
‘Hebben we echt farmaceutische goedkeuring nodig voor Spoetnik? Is het niet genoeg dat het staatshoofd ervoor instaat?’
Het openlijke enthousiasme van Zeman voor Spoetnik V brengt de hele vaccinatiecampagne in diskrediet, schrijft de Tsjechische krant Seznam Zprávy: ‘Zeman werpt zich op als expert. Hij roept dingen als: “Hebben we echt farmaceutische goedkeuring nodig voor Spoetnik? Is het niet genoeg dat het staatshoofd ervoor instaat?” (…) De president schaadt het vertrouwen van de mensen in de hele vaccinatiecampagne. Zijn opmerking dat het vaccin van AstraZeneca veel slechter is dan dat van Spoetnik klinkt als sabotage van het huidige vaccinatiebeleid.’
Het Tsjechische dagblad ziet dit als teken van de vergaande invloed van Rusland op de president van het land: ‘Twee van Zemans ergste trekken worden hier gecombineerd: onbewezen zaken of zelfs nepnieuws veranderen in feiten, en het behartigen van de belangen van Rusland. Zijn opmerkingen werden onmiddellijk opgepikt door de officiële Russische media.’
‘Matovič heeft toegegeven dat hij de doses in het geheim heeft moeten kopen, zodat niemand hem kon tegenhouden’
Slowakije is na Hongarije het tweede land in de EU dat kiest voor het Spoetnik V-vaccin, dat niet is goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), schrijft Polityka. Het contract met Moskou betreft 2 miljoen doses – genoeg om meer dan 20 procent van de bevolking in te enten – en werd lange tijd geheimgehouden. De regering in Bratislava, die door de coronacrisis steun verloor en aanvallen van de oppositie moest afweren, kon niet langer wachten op leveringen volgens EU-afspraken, aldus Polityka.
De Slowaakse krant Sme vreest dat het toedienen van een vaccin dat niet goedgekeurd is door het EMA zal leiden tot nog meer verwarring in het Oost-Europese land: ‘Het is triest dat premier Igor Matovič zich aansluit bij Viktor Orbán, die de pandemie op cynische wijze politiseert. Spoetnik V moet de tragische situatie oplossen die is ontstaan door het falende coronabeleid. Matovič hoopt dat Spoetnik zijn redding zal zijn. De komende dagen zullen meer vragen dan antwoorden opleveren. Wie moet worden ingeënt met een vaccin dat in Europa niet is goedgekeurd? Zal het mogelijk zijn de Spoetnik-vaccinatie te weigeren? Krijgen degenen die met de Spoetnik zijn ingeënt een Europees vaccinatiebewijs?’
De krant voegt eraan toe: ‘Matovič heeft toegegeven dat hij de doses in het geheim heeft moeten kopen, zodat niemand hem kon tegenhouden. Hoe tragisch kenmerkend voor de situatie waarin Slowakije zich bevindt.’
Ook de regeringspartners van premier Igor Matovič stellen vraagtekens bij de aankoop van het Spoetnik V-vaccin, meldt Euronews. Vooral het feit dat Matovič de vaccins in het geheim kocht, kan mogelijk leiden tot een breuk in de coalitie van het Centraal-Europese land.
Beloftes
Zowel de Hongaren als Slowaken wachten dus niet op de goedkeuring van het EMA. Toen Orbán werd gevraagd naar de mogelijke repercussies van de EU, leken die hem niet veel te kunnen schelen. Zoals de premier op de radio zei, gelooft hij niet dat ‘Britse, Amerikaanse of Europese specialisten meer gekwalificeerd zijn dan Hongaarse’ in het beoordelen van de effectiviteit van vaccins, aldus Polityka. ‘De Europese Unie beloofde injecties, ze heeft de belofte niet waargemaakt. We moeten het zelf oplossen,’ voegde de Hongaarse premier daaraan toe.
Vandaag (4 maart) maakt het EMA bekend dat de versnelde beoordeling van het Spoetnik V-vaccin er gaat komen, meldt de Süddeutsche Zeitung. Het agentschap in Amsterdam heeft aangekondigd dat het is begonnen met een zogenaamde ‘rolling review’. Als het vaccin positief wordt beoordeeld, kan de producent, het Gamaleja-Instituut voor Epidemiologie en Microbiologie dat valt onder het Russische ministerie van Volksgezondheid, officieel een aanvraag om goedkeuring indienen bij de Europese Unie. De beoordeling gaat waarschijnlijk enkele maanden duren.
