Azië gaat 2026 in als het zwaartepunt van de wereldeconomie en als toneel van stille maar diepgaande systeemveranderingen. China probeert zich te presenteren als stabiele handels- en ontwikkelingspartner tegenover een grillig Amerika, terwijl landen als India, Bangladesh, Japan en Vietnam hun binnenlandse spelregels herschrijven. Ondertussen wordt met eilanden als Tuvalu letterlijk en juridisch getest wat er van een staat overblijft als het land verdwijnt.
China: betrouwbare handelspartner?
Aan het eind van 2026 ontvangt Xi Jinping de leiders van zo’n drie vijfde van de wereldeconomie op de APEC-top in China. Dat wordt niet slechts een diplomatiek feestje; Beijing wil expliciet laten zien dat het, in tegenstelling tot Trumps Amerika, de betrouwbare economische partner is in een wereld van handelsoorlogen en ad-hoctarieven.
De contouren daarvan zijn in 2025 al zichtbaar. China wist de ASEAN-landen, die klagen over Chinese dumpprijzen, toch te verleiden tot een geüpdatet vrijhandelsakkoord dat het juist moeilijker maakt om Chinese import af te weren. Er liggen plannen voor nieuwe handelsakkoorden met Golfstaten en Zuid-Korea, en zelfs voor een mogelijke hernieuwde toetreding tot het Trans-Pacific Partnership – het handelsblok dat Obama ooit ontwierp om China te omzeilen en dat Trump vervolgens direct weer opzegde.
De APEC-top wordt het podium waarop China zijn model tegenover dat van Trumps Amerika zet: AI als hulpmiddel voor het Globale Zuiden in plaats van een race, voorzichtig klimaatbeleid dat naast dat van klimaatontkenner Trump ineens verantwoord oogt. Tegelijk blijft het risico bestaan dat Washington elk land dat te dicht naar Beijing opschuift alsnog via vage ‘transshipment’-tarieven treft. ‘Betrouwbaar’ is in 2026 een relatief begrip.
Bangladesh: een kleine revolutie
In Bangladesh moet 2026 het jaar van de democratische wedergeboorte worden. Na de studentenprotesten die in 2024 het autoritaire bewind van Sheikh Hasina ten val brachten, kreeg Nobelprijswinnaar Muhammad Yunus de leiding over een interim-regering. De euforie was groot: eindelijk een breuk met vijftien jaar machtsconcentratie en uitholling van instituties.
Maar het tussenjaar 2025 is vooral een politiek vacuüm. Hervormingsplannen komen traag, juridische basis en uitvoering blijven vaag. Bovendien dreigt het oude patroon van wraakpolitiek terug te keren: het verbod op de partij Awami Moslim Liga en arrestaties van haar aanhangers doen denken aan precies de vergeldingslogica waar Bangladesh van af wilde.
Als er begin 2026 daadwerkelijk vrije verkiezingen komen, is dat op zichzelf al een kleine revolutie: de stembusgang van 2024 was een farce. Maar wie er ook wint – de bekritiseerde maar kansrijke BNP of islamistische partijen – er liggen enorme dossiers klaar: een textielsector die door Amerikaanse tarieven onder druk staat, jeugdwerkloosheid en de vraag hoe dicht Dhaka naar China durft te kruipen zonder aan de strategische relatie met India te tornen.
India: tellen is macht herverdelen
Waar Bangladesh hoopt überhaupt weer verkiezingen te kunnen houden, gebruikt India 2026 om de spelregels zelf te herschrijven via iets ogenschijnlijk neutraals als een census.
Voor het eerst in zestien jaar worden alle inwoners weer geteld. De operatie – 3,5 miljoen tellers, van de Himalaya tot de regenwouden – moet niet alleen laten zien hoeveel Indiërs er precies zijn, maar vooral wie waar woont, tot welke kaste men behoort en hoe de machtsbalans verschoven is. De uitkomst vormt de basis voor drie gevoelige herschikkingen. Ten eerste: vrouwenquota. Een grondwetswijziging voorziet erin dat een derde van de zetels in het parlement en de deelstaatassemblees na de nieuwe census naar vrouwen gaat. Formeel is dat een sprong vooruit; informeel bestaat de vrees dat mannelijke machthebbers simpelweg echtgenotes en dochters naar voren schuiven.
Ten tweede: kastegegevens. Voor het eerst sinds de onafhankelijkheid wordt systematisch gevraagd naar kaste, in een politiek die al decennia draait op kastecoalities en positieve discriminatie India bereidt zich voor op 1,45 miljard mensen, Tuvalu ziet het land letterlijk onderlopen zonder actuele cijfers. Wie talrijker blijkt dan gedacht, zal meer van de koek opeisen; wie krimpt, verliest invloed.
Ten derde: herindeling van kiesdistricten. De demografisch succesvolle, relatief welvarende zuidelijke staten zullen onvermijdelijk zetels afstaan aan het armere, bevolkingsrijkere noorden. Dat versterkt vermoedelijk de greep van Modi’s BJP, die in het noorden domineert, maar is democratisch moeilijk aanvechtbaar: een land waarin de ene stem twee keer zo veel weegt als de andere houdt zichzelf voor de gek.
Parallel werkt India aan een heel andere vorm van herverdeling: die van digitale macht. AI-toepassingen worden gebouwd bovenop bestaande publieke infrastructuur – Aadhaar, UPI – en gevoed met open datasetprojecten in 22 talen. Het ideaalbeeld: AI als publieke nutsvoorziening, gecontroleerd door instituten die burgers al vertrouwen, in plaats van ondoorzichtige zwarte dozen van Big Tech.
Tuvalu komt aan wal
Terwijl India zich voorbereidt op het tellen van 1,45 miljard mensen, telt Tuvalu vooral de jaren tot zijn eiland letterlijk onderloopt. In 2026 zullen de eerste officieel erkende ‘klimaatvluchtelingen’ in Australië arriveren: tot 280 Tuvaluanen per jaar mogen zich er permanent vestigen onder het Falepili-verdrag.
Op papier gaat het om migratie; in de praktijk is het een juridisch experiment in staatsrecht. Tuvalu heeft met Australië en een groep andere landen afgesproken dat het, zelfs als zijn landoppervlak verdwijnt, zijn status als staat en zijn exclusieve economische zone behoudt. De VN-jurisprudentie schuift langzaam dezelfde kant op: soevereiniteit wordt losgekoppeld van fysieke grond.
Voor Australië is het verdrag ook een middel om China buiten de veiligheidsarchitectuur van de Pacifische eilanden te houden; Tuvalu moet Canberra eerst raadplegen voordat het andere veiligheidsdeals sluit. En voor Tuvalu zelf dreigt een braindrain: een staat van elfduizend inwoners kan geen honderden ambtenaren missen zonder uitgehold te raken. Zo groeit klimaatadaptatie uit tot een strijdpunt dat mensenrechten, territoriale claims en geopolitieke invloed in de Stille Oceaan onder druk zet.
In transitie: Japan en Vietnam
In Japan wordt in 2026 voor het eerst in 77 jaar het familierecht herzien: gezamenlijke voogdij na echtscheiding wordt eindelijk mogelijk. Dat moet de armoede onder alleenstaande moeders terugdringen en vaders dwingen meer financiële en emotionele verantwoordelijkheid te nemen. Tegelijk vrezen vrouwenorganisaties dat de maatregel slachtoffers van huiselijk geweld juist aan hun ex-partner geketend zal houden.
Intussen schuurt het land langs andere grenzen van traditie en gelijkheid. De eerste vrouwelijke premier is verkozen, maar ze is sociaal conservatief en verzet zich tegen iets ogenschijnlijk eenvoudigs als het recht op verschillende achternamen binnen een huwelijk. Rechtbanken verklaren het verbod op het homohuwelijk ongrondwettig; gemeenten erkennen in de praktijk al duizenden partnerschappen.
Energie & klimaat 2026: waarom het afbouwen van olie en gas centraal komt te staan
Wereldwijd groeit het besef dat klimaatdoelen niet haalbaar zijn zonder een scherpe reductie van olie en gas – niet alleen door schonere energiesystemen te creëren, maar ook door daadwerkelijk minder fossiele brandstoffen te winnen.
Uit angst voor economische verstoring schuiven veel landen die conclusie voor zich uit, maar de terughoudendheid begint scheuren te vertonen.
Ten eerste verandert de geopolitieke context. De combinatie van extreem weer, nieuwe analyses van het IPCC en toenemende druk van verzekeraars en financiële markten maakt fossiele investeringen risicovoller. Grote fondsen beginnen zich terug te trekken uit olieprojecten met een lange terugverdientijd, terwijl alternatieven – zonne- en windenergie, maar ook opslag en elektrolyse – sneller rendabel worden dan verwacht.
Ten tweede kantelt de publieke opinie. In Europa en Latijns-Amerika groeit een jongere generatie kiezers op voor wie klimaatbeleid gelijkstaat aan bestaanszekerheid: betaalbare energie, minder luchtvervuiling, minder afhankelijkheid van geopolitiek instabiele leveranciers. Dit zet regeringen onder druk om niet alleen emissies te reduceren maar daadwerkelijk productieplafonds te bespreken. Ten derde verandert het energieland- schap technologisch. De wereldwijde doorbraak van goedkope batterijen, warmtepompen en elektrische industriële processen maakt de klassieke rol van gas als ‘overgangsbrandstof’ steeds dubieuzer.
Zo ontstaat in 2026 voor het eerst een serieuze internationale discussie waarin het afbouwen van olie en gas zelf – niet alleen mitigatie of compensatie – het hoofdthema wordt. Olieproducenten winnen de slag van de dag, maar verliezen langzaam maar zeker de strijd van het decennium.
Vietnam kiest een andere route: geen debat, maar doorrammen. Onder partijleider Tô Lâm wordt de private sector officieel tot ‘belangrijkste motor’ van de economie verklaard. Ministeries verdwijnen, provincies worden samengevoegd, tienduizenden ambtenaren kunnen vertrekken. Investeringen in infrastructuur schieten omhoog; de ambitie is een soort turboversie van het oude exportmodel, nu met R&D, financiële hubs en snellere vergunningverlening.
Maar ook hier is de geopolitiek uiteraard niet te negeren. De VS zijn de grootste afzetmarkt voor Vietnamese export, en zij scherpen de regels tegen ‘doorvoer’ van Chinese goederen juist aan. Als Washington in 2026 echt probeert Chinese componenten uit mondiale ketens te wringen, kan Vietnam ineens klem komen te zitten tussen zijn economische afhankelijkheid van China en zijn strategische flirt met Amerika.
De tropische storm bereikte de kust met windsnelheden tussen 118 en 133 km/uur, zo meldde het Nationaal Centrum voor Hydro-Meteorologische Voorspellingen van Vietnam maandag. Kajiki, de vijfde tyfoon die Vietnam dit jaar treft, veroorzaakte golven tot 9,5 meter hoog in de Golf van Tonkin. Bijna 44.000 mensen werden geëvacueerd uit het centrum van het land en 16.000 militairen werden gemobiliseerd. Eén persoon is omgekomen en acht mensen zijn gewond geraakt.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Ongeveer 325.500 mensen uit vijf kustprovincies moeten nog worden geëvacueerd naar scholen en openbare gebouwen. Daarnaast zijn twee binnenlandse luchthavens gesloten en vijfendertig vluchten geannuleerd, terwijl alle vissersboten die zich in het pad van de tyfoon bevonden, zijn teruggeroepen naar de haven.
‘Volgens meteorologen schuilt het grootste gevaar van Kajiki nu in de stortregens en het risico op plotselinge overstromingen en aardverschuivingen’, meldt de Engelstalige Vietnamese website VnExpress.
De Vietnamese autoriteiten hebben zondag ‘noodmaatregelen’ genomen in afwachting van de komst van de tyfoon Kajiki, die volgens VnExpress International maandag aan de oostkust van het land zou moeten aankomen. Om ‘de risico’s te minimaliseren’ hebben de autoriteiten van verschillende kustgebieden in het midden van het land ‘bijna 587.000 mensen’ geëvacueerd en ‘vissersboten verboden om uit te varen’, aldus de website.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Zondag had Kajiki al windsnelheden van 170 km/u en de tyfoon zou in de loop van de nacht nog aan kracht winnen. Meteorologen voorspellen een ‘extreem woelige’ zee in het noordelijke deel van de Zuid-Chinese Zee, terwijl in het binnenland ‘zware regenval wordt verwacht van de Rode Rivierdelta tot in het centrum van Vietnam’. In sommige gebieden zou de neerslag kunnen oplopen tot 700 mm, ‘waardoor het risico op plotselinge overstromingen en aardverschuivingen toeneemt’.
Vietnam is de derde grootste netto-exporteur naar de VS
De Verenigde Staten en Vietnam hebben woensdag ‘een handelsovereenkomst gesloten om de douanerechten op hun goederen te verlagen’, meldt Nikkei Asia. Vietnamese producten zullen bij binnenkomst in de Verenigde Staten worden belast met een toeslag van 20 procent (40 procent als ze vanuit Vietnam worden geëxporteerd maar buiten het land zijn vervaardigd) – toeslagen die bovenop de reeds bestaande douanerechten komen. Amerikaanse goederen die door Vietnam worden geïmporteerd, zullen daarentegen niet worden belast, verzekerde de Amerikaanse president Donald Trump.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Vietnam zal doen wat het nog nooit eerder heeft gedaan: de Verenigde Staten volledige toegang verlenen tot hun handelsmarkten’, met ‘nul’ douanerechten, schreef hij op zijn netwerk Truth Social. ‘Het handelstekort van de Verenigde Staten met Vietnam bedroeg vorig jaar ongeveer 123 miljard dollar, waarmee Vietnam na China en Mexico de grootste netto-exporteur naar de Verenigde Staten is’, merkt Nikkei Asia op.
De junta heeft de internationale gemeenschap om hulp gevraagd
Het aantal mensen dat in Myanmar omgekomen is door de overstromingen is verdubbeld ten opzichte van het aantal dat eerst werd gemeld. Ook worden er 77 mensen vermist nadat tyfoon Yagi over het land raasde, aldus de Birmese staatstelevisie maandagavond. Volgens officiële gegevens zijn door overstromingen en aardverschuivingen als gevolg van de tyfoon, die eerder deze maand Zuidoost-Azië trof, in totaal meer dan vijfhonderd mensen om het leven gekomen in Myanmar, Vietnam, Laos en Thailand.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Volgens de Birmese televisiezender MRTV hebben de overstromingen ook bijna 260.000 hectare rijstvelden en andere gewassen in het land verwoest. ‘De crisis heeft de heersende junta ertoe aangezet een beroep te doen op de internationale gemeenschap om hulp’, een ‘ongebruikelijke’ beslissing, aldus Hindustan Times, die specificeert dat India 10 ton hulpmiddelen heeft gestuurd, inclusief rantsoenen droog voedsel, kleding en medicijnen.
Mogelijk zou het ontslag te maken hebben met corruptie
De Vietnamese president Vo Van Thuong heeft woensdag zijn ontslag ingediend. Dat meldt The Financial Times. Volgens de regering heeft Thuong ‘de partijregels overtreden’, verwijzend naar de statuten van de Communistische Partij. Thuong was slechts een jaar aan de macht in Vietnam.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De president heeft in Vietnam een grotendeels ceremoniële rol, maar desondanks is het een van de vier hoogste politieke functies in de Zuidoost-Aziatische natie. In de regeringsverklaring werd niet verder ingegaan op de acties van Thuong, al wordt in Vietnamese media gespeculeerd over mogelijke corruptie.
Het ontslag van Thuong volgt op de arrestatie van een voormalig hoofd van de provincie Quang Ngai in Vietnam, die tien jaar geleden werd gearresteerd wegens vermeende corruptie, terwijl Thuong daar partijleider was. Daarnaast werkte hij in het economische centrum van Ho Chi Minhstad, waar momenteel een groot corruptieproces tegen ondernemers loopt.
Fabrieken in heel Azië hebben moeite om jonge werknemers aan te trekken. Het geglobaliseerde productiemodel dat de verkoop van goedkope goederen over de hele wereld mogelijk maakte, is daardoor niet meer in stand te houden.
De werkplek heeft ramen van de vloer tot het plafond, een café waar matcha wordt geserveerd en er zijn gratis yoga- en danslessen. Werknemers komen bij elkaar tijdens maandelijkse teambuildingsessies en om bier te drinken, te karten of te bowlen. Dit is niet Google. Dit is een kledingfabriek in Vietnam.
Azië, de werkplaats van de wereld en de bron van veel van de spullen die Amerikanen kopen, loopt tegen een groot probleem aan: de meeste jonge mensen willen niet in een fabriek werken. Daarom probeert deze kledingfabriek de werkvloer aantrekkelijker te maken. Ondertussen gaan er alarmbellen rinkelen bij westerse bedrijven die erop vertrouwen dat de goedkope arbeidskrachten uit deze regio betaalbare consumptiegoederen produceren.
‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken’
De nadagen van de ultragoedkope Aziatische fabrieksarbeid zijn begonnen. Het is de nieuwste uitdaging voor het geglobaliseerde productiemodel, dat de afgelopen drie decennia een breed scala aan goedkoop gefabriceerde goederen voor consumenten over de hele wereld mogelijk maakte. Amerikanen die gewend zijn aan goedkope mode en flatscreens zullen binnenkort wellicht te maken krijgen met hogere prijzen.
‘Nergens ter wereld kun je wat dat betreft nog krijgen wat je wil,’ zegt Paul Norriss, de Britse medeoprichter van de Vietnamese kledingfabriek UnAvailable in Ho Chi Minhstad. ‘Mensen zullen hun consumentengedrag moeten aanpassen, en dat geldt ook voor merken.’
Trainingsprogramma
Werknemers van in de twintig, traditioneel gezien de arbeidskrachten in de kledingindustrie, stoppen vaak voortijdig met het trainingsprogramma van zijn bedrijf, zegt Norriss. En degenen die blijven, werken er vaak maar een paar jaar. Norriss hoopt dat het aantrekkelijker maken van de werkplek het verschil zal gaan maken. ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken,’ zegt hij.
Als gevolg van de crisis hebben Aziatische fabrieken de lonen moeten verhogen en soms dure strategieën moeten toepassen om hun werknemers te behouden: van het verbeteren van het aanbod in kantines tot het realiseren van crèches voor de kinderen van werknemers.
Ook Nike gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten
Speelgoedfabrikant Hasbro zei eerder dit jaar al dat het tekort aan arbeidskrachten in Vietnam en China de kosten heeft opgedreven. Barbiefabrikant Mattel, die een grote productiebasis heeft in Azië, worstelt ook met stijgende loonkosten. Beide bedrijven hebben de prijzen van hun producten verhoogd. Ook Nike, dat de meeste van zijn schoenen in Azië maakt, gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten.
‘Amerikaanse consumenten die altijd gewend zijn geweest aan min of meer vaste prijzen voor bepaalde producten zullen zich moeten instellen op een nieuwe situatie,’ zegt de Londense econoom Manoj Pradhan, coauteur van The Great Demographic Reversal.
Generatieprobleem
Vanaf de jaren negentig werden China en andere Aziatische productiecentra onderdeel van de wereldeconomie, waardoor landen met arme boeren veranderden in grootmachten op productiegebied. Duurzame goederen zoals koelkasten en sofa’s werden goedkoper. Maar nu stuiten deze productielanden op een generatieprobleem. Jongere werknemers, die beter opgeleid zijn dan hun ouders en ervaring hebben met Instagram, TikTok en andere sociale media, vinden dat hun werk zich niet binnen fabrieksmuren zou moeten afspelen.
Demografische verschuivingen spelen daarbij een rol. Jonge mensen in Azië krijgen minder en op latere leeftijd kinderen dan hun ouders, wat betekent dat ze, wanneer ze in de twintig zijn, minder onder druk staan om een vast inkomen te verdienen. Dankzij een bloeiende dienstensector kunnen ze kiezen voor minder slopend werk, als medewerker in een winkelcentrum of als receptionist in een hotel.
In China is het probleem acuut. De jeugdwerkloosheid in de steden bedroeg daar in juni 21 procent, ook al hebben fabrieken een tekort aan arbeidskrachten. Multinationals hebben hun productie verplaatst van China naar landen als Maleisië, Indonesië, Vietnam en India, maar ook daar zeggen fabriekseigenaren moeite te hebben om jongeren aan te trekken.
‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte’
Volgens gegevens van de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties zijn de fabriekslonen in Vietnam sinds 2011 meer dan verdubbeld, tot 320 dollar per maand – een drie keer zo hoge stijging als in de VS. In China stegen de fabriekssalarissen van 2012 tot 2021 (de laatste periode waarover gegevens van de VN beschikbaar zijn) met 122 procent.
Nguyen Anh Tuan, een 25-jarige Vietnamees, stopte eerder dit jaar als monteur in een fabriek voor auto-onderdelen in een voorstad van Hanoi, om te gaan werken als motorrijder voor Grab, het lokale equivalent van Uber. Hij vervoert passagiers voor een lager uurloon dan hij in de fabriek verdiende, maar zegt dat de verandering de moeite waard is, want nu is hij zijn eigen baas. ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte,’ zegt Tuan over de drie jaar die hij in de fabriek werkte. Hij zou alleen nog verleid kunnen worden tot fabriekswerk als ze zijn vroegere maandsalaris van 400 dollar zouden verdubbelen, zegt hij.
In het verleden konden fabrikanten hun productie simpelweg naar minder dure bestemmingen verplaatsen, maar tegenwoordig is dat niet meer zo eenvoudig. Veel landen in Afrika en Zuid-Azië met grote hoeveelheden arbeidskrachten zijn politiek instabiel of hebben geen goede infrastructuur of voldoende geschoolde arbeidskrachten. Kledingmerken kregen het zwaar te verduren toen ze hun activiteiten uitbreidden naar Myanmar en Ethiopië, en daar werden geconfronteerd met onlusten en burgeroorlog. Bangladesh is een betrouwbare basis voor de productie van kleding, maar een restrictief handelsbeleid en te grote drukte in de havens verhinderen een verdere ontwikkeling.
