Tag: vleesvervangers

  • Lucia Reisch: ‘Beleidsmakers moeten nudgen in de richting van plantaardig voedsel’

    Lucia Reisch: ‘Beleidsmakers moeten nudgen in de richting van plantaardig voedsel’

    Om de uitputting van de aarde te voorkomen en de klimaatverandering af te remmen, moeten we minder vlees en meer plantaardig voedsel eten. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de gastronomische sector en de beleidsmakers, betoogt Lucia Reisch.

    De catastrofale gevolgen van de klimaatverandering dienen zich al aan: Europa wordt door dodelijke hittegolven geteisterd en de poolkappen smelten, de aangroei van het zee-ijs heeft op Antarctica een historisch dieptepunt bereikt. Is er ook iets wat wij daar persoonlijk aan kunnen doen? Het antwoord is driewerf ja. Vooral wat we eten maakt heel veel uit. De leus ‘koeien zijn de nieuwe steenkool’ klinkt misschien overtrokken, maar is in wezen waar. Bijna een derde van alle uitstoot van broeikasgassen is afkomstig van voedselsystemen, en alleen al rundvlees is verantwoordelijk voor een kwart van de uitstoot van de veehouderij en voedselproductie.

    Bovendien worden de voetafdruk van dierlijk voedsel en de daaruit voortvloeiende kosten om de uitstoot terug te dringen niet weerspiegeld in de prijs. Onderzoek toont aan dat mens en planeet baat zouden hebben bij een overstap op plantaardige voeding of op minder milieuvervuilend dierlijk voedsel zoals kip of vis. In een gezamenlijk rapport van onder meer de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, de Wereldgezondheidsorganisatie en UNICEF werd onlangs gesteld dat voor een duurzaam en gezond voedingspatroon de voedselsystemen grondig op de schop moeten – en snel. Ook het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) heeft aangetoond dat vergroening van de voedselsystemen een grote bijdrage kan leveren aan de strijd tegen de opwarming van de aarde.

    Je kunt de voedselkeuze van mensen beïnvloeden door duurzame maaltijden aantrekkelijker en toegankelijker te maken

    In de gedragswetenschap is onderzocht op welke manieren mensen op alle punten in de keten beïnvloed kunnen worden in de keuzes die ze maken: van boeren die moeten besluiten wat ze gaan verbouwen tot detailhandelaren die kunnen overschakelen op de verkoop van duurzamer voedsel en consumenten die eten bestellen in een restaurant. In de VS zit vooral bij die laatste doelgroep veel potentieel, aangezien Amerikanen gemiddeld zes keer per week buiten de deur eten.

    Het is aangetoond dat je de voedselkeuze van mensen kunt beïnvloeden door duurzame maaltijden aantrekkelijker en toegankelijker te maken, bijvoorbeeld door plantaardige opties prominenter en in ruimere mate aan te bieden. Deze vorm van beïnvloeding stuit ook op betrekkelijk weinig weerstand, terwijl regels en verboden doorgaans betuttelend worden gevonden en een heffing op specifieke producten als vlees en suiker nadelig uitpakt voor de armen.

    Nudging

    Het zou dus een echte gamechanger kunnen zijn om plantaardig voedsel meer centraal te stellen op het menu van restaurants, cafés en kantines. Door het veranderen van de context waarin mensen hun eigen keuze maken, kun je ze met behoud van hun keuzevrijheid toch een duwtje in de goede richting geven (nudging). Maar zo’n verandering moet niet op zichzelf staan. Die moet onderdeel zijn van een bredere verandering van alle aspecten van het voedselsysteem waarmee de consument in aanraking komt, en daarin moeten industrie en detailhandel een grote rol spelen. Overal waar consumenten keuzes maken, kunnen op basis van gedragsonderzoek wijzigingen worden ingevoerd.

    Politici zullen misschien liever grote klimaatbeloften doen, wetten tegen voedselverspilling aannemen of het bedrijfsleven tot duurzame keuzes oproepen, en soms hameren ze er zelfs op dat ‘mensen zelf moeten bepalen wat ze eten’. Maar ze kunnen de detailhandel stimuleren om zijn geavanceerde arsenaal aan marketingtechnieken in te zetten om duurzame en gezonde voedingskeuzes (of zoals het tegenwoordig heet: een ‘planetary health diet’) aantrekkelijker, betaalbaarder, toegankelijker en sociaal breder aanvaard te maken. Dat zou al een grote stap zijn in de richting van verlaging van de uitstoot van broeikasgassen.

    Beleidsmakers mogen hun kiezers natuurlijk nooit manipuleren, al is het voor nog zo’n goed doel. Maar krachtige instrumenten om gedrag te beïnvloeden werken ook als ze volledig transparant zijn. En op basis van inzichten uit consumentenonderzoek en de economische en gedragswetenschappen kan beleid tegen klimaatverandering worden ontworpen dat de emoties, gewoonten, denkpatronen, sociale normen en voorkeuren van mensen centraal stelt. De kritiek op nudging – met name dat het weinig effect heeft en andere, nuttigere middelen overschaduwt – snijdt meestal geen hout. Beleidsmakers streven naar een verantwoorde toepassing, en overal ter wereld wordt door steden als New York en Kopenhagen en andere regio’s keuzearchitectuur ingezet om bij te dragen aan de verandering van voedselsystemen. Dankzij de kracht van suggestie en de neiging van mensen om inspanning te mijden en de weg van de minste weerstand te kiezen is het tot standaard verheffen van de vegetarische optie een van de beste middelen om gedrag te veranderen.

    Standaardoptie

    Als plantaardig eten eenmaal de standaardkeuze wordt en vlees de ‘andere’ optie is, daalt de vleesconsumptie. Uit een systematische analyse van vijftien onafhankelijke interventiestudies die zijn gepubliceerd tussen 2012 en 2020 en uitgevoerd in uiteenlopende situaties in zes Europese landen en de Verenigde Staten bleek dat zo’n ingreep steeds leidde tot een aanzienlijke verlaging van het aantal consumenten dat voor vlees koos, variërend van 53 tot 87 procent. Uit een Deens onderzoek bleek dat ruim 84 procent van de 300 deelnemers achter de keuze stonden om een vegetarische lunch tot standaardoptie te maken. En er zijn sterke aanwijzingen dat deze methode in diverse situaties de voedselkeuze kan beïnvloeden. Voortbouwend op eerder onderzoek voert mijn eigen El-Erian Institute of Behavioral Economics and Policy aan de Universiteit van Cambridge nu een vergelijkbaar veldexperiment uit in dertien van onze mensa’s.

