Tag: virus

  • In de Democratische Republiek Congo stapelen de crises zich op 

    In de Democratische Republiek Congo stapelen de crises zich op 

    Om de week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar de Democratische Republiek Congo. Daar is opnieuw een ebola-epidemie vastgesteld. De omstandigheden maken het indammen van het virus dit keer bijzonder moeilijk: gewapende conflicten, wantrouwen in de overheid en teruglopende internationale hulp zetten het toch al broze gezondheidsstelsel verder onder druk.

    Wat is er aan de hand?

    Er is sprake van een nieuwe uitbraak van het ebolavirus in de Democratische Republiek Congo, met het epicentrum in de provincie Ituri. Het is de zeventiende keer dat het land te maken krijgt met het virus sinds ebola vijftig jaar geleden werd ontdekt, merkt Afrik.com op. De epidemie wordt veroorzaakt door het Bundibugyo-virus. Er bestaat momenteel geen vaccin of specifieke behandeling tegen deze variant, die een sterftepercentage heeft van 50 procent. Symptomen zijn onder andere hoge koorts, intense vermoeidheid, spierpijn, braken en in sommige gevallen bloedingen. In ernstige gevallen kunnen organen worden aangetast.

    Het aantal vermoedelijke gevallen in de DRC nadert de duizend, terwijl Oeganda zeven gevallen meldt, aldus het Amerikaanse nieuwsplatform Mongabay. Deze snelle toename wijst erop dat het virus al langer in de regio circuleert dan eerder werd gedacht.

    ‘We breiden onze activiteiten met spoed uit, maar op dit moment blijft de epidemie een stap voor’

    ‘We breiden onze activiteiten met spoed uit, maar op dit moment blijft de epidemie een stap voor’, waarschuwde de directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) Tedros Adhanom Ghebreyesus maandag, aldus Reuters. Het Afrikaanse Centrum voor ziektebestrijding en -preventie heeft tien Afrikaanse landen aangewezen die risico lopen: Angola, Burundi, de Centraal-Afrikaanse Republiek, de Republiek Congo, Ethiopië, Kenia, Rwanda, Zuid-Soedan, Tanzania en Zambia. 

    Wat maakt het zo lastig om het virus te bestrijden?

    Ebola verspreidt zich via lichaamsvloeistoffen zoals bloed, speeksel, zweet en sperma, zodat vooral zorgverleners en mantelzorgers kwetsbaar zijn. Volgens professor mondiale volksgezondheid Devi Sridhar van de Universiteit van Edinburgh is er echter geen gebrek aan kennis. ‘Het is eerder ook gelukt uitbraken onder controle te krijgen’, schrijft ze in The Guardian. De grootste uitdagingen zitten volgens haar in de uitvoering: er is een tekort aan personeel, laboratoriumcapaciteit en logistieke middelen.

    Juist die uitvoering is in de DRC bijzonder ingewikkeld. De uitbraak vindt plaats in een conflictgebied waar veel reisverkeer is en waar gezondheidsvoorzieningen door jaren van geweld zijn beschadigd of verwoest. ‘Zelfs onder ideale omstandigheden zijn maatregelen zoals contactonderzoek en isolatie moeilijk uit te voeren’, schrijft spoedeisendehulparts Craig Spencer in The New York Times. In 2014 liep hij zelf ebola op na het behandelen van patiënten in Guinee. ‘De omstandigheden in de DRC zijn allesbehalve ideaal.’

    Daarnaast staat de bestrijding van de uitbraak onder druk door een afname van internationale hulp. Na de grote ebola-uitbraak van 2014, waarbij circa elfduizend mensen stierven, werden systemen opgezet om nieuwe uitbraken sneller op te sporen en in te dammen. Maar een deel van die infrastructuur – zoals surveillancenetwerken en internationale samenwerkingsverbanden – is de afgelopen jaren afgebouwd, onder meer door het stopzetten van USAID. ‘Daardoor zijn we minder goed voorbereid dan enkele jaren geleden’, schrijft Spencer. Ook het budget van het noodhulpprogramma van de WHO is sinds 2024 met 37 procent gedaald.

    ‘We zijn minder goed voorbereid dan enkele jaren geleden’

    Maar ook de hulp die wél beschikbaar is, stuit op weerstand. Een groot deel van de lokale bevolking heeft weinig vertrouwen in de overheid of externe hulporganisaties, wat routinematige zorg zoals vaccinatiecampagnes bemoeilijkt, aldus CNN.

    Zondagavond liepen de spanningen hoog op toen een groep jonge mannen een ziekenhuis bestormde waar ebolapatiënten worden behandeld in de provincie Ituri. Er zouden meerdere schoten zijn gelost voordat het medisch personeel van het Mongbwalu General Hospital de patiënten kon evacueren, zo meldt Associated Press. De medisch directeur van het ziekenhuis zei dat de aanvallers eisten dat de lichamen van twee familieleden aan hen zouden worden overgedragen. Het was de derde aanval op een zorginstelling in een week tijd.

    Hoe groot is het gevaar?

    Volgens Professor Devi Sridhar in The Guardian is het onwaarschijnlijk dat de ebola-uitbraak een wereldwijde pandemie wordt, gezien de verspreidingswijze. Des te groter zijn de zorgen over de verwoestende gevolgen voor de DRC en buurlanden. Sridhar vreest een herhaling van de uitbraak in West-Afrika. ‘Er stierven honderden gezondheidswerkers doordat ze patiënten behandelden zonder over adequate persoonlijke beschermingsmiddelen te beschikken. Zorgverleners zijn onmisbaar en moeilijk te vervangen. Het effect was een toename van de moeder- en zuigelingensterfte door een gebrek aan opgeleid personeel, en een stijging van de kindersterfte doordat het standaardvaccinatieprogramma werd verstoord.’

    De regeringen van de DRC en Oeganda hebben de aandacht, medewerking en steun van de wereld nodig om deze uitbraak te stoppen, aldus Sridhar: ‘Als het huis van je buurman in brand staat, blijf je ook niet toekijken. Dan help je het vuur te blussen.’

  • Het Senegalese systeem dat epidemieën in de kiem smoort

    Het Senegalese systeem dat epidemieën in de kiem smoort

    Senegal beschikt over een detectiesysteem dat ziektekiemen opspoort voordat ze zich verspreiden en niet meer te stoppen zijn. Door de bevolking routineus te testen en deze gegevens centraal te verwerken, kunnen rampen zoals de ebola-uitbraak van 2014 voorkomen worden.

    In een vervallen kliniek in Dourbel, een stad op het Senegalese platteland, komt een vrouw aan met hoge koorts en hoofd- en gewrichtspijn. Zonder dat ze het weet zetten haar symptomen een proces in werking  waar honderden mensen, miljoenen dollars en de meest geavanceerde ziekteopsporingstechnologie van het hele continent aan te pas komen.

    In veel delen van sub-Saharaans Afrika wordt een patiënt als zij soms simpelweg naar huis gestuurd met een handjevol pijnstillers, of ze nou griep heeft, malaria, chikungunya, een hemorragische koorts zoals ebola of iets volledig nieuws. 

    Maar in Senegal, een klein land aan de West-Afrikaanse kust, wordt via een onzichtbaar bewakingssysteem meegekeken. Het Syndromic Sentinel Surveillance System, oftewel 4S, is een nationaal netwerk voor tijdige waarschuwing dat wordt beheerd door het Institut Pasteur de Dakar (IPD), een centrum waar besmettelijke ziekten worden onderzocht en vaccins geproduceerd. Het doel: gevaarlijke ziektekiemen herkennen voordat ze zich oncontroleerbaar verspreiden. Wij zijn in Senegal om te zien hoe dit system werkt en wat er allemaal mee kan.

    Vrijwel meteen vallen ons enkele beperkingen op. Op dezelfde dag waarop we de laboratoria van de IPD in Dakar bezoeken, is 250 kilometer naar het noorden toe een van de dodelijkste ziekteuitbraken in decennia aan de gang, zonder dat het systeem dat heeft opgemerkt. Rift valley fever (RVF) is een virus dat zich van dieren naar mensen verplaatst via muggen. In Saint-Louis, een kleine landbouwregio naast de Mauritaanse grens, kostte het aan zeventien mensen het leven. Uiteindelijk zijn er negenentwintig mensen aan overleden. 

    79 zorgdistricten

    Het 4S-systeem wordt gebruikt in iets minder dan de helft van de negenenzeventig Senegalese zorgdistricten. Hoewel er duizenden patiëntmonsters per week worden verwerkt, kan het programma niet naar meer plekken uitbreiden vanwege een gebrek aan financiering, mede veroorzaakt door de ontzegging van ontwikkelingshulp vanuit de VS. Maar waar het wel werkt, is het buitengewoon effectief. 

    Zorgmedewerkers op vierenveertig monitorpunten, ziekenhuizen en klinieken die bij het programma staan ingeschreven, voegen de symptomen van elke patiënt via een smartphone of laptop toe aan een gecentraliseerde database. Daarmee brengt het systeem wekelijks ziektepatronen door het hele land in kaart. 

    Als er pieken optreden van bijvoorbeeld koorts of diarree, worden de monsters die van de patiënten zijn afgenomen vliegensvlug met de motorfiets naar de IPD gebracht, in Dakar of een van de bijbehorende laboratoria. Daar worden ze met geavanceerde diagnosemachines geanalyseerd. Elk flesje bloed of speeksel wordt gescreend op allerlei besmettelijke ziekten: covid-19, malaria, tuberculose, zika, gele koorts, ebola en zelfs de pest. 

    Waar het programma werkt, is het buitengewoon effectief

    De monsters worden ook onderworpen aan genoomsequencing; ze worden letter voor letter nauwkeurig bekeken om te achterhalen of er mutaties voorkomen in het DNA van het pathogeen. Eventuele afwijkingen worden naar internationale databases geüpload en gedeeld met het wereldwijde veiligheidsnetwerk van de WHO. Hierdoor worden ziekteautoriteiten door heel Afrika en daarbuiten binnen enkele uren op de hoogte gebracht dat er iets nieuws in de klinieken van Senegal is aangetroffen.

    De vrouw in Diourbel blijkt malaria te hebben. De diagnose is niet alleen nuttig voor haar – ze krijgt nu antimalariamedicatie voorgeschreven – maar ook gezondheidsmedewerkers. Ze slaan het ziektegeval op en hebben weer beter zicht op hoe, waarom en waar de muggenziekte zich verspreidt, zodat ze hopelijk andere mensen kunnen beschermen.

    ‘Als we een positief monster hebben, wordt het genetisch in kaart gebracht, waarbij we naar mutaties zoeken: veranderingen in de structuur van het virus die een risico vormen voor de volksgezondheid,’ aldus dokter Andy Mahon, viroloog bij de IPD. ‘We voeren ook andere soorten tests uit, waaronder antigeentests. Daarbij beoordelen we hoe efficiënt beschikbare vaccins of behandelingen zijn om het opgespoorde pathogeen te bestrijden.’

    AFR Onderzoekers compressed edited

    Dit soort onderzoek is vooral cruciaal voor malaria, aangezien deze parasiet steeds weerbaarder wordt tegen Artemisinine, het belangrijkste strijdmiddel tegen de ziekte. In Senegal stegen de malariagevallen dit jaar met 13 procent tot ongeveer 250.000 bevestigde infecties, terwijl de mug zich voortdurend naar nieuwe gebieden verspreidt en steeds resistenter wordt tegen medicijnen en insecticide. 

    In 2023 ontdekten de wetenschappers van 4S een cluster malariagevallen met een nieuwe mutatie – PfKelch13R515K onder patiënten die een kleine kliniek hadden bezocht in Kaolack, een plaats dicht bij de Gambiaanse grens. Deze mutatie toonde aan dat de parasiet genen ontwikkelde die Artemisinine konden weerstaan, en was daarmee een van de eerste waarschuwingssignalen voor een mogelijke falende behandelmethode in Afrika.

    In 2025 heeft het systeem nog veel andere uitbraken aangetoond: dengue in Dakar, westnijlvirus in het zuidelijke Goudomp en een kleinere uitbraak van RVF in Gossas, in het oosten. ‘Toen 4S deze uitbraken ontdekte waren ze nog bescheiden en bevonden ze zich een vroeg stadium,’ vertelt dokter Boubacar Diallo, hoofd toezicht en uitbraakrespons van de IPD. ‘In maart 2023 hebben we een wachtpost opgericht in Pikine [de grootste buitenwijk van Dakar]. In die kliniek was nog nooit eerder een uitbraak ontdekt. Tegen het einde van het jaar waren er tweehonderd denguegevallen en twee gevallen van het krim-congovirus,’ aldus Diallo.  ‘Het is makkelijk om te reageren als je het vroeg te pakken hebt… Maar als je een uitbraak laat gedijen wordt het complex.’ 

    Volgens wetenschappers zal de volgende pandemie waarschijnlijk beginnen op een plek waar mensen in nauwer contact met dieren leven, klimaatverandering nieuwe risico’s met zich meebrengt en uitbraken vanwege zwakkere zorgsystemen moeilijker op te sporen en in te perken zijn.

    Tien landen

    Het 4S-systeem wordt verder uitgebreid door heel Afrika dankzij een combinatie van binnenlandse investering en buitenlandse ontwikkelingshulp. Het is al in tien omliggende landen op touw gezet – Gambia, Kaapverdië, Mauritanië, Niger, Mali, Togo, Guinee, Guinee-Bissau, Sierra Leone en Benin –, zodat  een regionaal alarmsysteem ontstaat om ziektes op te sporen voordat ze de grens oversteken. 

    In Gambia detecteerde het systeem in 2023 de eerste chikungunya-uitbraak van het land en een paar maanden later de eerste denguegevallen. Het netwerk van Kaapverdië gaf waarschuwde al vroeg voor een grootschalige dengue-uitbraak die later dat jaar tot stand kwam en meer dan 28.000 infecties veroorzaakte. In Guinee werd het eerste lokaal opgelopen denguegeval ontdekt, slechts tien dagen na de oprichting van het systeem. Ook Mauritanië, Niger en Mali hebben inmiddels hun eerste dengueclusters vastgesteld in het laboratorium. 

    Er zijn veel mensen gestorven voordat we het detecteerden. Dat mag niet nog een keer gebeuren.

    Dokter Boubacar Diallo vindt 4S van cruciaal belang om een herhaling te voorkomen van de vernietigende epidemieën die West-Afrika in het verleden hebben geteisterd. Hij en een klein aantal collega’s waren de eerste medische werkers op locatie in Guinee toen ebola zich in maart 2024 begon te verspreiden, een uitbraak die tienduizend mensen het leven zou kosten. Het ontbrak daar destijds aan iets van een alarmsysteem.

    ‘Toen we onderzoek deden naar ebola in West-Afrika, bleek dat het al vier maanden gaande was voordat het werd opgemerkt. Er zijn veel mensen gestorven voordat we het detecteerden. Dat mag niet nog een keer gebeuren. We moeten een alarmsysteem opbouwen dat landen kan helpen het pathogeen te bestrijden vanaf het moment dat we het eerste signaal oppikken,’ aldus Diallo.

    Maar het netwerk heeft zijn tekortkomingen. Terwijl ik informatie verzamel in het gebied krijgen mijn collega’s in Londen steeds meer berichten van de RVF-uitbraak. Mijn gesprek met de Senegalese minister van volksgezondheid wordt tussen neus en lippen afgelast omdat hij ‘dringende zaken’ moet afhandelen in het noorden. Met meer dan honderd infecties is dit de grootste uitbraak van deze verwoestende ziekte die Senegal ooit heeft gekend. Het virus kan naast blindheid ook lever- en zenuwschade aanrichten. In zijn ergste vorm sterft 50 procent van de patiënten eraan. 

    AFR Koffer compressed

    Het 4S-systeem is dus nog niet feilloos, en bovendien erg duur om te onderhouden en uit te breiden. Op dit moment zijn er controleposten in iets minder dan de helft van de negenenzeventig Senegalese gezondheidsdistricten. Saint-Louis, de regio waar RVF zich nu als een lopend vuur verspreidt, is een van de regio’s die niet door 4S wordt bediend.

    Dit is niet de eerste keer dat de kwetsbaarheid van systeem op pijnlijke wijze blijkt. In 2023 stierven zes van de twintig geïnfecteerde mensen bij een uitbraak van het krim-congovirus, een neef van het ebolavirus die zich via tekenbeten verspreidt. Alle gedocumenteerde sterfgevallen kwamen voor in een district dat niet door het programma werd behelsd. Volgens wetenschappers van het IPD kwam dit waarschijnlijk doordat de patiënten hun diagnose te laat kregen om nog goede behandeling te krijgen. Elders in Senegal daarentegen werden veertien wachtpostpatiënten geïnfecteerd, maar deze kregen al in vroeg stadium behandeling waardoor ze geen secundaire complicaties kregen. 

    ‘Alle gevallen die door 4S werden gedetecteerd, werden vroeg geïdentificeerd, zodat er onder hen geen doden vielen. Maar helaas dekt het netwerk nog niet het hele land. In de zorginstellingen worden gevallen pas in een laat stadium opgemerkt, wanneer patiënten al bloedingen hebben ontwikkeld. De meesten daarvan zijn gestorven,’ vertelt dokter Diallo.

    ‘We leven in een land met veel concurrerende prioriteiten’

    Het ministerie van Volksgezondheid heeft het IPD opgedragen om vijf nieuwe wachtposten per jaar op te richten, maar de druk op het algemene zorgsysteem in Senegal blijft hoog. Het aantal infecties en niet-overdraagbare ziekten – waaronder hiv, malaria, tuberculose, diabetes en kanker – is hoog en de recente ontzegging van USAID heeft het zorgbudget met 75 miljoen dollar verlaagd. Overheidsuitgaven voor volksgezondheid bedragen slechts 9 procent van het bnp, ver onder het doel van 15 procent, en meer dan de helft van alle medische kosten wordt direct door de patiënten betaald.

    ‘We leven in een land met vele concurrerende prioriteiten,’ aldus de Senegalese minister van Volksgezondheid, dokter Ibrahima Sym, met wie het tegen het einde van onze reis eindelijk lukte een afspraak te maken. ‘We proberen onze prioriteiten opnieuw te stellen zodat ze meer effect hebben en we een robuust gezondheidssysteem kunnen ontwikkelen,’ zegt hij. Hij merkt op dat de overheid het budget voor gezondheidszorg vorig jaar heeft verhoogd van 267 miljard CFA-frank [ongeveer 407 miljoen euro] naar 270 miljard CFA-frank [ongeveer 412 miljoen euro] om minder afhankelijk te zijn van buitenlandse steun. 

    4S is tot nu toe grotendeels afgeschermd gebleven van de recente bezuinigingen. Het systeem wordt vooral bekostigd door The Global Fund, het internationale instituut dat gezondheidsprogramma’s in ontwikkelingslanden financiert middels donaties van overheden en private organisaties, maar zelfs die steun staat onder druk.

    Steun

    Eerder dit jaar ontzegden de VS een groot deel van de steun die ze voor 2025 aan The Global Fund hadden toegezegd en ook andere westerse landen – die veelal ontwikkelingshulp naar defensie hebben verplaatst – lopen achter in hun betalingen. Hierdoor heeft The Global Fund al 10 procent van haar Senegalese budget moeten schrappen. De achtste financieringsrons is in november en van veel landen, waaronder het VK, wordt verwacht dat ze hun steun stevig terug zullen draaien. [Dit is ook gebeurd. Van de benodigde 18 miljard dollar is er na de top slechts 11 miljard toegezegd.] Als ze de 18 miljard dollar, die ze zeggen nodig te hebben voor de gezondheidsprogramma’s in de 120 landen die er gebruik van maken, niet halen, zullen levensreddende zaken in landen als Senegal prioriteit krijgen, zoals hiv-behandelingen, klamboes voor kinderen die het grootste risico lopen op malaria en andere onmisbare attributen.

    De toekomst van 4S staat op het spel, terwijl het cruciaal is voor de wereldgezondheid, aldus de onderzoekers. ‘De IPD is van onschatbare waarde,’ aldus dokter Ibrahima Socé Fall, directeur van de IPD en voormalig assistent-directeur-generaal van noodhulp bij de WHO. ‘Weinig Afrikaanse instellingen hebben zo’n capaciteit. Je hebt sterke instellingen nodig, op nationaal en regionaal niveau, om goed werk te kunnen leveren bij het snel opsporen en bestrijden van uitbraken, waarmee je uiteindelijk pandemieën voorkomt.’

    Aan de overkant van de binnenplaats zijn IPD-wetenschappers bezig busjes vol te laden met testkits, draagbare sequencing-apparaten en grote voorraden persoonlijke beschermingsmiddelen. Achter hen rollen anderen flinke koffers naar buiten – mobiele laboratoria die naar de meest afgelegen gebieden kunnen worden gebracht, zodat het team flexibel inzetbaar is. Hun bestemming: Saint-Louis, waar ze zich zullen inzetten om de RVF-uitbraak in te perken. Het is niet de eerste keer dat ze dit doen, zegt een van de onderzoekers lachend, en hij knikt naar de koffer die hij in 2014 door de Guineese bossen heeft gedragen om ebola te bestrijden. En het zal niet de laatste keer zijn.