Liever boer
India heeft een enorme bevolking en bedrijven die op zoek zijn naar alternatieven voor China gaan vaak die kant op. Maar ook in India beginnen fabrieksmanagers te klagen hoe moeilijk het is om jonge werknemers vast te houden. Veel jongeren worden liever boer, gesteund door socialewelzijnsprogramma’s, of verkiezen tijdelijke baantjes in de stad boven het leven in een industrieel centrum met fabrieksslaapzalen. Gediplomeerde ingenieurs verlaten fabrieken voor IT-banen.
Aziatische fabriekseigenaren proberen de banen aantrekkelijker te maken door onder meer het subsidiëren van crèches en het financieren van technische trainingsprogramma’s. Sommigen verplaatsen hun fabrieken naar landelijke gebieden waar mensen eerder bereid zijn om met hun handen te werken. Dat brengt ze echter wel verder weg van havens en leveranciers, en dwingt ze om zich aan te passen aan het leven op het platteland, waar werknemers vaak tijdens de oogsttijd afwezig zijn.
Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen
Christina Chen, de Taiwanese eigenaar van een meubelbedrijf dat zijn producten verkoopt aan Amerikaanse winkelketens, besloot vier jaar geleden om haar fabriek weg te halen uit het zuiden van China, in de hoop dat het elders makkelijker zou zijn om personeel te werven. Eerst overwoog ze de industriegebieden rond Ho Chi Minhstad, maar ze hoorde vreselijke verhalen over een hoog personeelsverloop en torenhoge lonen.
In plaats daarvan vestigde ze zich op het platteland van Noord-Vietnam. Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen, zegt ze, waardoor het werk mondeling moet worden uitgelegd, of met visuele demonstraties. Maar het personeel is wel stabieler, zegt ze.
Ze is blij met de jongere werknemers die wel kunnen lezen. Ze betrekt hen bij de besluitvorming, nodigt ze uit om haar Amerikaanse inkopers te ontmoeten die langskomen en laat hen foto’s zien van hun tafels en stoelen in Amerikaanse winkels. Haar bedrijf, Acacia Woodcraft Vietnam, is gedeeltelijk geautomatiseerd, zegt ze, maar voor veel taken is nog steeds menselijk vakmanschap nodig.
Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31
Het arbeidslandschap zag er twintig jaar geleden heel anders uit, toen je om werknemers te vinden alleen maar de fabriekspoorten hoefde te openen en de arbeiders op de fiets binnenstroomden. In 2001 meldde Nike dat ruim 80 procent van zijn fabrieksarbeiders in Azië werkte en dat de gemiddelde arbeider 22 jaar oud was, alleenstaand en opgegroeid op het platteland. Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31, mede doordat de Aziatische landen snel vergrijzen.
Extra trainingen
Maxport Limited Vietnam, een toeleverancier van Nike die in 1995 werd opgericht, heeft de strijd om werknemers zien toenemen. Bij de fabrieken van dit bedrijf schijnt nu zonlicht door de ramen en Maxport heeft duizenden planten en bomen geplant. Het bedrijf geeft jonge werknemers extra trainingen, zodat ze kunnen doorgroeien tot supervisor. Toch heeft het moeite om jonge mensen aan te trekken. Het is gestopt met een trainingsprogramma voor jongeren die net van de middelbare school komen, deels omdat maar weinigen van hen daarna een baan accepteerden, zegt senior complianceofficer Do Thi Thuy Huong. Ongeveer 90 procent van de werknemers van Maxport is dertig jaar of ouder.
Lovesac, een meubelfabrikant in Connecticut, zegt dat zijn personeelsbestand in China aan het vergrijzen is en dat het moeilijker is geworden om jongere werknemers te vinden om vacatures in te vullen. Directeur Shawn Nelson zegt dat jongeren uit landen als China en Vietnam, die tegenwoordig smartphones hebben en in contact staan met de rest van de wereld, minder interesse hebben in fabriekswerk. ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen,’ zegt hij. ‘Dan werken ze liever in een winkel.’
‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen’
Het bedrijf is van plan om een aantal activiteiten naar de VS te verplaatsen. Later dit jaar wil het beginnen met de productie van stoelen in een geautomatiseerde fabriek in North Carolina.
Aziatische fabrieken die automatiseren hebben veel moeite om werknemers te vinden die de geavanceerde machines kunnen bedienen. Managers zeggen dat er niet genoeg jongeren zijn die geïnteresseerd zijn in werktuigbouwkunde, en dat degenen die dat wel zijn voor andere beroepen kiezen.
Abhyuday Jindal, directeur van Jindal Stainless, een Indiase fabrikant van roestvrij staal, zegt dat werknemers uit generatie Z zich aangetrokken voelen tot de IT-sector en dat de meesten van hen ‘op zoek gaan naar een kantoorbaan, ook als ze worden aangenomen voor een technische functie’.
Fabrieken ‘moeten ofwel meer betalen voor de vaardigheden die ze zoeken, ofwel concessies doen aan de capaciteiten die ze nodig hebben,’ zegt Richard Jackson, directeur van het in Thailand gevestigde wervingsbureau JacksonGrant.
Uniform
In Maleisië, een hub voor halfgeleiders en elektronica, laten fabrieken het dragen van een uniform achterwege – daar hebben jonge werknemers een hekel aan – en laten ze hun faciliteiten opnieuw ontwerpen. ‘We proberen onze fabrieken wat sexyer te maken, tussenwanden te openen, meer glas te gebruiken, meer licht binnen te laten, leuke muziek te draaien en een Apple-achtige omgeving te creëren,’ zegt Syed Hussain Syed Husman, voorzitter van de Maleisische werkgeversfederatie, die de fabrikanten vertegenwoordigt.
Jonge mensen uit ontwikkelingslanden die anders fabriekswerk zouden doen, gaan nu aan de slag in de zorg voor het groeiende aantal ouderen in ontwikkelde landen; ze vullen de gaten op in de vergrijzende beroepsbevolking van die landen. Susi Susanti, een 29-jarige Indonesische, zegt dat ze na haar middelbare school een baan in een fabriek probeerde. Maar de druk die haar managers haar oplegden om sneller te werken, eerst in een elektronicafabriek en daarna in een baan waarbij ze schoenen maakte, beviel haar allerminst. Ze zei tegen haar moeder dat ze iets anders wilde gaan doen.
Tijdens een zes maanden durende cursus leerde ze de basis van het Mandarijn, en vervolgens ging ze aan de slag als verzorgster van een ouder echtpaar in Taiwan. Haar loon is drie keer zo hoog als wat ze in haar thuisland in de fabrieken verdiende, zegt Susanti, en het is minder vermoeiend. ‘Als het goed gaat met de persoon voor wie ik zorg, kan ik me ontspannen.’
De Japanner Itaru Sasaki bouwde in 2010 in zijn tuin op een heuveltop een telefooncel met daarin een niet-aangesloten telefoon met draaischijf, om het nummer van een geliefd overleden familielid te kunnen draaien en te praten over zijn verdriet, meldt Atlas Obscura. Een jaar later werd Japan getroffen door een drievoudige ramp: een aardbeving gevolgd door een tsunami, die de kernramp van Fukushima veroorzaakte. Otsuchi, Sasaki’s geboorteplaats, werd getroffen door negen meter hoge golven, waarbij 10 procent van de inwoners om het leven kwam.
Drie jaar na de ramp hadden tienduizend mensen de telefooncel in Otsuchi bezocht
Sasaki stelde vervolgens zijn kaze no denwa (‘windtelefoon’) open voor het grote aantal mensen in de buurt dat rouwde om het verlies van een dierbare. Het nieuws over de rouwtelefoon verspreidde zich en vanuit het hele land ondernamen verdrietige mensen een tocht naar de telefoon. Drie jaar na de ramp hadden tienduizend mensen de telefooncel in Otsuchi bezocht, en de plek wordt nog altijd intensief gebruikt.
Hortus Maximus in Hongkong
Studio Job, van de Nederlands-Belgische kunstenaar Job Smeets, is een samenwerking aangegaan met het gerenommeerde huis Hermès in Hongkong. Smeets maakte voor het luxe modemerk een etalage waarin een droomachtige oase te zien is. Het tableau moet leven in de betonnen jungle van de stad brengen en voorbijgangers stil laten staan bij deze excentrieke Hortus Maximus. Daarin staan dieren model als elegante boeren en zijn groenten van prijswinnende telers opgeblazen tot ontzagwekkende, Alice in Wonderland-achtige proporties. De mix van surreële, hoogwaardige afwerking kenmerkt het werk van de studio, dat wel vaker verwijst naar zowel het traditionele als het actuele, het organische en het kunstmatige.
Onlineonderwijs vanwege geweld
In de door misdaad geteisterde Ecuadoraanse kustprovincie Guayas – en dan met name in Guayaquil, de grootste stad van het land – gaan scholen tijdelijk over op onlineonderwijs om leerlingen voor geweld te behoeden, aldus Mercopress. Het ministerie van Onderwijs liet op X (voorheen Twitter) weten dat ze van plan is gedurende enige tijd ‘het Onderwijscontinuïteitsplan [onderwijs op afstand] toe te passen in bepaalde onderwijsinstellingen’. Zodra de lessen weer worden hervat moet de steun van veiligheidstroepen ‘prioriteit zijn om de levens en het recht op onderwijs van leerlingen te beschermen,’ aldus het ministerie.
Het aantal moorden en aanslagen steeg in vijf jaar tijd van 5,8 naar ruim 25 per 100.000
Confrontaties tussen rivaliserende bendes begonnen in 2020 met bloedbaden in de gevangenissen, maar het geweld is nu ook overgeslagen naar de straat. Het aantal moorden en aanslagen steeg in vijf jaar tijd van 5,8 naar ruim 25 per 100.000. Experts vrezen dat dit eind 2023 zelfs op 40 per 100.000 zal uitkomen.
Een Ross voor ruim 9 miljoen
A Walk in the Woods, een olieverfschilderij van bomen rond regenplassen uit 1983, is te koop voor 9,85 miljoen dollar (9,26 miljoen euro), zo schrijft Hyperallergic. Dat is een hoop geld, maar het gaat dan ook om het eerste van duizend schilderijen die de Amerikaan Bob Ross (1942-1995) maakte tijdens zijn populaire tv-serie The Joy of Painting. De eerste aflevering van die serie, die elf jaar zou lopen onder Ross’ motto ‘Iedereen kan schilderen’, werd in 1983 uitgezonden. Een andere beroemde uitspraak van Ross is dat er geen fouten bestaan, maar alleen happy accidents, ‘gelukkige ongelukjes’. ‘Volgens Google Analytics is Bob Ross Andy Warhol en Pablo Picasso gepasseerd als meest gezochte kunstenaar op internet,’ aldus de eigenaar van Modern Artifact, de Amerikaanse galerie die het schilderij aanbiedt. ‘Dat is ongelooflijk indrukwekkend, vooral omdat er amper officiële marketing is en zijn originelen vrijwel niet te vinden zijn.’
VS overwegen enorme wapenleverantie aan Vietnam
De Amerikaanse regering is volgens ingewijden in gesprek met Vietnam over de grootste wapenoverdracht in de geschiedenis tussen de twee voormalige vijanden, schrijft Reuters. De deal was afgelopen maand een belangrijk onderwerp van gesprek tussen Vietnamese en Amerikaanse ambtenaren in Hanoi, New York en Washington D.C. Er wordt gesproken over een overeenkomst die binnen een jaar rond zou kunnen zijn en waarin sprake is van de levering van onder meer Amerikaanse F-16 gevechtsvliegtuigen. Washington overweegt gunstige financieringsvoorwaarden voor deze dure levering aan Hanoi, dat krap bij kas zit. Het zou Vietnam kunnen helpen een einde te maken aan de traditionele afhankelijkheid van goedkopere wapens van Russische makelij. De wapenverkoop zou Rusland op een zijspoor zetten, maar wel leiden tot irritatie bij China. Vietnam en buurland China staan op gespannen voet met elkaar vanwege een slepend territoriaal geschil in de Zuid-Chinese Zee, hetgeen verklaart waarom Vietnam zijn maritieme verdediging wil versterken.
De wapenverkoop zou Rusland op een zijspoor zetten, maar wel leiden tot irritatie bij China
Sinds de opheffing van het Amerikaanse wapenembargo in 2016 bleef de export van Amerikaans materieel naar Vietnam beperkt tot schepen voor de kustwacht en trainingsvliegtuigen. Rusland leverde ongeveer 80 procent van het wapenarsenaal van het land. Vietnam geeft jaarlijks naar schatting 2 miljard dollar uit aan de aankoop van wapens en Washington hoopt dat het land op langere termijn een deel van dat budget zal verleggen naar wapens die worden gefabriceerd door de VS of door bondgenoten en partners, zoals Zuid-Korea en India.
De lucht in Europa is ernstig vervuild
Nagenoeg iedereen op het Europese continent woont in een gebied met een gevaarlijk niveau van luchtvervuiling, zo blijkt uit een onderzoek in opdracht van The Guardian. Een analyse van gegevens die werden verzameld met behulp van geavanceerde methoden – zoals gedetailleerde satellietbeelden en metingen door ruim 1400 meetstations – laat zien dat 98 procent van de mensen in Europa op plekken woont waar sprake is van zeer schadelijke fijnstofvervuiling die de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) overschrijdt. Bijna tweederde woont in gebieden waar de luchtkwaliteit meer dan twee keer zo slecht is als de WHO-richtlijnen voorschrijven. Noord-Macedonië is er het slechtst aan toe. Bijna tweederde van de inwoners van dat land woont in gebieden met meer dan vier keer de door de WHO acceptabel geachte hoeveelheid PM2,5 – kleine deeltjes met een doorsnee van nog geen 2,5 micrometer die door de lucht zweven en vooral worden geproduceerd door de verbranding van fossiele brandstoffen. Sommige ervan kunnen de longen of de bloedbaan binnendringen en zo bijna elk orgaan in het lichaam aantasten. Vier andere gebieden in Noord-Macedonië, waaronder de hoofdstad Skopje, blijken een luchtvervuiling te hebben die bijna zes keer zo hoog is als de toegestane norm.
‘Dit is een ernstige crisis voor de volksgezondheid’
Uit de analyse blijkt dat slechts 2 procent van de Europese bevolking in gebieden woont die binnen de gestelde limieten vallen. Experts zeggen dat PM2,5-vervuiling jaarlijks voor ongeveer vierhonderdduizend doden op het continent zorgt.
‘Dit is een ernstige crisis voor de volksgezondheid,’ aldus Roel Vermeulen, hoogleraar milieu-epidemiologie aan de Universiteit Utrecht, die het team van onderzoekers leidde dat op het hele continent gegevens verzamelde. ‘We zien dat bijna iedereen in Europa ongezonde lucht inademt.’ Volgens Vermeulen zijn dit de beste gegevens die momenteel beschikbaar zijn. ‘Nu hebben we politici nodig die moedig en ambitieus zijn en de noodzakelijke stappen zetten om deze crisis aan te pakken.’
Nguyen Xuan Phuc deed als premier weinig tegen corruptie
In Vietnam is Nguyen Xuan Phuc, die sinds 2001 president was van het land, opgestapt, schrijft het Vietnamese Tuoi Tre News. Phuc was eerder premier van het communistische land. Hij zou als leider van zijn land weinig hebben gedaan om corruptie van partijgenoten te bestrijden. Sinds zijn ambtstermijn als premier afliep zijn honderden leden van de Communistische partij vervolgd vanwege corruptie.
Phuc was tussen 2016 en 2021 premier van Vietnam. In die periode zouden veel hooggeplaatste Vietnamezen misbruik hebben gemaakt van hun positie, onder meer door familiereizen op geld van de overheid te maken en valse coronatests uit te delen. De secretaris-generaal van de Communistische partij is sinds de ambtstermijn van Phuc is afgelopen bezig corruptie binnen de partij hard aan te pakken.
Meerdere ministers zijn afgetreden en Phuc is nu dus ook opgestapt. Volgens politieke commentatoren is er echter ook sprake van een interne machtsstrijd. De huidige secretaris-generaal van de partij zou mogelijk opgevolgd worden door Phuc, die in de rol als president van het communistische Vietnam een puur ceremoniële functie vervult.
Vijftig jaar geleden werd de Vietnamese Kim Phuc Phan Thi – toen negen jaar oud — getroffen door een Amerikaanse napalmaanval. De iconische foto ervan maakte Kim plotsklaps het symbool van oorlogsverschrikkingen. Hoewel ze zich aanvankelijk schaamde voor de foto, pleit ze nu voor het laten zien van onmenselijk geweld.
Ik ben opgegroeid in het kleine dorpje Trang Bang in Zuid-Vietnam. Volgens mijn moeder lachte ik als klein meisje veel. We leidden een simpel leven, met eten in overvloed, aangezien mijn familie een boerderij had en mijn moeder het beste restaurant van het dorp runde. Ik weet nog dat ik dol was op school en dat ik samenspeelde met mijn neefjes, nichtjes en de andere kinderen uit het dorp. We deden touwtje springen, renden rond en zaten elkaar vrolijk achterna.
Dat alles veranderde op 8 juni 1972. Ik kan me alleen maar vlagen van de dag herinneren. Ik was met mijn neefjes en nichtjes aan het spelen op de binnenplaats van een tempel. Het volgende moment dook er vlak bij ons een vliegtuig omlaag en klonk een oorverdovend lawaai. Daarna explosies en rook en ondraaglijke pijn. Ik was negen jaar oud.
Napalm blijft aan je kleven, hoe hard je ook rent, en het veroorzaakt verschrikkelijke brandwonden en pijn waar je levenslang last van hebt. Ik kan me niet herinneren dat rende en ‘Nóng quá, nóng quá!’ (‘Te heet! Te heet!’) heb geschreeuwd. Maar uit filmbeelden en herinneringen van anderen blijkt dat ik dat heb gedaan.
Beroemde foto
De foto die die dag van me werd gemaakt, ken je waarschijnlijk. Een foto waarop ik met anderen wegren van de explosies – ik, een naakt kind met uitgestrekte armen, dat het uitschreeuwt van de pijn. De Zuid-Vietnamese fotograaf Nick Ut, werkzaam bij The Associated Press, maakte de foto, die vervolgens over de hele wereld op voorpagina’s te zien was en hem een Pulitzerprijs opleverde. Het zou een van de beroemdste beelden van de Vietnamoorlog worden.
Met die uitzonderlijke foto heeft Nick mijn leven voor altijd veranderd. Maar hij heeft mijn leven ook gered. Nadat hij de foto genomen had, legde hij zijn camera weg, wikkelde hij me in een deken en bracht hij me weg om medische hulp te krijgen. Daarvoor ben ik hem eeuwig dankbaar.
Toch herinner ik me ook dat ik hem soms haatte. Toen ik opgroeide, walgde ik van die foto. Ιk dacht bij mezelf: Ik ben een klein meisje, ik ben naakt. Waarom maakte hij die foto? Waarom beschermden mijn ouders me niet? Waarom drukte hij de foto af? Waarom was ik het enige naakte kind, terwijl mijn broers en neefjes en nichtjes hun kleren aanhadden? Ik voelde me lelijk en ik schaamde me.
Het kind dat door de straat rende werd een symbool van oorlogsverschrikkingen
Toen ik opgroeide, wenste ik soms dat ik zou verdwijnen. Niet alleen vanwege mijn verwondingen – door de brandwonden is een derde van mijn lichaam bedekt met littekens en lijd ik aan intense, chronische pijn – maar ook vanwege de schaamte die ik door mijn verminkingen voelde. Ik probeerde mijn littekens onder mijn kleding te verbergen. Ik had afschuwelijke angsten en depressies. Kinderen op school deinsden voor me terug. Niet alleen mijn buren hadden medelijden met me, maar zelfs, tot op zekere hoogte, mijn ouders. Naarmate ik ouder werd, werd ik bang dat niemand ooit van me zou kunnen houden.
Ondertussen werd de foto nog beroemder, wat het moeilijk maakte om mijn eigen leven te lijden. Door de jaren heen gaf ik ontelbaar veel interviews aan de pers en had ik ontmoetingen met vorsten, premiers en andere bestuurders. Allemaal hoopten ze in de foto en in mijn ervaring een diepere betekenis te vinden. Het kind dat door de straat rende werd een symbool van oorlogsverschrikkingen. De echte persoon keek toe vanuit de schaduw, bang dat ik op de een of andere manier zou worden ontmaskerd als diep beschadigd.
Foto’s leggen per definitie een enkel moment vast. Maar de overlevenden erop, vooral kinderen, moeten op de een of andere manier door met hun leven. We zijn geen symbolen. We zijn mensen. We moeten werk vinden, mensen om lief te hebben, een gemeenschap, een veilige plek waar je kunt leren en waar er voor je wordt gezorgd.
Rust
Pas op volwassen leeftijd, nadat ik naar Canada was uitgeweken, begon ik tot rust te komen. Toen pas kon ik, met de hulp van mijn geloof, echtgenoot en vrienden, ontdekken wat mijn missie in het leven was. Zo hielp ik een stichting op te zetten en begon ik naar oorlogslanden af te reizen om medische en psychologische hulp te bieden aan kinderen, in de hoop ze enig perspectief te kunnen bieden.
Ik weet hoe het is als je dorp gebombardeerd wordt en je huis vernietigd. Hoe het is als familieleden overlijden en er lichamen van onschuldige burgers op straat liggen. Dat zijn de verschrikkingen van de Vietnamoorlog geweest, en ze zijn op ontelbare foto’s vastgelegd en eindeloos vertoond. Helaas zijn het ook de beelden van oorlogen elders, bijvoorbeeld nu in Oekraïne, waar kostbare mensenlevens worden geschaad en verwoest.