‘Het meest interessante is dat de EU tot dusverre geen kritiek heeft geuit op de vaccin-afvalligen’
Ook Polen overweegt om het Sinopharm-vaccin aan te kopen, aldus Polityka. De Poolse premier Andrzej Duda en de Chinese president Xi Jinping bespraken onlangs deze mogelijkheid, en de Poolse president ‘was verheugd te horen dat Beijing bereid was de door China geproduceerde vaccins in te zetten als wereldwijd publiek goed’.
Over eventuele leveringen van het Chinese vaccin aan Polen is niets bekend. Maar minister van Volksgezondheid Adam Niedzielski verklaarde dat zonder Europese goedkeuring het Chinese vaccin niet naar Poolse burgers zal gaan, schrijft Polityka.
‘Het meest interessant is nog dat de EU tot dusverre geen kritiek heeft geuit op de vaccin-afvalligen en waarschijnlijk niet weet hoe ze hiertegen moet optreden. Hoewel de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, alle vaccinfabrikanten uitnodigde om EMA-goedkeuring aan te vragen, zette ze vraagtekens bij de effectiviteit van Spoetnik V (zonder wetenschappelijk bewijs te leveren). De chaos wordt ook verergerd door de Franse president Emmanuel Macron, die op zijn beurt twijfelt aan de soepele werking van AstraZeneca’, analyseert Polityka.
‘Nogmaals, op EU-niveau is er geen eensgezinde strategie om de pandemie aan te pakken’, schrijft het Poolse weekblad. ‘Als Hongarije, Slowakije en andere landen die vaccins gebruiken zonder goedkeuring van het EMA, niet door Brussel worden gestraft of zelfs maar bekritiseerd, zal dat een nieuwe klap zijn voor Von der Leyen en de Europese solidariteit. Het was de bedoeling dat er één gezamenlijk aankoopbeleid zou komen, maar achter de schermen werd er op individuele basis onderhandeld. Nu koopt elke staat elk vaccin dat hij kan bemachtigen. De ene mislukking volgt na de andere voor de Europese Unie’, aldus Polityka.
Driekoppige alliantie
Ook Israël, dat wereldwijd vooroploopt met vaccineren, gaat allianties aan met Europese landen buiten de EU om. Denemarken en Oostenrijk gaan samen met het Midden-Oosterse land een ‘vaccinatie-alliantie’ beginnen, meldt de Oostenrijkse krant Kurier.Het zou gaan om zogenoemde tweedegeneratievaccins, die bescherming moeten bieden tegen nieuwe varianten.
‘De EU kan het niet voor elkaar krijgen, we moeten het heft in eigen handen nemen – dat is het signaal dat Oostenrijk en Denemarken afgeven’, schrijft de Süddeutsche Zeitung.
De Deense krant Politikenneemt fel stelling tegen het verbond met Israël. ‘Denemarken mag geen coronavaccins van Israël kopen. (…) In plaats van zich te laten omkopen met vaccins, zou Mette Frederiksen deze gelegenheid moeten aangrijpen om Benjamin Netanyahu duidelijk te maken dat Denemarken de Palestijnen niet vergeten is, en geen vaccins zal aanvaarden die eigenlijk naar hen zouden moeten gaan. Ook bij pandemieën moeten er grenzen zijn aan nationaal eigenbelang – ook al lijkt het erop dat Israël die uit het oog heeft verloren’, concludeert het Deense dagblad.
Pas op
L’Echo blikt terug op hoe het Europese vaccinatiebeleid ooit begon: ‘Op het hoogtepunt van de crisis begon men te dromen van Europese en zelfs mondiale samenwerking bij de productie van een vaccin dat de meest geavanceerde technologieën van de eenentwintigste eeuw in dienst van de mensheid zou stellen.’
Toch lijkt veel van het optimisme dat hieraan ten grondslag lag, uitgedoofd. ‘Nationaal egoïsme, geostrategische reflexen, het onvermogen van politici om een visie te ontwikkelen die verder reikt dan hun achterban, of gewoonweg twijfels over de vaccins, verhinderen dat deze droom werkelijkheid wordt’, analyseert L’Echo. ‘Het is echter nooit te laat om een dergelijke eenheid tot stand te brengen, door een bredere industriële samenwerking en door de aandacht te richten op succesvolle voorbeelden’, besluit de Belgische krant.
‘De verleiding om er afzonderlijk uit te komen is de kiem van andere toekomstige crises, van wrok en verdeeldheid. Pas op’, waarschuwt El País.
De EU-top van donderdag en vrijdag moet het Pools-Hongaars tegen het rechtsstaatmechanisme breken. Europese commentatoren staan vrijwel unaniem achter de strenge opstelling van de EU.
