Bepaalde delen van de wereld zijn naar menselijke maatstaven zeer vreemd. De diepzee bijvoorbeeld; we beginnen nog maar net te ontdekken wat zich daar bevindt.
Wij mensen willen graag dat alles om ons draait. Dieren worden met ons vergeleken en beoordeeld op hoe goed of slecht ze het doen ten opzichte van de mens. Zijn ze nuttig? Kunnen we ze opeten, berijden of hun lichamen in kleren, wapens, vervoermiddelen of huizen veranderen? Hetzelfde geldt voor onze omgeving: kunnen we er leven? Is het er prettig? Zo niet, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat dat wel zo is? Als we ons voorstellen hoe het is om er te leven gebruiken we menselijke standaarden.
Zelfs als we objectief proberen te blijven, als we het over wezens of habitats hebben die mensonvriendelijk zijn, gebruiken we nog steeds menselijke termen. Het moet herkenbaar zijn. Een walvis is twee keer zo groot als een bus of er passen er een x aantal op een voetbalveld. De diepzee is verschrikkelijk donker en koud en de waterdruk is verpletterend hoog. Het is een wezensvreemde en onherbergzame omgeving. Sciencefiction kan ons ertoe aanzetten om onze manier van denken te veranderen, onze aannames in twijfel te trekken, ons open te stellen voor een andere wereld, het vreemde te omarmen en het onbevooroordeeld te bestuderen.
Als we het woord alien horen, denken we vaak aan buitenaardse wezens. Schepsels van een andere planeet. Toch zijn bepaalde delen van de wereld naar menselijke maatstaven zeer vreemd. De aarde is voor meer dan twee derde bedekt met water, dat op veel plekken kilometers diep is. We beginnen er nog maar net achter te komen wat zich daar allemaal bevindt. Het diepste stukje oceaan is de Marianentrog in de Stille Oceaan, met een diepte van 11 kilometer. 365 meter onder het oppervlak is er geen zonlicht meer en onder de 1000 meter is er helemaal geen licht, behalve van dieren die het zelf produceren, een verschijnsel dat bioluminescentie heet. Naarmate je dieper daalt, stijgt de waterdruk enorm. Er groeien geen planten meer. Er zijn alleen nog maar dieren, helemaal tot op de bodem.
Het leven in de diepzee heeft zich aan deze omstandigheden aangepast. Organismen eten elkaar of ze leven van het bezinksel van organisch materiaal: van micro-organismen tot dode walvissen die de diepte in zinken, waar ze voedsel vormen voor een scala aan fascinerende dieren. De Osedax-worm, in het Engels ook wel de zombieworm genoemd, leeft van het vet in botten. Vanuit menselijk perspectief zitten er daar in de diepte allerlei nachtmerrieopwekkende beesten, enger nog dan geheime overheidsinstallaties, prehistorische megahaaien of buitenaardse indringers.
Op de website die voorheen bekendstond als Twitter kwam ik een meme tegen uit 2023 van iemand genaamd Victoria:
In de diepzee heb je twee soorten dieren: Moordbek: een vis van een meter lang met lichtgevende tanden die eruitziet alsof hij rechtstreeks uit de film Alien komt.
Zeeliefje: een kwalletje van drie centimeter dat zichzelf met schattige scheetjes voortstuwt. Het lacht altijd en is Gods lievelingetje.
Waarop een gebruiker genaamd gravityeyelids reageerde:
Moordbek is overigens compleet ongevaarlijk, maar als je zeeliefje zelfs maar voor een honderdste seconde aanraakt kan hij vijfhonderd mensen doden.
Dit is misschien ietwat overdreven (of niet…) maar er bevinden zich daarbeneden zeker angstaanjagende wezens, en de dieren die er het engste uitzien zijn niet per se het gevaarlijkst. Neem de diepzeehengelvis, die op 2 kilometer diepte leeft: een vis met een lantaarntje op haar kop, enorme uitstekende tanden en een kleine poliep die ooit haar man was, voordat hij letterlijk met haar vergroeide om nageslacht te verwekken. Ze is dodelijk voor andere vissen, maar niet voor al wat leeft. Onder het niveau van de diepzeehengelvissen zwemmen geen dodelijke maar schattige rare snuiters. Van alle diepzeeoctopussen leeft de Dombo-octopus op de grootste diepte, wel op tien tot dertien kilometer, en hij is zelfs een keer op 23 kilometer gesignaleerd. Deze octopussensoort heeft een andere mondvorm dan zijn verwanten; hij slokt zijn prooi volledig op zonder te bijten of te kauwen. Zijn lichaam heeft een skelet van kraakbeen waarmee hij bestand is tegen de immense waterdruk; in tegenstelling tot andere octopussen kan hij zich niet door kleine openingen wurmen. Hij beweegt zich voort met behulp van twee oorachtige vinnen (vandaar dat hij is vernoemd naar het Disney-olifantje dat zijn oren als vleugels gebruikt).
Slakdolf
De Dombo-octopus leeft op hetzelfde niveau als een ander snoezig dier, de slakdolf. Slakdolven komen voor op nog grotere diepte dan alle andere vissen die we tot nu toe in de diepzee zijn tegengekomen. Ze zijn aangetroffen op wel 8 kilometer diepte. Het zijn zachte, kikkervisachtige vissen met een gladde of bobbelige huid en een grote kop met een zuignap aan de onderkant, waarmee ze zich aan de zeebodem of een ander oppervlak kunnen hechten. Ze zijn niet zo groot, maximaal 30 centimeter. En er zijn er veel van, meer dan honderd verschillende soorten. De wetenschappers die de diepste krochten van de zee onderzoeken, ontdekken er steeds meer. Vanuit ons gezien leven al deze wezens in een donkere, koude hel met een ongelooflijk hoge waterdruk. Maar als we ze bij toeval op camera krijgen, zien ze er opgewekt uit; ze zwemmen rustig rond in een wereld die voor ons even buitenaards is als de stormen van Jupiter. Voor hen is het thuis. Ze hebben zich aangepast. Ze horen daar.
Misschien komen we ooit buitenaards leven tegen en vinden we nog meer geweldige en fascinerende soorten. Maar tot dan zijn er nog hele werelden te ontdekken op onze eigen planeet, nieuwe levensvormen, nieuwe soorten of variaties op de organismen die we eerder ontdekten. Sommige leven in omgevingen waarvan we ons nooit een voorstelling hadden gemaakt, in omstandigheden die we voorheen onleefbaar achtten: de bodem van de zee, de gebieden rondom hydrothermale bronnen. Het inspireert en stemt nederig om te bedenken hoe weinig we eigenlijk weten van wat er zich daar beneden allemaal afspeelt, en hoeveel we nog te weten kunnen komen.
Ondanks hun geringe grootte – tussen de 14 en 27 millimeter – blijken dwergzeepaardjes in Indonesië een rijk liefdesleven te leiden. ‘Grotere soorten gaan monogame verbintenissen aan, maar hebben deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar steken?’
Op een afgelegen rif bij het Indonesische eiland Sulawesi wedijveren minuscule mannelijke zeepaardjes met elkaar. Hun dagelijkse gevechten spelen zich af op een roze koraalsoort twaalf meter onder de oppervlakte van de oceaan en ik heb ze maandenlang in de gaten gehouden. Vaak was ik bij mijn duiksessies langs hun thuiskoraal zo geboeid door hun rituelen (en zo druk met het registreren van wat ik zag) dat ik vergat dat zo’n zeepaardje amper groter is dan een rijstkorrel. Hun formaat lijkt niet van belang als je ziet hoe dwergzeepaardjes elkaar proberen te wurgen.
Wie nooit heeft stilgestaan bij de relaties tussen vissen – en zeepaardjes worden beschouwd als vissen – verwacht waarschijnlijk ongevoelig gedrag en een koude emotieloze blik – vooral wanneer je de omvang van die vissen in millimeters uitdrukt. In de vele maanden dat ik het paargedrag van dwergzeepaardjes observeerde, heb ik echter gemerkt dat deze beestjes ondanks hun geringe grootte een rijk, dramatisch leven leiden dat je eerder zou verwachten in een soap dan in een wetenschappelijk artikel. Ook ga je door de gecompliceerde levens van deze minieme wezens twijfelen aan het menselijke referentiekader dat we gebruiken om na te denken over familie, verwantschap en seksualiteit.
Dwergzeepaardjes zijn nog steeds minder bekend dan hun grotere zeepaardneven en -nichten
In 1969 stuitte een onderzoeker in het Nouméa Aquarium in Nieuw-Caledonië voor het eerst op de dwergzeepaardjessoort die bekendstaat als het zeepaardje van Bargibant. Het werd niet op de koraalriffen van het eiland aangetroffen, maar op een enorme, paarse zeewaaier, de Muricella, die voor de collectie van het aquarium was meegenomen. Toen hij van dichtbij nog eens goed naar het koraal keek, ontdekte de onderzoeker een paar zeepaardjes van 25 millimeter die zich aan de oppervlakte vastklemden. Hun kleur en oppervlaktestructuur bootsten bijna volmaakt de gesloten poliepen van het koraal na, waardoor ze niet eerder waren opgemerkt.
Dwergzeepaardjes zijn nog steeds minder bekend dan hun grotere zeepaardneven en -nichten. Er zijn tot nu toe maar acht soorten ontdekt (zeven sinds het jaar 2000) waarbij de kleinste soort 14 millimeter meet en de grootste 27 millimeter. Rond 2005 begon ik hun sociale leven en voortplantingsgedrag te bestuderen voor mijn proefschrift – bepaalde aspecten van hun organisme brachten me op het idee dat ze misschien niet alleen qua omvang verschilden van hun neven en nichten. Dit was de eerste studie naar het specifieke organisme en het gedrag van dwergzeepaardjes – tot dan toe waren de soorten slechts benoemd –, en ze voerde me naar allerlei afgelegen plaatsen in de Koraaldriehoek. Tijdens dit veldwerk begon ik het ingewikkelde leven van deze minuscule vissen te begrijpen.
