Tag: vluchteling

  • Bahram Sadeghi: ‘Deze aanslag veranderde onze levens’

    Bahram Sadeghi: ‘Deze aanslag veranderde onze levens’

    Tijdens zijn lessen Nederlands voor gevorderden begrijpt de oorspronkelijk Iraanse programmamaker Bahram Sadeghi meteen wat ‘van de regen in de drup’ betekent. Vijfendertig jaar later schreef hij een aangrijpend boek over hoe hij als deserteur uit het Iraanse leger aankwam in de Rotterdamse haven – en de lange weg die daarop volgde. Een voorpublicatie.

    Op 5 oktober 1985 schiet een Egyptische dienstplichtige politieagent op een groep vakantie vierende Israëlische toeristen in de Sinaï, vlak bij de grens met Eilat. Zeven toeristen, onder wie vier kinderen, worden gedood.

    Twee maanden later lukt het mij, achttien jaar jong én dienstplichtig tijdens de bloedige oorlog tussen mijn land Iran en buurland Irak, om als verstekeling uit Iran te vluchten, samen met drie andere jonge landgenoten. Nadat we een paar dagen diep in het ruim van een Filipijns vrachtschip verscholen gezeten hebben, is onze voorraad eten en drinken op. We verlaten onze schuilplek en maken ons bij de bemanning bekend. We worden in aparte hutten opgesloten en een paar dagen later krijgen we te horen wat de kapitein van plan is: het schip zal naar Europa varen en na haar vracht te hebben opgehaald terugkeren naar Iran. Daar zal de kapitein ons overdragen aan de Iraanse autoriteiten. En in de tussentijd blijven we opgesloten in onze hutten. Een paar jaar later zal ik meteen begrijpen wat ‘van de regen in de drup’ betekent, als die uitdrukking tijdens de lessen Nederlands voor gevorderden behandeld wordt.

    Een kleine week na de start van mijn vlucht vaart het schip door het Suezkanaal. Egyptische douanebeambten komen aan boord om de documenten van de opvarenden te controleren. In het Engels vertel ik de twee besnorde douaniers dat ik niet terug gestuurd wil worden naar Iran, want met de straf die in die tijd op ‘desertie in oorlogstijd’ stond (een extra jaar dienstplicht plus een aantekening in de overheidsadministratie als ‘deserteur’) heb je eigenlijk geen toekomst in Iran.

    De volgende dag: een sympathieke rossige Egyptische tolk die Perzisch met een zangerige Arabische tongval spreekt, probeert me gerust te stellen door een paar keer te zeggen dat een gevluchte Iraanse deserteur goede kans maakt om in Egypte te mogen blijven. Na de Islamitische Revolutie zagen de Iraanse leiders Egypte als de verrader van de Palestijnse zaak omdat Egypte al een paar jaar toenadering zocht tot Israël, de aartsvijand van Iran. ‘Als je voor de Iraanse regering vlucht, kun je op onze clementie rekenen,’ is zijn heldere samenvatting van de geopolitieke verhoudingen. Maar als we op hun clementie kunnen rekenen, waarom zitten er dan gewapende militairen voor onze hutten? Aan het einde van de dag komt de aap uit de mouw. De tolk vertelt dat de meegekomen ambtenaren ons ervan verdenken spionnen van de Iraanse regering te zijn, die na die aanslag in de Sinaï voor nóg meer onrust in Egypte willen zorgen. Met stomheid geslagen word ik teruggebracht naar mijn hut. Met tranen in mijn ogen zie ik door de patrijspoort de palmbomen, die met hun groene bladeren zo mooi afsteken tegen het goudkleurige zand, aan me voorbijgaan: we varen weer.

    Een paar weken later wordt de schutter veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf plus dwangarbeid, en op zaterdag 11 januari 1986 komt het schip in Rotterdam aan, aan de Wilhelminakade om precies te zijn.

    De daaropvolgende dag lukt het ons met meer geluk dan wijsheid om uit het schip te ontsnappen en melden we ons bij de politie.

    Vlindereffect

    De Amerikaanse wiskundige en meteoroloog Edward Lorenz bedacht in 1961 de metafoor van het butterfly effect, het vlindereffect: de vleugels van een vlinder kunnen in Brazilië voor een minuscule luchtverplaatsing zorgen die maanden later een tornado in Texas kan veroorzaken.