‘Europa is in nood’, opent het commentaar van Der Tagespiegel. Het veto van Polen en Hongarije tegen het financiële pakket van de EU ter waarde van ruim 1800 miljard euro, bedreigt de slagkracht van de EU. Als de regeringleiders op de EU-top van donderdag en vrijdag geen overeenstemming bereiken, zal de EU zich voor het eerst in dertig jaar met een noodbegroting moeten behelpen. Geld voor onderzoek en infrastructuur kan dan niet meer worden uitbetaald. Het pakket bestaat uit de meerjarenbegroting 2021-2027 van bijna 1100 miljard euro en het coronaherstelfonds van 750 miljard euro.
De Süddeutsche Zeitung is dan ook van mening dat ‘Merkel zich van haar strenge kant moet laten zien’. De Duitse bondskanselier heeft vanwege het Duitse voorzitterschap van de Europese Raad de leiding tijdens de EU-top. Merkel heeft altijd geprobeerd om eenheid te bewaren in de EU, maar als het gaat om ‘de democratie en de rechtstaat, is een klassiek Europees compromis uitgesloten’, aldus het Münchense dagblad.
Druk
Maar de EU heeft genoeg middelen om de dwarsliggende landen onder druk te zetten, aldus SZ. ‘Het is mogelijk om het coronaherstelfonds op te starten zonder Polen en Hongarije. Vooral Polen zou dit geld pijnlijk missen. Beide landen zouden er bovendien onder lijden als de EU met een noodbegroting komt. (…) Het is terecht dat Brussel nu openlijk dreigt met “Plan B” en eist dat de twee regeringen nog vóór de top stoppen te dreigen met een veto. Hoe geloofwaardiger de druk van Brussel is, des te moeilijker zal het voor Polen en Hongarije worden om te bepalen of ze werkelijk bereid zijn de prijs voor hun veto te betalen ten koste van hun eigen volk.’
Manfred Weber, voorzitter van de Europese Volkspartij, verklaart tegen Bloomberg dat hij het veto van Polen en Hongarije ‘onverantwoordelijk’ vindt.
Het Poolse weekblad Polityka verwacht dat Polen eerder zal buigen dan Hongarije. ‘Het blijft de centrale vraag of Viktor Orbán wordt gedreven vanuit een ideologisch principe [namelijk dat de EU niets te zeggen heeft over de Hongaarse rechtsstaat], in welk geval een veto nauwelijks te vermijden is, of dat hij vooral wil voorkomen dat er consequenties volgen wanneer wordt ontdekt dat er met EU-middelen is gefraudeerd. Polen wordt beschouwd als een minder harde noot om te kraken. In zijn huidige vorm zou het ‘geld in ruil voor controle op de rechtsstaat’-plan aanvaardbaar zijn voor de PiS-regering, aangezien de EU-fondsen in ons land min of meer correct worden beheerd.’
Voor de Hongaarse onafhankelijke anticorruptieorganisatie K-Monitor is het evident dat Orbán aan zijn veto vasthoudt uit angst voor de aanpak van fraude in Hongarije. ‘Ik ben er vrij zeker van dat dit een van de redenen is waarom Orbán zijn veto uitsprak over het wetsvoorstel,’ zegt Sandor Lederer tegen Le Monde. Lederer is de directeur van K-Monitor en heeft zich de laatste jaren gericht op de vastgoedactiviteiten van familieleden van Orbán. Een van de verdachte vastgoedprojecten die met Europees geld werden gefinancierd, is een voetbalstadion met 4500 zitplaatsen in het Hongaarse dorp Felcsut, dat maar 1800 inwoners telt en het geboortedorp is van Orbán. [Lees hierover ook dit artikel uit 360: De roekeloze voetbalobsessie van Viktor Orbán.]
‘Wij, als inwoners van een land waarvan de politici vaak in de clinch liggen met Brussel, moeten het hier niet mee eens zijn’
De Tsjechische kwaliteitskrant Hospodárske Noviny is kritisch over het ultimatum van de EU. Zij vreest dat wanneer de EU doorzet met een alternatief herstelplan en een noodbegroting zonder Polen en Hongarije, er een precedent wordt geschapen voor het uitsluiten van landen. En dat kan ook gevolgen hebben voor Tsjechië. ‘Wij, als inwoners van een land waarvan de politici vaak in de clinch liggen met Brussel’, schrijft de krant in een commentaar, ‘moeten het daar niet mee eens zijn. (…) Als er deze keer sprake is van een plan voor 25 landen zonder Polen en Hongarije, kan Tsjechië de volgende keer om wat voor reden dan ook eveneens worden buitengesloten.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.