En op een andere manier horen de beelden ook bij schietpartijen op scholen. Anders dan op foto’s van buitenlandse oorlogen zien we daarop geen lichamen. Toch zijn de schietpartijen zonder meer een vorm van binnenlandse oorlog. Het lijkt misschien onacceptabel om foto’s van zo’n bloedbad, vooral van kinderen, te delen. Maar we moeten ermee in aanraking komen. Je kunt de realiteit van een oorlog makkelijker negeren als je de gevolgen ervan niet te zien krijgt.
We moeten het geweld frontaal bestrijden, en de eerste stap is om het letterlijk onder ogen te zien
Ik kan niet spreken namens families in Uvalde, Texas. Maar ik denk dat de verschrikkelijke werkelijkheid van de gebeurtenis daar het beste kan worden overgebracht door de nasleep van de schietpartij voor de wereld zichtbaar te maken. We moeten het geweld frontaal bestrijden, en de eerste stap is om het letterlijk onder ogen te zien.
Ik heb de gevolgen van oorlog op mijn lichaam meegedragen. Je ontgroeit littekens niet, lichamelijk noch geestelijk. Ik ben nu dankbaar voor de kracht van die foto van mijn negenjarige zelf, zoals ik ook dankbaar ben voor de manier waarop ik me zelf heb ontwikkeld. Mijn afgrijzen op de foto – een gevoel dat ik me nauwelijks herinner – werd een universeel afgrijzen. Ik ben er trots op dat ik langzamerhand een vredessymbool ben geworden. Het heeft me veel tijd gekost om dat te omarmen. Vijftig jaar later kan ik stellen dat ik blij ben dat Nick dat moment heeft vastgelegd, zelfs met alle moeilijkheden die het beeld gedurende mijn leven met zich meebracht.
De foto zal ons blijven herinneren aan het onuitsprekelijke kwaad waartoe de mensheid in staat is. Toch geloof ik dat vrede, liefde, hoop en vergeving altijd sterker zullen zijn dan welk wapen dan ook.
De mangroves van Can Gio vormen een schild dat de bijna 9 miljoen inwoners van Ho Chi Minhstad beschermt tegen tyfoons die over de Zuid-Chinese Zee rollen. De kleindochters van de vrouwen die het bos ooit herbeplantten, proberen het nu te beschermen.
Balancerend op de trap van haar huis op palen aan de rand van het Can Gio-woud trekt Sang Thi Phung haar rubberlaarzen aan. Het is een van de zeldzame momenten waarop de negenendertigjarige niet op blote voeten loopt. ‘Je kunt hier maar een paar stappen zetten, meer land is er niet. Ik trek alleen slippers aan als ik naar het vasteland ga,’ zegt Sang.
Sang woont in een boswachterspost aan de oever van een rivier die door Can Gio loopt, een groot mangrovebos en Unesco-biosfeer op zo’n 40 kilometer ten zuidoosten van Ho Chi Minhstad. Haar voeten zijn zwart van de gedroogde klei (schoon water is schaars in de wachtpost, die maar zelden door buitenstaanders wordt bezocht). Het regenwater dat zij en haar man in plastic vaten opvangen, is amper voldoende voor hun dagelijkse behoeften.
Sang, die op een telefoontje wacht, loopt naar de sampan die voor het huis ligt vastgebonden. Aan het dak van de boot, de enige plek met bereik, bungelt een oude Nokia. Voor de sampan strekt zich een hoeveelheid rivieren uit die de ogenschijnlijk eindeloze 30.000 hectare mangrovebos doorsnijden. Op deze windstille morgen is de natuur heel stil geworden.
Acht uur ’s ochtends en niemand heeft gebeld, wat betekent dat alles volgens plan zal gaan. Het vertrouwde geluid van een langstaartboot zwelt aan en Sang kan de felroze nón lá (Vietnamese hoed) van haar collega-bewaakster, de tweeënveertigjarige Lan Thi Truong, al zien. Lan, die aan het hoofd staat van een autonome groep woudbeschermers in Can Gio, en Sang hebben met elkaar afgesproken om een nieuwe medewerker te verwelkomen, een derde vrouw die hen komt bijstaan in hun werk als boswachters.
Patrouille
Hoewel ze alle drie bij de rivier zijn opgegroeid, kunnen ze geen van allen zwemmen en dus trekken ze een zwemvest aan. Het water is tot boven de mangrovewortels gestegen, het geschikte moment voor de vrouwen om op patrouille te gaan. Ze manoeuvreren de boot langs de rand van het woud en varen elk smal kanaal af, terwijl de dag vordert. Als de boot eenmaal is vastgebonden en ze elk een lamp op hun hoofd hebben bevestigd, beginnen de vrouwen het hart van het bos in te waden.
‘Het is heel griezelig om alleen in het bos te patrouilleren, dus vragen we anderen om mee te gaan,’ vertelt Sang. ‘Mannen zijn sterker, dus die gaan sneller. Wij vrouwen lopen langzamer, dus als we niet in één dag klaar zijn, gaan we de volgende dag door. We zorgen ervoor dat we overal zijn geweest.’
Ho Chi Minhstad, dat 2000 vierkante kilometer beslaat, staat bekend om zijn continue bouwactiviteiten en gebrek aan groene ruimte. Daarom speelt het Can Gio-mangrovewoud, een van de laatste groene plekken, een rol in de vitaliteit en het overleven van de stad. Het woud wordt weleens beschreven als de groene longen van de stad, maar het zorgt niet alleen voor frisse lucht. Het mangrovebos vormt een schild dat bijna 9 miljoen inwoners beschermt tegen orkanen die over de Zuid-Chinese Zee komen aanrollen. Daarnaast dient het ook als een nier, omdat het afvalwater van de industrie in de stad en nabijgelegen gebieden filtert. Omdat Ho Chi Minhstad elk jaar dieper wegzinkt vanwege het stijgende zeeniveau, is het Can Gio-woud essentiëler dan ooit.
Maar een project van 9 miljard dollar, gesteund door Vietnams grootste conglomeraat Vingroup, dat vorig jaar werd goedgekeurd door de regering, baart wetenschappers en milieuactivisten zorgen. Een 2870 hectare tellend, ‘door de zee doorsnedentoeristisch stadsgebied’ in Can Gio zal naar verluidt gaan worden gebouwd op herwonnen land. Een petitie die naar de regering is gestuurd door een twintigtal milieudeskundigen, wetenschappers en organisaties, waarschuwt voor een potentiële ecologische ramp in het gebied, veroorzaakt door dit project. Het stadsbestuur verdedigt het project omdat het de ontwikkeling in het district ten goede zal komen en werkgelegenheid zal scheppen voor de bewoners.
Nadat ze haar lippen rood heeft gestift en foundation op haar gezicht heeft aangebracht, zet Lan een gebloemde nón lá op haar hoofd, klaar om aan haar woudpatrouille te beginnen. ‘Ook al zie ik de hele dag alleen maar bomen en nog meer bomen, ik wil er toch mooi uitzien. Waar kun je anders blij van worden als je in dit enorme woud woont?’ zegt ze, terwijl ze haar greep op het roer verstevigt.
‘Doordat ik jaren met het woud heb geleefd, is mijn liefde en mededogen ervoor groter geworden’
Het mangrovewoud heeft een lange geschiedenis, geschreven door moeders, echtgenotes en dochters. Lan volgde, net als andere tweedegeneratiewachters, haar ouders het bos in toen ze nog klein was. De families namen hun kinderen mee en leerden hun ver weg van de stad te leven. Toen haar broers volwassen waren, gingen ze terug naar het vasteland en leidden daar een nieuw soort stadsleven, maar Lan bleef in het bos.
Tegenwoordig woont ze daar met haar echtgenoot en een paar van hun kinderen. Haar oudere kinderen konden de zware kanten van het woudleven niet aan en verhuisden naar de stad om daar te gaan werken. Ze vertelt dat haar kinderen een hekel hadden aan de vele uitdagingen. De familie moet elke druppel schoon water tellen. Op bewolkte dagen is het onmogelijk om batterijen op te laden omdat elektriciteit alleen wordt opgewekt door zonnepanelen. In de stad is het ‘s nachts moeilijk om niet gestoord te worden door de twinkeling van de miljoenen lichten, maar zij moeten het doen met de vlam van een olielamp die flakkert in de omringende duisternis.
Ze begrijpt dat haar kinderen weg wilden. Toen ze in de twintig was, dacht Lan er ook vaak over om haar baan op te geven. Ze vroeg zich af: ‘Waarom zijn de jongeren van mijn leeftijd die op het vasteland wonen gelukkiger dan ik? Zij hebben vrienden met wie ze koffie kunnen drinken en elektriciteit om films te kijken, terwijl ik hier zit en de hele dag alleen met mezelf en dit woud doorbreng.’
‘Allemaal hebben we onze jongere jaren hier begraven om voor het bos te zorgen en het te beschermen’
Maar tegenwoordig twijfelt ze er niet meer aan dat ze, zolang ze kan, toezicht zal blijven houden op het woud. ‘Het is alsof je met iemand trouwt. Doordat ik jaren met het woud heb geleefd, is mijn liefde en mededogen ervoor groter geworden. Als het iets slechts zou overkomen, zou ik me ook gekwetst voelen.’
Onder het praten roeit ze de sampan behendig naar het vasteland en trekt daarna haar slippers aan. Ze wandelt over de markt, op asfaltstraten vol toeterende motorfietsen en chaotisch verkeer, naar het huis van haar ouders. In de verte klinken gelach en de klanken van iemand die een lied uit een cai luong (Vietnamese opera) zingt. Een paar uur later is ze al gereed om terug te gaan.
‘Ik ben eraan gewend om in het woud te leven. Als ik er ook maar een klein stukje van verwijderd ben, voelt het al vreemd,’ vertelt ze terwijl ze weer naar haar sampan loopt. Ze zeg dat ze tot aan haar pensioen boswachter hoopt te blijven. ‘Mijn ouders komen op de eerste plaats, daarna mijn man en ik. Allemaal hebben we onze jongere jaren hier begraven om voor het bos te zorgen en het te beschermen. We zijn nergens anders naartoe gegaan, maar hier gebleven, in het woud.’
Herbeplanting
Op een dag in het regenseizoen van 1978, in een moeras dat zo kaal was dat er nauwelijks één boom was te bekennen, plantte Lans moeder, Nguyen Thi Don, een mangrovezaadje afkomstig uit het zuidelijke puntje van Vietnam.
Net als in andere Vietnamese bossen waren in Can Gio bijna 40.000 hectare flora vernietigd door de ontbladeringsmiddelen die de VS tussen 1961 en 1971 hadden rondgespoten. Het bos stierf. Zonder de bescherming van de mangroves sijpelde het zoute zeewater binnen tot aan het zuiden van de stad. Op andere plekken leidde het verlies van bos tot aardverschuivingen, aldus rapporten van de ngo Ho Chi Minh City Union of Science and Technology Associations. In 1978, drie jaar nadat het de zuidelijke hoofdstad had overgenomen, vaardigde het Volkscomité van Ho Chi Minhstad een decreet uit om het biosysteem van het Can Gio-mangrovewoud te herstellen.
Om het woud opnieuw te beplanten werd een arbeidspotentieel gemobiliseerd dat bestond uit lokale bewoners, jongeren en gevangenen die heropgevoed werden. Er meldden zich vijfhonderd bewoners van Can Gio, voornamelijk vrouwen en kinderen, om mee te doen aan de herbeplanting. Zowel de ouders van Sang als die van Lan behoren tot die pioniersgeneratie.
‘Het werk van drie of vier mannen in een dag haalt het niet bij de productiviteit van één enkele vrouw’
De toenmalige stadsbestuurders beschouwden de herbeplanting van het Can Gio-woud als een dringende noodzaak voor het naoorlogse herstel van het land. Voor de vrouwen van Can Gio bood de herbeplanting van het bos een mogelijkheid om wat extra geld te verdienen, waarmee ze rijst konden kopen om hun kinderen te voeden. Destijds, vertelt Don, de moeder van Lan, ‘was iedereen berooid en had niemand genoeg rijst’.
‘Vroeger gingen de mannen hier de zee op om te vissen; de vrouwen bleven meestal thuis om voor de kinderen te zorgen. Toen de stad opriep tot herbeplanting waren we dolblij, omdat we geld konden verdienen en onze kinderen konden meenemen.’
Tientallen jaren later wordt het bos van 30 hectare gezien als een wonder. Begin jaren zeventig schatten Amerikaanse biologen dat het ‘honderd jaar zou duren om het biosysteem van het Can Gio-mangrovewoud te herstellen’, zegt Cuong Dinh Nguyen, het vroegere hoofd van Ho Chi Minhstad Bosbeheer. ‘Dat het niet zo lang heeft geduurd, komt door de vrouwen van Can Gio. Het werk van drie of vier mannen in een dag haalt het niet bij de productiviteit van één enkele vrouw,’ zegt hij.
‘Het woud is voornamelijk herbeplant door vrouwen’
Hai Minh Nguyen, de vroegere directeur van Duyen Hai Bosbouw en lid van de Raad van Bestuur van Can Gio, herinnert zich nog beelden van vrouwen met een nón láop die voorovergebogen mangrovezaadjes in de modder duwden. ‘Na een paar dagen drong het tot het bestuur door dat vrouwen sneller door de modder konden waden dan mannen, vanwege hun tengere lichaamsbouw. Daarom lag hun productiviteit hoger. Het woud is voornamelijk herbeplant door vrouwen.’
De mensen die het woud beplantten, moesten dag en nacht doorwerken, wat voor weer het ook was, rekening houdend met de getijden. Ze aten rijst gemengd met gierst, waadden tot aan hun dijen door modder, haalden hun benen open aan doornen. Zelfs toen de bomen groter werden, besloten veel van de planters te blijven om de bomen te beschermen tegen illegale houtkap. In 2000 werd het Can Gio-woud door Unesco bestempeld als World Biosphere Reserve.
Dit verhaal kwam tot stand met steun van de SEI Asia Media Grant.
Arbeiders in Vietnam worden dag en nacht in fabrieken te werk gesteld om ervoor te zorgen dat producten van Samsung, Apple en andere cruciale techproducenten tijdens de pandemie de schappen blijven vullen.
Lam Le, actief als freelance journalist in Hanoi, schreef voor Rest of World een artikel over de omstandigheden in de techfabrieken van Vietnam tijdens de lockdown. Omstandigheden die iedereen aangaan, want, zo schrijft Lam Le: ‘Als een opgewonden koper een gloednieuwe Samsung-telefoon uit de verpakking haalt, dan is die telefoon waarschijnlijk voor het laatst aangeraakt op een industrieterrein in Noord-Vietnam. Vietnam is namelijk de grootste productiebasis van Samsung ter wereld. In het noorden produceert het Zuid-Koreaanse bedrijf mobiele telefoons en tablets en in het zuiden consumentenelektronica zoals wasmachines en koelkasten.
Tienduizenden werknemers van Samsung wonen er in kale, steriele slaapzalen of in krappe huurwoningen die in de jaren 2010 zijn verrezen in de rijstvelden rondom de fabrieken. De meeste werknemers hebben hun ouders en familie achtergelaten op het platteland, gelokt door het vooruitzicht van stabiliteit en een beter loon in de industriegebieden. Als je erdoorheen rijdt, zie je logo’s van grote bedrijven als Canon en van Foxconn, de belangrijkste toeleverancier van Apple.’
In 2020 en aan het begin van dit jaar leek Vietnam het coronavirus aanvankelijk op onverklaarbare wijze te weerstaan. De export van elektronica steeg explosief. Maar tegen eind mei begonnen de covid-19-gevallen snel op te lopen; er ontstonden besmettingsclusters rond de productiecentra in het noorden, en in de steden en productiecentra die tot dan toe normaal functioneerden, begon het dagelijks leven hinder te ondervinden.
In sommige gevallen kregen werknemers zelfs vroegtijdig toegang tot vaccins
Grote technologiebedrijven, die al te lijden hadden onder verstoringen in de toeleveringsketen in andere delen van de wereld, konden het zich niet veroorloven de productie in Vietnam stil te leggen. In plaats daarvan hielden zij hun fabrieken op alle mogelijke manieren draaiende: door werknemers in isolatie te plaatsen, hen te onderwerpen aan strenge viruscontroles, veel geld uit te geven aan huisvesting, de lonen te verhogen en in sommige gevallen zelfs vroegtijdig toegang te geven tot vaccins.
Terwijl consumenten in het Westen te horen kregen dat hun gadgets dit jaar waarschijnlijk niet op tijd voor Kerstmis zouden aankomen vanwege een wereldwijd tekort aan chips en overvolle zeehavens, stelde de Vietnamese regering fabriekseigenaren in feite voor een ultimatum: fabrieken sluiten of een veilige manier vinden om werknemers te isoleren van de rest van de bevolking.
Verhuizen
Eind mei werden de werknemers van Samsung Display in de Vietnamese industrieprovincie Bac Ninh voor een soortgelijke keuze gesteld: ze konden thuisblijven zonder diensten te draaien en dus zonder inkomsten, of verhuizen naar door het bedrijf aangewezen woonruimte en hun baan behouden, met een beetje extra loon als goedmakertje.
Nam, een drieëntwintigjarige die op de afdeling milieuveiligheid van Samsung werkt, koos voor het laatste. Hij had niet veel te verliezen. Binnen enkele dagen bevond hij zich in de zinderende zomerhitte van 38 graden met een tiental collega’s in een nabijgelegen school, in een verlaten klaslokaal zonder bedden, ventilatoren of airconditioning. Slechts enkele van zijn collega’s droegen gezichtsmaskers. ‘Daarbinnen was de telefoon mijn enige vriend’, zegt Nam. Overigens is zijn naam, en die van andere arbeiders, veranderd om hen te beschermen tegen represailles.
Na twee dagen lang klagen werden de arbeiders overgeplaatst naar een fabrieksterrein waar de grenzen tussen werkplek en thuis compleet vervaagden. Bijna drie weken lang sliep Nam op een matras in een magazijn, samen met ongeveer honderd andere mannelijke collega’s, en pendelde hij tussen zijn slaapplek, de bedrijfskantine en de productielijn die onophoudelijk bleef draaien. Zijn leven draaide om beeldschermen; voor de fabriek het belangrijkste product en voor Nam zijn broodwinning. In de schaarse pauzes verschoof zijn aandacht naar het beeldscherm van zijn telefoon, de enig mogelijke vorm om contact te onderhouden met familie en vrienden.
Voor de arbeiders betekenden de maatregelen extreme isolatie, uitputting en geestdodende eentonigheid
Dit coronaregime, waaronder Nam en de anderen moesten werken, wordt ‘drie-op-één-plek’ genoemd: werknemers werken, eten en slapen in dezelfde ruimte. Samsung was een van de eersten die deze door de Vietnamese regering opgelegde regeling volgde. De regering voelde zich verplicht om haar ‘zero covid’-strategie kracht bij te zetten en buitenlandse investeerders te verzekeren dat toeleveringsketens in hoog tempo producten zouden blijven rondpompen, denkt Le Hong Hiep, van het economische onderzoekscentrum ISEAS-Yusof Shak Institute in Singapore.
Voor de arbeiders betekenden de maatregelen extreme isolatie, uitputting en geestdodende eentonigheid. Ze spreken van een zomer van schijnbaar eindeloze arbeid, verergerd door weinig slaap en geen enkele privacy. In anonieme gesprekken maar ook publiekelijk op TikTok en Facebook, deelden ze verhalen over constante wachtrijen, controles, en lange werkdagen die eindigden met nachtrust op matjes, kartonnen bedden of in tenten.
‘Die arbeiders hebben waarschijnlijk de economie van Vietnam gered’, zegt Julien Brun, managing partner bij CEL, een adviesbureau voor toeleveringsketens in Ho Chi Minh-stad. ‘Zonder hen zouden fabrieken hebben moeten sluiten en waren alle activiteiten stil komen te liggen.’
Elektronica-industrie
Aan het begin van dit millennium richtte Vietnam zich op het ontwikkelen van een elektronica-industrie. Samsung opende in 2009 een smartphonefabriek in Bac Ninh in het noorden. In Ho Chi Minhstad in het zuiden, dat van oudsher al migranten aantrok, vestigde Intel zich met een enorme chipfabriek en testfaciliteiten in 2010.
Maar de hoofdprijs was het onontwikkelde noorden, met wegverbindingen naar de hoofdstad Hanoi, de havenstad Haiphong en de Chinese grens. In de loop van twee decennia, terwijl Vietnam toetrad tot de Wereldhandelsorganisatie, vrijhandelsovereenkomsten ondertekende en de vennootschapsbelasting verlaagde en ondertussen overvloedige goedkope arbeidskrachten leverde, kwamen steeds meer grote spelers naar de noordelijke kust.
Na Samsung kwamen Apple-leveranciers Foxconn, Luxshare, GoerTek en anderen. Uitgestrekte rijstvelden in Bac Ninh en Bac Giang veranderden in snelwegen, slaapzalen en strakke raamloze fabrieken waar telefoons en tablets in elkaar worden gezet om naar eindgebruikers te worden verscheept, en waar ook elektronische componenten worden gemaakt. In 2020, twintig jaar na het begin, was Vietnam opgeklommen van de zesenveertigste naar de elfde plaats op de ranglijst van grootste elektronicaexporteurs ter wereld.
Die opkomst was ook speelbal van externe gebeurtenissen. Terwijl de handelsoorlog tussen de VS en China meer productie naar Vietnam bracht, werkte de pandemie dit weer tegen, waardoor fabrieksuitbreidingen voor Apple AirPods en Google Pixel-telefoons werden uitgesteld.