    Gezien deze resultaten is het dus geen gek idee om van vega de standaardoptie te maken in restaurants, supermarkten, scholen en kantoren. De non-profitorganisatie Better Food Foundation heeft een hele reeks tips en ideeën voor hoe je dit kunt aanpakken. Meatless Monday was bijvoorbeeld een actie die wereldwijd aansloeg en door veel mensen en organisaties werd gedragen. Ook de woordkeuze op een menu is van belang: door een gerecht niet ‘vegetarisch’ maar ‘planetair’ of ‘plantaardig’ te noemen, breng je beter over dat het ook een duurzame keuze is.

    Het is dus geen gek idee om van vega de standaardoptie te maken

    Het veranderen van voedselsystemen als een vorm van klimaatactie kan beginnen met beleidsveranderingen van bovenaf. Vanuit die gedachte hebben activisten, mensen uit het veld, beleidsmakers en onderzoekers op de VN Voedseltop in New York twee jaar geleden samen de Duurzame Ontwikkelingsdoelen voor 2030 geformuleerd. Maar bij de implementatie van die doelen moeten beleidsmakers oog houden voor de rol die de menselijke factor in de voedselkeuze speelt. Gelukkig slaan partijen uit allerlei sectoren nu de handen ineen om nieuwe beleidsinstrumenten uit te testen en nieuwe normen en keuzefuiken te bedenken. Want dat consumenten moeten overstappen op meer plantaardig voedsel om de broeikasuitstoot van de voedselsystemen te verminderen, staat buiten kijf. Samen met andere beleidsinstrumenten die tot gedragsverandering leiden, kan een centrale plaats van plantaardig voedsel op het menu leiden tot een flinke daling van de vleesconsumptie met behoud van keuzevrijheid. Zo kunnen we straks allemaal een actievere rol spelen in het behoud van de natuurlijke hulpbronnen van de aarde en het afremmen van klimaatverandering.

  • Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Om onze vleesconsumptie te verminderen is nepvlees nodig dat minstens net zo lekker is als vlees waarvoor een dier is geslacht. Deze Amerikaanse start-up heeft de oplossing: plantaardig vlees met toegevoegd varkensvet dat gekweekt is in een laboratorium.

    Vorige maand werd ik aan een eettafel in een zonnige hotelsuite in New York City volledig verrast door een reepje nepbacon. Ik was er voor de proeverij van een nieuw soort plantaardig vlees. Net als de meeste Amerikanen had ik dat al eens eerder geprobeerd, al had ik er nooit zo’n zin in als in echt vlees. Maar nog voor ik de bacon geproefd of zelfs maar gezien had, wist ik al dat dit anders was. De geur van zout, rook en sissend vet die uit de nabijgelegen keuken kwam leek onmiskenbaar echt. De knapperige baconreepjes zagen er ook echt uit: tijgerstrepen met goudkleurig vet, gepresenteerd op een miniatuur BLT-sandwich. De knapperigheid maakte plaats voor een bevredigende beet, gevolgd door een walnootachtige smaak en de onvergelijkbare sappigheid van dierlijk vet.

    Ik wist dat het geen echte bacon was, maar even tuimelde ik er bijna in. De bacon was inderdaad gemaakt van planten, net als de hamburgers die je kunt kopen van merken als Impossible Foods en Beyond Meat. Maar het was gemengd met echt varkensvet. Nou ja, soort van. Wat door het ‘vlees’ marmerde was niet afkomstig van een geslacht varken, maar van een levend varken waarvan vetcellen waren afgenomen die vervolgens waren opgekweekt in een vat.

    Dat in het lab gekweekte of ‘gecultiveerde’ vet wordt gemaakt door Mission Barns, een startup uit San Francisco die als doel heeft om mensen te overtuigen van de kwaliteit van plantaardig vlees. En het lijkt erop dat veel mensen overtuigd moeten worden. Producenten van plantaardig vlees, voor wie een paar jaar geleden succes verzekerd leek, hebben het nu moeilijk. Toen de nieuwigheid van het ‘bloeden’ van plantaardig eiwitten eenmaal voorbij was, werd het voor consumenten lastiger om de hoge prijs, de matige voedingswaarde en de ‘best-wel-oké’-smaak van plantaardig vlees voor lief te nemen, zeggen voedseldeskundigen. In 2021 en 2022 verloren veel fastfoodketens die ooit een grote rol speelden op dit gebied – Burger King, Dunkin’, McDonald’s – de interesse om het nog te verkopen. In de afgelopen vier maanden hebben de twee meest zichtbare bedrijven die plantaardig vlees maken, Beyond Meat en Impossible Foods, ontslagen aangekondigd.

    Ondertussen ligt de toekomst van andere alternatieven voor vlees – een laboratoriumvariant die moleculair gezien identiek is aan echt vlees – nog minstens enkele jaren in het verschiet, ergens tussen science fiction en werkelijkheid in. Maar we kunnen niet wachten met minder vlees eten. Het is een van de beste dingen die we als burgers kunnen doen voor het klimaat en het neemt ook nog eens de zorgen over dierenleed en gezondheid weg. Vet uit laboratoria zou de brug kunnen zijn. Het wordt op dezelfde manier gemaakt als vlees uit laboratoria, maar is veel eenvoudiger te produceren en kan worden gemengd met bestaande plantaardige voedingsmiddelen, vertelt Elysabeth Alfano, CEO van investeringsbedrijf VegTech Invest. Als zodanig zal het waarschijnlijk veel eerder commercieel beschikbaar worden – misschien zelfs al binnen een paar jaar. Mogelijk is alles wat nodig is om nepvlees te redden slechts een beetje dierlijk vet.