    AFR Parkeerplaats compressed
  • Mexico: eerste mens overleden aan vogelgriepvirus H5N2

    Mexico: eerste mens overleden aan vogelgriepvirus H5N2

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: gerechtshof Georgia schort strafzaak tegen Trump op

    » Poetin dreigt westerse landen met vergelding wegens wapenleveranties

    De patiënt had last van koorts, kortademigheid en diarree

    De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft woensdag bekendgemaakt dat in Mexico voor het eerst een mens is overleden aan het vogelgriepvirus H5N2. Dat meldt Time. ‘Dit is het eerste door een laboratorium bevestigde sterfgeval van een mens als gevolg van een besmetting met griepvirus A (H5N2)’, aldus de VN-organisatie in een epidemiologisch bulletin.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het virus werd ontdekt bij een 59-jarige patiënt die was opgenomen in het ziekenhuis in Mexico-Stad. De patiënt overleed een week nadat hij koorts, kortademigheid en diarree had gekregen.

  • Polio duikt voor het eerst in tien jaar op in Verenigde Staten

    Polio duikt voor het eerst in tien jaar op in Verenigde Staten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Redactie La Prensa gedwongen Nicaragua te verlaten wegens vervolging door regime Ortega

    » Liz Truss en Rishi Sunak laatste twee kandidaten voor Brits premierschap

    Onderzoekers proberen oorsprong van infectie te achterhalen

    In de Verenigde Staten is voor het eerst in tien jaar een geval van polio gemeld, aldus USA Today. De zaak werd gemeld in de staat New York. De patiënt is een jongvolwassene die niet meer in het ziekenhuis ligt en het virus niet meer kan overdragen. De autoriteiten proberen nog steeds de oorsprong van de infectie te achterhalen. De patiënt is niet onlangs in het buitenland geweest, maar kan in contact zijn geweest met iemand die een oraal vaccin heeft gekregen in een land waar dit type vaccin nog wordt gebruikt.

    Polio is sinds 1979 officieel uitgeroeid in de Verenigde Staten, meldt USA Today. Dit betekent echter niet dat er geen sporadische gevallen zijn. Het laatste sporadische geval was in 2013, toen een zeven maanden oude baby die uit India was aangekomen het virus bij zich droeg.

    Lees ook:

  • De laboratoria die met de dodelijkste ziekteverwekkers ter wereld werken

    De laboratoria die met de dodelijkste ziekteverwekkers ter wereld werken

    Het is twijfelachtig of we ooit de oorsprong van covid-19 zullen achterhalen. Maar vrijwel geen expert sluit de mogelijkheid uit dat het uit een laboratorium is ontsnapt. De eerste keer zou het namelijk allerminst zijn. ‘Het meest verontrustend is onderzoek naar het nog dodelijker maken van ziekteverwekkers.’

    Keuze uit ons archief

    De oorsprong van covid-19 blijft een onopgelost mysterie en tevens voer voor een verhitte discussie. Onlangs gooide FBI-baas Christopher Wray nog wat olie op het vuur in een interview met Fox News door te stellen dat het coronavirus in de wereld is gekomen nadat het ontsnapte uit een laboratorium dat mogelijk in de Chinese stad Wuhan stond. Hoewel hij geen bewijs voor zijn stelling gaf, is het niet ondenkbaar. Want over de hele wereld staan laboratoria waar met zeer dodelijke ziekteverwekkers gewerkt wordt, zoals we in dit stuk van het Amerikaanse tijdschrift Mother Jones lezen.

    Dit artikel verscheen eerder in Reader 23 van 360 Magazine, juli 2020.

    Maar weinig mensen hadden gehoord van het Wuhan Institute of Virology (WIV) – het streng beveiligde biolab in Wuhan, China, dat baanbrekend onderzoek doet naar coronavirussen – tot half april [2020], toen de regering-Trump begon te suggereren dat het mogelijk de bron was van SARS-CoV-2, het virus dat covid-19 veroorzaakt. Tot dusverre werd het idee enkel ondersteund door het feit dat covid-19 uitbrak in de stad waar ook het instituut staat, maar dat toeval was voldoende om voeding te geven aan allerlei wilde samenzweringstheorieën. Aanvankelijk deden deze vooral de ronde in extreemrechtse kringen, maar toen de regering onder vuur kwam te staan, begon ze de verhalen te voeden.

    Biosafety Level 4-classificatie

    De basis hiervoor werd gelegd toen twee berichten van functionarissen van de Amerikaanse ambassade in Beijing werden gelekt naar The Washington Post. De berichten waren in 2018 naar Washington verzonden nadat de functionarissen het Wuhan Institute of Virology hadden bezocht – het eerste laboratorium in China met een Biosafety Level 4-classificatie, wat betekent dat het met ’s werelds gevaarlijkste ziekteverwekkers werkt – en te horen kregen over veiligheidsproblemen aldaar. ‘Uit gesprekken met wetenschappers van het WIV-laboratorium maakten ze op dat het nieuwe laboratorium een ​​ernstig tekort heeft aan goed opgeleide technici en onderzoekers om de veiligheid in dit besmettingsgevoelige laboratorium te handhaven’, stond in een van de berichten, waarin er bij de regering op aan werd gedrongen extra steun te sturen naar het laboratorium en werd benadrukt hoe belangrijk het werk van het WIV was voor de ‘voorspelling en preventie van toekomstige uitbraken van het coronavirus’.

    Een tweede lek was veel gerichter. Fox News haalde niet nader benoemde insiders aan die zeiden ‘steeds meer overtuigd te zijn’ dat de uitbraak afkomstig was uit het laboratorium. Toen president Trump tijdens een persconferentie naar het rapport werd gevraagd, was zijn commentaar: ‘We horen het verhaal steeds vaker.’

    In The Hugh Hewitt Show voerde staatssecretaris Mike Pompeo de druk verder op: ‘We weten dat de eerste waarnemingen van de ziekte plaatsvonden binnen enkele mijlen van het Wuhan Institute of Virology. We kennen de geschiedenis van de faciliteit – het is het eerste BSL-4-laboratorium waar hoogwaardig virusonderzoek wordt uitgevoerd. We weten dat de Communistische Partij van China, toen ze begon te bepalen wat er in Wuhan moest gebeuren, overwoog of het WIV misschien de plek was waar dit vandaan kwam. En het allerbelangrijkste: we weten dat ze niet hebben toegestaan ​​dat wetenschappers het laboratorium binnengaan om te evalueren wat er is voorgevallen.’

    De motivatie om China de schuld te geven, om de slordigheid van andere mogendheden als de ware oorzaak van de pandemie aan te wijzen, lijkt evident. De afgelopen tijd is er steeds meer afbreuk gedaan aan het argument van de regering dat ze te kort van tevoren is gewaarschuwd voor het naderende virus. Nieuwe rapporten maken steeds weer duidelijk hoe vroeg en vaak de regering werd gewaarschuwd, en volgens ABC News werd het eerste alarm zelfs al in november geslagen, toen de Amerikaanse inlichtingendienst de uitbraak oppikte via in China onderschepte communicatie en markeerde als potentieel ‘cataclysmisch’. Vandaar de noodzaak om de aandacht af te leiden van haar eigen onbekwaamheid en China tot grote vijand te bestempelen.

    Misplaatst

    Maar de politiek gemotiveerde pogingen van de regering-Trump om het WIV de schuld te geven, zijn nogal misplaatst. Een laboratoriumconnectie zou de Amerikaanse schuld juist vergroten, omdat het werk dat er werd gedaan deel uitmaakte van een internationaal, in de Verenigde Staten gelanceerd project – tot voor kort althans: vlak nadat Trump de theorie van de ontsnapping uit het laboratorium omarmde, eind april, werd de bijdrage aan EcoHealth Alliance, dat bijdroeg aan de financiering van het WIV-lab, stopgezet.

    De gelekte berichten tonen aan hoe hecht de relatie is tussen het WIV en de Verenigde Staten. Er is geen teken dat het instituut in 2018 met Beijing contact opnam voor extra hulp; in plaats daarvan reikte het uit naar Washington, dat het verzoek afwees. Zoals de Post meldde: ‘Er is geen extra hulp aan de laboratoria verleend.’

    In het onwaarschijnlijke geval dat bewezen wordt dat het virus aan het laboratorium kan worden gelinkt, kan het niet-leveren van meer ervaren personeel worden gezien als een enorme blunder van de regering-Trump. ‘In de berichten worden serieuze waarschuwingen gedaan, en je zou verwachten dat degene die ze heeft gelezen, stappen zou ondernemen om de situatie te peilen’, zei senator Chris Murphy van Connecticut onlangs tegen de Post. ‘Maar er bestaan nog altijd meer vragen dan antwoorden over de oorsprong van dit virus.’

    Virussen die in zo’n onvriendelijke omgeving weten te overleven, kunnen verwoestend zijn als ze oversteken naar zoogdieren met een zwakkere verdediging

    Het is twijfelachtig of we ooit de oorsprong van covid-19 zullen achterhalen. Maar ondanks het scepticisme van veel experts, durfde niemand met wie ik sprak de mogelijkheid uit te sluiten dat het per ongeluk was ontsnapt uit een laboratorium waar het werd bestudeerd. Ook kan het naar Wuhan zijn gebracht door iemand die ergens anders is besmet, of door een dier dat als tussengastheer diende. Zoals we hebben gezien, weten de meeste mensen die met SARS-CoV-2 zijn besmet niet dat ze het hebben. Het is misschien onmogelijk om zo’n ziekte tot patient zero terug te traceren.

    Maar dat het WIV nu de aandacht heeft, kan ergens goed voor zijn. De meeste mensen realiseren zich niet hoe heroïsch een deel van het werk is dat er wordt verricht, en hoe belangrijk om de volgende pandemie te voorkomen. Ook is er weinig erkenning voor het gevaar dat het werk in zwaarbeveiligde biolabs over de hele wereld met zich meebrengt. Ja, de volgende pandemie zou uit een laboratorium in China voort kunnen komen. Maar de oorsprong kan net zo goed veel dichter bij huis liggen.

    De afgelopen decennia zijn er vaker ziekten van dieren op mensen gesprongen, een fenomeen dat zoönose of spillover wordt genoemd, of soortoverschrijdende overdracht. Deskundigen geven de schuld aan onze toenemende inmenging in de natuurlijke wereld. Door bossen om te zetten in boerderijen en op wilde dieren te jagen, geven we virussen steeds meer kans om over te lopen.

    De inspanning om dergelijke overdracht op te sporen en te voorkomen, begon nadat SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome) in november 2002 in Zuid-China opdook en een aantal mensen infecteerde die banden hadden met een ‘natte markt’, waar dieren in het wild worden verkocht. SARS heeft uiteindelijk 774 mensen over de hele wereld gedood door longcellen te vernietigen en een ernstige longontsteking te veroorzaken. SARS doodde 10 procent van zijn slachtoffers, een extreem hoog percentage, maar was niet enorm besmettelijk, en in juli 2003 was het gelukt het virus te bedwingen.

    Virologen identificeerden al snel een nieuw coronavirus als veroorzaker van SARS. Het leek op andere virussen die in vleermuizen werden aangetroffen, waarvan men vermoedde dat ze de oorspronkelijke gastheren waren. Vleermuizen zijn de natuurlijke dragers van veel van ’s werelds ernstigste infectieziekten, waaronder MERS en ebola, maar die virussen veroorzaken bij vleermuizen zelden problemen. Vleermuizen hebben een hyperactief immuunsysteem dat virussen weinig kans geeft. Bij de meeste zoogdieren, waaronder wijzelf, zouden dergelijke agressieve immuunreacties dodelijke ontstekingen veroorzaken (zoals de cytokinestormen waar sommige covid-19-patiënten aan overlijden), maar vleermuizen hebben bovendien unieke herstelmechanismen in hun cellen die zulke ontstekingen constant opruimen. Deze herstelmechanismen dienen om de slijtage tegen te gaan die wordt veroorzaakt door het intense metabolisme van vleermuizen – hun hart kan tijdens de vlucht duizend keer per minuut kloppen –, maar stellen vleermuizen ook in staat 24/7 een beroep te doen op hun immuunsysteem zonder zichzelf te vernietigen.

    Virussen die in zo’n onvriendelijke omgeving weten te overleven, kunnen verwoestend zijn als ze oversteken naar zoogdieren met een zwakkere verdediging, een beetje als een invasieve soort die in een maagdelijke omgeving wordt gedropt.

    db6c9c8b8cd4a50cbbf8130682980c80304647d0
    © Getty

    Volgens Scientific American begon een team van WIV onder leiding van viroloog Shi Zhengli in 2004 grotten in Zuid-China te bezoeken, in de hoop de oorzaak van SARS te vinden. Ze namen vleermuizen mee en namen bloed-, speeksel- en ontlastingsmonsters, die ze in Wuhan op virussen testten. In 2009 werd het lab betrokken bij PREDICT, een nieuw programma dat werd opgezet door USAID en erop was gericht wetenschappers op te leiden en te financieren om gebieden met een hoog risico op nieuwe virussen te onderzoeken. Door onbekende virussen te identificeren voordat ze op mensen terechtkwamen – om ‘ze te vinden voordat ze ons vinden’, zoals Shi het uitdrukte –, hoopten onderzoekers een systeem voor vroegtijdige waarschuwing op te kunnen zetten. Het project werd in tientallen landen uitgevoerd, maar het WIV vormde een belangrijke spil en Shi Zhengli kwam in China bekend te staan als ‘Bat Woman’.

    Het team van Shi ontdekte dat de vleermuizen in Zuid-China vol virussen zaten, vooral coronavirussen

    In 2013 ontdekte het WIV SARS-CoV, de oorzaak van SARS, in een grot in de provincie Yunnan. Het team van Shi ontdekte dat de vleermuizen in Zuid-China vol virussen zaten, vooral coronavirussen. Meer dan tien jaar lang verzamelde haar team in de regio meer dan tienduizend monsters van vleermuizen waarmee ze honderden nieuwe coronavirussen identificeerden, waarvan enkele in staat waren ook mensen te infecteren. Veel vleermuizen droegen meerdere virussen met zich mee en er waren alarmerende tekenen dat de virussen zich opnieuw met elkaar vermengden – ze wisselden tijdens het vermenigvuldigen stukjes genetische code uit, waardoor nieuwe virussen met nieuwe eigenschappen ontstonden.

    ‘Het is zeer waarschijnlijk dat toekomstige SARS- of MERS-achtige uitbraken van coronavirus afkomstig zullen zijn van vleermuizen, en er is een vergrote kans dat dit in China zal gebeuren’, schreven Shi en haar collega’s in een paper uit 2019 die nu griezelig vooruitziend overkomt. ‘Dat maakt het onderzoek naar coronavirussen van vleermuizen urgent om vroege waarschuwingssignalen te detecteren.’

    SARS en SADS – een verwant virus dat in 2017 25.000 varkens doodde – braken allebei uit in Zuid-China, waar de meest zorgwekkende geslachten van coronavirussen werden gevonden en waar toekomstige uitbraken werden verwacht. Toen de autoriteiten Shi op 30 december waarschuwden dat een uitbraak van longontsteking in Wuhan werd veroorzaakt door een mysterieus nieuw coronavirus, was ze verrast. ‘Ik had nooit verwacht dat zoiets zou gebeuren in Wuhan, in Centraal-China’, vertelde ze aan Scientific American. Wuhan is een metropool van wolkenkrabbers waar 11 miljoen mensen wonen, honderden kilometers verwijderd van de vleermuisvriendelijke grotten van Zuid-China. Shi vroeg zich af: ‘Zou het uit ons lab afkomstig kunnen zijn?’

    De weken die volgden beschreef ze als de meest stressvolle van haar leven. Ze doorzocht verwoed de dossiers van haar lab, op zoek naar tekenen van een ongeluk of onbedoelde vrijlating, en was pas gerustgesteld toen de genetische code van het nieuwe virus niet overeen bleek te komen met de coronavirussen in haar lab. ‘Dat haalde echt een enorme druk van mijn schouders,’ zegt ze. ‘Ik had al dagen geen oog dichtgedaan.’

    De meesten van ons denken ten onrechte dat het risico op een pandemie uit een biolab oneindig klein is

    Het laboratorium van Shi kan niet volledig worden vrijgepleit van mogelijke schuld totdat een onafhankelijke instantie de gegevens van het laboratorium heeft beoordeeld, en het lijkt er niet op dat de Chinese regering die wil vrijgeven. Het zou ook nog kunnen dat de bron van besmetting uit een door Centers for Disease Control and Prevention (CDC) gerund BSL-2-laboratorium in Wuhan komt, waarin naar verluidt wordt gewerkt met vleermuiscoronavirussen en dat opmerkelijk dicht bij de natte markt van de stad ligt.

    Maar hoewel Shi zelf gerustgesteld was, impliceren haar woorden eigenlijk iets zeer verontrustends. De meesten van ons denken ten onrechte dat het risico op een pandemie afkomstig uit een biolab oneindig klein is. Maar het is duidelijk dat Shi niet uitsloot dat het uit haar lab zou zijn ontsnapt. En ze blijkt niet de enige te zijn die er zo over denkt. Hoewel bioveiligheidsexperts vooral de natuur als mogelijke bron van de volgende pandemie zien, maken ze zich ook grote zorgen over de laboratoria.

    Media over de hele wereld namen de nattemarkttheorie over

    De eerste grote cluster van covid-19-gevallen werd in december gevonden bij mensen die waren verbonden aan de Huanan Vismarkt. De markt verkocht naar verluidt levende wilde dieren. Aangezien SARS oorspronkelijk waarschijnlijk werd overgedragen door civetkatten afkomstig van een natte markt in Zuid-China, leek het niet onwaarschijnlijk dat hier de oorzaak lag. De Chinese regering verspreidde het verhaal verder. De markt werd op 1 januari gesloten en het gebied werd schoon geschrobd. ‘De oorsprong van het nieuwe coronavirus is het wild dat illegaal wordt verkocht op een vismarkt in Wuhan’, verkondigde Gao Fu, directeur van China’s CDC, in januari.

    Media over de hele wereld namen de nattemarkttheorie over. Maar zelfs al in januari was het duidelijk dat de kans dat het coronavirus voor het eerst op de markt werd overgedragen verwaarloosbaar was. Er is geen bewijs dat er levende schubdieren werden verkocht, een andere mogelijke drager van coronavirussen, maar ten minste één kraam heeft mogelijk civetkatten verkocht. Ondanks uitgebreide tests van de dieren en de dierlijke onderdelen die op de markt werden verkocht, testte geen ervan positief op het virus, volgens het CDC. De enige positieve monsters kwamen ‘uit de omgeving’ en waren mogelijk afkomstig uit het riool.

    Bovendien klopt de timing niet. Volgens gegevens van de Chinese overheid die zijn geanalyseerd door South China Morning Post, kunnen de vroegste gevallen in de provincie Hubei worden getraceerd tot half november, weken vóór de uitbraak op de markt. ‘Het virus kwam op die markt terecht voordat het ervandaan kwam’, zei Daniel Lucey, specialist in infectieziekten aan de Georgetown University, eind januari tegen Science. Lucey is een fel tegenstander van de theorie dat het virus uit het lab zou komen. De markt was volgens hem gewoon een versterker, een soort mini-Mardi Gras.

    Maar daarmee was niet verklaard hoe een virus dat in afgelegen grotten in Zuid-China ​​in vleermuizen was ontstaan, plotseling in het centrum van Wuhan kon opduiken. Zelfs de meest plausibele theorieën – dat het van een vleermuis naar een persoon of een ander dier was gesprongen, die het als tussengastheer naar Wuhan bracht – zou een opmerkelijke samenloop van gebeurtenissen vereisen. Het was een beetje alsof op het Zwitserse platteland buiten de CERN-deeltjesversneller plotseling een zwart gat ontstond.

    ‘Het virus kwam op die markt terecht voordat het ervandaan kwam’

    Perfect voer voor samenzweringsgezinde dwepers als Rush Limbaugh, die de wetenschap niet kon volgen en duistere biowapenverhalen over de ‘ChiCom’-regering spon, die terecht werden veroordeeld door experts in het veld (en die hij sindsdien heeft ingetrokken). Het genoom van SARS-CoV-2 vertoonde geen enkel teken dat het niet natuurlijk zou zijn, en vijf van ’s werelds beste wetenschappers bekritiseerden in Nature Medicine de hypothese dat het uit een lab zou zijn ontsnapt. ‘Onze analyses tonen duidelijk aan dat SARS-CoV-2 geen laboratoriumconstructie of doelbewust gemanipuleerd virus is’, schreven ze.

    Maar het bleef de vraag of een vleermuisgrotonderzoeker het natuurlijke virus onbewust naar Wuhan zou hebben gebracht, of in het laboratorium geïnfecteerd zou zijn geraakt. Helaas hadden de Limbaughs van de wereld op dit terrein hun invloed. Een van de weinige wetenschappers die nog publiekelijk durfde te speculeren, was de befaamde microbioloog van de Amerikaanse Rutgers Universiteit Richard Ebright. ‘De mogelijkheid dat SARS-CoV-2 op mensen is overgesprongen als een direct gevolg van de activiteiten van PREDICT – tijdens het verzamelen van vleermuizen en uitwerpselen van vleermuizen in het veld, of tijdens het onderzoek naar vleermuizen, uitwerpselen van vleermuizen of vleermuisvirussen – kan niet worden uitgesloten of verworpen,’ zei hij, en hij noemde het actief zoeken naar nieuwe virussen op afgelegen plekken om ze naar laboratoria (in dichtbevolkte gebieden) te brengen ‘met een brandende lucifer naar een gaslek zoeken’.