Zeewaaiers
Voor mijn proefschrift bestudeerde ik het dwergzeepaardje van Bargibant en nog een soort die op zeewaaiers leeft, het dwergzeepaardje van Denise, dat voor het eerst is beschreven in 2003 en kleiner en slanker is de Bargibant. Beide zijn te vinden in de wateren van de Koraaldriehoek, die een groot deel van Zuidoost-Azië omspant, en hun leefgebied strekt zich uit naar de Stille Oceaan. Al duikend op allerlei plekken ontdekte ik dat de Bargibant alleen leeft op Muricella-zeewaaiersoorten, terwijl de Denise leeft op tien verschillende soorten zeewaaiers, sommige zo groot als de voorruit van een auto. Ik ontdekte ook dat dwergzeepaardjes zich hun helevolwassen leven vastklampen aan de oppervlakte van één enkele zeewaaier.
Deze minuscule vissen leven en vermenigvuldigen zich op de oppervlakten van hun zeewaaiers. Ik was met name geïnteresseerd in hun voortplanting. Zeepaardjes staan bekend om hun monogame relaties en de manier waarop mannetjes eitjes uitbroeden in een speciaal daarvoor bedoelde buidel aan de onderkant van hun lijf. Via dagelijkse paringsrituelen kunnen vaste koppels mannetjes en vrouwtjes hun voortplantingscycli op elkaar afstemmen. Door te communiceren via hun ingewikkelde dansjes weet een vrouwtje wanneer ze een stel eitjes gereed moet hebben om gelijk op te gaan met het mannetje, dat zijn broedbuidel in gereedheid brengt. Hij bevrucht de eitjes zodra ze zijn buidel binnenkomen, en deze eigenaardigheid in hun voortplantingscyclus heeft geleid tot een ander opmerkelijk feit: doordat de eitjes de buidel van het mannetje onbevrucht binnenkomen en hij ze pas daarna bevrucht, weet hij zeker dat alle nakomelingen van hem zijn. Dit is uiterst zeldzaam in het dierenrijk. Als gevolg daarvan hebben de mannetjes langzaam maar zeker beter leren omkijken naar de ontwikkeling van hun nageslacht dan wellicht enig ander mannetje in het dierenrijk. Dit was het gedrag dat ik verwachtte te zien, maar dan op piepkleine schaal.
Hadden deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar staken?
Tot de eenentwintigste eeuw waren dwergzeepaardjes nooit het onderwerp van enig specifiek onderzoek geweest en dat had verschillende redenen: hun relatief recente ontdekking, het feit dat ze extreem moeilijk in gevangenschap te houden zijn, maar ook hun uitmuntende camouflage, hun zeldzaamheid en hun geringe grootte. Het zijn moeilijk te spotten wezentjes. Gelukkig leefden de dwergzeepaardjes die ik bestudeerde in kleine, afzonderlijke groepen aan de oppervlakte van een enkele zeewaaier, dus als ik eenmaal een groep had gevonden, kon ik ze naar believen bezoeken. Ze leiden een relatief besloten leven dankzij hun extreme camouflage, die ze in staat stelt volmaakt te versmelten met hun helder gekleurde koraalbehuizingen maar ze tot een makkelijke prooi zou maken als ze naar elders verhuisden.
Terwijl ik keek naar een groep van drie dwergzeepaardjes die een zeewaaier deelden, vroeg ik me af of er er nog meer verschillen waren tussen grotere en kleinere zeepaardjes. Ik begon na te denken over hun seksualiteit. Grotere soorten gaan vaste monogame verbintenissen aan, maar hadden deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar staken?
Honderden duiken
Tijdens honderden duiken in de weidse Koraaldriehoek legde ik ieder detail van het sociale leven en de voortplanting van groepen Denise-dwergzeepaardjes vast en ik bezocht bepaalde groepen weken- en in sommige gevallen maandenlang. Bij één zo’n duik, terwijl ik onder water zweefde op een afgelegen plek bij Sulawesi, ontdekte ik een hoogst intrigerend groepje dat zich vastklampte aan een felroze zeewaaier, een Annella, onder een overhangende rots. Het was een groepje van vier dat, zo ontdekte ik door enorme uitvergrotingen te maken van hun onderkant, bestond uit drie mannetjes en één vrouwtje.
De maanden erna verdiepte ik me steeds meer in het leven van het viertal. Vol ontzag voor de taferelen die ik aanschouwd had, trakteerde ik de lokale duikers iedere dag op verhalen over mannetjes die elkaar wurgden. Met alleen hun staart om iets vast te pakken en overwicht te tonen (door elkaar te verstikken) zijn de mannetjes behoorlijk beperkt in hun mogelijkheden om hun worstelingen uit te voeren. Als ze hun staart niet gebruiken, kunnen ze ook ‘nekworstelen’ en proberen ze elkaar om te gooien, min of meer zoals giraffes doen. Ik legde mijn waarnemingen heel precies vast, waarbij ik elk individueel dier aanduidde met een cijfercombinatie, totdat een van de duikgidsen zei dat ze genoeg had van dat formele gedoe. Ze doopte ze om tot Tom, Dick, Harry en Josephine. Plotseling was iedereen begaan met hun heftige wederwaardigheden.
Als ik nauwkeurig keek, kon ik mannetjes die hadden gebaard herkennen aan hun zwangerschapsstrepen
De groep leende zich uitstekend om te begrijpen hoe de voortplanting bij dwergzeepaardjes in z’n werk gaat. Er waren drie mannetjes en maar één vrouwtje in de groep die ik in de gaten hield, dus wanneer er een paar werd gevormd, bleven er twee mannetjes over zonder partner. Het viel niet mee deze paringen goed te bekijken: onderwaterclose-ups bleken hiervoor van essentieel belang. Het lukte me om foto’s te maken van Josephine terwijl haar lichaam zich vulde met eitjes en ook van haar verminderde omvang na de overheveling van haar vrachtje aan een van de mannetjes. Al zijn ze nog geen 2 centimeter, ze zwellen op als ballonnetjes terwijl binnenin een flink stel kleintjes groeit. Als ik nauwkeurig keek, kon ik mannetjes die hadden gebaard herkennen aan hun zwangerschapsstrepen.
Naarmate de weken verstreken merkte ik dat Josephine om de zeven dagen een stel eitjes produceerde. Dit kwam overeen met wat ik zag bij de twee grootste mannetjes, Tom en Dick, die iedere veertien dagen om de beurt zwanger werden. Als een van de mannetjes had gebaard, werd hij onmiddellijk weer zwanger en halverwege deze veertiendaagse zwangerschap baarde het andere mannetje en werd op zijn beurt weer zwanger. Kennelijk was Josephine door haar leven in zo’n kleine groep in zo’n vruchtbare biotoop in staat meer eitjes te produceren dan haar grotere neven en nichten. Op de zeewaaier voltrokken paringsrituelen en -dansen zich groepsgewijs en dankzij deze gedragingen kon Josephine haar cycli synchroniseren met die van twee mannetjes. Het derde mannetje, Harry, werd nooit zwanger. Hij was maar 1,4 centimeter lang – veel kleiner dan de andere twee. Misschien leerde hij zo de kneepjes van het vak en wachtte hij gewoon af tot een van de anderen het loodje legde en er een plek voor hem vrijkwam.
Collectieve minachting
Mijn tijd met Tom, Dick, Harry en Josephine en tientallen andere wezentjes heeft mijn kijk op het leven diep beïnvloed en mijn ideeën over schaal (en seksualiteit) doen kantelen. We zijn geneigd tot collectieve minachting voor sommige van de allerkleinste wezens op aarde. Ze worden vaak aangeduid als ongedierte en hun leven wordt als minder waardevol beschouwd dan dat van grotere, charismatischere soorten. Maar er is leven ver buiten onze menselijke kaders en zintuiglijke vermogens. Koraalriffen zitten vol met zulke kleine, goed gecamoufleerde wezens. Niet alleen zijn er grote aantallen van deze minisoorten die nog moeten worden ontdekt, maar vermoedelijk kan elk ervan bogen op z’n eigen fascinerende verhalen en gedragingen. In onze haast om soorten te bestuderen die onze aandacht en zorg verdienen, vergeten we vaak de exemplaren aan de rand van onze zintuigelijke horizon.
De tijd dat ik van dichtbij de paringsrituelen en het seksleven van zeepaardjes filmde, heeft me doen inzien hoe moeilijk en hoe noodzakelijk het is om ons ook in te leven in de kleinere bewoners van onze planeet. Op ditzelfde moment zijn minuscule mannelijke zeepaardjes, amper groter dan een rijstkorrel, op een felroze koraalrif in een verre uithoek van de Stille Oceaan, bezig elkaar te wurgen in de strijd om zwanger te worden.
Rond de Straat van Gibraltar en in de Golf van Cádiz leven al vijfduizend jaar orka’s. Omdat de unieke groep dreigt uit te sterven, komt er nu een reservaat.
Al sinds de tijd van de Feniciërs, die vijfduizend jaar geleden de Middellandse Zee bevoeren, worden orka’s beschreven als bloederige monsters. Zo deden legenden de ronde dat ze ’s zomers walvissen zijn, maar ’s winters veranderen in wolven die het vasteland onveilig maken. Tegenwoordig worden de dieren in films en boeken gretig gecast in de rol van killer whale.