    Mondgevoel

    Dierlijk vet is culinaire magie. Het geeft een hamburger zijn sappigheid en laat een boterachtig laagje achter op de tong. Het ontbreken ervan is de reden dat kipfilet zo flets smaakt. Vet, schreef kok Samin Nosrat in Salt, Fat, Acid, Heat, is ‘de bron van een rijke smaak en van een specifiek gewenste textuur’. Het nepvlees dat nu op de markt is, schiet tekort op het gebied van smaak en textuur. De meeste producten benaderen vlezigheid met een mengsel van plantaardige oliën, smaakstoffen, bindmiddelen en zout, dat zeker vleziger is dan de vroegere burgers van bonen, maar nog verre van perfect. Voedselblog Serious Eats wees bijvoorbeeld op onaangename geuren, althans vóór het koken, zoals die van kattenvoer en kokos. Op moleculair niveau heeft plantaardig vet moeite om zijn dierlijke tegenhanger na te bootsen. Kokosolie, dat vaak wordt gebruikt in plantaardig vlees, is bij kamertemperatuur vast, maar smelt bij relatief lage hitte, zodat het tijdens het koken in de pan achterblijft. Daardoor is het mondgevoel van plantaardig vlees eerder vettig dan weelderig.

    Als we die plantaardige oliën vervangen door gekweekt dierlijk vet, dat bij verhitting zijn structuur behoudt, zouden de smaak en sappigheid behouden blijven die je van echt vlees verwacht, zegt Audrey Gyr. Ze is specialist startupinnovatie bij het Good Food Institute, een non-profit die zich inzet voor vleesalternatieven. In zekere zin is de techniek waarbij dierlijk vet wordt ingezet om planten op smaak te brengen niet nieuw. Kippenvet wordt al sinds lang gebruikt om een rijke nootachtige smaak aan aardappelkoekjes te geven; gesmolten guanciale [Italiaans wangspek] geeft een klassieke pasta amatriciana zijn sappigheid. Plantaardige bacon versterkt met varkensvet volgt dezelfde culinaire traditie, maar is zeer hightech. In enorme bioreactoren worden vetcellen van een levend dier opgekweekt en gevoed met van planten afkomstige suikers, eiwitten en andere groeicomponenten. Na verloop van tijd vermenigvuldigen ze zich tot een massa vetcellen: een zachte, bleke vaste stof met een robuuste smaak, die doet denken aan de witte substantie die om een varkenskarbonade zit of in een biefstuk marmert.

    Zo uit de bioreactor lijkt het vet ‘een beetje op margarine’, zegt Ed Steele, medeoprichter van het in Londen gevestigde bedrijf Hoxton Farms. Het is een ingewikkeld proces, maar wel veel makkelijker dan de ontwikkeling van kweekvlees, waarbij veel celtypen moeten worden omgezet in stijve spiervezels. Vet bestaat maar uit één type cel en is als vormloze klodder het meest bruikbaar. Net als in het menselijk lichaam zijn enkel tijd, ruimte en een gestaag infuus van suikers, oliën en andere vetten nodig, zegt Eitan Fischer, CEO van Mission Barns. De bacon van mijn proeverij was gemaakt door gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit, het mengsel te pekelen en te roken en het vervolgens in baconachtige reepjes te snijden. Door slechts 10 procent gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit kan een product al smaken en aanvoelen als echt vlees.

    Gekweekt vet kan met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is

    Gekweekte vetproducten zijn al in zicht. Mission Barns is van plan zijn gekweekte vet te verwerken in zijn eigen plantaardige producten; Hoxton Farms hoopt zijn vet rechtstreeks te verkopen aan bestaande fabrikanten van plantaardig vlees. Andere bedrijven, zoals de Belgische startup Peace of Meat, het in Berlijn gevestigde Cultimate Foods en het op vis gerichte ImpacFat uit Singapore, werken ook aan hun eigen versies van gekweekt vet. In theorie kan het vet worden gemengd met vrijwel elk soort plantaardig vlees, zoals vleesklompjes, worstjes of paté. In de VS ligt de weg naar de markt al open. Afgelopen november kreeg gekweekte kip van de Californische startup Upside Foods toestemming van de Food and Drug Administration (FDA); nu is het wachten op aanvullende toestemming van het ministerie van Landbouw. In afwachting van wettelijke goedkeuring zegt Mission Barns klaar te zijn om haar producten in een paar supermarkten en restaurants te lanceren. Daaronder ook een overtuigende, varkensvleesachtige gehaktbal op plantaardige basis die ik ook op de proeverij heb geprobeerd. In afwachting van de FDA-toestemming moest ik een aansprakelijkheidsverklaring ondertekenen voordat ik mocht proeven.

    Ik verliet de proeverij met dierlijk vet op mijn lippen en een nieuwe overtuiging in mijn hoofd: voor de juiste prijs zou ik deze bacon kopen in plaats van het gewone spul. Omdat gecultiveerd vet kan worden gemaakt zonder dieren te schaden – de vetcellen in de bacon die ik proefde waren afkomstig van een vrolijk scharrelvarken genaamd Dawn, aldus een pr-medewerker van Mission Barns – kan het aantrekkelijk zijn voor flexitariërs zoals ik, die gewoon minder vlees willen eten.

    Hoewel er geen garantie is dat het thuis net zo goed zou smaken als na de bereiding door de privékok van Mission Barns, kan gekweekt vet met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is. Volgens Jennifer Bartashus, analist verpakte levensmiddelen van Bloomberg Intelligence, is gekweekt vet ‘de volgende stap in het smakelijker maken van milieuvriendelijk voedsel voor de doorsneeconsument’.

    Pakkende naam

    Maar gekweekt vet heeft wel nog steeds te kampen met enkele van dezelfde problemen die ons van plantaardig vlees hebben afgehouden. De huidige producten op de markt zijn niet bijzonder gezond en gekweekt vet zou daar niets aan veranderen. Het opbouwen van consumentenvertrouwen en vertrouwdheid met de producten kan ook een probleem zijn. Sommige mensen zijn huiverig voor plantaardige producten omdat ze niet weten waar ze van gemaakt zijn. Het meer complexe begrip ‘gekweekt vet’ is op z’n best net zo onappetijtelijk. ‘We weten nog steeds niet precies hoe de consument zal denken over gekweekt vet,’ zegt Gyr. Een pakkende naam voor deze producten zou zeker helpen, maar het kost me moeite om een omschrijving te vinden die minder stroef klinkt dan ‘plantaardig vlees op smaak gebracht met gekweekt dierlijk vet’. Tenzij bedrijven met gecultiveerd vet hun marketing echt goed aanpakken, zouden ze wel eens dezelfde weg kunnen afleggen als ‘gemengd vlees’– mengsels van plantaardig eiwit en echt vlees die in 2019 werden geïntroduceerd door drie vleesbedrijven, wat ‘nogal een mislukking’ was, aldus Gyr.