    Ebrights focus op ontsnappingen uit het laboratorium maakte hem tot een ​​soort paria, vooral onder experts die het publiek niet graag opstoken. Maar hij is niet de enige die deze zorgen legitimeert. ‘Het is belangrijk om op voorhand te zeggen dat we over onvoldoende bewijs beschikken om de mogelijkheid uit te sluiten dat het is ontsnapt uit een onderzoekslaboratorium’, schreef de gerespecteerde bioloog Carl Bergstrom van de Universiteit van Washington op Twitter. Hoewel hij een natuurlijke zoönose ‘veel plausibeler’ noemde, waarschuwde hij: ‘Wat de oorsprong van #SARSCoV2 ook mag zijn geweest, in de toekomst moeten we het risico van bepaalde activiteiten zorgvuldig beoordelen en controleren.’

    Jonna Mazet, directeur van PREDICT, hield een pleidooi voor de veiligheidsmaatregelen van het WIV en wees op alle redenen waarom een ​​ongeval met onderzoekers van het WIV ongelooflijk onwaarschijnlijk was. ‘Ik ben wetenschapper’, zei Mazet. ‘Ik zou nooit zeggen dat een laboratoriumongeval niet mogelijk is. Ik zeg alleen dat het veel minder waarschijnlijk is dan veel andere verklaringen.’ Onderzoekers in het veld dragen volledige Tyvek-pakken en -maskers en bevriezen monsters in vloeibare stikstof. In het laboratorium breken ze virussen in stukjes voordat ze het bestuderen, en al het werk wordt in bioveiligheidskasten verricht die zijn ontworpen om ontsnappingen te voorkomen. Om al die redenen twijfelen de meeste reguliere wetenschappers aan de laboratoriumconnectie. ‘We hebben geen enkel bewijs gevonden om de theorie te ondersteunen dat de oorsprong van SARS-CoV-2 bij mensen opzettelijk of per ongeluk in een laboratorium plaatsvond’, schreef Daniel Lucey onlangs op de blog van de Infectious Diseases Society of America.

    Tot dusverre is er geen hard bewijs om welke theorie dan ook te ondersteunen die verklaart hoe SARS-CoV-2 in Wuhan terechtkwam. Het is allemaal speculatie.

    Het tijdperk van vrijgekomen ziekteverwekkers

    Het begin van het moderne tijdperk van vrijgekomen ziekteverwekkers kan worden vastgesteld in 1973 in Engeland, toen een laboratoriumassistent die met pokken werkte zichzelf infecteerde en drie anderen besmette, van wie er twee stierven. Vier jaar later werd pokken in het wild vrijwel officieel uitgeroeid, maar het jaar daarop stierf een medisch fotograaf aan de Birmingham Medical School op mysterieuze wijze aan de ziekte. Het bleek dat onderzoekers in een ander deel van het gebouw experimenteerden met pokken, en het virus bereikte de fotograaf hoogstwaarschijnlijk via het ventilatiesysteem.

    Er is ook al een door het laboratorium veroorzaakte minipandemie geweest, in 1977, toen in China een griepvirus uitbrak en de wereld overspoelde. (Gelukkig was het een milde soort.) Griepstammen staan ​​erom bekend dat ze constant muteren, maar deze was bijna identiek aan de soort die voor het laatst in de jaren vijftig werd gezien, wat betekent dat de stam ergens moet zijn opgeslagen. De verdenking viel op het robuuste biowapenprogramma van de Sovjet-Unie, maar onderzoekers concludeerden dat het waarschijnlijker was dat de ziekteverwekker was vrijgekomen tijdens een mislukte vaccinatieproef. Niemand is naar voren gestapt.

    De Sovjets kwamen in 1979 alsnog onder vuur te liggen, toen een luchtfilter na onderhoud aan een geheim biowapenlaboratorium niet goed werd vervangen en een wolk miltvuursporen ontsnapte. De sporen hebben in de aangrenzende stad Sverdlovsk minstens 66 mensen gedood. De Sovjets ontkenden stellig, maar de Amerikaanse inlichtingendienst was niet overtuigd. Het incident werd pas in 1992, na de val van de Sovjet-Unie, bevestigd, toen president Boris Jeltsin een onafhankelijk team van wetenschappers onderzoek liet doen.

    Verdedigers van biolabs wijzen er graag op dat de veiligheidsmaatregelen sinds de jaren zeventig drastisch zijn verbeterd, wat een feit is. Toch heeft ook de eenentwintigste eeuw een golf van incidenten gekend, mogelijk als gevolg van de enorme toename van labs met bioveiligheidsniveau 3 en 4. BSL-3-laboratoria behandelen zeer besmettelijke en dodelijke pathogenen zoals miltvuur, Westnijlvirus, vogelgriep, SARS en MERS. BSL-4-laboratoria behandelen de ergste slechteriken, waarvoor momenteel geen tegenmaatregelen bestaan, zoals ebola en pokken. In 2001 hadden de Verenigde Staten vijf BSL-4-laboratoria. Na 9/11 en de miltvuuraanvallen brak het tijdperk aan van bioterroronderzoek. Nu zijn er minstens negen van dergelijke laboratoria in de Verenigde Staten en meer dan vijftig over de hele wereld, waarvan zeven nog gepland of in aanbouw zijn. En er zijn nog veel meer BSL-3-labs – alleen al in de VS zijn er tweehonderd geregistreerd.

    Geen smoking gun

    De beste protocollen ter wereld kunnen menselijke fouten niet elimineren, en die zijn de oorzaak van de meeste ongevallen in de genoemde biolabs. Officiële incidentrapporten lezen alsof ze afkomstig zijn uit de Springfield-kerncentrale in The Simpsons. Een moersleutel raakte verstrikt in het deksel van een centrifuge en werd over een bak met ziekteverwekkers geslingerd. Een dierenkooi met beddengoed dat mogelijk besmet was met het nieuwe SARS-coronavirus, werd omvergeworpen door de deur van een vriezer, waarbij de inhoud over de vloer werd gemorst. Vloeistoffen verstuiven. Labmuggen ontsnappen. Labratten bijten. Laboranten die proefdieren proberen te injecteren, raken per ongeluk hun eigen vingers. Zoals de Laboratory-Acquired Infection Database onthult, is er meestal geen smoking gun dat aantoont hoe de onderzoeker geïnfecteerd raakte. De natuur vindt wel een manier.

    Dat geldt ook voor de best geleide laboratoria. Het National Institute for Allergies and Infectious Diseases schat dat in hun laboratoria eens in de 600.000 werkuren een in het laboratorium opgelopen infectie zal optreden. Dat aantal is erg laag, en als er maar een paar wetenschappers met deze ziekteverwekkers zouden werken, zou de kans op een ongeluk ook laag blijven. Maar met honderden, misschien zelfs duizenden van dergelijke labs die zich over de hele wereld verspreiden, kunnen zelfs gebeurtenissen met een lage waarschijnlijkheid relatief vaak voorkomen.

    Aan de hand van gegevens uit 2010 van het CDC schatte een deskundige dat in de Verenigde Staten ‘ongeveer twee keer per week een inbreuk op de insluiting plaatsvindt’. In sommige gevallen waren daarbij dodelijke agentia betrokken, waaronder miltvuur, vogelgriep en ebola. De meeste incidenten zijn niet ernstig, maar sommige wel. Neem twee voorbeelden in lagerisicolaboratoria: in 2009 stierf een onderzoeker aan de Universiteit van Chicago nadat hij was geïnfecteerd met een verzwakte peststam. In 2012 kreeg een postdoc in het VA Medical Center in San Francisco meningitis uit zijn laboratorium. Tijdens het avondeten met vrienden begon hij zich duizelig te voelen. De volgende dag kreeg hij huiduitslag en werd hij naar het ziekenhuis gebracht, waar hij stierf.

    Soms worden per ongeluk containers met levende ziekteverwekkers gebruikt

    Uit een onderzoek van USA Today, gepubliceerd in 2015, bleek dat meer dan honderd zwaarbeveiligde laboratoria in de Verenigde Staten ‘de meest flagrante veiligheids- of beveiligingsinbreuken’ hadden ondergaan. De onder druk gebrachte ‘ruimtepakken’ die door onderzoekers worden gedragen, scheurden tussen 2013 en 2014 37 keer in Amerikaanse BSL-4-laboratoria. Buiten een laboratorium van de Universiteit van Californië werden ratten aangetroffen die nesten bouwden van biohazardzakken en labbenodigdheden. Een onderzoeker van de Texas A&M Universiteit prikte zichzelf met een naald toen hij een muis met de ziekte van Lyme behandelde, en een week later (terwijl hij nog aan de antibiotica was vanwege het eerste incident) werd hij gebeten door een andere muis met dezelfde bacterie. Meerdere keren ontsnapten muizen met SARS- of Mexicaanse griep aan onderzoekers van de Universiteit van North Carolina in Chapel Hill.

    Een veelvoorkomende oorzaak van ongevallen is het werken met levende agentia die dood hadden moeten zijn. BSL-4-laboratoria doden dodelijke ziekteverwekkers vaak met straling, zodat ze voor onderzoek naar minder veilige laboratoria kunnen worden gestuurd, maar soms wordt dat niet grondig genoeg gedaan, en soms ook worden gewoon per ongeluk containers met levende ziekteverwekkers gebruikt.

    Dat gebeurde bijvoorbeeld in 2014, toen het CDC de verkeerde batch ebola-monsters van een BSL-4-laboratorium naar een minder goed beveiligd laboratorium stuurde dat dode ebola verwachtte. (Een grote meevaller was dat deze eveneens inactief waren.) En het overkwam Dugway Proving Ground [faciliteit van het Amerikaanse leger waar biologische en chemische wapens worden getest], dat gedurende een periode van twaalf jaar onbewust (via commerciële vervoerders) levende miltvuursporen verscheepte naar bijna tweehonderd laboratoria over de hele wereld. Wonder boven wonder ging er niemand aan dood.

    Anders was het geval van Bruce Ivins, de ongelukkige wetenschapper aan het US Army Medical Research Institute of Infectious Diseases in Fort Detrick, Maryland, die verdacht werd van de aanzet tot de miltvuuraanvallen in 2001 waarbij vijf mensen omkwamen. Van ditzelfde instituut werd in 2009 een onderzoek geschorst nadat er opgeslagen ziekteverwekkers werden ontdekt die niet waren geregistreerd. (Een onderzoeker stelde destijds The New York Times gerust dat, hoewel de administratie van het instituut niet perfect op orde was, deze nog altijd beter was dan die van universiteiten die met soortgelijke ziekteverwekkers werkten.)

    Wenen van berouw

    En zulke problemen zijn niet iets van het verleden. De National Academy of Sciences schatte de kans op een uitbraak van mond- en klauwzeer, die rampzalig was voor de veeteelt, op 70 procent tijdens de vijftigjarige levensduur van de 580.000 vierkante meter grote National Bio- and Agro-Defense Facility, die momenteel wordt voltooid aan de rand van de Kansas State University in Manhattan, Kansas. ‘Als een of ander gruwelijk pathogeen van niveau 4 ontsnapt uit een biolab in Manhattan, zal het hele heartland wenen van berouw’, schreef een boer aan de Topeka Capital Journal. Ondanks sterke weerstand van omwonenden is het project volgens schema gepland om volgend jaar van start te gaan.

    Dat was nadat de nabijgelegen biofarmaceutische fabriek in Lanzhou tijdens het maken van het Brucellavaccin ontsmettingsmiddel over datum gebruikte, waardoor de bacteriën via afvaldampen konden ontsnappen

    Buiten de Verenigde Staten zijn de gegevens schaarser, maar ook hier zijn de anekdotes niet bepaald bevorderlijk voor de nachtrust. In 2004 prikte een wetenschapper van het Russische staatsonderzoekscentrum voor virologie en biotechnologie, ook bekend als VECTOR – een belangrijk onderdeel van het biowapenprogramma van de Sovjet-Unie en een faciliteit waar momenteel pokken worden opgeslagen – zichzelf per ongeluk met een naald met ebola en stierf. (VECTOR had vorig jaar ook te maken met een grote onverklaarbare explosie.) In 2014 verdwenen 2349 flesjes met SARS-monsters uit het Pasteur-instituut in Parijs in het niets.

    Ook China heeft de nodige problemen gehad. Eind vorig jaar testten bijna tweehonderd onderzoekers van het Lanzhou Veterinary Research Institute in het noordwesten van China positief op antilichamen van de bacterie die de griepachtige ziekte brucellose veroorzaakt. Dat was nadat de nabijgelegen biofarmaceutische fabriek in Lanzhou tijdens het maken van het Brucellavaccin ontsmettingsmiddel over datum gebruikte, waardoor de bacteriën via afvaldampen konden ontsnappen en met de wind mee konden reizen naar het veterinaire instituut.

    De oorspronkelijke SARS is sinds 2003 niet meer buiten de natuur gesignaleerd, maar wel ontsnapt uit drie verschillende laboratoria, een in Taiwan, een in Singapore en een van het Chinese National Institute of Virology (NIV) in Beijing, waar twee onderzoekers besmet raakten. De onderzoekers dachten ten onrechte dat ze met een geïnactiveerde versie van het virus werkten. Een onderzoeker van het NIV gaf de infectie door aan haar moeder, die uiteindelijk stierf, evenals een verpleegster, die de ziekte aan vijf anderen doorgaf.

    Gain of function

    Hoe gevaarlijk het ook is om dodelijke natuurlijke ziekteverwekkers te kweken, het meest verontrustende onderzoek betreft het nog dodelijker maken van ziekteverwekkers. Bezorgdheid over dit zogenaamde ‘gain-of-function’ (GOF)-onderzoek laaide op in 2011, toen twee verschillende teams lieten zien hoe een extreem dodelijke vorm van vogelgriep, die ongeveer zestig procent van de slachtoffers doodt maar tussen mensen niet gemakkelijk wordt overgedragen, zo werd gemuteerd dat deze via de lucht uiterst besmettelijk werd.

    De wetenschappers voerden ter verdediging aan dat dergelijke experimenten ons in staat stellen te leren hoe virussen tot besmettelijker of dodelijker evolueren, en vele anderen waren het daarmee eens. Gain-of-function-onderzoek helpt ‘de pandemische paraatheid door het bepalen van de griepvaccinstrategie, van de selectie van kandidaat-vaccinvirussen (…) tot de productie van veilige vaccins voor de wereldbevolking’, schreven 23 wetenschappers in een artikel in mBio, het tijdschrift van de American Society for Microbiology.

    Maar anderen waren van mening dat de risico’s niet afwogen tegen het mogelijke heil. Bioveiligheidsexpert Lynn Klotz onderzocht samen met wetenschapsjournalist Edward J. Sylvester de gegevens van het CDC over ongevallen in het laboratorium en schatte de kans dat een pandemische ziekteverwekker uit een laboratorium ontsnapt op slechts 0,3 procent per jaar, wat betekent dat er per lab gedurende 536 jaar werk een kans van 80 procent bestaat op een ontsnapping. Dat klinkt misschien nog acceptabel, maar ze telden al snel 42 laboratoria waarvan bekend was dat ze met levende SARS, influenza of pokken werken, wat zich vertaalt in een kans van 80 procent per 12,8 jaar op een ontsnapping.

    En dat was in 2012, toen dit soort werk veel minder gebruikelijk was dan nu. Later schatten de twee de waarschijnlijkheid dat een ontsnapt virus ‘de pandemie die de onderzoekers beweren te willen voorkomen’ veroorzaakt ‘op maar liefst 27 procent, een risico te groot om mee te leven (…) Er is een aanzienlijke kans dat een pandemie met meer dan 100 miljoen dodelijke slachtoffers kan worden veroorzaakt door een niet-gedetecteerde lab-verworven infectie, doordat één enkele geïnfecteerde laboratoriummedewerker de ziekte in zijn omgeving verspreidt,’ aldus de wetenschappers.

    Ron Fouchier, de wetenschapper die het gain-of-function-onderzoek verrichtte, bracht hiertegen in dat dergelijke schattingen geen rekening houden met de specifieke kenmerken van zijn uiterst beveiligde laboratorium. Als die in ogenschouw werden genomen, beweerde hij, daalde de kans op een in het laboratorium opgelopen infectie tot minder dan één per miljoen jaar, een getal dat veel onderzoekers, waaronder Klotz, moeilijk serieus konden nemen. Fouchier concludeerde: ‘Aangezien natuurlijke grieppandemieën zich de afgelopen eeuw gemiddeld om de dertig jaar hebben voorgedaan, is de kans dat de volgende pandemie in de natuur zal opduiken een orde van grootte groter dan dat deze uit een laboratorium komt.’

    Huiveringwekkende voorafschaduwing

    Jarenlang was het laboratorium van Fouchier een van de twee die dit werk deden. Nu zijn er meer. Eén experiment werd in 2015 uitgevoerd aan de Universiteit van North Carolina. In samenwerking met onderzoekers van het Wuhan Institute of Virology voegden bio-ingenieurs een nieuw spike-eiwit toe aan een wild coronavirus dat het in staat stelde menselijke cellen te infecteren – een huiveringwekkende voorafschaduwing van covid-19. De motivatie was dat we hierdoor zouden leren hoe we een nieuw SARS-achtig coronavirus moeten behandelen, maar veel waakhonden, waaronder Richard Ebright, maakten bezwaar. ‘De enige impact van dit werk is het creëren, in een laboratorium, van een nieuw, niet-natuurlijk risico,’ zei hij destijds tegen Nature.

    In een artikel in het Bulletin of the Atomic Scientists uit 2014 betuigde biowapenhistoricus Martin Furmanski vurig dat onze veiligheidsmaatregelen niet in verhouding staan tot het risico. ‘Het is nauwelijks geruststellend dat, ondanks stapsgewijze technische verbeteringen in de insluitingsfaciliteiten en toegenomen beleidsvereisten voor rigoureuze bioveiligheidsprocedures bij de omgang met gevaarlijke pathogenen, er bijna dagelijks mogelijk inbreuk wordt gemaakt op de biologische insluiting. In 2010 werden 244 onbedoelde vrijlatingen gerapporteerd van selecte agentia die kandidaat waren voor biowapens. Als we het probleem pragmatisch bekijken, is de vraag niet óf dergelijke ontsnappingen zullen resulteren in een grote civiele uitbraak, maar eerder wat de ziekteverwekker zal zijn en hoe een dergelijke ontsnapping kan worden ingeperkt, of die überhaupt kan worden ingeperkt.’

    Dus hoe maken we onze labs veiliger?

    Dus hoe maken we onze labs veiliger? In 2014 zette het Witte Huis onder Obama een eerste stap en kondigde aan het gain-of-function-onderzoek te staken totdat duidelijk was wat het ons opleverde.

    Maar in 2017, onder Trump, hief het National Institutes of Health (NIH) de onderbreking weer op. Hij ondersteunde in feite de argumentatie van Fouchier, en het werk – inclusief het project dat ze mede financierden in Wuhan – werd voortgezet. ‘GOF-onderzoek is belangrijk om snel evoluerende pathogenen die een bedreiging vormen voor de volksgezondheid te kunnen identificeren en begrijpen en om strategieën en effectieve tegenmaatregelen te ontwikkelen’, verkondigde NIH-directeur Francis Collins. Sommige wetenschappers maakten hevig bezwaar, zoals Steven Salzberg van Johns Hopkins, die schreef: ‘Ik kan niet toestaan ​​dat dit onomstreden blijft. Dit onderzoek is zo potentieel schadelijk en biedt zo weinig voordelen voor de samenleving, dat ik vrees dat NIH het vertrouwen dat het Congres erin stelt, in gevaar zal brengen.’

    Megan Palmer, een biotechnologie- en beveiligingsexpert aan de Stanford-universiteit, vertelde me dat ook zij diep bezorgd is over een deel van het onderzoek dat wordt gedaan in hoogbeveiligde biolabs, maar dat het moeilijk is om de gevaren te evalueren. ‘Het lastige is dat we in de meeste gevallen niet weten hoe riskant of gunstig het onderzoek zal zijn.’ Om hier beter zicht op te krijgen, zegt ze, hebben we ‘veel geavanceerdere systemen nodig, zodat we de risico’s kunnen begrijpen en controleren. We zouden incidenten moeten verzamelen en analyseren, die informatie moeten delen en dan proberen daaruit lessen voor verbetering te trekken.’

    Ironisch genoeg zou het implementeren van een dergelijk systeem in 2018 deel uitmaken van de Nationale Biodefensiestrategie van de regering-Trump. Ook werd opgeroepen tot samenwerking met internationale partners om het risico van toekomstige pandemieën of bioterroristische aanslagen te verkleinen. Maar de regering liet het plan vallen. ‘De financiering is niet rondgekomen,’ zegt Palmer. ‘We stellen vast dat deze dingen belangrijk zijn, en doen er vervolgens niks mee.’

    Eén groot cruiseschip

    De beslissing van de regering om dit onderzoek te staken, maakt de wereld er niet veiliger op, en het voortdurende vinger wijzen naar China evenmin. ‘We kunnen niet voortijdig een schuldige aanwijzen,’ zegt Palmer, die een ontsnapping uit het laboratorium als de minder waarschijnlijke hypothese ziet. ‘We moeten onderzoek doen om te achterhalen hoe dit virus kan zijn ontstaan, ​​en om toekomstige bedreigingen te voorkomen moet onze aandacht verder reiken dan alleen dit specifieke incident.’