Die kwalificaties gaan in elk geval niet op voor de Iberische orka, die rond de Straat van Gibraltar en in de Golf van Cádiz leeft, en waarvan nog maar vijf families over zijn. Het is een unieke populatie, genetisch geïsoleerd van andere groepen, zoals die in de Noordzee of rond de Canarische Eilanden. ‘Het toekomstbeeld voor deze ondersoort is somber,’ vertelt Renaud Stephanis, die ondanks zijn Franse voor- en achternaam een van de grootste Spaanse kenners is van deze orkapopulatie.
In tegenstelling tot hun soortgenoten bij Baja California en Patagonië eten deze orka’s geen walvissen, haaien of dolfijnen. En natuurlijk eten ze ook geen mensen. Wel delen ze met de mens een voorkeur voor de bedreigde rode tonijn. Zodra de orka’s een groep van deze prooidieren bespeuren, verdelen ze zich in groepen van zeven die op een afstand van 100 tot 150 meter van elkaar gaan zwemmen. Vanuit deze positie vormen ze een soort onzichtbaar net en achtervolgen ze de tonijnen met hoge snelheid totdat deze uitgeput zijn, precies zoals wolven dat doen met hun prooi.
In de ondiepe kustwateren bij Barbate of Cádiz duurt zo’n achtervolging meestal rond de dertig minuten. De orka’s duiken nooit in water dieper dan driehonderd meter, omdat ze niet zijn aangepast aan grotere diepten.
Aan het hoofd van elk van de vijf orkafamilies staat een vrouwtje, de matriarch. Zij is het kompas van de kudde en de andere dieren volgen haar. ‘Dankzij hun genetische zuiverheid zijn deze 59 exemplaren uniek in de wereld, maar hun genetische isolatie betekent ook dat ze ernstig worden bedreigd,’ vertelt Stephanis. Bedreigingen voor de orka’s zijn de verslechtering van hun habitat, het lawaai dat vrachtschepen en toeristen produceren onder water en seismische boringen met wetenschappelijke doeleinden. Ook hebben ze veel last van virussen, bacteriën en parasieten, die door de vervuiling van de oceaan goed gedijen. Verder kunnen ze nog allerlei andere aandoeningen oplopen, zoals de ziekte van Hodgkin, een type kanker dat het immuunsysteem aantast, evenals ernstige aderverkalking in de kransslagaderen.
‘Dat bemoeilijkt het overleven van deze prachtige zeedieren nog meer,’ waarschuwt Stephanis. Hij gaf leiding aan het onderzoek, dat uitgevoerd werd door dr. Ruth Esteban Pavo.
‘Deze dieren leven al duizenden jaren zij aan zij met de visserij’
Voor de Spaanse regering was het onderzoek aanleiding om groen licht te geven aan het een plan ter bescherming van de orka in de Straat van Gibraltar en de Golf van Cádiz. Er is een natuurreservaat aangewezen met een oppervlakte van 151.061 hectare, tussen de inham van Barbate, Conil, en Banco Majuán (een verzonken eiland in de Straat van Gibraltar).
Wat gebeurt er met visgronden binnen de aangewezen zone? Stephanis: ‘Geen probleem, vissers kunnen er gewoon doorgaan met op tonijn vissen, net zoals ze altijd hebben gedaan. Deze orka’s leven al duizenden jaren zij aan zij met de visserij.’
Het plan om de populatie te beschermen komt vijftien jaar nadat wetenschappers voor het eerst alarm sloegen. Er werken tien specialisten aan mee (zes van het ministerie van Landbouw, Visserij en Milieu en vier van de groep CIRCE, die bestaat uit wetenschappers die gespecialiseerd zijn in marien natuurbehoud. Zij legden meer dan 80.000 kilometer af en analyseerden meer dan 200.000 foto’s van rugvinnen van orka’s. De onderzoekers gebruikten satellieten om de dieren te volgen en voerden meer dan twintig biopsieën uit om genetische data en resten van toxische stoffen te extraheren.
Geen zorgen
Marien biologen maken zich zorgen over de toename van het door de scheepvaart geproduceerde lawaai onder water. Uit onderzoek blijkt dat dit bij orka’s ‘gedragsveranderingen en fysieke schade kan veroorzaken’. Zo kan het ‘vocalisaties veranderen of onderbreken, zwemroutes in de war sturen en tijdelijke of permanente verwondingen aan het gehoor toebrengen, waaraan de dieren zelfs kunnen sterven’.
Anders dan in films maken de bewoners van Conil, Zahara en Barbate zich geen zorgen over de orka’s vlak bij hun stranden. Op veel plekken worden de dieren op minder dan honderd meter van het strand gesignaleerd. Vrouwelijke dieren kunnen in elke tijd van het jaar bevallen, altijd van één jong. Voor hun overleven zijn ze sterk afhankelijk van de stand van de rode tonijn. Vier van de vijf families leven uitsluitend van deze prooidieren, die ze zo nu en dan wel eens van vissers stelen. Een vijfde familie, die door de hele Golf van Cádiz patrouilleert, heeft een gemengd dieet: naast tonijn eet deze groep ook andere vissoorten.
Omdat het risico op uitsterven nog altijd niet is geweken, heeft CIRCE genetisch materiaal verzameld van de orka’s in de Straat van Gibraltar en de Golf van Cádiz. ‘Daarmee zijn ze niet gered, maar de soort gaat dan tenminste niet helemaal verloren,’ licht Stephanis toe.
Opgericht in 1989 met de missie serieuze onderzoeksjournalistiek te bedrijven, maar slaat soms door naar de sensationele kant. Kiest geen duidelijk standpunt in het politieke spectrum, wat soms verrassende inzichten oplevert.
Nu de populaire viswateren en -soorten vrijwel zijn uitgeput, moet de industriële visserij uitwijken naar alternatieven. Zo schuimt de Chinese vloot de kusten van Zuid-Amerika af op zoek naar inktvis.
Zeemeeuwen zwenken krijsend rond de visserspier Caleta Portales in de Chileense havenstad Valparaíso, terwijl zeeleeuwen afwachtend op de golven drijven. Vissers sjorren hun boten uit het water, ontdoen hun netten van de magere vangst en sjokken naar een politieke bijeenkomst in een duistere ruimte die alleen verlicht wordt door een powerpointpresentatie. Vlakbij verkondigt een reeks witte spandoeken een uitdagende boodschap in grote rode letters: ‘NEE tegen de industriële inktvisvangst!’
Tot een jaar of twintig geleden zouden deze Chileense vissers niet geïnteresseerd zijn geweest in inktvis. Voor hen telden alleen makreel en heek. Arme gezinnen in Valparaíso aten enchilada’s met loco, een groot zeeoorachtig schelpdier, dat op elke straathoek bij een karretje werd verkocht.
Maar de zee is veranderd. Overbevissing bedreigt de eens zo overvloedige visvoorraden en de vissersgemeenschappen die daarvan afhankelijk waren. Inktvis is de nieuwste hulpbron in de oceaan die door mensen wordt geëxploiteerd – en het is ook een van de laatste.
Afgelopen zomer schatte de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties dat van de commerciële visbestanden die het bijhoudt 90 procent overbevist of geheel weggevist is, waaronder de tien commercieel meest productieve soorten. ‘We vissen steeds dieper in de oceaan, en steeds verder weg,’ zegt zeebioloog Edgardo Fuentes van de Chileense Universidad Austral. ‘Wanneer de ene soort verdwijnt, gaan we de volgende overbevissen.’
De Chileense loco, waarvan in de jaren tachtig ten behoeve van de export te veel werd gevangen, is vrijwel verdwenen. Aan het eind van de jaren negentig vingen Chileense vissers acht keer zoveel makreel als werd aanbevolen om de makreelstand op peil te houden. Over de hele wereld kwamen de makreelbestanden vanaf 2006 in een vrije val terecht. Ook bestanden van andere vissoorten zijn snel afgenomen.
De oudere vissers van Valparaíso verdienden hun brood met het vangen van heek. Deze witte vis was een belangrijke pijler onder de Chileense export, tot de bestanden van deze soort begin deze eeuw werden gedecimeerd, als gevolg van overbevissing. ‘Tegenwoordig is er nog maar heel weinig heek. Niet alle schepen varen nog uit,’ klaagt Juan Gómez, die met zijn 64 jaar grotendeels is gestopt met vissen, maar de onofficiële dichter van de kades blijft. ‘Ik ben verliefd op de zee, ik ben een visserszoon. Het is moeilijk om voor andere dingen te werken.’
Armeluisloco
Inktvis neemt nu de plaats in van de verdwijnende vissoorten. In Valparaíso zijn de kleine vissers die vanuit Caleta Portales werken voor de helft van hun inkomen afhankelijk van inktvis. En bij de karretjes worden nu enchilada’s verkocht met inktvis, die de plaatselijke bewoners loco de los pobres noemen, oftewel armeluisloco. Zelfs Corpesca, het grootste visconglomeraat van het land, richt zich nu op inktvis. Tot woede van veel Chileense vissers kreeg Corpesca door een nieuwe visserijwet in 2012 een permanent quotum voor 20 procent toebedeeld.
Visserijstatistieken zijn vaak onbetrouwbaar. In gebieden waar de visvangst is gereguleerd, geven vissers vaak te weinig vangst op, om de quota te ontduiken. Op de open oceaan telt niemand wat er gevangen wordt. En bedrijven in China, dat 18 procent van de wereldwijde wilde visvangst voor zijn rekening neemt, geven soms te hoge vangsten op, om te voldoen aan de economische groeidoelstellingen van Beijing en zo in aanmerking te komen voor subsidies.