    Het belangrijkst is echter de prijs ten opzichte van die van traditioneel vlees. De hogere kosten van plantaardig vlees zijn deels de oorzaak van de ineenstorting van de sector, en producten met gekweekt vet zullen in de nabije toekomst waarschijnlijk niet goedkoper worden. Fischer, van Mission Barns, zegt dat de huidige kleine productieschaal van zijn bedrijf de producten ‘vrij duur’ maakt in vergelijking met traditionele vleesproducten. Steele van Hoxton Farms zegt te hopen dat bedrijven die gekweekt vet in hun plantaardige vleesrecepten gebruiken niet meer hoeven uit te geven dan nu.

    Ondanks deze obstakels is geteeld vet veelbelovend voor de kwijnende plantaardige vleesindustrie, omdat het absoluut lekker is. Gekweekt vet zou ‘kunnen leiden tot een nieuwe ronde van innovatie die weer consumenten zal aantrekken’, aldus Bartashus. Plantaardig en echt vlees zullen immers rond 2026 op een gelijke prijs kunnen uitkomen, waardoor mogelijk meer bedrijven geïnteresseerd zullen raken in de vleesalternatieven. Gekweekt vet zou ons warm kunnen maken voor de toekomst van volledig gekweekt vlees. En na verloop van tijd kan een in het laboratorium gekweekte kipfilet net zo saai worden als gewone kipfilet.

    Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen

    Aan het enthousiasme over gekweekt vet, en nepvlees in het algemeen, hangt een uitgesproken techno-optimistisch tintje – alsof het gemakkelijk zal worden om alle vleeseters over te halen om in baconvet gehulde planten te omarmen. ‘Uiteindelijk is ons doel om de huidige conventionele vleesprijzen te overtreffen, of het nu gaat om gehaktballen of bacon,’ aldus Fischer. Maar zelfs nu de problemen rond het eten van vlees alleen maar duidelijker zijn geworden, blijft de consumptie ervan in de VS stijgen. Mondiaal gezien zal de vleesconsumptie in landen als India en China de komende jaren naar verwachting explosief stijgen. Gekweekt vet biedt de consument op zijn minst een andere optie. Biefstuk bij de ene maaltijd en plantaardig vlees bij de volgende kan al als winst worden gezien.

    Sinds de proeverij heb ik vaak nagedacht over de reden waarom de bacon me zo perplex deed staan. Knagend op de knapperige gouden rand van een van de reepjes wist ik dat ik echt baconvet at. Maar mijn hersenen worstelen nog steeds met het idee dat het niet rechtstreeks van een stuk varkensvlees afkomstig was. Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen. Als gekweekt vet de tijd kan overbruggen totdat vlees werkelijk in een laboratorium kan worden gekweekt, hebben deze nieuwe producten hun steentje al bijgedragen. En in de tussentijd vinden we ze misschien wel goed genoeg.

    Lees ook:

  • In Singapore bestel je kip gekweekt in het laboratorium

    In Singapore bestel je kip gekweekt in het laboratorium

    Singapore is hard op weg het Silicon Valley van de foodtech te worden. De kleine stadstaat wil vanaf 2030 30 procent van zijn voedsel lokaal produceren – met behulp van alternatieve eiwitbronnen, kweekvlees en verticale boerderijen.

    Het is een warme avond in Singapore en bij restaurant 1880 aan de oever van de rivier genieten chique gasten van gerechten met intrigerende namen als ‘bosgrond’ en ‘overstroomde toekomst’. Maar de echte sterren van de avond zijn twee minder flamboyant klinkende hoofdgerechten: chicken and waffles en chicken bao.

    De gebakken kip op de borden is stevig en gemakkelijk met een vork uit elkaar te trekken. Maar dit is geen gewoon kippenvlees. Het is gemaakt van stamcellen uit een kippenveer en opgekweekt in een speciale bioreactor.

    De aanwezigen in het restaurant behoren tot de eerste betalende gasten die kippenvlees uit een laboratorium voorgeschoteld krijgen.

    ‘Ik had niet verwacht dat ik dit ooit nog eens op het bord van een consument zou zien liggen’

    Kaimana Chee, chef-kok bij Eat Just, de in San Francisco gevestigde culinaire start-up die de kip heeft gefabriceerd, heeft geholpen bij de bereiding van het diner. ‘Ik was tot tranen toe geroerd, want ik had niet verwacht dat ik dit ooit nog eens op het bord van een consument zou zien liggen,’ zegt hij tegen Nikkei Asian Review.

    DO 2 1 1

    Vanwege alle belemmerende regels en het wereldwijde wantrouwen tegenover in het laboratorium gekweekt vlees was de 43-jarige Chee ervan overtuigd dat het jaren zou duren voor er groen licht kwam. Hij dacht dat het bij Eat Just, waar hij in 2016 kwam werken, zijn missie was om inspirerende gerechten te bedenken die ‘het zaadje moesten planten voor een volgende generatie’. Dus toen Singapore in december 2020 als eerste land de verkoop van dit type eiwit goedkeurde, was Chee stomverbaasd. 

    Veel waarnemers in deze bedrijfstak waren minder verrast. ‘Het is geen toeval dat Singapore de eerste markt ter wereld voor kweekvlees is,’ verklaart Mirte Gosker van het non-profit Good Food Institute Asia Pacific (GFI APAC). ‘De overheid heeft geïnvesteerd in een gunstig ecosysteem voor voedselinnovatie.’

    Betrouwbare voedselvoorziening

    Dat Singapore zich op het terrein van laboratoriumvlees en eiwitalternatieven – gemaakt van planten, insecten, algen en schimmels – begeeft, is onderdeel van een welbewust beleid om in de toekomst veerkrachtiger te zijn als er zich schommelingen voordoen in het voedselaanbod.

    De stadstaat heeft in Azië het voortouw genomen in de zoektocht naar een betrouwbare voedselvoorziening. Volgens schattingen van de Verenigde Naties zijn in deze regio meer dan 350 miljoen mensen ondervoed, terwijl zo’n 1 miljard mensen in 2019 te kampen kregen met matige of ernstige voedselonzekerheid, waarbij het moeilijk was om aan eten te komen of ze daadwerkelijk zonder voedsel kwamen te zitten, soms dagenlang. De uitdaging is nog urgenter geworden sinds het coronavirus toesloeg, waardoor de voedselonzekerheid in Azië nog groter is geworden en overheden alarmerende voorproefjes hebben gekregen van de manier waarop een crisis de voedselvoorraden kan bedreigen.