Besmettingen in de noordelijke productiezones waren verantwoordelijk voor het merendeel van alle gevallen in Vietnam
De eerste echte schok kwam in mei 2021, toen leveranciers van Samsung en Apple zagen dat de zeer besmettelijke deltavariant zich als een lopend vuurtje door krappe arbeidersverblijven verspreidde. Clusters van besmettingen in de noordelijke productiezones van Bac Giang en Bac Ninh waren verantwoordelijk voor het merendeel van alle gevallen in Vietnam. Op 17 mei bevalen de autoriteiten van Bac Giang sluiting van vier industriële zones waardoor fabrieken van Foxconn en Luxshare, beide leveranciers van Apple, werden gedwongen hun activiteiten gedurende tien dagente staken.
De bedrijven werden verrast, want de achttien voorgaande maanden tijdens welke de pandemie buiten de deur werd gehouden, hadden vertrouwen gewekt. ‘Niemand was erop voorbereid’, zegt Julien Brun, die zich herinnert hoe zijn klanten – elektronica-, textiel- en meubelproducenten – moesten improviseren toen ‘drie-op-één-plek’ werd ingevoerd. ‘Niemand had een perfect plan. Het was zoiets als: “Oké, we hebben nog twee dagen. Schrijf je in voor twee maanden. Neem je spullen mee en we zien wel hoe gaat.”’
Vergeleken met werknemers van Samsung Display hadden bepaalde arbeiders het geluk om in hotels te worden geplaatst, hetgeen voor bedrijven soms aanzienlijke kosten met zich meebracht. In juli werd Viet, een onderaannemer van een project bij Intel, opgepikt in zijn huis in de ‘rode zone’, een gebied met een hoge besmettingsgraad in Ho Chi Minhstad, en vervolgens ondergebracht in een vijfsterrenhotel. Daar leefde hij een enigszins luxueus, zij het repetitief leven, nam foto’s van de skyline, deed squats en push-ups, keek films op zijn flatscreen-tv en woonde op zondagen online de mis bij.
Vanwege zijn cruciale en moeilijk te vervangen functie woonde Viet zonder huisgenoten, om het risico op infectie te minimaliseren.
‘Ik had geluk’, zegt hij. ‘Was ik thuis gebleven, dan was ik mogelijk wel besmet geraakt.’ Zelfs rijke families in Ho Chi Minhstad waren bang dat ze niet aan voldoende voedsel konden komen. Elke werkdag nam Viet de bus door de stille, afgesloten stad, samen met vijftien andere arbeiders, in een voertuig met vijftig zitplaatsen.
Foxconn
Ook bij Foxconn was de waarde van arbeiders duidelijk. De in Taiwan geregistreerde Apple-toeleverancier wist precies wat hij moest doen. Twee medewerkers van een lokale dochteronderneming vertellen over een zeer gereguleerd programma met QR-trackingcodes, desinfectie, segregatie en zelfs voorrang tot vaccins.
Dat, vijfentwintig, die drie jaar bij Foxconn werkte, waar hij iPhone-oplaadkabels maakte, zegt dat hem een loonsverhoging werd aangeboden waardoor zijn maandloon met bijna een derde steeg naar tussen de 13 miljoen en 14 miljoen Vietnamese dong, ruim 500 euro. Hij werd medio juni gevaccineerd, kort nadat de fabriek zijn activiteiten weer mocht hervatten. Hij behoort daarmee tot de eerste 2 procent van de ongeveer 100 miljoen inwoners die werd gevaccineerd.
In ruil daarvoor moest hij elke werkdag om 6 uur ’s ochtends opstaan en zich vervolgens haasten om samen met zijn zeven huisgenoten in de brandende zon te wachten op een shuttlebus. Hij scande elke dag zijn QR-code op zijn busstoel, elke keer dezelfde code, en dan nog eens tijdens de lunch in de kantine die uit voorzorg in hokjes was verdeeld. Boven de hoofden van de etende werknemers hing een groot bord met de instructie: ‘Als je klaar bent met eten, ga dan meteen aan de slag. Niet praten.’ Die strenge regels stelden Dat zelfs gerust. ‘Ik had respect voor mijn eigen gezondheid.’
Intel bevestigt dat werknemers meer dan twee maanden in hotels werden gehuisvest en looft de ‘veerkracht’ en ‘persoonlijke opoffering’ van het personeel
De bedrijven moesten hiervoor diep in de buidel tasten. Het kostte Intel in een maand tijd 140 miljard dong, ongeveer 5,3 miljoen euro, hetgeen volgens het bedrijf een blijvend effect heeft op de budgettering en productieplannen. Intel bevestigt dat werknemers meer dan twee maanden in hotels werden gehuisvest en looft de ‘veerkracht’ en ‘persoonlijke opoffering’ van het personeel voor het continueren van de activiteiten gedurende de zomer. Foxconn reageerde niet op verzoeken om commentaar.
Toch waren wijdverbreide fabriekssluitingen uiteindelijk onvermijdelijk. De fabriek voor consumentenelektronica van Samsung in Ho Chi Minhstad werd voor een korte periode gesloten voordat de productie werd hervat met ‘drie-op-één-plek’. Foster Electric, een leverancier van Apple in de provincie Binh Duong, huisvestte zijn arbeiders in tenten. Enkele elektronicafabrieken die ‘drie-op-één-plek’ hanteerden, registreerden ondanks alle voorzorg toch uitbraken.
‘Het zijn de beroemde bedrijven die de neiging hebben om elk risico op een slecht imago te vermijden’, zei Julien Brun. ‘Maar bij gewone onderaannemers die niemand kent, heb ik machtsmisbruik gezien.’
Een dochteronderneming van het Japanse bedrijf Nidec was wat dat betreft berucht. Op 17 augustus werd de fabriek van Nidec in Ho Chi Minhstad door de lokale autoriteiten gesloten omdat niet aan de veiligheidsnormen werd voldaan. Er waren positieve gevallen van covid-19 ontdekt onder werknemers die waren gehuisvest in tenten in een op een parkeergarage gelijkend gebouw van drie verdiepingen. Eerder, in juli, waren de activiteiten van het bedrijf ook al eens opgeschort nadat werknemers positief waren getest.
Tiktok
Vanaf juli kregen de fabrieken weer ademruimte: de strijd begon vruchten af te werpen en de Vietnamese productie-index voor computers, elektronica en optische producten begon maand-op-maand weer te verbeteren. Afgelopen september overtrof de index zelfs het niveau van twee jaar geleden, maar bleef nog wel onder dat van vorig jaar.
Bedrijven hebben zich ook aangepast. Na klachten heeft Samsung Display waterleidingen gerepareerd, douches geïnstalleerd en meer dekens en matten geleverd aan zijn vrouwelijke werknemers, zo vertelt Lien, een onderaannemer. Ze zegt dat haar angst is afgenomen. Werknemers worden regelmatig twee tot drie keer per week getest en ‘iemand die zijn mondkapje afdoet, moet zich onmiddellijk laten testen’. Sommige van haar nerveuze collega’s hebben ervoor gekozen om zich terug te trekken en thuis te blijven, hetgeen een grotere werkdruk betekent voor degenen die zijn gebleven.
Het leven van deze werknemers is normaal gesproken ondoorzichtig voor buitenstaanders, gezien de geldende beperkingen op het delen van informatie. Die gaan zelfs zover dat sommige arbeiders zeggen dat wanneer ze de fabriek binnenkomen, hun telefooncamera’s worden afgedekt met een zegel om lekken van productinformatie te voorkomen.
Er ontstond een TikTok-subgenre met filmpjes waarin Vietnamese fabrieksarbeiders een inkijkje geven in hun leven
Toch ontstond een TikTok-subgenre met filmpjes waarin Vietnamese fabrieksarbeiders een inkijkje geven in hun leven. Sommigen filmpjes tonen enorme fabrieksgebouwen; op andere zijn lange rijen jonge mensen te zien die op motorfietsen naar een fabriek rijden en weer andere tonen werknemers die telefoons in elkaar zetten. Vaak worden fragmenten van dagelijkse routines verweven met melancholische liedjes. ‘De grootste fout in mijn jeugd, was het inwisselen van een schooluniform voor het uniform van een fabrieksarbeider’, is te horen op een achtergrondtrack, die in al meer dan drieduizend video’s is gebruikt.
In augustus maakte het ministerie van Industrie en Handel bekend dat werknemers vermoeid raakten en dat de kosten van ‘drie-op-één-plek’ te hoog opliepen. Eind september gaf Vietnam aan niet langer een ‘zero covid’-strategie te zullen nastreven. In plaats van een hele fabriek te sluiten als een paar positieve gevallen worden ontdekt, hoeven nu alleen naaste contacten van geïnfecteerde werknemers te worden geïsoleerd. Voor volledig gevaccineerd personeel mogen bedrijven nu flexibelere regelingen hanteren.
Zowel in de zuidelijke als in de noordelijke industriezones wordt het leven geleidelijk aan weer normaal. Ho Chi Minh-stad is weer open en restaurants zitten vol met klanten die aromatische noedelsoepen slurpen. Viet, de Intel-medewerker, kon zich eindelijk het kapsel laten aanmeten waar hij tijdens de lockdown van droomde.
Ontberingen
Sommige analisten zien de afgelopen periode als een aanleiding om de balans op te maken van geglobaliseerde toeleveringsketens van technologische producten. De reden waarom productie in Vietnam kon herstellen is volgens hen voornamelijk te danken aan het vermogen van de arbeiders om om te kunnen gaan met de nieuwe, zwaardere werkomstandigheden. Anderen stellen vragen over de mate waarin werknemers een keuze hadden, als ze die al hadden.
‘Dit was geen “dwangarbeid” in de zin van arbeiders die waren vastgebonden, of die zich in schuldslavernij bevonden en daarom gedwongen werden tot deze omstandigheden’, aldus Joe Buckley, een expert op het gebied van Vietnamese arbeidskwesties. ‘Maar op een ander niveau is alle arbeid dwangarbeid, aangezien arbeiders hun arbeidskracht moeten verkopen om te overleven. Dat is wat we zagen in Vietnam; de dwang was economisch en structureel, waardoor veel arbeiders weinig keus hadden.’
‘Het was moeilijk, maar iedereen zat in hetzelfde schuitje. Alleen: wat als het bedrijf failliet zou gaan?’
De meeste arbeiders beschreven hun zomer vol ontberingen met berusting: Ze ‘raakten eraan gewend’, zeiden ze. Het grotere gevaar dat ze vreesden was dat er iets met hun werk zou gebeuren. ‘Het was moeilijk, maar iedereen zat in hetzelfde schuitje. Alleen: wat als het bedrijf failliet zou gaan?’ zegt Hoa, een medewerker van Foxconn. Nam van Samsung Display dacht hetzelfde. ‘Er moest iemand aanwezig zijn om de productie op peil te houden. Want wat zou er gebeuren als het bedrijf zou moeten stoppen?’
Inmiddels zijn nieuwe problemen al zichtbaar aan de horizon. Terwijl arbeiders terugkeren naar hun geboorteplaats, moe van de druk van de stad en het risico van toekomstige lockdowns, lijkt er een crisis in aantocht in de industriële zones van Vietnam: een door het coronavirus veroorzaakt arbeidstekort. ‘De vierde golf van covid-19-infecties heeft de arbeidsmarkt ernstig getroffen met een hoog werkloosheidspercentage,’ aldus de Vietnamese premier Pham Minh Chinh.
De werknemers lijken ook dat met berusting tegemoet te zien. Niet zo verrassend eigenlijk voor een groep die zichzelf ziet als een slechts een schakel naast vele andere in de mondiale toeleveringsketen van technologische producten.
Het overlijden van de Amerikaanse journalist Neil Sheehan (1936 – 2021) op 7 januari in Washington raakte enigszins ondergesneeuwd door het nieuws over de bestorming van het Capitool door de hordes van Donald Trump een dag eerder. Maar met zijn dood mocht voor het eerst het verhaal worden weergegeven over de Pentagon Papers, die hij voor The New York Times wist te bemachtigen.
Een verhaal over kopieermachines die crashten onder de last van nachtelijke documenten, aan een stoel vastgegespte stapels papieren tijdens een vlucht vanuit Boston en veelbetekenende initialen die in de barbecue van een diplomaat werden verbrand.
DE PENTAGON PAPERS
De Pentagon Papers waren een uiterst geheime studie door het Amerikaanse ministerie van Defensie naar de besluitvorming van Amerikaanse regeringen inzake de oorlog in Vietnam. Ze toonden aan dat de VS in het geheim de Vietnam-oorlog hadden uitgebreid met onder meer bombardementen op Cambodja en Laos, zonder daarover iets los te laten aan het thuisfront of de media.
De geheime documenten, die de misleiding en leugens onthulden van vier opeenvolgende regeringen (Truman, Eisenhower, Kennedy en Johnson), waren gekopieerd door Daniel Ellsberg (1931), die eerder meewerkte aan het opstellen van de documenten. Ellsberg speelde ze vervolgens door aan Neil Sheehan, een journalist van The New York Times.
Voor zijn onthulling van de Pentagon Papers werd Ellsberg aanvankelijk beschuldigd van samenzwering, spionage en diefstal van overheidseigendommen, en daarmee hing hem 115 jaar cel boven het hoofd. De aanklachten werden later afgewezen, nadat onderzoekers van het Watergate-schandaal ontdekten dat stafleden van president Nixon opdracht hadden gegeven om onwettige pogingen te ondernemen om Ellsberg in diskrediet te brengen.
Deze gebeurtenis bracht het Hooggerechtshof tot een uitspraak die nog steeds wordt gezien als een mijlpaal in de relatie tussen de regering en de pers: de regering van Richard Nixon verbood de publicatie aanvankelijk, maar twee weken later besliste het Hooggerechtshof dat dat onrechtmatig was.
Op de dag dat Neil Sheehan overleed, publiceerde Janny Scott in The New York Times het verhaal over hoe Sheehan zijn hand had weten te leggen op de Pentagon Papers. Eerder wilde hij dit niet vertellen. Pas in 2015 stemde hij er mee in om zijn verhaal te vertellen, op voorwaarde dat het niet tijdens zijn leven zou worden gepubliceerd.
Geteisterd door scoliose en de ziekte van Parkinson, vertelde hij in een vier uur durend interview bij hem thuis in Washington een verhaal dat zó spannend en filmisch was, dat het zo uit de koker van Hollywood lijkt te komen.
Dat zijn dood werd ondergesneeuwd door de bestorming van het Capitool door Trump-aanhanger, is een cynische speling van het lot. Waar Sheehan hoopte het einde van een bloedige oorlog te kunnen bespoedigen met de publicatie van de zogenoemde Pentagon Papers, lijken Trump-aanhangers uit op het tegenovergestelde.
In 1969 kopieerde Daniel Ellsberg, een voormalig analist van het ministerie van Defensie, illegaal het gehele rapport over de besluitvorming van de VS over Vietnam, waaraan hij had bijgedragen toen hij voor de Rand Corporation werkte. Het rapport werd twee jaar daarvoor gemaakt in opdracht van de minister van Defensie, en het onthulde de mate waarin opeenvolgende regeringen van het Witte Huis de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog hadden geïntensiveerd, terwijl ze hun eigen twijfels over de kansen op succes verborgen hielden. Ellsberg, die inmiddels een hartstochtelijk tegenstander van de oorlog was geworden, hoopte dat openbaarmaking er een einde aan zou maken.
In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, heeft Ellsberg de documenten echter nooit aan The Times ‘gegeven’, stelde Sheehan nadrukkelijk in het interview. Ellsberg vertelde Sheehan dat hij ze wel mocht lezen, maar geen kopieën mocht maken. Dus smokkelde Sheehan de papieren uit het appartement in Cambridge, Massachusetts, waar Ellsberg ze had opgeborgen, om ze daarna illegaal te kopiëren en mee te nemen naar NYT.
In de daaropvolgende twee maanden hield hij Ellsberg aan het lijntje. Hij vertelde hem dat zijn redacteuren beraadslaagden over de beste manier om het materiaal te presenteren en beweerde zelf vanwege andere opdrachten aan de zijlijn te staan. In werkelijkheid had hij zich verscholen in een hotelkamer in het centrum van Manhattan, met de documenten en met een snelgroeiend team van Times-redacteuren en verslaggevers die koortsachtig toewerkten naar publicatie.
Toen Austin ontdekte dat zijn eigen krant op het punt stond zijn primeur te pakken, belde hij Ellsberg in paniek op
De publicatie van het eerste deel van de Pentagon Papers op 13 juni 1971 overrompelde Ellsberg. Hij vermoedde dat dit het werk was van een andere Times-medewerker, Anthony Austin, met wie hij maanden eerder in het geheim passages had gedeeld. Austin had ervoor gekozen om dat aan niemand bij de krant te melden, zodat hij ze kon bewaren voor een boek over de oorlog dat hij aan het schrijven was.
Toen Austin ontdekte dat zijn eigen krant op het punt stond zijn primeur te pakken, belde hij Ellsberg in paniek op. Ellsberg probeerde daarop Sheehan te bereiken, die tegen de deadline aanzat van het volgende deel. Sheehan negeerde de berichten van Ellsberg totdat hij wist dat het te laat zou zijn om de drukpersen nog te stoppen. Hij vroeg een redacteur hem te laten weten wanneer er 10.000 exemplaren waren gedrukt.
‘Hij had moeten doen wat ik deed’, zei Sheehan in het interview van 2015 ter rechtvaardiging van zijn misleiding van Ellsberg, die hij omschreef als ‘verscheurd tussen zijn verlangen om de documenten openbaar te maken en zijn angst om in de gevangenis te belanden’. In zijn pogingen zichzelf te beschermen, zo zei Sheehan, gedroeg Ellsberg zich roekeloos. Sheehan was bang dat Ellsberg onbedoeld iemand zou tippen. ‘Het was puur geluk dat hij niet het hele verhaal heeft verraden’, zei hij.
In conflict met zichzelf
Ellsberg had al eens eerder als bron voor Sheehan gefungeerd. Tijdens een bezoek aan Washington in maart 1971 belde Ellsberg hem op en vroeg of hij de nacht bij hem thuis kon doorbrengen. Tijdens een lange avond van gesprekken sloten de twee mannen een deal. Volgens Sheehan zou Ellsberg hem de papieren geven en als NYT ermee instemde ze te publiceren, zou de krant haar best doen om de identiteit van de bron te beschermen.
Maar toen Sheehan in Cambridge arriveerde om de documenten op te halen, herinnerde hij zich, was Ellsberg van gedachten veranderd. Sheehan, zei hij, mocht ze wel lezen, maar geen kopieën maken, omdat, zoals Sheehan het omschreef, Ellsberg meende dat ‘The Times ze zou achteroverdrukken zodra hij ze uit handen gaf, en ermee zouden doen wat ze wilden.’ Hij zou ‘de controle kwijt zijn’.
Lees ook ‘De film die nu of nooit gemaakt moest worden’. Over The Post, waarin Ben Bradlee (Hanks) en Katharine Graham (Streep) van The Washington Post de Pentagon Papers eveneens publiceren (en wat The New York Times daarvan vond).
In zijn memoires uit 2002, Secrets: A Memoir of Vietnam and the Pentagon Papers, schreef Ellsberg dat hij twijfelde of The Times de documenten volledig zou publiceren, zoals hij wilde. Hij was ook bang, voegde hij eraan toe, dat als hij de papieren zou overhandigen voordat The Times publicatie had toegezegd, iemand het Federal Bureau of Investigation zou inlichten, ‘of dat de FBI er op de een of andere manier lucht van zou krijgen en achter mijn andere kopieën aan zou gaan’.
Volgens Sheehan leek het erop dat Ellsbergs bedenkingen te maken hadden met de angst ‘de gevangenis in te moeten’. ‘Hij had nog geen politicus om hem te beschermen.’
Hij was volgens Sheehan ‘totaal in conflict met zichzelf.’
Zijn ogenschijnlijk geheime bron had ‘sporen achtergelaten op het plafond, op de muren, overal’
Ellsberg nam ook grote risico’s, volgens Sheehan. Hij had meerdere kopieën gemaakt en daarvoor nonchalant betaald met persoonlijke cheques. Hij had congresleden benaderd over het houden van hoorzittingen. ‘The Times kan deze man op geen enkele manier beschermen’, dacht Sheehan. Zijn ogenschijnlijk geheime bron had ‘sporen achtergelaten op het plafond, op de muren, overal’, zei hij.
‘Ik was bang dat hij vroeg of laat een politicus zou tegenkomen die rechtstreeks naar het ministerie van Justitie zou gaan’, aldus Sheehan. Die zou dan de procureur-generaal bellen en zeggen: ‘Hé, The New York Times heeft een soort van groot geheim onderzoek, en ze hebben dat van Dan Ellsberg.’
Sheehan was zich ervan bewust dat hij snel moest handelen. Zodra er iets uitlekte, zou de regering naar de rechter stappen om de publicatie te blokkeren. Advocaten van The Times zouden dan ruzie krijgen met het ministerie van Justitie over geheim materiaal, waarvan noch de rechter noch het publiek het belang zou inzien.
Sheehan besloot ‘dat dit materiaal nooit meer in een regeringskluis terecht zou komen’
‘O, ik was echt heel boos,’ herinnerde Sheehan zich. Net als Ellsberg had hij zich tegen de oorlog gekeerd en was hij van plan te doen wat hij kon om die te stoppen. ‘Dus ik was behoorlijk overstuur toen Ellsberg zei: “Je kunt lezen, aantekeningen maken, maar geen kopieën”’, vertelde hij. ‘En over het feit dat hij losgeslagen was.’
Sheehan besloot ‘dat dit materiaal nooit meer in een regeringskluis terecht zou komen’.
Terug in Washington nam hij Susan Sheehan, zijn vrouw en auteur voor The New Yorker, in vertrouwen. Hij herinnerde zich dat ze zei: ‘Als ik jou was, zou ik deze situatie onder controle zien te krijgen.’ Speel mee met Ellsberg, doe je best hem te beschermen, maar breng het materiaal naar The Times; ‘Fotokopieer het.’