Meer dan de helft van de vangst door de Chinese vissersvloot buiten de eigen territoriale wateren bestaat nu uit inktvis. Wat de Chinese schepen vangen, eet de wereld. De helft van alles wat Chinese vissers in internationale wateren vangen, wordt weer uitgevoerd, naar Europa, Noord-Azië, en Amerika. De FAO schat dat inktvis in 2013 ongeveer 6 procent van de wereldzeevoedselhandel vormde, terwijl dat volgens Chinese schattingen dichter bij de 9 procent ligt. De twee meest gevangen soorten inktvis stonden tussen 2003 en 2013 samen op de elfde plaats van de meest gevangen zeedieren; in 2014 was inktvis gestegen tot de op zes na meest gevangen soort.
Omdat de bestanden in de wateren ten oosten van Siberië sterk zijn afgenomen, is de Chinese vissersvloot inmiddels al opgerukt tot Patagonië. Langere reizen hebben een uitbreiding in capaciteit met zich meegebracht. ‘De volumes zijn groot in Zuid-Amerika. We hebben grote volumes nodig om geld te kunnen verdienen, want de kosten zijn hoog,’ zegt Hu Shibao, directievoorzitter van CNFC Overseas Fisheries Co, een onderdeel van het grootste Chinese staatsvisconglomeraat. De bestanden van de Argentijnse kortvininktvis zijn sterk gaan fluctueren, waardoor de plaatselijke vissers gingen klagen dat de Chinese schepen die vlak buiten hun wateren werken, de vangst voor hun neus wegkaapten.
Ondertussen heeft een deel van de Chinese vloot zijn werkterrein verlegd naar Peru en Chili, op zoek naar de vliegende jumbo-inktvis, een belangrijk exportproduct van Peru. Die smaakt minder lekker, maar Chinese verwerkers hebben een manier gevonden om het verschil te maskeren. Afgelopen maart vuurde de Argentijnse kustwacht in de eigen territoriale wateren op een Chinese vissersboot, en bracht die tot zinken.
Een halve wereld verwijderd van Valparaíso is de dynamiek van de overbevissing en inktvis het duidelijkst zichtbaar in Zhoushan, de archipel aan de oostkust van China die de thuisbasis vormt voor 70 procent van de Chinese inktvisvloot. De eilanden liggen in een gebied dat ooit werd beschouwd als een van de rijkste visgronden ter wereld, op de plek waar het modderige water van de Hangzhoubaai de Oost-Chinese Zee ontmoet, even ten zuiden van Shanghai.
‘De afname van de visstand was hier extra opvallend,’ zegt Chen Wei, onderdirecteur van de goederenbeurs in Zhoushan. ‘Doordat de vis hier is verdwenen, zijn wij de afgelopen jaren het centrum van de overzeese visvangst geworden. Dit was in het verleden een groot vissersgebied en daarom is de verwerkingsindustrie sterk ontwikkeld, en zo is Zhoushan de belangrijkste plek voor het verwerken van inktvis geworden.’
Beijing is bang dat de ineenstorting van de lokale visserij zal leiden tot banenverlies in de visverwerkende industrie in kustplaatsen als Zhoushan. Maar het antwoord van de Chinese overheid heeft de druk op de wereldwijde visbestanden alleen maar groter gemaakt. Strenge visverboden in het seizoen gaan gepaard met subsidies (voor diesel en scheepsbouw), waardoor de Chinese vissersvloot verder de internationale wateren in kan trekken. Deze subsidies hebben geleid tot een ‘ongebreidelde’ capaciteitsgroei van Chinese diepzeevisserij, zo meldde Greenpeace in een rapport uit 2016. De conclusie van het rapport is dan ook dat de Chinese industrie zich veel ‘verder heeft uitgebreid dan ze zich kan veroorloven’.
Net als de vissers van Valparaíso hadden de dorpelingen van Zhoushan vóór de jaren zeventig weinig belangstelling voor inktvis. Toen beëindigde China zijn experiment met visserijcommunes en keerden families terug naar zee, om hun brood te verdienen in de nieuwe markteconomie. De bestanden van roodbaars, krab en inktvis in de Oost-Chinese Zee gingen hard achteruit en daarom gingen de vissersfamilies van Zhoushan samenwerken, om te kunnen investeren in grotere schepen. Ze volgden de zich verplaatsende baars noordwaarts, naar de koude wateren ten oosten van Vladivostok, en daar troffen ze inktvis aan. Conflicten met Koreaanse en Japanse schepen leidden tot een van de eerste zeeakkoorden van China, waarbij overlappende economische zones in de jaren negentig werden gedemarqueerd, volgens het zeerechtverdrag van de Verenigde Naties.
Tegen die tijd stond de Japanse vliegende inktvis, die populair was in de Noord-Aziatische keuken, onder druk. De fabrikanten van Zhoushan investeerden in nog grotere schepen die nog langere reizen konden maken. Ze betaalden geld zodat hun zoons op school konden blijven en huurden boeren uit het arme binnenland in om de schepen te bemannen.
De nieuwe haven moet in 2020 een miljoen ton zeevoedsel per jaar kunnen verladen, meer dan twee keer zo veel als de regio op dit moment binnenhaalt
Naarmate de reizen duurder werden, vergrootten scheepseigenaren hun financiële armslag door samen conglomeraten te vormen als Ningtai Ocean, het grootste particuliere visserijbedrijf van China, met zestig schepen. Anderen financierden enorme transportschepen, waardoor de vissersvloot twee jaar lang weg kan blijven. Dat de Chinese schepen zo ver kunnen komen, is te danken aan een vertienvoudiging van de dieselsubsidies tussen 2006 en 2011, waarna Beijing volgens het Greenpeace-rapport deze cijfers niet langer vrijgaf.
‘Zonder die subsidies op diesel zouden de meeste vissers failliet gaan,’ zegt Wang Zhongxiao, directeur van Ningtai Ocean. ‘Vroeger waren de omstandigheden beter en waren we winstgevend zonder die subsidies; nu hebben we ze nodig.’ Het huidige Zhoushan is in de greep van de vreemde logica van de Chinese overcapaciteit: heb je ergens te veel van, bouw dan nog meer.
Dat motto manifesteert zich in de nieuwe ‘nationale haven’ van Zhoushan, die voor een bedrag van 5,6 miljard renminbi (ruim 700 miljoen euro) is aangelegd om veel grotere oceaanschepen te kunnen bedienen. Nabijgelegen verwerkingsfabrieken worden gemoderniseerd en hun capaciteit wordt vergroot. De nieuwe haven moet in 2020 een miljoen ton zeevoedsel per jaar kunnen verladen, meer dan twee keer zo veel als de regio op dit moment binnenhaalt.
De concurrentie van andere grote nieuwe havens die langs de Chinese kust zijn gepland, betekent dat de nieuwe haven van Zhoushan nog steeds bij lange na zijn doelstelling niet haalt, klaagt adjunct-directeur Lin Zhigang in het hoofdkwartier van het havenbouwbedrijf. Zijn oplossing: meer vis en inktvis uit verafgelegen zeeën binnenbrengen. ‘Iedereen moet eten, en men eet tegenwoordig steeds meer. Dus de voorraden moeten komen.’
Het geluid van vissen en andere zeedieren blijkt veel te zeggen over de gezondheid van een kustecosysteem. Hoe stiller de dieren zijn, hoe slechter het gaat.
In 2013 luisterde Katherine Indeck naar opnamen van geluiden uit een kanaal tussen de Golf van Mexico en Tampa Bay in Florida. Sommige van deze audiobestanden waren opgenomen in een periode in 2005 waarin er extreem veel algenbloei was geweest. Veel vissen, dolfijnen en zeeschildpadden hadden het niet overleefd. Andere opnamen waren gemaakt nadat het ecosysteem zich was begonnen te herstellen.
Tijdens deze periode van herstel hoorde Indeck geluiden van dieren als pistoolgarnalen, die volgens haar nog het meeste klinken als bakkend ontbijtspek in een koekenpan. Maar tijdens de algenbloei heerste op haar opnamen een griezelige stilte. Het was alsof ‘er geen levende ziel te bekennen was’, vertelt Indeck, die nu als maritiem ecoloog werkt aan de Universiteit van Queensland in Australië. ‘Op die opnamen was vrijwel geen enkel omgevingsgeluid te horen.’
In een verslag dat Indeck in 2015 van haar observaties publiceerde, beschrijft zij hoe uit een soundscape – het totaal aan geluiden van dieren, het weer, de golven en menselijke activiteiten – de gezondheid van een kustecosysteem valt op te maken. Onderzoekers hopen dat met akoestische bewaking milieuschade in de toekomst gemakkelijker en goedkoper kan worden ontdekt dan met visuele inspectie door duikers. Vissen produceren geluiden variërend van gekwaak tot geknal en snelle pulsen: veranderingen in deze geluidspatronen kunnen duiden op verschuivingen in hun aantallen, diversiteit of gedrag. Met behulp van deze data kunnen wetenschappers de effecten van menselijke activiteit op het zeeleven in beeld brengen. Zo nodig staaft dat hun argumenten, wanneer ze er bij politici en managers op aandringen om iets aan de oorzaken van deze bedreigingen te doen.
Waarschijnlijk zal deze akoestische methode visuele inspectie niet geheel overbodig maken, maar een plotseling invallende stilte kan voor wetenschappers voldoende aanleiding zijn om poolshoogte te gaan nemen. ‘Als er iets is voorgevallen en vervolgens wordt het plotseling stil, dan is dat een goede reden om ter plekke meer data te verzamelen,’ aldus Indeck.
Mensen denken vaak dat het in oceanen doodstil is, afgezien misschien van de geluiden van walvissen en dolfijnen, maar ook kleine dieren kwetteren wat af.