    Een van de maatregelen die Singapore heeft genomen is dat het nu voedsel importeert uit meer landen dan voorheen: ongeveer 170 landen en regio’s, zo’n 30 meer dan in 2004.

    In het jaar 2030 moet 30 procent van de Singaporese voedselbehoefte lokaal geproduceerd zijn

    Singapore streeft er ook naar om zelfvoorzienender te worden. In maart 2019 kondigde de stadstaat de doelstelling ‘30 in 30’ aan: in het jaar 2030 moet 30 procent van de Singaporese voedselbehoefte lokaal geproduceerd zijn, terwijl dat nu 10 procent is.

    ‘Veerkracht betekent het vermogen hebben om verstoringen in de voedseltoevoer op te vangen,’ zegt Paul Teng, expert op het gebied van voedselzekerheid bij de Nanyang Technological University (NTU) in Singapore. 

    Toen Teng en zijn collega’s rond 2005 onderzoek gingen doen naar voedselveerkracht, lag de focus vooral op voedselzekerheid. ‘Niemand luisterde toen naar ons,’ vertelt hij. 

    Het is een subtiel, maar belangrijk verschil. Als het om voedselzekerheid gaat, is de situatie in het rijke Singapore behoorlijk gunstig: het staat negentiende op de lijst van landen met de hoogste voedselzekerheid die in 2020 is opgesteld door de Economist Intelligence Unit – maar dat wil niet zeggen dat Singapore achterover kan leunen. ‘De strategie van de overheid was indertijd: ‘Als we ons bbp vergroten en de middelen hebben om voedsel te kopen, dan hoeven we ons geen zorgen te maken, want er zal altijd wel ergens voedsel te koop zijn,’ vertelt Teng. ‘Dat is allemaal goed en wel als er geen verstoringen plaatsvinden in de voedselproductie en in de aanvoerketen.’

    Maar grote prijsschommelingen tijdens de financiële crisis van 2008, de exportstop van Maleisië op vis in 2014 en andere gebeurtenissen hebben kwetsbaarheden blootgelegd. En toen kwam de pandemie.

    Buffer

    ‘Covid-19 heeft wereldwijd verstoringen veroorzaakt, doordat sommige exportlanden de uitvoer van bepaalde voedingswaren gingen verbieden om aan hun eigen binnenlandse behoefte te kunnen voldoen, of doordat ze in lockdown gingen,’ zegt Melvin Chow, topman bij de afdeling voedselinfrastructuur, -ontwikkeling en -management van de Singapore Food Agency. Volgens hem zou het vergroten van de voedselproductie volgens de ‘30 in 30’-strategie zorgen voor een buffer om verstoringen in het buitenland op te vangen. Maar meer voedsel kweken is gemakkelijker gezegd dan gedaan in Singapore, dat 50 bij 27 kilometer groot is. Dit op twee na dichtst bevolkte gebied ter wereld heeft maar 1 procent van zijn land beschikbaar voor landbouw.

    De stadstaat, die altijd behendig heeft weten om te gaan met zijn beperkte ruimte en hulpbronnen, wil nu zijn ‘capaciteiten op het gebied van wetenschap en technologie aanwenden om innovatieve oplossingen te ontwikkelen’, zegt Chow. En daar komen Eat Just en vergelijkbare start-ups om de hoek kijken. ‘Voor eiwitten die gebaseerd zijn op planten en cellen heb je veel minder ruimte en hulpmiddelen nodig om toch evenveel voedsel te produceren als met traditionele voedselbronnen,’ zegt Bernice Tay, hoofd voedselfabricage bij Enterprise Singapore, een overheidsorganisatie die zich bezighoudt met de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven.

    De overheid wil de voedseltechnologie graag stimuleren en heeft tot 2025 144 miljoen Singaporese dollar (ruim 90 miljoen euro) vrijgemaakt voor voedselgerelateerde R&D-programma’s. Enterprise Singapore is ook een samenwerking aangegaan met verscheidene mondiale investeringsmaatschappijen, waaronder Big Idea Ventures, dat een fonds van 50 miljoen dollar (ruim 42 miljoen euro) heeft voor alternatieve eiwitten. 

    ‘Singapore begint zich een plek te veroveren als het Silicon Valley van de foodtech’

    In april heeft Singapore de Future Ready Food Safety Hub (FRESH) opgericht, een samenwerkingsverband tussen overheid, bedrijfsleven en de academische wereld, om onderzoek te doen naar de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen en het onderzoek van de bedrijven zelf te ondersteunen. En vanaf september 2021 biedt NTU in samenwerking met GFI APAC studenten de mogelijkheid om een semester lang eiwitalternatieven te bestuderen en kennis op te doen over de commerciële mogelijkheden ervan. 

    Andre Menezes, medeoprichter van Next Gen Foods, een in Singapore gevestigd bedrijf dat in maart 2021 op soja gebaseerde kippendijen op de markt bracht, noemt de stad een ‘compleet ecosysteem op een heel klein, dichtbevolkt eiland’.

    ‘Singapore begint zich een plek te veroveren als het Silicon Valley van de foodtech, zegt Menezes, wiens kippendijproduct nu in meer dan 45 plaatselijke restaurants op de kaart staat. In februari haalde Next Gen Foods 10 miljoen dollar op bij een groep investeerders, waaronder de Singaporese maatschappij Temasek International. Het is het grootste investeringsbedrag tot nu toe voor een bedrijf in op planten gebaseerde voedseltechnologie. In juni opende Next Gen Foods nieuwe vestigingen in Hongkong, Macao en Kuala Lumpur.

    Binnenboerderijen

    Er zijn in Singapore de afgelopen twee jaar meer dan vijftien bedrijven gestart die ‘nieuwe’ eiwitten produceren. Naast Eat Just en Next Gen Foods zijn dat internationale spelers zoals de Californische producent van zuivelvervangers Perfect Day en de bedrijven Shiok Meats en Gaia Foods, die in Singapore zelf zijn opgekomen en respectievelijk werken aan de productie van gekweekte vis, schelp- en schaaldieren en gekweekt rood vlees.

    Nog een pijler onder de ‘30 in 30’-doelstelling van Singapore is hightech indoorlandbouw in stedelijk gebied. Er bestaan al 31 van dergelijke ‘boerderijen’, 28 voor groenten en 3 voor vis.