Hij keerde terug naar Cambridge om verder te lezen en aantekeningen te maken. Toen Ellsberg liet weten dat hij voor een korte vakantie zou vertrekken, vroeg Sheehan of hij in het appartement waar de documenten werden bewaard mocht blijven werken. Ellsberg stemde toe en gaf hem een sleutel. Hij herinnerde Sheehan nogmaals: geen kopieën.
Sheehan zei niets.
‘Ik kende Ellsberg al heel lang en hij dacht dat ik volgens de regels handelde die men normaal hanteerde: de bron controleert het materiaal’, aldus Sheehan. ‘Hij realiseerde zich niet dat ik had besloten: “Deze man is gewoon onmogelijk. Je kunt het niet aan hem overlaten. Het is te belangrijk en hij is te gevaarlijk.”’
Lange nacht in een kopieerzaak
Toen hij wist dat Ellsberg zou vertrekken, belde Sheehan naar huis. ‘Kom maar hierheen,’ zei hij tegen zijn vrouw. ‘Ik heb je hulp nodig.’ Hij vroeg haar koffers, grote enveloppen en alle cash in huis mee te brengen. Ze vloog naar Boston en checkte onder een valse naam in bij een hotel. Sheehan zat in een motel, onder weer een andere naam.
Van de chef van het Times-bureau in Boston kreeg hij de naam van een kopieerzaak die duizenden pagina’s zou kunnen verwerken. Hij vroeg de chef om hem honderden dollars aan onkostengeld te bezorgen voor een geheim project dat hij weigerde toe te lichten. Toen de chef de Times-redactie belde en de dienstdoende avond-redacteuren bereikte, weigerden ze het verzoek. Dus belde hij de Chef Binnenland thuis.
‘Geef hem het geld’, besloot die volgens Sheehan. Zonder verdere vragen.
‘Het was alsof iemand een emmer ijswater over de man had gegooid’
Sheehan kopieerde de sleutel van het appartement voor het geval hij het origineel zou kwijtraken. Toen begon hij de zevenduizend pagina’s te kopiëren, eerst in een makelaarskantoor waar een kennis werkte, en daarna, met de hulp van zijn vrouw, in een kopieerwinkel in een buitenwijk. Hij vervoerde stapels bladzijden per taxi tussen het appartement en de kopieerwinkel, vervolgens naar een kluisje in het busstation van Boston en later naar een kluisje op de luchthaven van Boston.
Nadat de machines in de kopieerwinkel onder de hoeveelheid waren bezweken, verhuisden de Sheehans naar een kopieerwinkel in Boston, gerund door een veteraan van de marine. Toen de man merkte dat de documenten geheim waren en nerveus werd, belde Susan Sheehan die in de copyshop was, haar man in het appartement.
‘Kom hierheen,’ zei ze.
Hij haastte zich naar de kopieerwinkel en vertelde de manager dat hij het materiaal van enkele Harvard-professoren had geleend. Ze werden gebruikt voor een studie, zei hij, en er stond een tijdslimiet op de lening. De documenten, zo verzekerde hij de manager, waren allemaal vrijgegeven. Als oud-marineman leek de manager het te begrijpen.
Op het vliegveld boekten de Sheehans een extra zitplaats voor hun vlucht naar huis waarin ze hun koffers met documenten vastsnoerden, in plaats van ze uit het zicht te moeten laten.
Terug in Washington vertrok een collega van Sheehan naar New York met enkele voorbeelden van de documenten en een memo van Sheehan, om goedkeuring te vragen om door te mogen gaan.
Sheehan en een redacteur betrokken een kamer in het Jefferson Hotel in Washington. Ze brachten daar een aantal weken door met het lezen en samenvatten van de documenten die ze hadden. Daarna werden ze naar New York geroepen om de hoofdredactie van de krant te informeren. Tijdens de bijeenkomst op het hoofdkantoor van The Times in West 43rd Street, merkte Sheehan dat de advocaat van het bedrijf geschokt was.
‘Het was alsof iemand een emmer ijswater over de man had gegooid,’ herinnerde Sheehan zich. ‘Hij was gewoon doodsbang voor wat ik in vredesnaam allemaal zei. Hij bleef maar zeggen: “Vertel ze dit niet. Ze zullen het geheim niet kunnen bewaren. Iemand zal erover praten. Misschien plegen we een misdrijf.”’
‘Geen enkel risico’
Hij en de redacteur kregen een kamer toegewezen in het Hilton-hotel in het centrum van Manhattan om verder te werken. Al snel kwamen er nog een redacteur, drie schrijvers, bewakers en archiefkasten met cijfersloten bij. Uiteindelijk werkten tientallen mensen de klok rond in drie aangrenzende kamers. ‘We hebben alles in kaart gebracht,’ aldus Sheehan. ‘En we begonnen de boel aan te zwengelen.’
Hij maakte er een gewoonte van om Ellsberg om de paar dagen te bellen ‘om te proberen hem op de boerderij te houden’, zoals hij het in 2015 uitdrukte. Sheehan maakte zich geen zorgen dat een andere krant met het verhaal zou komen, maar was wel bang dat Ellsberg met iemand zou spreken die aan de bel kon trekken voordat The Times kon publiceren.
Dus verontschuldigde hij zich bij Ellsberg voor zijn schijnbare gebrek aan vooruitgang. Hij zei dat de hoofdredacteuren nog aan het bespreken waren hoe ze het beste verder konden gaan. Hij ging zelfs naar Cambridge, herinnerde hij zich, alsof hij nog meer aantekeningen wilde maken. Daar schold Ellsberg hem uit, volgens Sheehan. ‘Ik neem alle risico’s’, zei Ellsberg. ‘Jullie lopen geen enkel risico.’
Een teken, en dan de start
Een paar weken voor publicatie besloot Sheehan een teken aan Ellsberg te sturen. Hij wilde hem niet rechtstreeks vertellen dat The Times doorging, omdat hij vreesde dat de regering onbedoeld kon worden geïnformeerd door mogelijke reacties van Ellsberg. Maar hij wilde een soort ‘stilzwijgende toestemming’ van Ellsberg. ‘Het was een gewetenskwestie’, aldus Sheehan.
Dus vertelde hij Ellsberg dat hij nu de documenten nodig had, niet alleen zijn aantekeningen. Ellsberg had gezegd dat hij ze pas zou overhandigen als hij er klaar voor was, wetende dat The Times dan zou doen wat hij wilde. En dit keer, toen Sheehan het vroeg, stemde Ellsberg toe.
Sheehan meende dat de toestemming betekende dat Ellsberg begreep dat The Times nu elk moment kon gaan publiceren.
‘Het was bedoeld om Ellsberg een soort van waarschuwing te geven, zich te laten herinneren wat hij me had gezegd, en van mijn kant een beetje om mijn geweten te sussen,’ herinnerde Sheehan zich. ‘Misschien is het hypocriet, maar we zouden gaan drukken en ik wilde proberen hem te waarschuwen.’
Ellsberg, zo zou blijken, had het teken niet opgepikt.
In de vriezer
Hij regelde dat Sheehan een compleet exemplaar van de historische documenten kon ophalen, weggeborgen in een appartement van de familie Ellsberg in Manhattan. Sheehan herinnerde zich dat hij de portier ‘het soort genereuze fooi’ gaf, ‘dat mensen ertoe beweegt te zeggen: “Ik weet van niets.” Omdat ik wist dat de FBI vroeg of laat zou proberen alle stukjes samen te voegen.’
Hij nam op het laatste moment nog andere stappen om zijn sporen uit te wissen. Een kopie die in het huis van de Sheehans was opgeslagen, ging in de vriezer van een collega. Pagina’s van andere kopieën met de initialen van Ellsberg werden tot pulp vermalen in New Jersey of verbrand in de barbecue van een diplomaat uit Brazilië, vriend van de schoonvader van Sheehan.
Uiteindelijk was Ellsberg verrast door de timing van de publicatie van de Pentagon Papers. Toen Sheehan eindelijk de telefoontjes van Ellsberg beantwoordde, kreeg hij alleen diens vrouw aan de lijn, die hem vertelde dat Ellsberg blij was met de presentatie van het materiaal, maar, zoals Sheehan het uitdrukte, ‘ongelukkig was over de monumentale dubbelhartigheid.’
In het interview van 2015 zei Sheehan dat hij de identiteit van Ellsberg nooit heeft onthuld terwijl het project liep. Tegen zijn redacteuren sprak hij altijd alleen over ‘de bronnen’. Het was de journalist van een andere krant die de identiteit van Ellsberg uiteindelijk bekendmaakte, kort nadat het verhaal van de Pentagon Papers werd gepubliceerd.
Betaald met bloed
Sheehan sprak ook nooit over hoe hij aan de papieren was gekomen. In 2015 zei hij dat hij de versie van Ellsberg nooit heeft willen tegenspreken of hem in verlegenheid heeft willen brengen door diens gedrag en gemoedstoestand destijds te beschrijven.
Gedurende zes maanden was er geen contact tussen de twee mannen. Kort voor Kerstmis 1971, aldus Sheehan, kwamen ze elkaar tegen in Manhattan. In een kort gesprek vertelde hij Ellsberg wat hij had gedaan.
‘Dus je hebt ze gestolen, net als ik,’ herinnerde hij zich de reactie van Ellsberg.
‘Nee, Dan, ik heb ze niet gestolen,’ antwoordde Sheehan. ‘En jij ook niet. Deze documenten zijn eigendom van de bevolking van de Verenigde Staten. Ze betaalden ervoor uit de nationale schatkist en met het bloed van hun zonen, en ze hebben er recht op.’
Een halve eeuw geleden verdween een Amerikaans commando in de oerwouden van Laos. In 2008 verscheen hij opnieuw in Vietnam, naar verluidt levend en wel. Maar niets was wat het leek.
Op de ochtend van 20 mei 1968 werd in de centrale hooglanden van Vietnam een noodoproep opgepikt door de radioploeg op Forward Operating Base (FOB) One. Ongeveer 400 kilometer naar het noordwesten, aan de andere kant van de grens met Laos, was een troep Amerikaanse en Zuid-Vietnamese soldaten onder hevig vijandelijk vuur komen te liggen – de commandant van de groep maakte melding van verschillende Zuid-Vietnamezen en ten minste één Amerikaan die omkwamen in het gevecht. Er werd om acute bevoorrading en medische hulp gevraagd. John Hartley Robertson, sergeant bij FOB One, verliet met het geweer over zijn schouders het hoofdkwartier en rende over de onverharde binnenplaats in de richting van een CH-34D Sikorsky Seahorse-helikopter, die hem stond op te wachten.
Robertson was 36 jaar, slank en rank. Hij was na de middelbare school in zijn geboortestaat Alabama in dienst gegaan. Hij begon bij de Groene Baretten en werd in enkele jaren opgeleid tot parachutist in Fort Benning, in de staat Georgia. Halverwege de jaren zestig, toen de VS bezig waren met het bombarderen van Noord-Vietnam, werd hij naar Azië gestuurd om zich aan te sluiten bij de Military Assistance Command Vietnam Studies and Observation Group, of MACV-SOG, een uiterst geheime eenheid die nauw samenwerkte met de CIA.
Robertson paste perfect bij de groep, die routinematig uiterst geheime vernietigings- en verkenningswerkzaamheden uitvoerde in Cambodja en Laos. Voor het geval ze gevangen werden genomen droegen de mannen van MACV-SOG geen patches of insignes op hun uniform. In april 1968, twee jaar na zijn verblijf in Zuidoost-Azië, had Robertson de Bronze Star ontvangen voor moed, omdat hij zijn mannen veilig uit een vuurgevecht met de Vietcong had weten te leiden.
‘Zijn acties in deze periode vormden een inspiratiebron voor degenen die werden geëvacueerd’, schreef het departement van het leger later in zijn aanbevelingsbrief, waarin de ‘voorbeeldige moed’ van Robertson werd geprezen.
Seahorse
Nadat hij zich had vastgegespt aan de springstoel van de Seahorse, stak Robertson zijn duim omhoog naar de piloot van de Zuid-Vietnamese luchtmacht en leunde achterover terwijl de helikopter schokkend opsteeg vanaf het landingsplatform. Robertson begreep ongetwijfeld wat de missie inhield die hem was opgedragen: hij was de enige Amerikaanse soldaat aan boord van een SVAF-helikopter op weg naar het hart van een land, Laos, waar het Amerikaanse leger officieel niet actief was, en een regio, de A Shau-vallei, die werd beschermd door twee bataljons Vietcong-troepen en verschillende luchtafweereenheden. Robertson vormde in zijn eentje de luchtmacht. Als het misging, zouden zijn kansen op een redding klein zijn.
Tegen het middaguur legde Robertsons helikopter radiocontact met de Amerikaanse en Zuid-Vietnamese commando’s, die een stonden opgesteld rond een open plek boven op een heuvel die wordt aangeduid als 1045. Volgens Amerikaanse grondtroepen die dag was de helikopter al bijna aangekomen toen de eerste vijandelijke soldaat het vuur opende. De Seahorse was stevig – zonder lading zo’n 8000 pond – maar niet kogelvrij, en de Zuid-Vietnamese piloot probeerde de machine om te draaien voor nog een rondje. Hij kwam niet ver: terwijl de commando’s toekeken, werd vanuit het struikgewas een vijandelijke raket omhooggeschoten, die de Seahorse op de flank raakte. De motor viel uit en uit de helikopter stegen oranje vlammen op. In een nabijgelegen vallei explodeerde hij.
Het lichaam van sergeant John Hartley Robertson werd nooit gevonden.
In het voorjaar van 2008 was een christelijke missionaris genaamd Tom Faunce putten aan het graven op het platteland van Cambodja toen hij van een plaatselijke predikant een gerucht hoorde over een Amerikaanse soldaat die een helikoptercrash boven Laos had overleefd in het voorjaar van 1968. Volgens de predikant was de soldaat, een Groene Baret, later getrouwd met een verpleegster uit een Noord-Vietnamese legergevangenis, had hij de identiteit aangenomen van de overleden echtgenoot van de vrouw en was hij met zijn nieuwe echtgenote naar de zuidelijke Vietnamese provincie Dong Nai geëmigreerd. Lokaal stond de man bekend als Dang Tan Ngoc. Maar zijn echte naam, zei de pastoor, was John Hartley Robertson.
‘Als je in leven wilt blijven, vergeet dan alles wat je ooit hebt geleerd’
Een ander zou het verhaal misschien afdoen als pure fantasie. Maar Tom Faunce lukte dat niet. ‘Ik weet hoe het is om in de steek te worden gelaten – wat dat met je doet,’ vertelde Faunce me. ‘En ik dacht bij mezelf: wat zegt het over mij als hij een Amerikaan is en ik niets doe om met hem in contact te komen?’
Faunce is stevig gebouwd, met zilver haar en een gekromde houding. Als kind bracht hij veel tijd door in opvangtehuizen en jeugdgevangenissen. Op twaalfjarige leeftijd, toen hij tijdelijk weer onder toezicht van zijn ouders stond, zag hij zijn vader omkomen in een huisbrand. Op zeventienjarige leeftijd werd hij gearresteerd wegens geweldpleging, omdat hij een fles op het hoofd van een man kapot had geslagen. Faunce ontkende de beschuldigingen, maar een rechter bevond hem schuldig en gaf hem de keuze: gevangenisstraf of dienstplicht. Faunce koos voor het laatste. Hij werd toegewezen aan een infanterie-eenheid van het leger en belandde in in 1968, net op tijd voor het Tet-offensief, in Vietnam. ‘Als je in leven wilt blijven, vergeet dan alles wat je ooit hebt geleerd,’ kreeg hij als verwelkoming van een medesoldaat te horen.
Faunce zei graag dat hij twee eden had afgelegd, de ene aan zijn medesoldaten – niemand achterlaten – en de andere aan God: ‘Niemand onbemind laten’
Faunce overleefde twee missies, maar veel van zijn vrienden niet. ‘Anderen van mijn leeftijd zien sneuvelen, en weten dat ik dat had kunnen zijn, verscheurde mijn hart. Het voelde alsof ik ook was gestorven, samen met hen’, schreef Faunce in zijn zelf gepubliceerde memoires uit 2007, A Soldier’s Story. In de jaren tachtig probeerde hij zijn schuldgevoel te compenseren met een reeks steeds riskantere persoonlijke missies in het buitenland. Hij reisde naar de Balkan en Zuid-Soedan, waar hij voedsel en kleding uitdeelde, en smokkelde bijbels naar rebellen aan de Mosquito Coast. Hij kreeg malaria, tyfus en hepatitis. De maanden dat hij van huis was waren zwaar voor zijn vrouw, Julie, en hun vier kinderen. Maar Faunce dacht dat hij door de Heer was uitverkoren. Hij zei graag dat hij twee eden had afgelegd, de ene aan zijn medesoldaten – niemand achterlaten – en de andere aan God: ‘Niemand onbemind laten.’
In de persoon van Dang Tan Ngoc, de mysterieuze vreemdeling in Dong Nai, werden deze waarden op de proef gesteld. ‘Ik bleef maar denken aan die gelijkenis van het verloren schaap uit de evangeliën,’ vertelde hij me. ‘Er is een herder, en hij heeft 100 schapen in zijn kudde. Welnu, één schaap verdwijnt, en de herder laat de andere 99 achter om achter het ene aan te gaan.’ Hij reciteert de conclusie van de parabel uit zijn hoofd: ‘En als hij het vindt, echt waar, ik zeg je, dan verheugt hij zich meer over dat ene schaap dan over de 99 die niet zijn afgedwaald.’
Faunce begon via de Cambodjaanse predikant, die de westerse naam Ames droeg, navraag te doen naar de man in Vietnam. Ames zei dat hij aan het telefoonnummer van Ngoc kon komen. Helaas zou Faunce niet zelf kunnen bellen: John Hartley Robertson, werd Faunce verteld, sprak geen Engels meer, wat het resultaat was van ernstig mentaal en fysiek trauma opgelopen door het NVA [het Noord-Vietnamese leger].
In plaats daarvan luisterde Faunce mee toen Ames belde. Het duurde niet lang. ‘John zegt dat we hem kunnen komen opzoeken,’ zei Ames tegen Faunce. ‘Geen enkel probleem.’
‘Hij is geen Amerikaan’
De volgende dag stapten Ames, Tom Faunce en zijn neef Joe Faunce, een paramedicus die vaak met Tom meeging op zendingsreizen naar het buitenland, in een busje en reden over binnenland van Cambodja naar de provincie Dong Nai – een reis van acht uur, waarvan het grootste gedeelte over steile bergwegen en kronkelig asfalt voerde. Laat in de middag arriveerden ze bij een klein huisje in Dong Nai.
Robertson verscheen in de deuropening. Hij was slank en verschrompeld, ongeveer 1,80 meter lang, met dunner wordend grijs haar dat in plukken van zijn voorhoofd was geveegd. Met tranen in zijn ogen leidde hij zijn gasten het huis binnen en spoorde hen aan om in de woonkamer plaats te nemen. Maar zodra de Amerikanen zich op hun gemak hadden gesteld, kwam Robertsons bejaarde vrouw uit de keuken tevoorschijn en begon in het Vietnamees tegen Tom en Joe Faunce te schreeuwen. De pastoor deed zijn best om het te vertalen: ‘Hij is geen Amerikaan,’ zei ze. ‘Hij is Vietnamees!’ Robertson stuurde zijn vrouw snel de kamer uit.
Toen ze terugkwamen, was het verhaal van de vrouw veranderd. ‘Ze zei: “Nee, ik heb gelogen,”’ vertelde Faunce me. ‘Ze zei: “Hij is een Amerikaanse soldaat. Ik vrees gewoon voor mijn familie.”’
In de uren die volgden trakteerde Robertson Ames en de Faunces op verhalen over zijn militaire carrière, met een opsomming van de Amerikaanse bases en buitenposten uit de jaren zestig en de correcte identificatie van vliegtuigen die in die tijd door het Amerikaanse leger werden gebruikt. Hij had ook vragen: was zijn gezin in orde? Leefden zijn ouders nog?
Faunce had de antwoorden niet en raadde Robertson aan om hem te vergezellen naar de Amerikaanse ambassade voor een vingerafdruktest die zijn identiteit zou vaststellen en hem toegang zou geven tot zijn oude leven. Uit angst voor inmenging van de Vietnamese regering, stelde Faunce voor om naar de ambassade in Phnom Penh te reizen in plaats van naar het dichterbij gelegen Amerikaanse consulaat in Ho Chi Minh. Tot Faunces verbazing stemde Robertson ermee in. De Faunces en hun passagier deden een kleine dag over de reis naar Phnom Penh. Robertson zat met een vredige uitdrukking op zijn gezicht voor het raam.
Tussen 1965 en 1975 kwamen ongeveer 58.000 Amerikaanse militairen om in de oorlog in Zuidoost-Azië. Naar schatting 153.000 raakten gewond. En meer dan 2000 werden als vermist opgegeven, verdwenen als gevolg van een complex conflict dat over grenzen en oceanen en honderden kilometers oerwoud en bergachtig terrein liep.
Jarenlang, lang na de val van Saigon, vonden veel Amerikanen het nog heel geloofwaardig dat die soldaten nog altijd vastgeketend in afgelegen gevangenissen wachtten om naar huis terug te keren. (De film van Chuck Norris uit 1984, Missing in Action, en Rambo: First Blood Part II, waar de held naar wie de film genoemd werd naar Vietnam reist om een groep krijgsgevangenen op te halen, hielpen dat beeld bij het publiek versterken.) Zwarte POW [prisoners of war] / MIA [missing in action]-vlaggen hingen in de New York Stock Exchange en wapperden boven het Witte Huis. ‘Je zou hun bestaan [dat van de achtergebleven soldaten] niet snel in twijfel trekken tijdens een openbare bijeenkomst of in een vreemde kroeg’, schreef de Rutgers-professor H. Bruce Franklin in zijn studie uit 1992, MIA, of Mythmaking in America, ‘want het geloof in hun lijden (…) heeft vaak de intensiteit van een religie.’