Monnikvissen maken bijvoorbeeld een brrp-brrp-geluid bij het openen en sluiten van hun kaken, trekkervissen wrijven hun borstvinnen tegen hun lichaam, wat klinkt als kiek-kiek-kiek en ombervissen spannen spieren rondom hun zwemblaas aan en maken daarbij een dreunend geluid. ‘Sommige vissen zijn behoorlijk luidruchtig,’ vertelt bio-akoesticus Frédéric Bertucci van het Centre de Recherches Insulaires et Observatoire de l’Environnement in Perpignan.
Voor een onderzoek waarover Bertucci en zijn collega’s vorig jaar publiceerden, onderzochten zij of akoestische metingen iets kunnen zeggen over de gezondheid van koraalriffen. Hiervoor maakten zij opnamen in vier onderwaterreservaten en vier andere, onbeschermde locaties onder water langs de kust van het Frans-Polynesische eiland Moorea. Daarnaast telden duikers de vissen, identificeerden soorten en namen de stand van het koraal op. Het bleek dat locaties met meer koraal meer lawaai produceerden. Het koor aan geluiden was overdag in gebieden met meer biodiversiteit over het algemeen gevarieerder. ‘Natuurlijk kun je het verschil horen,’ zegt Bertucci. ‘Koraalriffen waar het goed mee gaat zijn erg lawaaiig.’
Van een bos naar een veld onkruid
Andere onderzoekers wisten akoestische veranderingen te koppelen aan processen als oceaanverzuring, vervuiling en overbevissing. Eén onderzoeksgroep keek hoe de soundscapes van locaties in Italië en Nieuw-Zeeland verband hielden met de hoeveelheid opgeloste kooldioxide, en dus met verschillen in zuurgraad. Daarnaast keken ze naar gezonde zeewierbossen in Australië en naar vervuilde stukken zee niet ver daarvandaan die volledig overgenomen waren door algen.
‘Het is alsof je van een bos naar een veld onkruid gaat,’ vertelt co-auteur Tullio Rossi, een zeebioloog die nu als onafhankelijke wetenschapsjournalist werkt in Adelaide. In beide gevallen maakten pistoolgarnalen op de vervuilde plekken minder lawaai. Voor een in januari gepubliceerd onderzoek deden Franse wetenschappers eenzelfde soort analyse van kalkwiervelden, afzettingen van rode algen waarin dieren leven als zee-egels, zeesterren en mosselen. De onderzoekers merkten dat het in een kalkwierveld waarin gevist was, drie keer zo stil was als in een ongerept veld.
Dit alles geeft hoop dat met akoestische bewaking de gezondheid van kustecosystemen kan worden gecontroleerd. Nu zijn het vooral duikers die deze ecosystemen in de gaten houden, maar dit is een tijdrovende methode, die bovendien de rust van de dieren verstoort. Daar komt bij dat visuele inspectie alleen bij daglicht in helder water en maar voor korte periodes kan gebeuren. Een alternatief is dat onderzoekers onderwatermicrofoons neerzetten en maandenlang gegevens verzamelen, zelfs in donker of ondoorzichtig water. ‘Je kunt er dag en nacht mee doorgaan,’ aldus Bertucci.
Zodra de pistoolgarnalen weer van de algenbloei waren hersteld, overstemde hun onophoudelijke geplop de geluiden van de tuimelaars die ze eigenlijk wilde bestuderen
Toch werkt deze aanpak misschien niet voor alle locaties. Akoestisch ecoloog Erika Staaterman van het Smithsonian Environmental Resource Center in het Amerikaanse Maryland kwam in de problemen toen zij met haar collega’s opnames wilde maken van rif-, mangrove-, zand- en zeegrashabitats in Panama. Op veel plekken kwaakte één kikvorsvissensoort zo luid, dat de wetenschappers de andere dieren nauwelijks meer konden horen. ‘Ze overheersten gewoon de hele soundscape,’ vertelt ze. Indeck merkte iets soortgelijks toen zij haar opnamen uit Florida beluisterde. Zodra de pistoolgarnalen weer van de algenbloei waren hersteld, overstemde hun onophoudelijke geplop de geluiden van de tuimelaars die ze eigenlijk wilde bestuderen.
Maar volgens Indeck kunnen onderzoekers best locaties uitzoeken waar niet het geluid van één enkele soort alles overheerst. Nadat ze ter referentie de normale soundscape hebben leren kennen, kunnen ze daarna ongewoon stille momenten detecteren – en uitvinden hoe het komt dat het er zo stil is.
Auteur: Roberta Kwok
Vertaler: Valentijn van Dijck
Gefinancierd door de Universiteit van Minnesota. Wil door middel van onderzoek concrete oplossingen ontwikkelen. Drie onderzoeken worden jaarlijks gepubliceerd.
Er werd aan zijn verhaal getwijfeld, maar Salvador Alvarenga, een zesendertigjarige visser uit El Salvador, heeft inderdaad veertien maanden op de Grote Oceaan gedobberd. Hij at vogels en vis en dronk zijn eigen urine. De Amerikaanse auteur en journalist Jonathan Franklin schreef alles op in 438 days. Een voorpublicatie.
Keuze uit het archief
Op de oceaan ronddobberen willen we allemaal wel met deze hitte, maar liever geen veertien maanden. Dat was ook niet de bedoeling van Salvador Alvarenga, maar het overkwam hem wel en gelukkig kon hij zijn avontuur navertellen. Lees hier het verhaal van een levensechte Cast Away.
Terwijl ze op de motor door de lagune van de Marshalleilanden voeren, midden op de Grote Oceaan, keken de politieagenten naar het wezen dat voor hen op dek lag. Het leed geen twijfel dat deze man lange tijd op zee had vertoefd. Zijn haar was net een wilde bos stro, een en al klitten. Zijn woeste baard krulde alle kanten op. Hij had opgezette enkels en graatmagere polsen; hij kon nauwelijks lopen. Hij vermeed oogcontact en verborg geregeld zijn gezicht in zijn handen.
Salvador Alvarenga, een zesendertigjarige visser uit El Salvador, was veertien maanden eerder in Mexico in een klein bootje met een jongere vissersmaat de zee opgegaan. Nu werd hij van de plek waar hij was aangespoeld, op het Ebon-atol, op het zuidelijkste puntje van de Marshalleilanden, naar de dichtstbijzijnde stad gebracht. Hij bevond zich bijna elfduizend kilometer van de plek waar hij van land was gegaan.
Alvarenga had meer dan een jaar op de Grote Oceaan gedobberd en het licht van de maan zien opkomen en wegtrekken, en al die tijd had hij gevochten tegen eenzaamheid, depressies en gedachten aan zelfmoord. Maar de strijd om te overleven in een kleurrijke wereld van wilde dieren, levensechte hallucinaties en ongekende eenzaamheid had hem op geen enkele manier voorbereid op zijn status van wereldster, op de ongebreidelde nieuwsgierigheid naar zijn verhaal.
Goed einde
Dagen later stond Alvarenga de wereldpers te woord. Gekleed in een bruine slobbertrui, die zijn pezige lijf aan het oog onttrok, stapte hij van de politieboot aan wal, langzaam, maar zonder hulp. Er ging een golf van verbazing door de menigte, die een uitgemergeld en totaal verzwakt slachtoffer had verwacht. Alvarenga glimlachte even en zwaaide naar de camera’s. Verschillende mensen zagen gelijkenis met het Tom Hanks-personage in de film Cast Away. De foto van de bebaarde visser die de wal op schuifelde ging de hele wereld over. Binnen korte tijd kende vrijwel iedereen zijn naam.
Wie kan veertien maanden op zee overleven? Alleen een scenarioschrijver in Hollywood zou zo’n verhaal een goed einde kunnen geven. Ik vond het maar een vreemd verhaal, maar als verslaggever voor The Guardian zag ik me min of meer genoodzaakt me erin te verdiepen. Al snel bleek dat er tientallen mensen waren die Alvarenga hadden zien uitvaren, die zijn SOS-signaal hadden opgevangen. Toen hij duizenden kilometers verderop aanspoelde (in dezelfde boot waarin hij uit Mexico was vertrokken) wees hij elk verzoek om een interview resoluut van de hand – hij hing zelfs een briefje op de deur van zijn kamer in het ziekenhuis, waarin hij de pers smeekte hem met rust te laten.
Hij probeert zich niet druk te maken om de steeds grotere plas zeewater die om zijn enkels klotst
Later zou ik vele uren met Alvarenga doorbrengen, bij hem thuis in El Salvador, waar hij tot in details de vreselijke ontberingen beschreef van een verblijf van meer dan een jaar op zee. In de loop van meer dan veertig gesprekken schetste hij een beeld van zijn ongelooflijke overlevingstocht. Dit is zijn verhaal.
Op 18 november 2012, een dag nadat Alvarenga op zee door een zware storm is overvallen, probeert hij zich niet al te druk te maken om de steeds grotere plas zeewater die om zijn enkels klotst. Een onervaren zeeman zou misschien in paniek zijn gaan hozen en zich hebben laten afleiden van zijn voornaamste taak: zorgen dat de boot niet dwars op de golven komt te liggen. Alvarenga vaart al vele jaren en hij is zich ervan bewust dat hij het initiatief niet uit handen mag geven. Samen met zijn onervaren maat, Ezequiel Córdoba, probeert hij zo’n vijftig mijl uit de kust langzaam een weg terug te vinden.
Door het opspattende water en de overslaande golven staan er honderden liters zeewater in de boot, en het gevaar bestaat dat de boot zal zinken of kapseizen. Terwijl Alvarenga aan het roer staat is Córdoba als een bezetene bezig het water terug te scheppen in zee, waarbij hij slechts heel af en toe een paar tellen pauzeert om zijn schouderspieren wat rust te gunnen.