    Het feit dat de boerderijen binnen zijn, maakt ze ‘bestand tegen enkele van de gevolgen van klimaatverandering’, zegt Chow. Ze maken gebruik van smart technologieën die ‘het mogelijk maken om meer te verbouwen met minder’, met opbrengsten die per hectare grond tien tot vijftien keer zo hoog liggen als bij traditionele landbouw of op land gevestigde viskwekerijen.

    Een van die boerderijen, Commonwealth Greens, kan jaarlijks wel honderd ton groenten oogsten, bijna 1 procent van alle bladgroenten die ter plaatse worden verbouwd. In hoge ruimtes van een groot bedrijfspand verbouwt het bedrijf rijen groene mosterdplanten, snijbiet, zuring en verschillende soorten sla in plastic bakken. Elke groeibak is ongeveer een meter lang en heeft zijn eigen strip felle ledlampen die vanaf het plafond omlaaghangen als verticale jaloezieën.

    ‘Met het Internet der Dingen kunnen we grote hoeveelheden data verzamelen die van levensbelang zijn voor de planten’

    Voor in elke ruimte liggen de ‘hersens’ van de boerderij: twee sensoren. De ene regelt luchttemperatuur, vochtigheidsgraad, koolmonoxidegehalte en zuurgraden. De andere bepaalt de hoeveelheid en de samenstelling van de vloeibare voedingsstoffen die aan de planten worden toegediend.

    ‘Onze technologie maakt gebruik van het Internet der Dingen, waardoor we grote hoeveelheden data kunnen verzamelen die van levensbelang zijn voor de planten,’ vertelt Sven Yeo, medeoprichter en hoofd technologie van Archisen, het agritechbedrijf dat deze boerderij runt. ‘Voor elk gewas dat we verbouwen hebben we iets dat we een recept noemen.’ Dit is in wezen een reeks parameters: licht, pH, temperatuur enzovoort, die Yeo en zijn team precies afstemmen om een plant zo te laten groeien dat die ‘zijn maximale voedingswaarde en smaakprofiel haalt’.

    Het op hydrocultuur gebaseerde systeem verbruikt 95 procent minder water en 85 procent minder meststoffen dan traditionele, op aarde gebaseerde systemen. Volgens voorstanders bieden indoorboerderijen en alternatieve eiwitten betere opbrengsten en schoner vlees, met minimaal of helemaal geen gebruik van de pesticiden, antibiotica of hormonen die in de tegenwoordige voedselproducten zitten.

    ‘Klanten staan tegenwoordig veel kritischer tegenover het voedsel dat ze eten’

    ‘Klanten staan tegenwoordig veel kritischer tegenover het voedsel dat ze eten,’ zegt Aileen Supriyadi, onderzoeker van marketingresearchbureau Euromonitor International. Met name sinds de recente coronapandemie, en nu de Afrikaanse varkensgriep de veestapels in de regio bedreigt, maken consumenten zich meer zorgen over voedselveiligheid. Toch zijn veel mensen ook sceptisch, vooral tegenover gekweekt vlees. In een YouGov Omnibus-onderzoek onder 1068 inwoners van Singapore in december 2020 zei 48 procent van de ondervraagden dat ze zulk vlees niet zouden eten. Uit een onderzoek van Euromonitor in 2020 bleek dat 36,5 procent van de consumenten in Azië/Oceanië een voorkeur had voor geheel natuurlijke producten, tegen 33,3 procent in Europa en 28,4 procent in Noord-Amerika.

    Maar voor Singapore bieden de hightechboerderijen goede mogelijkheden om de voedselproductie op te voeren.

    Sommige experts denken dat ook andere Aziatische landen er profijt van zouden kunnen hebben. Indoorboerderijen zijn niet nieuw. Volgens Teng van NTU bestaan er in heel Azië al zo’n vierhonderd. Maar deze compacte landbouwmethode met haar hoge opbrengsten komt vooral goed van pas in sterk verstedelijkte gebieden waar de koopkracht groot is en vastgoedprijzen hoog zijn, aldus Yeo van Archisen.

    Jakarta is een goed voorbeeld, zegt Christian Prokscha, oprichter van Eden Towers, dat daar in februari een verticale boerderij begon. ‘Je kunt dingen verbouwen op de heuvels buiten Jakarta,’ zegt hij, ‘maar het probleem is dat je logistieke lijnen dan heel lang zijn.’

    Voor indoorboerderijen zijn vooral de kosten van de gebouwen en de geavanceerde apparatuur een grote uitdaging, zegt Yeo. Singapore heeft de afgelopen jaren genereuze subsidies verstrekt, en lanceerde nog in april een fonds van 60 miljoen Singaporese dollar (37,5 miljoen euro), dat ondernemers die een boerderij willen beginnen helpt de eerste bouwkosten op te brengen. Maar weinig Zuidoost-Aziatische landen hebben zulke diepe zakken als Singapore.

    Als het om ‘nieuwe’ eiwitten gaat vormen de hoge verkoopprijzen ook een hoge horde om te nemen. Niettemin is Azië bij uitstek geschikt om te profiteren van de verschuiving naar eiwitalternatieven, aldus Gosker van GFI APA, die wijst op de ‘vruchtbare landbouwgronden, uitgebreide infrastructuur en productiekracht, wereldvermaarde innovatiecentra en ongeëvenaarde marktvolume. Lokale producenten kunnen nu een vrijwel ongelimiteerd aantal verschillende ingrediënten krijgen, die volgens nieuwe en innovatieve methodes verwerken en zo de volgende generatie plantaardige vleesvervangers maken – allemaal op hetzelfde stukje van de wereld.’

  • Van visvoer tot megatrend: de evolutie van de erwt

    Van visvoer tot megatrend: de evolutie van de erwt

    Hoewel de smaak weinig markant is en de kleur wat aan de bleke kant, worden vrijwel alle eigenschappen van de erwt bejubeld. En de populariteit van de onopvallende peulvrucht zal alleen nog maar toenemen in een toekomst waarin vlees meer en meer wordt vervangen door de plantaardige variant.

    Op de velden rond het dorpje Knau in het zuiden van Thüringen staan dit voorjaar niet alleen zachtjes in de wind wuivende graanhalmen. Op 260 hectare schieten er ook de ranken van kruidachtige planten met groene bladeren uit de grond. In de vier Duitse fabrieken van de Emsland-groep – met een omzet van jaarlijks meer dan 600 miljoen euro een van de grootste verwerkers van agrarische producten in Europa – lopen niet meer enkel aardappelen over de lopende band. Met tonnen tegelijk worden er ook kleine korrelige vruchten schoongemaakt en opgesplitst. En nu op tv de reclameslogan ‘Vlees mevrouw, u weet wel waarom’ allang niet meer te zien valt, laat Amidori, een start-up uit Bamberg, zijn vegetarische braadworsten en gehaktballen aanprijzen door een animatiefiguurtje: een sprekende erwt. 