    Zoals we hebben gezien, blijven ziekteverwekkers niet zitten waar ze zijn. Om een volgende pandemie te voorkomen, zijn een buitengewoon vooruitziende blik en internationale samenwerking vereist – precies het tegenovergestelde van de aanpak van de regering-Trump tot nu toe. Andere opties zijn er niet. We zitten allemaal vast op één groot cruiseschip, en voorlopig komt er niemand vanaf.

  • Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Welke lessen voor de toekomst kunnen we trekken uit 2020? De Israëlische denker en historicus Yuval Noah Harari zet ze op een rijtje en komt tot een heldere conclusie: de enige reden waarom deze pandemie uit de hand is gelopen, is de politiek.

    Keuze uit het archief

    Na het rampjaar 2020 dacht de wereld dat 2021 het jaar zou worden dat we ‘samen corona onder controle zouden krijgen’ (dixit de Rijksoverheid). Er was immers een keur aan uitstekend werkende vaccins ontwikkeld. Niets bleek minder waar, er zijn nieuwe, besmettelijkere, varianten als delta en omikron opgekomen en het coronabeleid heeft geen een derde, vierde en zoveelste golf kunnen voorkomen.

    Had de politiek maar Yuval Noah Harari geluisterd. Lees zijn profetische woorden en oplossingen voor de coronacrisis.

    Door velen wordt de vreselijke tol die het coronavirus heeft geëist gezien als bewijs van de hulpeloosheid van de mens ten opzichte van de natuur. Maar in feite heeft 2020 aangetoond dat de mensheid verre van hulpeloos is. Epidemieën zijn niet langer onbedwingbare natuurkrachten. Dankzij de wetenschap zijn ze nu tot op zekere hoogte te controleren.

    Waarom zijn er dan zoveel sterfte- en ziektegevallen geweest? Vanwege slechte politieke beslissingen.

    Vroeger hadden mensen als ze met een plaag als de Zwarte Dood werden geconfronteerd, geen idee wat de oorzaak was of wat ertegen kon worden gedaan. Toen de griep van 1918 toesloeg, slaagden de beste wetenschappers ter wereld er niet in het dodelijke virus te identificeren, waren veel maatregelen die werden genomen nutteloos en liepen pogingen om een ​​effectief vaccin te ontwikkelen op niets uit.

    Met covid-19 was dat heel anders. De eerste alarmbellen over een mogelijke nieuwe epidemie klonken eind december 2019. Op 10 januari 2020 hadden wetenschappers niet alleen het verantwoordelijke virus geïsoleerd, maar ook het genoom ervan gesequenced en de informatie online gepubliceerd. Binnen enkele maanden werd duidelijk welke maatregelen de infectieketens konden vertragen en stoppen. Binnen minder dan een jaar waren er verschillende effectieve vaccins in massaproductie. In de oorlog tussen mens en ziekteverwekker is eerstgenoemde nog nooit zo machtig geweest.

    Het leven naar online verplaatst

    Naast de ongekende prestaties van de biotechnologie, heeft het coronajaar ook de kracht van informatietechnologie onderstreept. Vroeger kon de mensheid epidemieën zelden stoppen, omdat de infectieketens niet in realtime konden worden gevolgd en omdat de economische kosten van langdurige lockdowns te hoog waren. In 1918 kon je mensen die de gevreesde griep kregen in quarantaine plaatsen, maar je kon de presymptomatische of asymptomatische dragers niet traceren. En als je de hele bevolking van een land destijds zou hebben bevolen enkele weken binnen te blijven, zou dat hebben geleid tot economische ondergang, sociale instorting en massale hongersnood.

    In 2020 daarentegen maakte digitale surveillance het veel gemakkelijker om de verspreiding te volgen en te lokaliseren, wat quarantaine zowel selectiever als effectiever maakt. Belangrijker is nog dat automatisering en het internet langdurige lockdowns mogelijk maakten, althans in ontwikkelde landen. Hoewel de ervaring in sommige delen van de wereld deed denken aan plagen uit het verleden, heeft de digitale revolutie in een groot deel van de ontwikkelde wereld alles veranderd.

    Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden

    Neem de landbouw. Duizenden jaren lang was de voedselproductie afhankelijk van menselijke arbeid, en ongeveer 90 procent van de mensen werkte in de landbouw. Tegenwoordig is dit in ontwikkelde landen niet langer het geval. In de VS werkt slechts ongeveer 1,5 procent van de mensen op boerderijen, en dat is niet alleen genoeg om iedereen in e igen land te voeden, maar ook om van de VS een belangrijke voedselexporteur te maken. Bijna al het werk op de boerderij wordt gedaan door machines, die immuun zijn voor ziekten. Lockdowns hebben dus maar een kleine impact op de landbouw.

    Stel u een tarweveld voor tijdens het hoogtepunt van de Zwarte Dood. Als je de landarbeiders zou vragen om in de oogsttijd thuis te blijven, komt er honger. Als je ze vraagt om te komen oogsten, kunnen ze elkaar besmetten. Wat te doen?

    forest simon ZzOtl6FSpLs unsplash 1 1
    © Unsplash

    Stelt u zich nu hetzelfde tarweveld voor in 2020. Een enkele maaidorser met GPS-besturing kan het hele veld veel efficiënter oogsten – en zonder kans op infectie. Terwijl in 1349 een gemiddelde boerenknecht ongeveer vijf bushel per dag oogstte [ca. 35 liter], vestigde een maaidorser in 2014 een recordoogst door dertigduizend bushels per dag te oogsten. Bijgevolg had covid-19 geen significante invloed op de wereldwijde productie van basisvoedsel zoals tarwe, maïs en rijst. 

    Om mensen te voeden, is het niet voldoende om graan te oogsten. Je moet het ook vervoeren, soms over duizenden kilometers. Gedurende het overgrote deel van de geschiedenis was handel een van de grootste boosdoeners in tijden van epidemieën. Dodelijke ziekteverwekkers trokken de wereld over op koopvaardijschepen en karavanen. De Zwarte Dood liftte bijvoorbeeld van Oost-Azië naar het Midden-Oosten langs de Zijderoute, en het waren Genuese koopvaardijschepen die de ziekte vervolgens naar Europa brachten. Het grote risico met de handel was dat elke wagen een bestuurder nodig had, tientallen zeelieden nodig waren om zelfs kleine zeeschepen te besturen, en overvolle schepen en herbergen broeinesten van ziekten waren.

    In 2020 kon de wereldhandel min of meer vlot doorlopen, doordat er maar heel weinig mensen bij betrokken waren. Een grotendeels geautomatiseerd hedendaags containerschip kan meer ton vervoeren dan de koopvaardijvloot van een heel vroegmodern koninkrijk. In 1582 had de Engelse koopvaardijvloot een totaal laadvermogen van 68.000 ton en waren er ongeveer 16.000 bemanningsleden nodig. Het containerschip OOCL Hong Kong, gedoopt in 2017, kan zo’n 200.000 ton vervoeren met een bemanning van slechts 22 personen. 

    Cruiseschepen met honderden toeristen en vliegtuigen vol passagiers hebben weliswaar een grote rol gespeeld in de verspreiding van covid-19. Maar toerisme en reizigers zijn niet essentieel voor de handel. Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden. Terwijl het internationale toerisme in 2020 kelderde, daalde het volume van de wereldwijde maritieme handel met slechts 4 procent.

    Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele

    Automatisering en digitalisering hebben een nog grotere impact gehad op de dienstverlening. In 1918 was het ondenkbaar dat kantoren, scholen, rechtbanken of kerken konden blijven functioneren als ze gesloten waren. Hoe kun je lesgeven als leerlingen en docenten thuis zitten? Nu weten we het antwoord. De overschakeling op online kende veel nadelen, niet in de laatste plaats de immense mentale tol die deze eiste. En het heeft ook tot voorheen onvoorstelbare problemen geleid, zoals advocaten die als kat voor de rechtbank verschenen. Maar het feit dat het überhaupt kan, is verbazingwekkend.

    In 1918 bewoonde de mensheid alleen de fysieke wereld, en toen het dodelijke griepvirus hierdoorheen trok, konden we nergens heen vluchten. Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele. Toen het coronavirus door de fysieke wereld circuleerde, verlegden velen een groot deel van hun leven naar de virtuele wereld, waar ze veilig waren voor het virus.

    Mensen zijn natuurlijk nog steeds fysieke wezens en niet alles kan worden gedigitaliseerd. Het covid-jaar heeft de cruciale rol benadrukt die vaak slechtbetaalde beroepen spelen bij het in stand houden van de menselijke beschaving: verplegers, sanitairwerkers, vrachtwagenchauffeurs, kassiers, bezorgers. Er wordt vaak beweerd dat elke beschaving slechts drie maaltijden verwijderd is van barbarij. In 2020 vormden bezorgers de dunne rode lijn die de beschaving bij elkaar hield. Ze werden onze belangrijkste verbinding met de fysieke wereld. 

    Het internet houdt stand

    Wanneer we activiteiten online automatiseren, digitaliseren en verschuiven, stelt dat ons bloot aan nieuwe gevaren. Een van de meest opmerkelijke gegevens van het covid-jaar is dat het internet niet kapot ging. Als we plotseling de hoeveelheid verkeer op een fysieke brug vergroten, kunnen we verkeersopstoppingen verwachten, misschien dat hij zelfs instort. In 2020 verschoven scholen, kantoren en kerken bijna van de ene op de andere dag naar online, maar het internet hield stand.

    We staan ​​hier nauwelijks bij stil, maar dat moeten we wel doen. 2020 heeft ons geleerd dat het leven kan doorgaan, zelfs als een heel land fysiek op slot zit. 

    manuel peris unsplash 1 1
    © Unsplash

    Probeer je nu eens voor te stellen wat er gebeurt als onze digitale infrastructuur crasht.

    Informatietechnologie heeft ons veerkrachtiger gemaakt tegenover organische virussen, maar het heeft ons ook veel kwetsbaarder gemaakt voor malware en cyberoorlogvoering. Mensen vragen vaak: ‘Wat is de volgende pandemie?’ Een aanval op onze digitale infrastructuur is een vooraanstaande kandidaat. Het duurde enkele maanden voordat het coronavirus zich over de wereld verspreidde en miljoenen mensen besmette. Onze digitale infrastructuur kan in één dag instorten. En scholen en kantoren konden snel naar online verschuiven. Maar hoeveel tijd denkt u nodig te hebben om van e-mail terug te schakelen naar snailmail? 

    Wat telt?

    Het coronajaar heeft een nog belangrijkere beperking van onze wetenschappelijke en technologische kracht blootgelegd. Wetenschap kan de politiek niet vervangen. Bij beleidsbeslissingen moeten we rekening houden met veel belangen en waarden, en aangezien er geen wetenschappelijke manier is om te bepalen welke belangen en waarden het zwaarst wegen, is er geen wetenschappelijke manier om te beslissen wat we moeten doen.

    Bij de beslissing om een ​​lockdown af te kondigen, is het bijvoorbeeld niet voldoende om te vragen: ‘Hoeveel mensen zullen worden besmet met covid-19 als we geen lockdown opleggen?’ We moeten ook de vraag stellen: ‘Hoeveel mensen zullen in een depressie belanden als we wel een lockdown opleggen? Hoeveel mensen zullen te lijden hebben onder slechte voeding? Hoeveel van ons zullen school missen of hun baan verliezen? Hoevelen zullen worden mishandeld of vermoord door hun echtgenoten?’

    Zelfs als al onze gegevens nauwkeurig en betrouwbaar zijn, moeten we ons altijd afvragen: ‘Wat tellen we? Wie beslist wat er moet worden geteld? Hoe beoordelen we de cijfers ten opzichte van elkaar?’ Dit is meer een taak van de politiek dan van de wetenschap. Het zijn politici die de medische, economische en sociale afwegingen in evenwicht moeten brengen en met een alomvattend beleid moeten komen.

    Net zo creëren ingenieurs nieuwe digitale platforms die ons helpen te functioneren tijdens een lockdown, en nieuwe bewakingstools die ons helpen beschermen tegen virussen. Maar digitalisering en toezicht brengen onze privacy in gevaar en openen de weg voor de opkomst van ongekende totalitaire regimes. In 2020 is massasurveillance zowel legitiemer als gebruikelijker geworden. Het bestrijden van de epidemie is belangrijk, maar zijn we bereid onze vrijheid ervoor op te geven? Het is de taak van politici en niet van de ingenieurs om de juiste balans te vinden tussen nuttige bewaking en dystopische nachtmerries.

    Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​monitoringsysteem op te zetten om uitgaven te controleren, geloof het dan niet

    Drie basisregels kunnen ons een eind op weg helpen in de bescherming tegen digitale dictaturen, zelfs in tijden van een pandemie. Ten eerste, wanneer u gegevens over mensen verzamelt – vooral over wat er in hun eigen lichaam gebeurt – moeten deze gegevens worden gebruikt om deze mensen te helpen in plaats van hen te manipuleren, te controleren of te schaden. Mijn persoonlijke arts weet veel zeer persoonlijke dingen over mij. Dat vind ik prima, want ik vertrouw erop dat mijn arts deze gegevens in mijn voordeel gebruikt. Mijn arts mag deze gegevens niet aan een bedrijf of politieke partij verkopen. Zo zou het ook moeten zijn met elke vorm van een ‘pandemische toezichthoudende autoriteit’ die we eventueel instellen.

    Ten tweede moet toezicht altijd twee richtingen op bewegen. Als het toezicht alleen van boven naar beneden gaat, stevenen we af op een dictatuur. Dus wanneer het toezicht op individuen wordt vergroot, moet tegelijkertijd het toezicht op de overheid en grote bedrijven groter worden. 

    Screen Shot 2021 03 19 at 1.06.41 PM

    In de huidige crisis verdelen regeringen enorme bedragen. Het proces van toewijzing van middelen moet transparanter worden gemaakt. Als burger wil ik gemakkelijk kunnen inzien wie wat krijgt en wie beslist waar het geld naartoe gaat. Ik wil ervoor zorgen dat het geld naar bedrijven gaat die het echt nodig hebben, in plaats van naar een grote concern waarvan de eigenaren bevriend zijn met de een of andere minister. Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​dergelijk monitoringsysteem op te zetten, geloof het dan niet. Als het niet te ingewikkeld is om te monitoren wat jij doet, is het ook niet te ingewikkeld om te monitoren wat de overheid doet.

    Ten derde: sta nooit toe dat te veel gegevens op één plaats worden geconcentreerd. Niet tijdens de epidemie, en ook niet daarna. Een datamonopolie is een recept voor dictatuur. Dus als we biometrische gegevens over mensen verzamelen om de pandemie te stoppen, moet dit worden gedaan door een onafhankelijke gezondheidsautoriteit in plaats van door de politie. De resulterende gegevens moeten gescheiden worden gehouden van andere grote dataopslagplaatsen van ministeries en grote bedrijven. 

    Zeker, dit zal tot extra werk en inefficiëntie leiden. Maar inefficiëntie is een kenmerk, geen bug. U wilt de opkomst van digitale dictatuur voorkomen? Houd de dingen dan altijd een beetje inefficiënt.

    Verantwoordelijkheid

    De ongekende wetenschappelijke en technologische successen van 2020 hebben de coronacrisis niet kunnen oplossen. Ze veranderden de epidemie van een natuurramp in een politiek dilemma. Toen de Zwarte Dood miljoenen slachtoffers maakte, verwachtte niemand veel van de koningen en keizers. Ongeveer een derde van alle Engelsen stierf tijdens de eerste golf van de Zwarte Dood [en naar schattingen geldt dat gemiddelde voor alle landen van Europa], maar dit zorgde er niet voor dat koning Edward III van Engeland zijn troon verloor. Het lag duidelijk buiten de macht van heersers om de epidemie te stoppen, dus niemand gaf hen de schuld van een mislukking.

    Maar vandaag heeft de mensheid de wetenschappelijke instrumenten om covid-19 te stoppen. Verschillende landen, van Vietnam tot Australië, hebben bewezen dat de beschikbare instrumenten de epidemie zelfs zonder vaccin kunnen stoppen. Deze tools hebben echter een hoge economische en sociale prijs. We kunnen het virus verslaan, maar we weten niet zeker of we bereid zijn de kosten van de overwinning te betalen. De wetenschappelijke verworvenheden hebben dus een enorme verantwoordelijkheid op de schouders van politici gelegd.

    De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden

    Helaas zijn te veel politici deze verantwoordelijkheid niet nagekomen. De populistische presidenten van de VS en Brazilië bijvoorbeeld bagatelliseerden het gevaar, weigerden gehoor te geven aan experts en voedden in plaats daarvan samenzweringstheorieën. Ze kwamen niet met een degelijk federaal actieplan en saboteerden pogingen van staats- en gemeentelijke autoriteiten om de epidemie een halt toe te roepen. De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden.

    In het VK lijkt de regering aanvankelijk meer bezig te zijn geweest met de brexit dan met covid-19. Ondanks al haar isolationistische beleid, slaagde de regering-Johnson er niet in Groot-Brittannië te isoleren van het enige wat er echt toe deed: het virus. Mijn thuisland Israël heeft ook geleden onder politiek wanbeheer. Net als Taiwan, Nieuw-Zeeland en Cyprus is Israël in feite een ‘eilandland’, met gesloten grenzen en slechts één hoofdtoegangspoort – Ben Gurion Airport. Op het hoogtepunt van de pandemie heeft de regering van Netanyahu echter toegestaan ​​dat reizigers de luchthaven passeren zonder quarantaine of zelfs maar een behoorlijke screening, en nagelaten een eigen lockdownbeleid af te dwingen.

    Zowel Israël als het VK hebben vervolgens een voortrekkersrol gespeeld bij het uitrollen van de vaccins, maar hun eerdere verkeerde inschattingen hebben een grote tol geëist. In Groot-Brittannië heeft de pandemie het leven gekost aan 120.000 mensen, waarmee het op de zesde plaats in de wereld staat qua gemiddelde sterftecijfers. Ondertussen heeft Israël het zevende hoogste gemiddelde aantal bevestigde gevallen, en nam het om de ramp het hoofd te bieden zijn toevlucht tot een ‘vaccins for data’-deal met het Amerikaanse bedrijf Pfizer. Pfizer stemde ermee in om Israël te voorzien van voldoende vaccins voor de hele bevolking, in ruil voor enorme hoeveelheden waardevolle gegevens, wat bezorgdheid opwekte over privacy en datamonopolie. De transactie toonde maar weer eens aan dat de gegevens van burgers nu een van de meest waardevolle staatsbezittingen zijn. 

    Hoewel sommige landen veel beter presteerden, is de mensheid als geheel er tot dusver niet in geslaagd de pandemie in te dammen of een wereldwijd plan te bedenken om het virus te verslaan. De eerste maanden van 2020 waren alsof we een ongeluk in slow motion zagen gebeuren. Moderne communicatie maakte het voor mensen over de hele wereld mogelijk om in realtime de beelden te zien, eerst uit Wuhan, vervolgens uit Italië en daarna uit steeds meer landen – zonder dat daar wereldwijd leiderschap op volgde om te voorkomen dat een catastrofe de wereld zou overspoelen. De tools waren er, maar politieke wijsheid ontbrak maar al te vaak.

    Vaccinatienationalisme

    Een van de redenen voor de kloof tussen wetenschappelijk succes en politiek falen is dat wetenschappers wereldwijd samenwerkten, terwijl politici de neiging hadden om ruzie te maken. Terwijl ze onder veel stress en in grote onzekerheid werkten, deelden wetenschappers over de hele wereld vrijelijk informatie en vertrouwden ze op elkaars bevindingen en inzichten. Veel belangrijke onderzoeksprojecten werden uitgevoerd door internationale teams. Een grootschalig onderzoek dat de doeltreffendheid van lockdownmaatregelen aantoonde, werd bijvoorbeeld uitgevoerd door onderzoekers van negen instellingen: één in het VK, drie in China en vijf in de VS.

    Daarentegen zijn politici er niet in geslaagd een internationale alliantie tegen het virus te vormen en overeenstemming te bereiken over een mondiaal plan. De twee grootste grootmachten ter wereld, de VS en China, hebben elkaar beschuldigd van het achterhouden van essentiële informatie, het verspreiden van desinformatie en complottheorieën, en zelfs van het opzettelijk verspreiden van het virus. Talrijke andere landen hebben naar het schijnt gegevens over de voortgang van de pandemie vervalst of achtergehouden.

    ‘In deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang’

    Het gebrek aan wereldwijde samenwerking manifesteert zich niet alleen in deze informatieoorlogen, maar nog meer in conflicten over de schaarse medische apparatuur. Hoewel er zeker gevallen van samenwerking en vrijgevigheid zijn geweest, is er geen serieuze poging gedaan om alle beschikbare middelen te bundelen, de wereldwijde productie te stroomlijnen en een rechtvaardige distributie van voorraden te garanderen. In het bijzonder vaccinnationalisme creëert een nieuw soort wereldwijde ongelijkheid tussen landen die hun bevolking kunnen vaccineren, en landen die dat niet kunnen.