Alvarenga’s boot is een kleine acht meter, zo lang als twee pick-ups en zo breed als één pick-up. Zonder opbouw, zonder glas en zonder werkende verlichting is hij op open zee praktisch onzichtbaar. Aan dek staat een kist van fiberglas, ter grootte van een koelkast, vol verse vis: tonijn, goudmakreel en haai, hun vangst van de afgelopen twee dagen. Als ze die aan land weten te krijgen hebben ze genoeg geld om het een week uit te zingen.
De boot ligt vol spullen, waaronder een kleine 300 liter benzine, 60 liter water, 23 kilo sardientjes – bedoeld als aas – 700 vishaken, vele kilometers lijn, een harpoen, 3 messen, 3 hoosvaten, een mobiele telefoon (in een plastic zak om hem droog te houden), een gps-zendertje (niet waterdicht), een marifoon (met een batterij die voor de helft vol is), een paar zwengels voor de motor en 91 kilo ijs. Alvarenga heeft de boot in gereedheid gebracht samen met Ray Perez, zijn vaste maat en trouwe compagnon. Maar op het laatste moment moest Perez afzeggen. Alvarenga wil toch graag uitvaren en weet Córdoba mee te krijgen, een tweeëntwintigjarige jongen die Piñata wordt genoemd en die helemaal aan de andere kant van de lagune woont, waar hij in het dorp vooral bekendstaat als sterverdediger van het voetbalteam. Alvarenga en Córdoba hebben elkaar nog nooit gesproken, laat staan dat ze ooit samen hebben gewerkt.
Hij is ervan overtuigd dat de haaien hen zullen verslinden. Hij begint te krijsen
Gespannen manoeuvreert Alvarenga hen heel langzaam dichter naar de kust, waarbij hij als een surfer probeert de boot van de golven te laten glijden en ertussendoor te steken. Het weer verslechtert en Córdoba’s vastberadenheid begint te wankelen. Op momenten weigert hij te hozen en grijpt in plaats daarvan de reling vast, kotsend en huilend. Hij heeft ja gezegd in de hoop vijftig dollar te verdienen. Hij kan twaalf uur achtereen werken zonder ook maar een kik te geven, en hij is sterk en gezond. Maar deze bonkende, drijfnatte tocht terug naar de kust? Hij is ervan overtuigd dat hun kleine bootje aan stukken zal slaan en dat de haaien hen zullen verslinden. Hij begint te krijsen.
Geen gps, geen anker
Alvarenga blijft zitten, grijpt het roer stevig vast en is vast voornemens de storm uit te zitten – die inmiddels dusdanig is aangewakkerd dat havenmeesters langs de hele kust vissersboten geen toestemming meer geven om uit te varen. Na lange tijd ziet hij eindelijk dat het zicht wat beter wordt, dat het wolkendek wat opentrekt: hij kan kilometers ver over het water kijken. Om een uur of negen ’s ochtends ziet Alvarenga een berg opdoemen aan de horizon. Ze zitten op zo’n twee uur varen van de kust wanneer de motor begint te horten en te sputteren. Hij pakt de marifoon en roept zijn baas op. ‘Willy! Willy! Willy! De motor heeft het begeven!’
‘Rustig maar, man, geef me je coördinaten,’ antwoordt Willy, vanaf de kade in Costa Azul.
‘We hebben geen gps, hij werkt niet.’
‘Gooi een anker uit,’ instrueert Willy.
‘We hebben geen anker,’ zegt Alvarenga. Hij had wel gezien dat er geen anker aan boord was voordat ze de zee op gingen, maar hij dacht dat ze er toch niets aan zouden hebben omdat ze op diepe zee gingen vissen.
‘Oké, we komen je halen,’ antwoordt Willy.
‘Schiet een beetje op, ik hou het niet veel langer,’ roept Alvarenga. Dat zijn de laatste woorden van hem die de wal bereiken.
Terwijl de golven tegen de boot beuken gaan Alvarenga en Córdoba als team te werk. Met de ochtendzon zien ze hoe huizenhoge golven komen aanrollen en boven hun hoofd omslaan. De mannen zetten zich schrap tegen de zijkant van de open boot om hun evenwicht te bewaren.
Maar de golven zijn grillig, slaan soms halverwege om, bundelen hun krachten en tillen de mannen hoog de lucht in, alsof ze van drie hoog van het uitzicht genieten, waarna de golven hen naar beneden smakken met de snelheid van een lift waarvan plots de kabel knapt. Hun teenslippers bieden geen enkel houvast aan dek.
Alvarenga begrijpt dat hun vangst (bijna vijfhonderd kilo verse vis) de boot topzwaar en onstabiel maakt. Hij ziet geen kans om te overleggen met zijn baas en hij volgt zijn intuïtie: ze zetten alle vis overboord. Een voor een halen ze de vissen uit de koeling en slingeren de karkassen zo ver mogelijk weg. Het is nu nog gevaarlijker om overboord te vallen: de bloederige vissen trekken natuurlijk haaien aan.
Vervolgens gaan het ijs en de benzinevoorraad overboord. Alvarenga zet vijftig drijvers overboord bij wijze van geïmproviseerd ‘zeeanker’, dat op het water blijft liggen en zo voor enige weerstand en stabiliteit zorgt. Maar om een uur of tien ’s ochtends begeeft de marifoon het. Dat is nog voor het middaguur van de eerste dag van de storm die vermoedelijk zo’n vijf dagen zal aanhouden, weet Alvarenga. Dat de gps is uitgevallen, is erg vervelend. Dat de motor het niet meer doet is rampzalig. Zonder radiocontact zijn ze volledig op zichzelf aangewezen.
De storm smakt de mannen keer op keer van de ene kant van de boot naar de andere terwijl ze proberen het water uit de boot te hozen. Met steeds dezelfde spieren, steeds dezelfde beweging, uur na uur, weten ze misschien de helft van het water te lozen. Ze zijn de uitputting nabij, maar Alvarenga is ook razend. Uitzinnig van woede pakt hij de zware stok die normaal gesproken wordt gebruikt om vis te doden, en slaat op de kapotte motor in. Dan pakt hij de marifoon en de gps en gooit die van kwaadheid allebei overboord.
Sterren als houvast
De zon gaat onder en de storm blijft razen terwijl Córdoba en Alvarenga bevangen worden door de kou. Ze keren de ijskist ondersteboven en kruipen eronder. Ze zijn doorweekt en kunnen de vingers van hun koude handen nauwelijks meer krommen. Ze kruipen dicht tegen elkaar aan en slaan de benen om elkaar heen. Maar door het overslaande water komt de boot steeds dieper te liggen en om beurten verlaten de mannen de ijskist om een kwartier lang als een dolle te hozen. Het schiet niet echt op maar heel langzaam neemt de plas aan hun voeten iets af.
De duisternis maakt hun wereld kleiner en kleiner en een stormachtige, aflandige wind drijft de mannen steeds verder naar open zee. Zijn ze nu weer op de plek waar ze een dag eerder hebben gevist? Drijven ze in noordelijke richting naar Acapulco, of in zuidelijke richting naar Panama? Met enkel de sterren als houvast zijn ze niet langer in staat op de vertrouwde manieren afstanden te schatten.
Omdat ze geen aas en geen vishaken hebben, bedenkt Alvarenga een wel heel gewaagde manier om vis te vangen. Hij gaat over het gangboord van de boot hangen, speurt het wateroppervlak af naar haaien, en steekt dan zijn armen tot aan de schouders in het water. Met zijn borstkas stevig tegen het gangboord gedrukt houdt hij zijn handen heel stil, een centimeter of tien van elkaar. Als er een vis tussendoor zwemt slaat hij zijn handen tegen elkaar, drukt zijn nagels diep in de schubben. De meeste vissen weten te ontkomen maar Alvarenga wordt er steeds beter in en hij pakt de vissen en slingert ze in de boot terwijl hij uit de buurt probeert te blijven van hun tanden. Met het vissersmes maakt hij de vissen behendig schoon en snijdt ze in duimbrede repen die ze in de zon te drogen leggen. Ze eten de ene vis na de andere. Alvarenga propt zijn mond vol met rauwe vis en gedroogde vis. Hij merkt het verschil nauwelijks, en het interesseert hem ook niet echt. Als ze geluk hebben kunnen ze waterschildpadden vangen of de vliegende vis eten die sporadisch in de boot belandt.
Binnen enkele dagen gaat Alvarenga ertoe over zijn urine te drinken en hij spoort Córdoba aan zijn voorbeeld te volgen. Het is een beetje zout maar niet eens zo heel erg vies. Hij drinkt, plast, drinkt dat weer op en plast het weer uit, in een cyclus waardoor hij meent tenminste nog een beetje vocht binnen te krijgen. Maar in feite drogen ze er juist sterker door uit. Alvarenga was al veel langer op de hoogte van de gevaren van het drinken van zeewater. Hoe zeer ze ook smachten naar vocht, ze weten de verleiding te weerstaan om zelfs maar een paar slokken te nemen van de eindeloze hoeveelheden water om hen heen.
‘Ik had zo’n honger dat ik mijn eigen nagels opat, dat ik alle flintertjes doorslikte,’ vertelt Alvarenga me. Hij gaat ertoe over kwallen uit het water te halen. Hij schept ze met zijn handen uit zee en slikt ze in een keer door. ‘Ik voelde het branden boven in mijn slokdarm, maar uiteindelijk viel het nog best mee.’