    De erwt is hét gewas van dit moment. En veel wijst erop dat de opmars die hij enkele jaren geleden begon, nog wel even voort zal duren. Dat is niet alleen zo in Duitsland, maar overal ter wereld: jaar na jaar worden er wereldwijd meer erwten geoogst; de grootste producenten zijn Canada en China. Het areaal waarop in Duitsland erwten geteeld wordt, is de laatste tien jaar verdubbeld. En nog altijd groeit de vraag sneller dan het aanbod. Tegenwoordig vertegenwoordigt deze onopvallende peulvrucht – in het spraakgebruik symbool voor alles wat nietig is – een miljardenmarkt. Daarop zijn landbouwbedrijven als Agrofarm Knau uit Thüringen actief, maar ook gevestigde ondernemingen zoals de Emsland-groep of opkomende bedrijven zoals Amidori.

    Megatrends

    Hoe kan dat? Maar liefst twee megatrends hebben de erwtenbusiness de wind in de rug gegeven. Als eerste: de zorg voor het milieu. Erwten bevatten veel eiwit, evenals linzen en bonen. Bovendien zijn ze goed voor de grond. Ze slaan er namelijk stikstof in op. Een boer die op een akker peulvruchten teelt, hoeft het volgend jaar minder kunstmest te gebruiken. Met als plezierig ecologisch bijeffect: wie erwten of veldbonen oogst, heeft voer voor het eigen vee. Voor de eiwitverzorging van zijn dieren hoeft deze boer dan niet langer zoveel soja uit Amerika te halen, een product dat als genetisch gemanipuleerde plant en notoire regenwoudkiller toch al in een kwaad daglicht staat. Om dit dubbel heilzame effect te bevorderen heeft de Duitse overheid in 2014 een ‘eiwitstrategie’ afgekondigd. Ook de EU zet een deel van haar agrarische subsidies in op de teelt van peulvruchten; sommige Duitse deelstaten zoals Thüringen leggen daar nog geld bij. Het was de prozaïsche reden voor bedrijven als Agrofarm in Knau om op grote schaal haar erwtenareaal uit te breiden. Zonder die subsidies, zo geven de boeren toe, zouden ze veel minder erwten telen.

    Op het moment dat politici en bureaucraten hun stimuleringsregelingen ontwierpen, was er van veggieburgers, visloze vis en melk zonder koeien nog maar nauwelijks sprake. Sindsdien hebben miljoenen mensen hun voedingspatroon aangepast – geen dierlijk voedsel meer, maar plantaardige vervangers. Aangespoord door gezondheidsapostelen, dierbeschermers en klimaatredders in Californië en aan de Amerikaanse oostkust, maar inmiddels ook salonfähig bij de gegoede burgerij in eigen land (zij het nog niet bij een meerderheid), is dat de tweede megatrend ter verklaring van de zegetocht van de erwt. De grote zoektocht naar alternatieven voor vlees, vis en melkproducten haalt tegenwoordig de hele levensmiddelenindustrie overhoop; vanwege de fantastische winstvooruitzichten zorgt hij over de hele wereld voor schitterende ogen bij financiële beleggers; zelfs het verder zo biovriendelijke pluimveeconcern PHW (Wiesenhof) doet hij ijverig samenwerken met fabrikanten van eiervervangers en vleesloze burgers. 

    En nu komt de clou: in deze burgers zit geen rundergehakt maar vooral erwtenpuree. Let wel, niet gemaakt van die groene erwten uit de diepvrieskast, maar van die gele korrelerwten die vroeger vooral aan het vee werden gevoerd en in de keuken tot hooguit een stevige soep werden verwerkt. Die tijden zijn voorbij. Met dank aan de veggiegolf. Tegenwoordig zit in alles erwten: in de tonijnvervanger van het Amerikaanse bedrijf Good Catch net zo goed als in het alom aangekondigde melkalternatief van VLY uit Berlijn, nog zo’n start-up uit het geheel van veggiebedrijven. Zelfs de Zwitserse voedingsmiddelengigant Nestlé brengt een erwtendrank op de markt. 

    Het is haast een wonder dat de erwt niet al veel eerder ontdekt is als een plant met grote toekomst

    Waarom groeide uitgerekend de erwt uit tot superster van de vleesvervangersbranche? Natuurlijk omdat hij zoveel eiwit bevat, tenslotte is dat de voedingsstof die vlees, vis en melk zo interessant maakt voor menselijke voeding. Maar ook alle overige peulvruchten bevatten veel eiwit. En subsidies die voor lage prijzen zorgen, zijn er ook voor linzen en bonen. Wat maakt de erwt dan zo bijzonder?

    Nina Blijdorp kan ons dat precies uitleggen aan de hand van een tabel met heel veel cijfers. Blijdorp is productmanager voor haver en erwten bij plantenverdelingsbedrijf KWS Saat in Einbeck; haar tabel bevat de aminozurenprofielen van een tiental verschillende planten. Want een eiwit is niet zomaar een eiwit, experts weten dat ze op onderdelen sterk kunnen verschillen: hoeveel histidine bevat het, hoeveel lysine, hoeveel fenylalanine? De erwt heeft alles precies in de juiste verhoudingen: een perfecte middelmaat. Bovendien bevat hij vrijwel geen stoffen die allergieën kunnen veroorzaken. En nog beter: de erwt doet dat allemaal zonder zelf erg veeleisend te zijn. ‘Hij heeft bijvoorbeeld maar ongeveer half zoveel water nodig als de veldboon,’ vertelt Nina Blijdorp.

    ANP 68140200
    Een erwtenoogstmachine leegt peulvruchten in een trailer van diepvriesbedrijf Frosta in Lommatzsch, Duitsland. Bijna alle erwten die in Duitsland worden gegeten, zijn diepgevroren. Bedrijven en boerderijen moeten in de vroege zomer voldoende erwten oogsten om aan de vraag van het hele jaar te voldoen. – © Sebastian Kahnert/dpa-Zentralbild/dpa/Newscom

    Zo bezien is het haast een wonder dat de erwt niet al veel eerder ontdekt is als een plant met grote toekomst. Het tegendeel was het geval. In de afgelopen vijftig jaar, zo geeft Nina Blijdorp toe, zijn er maar heel weinig pogingen ondernomen om de opbrengst te vergroten of de planten robuuster te maken. ‘De erwt was enigszins verwaarloosd, een soort weeskind. Maar sinds ongeveer vijf jaar is dat anders. Nu tonen landbouw en voedingsmiddelenindustrie ineens heel veel belangstelling voor onze veredelingspogingen.’ 