    Het is triest om te zien dat velen een simpel feit over deze pandemie niet begrijpen: zolang het virus zich overal blijft verspreiden, kan geen enkel land zich echt veilig voelen. Stel dat Israël of het VK erin slaagt het virus binnen zijn eigen grenzen uit te roeien, maar het blijft zich verspreiden onder honderden miljoenen mensen in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Een nieuwe mutatie in een afgelegen Braziliaanse stad zou het vaccin ineffectief kunnen maken en kunnen resulteren in een nieuwe golf van infectie.

    In de huidige noodsituatie zal een beroep op louter altruïsme waarschijnlijk niet prevaleren boven nationale belangen. Maar in deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking echter geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang.

    Antivirus voor de wereld

    Dscussies over wat er in 2020 is gebeurd, zullen jarenlang worden gevoerd. Maar mensen van alle politieke kampen zouden het eens moeten zijn over ten minste drie hoofdlessen.

    Ten eerste moeten we onze digitale infrastructuur beschermen. Die is onze redding geweest tijdens deze pandemie, maar kan omslaan in de bron van een nog veel grotere ramp.

    Ten tweede zou elk land meer moeten investeren in zijn volksgezondheidssysteem. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar politici en kiezers slagen er soms in de meest voor de hand liggende les te negeren.

    Ten derde moeten we een krachtig wereldwijd systeem opzetten om pandemieën te controleren en te voorkomen. In de eeuwenoude oorlog tussen mensen en ziekteverwekkers vormt het lichaam van ieder mens de frontlinie. Als die linie ergens op de planeet wordt doorbroken, brengt dat ons allemaal in gevaar. Zelfs de rijkste mensen in de meest ontwikkelde landen hebben er persoonlijk belang bij de armste mensen in de minst ontwikkelde landen te beschermen. Als een nieuw virus van een vleermuis naar een mens springt in een arm dorp in een afgelegen jungle, kan de ziekte binnen een paar dagen op Wall Street rond woekeren.

    Het geraamte van zo’n wereldwijd antivirussysteem bestaat al in de vorm van de Wereldgezondheidsorganisatie en verschillende andere instellingen. Maar de budgetten die dit systeem ondersteunen zijn beperkt, en het heeft nauwelijks politieke macht. We moeten dit systeem politieke invloed geven en veel meer geld, zodat het niet volledig afhankelijk zal zijn van de grillen van zelfzuchtige politici. 

    Als bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen

    Zoals eerder opgemerkt, vind ik niet dat experts die daar niet voor zijn gekozen de taak moeten krijgen cruciale beleidsbeslissingen te nemen. Die taak moet voorbehouden blijven aan politici. Maar een onafhankelijke wereldwijde gezondheidsautoriteit zou het ideale platform zijn om medische gegevens te verzamelen, mogelijke gevaren in de gaten te houden, alarm te slaan en onderzoek en ontwikkeling te sturen.

    Veel mensen zijn bang dat covid-19 het begin markeert van een golf van nieuwe pandemieën. Maar als de bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen. De mensheid kan het ontstaan van nieuwe ziektes niet voorkomen; dit is een natuurlijk evolutieproces dat al miljarden jaren aan de gang is en ook in de toekomst zal doorgaan. Maar vandaag de dag beschikt de mensheid over de kennis en instrumenten die nodig zijn om te voorkomen dat een nieuwe ziekteverwekker zich verspreidt en omslaat in een pandemie.

    Als covid-19 zich in 2021 desondanks blijft verspreiden en miljoenen slachtoffers maakt, of als een nog dodelijkere pandemie de mensheid treft in 2030, zal dit noch een oncontroleerbare natuurramp zijn, noch een straf van God. Het zal een menselijk falen zijn, en om precies te zijn een falen van de politiek.

    In #179, april 2020, publiceerden wij ‘Lakmoesproef van burgerschap’, Harari’s voorspellingen voor het jaar waarop hij hier terugblikt. U leest het hier.

  • In China is de angst voor het virus omgeslagen in de angst voor buitenlanders

    In China is de angst voor het virus omgeslagen in de angst voor buitenlanders

    Terwijl in veel landen voortdurend lockdowns worden verlengd en aangescherpt, lijkt China het virus onder controle te hebben. Maar de angst is gebleven: nu voor Europeanen. Een reis door het land waar de pandemie oorspronkelijk vandaan kwam.

    Provincie Sichuan, in het zuiden van China. Een klein stadje. Overal waar je kijkt, zie je bergen. 22.40 uur: er wordt op de deur geklopt. ‘Politie, opendoen alstublieft.’ Onmiddellijk komen er twee mannen in beschermende ziekenhuiskleding naar binnen, onder al de lagen plastic kun je hun gezichten nauwelijks zien. Bij allebei schijnt op borsthoogte een rood lampje door hun beschermende kleding: het lichtje van de automatische gezichtsherkenning, waar inmiddels veel politieagenten in China standaard mee zijn uitgerust. Inderdaad politie dus.

    ‘Het spijt ons, maar u moet een coronatest doen,’ zegt een van hen met een door zijn mondkapje gedempte stem. ‘Omdat u van buiten komt.’ Achter hen op de gang staat een derde, onzichtbare man. Hij heeft een metalen koffertje bij zich met een sticker die aangeeft dat er biologisch gevaarlijke stoffen in zitten.

    Chinese aangelegenheid

    Het jaar 2020 was in China een jaar vol angst. In het begin natuurlijk vooral voor de mensen in Wuhan, waar eind 2019 het eerste geval van een nieuw soort longontsteking werd gemeld. Op 23 januari 2020 grendelde de Chinese regering deze miljoenenstad volledig af. Een paar dagen eerder was van officiële zijde nog verklaard dat de situatie onder controle was.

    Wie iets anders beweerde, zoals de arts Li Wenliang, werd monddood gemaakt. Hij overleed op 7 februari 2020 aan de gevolgen van een Covid-19 infectie. En met hem, alleen al in Wuhan, 3800 anderen. In totaal raakten in China volgens officiële opgaven 86.000 mensen geïnfecteerd, van wie 4634 zijn overleden. Begin dat jaar lagen in de ziekenhuizen van Wuhan de lijken opgestapeld in de gangen. Nabestaanden moesten op het kerkhof in de rij staan en een nummertje trekken om een graf voor een overledene te krijgen. 

    Op dat moment beschouwde de rest van de wereld het nieuwe virus voor het grootste deel nog als een puur Chinese aangelegenheid. Over de hele wereld vertelden mensen die er Aziatisch uitzagen over discriminatie en scheldpartijen, hier en daar kwam het zelfs tot ernstige handtastelijkheden. Toen de pandemie een maand later Europa had bereikt en landen als Italië, Spanje en Frankrijk geen grip meer op het virus hadden, had China zo te zien het ergste al achter zich. De draconische maatregelen van de regering hadden succes gehad, het aantal nieuwe besmettingen was drastisch afgenomen. Maar de angst bleef, ook al was het voorwerp van de angst veranderd: iedereen was nu bang voor de mensen die het virus blijkbaar weer het land in brachten: buitenlanders.

    Toen de drie zwaar afgeschermde mannen mijn kamer binnenkwamen, was ik al vanaf het begin van het jaar doorlopend in China. Veruit de meeste tijd in Beijing, waar de inwoners maandenlang alleen met een speciaal pasje en nadat hun temperatuur was opgenomen hun woningen in mochten.

    In augustus, toen de situatie in China wat ontspannener leek, ben ik naar het zuiden gereisd om drie weken met de auto door het Chinese platteland te reizen. Niet alleen, maar met Chinese vrienden. Zij komen op dit moment mijn hotelkamer in het stadje in Sichuan binnen. Alles onder controle, ze kennen de situatie. Ze nemen de drie politieagenten mee naar hun kamer, naast de mijne, en lossen het probleem op. Het is niet voor het eerst dat ze overdreven bange functionarissen tegenkomen. 

    De angst wordt verhevigd door het narratief van de staatsmedia, waarin corona heel slim wordt voorgesteld als een buitenlands probleem

    Wat veel Chinezen zich niet lijken te realiseren: al maandenlang worden er vrijwel geen visa meer verstrekt. Wie zich in het land bevindt, is daar in de meeste gevallen al maanden. En iedereen die het land binnenkomt, maakt niet uit waarvandaan, moet twee weken in quarantaine in een hotel. Ook de Chinezen zelf. 

    Nieuwe gevallen zijn er nauwelijks meer, op veel plaatsen hangt er al een tijd weer een glimpje normaliteit in de lucht. In augustus werd in Wuhan zelfs alweer vergunning verleend voor een reusachtige pool party. Maar de angst is gebleven, verhevigd door het narratief van de staatsmedia waarin corona heel slim wordt voorgesteld als een buitenlands probleem. Dat narratief gaat erin als koek en lijkt de angst aan te wakkeren, met name op plaatsen waar men bijna geen contact heeft met buitenlanders. 

    Health Kit-app

    Nog altijd hetzelfde stadje. We lopen een wokrestaurant binnen. Een man van middelbare leeftijd met een kind springt op en rent de zaak uit, het kind kan hem bijna niet bijhouden. We zien wat mensen geïrriteerd naar ons kijken, maar we gaan toch zitten en bestellen. Nog geen vijf minuten later is de politie er. Hun auto parkeren ze een paar meter verderop neer, maar we weten meteen dat ze voor ons komen. Twee jonge agenten stappen uit en komen binnen. 

    ‘Waar komt u vandaan?’ vraagt een van hen vriendelijk. ‘Wat komt u hier doen?’ En dan moeten we natuurlijk onze Health Kit-app laten zien; als je die niet hebt kom je nergens. Als je in een bepaalde provincie bent, moet je je op de Health Kit app ter plaatse registreren en een paar dingen invoeren, bijvoorbeeld waar je de afgelopen tijd bent geweest en of je de laatste twee weken symptomen hebt gehad. 

    We laten onze app zien, de agenten bieden hun excuses aan dat ze ons gestoord hebben en zeggen weer gedag. ‘U moet begrijpen dat door de pandemie een bijzondere situatie is ontstaan, er zijn hier geen buitenlanders en de mensen zijn bang.’ We begrijpen het. We hebben overdag al gezien hoe de mensen ons bang aankijken. We zagen ze vlug een mondkapje opzetten en met een grote boog om ons heen lopen. En steeds maar weer vragen of we soms Amerikanen waren. ‘Nee? Dan is het goed.’ 

    De latente scepsis tegenover buitenlanders is hier in China onderdeel van je leven als buitenlander

    Nog altijd in Sichuan. Een bergdorp, niet ver van de Jangtsekiang. De enige straat van het dorp is 150, misschien 200 meter lang. Aan twee kanten winkeltjes waar sinds de jaren negentig niets veranderd lijkt te zijn. Een bruggetje over een beek, links en rechts koopvrouwen met groenten. Overal overwegend oude mensen en kinderen, de jonge mensen zijn naar de stad vertrokken om geld te verdienen. Een paar loslopende honden, en een uithangbord zoals je in Chinese dorpen vaak ziet: ‘Gehoorzaam de Partij.’ Over een paar maanden staat dit allemaal onder water, want dan is de stuwdam die hier in de buurt wordt aangelegd klaar en overstroomt het gebied, net als destijds bij de Drieklovendam. Vanaf december zullen de mensen verhuisd worden.

    We zijn nog geen tien minuten in het dorp of de politie komt er al aan. De patrouille, een man en twee vrouwen, rijdt ons voorbij. Een paar meter verderop staat een vierde agent, die ons onopvallend probeert te fotograferen. We gaan zitten en bestellen ontbijt. De eigenaar van het eettentje is spraakzaam. Met een bedrag per vierkante meter wil de regering de dorpsbewoners uitkopen, maar in de stad is een vierkante meter veel duurder. Voor hem is dat gelukkig geen probleem, hij heeft elders woningen en kan makkelijk verhuizen. Een andere man hoort ons praten als hij langs loopt en mengt zich opgewonden in de conversatie. De regering betaalt veel te weinig, een paar dorpsbewoners zijn daarom al naar de rechter gestapt. De man begint steeds harder te praten. In de verte duikt de patrouille weer op. Tijd om te vertrekken.

    Of we journalisten zijn, vraagt iemand ons onderweg naar de auto. ‘Nee, we willen boven een tempel bekijken.’ We gaan sneller lopen. 

    Alles onder controle
    © David Kamin

    De latente scepsis tegenover buitenlanders is hier in China onderdeel van je leven als buitenlander. Daar zijn, onder andere, historische redenen voor. In de negentiende eeuw zijn westelijke koloniale mogendheden, waaronder Duitsland, in China gewelddadig tekeergegaan. Troepen, gestuurd door keizer Wilhelm, trokken moordend en brandschattend door het land. 

    Die tijd, die in de Chinese geschiedschrijving als de ‘Eeuw van de schande’ wordt aangeduid, is deel van het collectieve Chinese bewustzijn en werkt door tot op de dag van vandaag. Trumps anti-Chinaretoriek, de handelsoorlog, het door corona ontstane ressentiment in Europa: het wordt hier, gefilterd en versterkt door de staatsmedia, allemaal nauwkeurig waargenomen en wakkert de wij-tegen-henmentaliteit weer aan. En het maakt dat de scepsis tegenover buitenlanders die je altijd al ervaart de laatste tijd steeds vaker omslaat in vijandigheid. 

    Excuses

    In een bar in een willekeurig stadje in Sichuan bijvoorbeeld. De eigenaar heeft nog nooit een buitenlander ontmoet en is helemaal in de wolken. Maar een paar gasten zouden liever hebben dat er geen buitenlanders kwamen, dat merk je direct. Twee vrouwen zetten hun mondkapje zo demonstratief op, dat je het niet kunt missen. Een jonge man heeft geen last van sociale angst en komt bij ons zitten. 

    Hij wil ambtenaar worden en bereidt zich dezer dagen juist voor op het examen, voor de zoveelste keer. Daadwerkelijk in staatsdienst komen, is hier bijna onmogelijk. Want voor de honderden of zelfs duizenden mensen die het examen afleggen, is er vaak maar één baan beschikbaar. Een groepje mensen aan een ander tafeltje verlaat de bar, kennelijk vanwege ons, vertelt hij later en biedt ons daarvoor zijn excuses aan. 

    De levensomstandigheden, de druk waarmee jonge mensen in China vaak moeten omgaan, kun je je als buitenlander moeilijk voorstellen. De dimensies zijn in China gewoon anders en dat merk je in alle aspecten van het leven: concurrentie in de studie, concurrentie om een baan. 

    De coronacrisis fungeerde in velerlei opzicht als een katalysator en heeft de extreme dimensies nog extremer gemaakt. Er zijn miljoenen werklozen, vooral in sectoren met lage lonen, en daarnaast grote winnaars, zoals  ondernemer Jack Ma en Alibaba, de Chinese tegenhanger van Amazon. De mensen die maandenlang thuis zaten bestelden zo veel dat zich bij de afhaalpunten elke dag enorme stapels pakketjes vormden waar de bezorgers niet doorheen kwamen. 

    Het eerste stuk tofu op de gril is nog niet gaar of daar komen ze al aan

    Met de dranklucht die in de provincie Guizhou op veel plaatsen in de lucht hangt nog in onze neus, arriveren we in het volgende stadje. Hier verbouwen ze de gerst voor de beroemde Chinese likeur baijiu

    Onder het avondeten gaat de telefoon. ‘Goedenavond, met de districtspolitie.’ Ze willen ons een paar vragen stellen, we kennen het al. Het eerste stuk tofu op de gril is nog niet gaar of daar komen ze al aan. Uit een politieauto en een ambulance stappen vier agenten, twee verpleegsters en twee medewerkers van het districtsbureau. 

    Ik ben even afgeleid, de vrouw van het districtsbureau moet haar vraag herhalen. Ik kom een stapje dichterbij en zij gaat meteen een stap achteruit. Wanneer ik voor het laatst het land ben binnengekomen. Of ik al eens een coronatest heb gedaan. Waarom we eigenlijk hier zijn en wanneer we weer weggaan. Ik ben relaxed, de vragen ken ik al. 

    Politie, ziekenhuis en districtsbureau stellen alle vragen vijf keer lijkt het wel, en trekken zich dan terug om te overleggen. De vrouw van het districtsbureau is aan de telefoon, waarschijnlijk met haar chef, die haar hiernaartoe heeft gestuurd. En die waarschijnlijk weer onder druk staat van zíjn chef. 

    Wat in Europa en elders nog ondenkbaar is, is hier al werkelijkheid

    Of een opdracht eigenlijk wel zinvol is, weet onder in de keten vaak niemand meer in dit gecentraliseerde systeem met zijn eindeloze hiërarchieën, en het kan ze ook niet schelen. De chef moet tevreden zijn, dus willen ze in geen geval negatief opvallen. De vrouw hangt op en doet verslag: alles is in orde, maar we moeten wel morgen weg zijn, zoals we hebben gezegd. De volgende ochtend zijn we al onderweg naar de volgende plaats als de telefoon weer gaat. Of we ook echt zijn vertrokken, wil het districtsbureau weten. ‘Ja hoor, daar hoeft u niet bang voor te zijn.’

    Het is ondertussen allemaal al een paar maanden geleden. Terug in Beijing doet het leven steeds meer denken aan hoe het voor de pandemie was, oppervlakkig beschouwd in elk geval. Wat in Europa en elders nog ondenkbaar is, is hier al werkelijkheid: de bioscopen zijn open, in de clubs is het even druk als tevoren. Er wordt stevig geconsumeerd en met de economie schijnt het weer beter te gaan. 

    Maar in Shanghai zijn er toch een paar nieuwe gevallen. Onlangs werd het grote vliegveld Shanghai Pudong zonder pardon afgesloten om een massatest uit te voeren toen twee medewerkers positief getest waren. Volgens de Chinese Global Times werden zo’n 100.000 mensen vastgehouden, op Twitter verschenen video’s van veiligheidsbeambten die probeerden te voorkomen dat de in paniek geraakte menigte op de vlucht sloeg. 

    Daarnet ging mijn telefoon, een mededeling van het ziekenhuis: ‘Wie de afgelopen twee weken in Hulunbuir, Tianjin, Shanghai of Fuyang is geweest, wordt verzocht zich conform de bepalingen van de pandemiebestrijding in Beijing onmiddellijk in het ziekenhuis te melden met een geldige coronatest.’

  • Niks doen en tijd om na te denken

    Niks doen en tijd om na te denken

    We moeten deze tijd benutten om te heroverwegen wat belangrijk is, stelt de Franse filosoof Bruno Latour. ‘Mijn hypothese, en die van velen met mij, is dat de gezondheidscrisis de weg bereidt voor de klimaatcrisis.’

    Het samenvallen van een algehele lockdown dit voorjaar met de vastentijd was weliswaar onvoorzien, maar bood een mooie gelegenheid om tijdens de deze seculiere en republikeinse ramadan na te denken over wat belangrijk is en wat niet. 

    Zo kon dit virus dienen als generale repetitie voor de volgende crisis, namelijk die waarin veranderen van levensstijl voor iedereen geldt en voor alle aspecten van het dagelijks leven, die we dan zorgvuldig moeten leren kiezen. Mijn hypothese, en die van velen met mij, is dat de gezondheidscrisis de weg bereidt voor de klimaatcrisis. Een opmaat die ons ertoe aanzet ons daarop voor te bereiden. Nu moeten we die hypothese nog testen.

    De pandemie is net zo min een ‘natuurlijk’ verschijnsel als de hongersnoden van vroeger of de huidige klimaatcrisis

    Het virus is maar één schakel in een keten. Wat het verbinden van deze twee crises rechtvaardigt is het plotselinge en pijnlijke besef dat de klassieke definitie van ‘de maatschappij’ – het samenzijn van mensen onder elkaar – geen betekenis meer heeft. De sociale orde hangt altijd af van verbanden tussen vele actoren, waarvan de meeste geen menselijke vorm hebben. Het geldt voor microben – dat weten we sinds Pasteur – maar ook voor het internet, het recht, de gezondheidszorg, de bevoegdheden van de staat en evengoed voor het klimaat.

    En natuurlijk, ondanks al het lawaai rond de ‘oorlog’ tegen het virus, is dat virus maar één schakel in een keten waarin de beschikbaarheid van mondkapjes of coronatests, de regelgeving omtrent het eigendomsrecht, omgangsvormen en uitingen van solidariteit allemaal even zwaar meewegen in de mate van kwaadaardigheid van de ziekteverwekker.

    Duidelijkheid

    Als je begrijpt dat het virus maar een schakel is in een wereldwijd netwerk, is het niet verwonderlijk dat het op een andere manier te werk gaat in Taiwan, Singapore, New York of Parijs. De pandemie is net zo min een ‘natuurlijk’ verschijnsel als de hongersnoden van vroeger of de huidige klimaatcrisis. 

    De maatschappij houdt zich al heel lang niet meer aan de beperkte maatschappelijke grenzen.

    Toch weet ik niet of die parallel veel verder gaat dan dat. Want uiteindelijk zijn gezondheidscrises niets nieuws, en het snelle en radicale ingrijpen van de staat lijkt tot nu toe niet veel verandering te brengen. Je hoeft alleen maar het enthousiasme van president Macron te zien, nu hij eindelijk het staatsmanschap kan tonen dat hem tot nu toe zo treurig ontbrak. Veel beter dan de aanslagen, die ondanks alles vooral een zaak voor de politie zijn, geven de pandemieën een soort duidelijkheid, zowel voor de leiders als voor hun volgelingen: ‘Wij moeten u beschermen’, en ‘u moet ons beschermen’. Door die duidelijkheid krijgt de staat zijn gezag terug en kan hij dingen eisen die in elke andere omstandigheid tot rellen zouden leiden.