Na ongeveer veertien dagen op zee ligt Alvarenga te rusten in de koelbox wanneer hij een geluid hoort. Plons, plons, plons. Het ritme van regendruppels op het deksel van de koelbox is onmiskenbaar. ‘Piñata! Piñata! Piñata!’ schreeuwt Alvarenga terwijl hij uit de koelbox kruipt. Zijn maat wordt wakker en helpt hem. De twee mannen scharrelen rond op het dek om het regenwateropvangsysteem in gereedheid te brengen waar Alvarenga in gedachten al twee weken aan werkt. Córdoba boent een grote grijze emmer schoon en zet hem met de opening naar boven aan dek. Boven hun hoofd pakken donkere wolken zich samen en na dagen urine en schildpaddenbloed te hebben gedronken en bijna te zijn omgekomen van de dorst, breekt de hemel open. De mannen zitten met open mond in de regen, rukken de kleren van hun lijf en nemen een douche in een goddelijke stortvloed van zoet water. Binnen een uur staat er drie centimeter water in de emmer, dan vijf centimeter. Lachend drinken de mannen om de paar minuten uit de emmer.
Maar nadat ze zich eerst te buiten gaan aan de watervoorraad nemen ze zich heilig voor het water strikt te rantsoeneren.
Na weken op zee zijn Alvarenga en Córdoba bedreven jagers die hebben geleerd onderscheid te maken tussen de verschillende soorten plastic die in het water drijven. Ze verzamelen alle lege waterflessen die ze maar kunnen vinden. Als er een volle, groene vuilniszak in hun buurt dobbert, grissen de mannen hem uit het water, trekken hem aan boord en scheuren het plastic open. In de zak zit een stuk uitgekauwde kauwgom. Ze delen het stuk, ter grootte van een amandel, en geven zich over aan een ongekende smaaksensatie. Onder een laag vettige, zompige troep treffen ze diverse schatten aan: een halve kool, een paar wortelen en een kwart liter melk – bijna bedorven, maar toch drinken ze het op. Het is het eerste verse voedsel in lange tijd. Eerbiedig eten ze de slappe wortelen.
Nu ze voor enkele dagen eten hebben gehamsterd, en al helemaal nadat ze een schildpad hebben gevangen en opgegeten, vinden Córdoba en Alvarenga enige tijd vertroosting in het schitterende landschap. ‘We praatten over onze moeders,’ zegt Alvarenga. ‘Hoe wij ons hadden misdragen. We baden God om vergiffenis dat we zulke slechte zoons waren geweest. We stelden ons voor dat we ze in onze armen konden sluiten, ze een kus konden geven. We beloofden harder te werken zodat zij niet meer zouden hoeven werken. Maar het was te laat.’
Na twee maanden op zee is Alvarenga eraan gewend geraakt om vogels en schildpadden te vangen en te eten, maar met Córdoba gaat het langzaam bergafwaarts, zowel geestelijk als lichamelijk. Ze zitten op dezelfde boot maar volgen elk een andere koers.
Córdoba is ziek geworden na het eten van rauwe zeevogels en heeft een drastisch besluit genomen: hij weigert nog te eten. Hij pakt met twee handen een waterfles vast maar hij heeft nauwelijks nog de energie en de levenslust om hem aan zijn lippen te zetten. Alvarenga biedt hem kleine stukjes vogelvlees aan en zo nu en dan een stukje schilpaddenvlees. Córdoba houdt zijn lippen stijf op elkaar. De depressie zet zijn lichaam op slot.
De twee mannen sluiten een pact. Als Córdoba het overleeft gaat hij naar El Salvador om de vader en moeder van Alvarenga op te zoeken. Als Alvarenga er levend uitkomt gaat hij terug naar Chiapas om op zoek te gaan naar Córdoba’s godsvruchtige moeder die met een evangelist is getrouwd. ‘Hij heeft me gevraagd zijn moeder te vertellen hoe erg hij het vond dat hij geen afscheid van haar kon nemen en dat ze geen tamales meer voor hem hoeft te maken – hij zei dat ze hem moest loslaten, dat hij weldra bij God zou zijn,’ vertelt Alvarenga.
Om het verlies van zijn maat aan te kunnen, doet Alvarenga domweg alsof het niet gebeurt. “Hoe voel je je nu?” vraagt hij aan het lichaam
‘Ik ga dood, ik ga dood, het duurt nu niet lang meer,’ zegt Córdoba op een ochtend.
‘Denk daar nou maar niet aan. Laten we gaan slapen,’ antwoordt Alvarenga, die naast Córdoba ligt.
‘Ik ben moe, ik wil water,’ kermt Córdoba. Zijn ademhaling is onregelmatig. Alvarenga pakt de waterfles en giet wat in Córdoba’s mond, maar die slikt het niet door. In plaats daarvan gaat hij languit liggen. Zijn lichaam begint te stuiptrekken. Hij kreunt en zijn lichaam verstijft. Ineens raakt Alvarenga in paniek. ‘Laat me niet alleen!’ schreeuwt hij Córdoba in zijn gezicht. ‘Je moet knokken om in leven te blijven. Wat moet ik doen als ik hier alleen achterblijf?’
Om het verlies van zijn maat aan te kunnen, doet Alvarenga domweg alsof het niet gebeurt. ‘Hoe voel je je nu?’ vraagt hij aan het lichaam.
Córdoba geeft geen antwoord. Enkele tellen later sterft hij, met zijn ogen open.
‘Ik zette hem overeind om te zorgen dat hij niet in het water viel. Ik was bang dat een golf hem overboord zou spoelen,’ vertelt Alvarenga. ‘Ik heb uren zitten huilen.’
De volgende ochtend kijkt hij strak naar Córdoba, in de punt van de boot. Hij vraagt aan het lijk: ‘Hoe voel je je? Heb je goed geslapen?’
‘Prima, en jij? Heb je al ontbeten?’ geeft Alvarenga hardop antwoord op zijn eigen vragen, alsof hij Córdoba is die uit het hiernamaals tot hem spreekt. De makkelijkste manier om het verlies te verwerken van zijn enige gezelschap is domweg te doen alsof hij nog in leven is.
Zes dagen na Córdoba’s dood is Alvarenga tijdens een maanloze nacht diep in gesprek met het lijk. Maar dan, alsof hij ontwaakt uit een droom, komt hij ineens met een schok tot de ontdekking dat hij met een dode praat. ‘Ik heb eerst zijn voeten gewassen. Zijn kleren kon ik nog gebruiken, dus ik heb hem zijn korte broek en zijn trui uitgetrokken. De trui heb ik zelf aangetrokken – de trui was rood, met kleine doodshoofdjes en gekruiste beenderen – en toen heb ik hem overboord gezet. Op het moment dat ik hem in het water liet glijden heb ik het bewustzijn verloren.’
Gekmakende schepenparade
Wanneer Alvarenga enkele minuten later weer bijkomt, is hij als de dood. ‘Wat moest ik in mijn eentje beginnen? Zonder iemand om mee te praten?’ zegt hij tegen me. ‘Waarom was híj overleden en niet ik? Ik had hem gevraagd om mee te gaan vissen. Ik voelde me verantwoordelijk voor zijn dood. Maar zijn wil om te leven en zijn angst voor zelfmoord (zijn moeder had hem op het hart gedrukt dat mensen die zelfmoord plegen nooit in de hemel komen) zorgen ervoor dat hij blijft zoeken naar oplossingen en dat hij de horizon blijft afspeuren naar schepen. Zonsopgang en zonsondergang zijn de beste momenten, wanneer wazige vormen aan de horizon scherp afgetekende vormen aannemen en de zon nog draaglijk is. Als zijn ogen zijn scherpgesteld kan Alvarenga zien dat een stipje aan de horizon een schip is. Als het schip dichterbij komt kan hij vaststellen wat voor soort schip het is – meestal een trans-Atlantisch containerschip – terwijl het voorbijkruipt. De zeeschepen, die op het oog moeiteloos het wateroppervlak doorsnijden, zonder zichtbare bemanning of bovendekse activiteit, doen haast denken aan drones boven zee. Elke keer als hij een schip ziet voelt Alvarenga de adrenaline door zijn aderen jagen en springt hij uren lang op en neer op het dek, driftig met zijn armen zwaaiend. Zo’n twintig verschillende containerschepen varen hem voorbij, maar de gekmakende schepenparade blijft hem keer op keer van hoop vervullen. Stormen beuken in op zijn bootje, maar naarmate hij verder op open zee komt lijken de stormen minder lang te duren en beter te hanteren.
Alvarenga laat zijn fantasie de vrije loop teneinde zijn verstand niet te verliezen. Hij fantaseert een alternatieve werkelijkheid bij elkaar die zo levensecht is dat hij later in alle oprechtheid zal zeggen dat hij lekkerder heeft gegeten dan ooit en de beste seks van zijn leven heeft gehad. Hij raakt er steeds bedrevener in zijn eenzame bestaan om te toveren in een fantasiewereld. Hij begint zijn ochtenden met een lange wandeling. ‘Ik liep heen en weer op de boot en stelde me voor dat ik over de wereld doolde. Op die manier kon ik mezelf wijsmaken dat ik tenminste ergens mee bezig was. Anders zou ik daar maar zitten en aan de dood denken.’ Met een bonte stoet van familieleden, vrienden en geliefden weet Alvarenga de barre realiteit op afstand te houden.
Als kleine jongen had hij van zijn opa geleerd hoe hij met behulp van de maanstanden de tijd kon bijhouden. Moederziel alleen op open zee weet hij precies hoeveel maanden hij al ronddobberde; hij weet dat hij vijftien maancycli heeft meegemaakt terwijl hij door onbekend gebied dwaalt. Hij is ervan overtuigd dat hierna de hemel zal volgen.