    Een paar jaar voor de meeste anderen ontdekte Friedrich Büse, de grondlegger van Amidori, het potentieel van de erwt. Büse voldeed dan ook aan de ideale voorwaarden om op dit gebied een pionier te worden. Opgeleid tot kok en slager werkte hij lange tijd in de vleeswarenindustrie. Tot hij zijn geloof in het hervormingsvermogen van zijn branche in de richting van meer dierenwelzijn en betere arbeidsomstandigheden verloor en het plan opvatte een onderneming te stichten die op planten gebaseerde alternatieven voor vlees op de markt moest brengen. Zo schildert Friedrich Büse het in elk geval zelf. ‘Sinds 2008 heb ik daarvoor diverse mogelijke eiwitbronnen onderzocht. Aanvankelijk stonden er zestien planten op mijn lijstje. In 2012 was duidelijk dat in Duitsland de erwt de meeste kansen bood. En in 2015 hadden we vervolgens de eerste oogst.’ In datzelfde jaar richtte Friedrich Büse in Bamberg Amidori op.

    Visvoer

    Vanuit landbouweconomisch perspectief is het een voordeel dat de erwt als voedingsmiddel in Europa een lange traditie heeft. ‘De boeren zijn er goed mee bekend,’ zegt Büse. ‘Bovendien laten erwten zich gemakkelijk opslaan. En waar koolzaad en linzen te klein zijn om ze in het productieproces veel verder te verwerken, hebben erwten daarvoor precies de juiste grootte.’ Zelfs wat in vroegere tijden eerder in het nadeel van de gele erwt was, verkeert nu in haar triomf. Dat de smaak weinig markant is en de kleur aan de bleke kant, maakt haar juist heel geschikt als proteïnebron voor vleesvervangers – die moeten immers niet op peulvruchten lijken en ernaar smaken, maar naar gehakt of braadworst, waarvoor dan weer een reeks andere plantaardige ingrediënten moet zorgen.

    Nu zit het zo: het vee in de stal vreet de korrelerwten zoals die in hun schil gegroeid zijn; ze hoeven alleen klein te worden gemaakt. Maar in de veggieburgers komen de erwten niet rechtstreeks van het veld, het deeg voor de plantaardige gehaktballen mengt ook vrijwel niemand thuis in de keuken. Daarvoor zijn de recepturen veel te complex. (Dat is ook een reden waarom vervangingsproducten zich zo goed lenen voor het opbouwen van merken met relatief hoge prijzen: aan de toonbank betaalt de klant ook voor de productie-knowhow van de producent.) De branche van nieuwe, alternatieve voedselproducenten noemt zich niet voor niets met een chic Engels woord FoodTech. Om aan de behoeften van deze FoodTech-bedrijven te voldoen, worden de erwten na de oogst eerst uitgesplitst in commercieel bruikbare bestanddelen. 

    Dat gebeurt bijvoorbeeld in de fabrieken van de Emsland-groep. Circa 180.000 ton erwten worden hier jaarlijks verwerkt. Ook op dit onderdeel van waardetoevoeging heeft een gunstig toeval de opmars van de erwt vereenvoudigd: het proces van schoonmaken, fijnwrijven, filteren en drogen dat de vrucht keurig uitsplitst in vezels, zetmeel en zogeheten proteïne isolaat met een zo hoog mogelijke eiwitconcentratie, hoefde niet specifiek voor de erwt te worden uitgevonden. Hetzelfde principe en dezelfde installaties worden op veel grotere schaal toegepast voor de verwerking van aardappelen. Met dit verschil dat de aardappel van oudsher vanwege haar zetmeel wordt gewaardeerd, terwijl het bij de erwt om het eiwit gaat.

    Binnen tien, misschien zelfs vijf jaar kan naar schatting van branchekenners 10 procent van het totale vleesverbruik van de wereldbevolking uit plantaardige vervangers bestaan

    Dat was overigens niet altijd zo, meldt Christian Kemper, een van de bedrijfsleiders van de ooit door aardappelboeren opgerichte Emsland-groep. ‘Het eiwit was een bijproduct; van groter belang was de vraag naar erwtenzetmeel en erwtenvezels vanuit de bakkerij- en zoetwarenindustrie, maar ook vanuit de papier- en textielproductie.’ Aan het begin van deze eeuw werd de overtollige erwtenproteïne nog vooral tot visvoer verwerkt. Stapje voor stapje is vervolgens echter het proteïne isolaat, een beige poeder, uitgegroeid tot het gewilde product. ‘Eerst werd het gebruikt voor sportvoeding, in de vorm van shakes en repen,’ vertelt Kemper. ‘Voor visvoer is erwtenproteïne inmiddels te duur geworden. Tegenwoordig leveren we circa 70 procent van deze proteïne aan fabrikanten van vleesvervangers.’

    In Duitsland is de omzet het afgelopen jaar met een kleine 40 procent gestegen tot 375 miljoen euro. Dat is weinig in vergelijking met de huidige 40 miljard euro die de vlees- en worstmarkt per jaar omzet. Maar de groeipercentages zijn enorm en er is sprake van een wereldwijde markt. Binnen tien, misschien zelfs vijf jaar, kan naar schatting van branchekenners 10 procent van het totale vleesverbruik van de wereldbevolking uit plantaardige vervangers bestaan. En dat betekent maar één ding: de wereld heeft meer erwten nodig.

    Wie daarvan overtuigd is, moet nu handelen. De Emsland-groep beraadt zich over de volgende grote investering in het verwerkingsproces van erwten. Friedrich Büse van Amidori stelt voor de tweede helft van dit jaar nieuwe producten in het vooruitzicht. En de plantenveredelaars van KWS Saat werken aan een erwtenplant met meer ranken en minder bladeren, die in oogsttijd niet meer zo vlak tegen de grond ligt. Dat is zo’n beetje de enige eigenschap van de erwt waarover momenteel niet wordt gejubeld.