    Maar die staat is niet de staat van de eenentwintigste eeuw en van de ecologische veranderingen, het is de staat van de negentiende eeuw en van wat de ‘biomacht’ is gaan heten. Om met statisticus Alain Desrosières te spreken is het de staat van de statistieken: management van afgebakende populaties, van bovenaf uitgevoerd door een machtige groep deskundigen. Precies wat we nu weer zien opkomen, met als enige verschil dat het stap voor stap wordt gereproduceerd, tot het de hele wereld omspant.

    Het nieuwe van de huidige situatie is in mijn ogen dat wij, opgesloten in ons eigen huis terwijl buiten de politiebevoegdheden worden uitgebreid en de ambulances loeien, collectief een karikaturale uitbeelding spelen van de grafiek van de biomacht die rechtstreeks weggelopen lijkt te zijn uit een college van filosoof Michel Foucault. Daarin ontbreken de vele onzichtbare arbeidskrachten die toch moeten werken opdat de anderen zich thuis kunnen blijven verschuilen  – en niet te vergeten de migranten die onmogelijk op één plek te houden zijn. Maar zelfs dat is een karikatuur uit een tijd die niet meer de onze is.

    ANP 415707555monde 2
    De Franse president Emmanuel Macron gaf op 29 juni 2020 een speech over klimaatverandering voor het Élysée-paleis in Parijs. – © Christian Hartmann / Pool / AFP

    Een immense kloof

    Er is een immense kloof tussen de staat die kan zeggen: ‘Ik bescherm u voor eeuwig’ – dat wil zeggen: tegen de infectie door een virus dat alleen deskundigen kunnen opsporen en waarvan de effecten duidelijk worden door het bijhouden van de statistieken – en de staat die zou durven zeggen: ‘Ik bescherm u voor eeuwig, want ik zorg voor het behoud van de levensomstandigheden van alle levende wezens waarvan u afhankelijk bent.’

    Laten we een gedachte-experiment doen. Stel je eens voor dat president Macron op even Churchilliaanse toon een reeks maatregelen had aangekondigd om de olie- en gasvoorraden in de aarde te houden, om een eind te maken aan het gebruik van pesticiden, om het diepploegen uit te bannen en om, het toppunt van stoutmoedigheid, terrasverwarming op terrassen te verbieden. Als je bedenkt dat alleen al het verhogen van de accijns op benzine de gelehesjesbeweging heeft ontketend, huiver je bij de gedachte aan de rellen die het land zouden overspoelen. En toch is de noodzaak om de Fransen voor hun eigen bestwil tegen de dood te beschermen bij de klimaatcrisis oneindig veel groter dan bij de gezondheidscrisis, want daarbij gaat het letterlijk om de hele wereld en niet slechts om een paar duizend mensen – en niet tijdelijk, maar voor altijd.

    Welnu, het is duidelijk dat die staat niet bestaat. En nog zorgwekkender is dat we niet weten of de staat zich er wel op voorbereidt om van de ene crisis over te gaan op de andere. In de gezondheidscrisis speelt de overheid de klassieke pedagogische rol, en haar gezag valt volmaakt samen met de oude nationale grenzen: de archaïsche terugkeer naar Europese grenzen is daarvoor het treurige bewijs.

    Latour

    In de gezondheidscrisis is het inderdaad het volk dat opnieuw, als op de kleuterschool, braaf moet leren de handen te wassen en in de elleboog te niezen. Maar voor de ecologische ommekeer geldt het tegenovergestelde: daar is de overheid de leerling die van een veelvormig volk, op vele niveaus, moet leren hoe het bestaan eruit moet zien, op terreinen die totaal veranderd zijn door de noodzaak om uit de huidige geglobaliseerde productie te stappen. Dan kan de staat onmogelijk van bovenaf maatregelen opleggen. 

    Het zijn de mensen

    Maar er is nog een reden die de statistiek van de ‘oorlog tegen het virus’ onbegrijpelijk maakt: in de gezondheidscrisis is het misschien zo dat de mensen met zijn allen ‘tegen de virussen vechten’, ook al trekken die zich daar niets van aan en doen ze via keel en neus gewoon hun dodelijke werk. Maar in de ecologische verandering is de situatie tragisch omgekeerd: de ziekteverwekker die met verschrikkelijke kracht de levensomstandigheden van alle aardbewoners heeft veranderd is hier niet het virus, het zijn de mensen! En niet alle mensen, maar bepaalde mensen die oorlog tegen ons voeren, zonder ons de oorlog te hebben verklaard. En op die oorlog is de nationale staat zo slecht voorbereid, zo slecht toegerust, zo slecht ingericht als maar mogelijk is, want er zijn vele fronten, die ons allemaal raken. In die zin bewijst de ‘algehele mobilisatie’ tegen het virus in geen enkel opzicht dat we klaar zijn voor de volgende. Militairen zijn niet de enigen die altijd een oorlog achter lopen.

    Maar je weet het nooit, uiteindelijk kan een vastentijd, ook al is die niet-religieus en republikeins, misschien spectaculaire veranderingen brengen. Voor het eerst in jaren herontdekken miljoenen mensen die thuis opgesloten zitten deze vergeten luxe: tijd om na te denken en te zien waar ze zich altijd zo onnodig druk om maken. Laten we deze lange, onverwachte vastentijd goed benutten. 

  • Hoe WhatsApp samenzweringstheorieën in de hand werkt

    Hoe WhatsApp samenzweringstheorieën in de hand werkt

    Naarmate sociale media onverdraagzamer worden, neemt de aantrekkingskracht van particuliere online groepen toe. Maar die hebben hun eigen gevaren. En niet alleen voor de deelnemers zelf.

    In het voorjaar, toen het virus zich over de wereld uitspreidde en miljarden mensen werden gedwongen thuis te blijven, steeg de populariteit van één sociale-media-app in het bijzonder. Eind maart was het gebruik van WhatsApp over de hele wereld met 40 procent gegroeid. In Spanje, waar de lockdown bijzonder streng was, steeg dit zelfs met 76 procent. In die eerste maanden was WhatsApp – dat het midden houdt tussen e-mail, Facebook en sms en waar groepen tekstberichten, links en foto’s met elkaar kunnen delen – een uitstekende manier om niet alleen nieuwsberichten en memes maar ook massale angst te verspreiden.

    Aanvankelijk waren veel van de nieuwe toepassingen bemoedigend. Er ontstonden onderlinge hulpgroepen om kwetsbaren te helpen. Families en vrienden gebruikten de app om contact te houden en hun angsten en zorgen in real time met elkaar te delen. Half april werd de rol die WhatsApp in de pandemie speelde al wat duisterder. Een complottheorie over de lancering van 5G, die al lang voordat Covid-19 opdook in omloop was, luidde nu dat de ziekte werd veroorzaakt door masten voor mobiele telefoons. Overal begonnen mensen 5G-masten in brand te steken steken. Alleen al in het paasweekend werden [in het VK] twintig branden gesticht.

    WhatsApp gold, samen met Facebook en YouTube, als een belangrijk kanaal om de complottheorie te verspreiden. Er werd gevreesd dat in diezelfde groepen die in maart massaal waren opgericht, nu de 5G-theorie volop werd gedeeld. Ondertussen werden via de app nepaudioclips verspreid, zoals de opname van iemand die in de zorg zei te werken en beweerde dat er niet langer ambulances zouden worden gestuurd om mensen met ademhalingsproblemen te helpen.

    Het was niet de eerste keer dat WhatsApp in een controverse verwikkeld raakte. Hoewel de ‘nepnieuws’-schandalen rondom de verkiezingen in 2016 in het VK en de VS meer op Facebook waren gericht – dat eigenaar is van WhatsApp – waren de latere verkiezingsoverwinningen voor Jair Bolsonaro in Brazilië en Narendra Modi in India mede te danken aan opruiende WhatsApp-berichten, waarbij gretig gebruik werd gemaakt van het enorme bereik dat de app in deze landen heeft. In India waren er bovendien meldingen van rellen en vielen er minstens dertig doden als gevolg van geruchten die op WhatsApp circuleren. Het Indiase ministerie van Informatie en Media heeft naar manieren gezocht om de WhatsApp-inhoud te reguleren, maar dat leidde enkel tot een nieuwe controverse vanwege de schending van burgerlijke vrijheden door de regering.

    WhatsApp lijkt een ongewoon effectief middel te zijn om wantrouwen te wekken in openbare instellingen en procedures

    Zoals altijd bestaat het risico dat in een complexe politieke crisis te veel schuld wordt gelegd bij het euvel van een technologie. WhatsApp heeft ook enkele stappen ondernomen om het gebruik van de app als doorgeefluik voor verkeerde informatie te beperken. In maart vertelde een woordvoerder van het bedrijf aan The Washington Post dat het ‘met ministeries van Volksgezondheid over de hele wereld had samengewerkt om burgers eenvoudige manieren te bieden voor het vergaren van accurate informatie over het virus’. Maar ook los van de zichtbare ophef lijkt WhatsApp een ongewoon effectief middel te zijn om wantrouwen te wekken in openbare instellingen en procedures.

    Een WhatsApp-groep kan bestaan ​​zonder dat iemand buiten de groep op de hoogte is van zijn bestaan, wie zijn leden zijn of wat er wordt gedeeld, terwijl end-to-end-codering de groep immuun maakt voor toezicht van buitenaf. Terug in de pre-Covid-19-dagen van Groot-Brittannië, toen Brexit en Jeremy Corbyn de twee onderwerpen vormden die [in het VK] de hevigste politieke discussies veroorzaakten, waren speculatie en paranoia in zulke groepen aan de orde van de dag. Mediacommentatoren die Corbyn verdedigden, werden er vaak van beschuldigd deel uit te maken van een WhatsApp-groep van ‘outriders’, gecoördineerd vanuit Corbyns burelen, die hen zogenaamd had opgedragen hoe ze zich op moesten stellen. Ondertussen zou de pro-Brexit European Research Group van de Conservatieve partij steun krijgen van een WhatsApp-groep waarvan het lidmaatschap nooit openbaar was. Dergelijke theorieën, of ze nou waar zijn of niet, zijn weinig bevorderlijk voor het vertrouwen in de democratie.

    WhatsApp-groepen wekken niet alleen argwaan bij het publiek, maar kunnen ook hun eigen deelnemers wantrouwend maken. Zoals blijkt uit gesloten Facebook-groepen, waar verontwaardigde deelnemers elkaar soms zonder al te veel onderbouwing in de privésfeer opruien, waarna ze in het openbaar overkoken. De eigenschap van zulke groepen om verkeerde informatie en beschuldigingen te verspreiden, begint aanweziger te worden dan de eigenschap om die verspreiding tegen te gaan.

    Er ontstaat een nieuw soort ‘gezond verstand’, gebaseerd op een instinctief wantrouwen jegens de wereld buiten de groep

    De politieke dreiging van WhatsApp is de keerzijde van haar psychologische aantrekkingskracht. In tegenstelling tot zoveel andere socialemediaplatforms, is WhatsApp erop gericht de privacy te beschermen. Positief hieraan is de mogelijkheid tot intimiteit met onze dierbaren en het vermogen om vrij te spreken, maar het werkt ook een ethos van geheimhouding en van wantrouwen in de publieke sfeer in de hand. Nu Facebook, Twitter en Instagram steeds theatraler worden – elk gebaar is bedoeld om indruk te maken dan wel af te schrikken – is WhatsApp een toevluchtsoord geworden binnen een verwarrende, onbetrouwbare wereld, waar gebruikers openhartiger kunnen spreken. De groei van het vertrouwen in zulke groepen gaat ten koste van het vertrouwen in openbare instellingen en ambtenaren. Zo ontstaat een nieuw soort ‘gezond verstand’, gebaseerd op een instinctief wantrouwen jegens de wereld buiten de groep.

    De immer groeiende populariteit van WhatsApp, die ten koste gaat van zowel officiële instellingen als de open sociale media, stelt ons voor een diepgravende politieke vraag: hoe behouden openbare instellingen en discussies legitimiteit en vertrouwen als mensen eenmaal georganiseerd zijn in gesloten en onzichtbare gemeenschappen? Het risico is dat er een vicieuze cirkel ontstaat, waarin privégroepen steeds meer informatie en desinformatie verspreiden om ambtenaren en publieke informatie in diskrediet te brengen, waardoor onze vervreemding van de democratie escaleert.

    Het standaardmiddel voor digitale communicatie

    Toen WhatsApp in 2014 voor $19 miljard door Facebook werd gekocht, was dit de prijzigste technologie-acquisitie uit de geschiedenis. Destijds bracht WhatsApp 450 miljoen gebruikers met zich mee. In februari van dit jaar bereikte het aantal 2 miljard gebruikers wereldwijd – en dat was nog vóór de lockdowns – waarmee het verreweg de meest gebruikte messenger-app is en de op een na meest gebruikte app, na Facebook zelf. In veel landen is WhatsApp het standaardmiddel voor digitale communicatie en sociale coördinatie, vooral onder jongeren.

    De functies die maken dat WhatsApp zich leent als kanaal voor samenzweringstheorieën en politieke conflicten, waren geen onderdeel van sms en hebben meer gemeen met e-mail: het aanmaken van groepen en de mogelijkheid om berichten door te sturen. Die laatste mogelijkheid – die recentelijk is beperkt als reactie op Covid-19-gerelateerde desinformatie – vormt een krachtig informatief wapen. Waren groepen aanvankelijk beperkt tot 100 deelnemers, later werden dit er 256. Dat is klein genoeg om je exclusief te voelen, maar als 256 mensen een bericht doorsturen naar nog eens 256 mensen, hebben al 65.536 het ontvangen.

    Groepen ontstaan ​​voor allerlei doeleinden – een feestje, een sportevent, een gedeelde interesse – maar gaan vervolgens een eigen leven leiden. Dat kan voortkomen uit anarchistische speelsheid, aangezien iedere groep zijn eigen grappen en gewoontes heeft. In een artikel van vorig jaar uit New York Magazine, met als kop ‘Groepschats maken het internet weer leuk’, betoogde technologiecriticus Max Read dat groepen ‘een regelrechte vervanging zijn geworden voor de manier waarop we ons het afgelopen decennium sociaal organiseren: het platformgerichte, op commentaar gebaseerde sociale netwerk.’

    Het is begrijpelijk dat gebruikers alleen op hun gemak zijn als ze weten dat er niemand meekijkt – maar dat heeft ook een minder speelse kant. Als groepen worden gezien als een plek om te zeggen wat je echt denkt, waar de beperkingen van het publieke oordeel of ‘politieke correctheid’ geen rol spelen, dan volgt daaruit automatisch dat dit de plek is waar mensen veroordelingen of meer hatelijke uitingen met elkaar delen, die elders onaanvaardbaar zijn, of zelfs illegaal. Santiago Abascal, de leider van de Spaanse extreemrechtse partij Vox, heeft zich geprofileerd als iemand die bereid is te ‘verdedigen wat de Spanjaarden op WhatsApp beweren’.

    Zo verschilt een WhatsApp-groep van een andere groep waarvan de leden allemaal dezelfde dienst gebruiken, zoals een school, een woonblok of een trainingsprogramma. Negatieve solidariteit kan een rol gaan spelen, waarbij gemeenschapsgevoelens worden versterkt doordat leden zich tegen de betreffende dienst gaan keren. Groepen van dit soort beginnen doorgaans met de wens om informatie te bundelen – studenten die bijvoorbeeld contact houden over deadlines – maar kunnen snel uitmonden in een middel om de instelling waar ze samenkomen in diskrediet te brengen. Een eerste uiting van ontevredenheid kan al snel escaleren, net zolang tot de groep een identiteit heeft opgebouwd gebaseerd op wrok en vervreemding, die onmogelijk nog met tegenargumenten kan worden verdreven.

    De leider van de Spaanse extreemrechtse partij Vox heeft zich geprofileerd als iemand die bereid is te ‘verdedigen wat de Spanjaarden op WhatsApp beweren’

    Met de opkomst van nieuwe technologieën hebben officiële organisaties en verenigingen de mogelijkheid mensen op hun favoriete platform tegemoet te komen. In maart introduceerde de regering [van het VK] een op WhatsApp gebaseerde informatiedienst over Covid-19, met een geautomatiseerde chatbot. Maar deze groepen zijn niet altijd de beste manier om cruciale informatie bij mensen te krijgen. Lokale politieke organisatoren en vakbondsvertegenwoordigers merkten dat hun werkdruk ondanks de aanvankelijke efficiëntie van WhatsApp-groepen doorgaans toeneemt vanwege het groeiende aantal subgemeenschappen, die elk afzonderlijk moeten worden gecontacteerd. Scholen proberen wanhopig informatie aan ouders te verstrekken, maar ontdekken dat deze niet wordt geregistreerd, tenzij in de juiste WhatsApp-groep gedeeld. Het tijdperk van het prikbord, of het nu fysiek of digitaal is, waar informatie eenmalig wordt geplaatst voor ieder die het aangaat, is voorbij.

    De ‘broadcast list’-functie van WhatsApp, waarmee berichten kunnen worden verzonden naar meerdere ontvangers die voor elkaar onzichtbaar zijn (zoals de ‘bcc’-regel van e-mail), verlicht het probleem van groepen die een eigen leven gaan leiden enigszins. Maar ook die lijsten kunnen alleen mensen bevatten die al een contact zijn van de lijsteigenaar. Voor dergelijke instellingen is het probleem kortom dat WhatsApp vooral lijkt te worden gebruikt voor informele, privécommunicatie. Universitaire docenten zijn vaak verbijsterd door de ontdekking dat veel studenten geen e-mail lezen. Als e-mail in verval raakt, lijkt WhatsApp geen haalbaar alternatief om geverifieerde informatie zo breed en inclusief mogelijk te delen.

    Groepen zijn geweldig voor korte uitbarstingen van humor of frustratie, maar lenen zich van nature veel minder goed om de verspreiding van openbare informatie te ondersteunen. Om te begrijpen hoe dit komt, moeten we nadenken over de manier waarop individuen worden beïnvloed en meegesleept zodra ze deel gaan uitmaken van een groep.

    Faux pas

    Het internet heeft zijn eigen litanie van sociale pathologieën en bedreigingen met zich meegebracht. Trolling [iemand die berichten plaatst om emotionele reacties te veroorzaken], flaming [het plaatsen van berichten op het internet die aanvallend of beledigend zijn], doxing [het vergaren en publiceren van beledigende informatie over een individu] en pile-ons [mensen die zich massaal en vaak onrechtmatig tegen iets of iemand keren] zijn stuk voor stuk symptomen die horen bij de omgang op een enorme open ontmoetingsplek. ‘Open’ platforms als Twitter herinneren eraan dat sociale interactie gericht op een kleine en selecte gemeenschap al snel belachelijk of beschamend overkomt als ze aan een andere gemeenschap worden blootgesteld.

    Zoals iedere frequente gebruiker van WhatsApp of een gesloten Facebook-groep weet, is de morele angst die met groepen gepaard gaat weer anders. Bestaat de zorg in een open netwerk erin beoordeeld te worden door een externe waarnemer, of dat nu de baas is of een ver familielid, in een gesloten groep is dat om iets te zeggen dat indruist tegen de codes die de identiteit van de groep bepalen. Groepen kunnen snel gedomineerd worden door een bepaalde toon of een wereldbeeld dat beter niet kan worden tegengesproken en vrijwel onverwoestbaar is. Berichten die in de feed blijven hangen, wachtend op een reactie, kunnen gevoelens van faux pas opwekken.

    Dit betekent dat hoewel groepen een hoge mate van solidariteit kunnen genereren, wat in principe een krachtig politiek effect kan hebben, het ook moeilijker wordt om binnen de groep onenigheid te uiten. Als bijvoorbeeld een uitgesproken en populair lid van een WhatsApp-groep verkeerde informatie begint te verspreiden over gezondheidsrisico’s, zullen deze vanwege de algemene drang naar solidariteit waarschijnlijk met dank en instemming worden ontvangen. Als in een groep een stelling of artikel wordt gedeeld, kunnen er nog zoveel leden zijn die het beweerde in twijfel trekken, maar ze zullen het niet gauw over durven brengen. Ondertussen heeft iemand die minder kritisch is, het bericht allang doorgestuurd. Zodoende is WhatsApp een krachtige distributeur van ‘nepnieuws’ en complottheorieën.

    Net als op open sociale platforms wordt solidariteit binnen een WhatsApp-groep vooral opgebouwd door een of ander onrecht op te werpen, of een vijand die een bedreiging vormt. In het oog springende voorbeelden zijn de complottheorieën over politieke tegenstanders, bijvoorbeeld dat ze pedofiel zijn of samenspannen met buitenlandse machten. Dergelijke geruchten, die makkelijk te weerleggen zijn, gingen op verschillende platforms volop rond tijdens de succesvolle verkiezingscampagnes van Modi, Bolsonaro en Donald Trump.