In 1993 concludeerde een Senaatscommissie onder voorzitterschap van John Kerry – en gedeeltelijk bijeengeroepen om speculatie over de MIA-kwestie aan te pakken – dat ‘hoewel de commissie enig bewijs heeft dat suggereert dat een krijgsgevangene het mogelijk tot op de dag van vandaag zou kunnen overleven, en hoewel er nog wat informatie is die nader moet worden onderzocht, er op dit moment geen overtuigend bewijs bestaat dat er in Zuidoost-Azië nog een Amerikaan in gevangenschap leeft.’
Toch weigerden veel veteranen, waaronder Faunce, de bevindingen van de commissie te accepteren, die ze afdeden als politiek opportunisme. Deze overtuiging hield stand tot ver in de jaren 2000. ‘Ik was erbij, en ik weet zeker dat hele teams in Nam spoorloos raakten,’ vertelde Faunce me afgelopen voorjaar. ‘Je maakt mij niet wijs dat we iedere overlevende naar huis hebben kunnen brengen.’
Voordat hij de man in Dong Nai ontmoette, bestudeerde Faunce de details van John Hartley Robertsons levensverhaal. Door oude militaire dossiers door te nemen, had hij ontdekt dat de Groene Baret officieel als dood werd beschouwd. Toch dacht Faunce dat het mogelijk was dat Robertson de crash had overleefd. Per slot van rekening hadden de Zuid-Vietnamezen op 20 mei 1968 weliswaar enkele zoektochten per vliegtuig verricht, maar vanwege de vijandelijke aanwezigheid waren er geen grondtroepen uitgezonden, en tegen de avond was de zoektocht geheel afgeblazen. (De troepen die Robertson had moeten redden, brachten het er ironisch genoeg allemaal levend vanaf.) Was er geen scenario mogelijk waarin Robertson uit de helikopter was gesprongen terwijl deze naar beneden stortte en zich, zwaargewond, door de NVA gevangen liet nemen?
Nu, bij de receptie van het Amerikaanse consulaat in Phnom Penh, identificeerde Faunce zich als veteraan en vertelde de achterdochtige Cambodjaanse bewakers dat hij een man had gevonden waarvan hij vermoedde dat het een vermiste Amerikaanse soldaat was. Faunce zegt dat hij en Robertson werden opgewacht door twee Amerikaanse functionarissen en voor de vingerafdruktest naar het hoofdgebouw werden geleid. (Met een verwijzing naar het privacybeleid weigerde het ministerie van Buitenlandse Zaken het bezoek van Faunce officieel te bespreken, maar vrijgegeven overheidsdocumenten die ik bekeek, bevestigen dat er een vingerafdruktest plaatsvond.)
Robertson en Faunce trokken zich in afwachting van de resultaten terug in hun pension. Rond etenstijd ging Faunces telefoon: de afdrukken kwamen niet overeen. Faunce herinnert zich dat hij de ambassademedewerkers aanspoorde om aanvullende tests uit te voeren. Robertson wist te veel om te doen alsof, protesteerde hij – als hij John Hartley Robertson niet was, was hij misschien een andere vermiste Amerikaanse militair. Maar de medewerkers van de ambassade waren onvermurwbaar. ‘Ze zeiden: “We willen geen belastinggeld verspillen,”’ herinnert Faunce zich. ‘Dus ik zei: “Maak je een grapje of zo? Je zit daar op een plek die miljoenen dollars kost maar je weigert verdere tests uit te voeren op een man die beweert dat hij Amerikaans staatsburger is?” Het maakte eerlijk gezegd dat ik alleen maar harder wilde vechten,’ vervolgt hij. ‘Er was duidelijk iets niet in de haak.’
Documentaire
Tot dat moment deed Faunce zijn onderzoek grotendeels alleen. Maar in 2009 brachten kerkvrienden hem in contact met een filmmaker genaamd Patrick Portelance, die van een wederzijdse kennis had gehoord over Faunces ontdekking in de provincie Dong Nai en een documentaire wilde maken over John Robertson. Faunce was verguld met het idee: een film zou de Amerikaanse regering onder druk kunnen zetten.
Joe en Tom Faunce kochten kaartjes voor een vlucht naar Phnom Penh, dekten de kosten van Portelances vlucht en reden met hem naar Dong Nai. Portelance vertelde me dat voordat hij vertrok, hij er op basis van het onderzoek van de Faunces ongeveer ‘50 procent’ zeker was dat de man in Dong Nai Robertson was. ‘Maar toen ik eenmaal met de man had gesproken, zou ik zeggen dat ik 75 procent zeker was.’ Portelance merkte op dat wanneer Robertson via een lokale vertaler werd ondervraagd over zijn jeugd of zijn familie, hij zijn voorhoofd fronste, er met een slanke vinger op tikte en zich verontschuldigde: die herinneringen waren verdwenen. Ook kwam Robertsons beschrijving van de crash – volgens hem waren er meerdere Amerikanen aan boord van de helikopter – niet overeen met het verslag van het leger.
Maar Portelance, die onlangs zelf betrokken was geweest bij een helikopterongeluk tijdens het filmen van een speedbootrace in de staat New York, wist ook wat hoofdletsel met de hersenen kon doen. ‘Tot op de dag van vandaag zijn er foto’s waar ik naar kan kijken met mij erop, zonder dat ik me er iets van herinner,’ vertelde hij me.
Robertson, meegaand als altijd, vergezelde Portelance en de Faunces naar hun hotel in de provincie Dong Nai, waar Joe Faunce, de paramedicus, Robertson vroeg zich uit te kleden voor een lichamelijk onderzoek. Robertson leek geenszins van zijn à propos door dit ongewone verzoek: hij trok snel zijn shirt, broek en ondergoed uit. Joe nam nota van Robertsons besneden penis – besnijdenis is zeldzaam in Vietnam – en de zware littekens op zijn buik en middel. Hij liet Robertson zijn mond openen voor een buccaal uitstrijkje voor DNA-testdoeleinden, en nam bloed af uit zijn arm.
Buiten viel de zomerse schemering in. De Faunces en Portelance beloofden met de vloeistofmonsters te doen wat ze konden. Hierop omhelsde Robertson hen om de beurt, en sloot ze in zijn lange armen. Zijn gezicht glom opnieuw van de tranen.
Ed Mahoney van de 82nd Airborne Division in de vroege jaren zestig. Foto: familiearchieven van Mahoney
Bij het bekijken van de beelden uit Vietnam, realiseerde Portelance zich dat hij tegen iets reusachtigs was aangelopen. Maar hij had maar twintig uur aan tape verzameld. Om recht te doen aan dit verhaal, zou hij terug moeten naar Dong Nai – een onmogelijkheid gezien zijn verzwakte fysieke toestand. Door zijn hoofdletsel was hij constant vermoeid en duizelig, en hij had moeite met slapen. In 2010, zo vertelde hij me, nam hij contact op met een gerespecteerde Canadese regisseur genaamd Michael Jorgensen, wiens oeuvre een Emmy Award-winnende aflevering omvatte van PBS’ Nova, met als doel Jorgensen te overtuigen met hem samen te werken aan de documentaire. Volgens Portelance sloten hij en Jorgensen later een coproductiedeal (Portelance heeft Jorgensen er later van beschuldigd dat hij hem van het project af probeerde te krijgen, wat door de regisseur wordt ontkend).
Dat de echte John Hartley Robertson blank was geweest, terwijl de man in Dong Nai Aziatische trekken had, leek Mahoney niet te storen
Jorgensen sprak Faunce per telefoon en bestelde een exemplaar van zijn boek A Soldier’s Story. Hij las het in één keer uit. ‘Dit was het verhaal van een man die als kind al erg beschadigd was, daarna ook nog eens was beschadigd door zijn ervaringen in Vietnam, en op reis ging om zijn hart en ziel te genezen,’ vertelde Jorgensen me. ‘Dat was voor mij de doorslaggevende factor, ongeacht of deze persoon nou wel of niet John Hartley Robertson was.’
Hij reisde uiteindelijk twee keer naar Vietnam, de eerste met de Faunces en Hugh Tranh, een Vietnamees-Canadese vertaler, en de tweede keer met een voormalig parachutist van het leger genaamd Ed Mahoney, die in Fort Benning was opgeleid door John Hartley Robertson. Als jonge rekruut was Mahoney onder de indruk van Robertsons evenwichtigheid en intelligentie, net als de andere onderofficieren onder hem. ‘Hij was in onze ogen de belichaming van een perfecte soldaat,’ vertelde Mahoney me onlangs.
In 1991, tijdens een reünie voor de 82nd Airborne, had Mahoney gehoord over het lot van Robertson en was hij in een staat geraakt van, zoals hij het later formuleerde, ‘volledige ontkenning’. Het was voor hem ondenkbaar dat zijn voormalige mentor zomaar in een vuurbal was opgegaan. De twee decennia die volgden sprak hij met MACV-SOG-veteranen en probeerde hij de details van de crash te achterhalen. Ook nam hij contact op met verschillende leden van de familie Robertson, die kapot waren van de verdwijning van John.
Een familielid vertelde me dat het nieuws Johns vader het hardst had geraakt – John was Joe Robertsons favoriet geweest, de grote belofte, de gedoodverfde legerheld. Joe had het moeilijk zonder hem; hij stierf in 1970. ‘John was weg, dat heeft Joe eronder gekregen, ik weet het zeker,’ zei het familielid. ‘Vanaf dat moment viel alles gewoon uit elkaar.’ Robertsons vrouw hertrouwde en nam de naam van haar nieuwe echtgenoot aan en zonder John als bindende factor groeiden zijn zussen en enige broer uit elkaar.
In 2002 had Mahoney een e-mailadres van de vrouw van Robertson gekregen, maar zijn verzoek om contact werd geweigerd. ‘Ze was vaak gecontacteerd over John,’ schreef Mahoney later in een blog. ‘Die mensen waren allemaal nep en beweerden dat ze informatie over John hadden die totaal onjuist bleek te zijn. Terugkijkend op dit contact met Johns ex-vrouw kan ik begrijpen waarom ze niet geïnteresseerd was in wat ik te zeggen had, dus ik liet het zo en heb nooit meer contact met haar opgenomen.’
Nu kreeg Mahoney eindelijk de kans om zich te herenigen met Robertson, bijna een halve eeuw nadat hij de lange Groene Baret voor het laatst had gezien. ‘Ik was heel erg opgewonden,’ vertelde hij me over zijn bezoek aan Dong Nai in 2012. ‘Ik herinner me dat ik daar aankwam, en na één blik op de man wist dat hij het was. Er was geen twijfel over mogelijk.’ (Dat de echte John Hartley Robertson wit was geweest, terwijl de man in Dong Nai Aziatische trekken had, leek Mahoney niet te storen. Toen ik hem er later naar vroeg, zei hij dat hij had geredeneerd dat leeftijd uiterlijke trekken vaak vervaagde.)
Hun ontmoeting, gefilmd door Jorgensen in een restaurant in Dong Nai, is prachtig om te zien: Tom Faunce loopt op Robertson af, knuffelt hem en begroet hem met ‘homey’. Mahoney, gekleed in een wit T-shirt, een cargoshort en witte gympen, zet een paar passen achteruit. Hij en Robertson geven elkaar eerst een hand en vallen elkaar dan ongemakkelijk in de armen. ‘Lang niet gezien,’ zegt Mahoney tegen Robertson. Van zijn kant lijkt Robertson Mahoney totaal niet te herkennen.
Later filmt Jorgensen Joe Faunce die Mahoney vraagt of hij denkt dat Robertson ‘echt’ is. Mahoney antwoordt nadrukkelijk bevestigend. ‘Dit is John Hartley Robertson, de man met wie ik in 1959 tot 1961 bij Delta Company 1503, 82nd Airborne diende,’ is zijn antwoord.
Zuurstofisotopenanalyse
Jorgensen vertelde me dat Mahoneys identificatie van Robertson een ‘behoorlijk sterke getuigenis’ was. Maar het ontbrak hem aan forensisch bewijs dat de Robertson in Dong Nai John Hartley Robertson was. Gelukkig was dat een probleem dat Jorgensen eerder had overwonnen. In 2005 had hij een film geproduceerd voor Discovery Channel genaamd Arctic Manhunt: Hunt for the Mad Trapper, over Albert Johnson, een moorddadige Canadese vagebond. Om enig licht te werpen op Johnsons vroege leven, had Jorgensen een forensisch expert gevraagd de zuurstofisotoopniveaus in Johnsons tanden te meten; aangezien de zuurstofisotoopniveaus na de kindertijd niet veranderen, kan de test worden gebruikt om te bepalen waar iemand is opgegroeid.
De filmmaker pleitte ervoor hetzelfde te doen voor Robertson, en terwijl de camera’s door draaiden, liet Robertson een plaatselijke tandarts een kies uit zijn mond trekken. Jorgensen plaatste de tand in een zakje en bracht hem naar Lesley Chesson, de directeur van een firma in Utah genaamd IsoForensics.
Chesson, een vooraanstaand forensisch expert, vertelde me in een e-mail dat ze vóór 2012 nog nooit een test had uitgevoerd op een tand van een levend persoon – zuurstofisotopenanalyse wordt gewoonlijk gebruikt door archeologen en antropologen om lang begraven menselijke resten te vinden. Maar op aandringen van Jorgensen testten ze de tand op zowel zuurstof- als strontiumisotopen, een tweede mogelijke indicator voor iemands geografische oorsprong. Later kwam Jorgensen naar haar laboratorium in Salt Lake City om haar te interviewen. ‘Op basis van de zuurstof- en strontiumgegevens, en de combinatie van die twee, hebben we het tandglazuur gemeten, en het is zeer onwaarschijnlijk dat individu JHR uit Frankrijk of Vietnam kwam,’ zegt ze in de camera. ‘Het is zeer waarschijnlijk dat hij tijdens zijn jeugd, tussen de leeftijd van drie en twaalf jaar, in de Verenigde Staten heeft gewoond. Met andere woorden, het is zeer waarschijnlijk dat hij een Amerikaans staatsburger is.’
Dat was genoeg voor Mahoney. In het najaar van 2012 belde hij Jean Holley, de oudste zus van Robertson, die in de buurt van Tuscaloosa woonde. ‘Ik denk dat we je broer hebben gevonden,’ zei hij tegen haar.
Sindsdien is er door critici van Jorgensens film op gewezen dat de crises die volgden mogelijk waren afgewend als de filmmaker eenvoudigweg een test had laten doen waarin Jeans DNA werd vergeleken met de vloeistofmonsters die de Faunces hadden verzameld. Maar het documentaireteam beweert – en een familielid bevestigt dat – dat Jean de tests weigerde: ze sprak liever persoonlijk met de man.
Nooit vergeten
In de winter van 2012 stuurde Jorgensen Hugh Tranh naar Vietnam om Robertson op te halen en naar Edmonton, Alberta, te brengen, waar Jean hen verwachtte. Mensen die in de aanloop van die gebeurtenis met Jean Holley spraken, herinneren zich dat ze een andere vrouw was geworden, opgewekt en optimistisch. Johnny was voor Jean de favoriet van al haar broers en zussen geweest tijdens hun jeugd; door zijn verdwijning was ‘een deel van haar voor altijd vermist’, zoals een familielid zich herinnerde. Nu, aan het einde van haar eigen leven, kreeg ze de kans om Johnny weer vast te houden. Ze bleef maar glimlachen.
Jean vloog met haar 63-jarige man, Henry Holley, en een van haar dochters, Gail Holley Metcalf, die John Hartley Robertson op haar tiende verjaardagsfeestje voor het laatst had gezien, van haar huis in Tuscaloosa naar Canada. De reünie vond plaats op 17 december. In de laatste versie van Jorgensens film wordt het gebeuren vanuit verschillende hoeken weergegeven: Robertson en Tranh in een taxicabine, die door het verkeer in de binnenstad racen; Tom en Joe Faunce en Ed Mahoney die zelfverzekerd op Jean Holley en Metcalf af lopen; Jean Holley in een rolstoel, haar ogen groot en waterig.
Als Robertson de kamer binnenkomt, gaat het volume van de soundtrack omhoog. Jean stapt uit haar rolstoel, kreunt blij en zij en Robertson omhelzen elkaar. Beiden snikken. ‘We zijn je absoluut nooit, nooit vergeten,’ zegt Jean, terwijl ze Robertsons hoofd vasthoudt. Later vertelt ze de familie dat ze er ‘geen moment over twijfelde’ dat deze man haar broer was.
Op 4 februari waren Jean en Henry Holley betrokken bij een ernstig auto-ongeluk nabij hun huis in Tuscaloosa. Henry stierf als gevolg van zijn verwondingen. Jean, die ernstig hoofdletsel opliep, kreeg fulltime revalidatiezorg.
Toen ik dit voorjaar contact opnam met Gail Metcalf, vertelde ze me dat in 2012 ‘mijn moeder geloofde dat ze haar broer had gevonden en dat ze gelukkig was’. Dat was genoeg voor Metcalf. Ze voegde eraan toe: ‘We hebben dat hoofdstuk afgesloten.’
De film van Jorgensen, Unclaimed, ging op 20 april 2013 op het Hot Docs-festival in Toronto in première. In een artikel dat in de Toronto Star werd gepubliceerd, noemde verslaggever Linda Barnard de documentaire ‘dramatisch’ en ‘hartverscheurend’. Unclaimed, vervolgde ze, geeft ‘overtuigend’ weer dat Tom Faunce John Hartley Robertson had teruggevonden.
Een paar dagen later pakte de Huffington Post het verhaal op en publiceerde een eigen artikel onder de kop: ‘Vietnam-veteraan die in de strijd zou zijn omgekomen wordt na 44 jaar gevonden.’ Een van de lezers van het HuffPo-stuk was een man uit Virginia genaamd Rodney Millner, die toevallig heel veel wist over John Hartley Robertson.
Fraudeur
Millner is 67; hij bracht het grootste deel van zijn professionele leven door bij de luchtmacht, als inlichtingenanalist. Begin jaren negentig, toen hij met pensioen ging, was hij overgestapt naar een bureau bij het POW / Missing Personnel Office van het ministerie van Defensie, of DPMO, waar hij de taak kreeg om het schijnbaar eindeloze aantal ‘live-’ en ‘dog-tag’-meldingen die uit Zuidoost-Azië kwamen te doorzoeken. Als het bewijsmateriaal gerechtvaardigd was, stuurde hij een zaak voor verder onderzoek door naar veldmedewerkers. ‘Op het hoogtepunt, halverwege de jaren negentig, behandelden we 500 zaken per jaar,’ vertelde Millner, die onlangs met pensioen ging en dus voor het eerst vrijuit kan spreken over de Robertson-zaak. ‘Er kwamen veel meldingen binnen omdat het gerucht ging dat als je bewijs had dat ons naar een MIA leidde, je in de VS zou mogen verblijven. Dat was niet waar. Maar het is moeilijk een hardnekkig gerucht de kop in te drukken.’
Over het lezen van het HuffPo-artikel vertelt hij: ‘Ik herinner me dat ik behoorlijk gefrustreerd was. Omdat [de documentaire] op een aantal punten niet klopte: we wisten niet alleen al heel lang van de man in Dong Nai, maar hebben ook onomstotelijk bewezen dat hij een fraudeur was.’
In 2009, nadat Tom Faunce Robertson naar de ambassade in Phnom Penh had begeleid, werd Millner gevraagd een rapport op te stellen over alle recente claims waarbij John Hartley Robertson betrokken was. Millner kende de naam van de vermiste Groene Baret al lang – dat gold voor de meeste mensen op het bureau van de DPMO in Vietnam. ‘Uit Dong Nai kwamen om de een of andere reden altijd een hoop meldingen’, vertelde Garnett Bell, hoofd van het POW / MIA-kantoor van de Defense Intelligence Agency, een voorloper van de DPMO, afgelopen voorjaar. ‘Ik schat dat we vier tot vijf half-Aziaten uit dat gebied hebben gehad die beweerden Amerikaanse krijgsgevangenen te zijn.’
Tijdens zijn ambtsperiode in de jaren tachtig, vertelde Bell me, had hij een onderzoeker naar Dong Nai gestuurd om een vingerafdruk te maken van ene ‘John Robertson’; de resultaten waren negatief. Maar tegen 1992 verscheen ‘Robertson’ opnieuw op de radar van de regering, dit keer met dank aan een Laotiaanse dissident, Khambang Sibounheuang, die beweerde kennis te hebben van de verblijfplaats van een Amerikaanse krijgsgevangene die zich in Dong Nai schuilhield. Geïntrigeerd reed Mark ‘Zippo’ Smith, een gepensioneerde legerwachter die toen werkte als privébeveiliger voor de prinses van Cambodja, naar de Vietnamese grens om de man te ontmoeten. ‘Ik stap uit de auto en zie daar een lange, half-Aziatische man,’ herinnert Smith zich. De naam van de man was Larry Stevens, kreeg hij te horen.
Smith wist dat Stevens, een marinevlieger die sinds 1969 vermist werd, een van de personen was geweest die op een wijdverspreide foto stond waarvan werd beweerd dat hij drie Amerikaanse krijgsgevangenen in Vietnamese hechtenis toonde. (De twee anderen waren kolonel John Leighton Robertson en Major Albro Lundy Jr., beide van de Air Force, maar de foto’s, die in het voorjaar van 1991 op de cover van Newsweek verschenen, bleken later frauduleus te zijn.)