Hij wordt meegevoerd op een stroming wanneer hij plotseling landvogels aan de hemel ziet verschijnen. Alvarenga blijft maar naar de lucht staren. Hij krijgt kramp in zijn nek. Uit de mist doemt een tropisch eiland op. Een lieflijk groene atol, een heuvel midden in een caleidoscoop van turkooizen wateren. Hallucinaties duren nooit zo lang. Zijn Alvarenga’s gebeden eindelijk verhoord? Koortsachtig gaat hij allerlei doemscenario’s af. De wind zou hem uit koers kunnen brengen. Hij zou terug kunnen drijven – dat zou niet voor het eerst zijn. Hij kijkt strak naar het land terwijl hij probeert allerlei details van de kustlijn te onderscheiden. Het is een klein eiland, niet veel groter dan een voetbalveld, schat hij. Het ziet er onherbergzaam uit, geen wegen, geen auto’s en geen huizen.
Met zijn mes snijdt hij de verweerde lijn met drijvers los. Het is een ingrijpend besluit. Op open zee, zonder drijfanker, kan hij gemakkelijk omslaan, zelfs in een lichte storm. Maar Alvarenga ziet heel duidelijk de kustlijn en hij gokt dat snelheid nu belangrijker is dan stabiliteit.
Binnen een uur is hij naar het strandje gedreven. Op tien meter van de kust duikt Alvarenga het water in en zwemt ‘als een waterschildpad’, totdat een grote golf hem optilt en hem ver op het strand smijt, als een stuk wrakhout. De golf rolt terug en Alvarenga ligt met zijn gezicht in het zand. ‘Ik graaide in het zand alsof het een kostbare schat was,’ zal hij me later vertellen.
Naakt kruipt de uitgehongerde visser over een tapijt van vochtige palmbladeren, scherpe stukken kokosnoot en geurige bloemen. Hij kan niet langer dan een paar tellen blijven staan. ‘Ik was volkomen uitgeteld en uitgemergeld,’ zegt hij. ‘Ik was niet meer dan een maag en ingewanden, met botten, en daaromheen een huid. Mijn armen waren vel over been. Mijn benen waren graatmager en niet om aan te zien.’
Alvarenga weet het zelf niet, maar hij is aangespoeld op Tile Islet, een eilandje dat deel uitmaakt van het Ebon-atol, op het zuidelijke puntje van de 1156 eilanden die samen de Republiek van de Marshalleilanden vormen, een van de meest afgelegen plekken op aarde. Een boot die vanaf Ebon op zoek gaat naar land moet ofwel vierduizend zeemijl in noordoostelijke richting varen om bij Alaska te komen of tweeënhalfduizend zeemijl in zuidwestelijke richting naar Brisbane, in Australië. Als Alvarenga Ebon had gemist, had hij ergens ten noorden van Australië rondgedobberd om misschien uiteindelijk in Papoea-Nieuw-Guinea aan land te komen – al is het waarschijnlijker dat hij nog drieduizend zeemijl door zou zijn gedobberd richting de oostkust van de Filipijnen.
Strompelend baant hij zich een weg door het struikgewas en staat dan ineens voor een klein kanaaltje dat van het strandhuis komt van Emi Libokmeto en haar man Russel Laikidrik. ‘Ik kijk op en zie daar een blanke man staan,’ zegt Emi, die op het eiland kokosnoten van hun bolster ontdoet en droogt. ‘Hij schreeuwt. Hij ziet er uitgehongerd en verzwakt uit. Mijn eerste gedachte was: hij is hiernaartoe komen zwemmen, hij is vast van een schip gevallen.’
Nadat ze elkaar heel behoedzaam zijn genaderd, vragen Emi en Russel hem binnen. Alvarenga tekent een boot, een man en een kustlijn. Dan geeft hij het op. Hoe kan hij met een stokje in het zand een reis van zevenduizend mijl over zee uitbeelden? Zijn ongeduld speelt op. Hij vraagt om medicijnen. Hij vraagt om een arts. Het stel glimlacht en schudt vriendelijk het hoofd. ‘Hoewel we elkaar niet verstonden, begon ik aan een stuk door te praten,’ vertelt Alvarenga me. ‘Ik praatte maar en praatte, en we gierden het alle drie uit van het lachen. Ik weet niet precies waarom zij lachten. Ik lachte omdat ik was gered.’
Na een ochtend voor de drenkeling te hebben gezorgd en hem eten te hebben gegeven, vaart Russel over een lagune naar de hoofdstad, tevens havenstad, van het eiland Ebon, waar hij de burgemeester om hulp vraagt. Binnen enkele uren is er een heel team gevormd, compleet met politie en een verpleegster, om Alvarenga te redden. Men moet hem overhalen om met een boot mee terug te gaan naar Ebon. Terwijl men de verwilderde man een beetje probeert op te lappen en hem details over zijn reis probeert te ontfutselen, tipt een antropoloog uit Noorwegen die tijdelijk op het eiland verblijft, de Marshall Islands Journal.
Verslaggevers uit Hawaï, Los Angeles en Australië haasten zich naar het eiland om de vermeende schipbreukeling te interviewen. Verslaggevers proberen alle tot de verbeelding sprekende details te achterhalen en er wordt gevochten om de enige telefoonlijn die het eiland rijk is. Alvarenga’s verhaal bevat voldoende controleerbare gegevens om het geloofwaardig te maken: de aanvankelijke melding van een vermissing, de zoekactie, de afgelegde reis die overeenkomt met de oceaanstromingen, en het feit dat hij uitzonderlijk verzwakt is.
Maar op internet en in redactiekamers over de hele wereld brandt de discussie los: is dit de meest opmerkelijke overlever sinds Ernest Shackleton, of de grootste bedrieger sinds de Hitler-dagboeken? Overheidsinstanties weten Alvarenga’s baas op te sporen, die kan bevestigen dat het registratienummer van de boot waarin hij is aangespoeld overeenkomt met het nummer van de boot die op 17 november 2012 is uitgevaren om nooit meer terug te keren. _Guardian_-verslaggever Jo Tuckman interviewt Jaime Marroquín, hoofd van een opsporingsteam, die uitvoerig vertelt over de vertwijfelde zoektocht naar Alvarenga en Córdoba. ‘Het stormde verschrikkelijk,’ zegt Marroquín. ‘Na twee dagen moesten we opsporingsvluchten stopzetten omdat het zicht zo slecht was.’
Ik ga op onderzoek uit, praat met mensen her en der aan de kust van Mexico. Ik bestudeer medische rapporten, kaarten, praat met mensen die zijn gespecialiseerd in overlevingstechnieken – zowel mensen van de Amerikaanse kustwacht als de zogeheten Navy SEAL’s – en met Ivan MacFadyen en Jason Lewis, twee avonturiers die dat deel van de Grote Oceaan zijn overgestoken. Ik heb gesproken met oceanografen en vissers die bekend zijn in het gebied. Ze zeggen allemaal dat Alvarenga’s verslag van het leven op zee overeenkomt met wat zij zouden verwachten. Toen hij op de Marshalleilanden in het ziekenhuis werd opgenomen, is hij gebriefd door medewerkers van de Amerikaanse ambassade die zeggen te hebben geconstateerd dat Alvarenga’s zeer gehavende lichaam onder de littekens zat. ‘Hij heeft heel lang op zee vertoefd,’ zegt de ambassadeur van de Verenigde Staten.
Ondertussen gaat op de Marshalleilanden Alvarenga’s gezondheid steeds meer achteruit. Zijn benen en voeten zijn opgezet. De artsen vermoeden dat het weefsel zo lang met een watertekort heeft gekampt dat het nu alle vocht vasthoudt. Maar na elf dagen zijn de artsen van mening dat Alvarenga’s lichamelijke conditie stabiel genoeg is om naar El Salvador te reizen, waar hij herenigd zal worden met zijn gezin.
Er wordt vastgesteld dat hij aan bloedarmoede lijdt en de doktoren vermoeden dat zijn lever is geïnfecteerd met parasieten door zijn dieet van rauwe schildpad en rauwe vogels. Alvarenga is ervan overtuigd dat de parasieten naar zijn hoofd kunnen stijgen en zijn hersenen kunnen aantasten. Hij kan niet goed slapen en hij moet veel aan de dood van Córdoba denken. Het is een heel ander verhaal om in je eentje te moeten vieren dat je het hebt overleefd. Zodra hij voldoende is aangesterkt reist hij naar Mexico om zijn belofte in te lossen en de boodschap over te brengen aan Anna Rosa, de moeder van Córdoba. Hij blijft twee uur bij haar en beantwoordt al haar vragen.
Het leven aan wal is niet eenvoudig: Alvarenga is maanden in shock geweest. Hij heeft een diepe angst ontwikkeld, niet alleen voor de zee, maar ook voor alleen al de aanblik van water. Hij slaapt met het licht aan en hij kan niet alleen zijn. Niet lang nadat hij aan land is gekomen neemt hij een jurist in de arm om de mediaverzoeken af te handelen die hem van over de hele wereld bereiken. Later besluit hij zich door iemand anders te laten vertegenwoordigen, en de eerdere jurist dient een claim in van enkele miljoenen wegens contractbreuk.
Pas een jaar later, als de mist in zijn hoofd enigszins is opgetrokken en hij op de kaart zijn tocht over de Grote Oceaan probeert na te trekken, dringt enigszins tot Alvarenga door wat een onvoorstelbare reis hij heeft gemaakt. Hij heeft 438 dagen op de rand van de waanzin gebalanceerd. ‘Ik had te kampen met honger en dorst en een ongekende eenzaamheid, maar toch heb ik niet de hand aan mezelf geslagen,’ zegt Alvarenga. ‘Je leeft maar één keer – dus je moet er het beste van zien te maken.’
Het boek 438 days van Jonathan Franklin wordt uitgegeven door Atria books, een imprint van Simon & Schuster, New York.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.