    Het plotseling uitroepen van bedreigingen en onrecht in een groep verloopt vaak volgens een bepaald patroon. Het begint meestal met één deelnemer die speculeert dat de groep wordt gedupeerd of het doelwit is van een instelling of een concurrerende groep – of het nu een openbare dienst, een bedrijf of een culturele gemeenschap is. Een tweede deelnemer stemt ermee in. In deze fase wordt het voor een derde al riskant om de instelling of groep in kwestie te verdedigen, en daarmee zijn een nieuwe vijand en een nieuwe wrok in het leven geroepen. Vrijwel meteen krijgen de waarschuwingen en aanklachten die nu binnen de groep rondgaan een niveau van authenticiteit die niet kan worden weerlegd door de persoon, instelling of gemeenschap in kwestie.

    Veel groepen hebben een instinctief scepticisme ontwikkeld tegenover alles wat uit de “mainstream” komt

    Maar wat als de eerste deelnemer iets verkeerd heeft begrepen of gelezen, of een stressvolle dag heeft gehad en stoom moet afblazen? En wat als de tweede alleen maar instemt om de eerste beter te laten voelen? En wat als de andere leden te afgeleid zijn, dan wel te geremd of te moe om iets te zeggen om diens verontwaardiging tegen te gaan? Natuurlijk hoeft zo’n proces niet te leiden tot samenzweringstheorieën die rellen of brandstichtingen veroorzaken. Maar zelfs in mildere vormen maakt deze gang van zaken het verstrekken van officiële – soms levensreddende – informatie veel moeilijker dan tien jaar geleden. Informatie over openbare diensten en gezondheidsrisico’s moet in steeds grotere mate door een opeenhoping van overlappende groepen heen zien te dringen, waarvan vele bovendien een instinctief scepticisme hebben ontwikkeld tegenover alles wat uit de ‘mainstream’ komt.

    Instellingen lopen er onder andere tegen aan dat er vaak een vreemde emotionele troost zit in het gedeelde gevoel van vervreemding en passiviteit. ‘Daar zijn we nooit van op de hoogte gebracht’, ‘niemand heeft ons iets gevraagd’, ‘we worden genegeerd’. Dit zijn de heersende opvattingen van onze politieke tijdgeest. Nu nieuws en informatie steeds vaker via WhatsApp worden verspreid, dreigt er een vicieuze cirkel te ontstaan: de openbare wereld schijnt ons steeds verder weg, onpersoonlijker en onechter toe, terwijl de privégroep de plek wordt voor sympathie en authenticiteit.

    Dit is een nieuwe wending in de evolutie van het sociale internet. Sinds de jaren negentig belooft het internet connectiviteit, openheid en inclusiviteit, waarna het te maken kreeg met de onvermijdelijke bedreiging van privacy, veiligheid en identiteit. Groepen daarentegen zorgen ervoor dat mensen zich veilig en verankerd voelen, maar dragen ook bij aan de opsplitsing van het maatschappelijk middenveld in afzonderlijke, elkaar onbekende kliekjes. Dit is het resultaat van meer dan twintig jaar ideologische strijd over wat voor soort sociale ruimte het internet zou moeten zijn.

    Web 2.0

    Aan het begin van het millennium vormden de O’Reilly Emerging Technology Conferences (of ETech) een paar jaar lang dé plek waar een nieuwe digitale wereld werd vormgegeven en besproken. Deze conferenties, gelanceerd door mediaondernemer Tim O’Reilly en jaarlijks georganiseerd in Californië, trokken een mix van nerds, goeroes, ontwerpers en ondernemers die meer door nieuwsgierigheid dan vanuit commerciële overwegingen bijeen werden gedreven. In 2005 bedacht O’Reilly de term ‘web 2.0’ om een ​​nieuwe golf van websites te beschrijven die gebruikers met elkaar verbonden, in plaats van met bestaande offline instellingen. Later dat jaar werd de domeinnaam facebook.com gekocht door een 21-jarige student van Harvard en was het tijdperk van de reusachtige socialemediaplatforms aangebroken.

    Binnen deze korte periode bestonden er concurrerende ideeën over hoe een wenselijke online community eruit zou kunnen zien. De meer idealistische techgoeroes die ETech bijwoonden, drongen erop aan dat het internet een open openbare ruimte zou blijven, zij het een waarin bepaalde gemeenschappen konden clusteren voor hun eigen specifieke doeleinden, zoals het creëren van open-source softwareprojecten of het opstellen van Wikipedia-vermeldingen. Het onbenutte potentieel van internet lag volgens hen in de bevordering van de democratie. Maar voor bedrijven als Facebook bood internet de mogelijkheid om massaal gegevens over gebruikers te verzamelen, en bood het de potentie van meer toezicht. De opkomst van de gigantische platforms vanaf 2005 suggereerde dat deze laatste opvatting had gewonnen. Toch zijn we door een vreemde wending nu ineens getuige van een heropleving van anarchistische, zelforganiserende digitale groepen – die eveneens in handen zijn van Facebook. De twee concurrerende visies zijn met elkaar in botsing gekomen.

    Om te zien hoe dat zo is ontstaan, is het interessant om terug te gaan naar 2003. Tijdens de ETech-conferentie dat jaar werd een belangrijke speech gehouden door webfanaat en schrijver Clay Shirky, nu academicus aan de New York University, die zijn publiek verraste door te verklaren dat de taak om succesvolle online communities te ontwerpen vrijwel niets met technologie te maken had. De lezing, waarin Shirky terugkeek op een van de meest vruchtbare periodes in de geschiedenis van de sociale psychologie, had als titel ‘Een groep is haar eigen ergste vijand’.

    Shirky putte uit het werk van de Britse psychoanalyticus en psycholoog Wilfred Bion, die samen met Kurt Lewin een van de pioniers was van de bestudering van ‘groepsdynamiek’ in de jaren veertig. De centrale stelling van deze school was dat groepen psychologische eigenschappen bezitten die onafhankelijk van hun individuele leden bestaan. In groepen merken mensen dat ze zich gedragen op manieren waarop ze zich nooit zouden gedragen als ze in hun eentje handelden.

    Evenals door Stanley Milgrams beruchte reeks experimenten in de vroege jaren zestig om gehoorzaamheid te testen – waarbij sommige deelnemers werden overgehaald om anderen schijnbaar pijnlijke elektrische schokken toe te dienen – groeide de bezorgdheid over de groepsdynamiek halverwege de twintigste eeuw in de schaduw van de politieke verschrikkingen van de jaren dertig en jaren veertig, die ernstige vragen hadden opgeworpen over hoe een individu afstand doet van zijn moreel besef. Lewin en Bion stelden dat groepen hun eigen persoonlijkheden bezitten, die organisch ontstaan ​​door de interactie van hun leden, ongeacht welke regels ze hebben meegekregen of wat ze normaliter rationeel zouden doen.

    Met het aanbreken van de jaren zestig, het tijdperk van meer individualistische politieke verwachtingen, begon de belangstelling van psychologen voor groepen af ​​te nemen. De veronderstelling dat individuen door conformisme worden geregeerd verloor aan kracht. Toen Shirky het werk van Bion op de O’Reilly-conferentie in 2003 opbracht, was dat controversieel. Wat hij terecht opmerkte was dat, bij gebrek aan expliciete structuren of regels, veel online gemeenschappen vochten tegen de ontwrichtende dynamiek die de psychologen van de jaren veertig fascineerde.

    Shirky benadrukte in het bijzonder één gebied van Bions werk: hoe groepen spontaan hun eigenhandig vastgestelde doelen saboteren. Het mooie van vroege online communities, zoals listservs, message boards en wiki’s, was de geest van egalitarisme, humor en informaliteit. Maar deze zelfde eigenschappen werkten hen vaak tegen als het erom ging iets constructiefs gedaan te krijgen, en konden hinderlijk en ergerniswekkend worden. Als binnen de ene groep de andere groep eenmaal werd bespot of als tegenstander beschouwd, was het heel moeilijk daarvan terug te komen.

    Net als een goed ontworpen park of straat, kan een goed ontworpen online ruimte gezonde gezelligheid bevorderen

    Bion maakte zich zorgen over de duistere impulsen van de mensheid. De visie die Shirky die dag aan zijn publiek voorlegde, was optimistischer. Als de ontwerpers van online ruimtes verstorende ‘groepsdynamiek’ zouden kunnen voorkomen, betoogde hij, dan zou het mogelijk worden om samenhangende, productieve online gemeenschappen te creëren die zowel open waren als constructief. Net als een goed ontworpen park of straat, kan een goed ontworpen online ruimte gezonde gezelligheid bevorderen zonder dat er beleid, toezicht of uitsluiting van buitenstaanders aan te pas hoeft te komen. Tussen het ene uiterste van anarchistische chaos (trollen) en het andere uiterste van strikte moderatie en regulering van de gesprekken (bij wijze van autoriteitsfiguur), hield het denken in termen van groepsdynamiek voor hem de belofte in van een sociaal web dat nog grotendeels zelforganiserend was, maar ook relatief overzichtelijk.

    Maar er diende zich nog een andere oplossing aan voor hetzelfde probleem, waarvan de gevolgen de wereld zouden veranderen: de groepsdynamiek werd vervangen door de reputatiedynamiek. Als iemand online bepaalde offline kenmerken heeft, zoals een functie, een album met getagde foto’s, een lijst met vrienden en een e-mailadres, zal diegene zich gedragen op een manier die past bij deze openbare identiteitsgegevens. Voeg steeds meer toezicht toe aan de mix, zowel door collega’s als door bedrijven, en het probleem van spontane groepsdynamiek verdwijnt. Als je openbaar zichtbaar bent is het gemakkelijker om je zelfbeheersing te bewaren en gewetensvol te zijn, zelfs tegenover vrienden, familie en collega’s.

    Voor veel van de Californische pioniers op het gebied van cybercultuur, die online gemeenschappen koesterden als een ontsnapping aan de waarden en beperkingen van de kapitalistische samenleving, betekent de overwinning van Zuckerberg een regelrechte nederlaag. Het was nooit de bedoeling dat bedrijven de controle over deze ruimte zouden krijgen. In 2005 hoopte men nog dat het sociale web zou worden opgebouwd rondom democratische principes en gemeenschappen van onderaf. Facebook heeft dat hele idee opgegeven door van internet simpelweg een multimediale telefoongids te maken.

    De laatste ETech vond plaats in 2009. Minder dan tien jaar later zou Facebook ervan worden beschuldigd de liberale democratie tot het uiterste te hebben gedreven en de waarheid zelf te hebben vernietigd. Maar nu de eisen van sociale media, waarop we allemaal een profiel hebben samengesteld en een identiteit opgebouwd, steeds zwaarder op ons drukken, is de verleiding van de autonome groep weer opgedoken. In sommige opzichten is de optimistische bezorgdheid van Shirky de pessimistische bezorgdheid van vandaag geworden. Mede dankzij WhatsApp is het ongemodereerde, zelfbesturende, amorele collectief – groter dan een gesprek, kleiner dan een publiek – een dominante en ontwrichtende politieke macht geworden in onze samenleving, zoals figuren als Bion en Lewin reeds vreesden.

    Het medium is de boodschap

    Conspiracytheorieën en paranoïde groepsdynamiek kenmerkten het politieke leven al lang voordat WhatsApp bestond. Het heeft geen zin om de app de schuld te geven van het bestaan ervan, net zo min als het logisch is om Facebook de schuld te geven van de Brexit. Maar door te kijken naar de soorten gedrag en sociale structuren die technologieën mogelijk maken en uitvergroten, krijgen we een beter beeld van bepaalde eigenschappen en kwalen van de samenleving. Wat zijn de neigingen die door WhatsApp worden versterkt?

    Allereerst is er het probleem van samenzweringen in het algemeen. WhatsApp is zonder twijfel een ongeëvenaard kanaal voor het circuleren van complottheorieën, maar we moeten ook onder ogen zien dat het een uitstekend hulpmiddel lijkt te zijn voor het faciliteren van echt samenzweringsgedrag. Een van de grote problemen bij het overwegen van een samenzweringstheorie in de wereld van vandaag is dat sommige samenzweringen waar blijken te zijn: denk aan het Libor-schandaal, het afluisteren van telefoons of de inspanningen van Labour-partijfunctionarissen om de electorale vooruitzichten van Jeremy Corbyn te dwarsbomen. Dat gebeurde allemaal echt, maar iemand die erover had gespeculeerd zou totdat het tegendeel werd bewezen als een complottheoreticus zijn weggezet.

    Een communicatiemedium dat groepen van maximaal 256 mensen verbindt, zonder enige publieke zichtbaarheid en wordt gebruikt op de telefoon in je zak, is van nature zeer geschikt om geheimhouding te ondersteunen. Uiteraard telt niet elke groepschat als een ‘samenzwering’. Maar het medium maakt dat de samenleving, wie met wie geassocieerd wordt, een kwestie wordt van speculatie – iets dat een zweem van samenzwering met zich meedraagt. In die zin is WhatsApp niet alleen een kanaal voor het verspreiden van complottheorieën, maar voedt het ze bovendien. Het medium is de boodschap.

    Het volledige politieke potentieel van WhatsApp is in het VK voor zover bekend nog niet benut. Tot op heden heeft het niet gediend als effectief instrument voor politieke campagnes, deels omdat gebruikers terughoudend lijken om zich aan te sluiten bij grote groepen mensen die ze niet kennen. De invloed – al dan niet reëel – van WhatsApp-groepen binnen Westminster en de media draagt ​​ongetwijfeld bij aan het gevoel dat het openbare leven een schijnvertoning is, waarachter onzichtbare netwerken schuilgaan die de macht coördineren. WhatsApp is een soort ‘backstage’ van het openbare leven geworden, waar mensen worden geacht onder woorden te brengen wat ze echt denken en heimelijk geloven. Dit is een kenmerk dat al lange tijd complottheorieën aanwakkert, vooral antisemitische. Onzichtbare WhatsApp-groepen kunnen in die zin dienen als een soort moderne variant op vrijmetselaarslodges of de Rothschilds.

    Binnen de veiligheid van de groep wordt het mogelijk om tegelijkertijd radicaal en orthodox te zijn, zowel sceptisch als volgzaam

    Voorbij de wereld van de partijpolitiek en nieuwsmedia, ligt een samenleving in het verschiet die een aaneenschakeling is van overlappende kliekjes, elk met hun eigen overtuigingen. Groepen zullen eerder geneigd zijn anders denken en het nemen van risico’s te ontmoedigen, en deelnemers aansporen tot conformiteit, zij het vaak aan de hand van normen die vijandig staan ​​tegenover die van de ‘mainstream’, of dat nu de media, de politiek of professionele ambtenaren zijn die gewoon hun werk doen. Binnen de veiligheid van de groep wordt het mogelijk om van beide walletjes te eten, om tegelijkertijd radicaal en orthodox te zijn, zowel sceptisch als volgzaam.

    Ondanks alle voordelen die WhatsApp biedt om mensen te helpen zich dicht bij anderen te voelen, is de snelle opkomst tegelijk een zoveelste teken van hoe een gemeenschappelijke openbare wereld – gebaseerd op geverifieerde feiten en erkende procedures – uit elkaar valt. WhatsApp is goed uitgerust om communicatie in de marge van instellingen en publieke discussie te ondersteunen: afkerigen die coups beramen, ouders die roddelen over leraren, vrienden die scherpe memes delen, journalisten die geruchten verspreiden, familieleden die onofficieel medisch advies doorsturen. Een samenleving die alleen in zulke marges eerlijk spreekt, zal het moeilijker vinden om de legitimiteit van deskundigen, ambtenaren en vertegenwoordigers die per definitie in de schijnwerpers staan, te erkennen. Ondertussen worden wantrouwen, vervreemding en samenzweringstheorieën de norm, waardoor de instellingen die ons bij elkaar zouden kunnen houden, steeds verder afbrokkelen.

  • 2. Doen techbedrijven genoeg om ons te beschermen?

    2. Doen techbedrijven genoeg om ons te beschermen?

    Consumenten die het slachtoffer worden van een cyberaanval, draaien zelf op voor de gevolgen. Maar hoe zit het met de verantwoordelijkheid van de softwarefabrikant die de kwetsbare code ontwierp?

    Toen autofabrikanten auto’s met ondeugdelijke remmen afleverden, legde de staat hun boetes van vele miljoenen dollars op. Bedrijven die apparaten maken, hebben forse bedragen moeten betalen voor wettelijk verplichte schikkingen wegens de verkoop van ondeugdelijke koffiepotten. En de overheid heeft een strafrechtelijke vervolging ingesteld tegen leidinggevenden van voedselbedrijven omdat ze besmette pindakaas op de markt brachten.

    Maar de Amerikaanse software-industrie, die goed is voor vele miljarden dollars, is tot nog toe nooit civiel dan wel strafrechtelijk aansprakelijk gesteld voor ernstige – en toenemende – problemen die het resultaat zijn van een slechte code. Als het gaat om het beveiligen van computers tegen malware of virussen, het afweren van criminele hackers of simpelweg het updaten van ondeugdelijke programma’s, ligt de verantwoordelijkheid grotendeels bij de consumenten, zelfs als de ondersteunende technologie gebreken vertoont.

    Na de recente ‘ransomware-aanval’ – die over de hele wereld naar schatting ruim 300 duizend computers aantastte en data van slachtoffers versleutelde tot ze losgeld betaalden om de files vrij te geven – vragen cyberveiligheidsexperts zich af of het geen tijd wordt om softwareontwikkelaars te verplichten zich aan bepaalde richtlijnen te houden, zoals die in andere industrieën ook bestaan. Op die manier zijn we ervan verzekerd dat hun producten beveiligd zijn tegen ernstige en kostbare computeraanvallen.

    ‘Wacht maar tot dit met jouw auto gebeurt, of jouw ijskast, of jouw vliegtuigelektronica, of tot jouw door internet ondersteunde slot je buitengesloten heeft’

    ‘De oplossing ligt in regelgeving. Die moeten we nu aanpakken,’ zegt Bruce Schneier, een bekende cryptograaf en hoofd technologie bij IBM Resilient. ‘We hebben gekozen voor snel en goedkoop. Wacht maar tot dit met jouw auto gebeurt, of jouw ijskast, of jouw vliegtuigelektronica, of tot jouw door internet ondersteunde slot je buitengesloten heeft.’

    Zo is het, want hoewel de ergste veiligheidsproblemen kwaadwillende hackers de gelegenheid hebben gegeven om zakelijke en overheidssystemen lam te leggen of gevoelige persoonlijke gegevens naar buiten te brengen, kunnen cyberaanvallen binnenkort veel duurdere consequenties hebben omdat er hoe langer hoe meer software wordt gebruikt in auto’s, medische apparatuur, consumptieartikelen en andere essentiële systemen. Daarom, zeggen experts, wordt het steeds urgenter om te zorgen dat een gebrekkige code niet zo makkelijk uitgebuit of gemanipuleerd kan worden.

    Natuurlijk waarschuwen softwarebedrijven hun gebruikers als ze een kwetsbare plek ontdekken in hun producten en sturen ze een software-update rond die het gat in de beveiliging repareert. Dat deed Microsoft toen het hoorde over een ernstige zwakke plek in Windows die criminelen de mogelijkheid bood om een ransomware-aanval uit te voeren.

    WannaCry

    Of die boodschap ook alle slachtoffers van de aanval heeft bereikt is onduidelijk. Dit speciale soort ransomware – WannaCry – lijkt zich te hebben verspreid via een kwaadaardige e-mailcampagne die het virus door middel van bijlagen op de computers van de slachtoffers installeerde.

    De zwakke plek in de Windows-software waarvan WannaCry gebruikmaakte, was al eerder ontdekt door de National Security Agency (NSA), en door hen opgeslagen als mogelijk cyberwapen.

    Een hackersgroep die zichzelf de Shadow Brokers noemt, dumpte de spyware eerder dit jaar op het web. In een blogpost kapittelde Microsoft-voorzitter Brad Smith de NSA over het feit dat ze de zwakke plek hadden opgeslagen en geheim hadden gehouden. Hij vergeleek het probleem met een situatie waarin er ‘een paar Tomahawkraketten waren gestolen’ van de Amerikaanse overheid.

    Maar sommige experts zijn niet zo voor het straffen van veiligheidsdiensten die profiteren van zwakke plekken in besturingssystemen en mobiele telefoons. ‘Het is oneerlijk om de NSA eruit te pikken,’ zegt Patrick Wardle, een computerexpert die bij de NSA heeft gewerkt en nu beveiligingsonderzoeker is bij de firma Synack. ‘Waarom geven we Microsoft niet de schuld? Ze hebben een gebrekkige code ontwikkeld en toegepast. Ze zouden een deel van de schuld op zich moeten nemen.’

    © Studio Vonq
    © Studio Vonq

    In tegenstelling tot in veel andere industrieën, zoals de gezondheidszorg en de elektronische sector, worden aan softwareontwikkelaars geen juridische eisen gesteld als het op productveiligheid aankomt. In een serie artikelen uit 2013 in New Republic over het debat wie aansprakelijk is voor software, zegt Jane Chong van het Hoover Institution dat softwarebedrijven altijd aansprakelijkheidsclaims over ondeugdelijke codes hebben ontweken met een beroep op de gebruikersovereenkomst.

    ‘Softwareleveranciers schuiven met die licentieovereenkomst, die door rechters meestal als een afdwingbaar contract wordt gezien, alle risico’s van hun producten af op de gebruikers,’ schreef mevrouw Chong, docent rechten en nationale veiligheid aan het instituut.