‘Ik keek hem aan en zei: “Jij bent Larry Stevens niet,”’ herinnert Smith zich. ‘Toen reed ik weg.’ Een paar jaar later kreeg Smith opnieuw informatie over een Amerikaanse krijgsgevangene. Hij reisde naar Phnom Penh en trof dezelfde man aan, die hem samen met een paar Vietnamese mannen stond op te wachten. ‘Nu pas zei de man dat hij John Leighton Robertson heette,’ herinnert Smith zich. Smith zwaaide met zijn pistool en suggereerde dat de wereld misschien beter af zou zijn als hij de bedrieger ter plekke neerschoot. Ik heb Smith verschillende foto’s van Faunces John Robertson gemaild, en Smith bevestigde dat dit inderdaad de man was die hij aan de Vietnamese grens ontmoette.
Smith zegt dat hij het incident heeft gemeld bij het ministerie van Defensie. Maar de DIA – en later de DPMO – had geen enkel mandaat: behalve de Vietnamese regering waarschuwen, kon de dienst niets doen om een soevereine inwoner van een vreemd land te laten straffen.
Geconfronteerd met de beschuldigingen dat Robertson een fraudeur was, voerde Jorgensen aan dat zijn critici hem verkeerd begrepen
Zoals Rodney Millner in zijn rapport uit 2009 opmerkte, dook Robertsons naam vervolgens op aan het begin van het millennium, toen een reeks vingerafdrukken die naar verluidt toebehoorden aan John Hartley Robertson arriveerden bij de Virginia-kantoren van de DPMO. De afzender was een Vietnamees-Amerikaanse vrouw in Maryland, die net als Khambang Sibounheuang, de Laotiaan, goed bekend was bij de DPMO-onderzoekers: bij het bureau bestond het vermoeden dat ze als Amerikaans dekmantel diende voor oplichters in Vietnam.
Er volgden een aantal foto’s, allemaal met een slanke man met zilverkleurig haar waarvan werd vastgesteld dat hij momenteel in de provincie Dong Nai woonde. De afbeeldingen leken gefotoshopt en waren voorzien van onjuiste informatie: op een ervan is de naam ‘Robby’ op de borst van de persoon gekrabbeld. Op een andere wordt als laatst bekende adres van Robertson 518 South Louis St., Boston vermeld, een adres dat op geen enkele kaart bestaat en ook nooit heeft bestaan.
Toch werd in 2006 opnieuw een onderzoeker naar Dong Nai gestuurd om met de vermeende MIA te spreken. Volgens deze onderzoeker gaf de man, die van Europees-Aziatische afkomst leek te zijn, onmiddellijk toe dat hij al zijn leven lang staatsburger was van Vietnam, genaamd Dang Tan Ngoc. ‘Ondanks verzoeken van DPMO heeft geen enkele bron enige informatie verstrekt waaruit blijkt dat hun bewering geldig is’, besloot Millner zijn rapport. Hij deponeerde het document onder het referentienummer 1184 en stuurde het naar zijn bazen.
Op 1 mei 2013, toen Jorgensen zich erop voorbereidde om Unclaimed op grote schaal vrij te geven, ontving de Britse krant The Independent een kopie van het rapport uit 2009, opgesteld door Rodney Millner, en publiceerde een samenvatting van Millners bevindingen. Geconfronteerd met de beschuldigingen dat Robertson een fraudeur was, voerde Jorgensen aan dat zijn critici hem verkeerd begrepen: zijn film ging niet over iemands identiteit. In plaats daarvan ging het ‘over iemands’ – Tom Faunces – ‘emotionele reis’. De kritiek, zei hij, ‘zet me er niet toe aan mijn film te heroverwegen.’
Tom en Joe Faunce trokken zich met hun gezin terug in hun huizen. ‘We waren gefrustreerd door de publieke reactie,’ vertelde Joe Faunce me onlangs. ‘We hadden het gevoel dat mensen niet de juiste vragen stelden.’ Hij wees me op een onderzoek uit 2013 door Robert Burns van de Associated Press, waarin hij de manier waarop de regering meldingen van POW / MIA afhandelde, beschreef als ‘hopeloos onbekwaam en zelfs corrupt’. Het artikel, dat zich richtte op een vertrouwelijke interne evaluatie, ontdekte dat de MIA-database die door overheidsonderzoekers werd gebruikt, onvolledig was en dat het proces om stoffelijke resten te testen ‘ernstig disfunctioneel’ was.
Het zou een vergissing zijn om de DPMO op hun woord te vertrouwen, concludeerden Joe en Tom Faunce. De DPMO kon noch de identificaties van Holley en Mahoney, noch Robertsons ongevraagde en correcte herinneringen uitleggen – tijdens een scène die niet voorkomt in Unclaimed – dat Henry Holley ooit een apotheek bezat. (‘Niemand van onze crew wist dat,’ zegt Jorgensen.) ‘Hoe kon hij zoveel weten over de echte Robertson?’ vroeg Joe mij.
Een heleboel gegevens
Die laatste vraag stelde ik in gesprekken met verschillende huidige en gepensioneerde POW / MIA-onderzoekers. Ze reageerden allemaal op dezelfde manier: het opgraven van biografische informatie over een vermiste soldaat is het makkelijkste deel van elke MIA-zwendel. ‘Ik heb hier veel over nagedacht tijdens mijn tijd als onderzoeker,’ vertelde een gepensioneerd ambtenaar me. ‘En wat ik ontdekte was dat veel van deze oplichters contacten hadden in de Noord-Vietnamese regering of toegang tot Amerikaanse personeelsdossiers die van bases waren gestolen.’ Hij herinnerde zich dat hij ooit bestanden had gevonden van een Noord-Vietnamese soldaat die ‘een heleboel gegevens had over Amerikaans personeel, zelfs bijvoorbeeld de maten van de laarzen die de soldaten droegen.’
Andere potentiële bronnen waren onder meer tijdschriften zoals Task Force Omega, die informatie verzamelden over Amerikaanse militairen die in Vietnam verloren waren gegaan en die in de jaren tachtig en negentig algemeen verkrijgbaar waren in Zuidoost-Azië. (John Hartley Robertson, John Leighton Robertson en Larry Stevens zijn allemaal opgenomen in de archieven van Task Force Omega). ‘Waar het op neerkwam,’ zei de ambtenaar, ‘was dat het materiaal voorhanden was voor ieder die de brutaliteit had het te gebruiken.’
De bevindingen van de zuurstofisotooptest op de kies waren voor mij moeilijker te begrijpen. Deze worden in Unclaimed gepresenteerd als definitief bewijs van Robertsons land van herkomst en dus zijn burgerschap: ‘Wat er ook gebeurt, de test toont aan dat je een Amerikaan bent,’ zegt Tom Faunce tegen Robertson in een door Jorgensen gefilmd gesprek.
Dit voorjaar heb ik Lesley Chesson van IsoForensics een e-mail gestuurd met het verzoek om een kopie van de resultaten van de test die ze op de tand van Robertson uitvoerde. Chesson zei dat ze me die niet kon geven zonder toestemming van Myth Merchant Films, het bedrijf van Jorgensen, maar een producer bij Myth Merchant stemde ermee in me een samenvatting te sturen. In de samenvatting staat inderdaad dat een aantal gebieden in de VS zuurstofisotoopwaarden heeft die overeenkomen met die in de kies. Een meting van de zuurstofisotoopniveaus van de neerslag (een iets andere maatstaf die afhankelijk is van weermodellen) laat echter waarden zien die consistent zijn met een reeks andere plaatsen: China, Myanmar en verschillende Europese landen.
Ik stuurde de samenvattende brief van Chesson naar twee vooraanstaande experts op het gebied van zuurstofisotopenanalyse. Per e-mail antwoordde Carolyn Chenery, een wetenschapper bij de British Geological Survey, dat ‘een Noord-Amerikaanse afkomst mogelijk is’. Maar ze voegde eraan toe: ‘een groot deel van de rest van de wereld kan niet worden uitgesloten.’ Wolfram Meier-Augenstein, een professor aan de Robert Gordon University, in Aberdeen, Schotland, was het daarmee eens: ‘Gegevens over de tand leveren geen bewijs dat de man westers is’, zei hij. ‘Misschien wel, maar misschien ook wel Aziatisch.’
‘Ik zou willen weten of hij blij is met zijn nieuwe gezin in Vietnam. En of hij nog steeds aan zijn oude gezin thuis denkt’
In 2014 dienden Gail Holley Metcalf en John Michael Robertson, het enige kind van de enige broer van John Hartley Robertson, DNA-monsters in bij een laboratorium in Alabama om de speekselmonsters verzameld door Joe Faunce in Dong Nai mee te kunnen vergelijken. De monsters kwamen niet overeen. ‘Op dit moment hebben we geen DNA-bewijs van een biologische relatie tussen mijn moeder en “John”,’ schreef Holley Metcalf destijds in een verklaring.
Maar John Michael Robertson, ofwel Mike, blijft hopen dat de man in de documentaire zijn oom is. ‘Er is iets wat de regering achterhoudt,’ vertelde hij me dit voorjaar in een telefoongesprek. Hij vroeg zich hardop af of het mogelijk was om nieuw speeksel van Robertson te krijgen, of om John naar de Verenigde Staten of Mexico te halen voor een strengere reeks tests onder strengere voorwaarden.
Ik vroeg Mike wat hij zou zeggen als hij de kans kreeg om met de man in Dong Nai te praten. Hij antwoordde dat hij Robertson een kaartje had gestuurd voor Veterans Day, samen met een oude zwart-witfoto uit midden jaren zestig van John Hartley Robertson die met zijn gezin voor zijn huis in Alabama staat. ‘Ik denk dat ik zou willen weten wat die foto met hem deed, snap je?’ zei Mike. ‘Ik zou willen weten of hij blij is met zijn nieuwe gezin in Vietnam. En of hij nog steeds aan zijn oude gezin thuis denkt.’
En als hij een fraudeur is? ‘Dan wil ik dat ook weten,’ zei hij.
Kans
Tom Faunce was altijd het meest voor de hand liggende kanaal om Robertson te bereiken, en toen hij me niet zo lang geleden vertelde dat hij een nieuwe missie naar Cambodja aan het plannen was – en dat hij Robertson daar misschien ook heen kon krijgen – greep ik de kans. We ontmoetten elkaar in Phnom Penh, in een guesthouse in het backpacker district van de hoofdstad. Faunce deed de deur van zijn kamer open in een korte broek en een MIA-T-shirt. Aan zijn riem hing een lang mes.
‘Mijn gedachte is: als de man nep is, arresteer hem dan,’ vertelde Faunce me tijdens de lunch in een nabijgelegen café. ‘Dan wil ik als veteraan ook dat hij straf krijgt – niemand mag zich als soldaat voordoen. Maar ik begrijp niet hoe je kunt proberen om iemand zomaar af te schrijven.’
Hij maakte zich zorgen om zijn vriend: hij had gehoord dat Robertson een probleem had met zijn benen, of misschien zijn rug, en dat het moeilijk voor hem was om het huis te verlaten. Faunce wilde hier in Phnom Penh een rolstoel voor hem kopen; ook wat medicijnen, als hij erachter kon komen welke pillen Robertson precies nodig had.
‘Denk je dat John ons in Cambodja zal ontmoeten?’ vroeg ik.
De reis zou Robertson belasten, antwoordde Faunce, maar hij beloofde dat we hem later die dag zouden bellen. Dat deden we, maar niemand nam op.
De dagen die volgden vergezelde ik Faunce op zijn pre-expeditierondes. Binnenkort zou het droge seizoen beginnen en Phnom Penh was al schaduwloos, de lucht vervuld van dieseldampen en stof. We reden naar het kantoor van een plaatselijke drukker en laadden een vrachtwagen vol bijbels en christelijke audioboeken. We stopten bij een pakhuis waar Faunce met de eigenaar onderhandelde over de prijs van een pak kleren uit China.
Maar er was nog steeds geen nieuws uit Dong Nai, en ik begon onrustig te worden. Aan de vooravond van zijn vertrek naar de bergen smeekte ik Faunces lokale fixer, Ratha Soy, een laatste poging te doen om Robertson te bereiken. Hij zou vast wel openstaan om ons aan de Cambodjaanse grens te ontmoeten. Met tegenzin toetste Soy de cijfers op zijn mobiel in. Het was een kort gesprek. ‘Sorry,’ zei Soy terwijl hij ophing. ‘Hij kan het niet. De politie is er en hij is bang.’
‘Is de politie er, of is hij ziek?’ vroeg ik.
‘Beide,’ zei Soy.
Ik vertelde Faunce dat ik geen keus had: ik zou een busticket naar Vietnam kopen. Ons afscheid was niet hartelijk. ‘Je zult hem niet kunnen vinden,’ zei Faunce tegen me. Zelfs als ik dat zou doen, zou Robertson niet met me praten, hield hij vol; ‘De enige Amerikanen die hij vertrouwt, zijn Joe en ik.’
Thuis in de VS had ik elke minuut van Unclaimed doorgenomen, op zoek naar het soort identificerende detail dat me naar Robertson zou kunnen leiden. Het mocht niet baten: de Vietnamese hotels en restaurants die in de film waren afgebeeld waren naamloos, de huizen generiek. Maar toen ik de film aan een vriend in Ho Chi Minhstad liet zien, ving hij iets op dat ik had gemist: het telefoonnummer op een reclamebord van een fruitgroothandel naast de tandarts van Robertson.
Via een vertaler kwam ik in contact met de vrouw van de tandarts, die haar man hielp met het inplannen van de afspraken. Natuurlijk herinnerde ze zich de con lai, oftewel de man van gemengde afkomst, zei ze me – hij woonde in het volgende dorp. En ze had nog steeds zijn telefoonnummer.
Om Dong Nai te bereiken vanuit Ho Chi Minh-stad, de voormalige hoofdstad van de Republiek Zuid-Vietnam, rijd je pal naar het oosten over het gladde nieuwe asfalt van Route CT101 alvorens naar het noorden te gaan over een reeks steile heuvels, als de ruggengraat van een draak. De heuvels maken plaats voor schaduwrijke groepen rubberbomen, de rubberbomen weer voor de stad.
Tot in de jaren zeventig was de provincie Dong Nai grotendeels wildernis, maar aan het einde van de oorlog maakte de communistische regering deel uit van het New Economic Zones-programma, waardoor het gebied werd opengesteld voor honderdduizenden noorderlingen. Tegenwoordig is Dong Nai een snel industrialiserende buitenwijk van Ho Chi Minh-stad, vol met fabrieken voor rubberverwerking en machine-onderdelen, niet te onderscheiden van welke andere Vietnamese productiehub dan ook. De horizon is wazig van de smog; benzinestations verdringen de weg.
Het kantoor van de tandarts, dat ook dienstdeed als zijn huis, bevond zich aan een drukke laan in de wijk Dinh Quan. Op de ochtend dat ik hem bezocht, passeerde ik, samen met een fotograaf en een tolk, een half dozijn patiënten die op een bank voor de voordeur zaten te wachten – één hield een zak met ijs tegen zijn kin. ‘Wortelkanaalbehandeling,’ legde de vrouw van de tandarts met een brede glimlach uit. Als ze überhaupt was aangedaan was door onze aanwezigheid, liet ze het niet merken: ze leidde ons naar de woonkamer en draaide een gammele ventilator onze kant uit.
We hadden hem gebeld en hij was gekomen – zo gemakkelijk was het geweest
Terwijl we ijskoffie dronken vroeg ik haar wat ze wist over Robertson. Ze zei hetzelfde als vrijwel iedereen die ik in Dong Nai zou interviewen: hij was van Frans-Vietnamese afkomst, een van de tientallen mensen van gemengde afkomst die overbleven na de lange westerse bezetting van haar land. Ze haalde haar schouders op om duidelijk te maken dat ze er niet veel over had nagedacht. Maar hoe zit het met de documentairefilmploeg die de con lainaar haar kantoor had gebracht? Wekte die niet de indruk dat er iets speciaals was aan Dang Tan Ngoc? Weer haalt ze haar schouders op. ‘Misschien was het een film over de oorlog?’ oppert ze.
Ze belde Ngoc op haar mobiele telefoon. ‘Hij is hier over tien minuten,’ zei ze terwijl ze ophing. ‘Hij woont om de hoek.’
De eerstvolgende keer dat ik opkeek, zat de man van Unclaimed op de bank voor de voordeur, naast de wachtende patiënten, het ene lange been over het andere gekruist, zijn handen losjes rustend op zijn knieën. Hij was netjes gekleed, in een gekreukte broek en beige overhemd. Om zijn pols droeg hij een nepgouden Rolex. Niet voor de laatste keer werd ik getroffen door zijn kalme manier van doen: de onbezorgde glimlach, de lange sigaret waaraan langzaam askegel groeide. We hadden hem gebeld en hij was gekomen – zo gemakkelijk was het geweest.
De vrouw van de tandarts wuifde hem naar binnen. Hij sloeg een kopje koffie af, nam een glas water aan en plaatste zich in de stoel rechts van mij. ‘Ik ben blij je te zien,’ zei hij, in wat mijn tolk later identificeerde als een duidelijk Zuid-Vietnamees accent.
Terwijl we beleefdheden uitwisselden, bekeek ik zijn gezicht. Het zou kunnen kloppen, zoals Tom Faunce me had verteld, dat Robertsons lengte dezelfde was als die van John Hartley Robertson, of, zoals Ed Mahoney had gezegd, dat zijn haarlijn overeenkwam met die van de Groene Baret. Maar ik zag alleen de kleinste flikkering van gelijkenis in Robertson met de man uit 1968: de kin was vierkant, niet rond, zoals die van Robertson, de ogen hadden een heel andere vorm.
‘We hoorden dat je ziek was,’ zei ik tegen hem.
Zijn benen, zei hij. Veel pijn. Ik vroeg hem naar de kaart die Mike Robertson had gestuurd; hij zei dat hij die niet had ontvangen. Hij glimlachte en raakte mijn pols even aan.
‘Kun je me je echte naam vertellen?’ vroeg ik.
‘Hij herinnert zich alleen dat zijn naam Johnson is,’ vertaalde de tolk.
‘Johnson?’
De tolk stak zijn hand op. ‘Nee, hij weet zijn achternaam niet meer. Ja, door het martelen doet zijn hoofd zelfs nu soms nog pijn.’
‘Weten de mensen in zijn dorp dat hij een Amerikaan is?’
‘Nee, vanwege zijn vrouw – ze weet dat hij een Amerikaan is, maar ze is bang voor wraak van de lokale bevolking, dus heeft ze iedereen gezegd dat hij een Fransman is van gemengde komaf.’
Het was bijna één uur ’s middags. Robertson wilde niet dat we meegingen naar zijn huis, maar hij accepteerde graag een lunchaanbod. Op zijn aanraden reden we samen naar een openluchtrestaurant aan de rand van de stad. Aan een tafel in de schaduw van een hellende palmboom stak Robertson een nieuwe sigaret op en vertelde dat het gebied vol tijgers had gezeten toen hij er aankwam. Mensen hadden met messen een weg door de jungle gehakt om hun huizen te bouwen. Nu was het beter, maar de provincie Dong Nai was nog steeds arm. Hij was nog steeds arm.
Ik vroeg hem of hij werkte. ‘Ik was een tijdje motortaxichauffeur,’ zei hij – hij gebruikte een mooie motor die Tom Faunce voor hem had gekocht. Maar daarvoor werd hij te oud. ‘Ik kweek pomelo’s,’ zei hij – een grapefruitachtig gewas afkomstig uit Zuidoost-Azië.
Contouren
Een serveerster zette een hete pan cháo, een soort gekruide rijstepap, op tafel. Kon Robertson ons vertellen over de crash? Alles wat er maar in hem opkwam. Hij reciteerde de contouren van het verhaal zoals dat in de documentaire wordt getoond: hij was een Amerikaan, hij had een helikoptercrash gehad, zijn vrouw had hem gered. Maar het raakte uit koers, de versnellingen waren verroest – nu vond de crash ’s nachts plaats, niet ’s ochtends; hij was in de buurt van de Cambodjaanse grens geweest.
‘Ik zat in de helikopter artillerie klaar te maken om te schieten, en er waren drie tot vijf Amerikanen bij me,’ legde hij uit. ‘Toen kwam er een raket.’
Zou het mogelijk zijn dat hij ons een van zijn overheidspapieren liet zien, bijvoorbeeld een identiteitsbewijs? Er was bij hem ingebroken, antwoordde hij. De dieven hadden wat geld en al zijn papieren meegenomen.
‘Wat zijn uw dromen voor de toekomst?’ vroeg ik.
‘Ik wou dat ik meer geld had om een groter stuk land en een boerderij te kopen.’
‘Maar niet om terug te gaan naar de Verenigde Staten?’
‘Ja, en om naar de Verenigde Staten te gaan. Naar Boston.’
‘Waarom Boston?’ vroeg ik.
‘Mijn oude zus woont daar,’ zei hij.
‘Weet je,’ zei ik, ‘er zijn daar mensen die niet geloven dat u John Hartley Robertson bent. Er zijn tests gedaan,’ voegde ik eraan toe, wachtend tot hij de vertaling had gehoord.
Hij wees naar zijn hoofd. ‘Het ongeluk,’ zei hij. ‘Het was een zwaar ongeluk. Ik was gewond. Mijn geheugen is slecht.’
‘Is het mogelijk dat u Robertson niet bent?’
‘Ik weet het niet.’
‘Misschien bent u een andere Amerikaanse soldaat.’
‘Oké,’ zei hij.
‘Is het niet mogelijk dat u Vietnamees bent?’
‘Oké,’ zei hij. ‘Ja.’
Ngoc begon moe te worden, zijn voorhoofd raakte bedekt met zweet.
‘Ik zou graag naar huis willen,’ zei hij ten slotte.