    De keren dat gebruikers hebben geprobeerd om softwarebedrijven gerechtelijk te vervolgen wegens het lekken van data, werden de zaken vaak onontvankelijk verklaard, merkte ze op. Een gerechtshof in Californië verwierp een groepsgeding van LinkedIn-gebruikers, die aanvoerden dat het sociale-mediabedrijf slachtoffer was geworden van een serieuze hack, omdat LinkedIn zelf niet de veiligheidsmaatregelen had getroffen die gangbaar waren in de industrie. Om te zorgen dat gerechtshoven softwarebedrijven verantwoordelijk gaan houden voor nalatigheid op het gebied van cyberveiligheid, moeten er strengere federale regels komen wat betreft de kwaliteit van de code. Het vergt ook rechters die begrip hebben voor de ingewikkelde kwesties rondom de kwetsbaarheid van software en hoe die kan leiden tot cyberaanvallen.
    In dit geval waren sommige van de getroffen Microsoft Windows-systemen oude versies die niet waren geüpdatet of gecorrigeerd, zei Ross Schulman, mededirecteur van het Cybersecurity Initiative en beleidsadviseur aan het New America’s Open Technology Institute. Microsoft heeft die systemen ‘al een heel lange tijd ondersteund; ze hebben iedereen ruim op tijd gewaarschuwd dat ze daarmee zouden ophouden’.

    Verantwoordelijk gehandeld

    Volgens veel experts heeft Microsoft in deze zaak verantwoordelijk gehandeld en zijn klanten gewaarschuwd voor de zwakke plekken. In plaats van Microsoft de schuld te geven, zegt Tom Cross, hoofd technologie bij het cyberveiligheidsbedrijf OPAQ, ‘zouden toezichthouders zich moeten afvragen waarom bepaalde organisaties niet waren voorbereid, in het bijzonder als dat organisaties zijn in essentiële sectoren van de infrastructuur.’

    Experts trachten te achterhalen wie er achter de aanval zat, maar het zou voor de industrie en de overheid ook een moment kunnen zijn om nogmaals te evalueren of er een manier bestaat om softwarebedrijven aan te moedigen producten uit te rusten met een code die bij dit soort aanvallen betrouwbaarder en veerkrachtiger is, zegt Joshua Corman, directeur van het Cyber Statecraft Initiative van Atlantic Council, een denktank in Washington.

    ‘Ik denk zeker dat het een keerpunt is,’ zegt Mr Corman. ‘Het is nu veel makkelijker om te pleiten voor een bepaalde vorm van verantwoordelijkheid voor software. Ik hoop heel erg dat dit aanleiding is voor een correctieve actie.’

    Auteur: Jack Detsch

    The Christian Science Monitor
    Verenigde Staten | csmonitor.com

    Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verdergegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. Niet religieus, dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.

  • Help ons in godsnaam

    Help ons in godsnaam

    Sicilië is verworden tot een desolaat eiland zonder elektriciteit, met roedels wilde honden en lege snelwegen. Een virus heeft alle volwassenen uitgeroeid, alleen de jeugd is gespaard gebleven. Niccolò Ammaniti (1966) schreef de bestsellers Ik haal je op, ik neem je mee (300.000 exemplaren verkocht in Nederland), Ik ben niet bang (160.000 exemplaren) en Zo God het wil. Iedere dag is er een voor de Ammaniti-fans die halsreikend naar de nieuwe Anna uitkijken. Houd vol. Het duurt niet lang meer. Hier alvast een voorpublicatie.

    Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen T-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.

    De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug 
te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.

    Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed. Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.

    De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden. Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf 
met open ogen.

    Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fluisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.

    De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.

    Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man 
die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.

    Hij liep wankelend verder, alsof hij zijn beentjes niet in bedwang kon houden. Op een andere brancard, naast een poster die maande tot borstkankerpreventie en een andere met een foto van de Sint-Pauluskathedraal in Luik, lag het lijk van een bejaarde vrouw. Het kleintje liep verder onder een knetterende gele tl-lamp.

    Een jongen in nachthemd en badstof slippers lag dood in de deuropening van een langgerekte slaapzaal, een arm naar voren, de vingers samengetrokken alsof hij zich niet wilde laten opslokken door een draaikolk. Aan het eind van de gang vocht de 
duisternis tegen de lichtstralen die door de hoofdingang van het ziekenhuis naar binnen schenen.

    Het jongetje bleef staan. Links van hem de trap, de liften en de receptie. Achter de roestvrijstalen balie zag je omgevallen computerschermen op de bureaus en een glazen wand die in duizenden stukjes uiteen was gevallen. Hij liet het treintje vallen en rende naar de uitgang. Hij kneep zijn ogen dicht, strekte zijn arm uit, duwde tegen de grote deuren en 
verdween in het licht. Buiten, voorbij de grote trap, voorbij de rood-witte plastic afzetlinten, staken de zwarte silhouetten van de politieauto’s, de ambulances, de brandweerwagens af.

    Iemand schreeuwde. ‘Een jongetje. Daar loopt een jongetje…’ Een lompe figuur rende naar hem toe en verduisterde de zon. Het jongetje had nauwelijks 
tijd om te zien dat de man was ingepakt in een gele plastic overall.

    Toen werd hij vastgepakt en afgevoerd.

    Vier jaar later…

    Anna rende over de snelweg en kneep in de riempjes van de rugzak die op haar rug stuiterde. Nu en dan keek ze achterom. De honden waren er nog steeds. Keurig in een rij achter elkaar. Zes, zeven. Een paar haveloze honden waren onderweg afgehaakt, maar de grootste, voorop, kwam steeds dichterbij. Ze had ze twee uur daarvoor in de verte op een afgebrande akker tevoorschijn zien komen tussen de donkere keien en geblakerde stronken van de olijfbomen, maar ze had er verder geen aandacht aan besteed.

    Het was haar wel eerder overkomen dat ze werd 
achtervolgd door roedels wilde honden, die kwamen even achter je aan, kregen er vervolgens genoeg van en gingen dan weer hun eigen gang.

    Maar toen ze deze roedel niet meer zag had ze een zucht van verlichting geslaakt. Ze was gestopt om het water dat ze nog over had op te drinken en was verder gelopen.

    Ze vond het leuk om te tellen tijdens het lopen. Ze telde hoeveel stappen er in een kilometer gingen, ze telde de donkerblauwe auto’s en de rode, ze telde de viaducten.
    Toen waren de honden weer verschenen.

    Het waren wanhopige stakkers, stuurloos op drift in een zee van as. Ze had er al zoveel gezien, met kale plekken in hun vacht, trossen teken die aan hun oren hingen, uitstekende ribben. Ze verscheurden elkaar om de resten van een konijn. De zomerbranden hadden de vlakte verschroeid en er was bijna niets meer te eten.

    Ze liep langs een rij auto’s met ingeslagen ruiten. 
Er groeide onkruid en koren rondom de karkassen, die bedekt waren met een laag as.

    De sirocco had de vlammen tot aan de zee voortgestuwd en daarbij een woestijn achter zich gelaten. 
De strook asfalt van de A29 die Palermo verbond met Mazara del Vallo sneed een dode vlakte in tweeën waaruit zich de geblakerde rompen van de palmbomen en een paar rookpluimen verhieven. Links, voorbij de overblijfselen van Castellammare del Golfo, vermengde een stukje grijze zee zich met de lucht. Rechts dreef een rij lage, donkere heuvels op de vlakte als verre eilanden.

    De rijbaan was versperd door een gekantelde vrachtwagen. De oplegger had de middenvangrail geramd en wastafels, bidets, toiletpotten en scherven wit keramiek lagen over tientallen meters verspreid. 
Het meisje liep ertussendoor.

    Haar rechterenkel deed pijn. Ze had in Alcamo de deur van een kruidenierswinkel opengetrapt.

    En dan te bedenken dat alles voorspoedig was verlopen totdat de honden kwamen.

    T

    © Hollandse Hoogte
    © Hollandse Hoogte

    Toen ze was vertrokken was het nog donker. Ze moest steeds iets verder weg om eten te zoeken. Eerst was het makkelijk, dan ging je gewoon naar Castellammare en vond je wat je wilde, maar de branden hadden alles ingewikkeld gemaakt. Ze had drie uur lang gelopen onder een zon die klom in een bleke, onbewolkte hemel. De zomer was al een tijdje voorbij, maar de hitte wilde niet wijken. Na het vuur te hebben aangewakkerd was de wind verdwenen, alsof 
dat deel van de schepping hem niet meer interesseerde. In een kwekerij had ze naast een krater die was veroorzaakt door een ontplofte benzinepomp een grote doos vol etenswaren onder stoffige zeilen gevonden.

    In haar rugzak had ze zes blikjes Cirio-bonen, vier blikjes Graziella-gepelde tomaten, een fles Lucano Amaro, een grote tube gecondenseerde melk van Nestlé, een rol beschuiten die gebroken waren maar nog goed om op te lossen in water, en een pond vacuümverpakte pancetta. Ze had zich niet ingehouden, de pancetta had ze meteen opgegeten, in stilte gehurkt op de zakken teelaarde die lagen opgestapeld op de met muizenkeutels bedekte grond. Het was taai als leer en zo zout dat haar mond ervan brandde.

    De zwarte hond won terrein. Anna versnelde haar pas, haar hart pompte op het ritme van haar voetstappen. Ze zou het niet lang meer volhouden. 
Ze moest stoppen en het gevecht aangaan. Had ze ten minste maar een mes. Ze droeg er altijd een bij zich, maar die ochtend was ze het vergeten. Ze was vertrokken met een lege rugzak en een fles water.

    De zon stond op vier vingers van de horizon. Nog heel even en hij zou worden opgeslokt door de vlakte. De maan aan de andere kant was dun als een nagel.
    Ze keek om.

    De hond was er nog steeds. De andere hadden een voor een opgegeven, maar hij niet. In de laatste 
kilometer was hij niet dichterbij gekomen, maar zij rende en hij dribbelde.

    Misschien wachtte hij met aanvallen tot het donker was, maar dat leek haar onwaarschijnlijk, honden kunnen niet logisch nadenken. En hoe dan ook zou zij het nooit volhouden tot het donker werd. Haar enkel bonkte en haar kuit was hard van de pijn.

    Ze passeerde een groen bord. Nog vijf kilometer naar Castellammare. Om recht te blijven rennen volgde ze de onderbroken streep op het midden van de rijweg. Als ze niet doof was door haar eigen ademhaling en haar voeten die stampten op het asfalt, had ze de 
stilte gehoord. Geen zuchtje wind was er, geen vogels, geen krekels, geen cicaden.

    Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong

    Toen ze langs een auto rende, fluisterde de vermoeidheid dat ze erin moest gaan zitten, maar 
haar verstand zei dat ze dat niet moest doen. Ze kon proberen hem de beschuiten toe te werpen, of door het hek langs de snelweg te glippen, maar dat had dichte mazen en geen gaten waar je doorheen kon.

    Op de middenberm stonden oleanders die het vuur hadden overleefd, vol rode bloemen en hun takken bogen zwaar door. De zoetige geur vermengde zich met die van brand.

    De barrière was hoog.

    Maar jij bent de kangoeroe, zei ze tegen zichzelf. Op school noemde juffrouw Pini, de gymlerares, haar 
de kangoeroe omdat ze nog beter kon springen 
dan de jongens. Anna was niet blij met die bijnaam, kangoeroes hebben flaporen. Ze was liever een 
luipaard geweest, die kan ook springen maar is veel mooier.

    Ze haalde haar rugzak los en gooide die over de 
struiken. Ze nam een aanloop, zette een voet op 
de betonnen kantsteen, liep door de begroeiing 
en was op de andere rijbaan.

    Ze pakte de rugzak op en telde hijgend tot tien. 
Ze hief een vuist in de lucht en glimlachte. Ze had een mooie glimlach vol witte tanden die ze zelden toonde.
    Hinkend liep ze verder. Nu hoefde ze alleen nog 
over het hek te klimmen en dan was ze veilig.

    Aan de andere kant was een talud dat uitkwam op een weggetje dat parallel aan de snelweg liep. 
Niet het beste punt om met die gehavende enkel overheen te klimmen. Ze legde de rugzak neer en draaide zich om.

    Ze zag de hond uit de oleanderstruiken tevoorschijn springen en op haar af galopperen.

    Hij was niet zwart maar wit, zijn vacht bedekt met as, en had een afgehapt oor. Het was de grootste hond die ze ooit in haar leven had gezien.

    En als je niet in beweging komt vreet hij je op. Ze klampte zich vast aan de mazen van het hek, maar haar armen waren verlamd van angst. Ze draaide zich om en gleed op de grond.

    Het dier vloog over de laatste meters snelweg en sprong over de vangrail en de bermgoot. Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong.

    Anna hief haar elleboog op en stootte die tussen de ribben van de hond, die ineenkromp en naast haar neersmakte. Ze krabbelde overeind.

    Het beest lag languit op het gras. Een bijna menselijke verbazing gleed over zijn inktzwarte pupillen.

    Het meisje griste haar rugzak van de grond en schreeuwend sloeg ze hem daarmee. Een, twee, drie keer. Eerst op zijn kop, toen tegen zijn nek, en nog eens op zijn kop.

    De hond jankte stomverbaasd terwijl hij probeerde op te staan. Anna draaide als een kogelstoter die gaat werpen in een volmaakte cirkel om haar eigen as, maar de riem van de rugzak liet los en ze verloor haar evenwicht. Ze stak haar been uit maar de pijnlijke enkel kon haar niet houden. Ze viel.

    De twee lagen naast elkaar en staarden elkaar aan, toen kromde de hond zich grommend en stortte zich met opengesperde bek op haar.

    Anna trok haar gezonde voet op en zette haar hak in het borstbeen van de hond waardoor hij met zijn rug tegen de vangrail vloog.

    Het dier belandde op zijn zij. Hij hijgde, de lange tong gekruld onder zijn neus en zijn ogen gereduceerd tot donkere spleten.

    Terwijl de hond probeerde op te staan zocht Anna iets waarmee ze hem kon afmaken. Een steen, een stok, maar er was niets, alleen verbrand afval, plastic zakken, ingedeukte blikjes.

    ‘Wat wil je van me? Laat me met rust!’ schreeuwde 
ze tegen hem. ‘Heb ik je soms kwaad gedaan?’

    © Getty Images
    © Getty Images

    Het beest staarde haar aan met ogen vol haat terwijl hij zijn zwarte lippen optrok en zijn gelige tanden en de kwijlbellen tussen zijn kiezen toonde. Een laag, dreigend gegrom trilde in zijn borstkas.

    Het meisje maakte zich uit de voeten, slingerend naar rechts en naar links, struikelend over haar schoenveters. De oleanders, de donkere lucht, het geblakerde geraamte van een boerenhuis zonder 
dak vervaagden en verschenen opnieuw bij elke stap. Ze bleef staan en keek om.

    De hond volgde haar.

    Anna hinkte naar een donkerblauwe stationcar met een ingedeukte voorkant. Het voorportier stond wijd open en in de achterklep ontbrak het glas. Met haar laatste krachten kroop ze erin en trok ze aan het 
portier, maar dat klemde. Ze probeerde het met twee handen. Het portier knarste in de verroeste scharnieren en stuiterde tegen het geoxideerde slot. Ze probeerde het nog eens, zonder resultaat. Uiteindelijk kon ze het sluiten door de veiligheidsgordel om het handvat te binden. Ze legde haar hoofd tegen het stuur en ademde met gesloten ogen de lucht, die verzadigd was van vogeluitwerpselen, in en uit. De met as en stof bedekte ruiten maakten dat het donker was in de cabine. Op de passagiersstoel hield een skelet bedekt met witte guano haar gezelschap. De perkamentachtige resten van het donzen Moncler-jack waren versmolten met de bekleding van de stoel, en uit de scheuren in de stof staken veertjes en gele ribben. De schedel bungelde op de borst, vastgehouden door de verdroogde pezen. Aan de voeten nubuckleren laarzen met hoge hakken. Anna kroop naar de achterbank, klauterde eroverheen, strekte zich uit in de bagageruimte en keek door de glasloze achterklep. Ze had niet de moed haar hoofd naar buiten te steken, maar de hond was verdwenen.

    Ze rolde zich op naast twee leeggehaalde trolleys. 
Ze kruiste haar armen over haar borst en stak haar handen onder haar bezwete oksels. Al haar adrenaline was verbruikt en het kostte haar moeite haar ogen open te houden. Vijf minuutjes slapen zou 
voldoende zijn. Ze pakte de koffers en probeerde die in de opening van de achterklep te zetten. De ene was te klein, maar de andere kon wel blijven staan 
als ze er met haar voeten tegenaan duwde. Ze streek over haar lippen. Haar blik bleef hangen op een 
vieze bladzijde uit een schrift. Bovenaan stond in hoofdletters: HELP ONS IN GODSNAAM!

    Dat moest van de vrouw op de passagiersstoel zijn geweest. Ze zei dat ze Giovanna Improta heette, dat ze stervende was en dat ze twee kinderen had in Palermo, Ettore en Francesca, op de bovenste verdieping van Via Re Federico 36. Ze waren pas vier en 
vijf jaar en zouden omkomen van de honger als 
niemand ze ging redden. In de la van de commode 
in de gang lag vijfhonderd euro.

    Anna gooide het papier weg, liet haar hoofd rusten tegen het raampje en sloot haar ogen.

    Ze werd met een schok wakker, ondergedompeld in de duisternis en de stilte. Het duurde een paar seconden voordat ze weer wist waar ze was. Even flitste het idee door haar heen om naar buiten te gaan en 
te plassen, maar ze bedacht zich. Er was geen maan. Ze zou blind en weerloos zijn.

    Ze had een regel. Altijd een schuilplaats vinden voordat de zon onderging. Een paar keer had ze zich laten verrassen door de duisternis en had ze zich moeten verbergen in het eerste het beste huis dat ze tegenkwam.

    Dan maar liever plassen in de kofferbak en naar de achterbank kruipen. Ze knoopte haar korte broek los. Terwijl ze zich liet zakken benam een plotseling geluid, als een tak die breekt, haar de adem. Een geluid van snuffelende honden.

    Ze hield haar hand voor haar mond en viel met blote billen op de bekleding van de kofferbak, proberend niet te ademen, niet te trillen, niet eens haar tong 
te bewegen.
    De nagels van de honden krabden tegen het staal en deden de auto heen en weer schudden.

    Haar blaas ontspande zich en een natte warmte gleed langs haar bovenbenen. Het tapijt onder haar billen werd drijfnat en er was een kort moment van puur genot waarop ze haar lippen half opende.

    Ze begon te bidden. Een wanhopig verzoek om hulp dat tot niemand gericht was.

    De honden vlogen elkaar in de haren. Ze liepen om de auto heen. Hun nagels tikten op het asfalt.

    Ze stelde zich voor dat het er duizenden waren. 
De auto was omringd door een tapijt van honden 
dat reikte tot aan de zee en tot aan de bergen en dat de hele planeet omwikkelde met hondenvacht.

    Ze drukte haar handen tegen haar oren.

    Denk aan ijsjes.

    Zoet en koud als hagelstenen, in alle smaken. Uit de gekleurde bakken kon je kiezen welke je het lekkerst vond en ze gaven het in biscuithoorntjes. Ze herinnerde zich dat ze een keer bij het stalletje was van strandtent Le Sirene. Ze had haar gezicht tegen het glas van de koelvitrine gedrukt: ‘Ik wil chocola en citroen.’

    Mama had een gezicht getrokken. ‘Bah, wat vies…’

    ‘Hoezo?’

    ‘Dat zijn smaken die niet samengaan.’

    ‘Mag ik het toch hebben?’

    ‘Ja, maar dan moet je het wel helemaal opeten.’

    En zo was ze met haar hoorntje in de hand het strand op gegaan en bij de branding gaan zitten. De meeuwen liepen met die stokkepootjes van ze achter elkaar aan.
    Vóór de brand was er nog chocola te vinden. Marsen, mueslirepen, Bounty’s en chocolaatjes. Ze waren uitgedroogd, bedekt met schimmel of aangevreten door de muizen, maar soms, als je geluk had, vond je nog lekkere. Maar nooit zo lekker als ijsjes.

    Koude dingen waren samen met de Grote Mensen verdwenen.

    Ze haalde haar handen van haar oren af.

    De honden waren er niet meer.

    Het was dat moment van de dageraad waarop de nacht en de dag hetzelfde gewicht hebben en de 
dingen groter lijken dan ze zijn. Een melkwitte streep tekende het einde van de vlakte en de wind ruiste tussen de toefjes koren die door het vuur waren gespaard. Anna klauterde uit de auto en rekte zich uit. Haar enkel was stijf maar deed, na de rust, minder pijn.

    De snelweg ontrolde zich als een dropveter. Om de auto’s heen was het asfalt bedekt met pootafdrukken. Ongeveer vijftig meter verderop lag iets, op de onderbroken streep. Eerst dacht ze dat het een rugzak was, toen een deken en daarna een hoop vodden. Vervolgens stonden de vodden op en transformeerden in een hond.

    Auteur: Niccolò Ammaniti
    Vertaler: Etta Maris

    Niccolò Ammaniti (1966) is een Italiaanse schrijver. Hij maakte deel uit van de ‘giovani cannibali’, de ‘jonge kannibalen’, een schrijversgroep van relatief jonge Italiaanse auteurs die een nieuw soort literatuur schreef: ruig, gewelddadig en conventieloos.

    Anna van Niccolò Ammaniti verschijnt op 20 januari 
bij Lebowski Publishers.