Ik had Ngoc beloofd dat we niet naar zijn huis zouden gaan, en ik was van plan mijn woord te houden. Maar niets weerhield ons ervan zijn buren te bezoeken. Nadat we Ngoc bij zijn motor hadden afgezet, klommen we weer in onze vrachtwagen en reden, volgens de aanwijzingen van de vrouw van de tandarts, over een smalle eenbaansweg de stad uit. Bij een van de huizen werden we door een geamputeerde jongen bekeken die toen hij ons zag opzij sprong en om zijn moeder gilde. Bij een ander huis stond een angstaanjagend uitziende hond op wacht. Bij de derde keer vroegen we de kalende bewoner wat hij ons kon vertellen over de lokale con lai. ‘Waarom vraag je het hem niet zelf?’ antwoordde hij, en spuugde theatraal tabak in onze richting.
We stopten bij een eetkraampje langs de weg om uit te rusten. In een hangmat lag een zwartharige man met een pantertatoeage op zijn borst een biertje te drinken. Het licht was zacht en goudkleurig, de schaduwen waren langgerekt. De eigenaar van de stand, een elegant geklede oudere vrouw, bevestigde dat ze een con lai kende die Ngoc heette, maar lang niet zo goed als haar vader – haar vader en de con lai waren goede vrienden. De vader werd opgetrommeld. Zijn ogen hadden totaal verschillende kleuren, een bruin en een lapis; zijn witte haar stond in een trotse kuif overeind. ‘Ik ken Ngoc sinds 1976,’ zei hij. ‘Het is een goede man.’
Wat voor werk deed Ngoc? vroeg ik.
De man begon een opsomming: motortaxichauffeur, inspecteur kwaliteitscontrole in een nabijgelegen fabriek, politieagent.
‘Politieagent?’ flapte de vertaler eruit. ‘Weet je zeker dat?’
‘Absoluut,’ zei de man. ‘Je moet met Tan Som praten. Som, legde hij uit, was al twintig jaar de schoonzoon van Ngoc; Som en de dochter van Ngoc waren nu gescheiden, maar Som had met Ngoc bij het korps gewerkt en hij had de personeelsdossiers van Ngoc gezien.
Het duurde even voordat Som bij de eetkraam arriveerde; hij had bij een maatje thuis gehangen, rijstwijn gedronken. Toen hij aankwam, schudde hij me de hand, stak een sigaret op en praatte vijftien minuten onafgebroken. Ngoc, zei Som, was in 1947 geboren en groeide op in een weeshuis in Saigon. Op achttienjarige leeftijd had Ngoc het weeshuis verlaten en was hij bij de marine gegaan, waarvoor hij tijdens de oorlog in het Zuid-Vietnamese leger diende – een dienstplicht die Ngocs bekendheid met Amerikaanse bases en commando’s gedeeltelijk kon verklaren. Later was hij naar het noorden gekomen, naar Dong Nai, en had hij een positie als agent bekleed. Ngoc was een paar jaar hoofd van de politie geweest.
‘En hij heeft twee kinderen,’ zei ik.
‘Tien, denk ik. En vier zijn in de Verenigde Staten.’
‘Heeft Ngoc er ooit aan gedacht daar ook heen te gaan?’
‘In de jaren negentig dacht hij daarover, maar uiteindelijk wilde hij zijn familie in Vietnam niet achterlaten,’ zei Som. ‘Hij vond het te moeilijk om afscheid te nemen.’
Neergeschoten Amerikaanse piloten en hun nobele Vietnamese redders waren een centrale troef van de Vietnamese cinema in de jaren zeventig en tachtig
Had een van de dorpelingen westerse filmmakers in hun gehucht gezien? Dat hadden ze inderdaad, antwoordde hij, maar Ngoc had vragen daarover van tafel geveegd en zijn buren hadden het verder gelaten. Ze hadden het eindproduct nog nooit gezien.
‘Wist je dat Ngoc in de film zegt dat hij een Amerikaanse soldaat is?’ zei ik.
Som schudde zijn hoofd. In de stilte kon ik hem horen ademen. Hij zag er oprecht uit. Een beetje geschrokken. ‘Dat is onmogelijk,’ zei hij.
Ons hele gesprek was de man met de tatoeage op de borst in zijn hangmat blijven liggen terwijl hij zijn biertje dronk en rustig luisterde. Nu begon hij te praten. Hij vroeg of het kon zijn dat we fictie met feiten verwarden: hij herinnerde zich dat hij eind jaren zeventig een tijdelijke rol had gehad als setbewaker van een Vietnamese film die hier in Dong Nai was opgenomen. Hij vertelde de plot van de film: een Amerikaanse helikopterpiloot wordt neergeschoten boven vijandelijk gebied en genezen door een goedhartige Vietcong-verpleegster. De verpleegster en de piloot worden verliefd en leven nog lang en gelukkig.
‘Ngoc,’ zei hij, ‘speelde de piloot.’
Volgens de Vietnamese filmarchivaris Do Thuy Linh waren neergeschoten Amerikaanse piloten en hun nobele Vietnamese redders een belangrijke troef van de Vietnamese cinema in de jaren zeventig en tachtig. In de avonturenfilm Con Lai Mot Minh (vertaling: Left for Dead) uit 1984 krijgt een gewonde Amerikaanse vlieger bijvoorbeeld hulp – en op een gegeven moment zelfs moedermelk – van een Vietnamese boerin. Toch kon Linh geen film vinden met iemand die op Ngoc leek in de hoofdrol. ‘Als die film inderdaad bestaat,’ zei ze, ‘is er ook nog een kans dat hij is opgenomen maar niet uitgebracht’, in welk geval hij niet zou voorkomen op lijsten met producties uit die tijd.
Terwijl ik naar de man in de hangmat luisterde, voelde ik me diep gedesoriënteerd, zoals je kan hebben als je een onbekende trap oploopt en je voet op een tree belandt die er niet is. De werkelijkheid hapert even.
De nacht viel over het dorpje. In de omringende bomen zongen de vogels. We namen afscheid van Som en de eigenaar van de stand en haar vader, en reden met de taxi terug naar Ho Chi Minhstad. Op de achterbank sloot ik mijn ogen en stelde me de laatste momenten van de missie van John Hartley Robertson voor: de raket die de helikopter tegemoet snelde, de helikopter die in rondjes naar de bodem van de vallei zweefde. Hoe verbazingwekkend dat die paar onweerlegbare details de basis waren geworden van zo’n levendig verzinsel. Niet zomaar een verzinsel, maar het soort fictie dat de mensen die deze consumeren een spiegel voorhoudt, waardoor ze er een stukje van zichzelf in kunnen vinden. Het was een fabel geworden die dromen had vervuld en gebeden verhoord. En wat was ervoor nodig? Enkel de bereidheid van een arme con lai in de provincie Dong Nai om ‘ja’ te zeggen. Ja: ik zal je vertellen dat ik een lang verloren gewaande Amerikaanse soldaat ben. Ja: ik reis naar de ambassade in Phnom Penh voor een vingerafdruktest. Ja: ik zal mijn broek voor je uittrekken. Ja: ik zal je mijn kies aanbieden. Ja: ik accepteer deze glimmende nieuwe motor.
Ja: ik zal je helpen te blijven geloven.
Twee weken na mijn terugkeer uit Vietnam ontving ik een vreemde e-mail van Tom Faunce. Hij had ‘contact gehouden met John om hem wat dollars te sturen’, schreef hij. Ik had hem verteld dat ik Ngoc had gevonden, maar nu zei hij dat Ngoc dat ontkende. ‘Weet niet waarom hij tegen ons zou liegen’, schreef Faunce. ‘Zei dat hij je nooit had ontmoet.’ Ik stuurde Faunce een foto van Ngoc en mijzelf in Dong Nai. ‘Ik weet niet zeker wat er aan de hand is’, antwoordde Faunce.
In de daaropvolgende weken sprak ik telefonisch met Joe Faunce en Hugh Tranh, de vertaler van Jorgensen. Faunce kon niet van het idee af worden gebracht dat Ngoc Robertson was. Hij sms’te me dat hij en Mike Jorgensen ‘carrières moesten beschermen die afhingen van wat je schrijft. Er is storm op komst. Denk aan de kleine jongens!’ Hij beloofde een ‘lijst met punten’ te sturen van ‘wat volgens mij en vele anderen feiten zijn’ omtrent Robertsons identiteit, maar de lijst is nooit gekomen. (Evenmin heb ik kunnen verifiëren dat Ngoc familieleden heeft in de VS.)
Hugh Tranh was korter af. Tranh praat nog steeds regelmatig met Ngoc en heeft geholpen geld in te zamelen om naar Dong Nai te sturen. Hij zei dat hij twijfelde aan de geldigheid van de DNA-tests en noemde Jean Holleys omhelzing van Ngoc als bewijs van de identiteit van de man. (Ed Mahoney had een soortgelijke houding: ‘Als ik het mis heb, hoe kan ik er dan zo naast zitten?’ vroeg hij me.) Op Tranh kon ik alleen maar antwoorden dat we soms zien wat we willen zien.
‘U mag uw feiten hebben, maar ik heb de mijne,’ zei hij en hing op.
De waarheid
Mijn laatste gesprek met Tom Faunce vond plaats in april. We spraken een uur lang, waarin Faunce van het ene stadium van verwerking in het volgende leek te belanden: van woede tot ontkenning, ontkenning tot acceptatie, acceptatie tot verdriet. Hij vertelde me dat hij er nooit helemaal van overtuigd was geweest dat zijn Robertson John Hartley Robertson was. Daarna nam hij dat weer terug en zei dat hij de vermiste Groene Baret wél had gevonden, of op zijn minst een Amerikaans staatsburger.
Toch erkende Faunce dat hij zich zorgen maakte vanwege Ngocs leugen dat hij mij niet had ontmoet in Dong Nai. ‘Het zet me gewoon aan het denken, snap je?’ zei hij. ‘Als iemand over één ding liegt, kan hij over heel veel dingen liegen.’
Maar er was nog tijd om het uit te zoeken: binnenkort is Faunce van plan terug te keren naar Cambodja voor een bijbelverspreidingsmissie. Misschien, dacht hij, zou hij een uitstapje over de grens maken naar dat lommerrijke plaatsje in Dong Nai en eindelijk de waarheid vinden.
Donald Trumps recente twaalfdaagse rondreis door Azië verliep zonder grote incidenten. Ook sloot de Amerikaanse president een tiental lucratieve deals. Maar hij kon niemand duidelijk maken hoe hij denkt te reageren op de toenemende macht van China
Na een voor hem ongekend vertoon van diplomatie tijdens zijn driedaagse bezoek aan Beijing, was Donald Trump een paar dagen later op de Asia-Pacific Economic Cooperation-top in Vietnam weer zijn vertrouwde zelf. In een felle en confronterende toespraak in Da Nang beschuldigde hij landen in de regio van handelsmisbruik dat de VS niet langer zouden tolereren, en betoogde hij dat in zijn beleid America altijd first zou zijn. De toon stond in schril contrast tot die van de Chinese president Xi Jinping. Hij sprak na Trump en steunde onomwonden de globalisering. ‘Openheid leidt tot vooruitgang, en wie zich op zichzelf blijft richten, zal achterblijven,’ zei Xi.
De Aziatische landen, beducht voor de oplopende rivaliteit tussen ’s werelds twee grootste economieën, volgden Trumps eerste bezoek aan China nauwlettend. Tot veler verrassing verliep het verblijf van de Amerikaanse president in Beijing probleemloos en rustig. In plaats van het verwachte diplomatieke getouwtrek over Noord-Korea, de handel, Taiwan en de Zuid-Chinese Zee, sprak Xi vleiende woorden over Trump. Ook sloot China meer dan tien zakelijke overeenkomsten met de VS, ter waarde van ruim 250 miljard dollar, in een poging om Trumps onvrede over Amerika’s handelstekort met China te sussen.
Volgens lokale waarnemers kan de goede persoonlijke band tussen Xi en Trump op korte termijn zeker van nut zijn voor de Chinees-Amerikaanse betrekkingen. Maar op langere termijn zullen die betrekkingen volgens hen in het teken staan van de relatieve neergang van de VS en de opkomst van China. ‘De strijd om invloed in Azië is ontbrand en zal waarschijnlijk feller worden,’ vertelt Timothy Heath, internationaal defensiespecialist bij de RAND Corporation. ‘De toekomst van de mondiale economie ligt in Azië en de VS kunnen het zich niet veroorloven die regio te negeren. De opkomst van China biedt de regio kansen op economische bloei, zoals de Nieuwe Zijderoute, Xi’s persoonlijke initiatief met betrekking tot de wereldhandel en de ontwikkeling van de infrastructuur, maar zorgt bij veel buurlanden ook voor angst en ongerustheid. ‘De VS zullen een belangrijke speler blijven bij het bewaren van de vrede en de stabiliteit in een regio met een geschiedenis vol animositeit en onzekerheid,’ zegt Heath.
Machtsevenwicht veranderd
Volgens analytici heeft Beijings toegenomen assertiviteit onder Xi het machtsevenwicht veranderd. ‘Jarenlang volgden veel landen in de regio een dualistische benadering van “aankloppen bij China voor de economie en aankloppen bij de VS voor de veiligheid”, aldus Alexander Vuving, Chinadeskundige aan het Daniel K. Inouye Asia-Pacific Centre for Security Studies in Honolulu. ‘Maar die tactiek werkt niet meer. Landen in de regio moeten op zoek naar een nieuwe regionale veiligheidspolitiek.’
‘Beijing maakt zich vooral zorgen over de door de VS geleide vierpartijencoalitie tegen China,’ verklaart Pang Zhongying, een in Beijing gevestigde deskundige op het gebied van de internationale politiek. ‘Dat roept bij Beijing slechte herinneringen op aan de tegen China gericht Aziëstrategie van voormalig president Obama – zij het nu onder een andere naam.
De herleving van die vierpartijencoalitie – de VS, India, Japan en Australië – die zo’n tien jaar geleden ontstond, is het meest recente voorbeeld van een nieuwe strategische coalitievorming die als tegenwicht moet dienen voor China’s militaire en economische invloed. Japan is de meest uitgesproken aanhanger van het initiatief; India en Australië werden recent pas enthousiast toen China de door de VS geleide wereldorde begon te tarten.
Australische politici hebben herhaaldelijk gewaarschuwd tegen vermeende pogingen van China om de Australische politiek te beïnvloeden, en tegen China’s expansiepolitiek met betrekking tot het oude geschil om de Zuid-Chinese Zee. ‘Het recente conflict tussen China en India over het Doklamplateau in het Himalayagebergte was ook een waarschuwing voor New Delhi,’ zegt Diyesh Anand, Chinadeskundige aan de Londense Westminster University. ‘Het lijkt erop dat China’s ontevreden buren, zoals India en Japan, niet langer zwijgend zullen toezien, maar de banden met de VS en met elkaar zullen aanhalen.’
Veel kleine landen in Zuidoost-Azië stellen zich juist voorzichtiger op en proberen zich afzijdig te houden van de grote geschilpunten, zo luidt de analyse van Jay Batongbacal, zeerechtdeskundige aan de University of the Philippines. Maar ook hun relatie met China is gespannen. Volgens veel analytici ligt het keerpunt in Beijings relatie met zijn buren in 2010. Toen bitste de Chinese minister van Buitenlandse Zaken Yang Jiechi zijn Singaporese collega toe: ‘China is groot en de andere landen zijn klein, dat is een feit.’
Ook het kleine Vietnam ondervond hoe het is om door China te worden geïntimideerd. Het land spreekt zich al enige tijd duidelijk uit tegen de Chinese claim op de Zuid-Chinese Zee. Op Vietnams onafhankelijkheidsdag, begin september, hield China een militaire oefening vlak voor de Vietnamese kust. Omdat Hanoi economisch afhankelijk is van China, was er weinig dat men kon doen. ‘Vietnam heeft geen opties meer,’ vertelt Vuving. ‘Het land wendde zich tot de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen. Maar als puntje bij paaltje komt zijn de VS, Japan en India de enige die Vietnam kunnen helpen enig tegenwicht te bieden tegen de Chinese invloed.’
Volgens analytici heeft het feit dat Azië niet echt stabiel is en dat de meeste regeringen in de regio elkaar niet echt vertrouwen, bijgedragen aan de spanningen en toenemende rivaliteit tussen China en de VS. Trumps buitenlandpolitiek, verstoken van elke consistente, allesomvattende strategie, heeft de afname van de invloed van de VS in de regio versneld, bondgenoten en partners van zich vervreemd en China de vrije hand gelaten bij het vergroten van zijn regionale dominantie.
‘Xi veroordeelt de westerse liberale waarden en stelt China als het grote voorbeeld voor andere staten’
Carlyle Thayer, defensiespecialist aan de University of New South Wales in Sydney, legt uit dat in de ogen van Zuidoost-Aziatische landen Trump met zijn isolationistische politiek in feite het leiderschapsstokje heeft overhandigd aan Xi en het signaal heeft afgegeven dat de naoorlogse periode van de Amerikaanse dominantie snel ten einde komt. ‘De Verenigde Staten hebben weinig aan hun militaire dominantie ten opzichte van China als leiderschap en strategie ontbreken om deze te gebruiken ter ondersteuning van een op regels gebaseerde regionale en wereldorde,’ zegt hij. ‘Xi is in dat gat gestapt. Hij veroordeelt de westerse liberale waarden en stelt China als het grote voorbeeld voor andere staten.’
Volgens veel analytici hebben – ondanks het feit dat negen op de tien Amerikanen nog steeds voorstander is van een sterk mondiaal leiderschap van Washington – Trumps minachting voor multilaterale handelsovereenkomsten en zijn koerswijziging met betrekking tot verplichtingen aan bevriende naties en bondgenoten, wereldwijd een ongekende strategische onzekerheid veroorzaakt. ‘Een onderbezet, ondergefinancierd en gedemoraliseerd ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Amerika’s slagkracht in de regio verkleind,’ aldus Jeffrey Kingston, hoofd Asian Studies aan de Japanse Temple University. Dat standpunt wordt ondersteund door cijfers van de American Foreign Service Association, de vereniging die diplomaten vertegenwoordigt. Die waarschuwde onlangs dat de rangen van Amerika’s meest ervaren diplomaten met duizelingwekkend snelheid uitdunnen: 60 procent van de Career Ambassadors heeft de dienst verlaten sinds Trump in januari president werd. ‘De leegloop van zo veel ervaren ambtenaren heeft een ernstig, direct en concreet effect op het vermogen van de VS om de wereldgebeurtenissen vorm te geven,’ aldus Barbara Stephenson, directeur van de bovengenoemde Association.
Zuid-Koreaanse waarnemers zeggen dat de recente ontspanning in de relatie tussen China en Zuid-Korea met betrekking tot het Amerikaanse Terminal High Altitude Area Defence (THAAD)-antiraketsysteem een reusachtige geopolitieke stap voorwaarts is voor China in de strijd met de VS om het leiderschap in de regio. Dr. Seong-Hyon Lee, onderzoeker aan het Sejong Institute in Zuid-Korea, zegt het zo: ‘De VS en China staan aan het begin van een periode van ‘structurele competitie’. In feite ging het THAAD-geschil vooral om de rivaliteit tussen de VS en China in de regio.’
Tijdens zijn recente bezoek aan de VS uitte premier Lee Hsien Loong van Singapore zijn zorgen over de toenemende wedijver tussen China en de VS. ‘Het is voor een klein land nooit makkelijk om een groot buurland te hebben,’ zei hij. ‘Als er spanningen zijn tussen Amerika en China, wordt ons gevraagd om partij te kiezen.’ En dat is iets wat Singapore niet wil doen, volgens Lee.
Net als Lee is de Filipijnse president Rodrigo Duterte erop gebrand om te bewijzen dat kleine landen ook een belangrijke machtsfactor kunnen worden met gelijkwaardige, vruchtbare relaties met alle grootmachten, vooral met China en de VS. Maar er zal altijd een diepgeworteld wantrouwen blijven bestaan ten aanzien van Beijings intenties. Niet alleen vanwege China’s toenemende concurrentie met de VS, maar ook vanwege China’s geringe politieke transparantie en de repressieve praktijken in eigen land. ‘Aziatische waarnemers denken dat de manier waarop Chinese leiders hun eigen volk behandelen laat zien hoe ze met de buurlanden zullen omgaan als China dominant wordt in Azië,’ legt Robert Sutter uit, een deskundige op het gebied van buitenlandse politiek aan de George Washington University in de Amerikaanse hoofdstad.
Gelijkwaardige partner
Nadat hij Beijing heeft omschreven als het opkomende alfamannetje in Azië, zegt Seong-Hyon Lee dat Beijing wat harder zijn best moet doen om bij zijn buren respect af te dwingen en de weerstand te laten afnemen. Maar dat ze daar nog steeds niet lijken te weten wat ‘soft power’ inhoudt.
Daar is Batongbacal het mee eens. Volgens hem stuit Xi’s veelgeprezen Zijderouteplan ook op kritiek vanwege het gebrek aan waarborgen. ‘Men is bang dat het alleen een oude imperialistische strategie in een glimmend nieuw jasje zal blijken te zijn. China is tot voor kort altijd naar binnen gericht geweest. Dat staat haaks op de internationale structuur van de wereldorde waarin het land een plek zoekt.’
Maar net als veel andere deskundigen spreekt Batongbacal de hoop uit dat de consolidatie van Xi’s macht een keerpunt kan zijn. ‘Als China ervoor kiest om zichzelf boven de rest van de regio te plaatsen, omdat het meent hogere rechten en aanspraken te hebben, jaagt het land zijn buren tegen zich in het harnas. Pas als het zich opstelt als gelijkwaardige partner in een samenwerking met wederzijdse voordelen, zal het worden geaccepteerd als leider van een gemeenschap van naties.’
Deze Engelstalige krant, die banden heeft met het zakenmilieu van de Britse oud-kolonie, geeft een goed beeld van met name Zuid-China en de economische ontwikkelingen in de regio.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.