    Niet de vleugels van een vlinder maar de dodelijke kogels die een Egyptische agent op een zonnige zaterdag om 16:40 uur op een zandduin in de Sinaï afvuurde, zorgden ervoor dat ik, als deserteur/bootvluchteling uit Iran, in Nederland ben beland.

    Maar als een aanslag, waar ik part noch deel aan had, een van de belangrijkste gebeurtenissen uit mijn leven is gebleken, wat is dan de impact van die aanslag op de direct betrokkenen geweest?

    Zoals de toen vijfjarige Tali, die de aanslag overleefde doordat haar moeder Anita zich op haar wierp en de kogels opving die anders Tali zouden hebben geraakt? Hoe heeft die aanslag de verdere levensloop van Ehud bepaald, die er als twaalfjarige in slaagde om drie kinderen te redden, terwijl zijn jongere broer Amir werd doodgeschoten? Wat is er eigenlijk van de dader, de Egyptische Suleiman Khater, terechtgekomen?

    Praten over de aanslag was geen makkelijke opgave voor sommigen van de betrokkenen

    Algauw na de start van mijn research kom ik erachter dat er, afhankelijk van of je pro-Egypte of pro-Israël bent, verschillende versies bestaan over wat er op die fatale dag in oktober 1985 is gebeurd. Verder blijkt, niet geheel verrassend, dat praten over de aanslag geen makkelijke opgave is voor sommigen van de betrokkenen, zoals enkele van de Israëlische nabestaanden me mailden:

    I received your request, I am sorry I did not answer. I can not be interviewed on the subject matter. I hope you understand me.

    – Sorry, I wish you success with the book but do not want to discuss this. Good luck.

    I do not wish to share anything about me with the world. Hope you respect my wish.

    – Hello, I would like to keep my silence. Thank you.

    Het vlindereffect speelt een belangrijke rol in de chaostheorie, die op haar beurt het gedrag van ‘niet-lineaire dynamische systemen’ onderzoekt, leert Wikipedia.

    Soms heb ik het idee dat ik begrijp wat de bovenstaande zinnen betekenen. Met dit boek probeer ik enige grip te krijgen op het waanzinnigste dynamische systeem met al zijn niet-lineaire gedragingen, onvoorspelbaarheid en willekeur dat ik ken: mijn leven.

    21 september 1980, Abadan, Iran

    Ik ben bijna dertien jaar oud en heb met mijn vriendjes afgesproken om deze laatste dag van de zomervakantie voetballend in het park door te brengen. Maar je kunt plannen wat je wilt, er is altijd iets waar je geen rekening mee kunt houden, en in ons geval was het niet de hond van een parktoezichthouder (altijd een nachtmerrie in een land waar je als moslim weinig ervaring met honden hebt), nat gras (betekent vieze kleren dus straf van moeder) of oudere kinderen (die ons altijd wegjagen en de beste voetbalplekken inpikken), om maar een paar veel voorkomende voorbeelden te noemen.

    Ik denk dat het zo rond elf uur in de ochtend moet zijn geweest dat we het luchtalarm hoorden, gevolgd door knallen in de verte. Worden we nou gebombardeerd? Zou de oorlog nu écht begonnen zijn?

    In de maanden voorafgaand aan de oorlog drongen Iraakse gevechtsvliegtuigen geregeld het luchtruim van Iran binnen, altijd ’s nachts. Midden in de nacht rende ik dan met mijn twee oudere broers het dak van ons huis op om de rode kogels van luchtafweergeschut te zien die de donkere hemel doorkliefden terwijl ze gebroederlijk naar hetzelfde punt (een voor ons onzichtbaar Iraaks vliegtuig) zweefden.

    Het was een prachtig schouwspel, moet ik eerlijk bekennen. Mijn geboortestad Abadan was een mooi doelwit voor een aanvaller die snel resultaat wilde boeken: een grote stad met een paar honderdduizend bewoners (altijd slim om burgerdoelen te bombarderen, want chaos verzekerd), een olieraffinaderij waar het hele land van afhankelijk was (economie in het hart raken plus oliebranden die bijna niet te blussen zijn) en lekker dichtbij (slechts gescheiden door een rivier van een paar honderd meter breed).

    ‘Mam, de oorlog is uitgebroken! Moeten we morgen toch naar school?’

    Mijn moeder is al een paar dagen eerder begonnen met het klaarmaken van het huis voor de aanvang van het nieuwe schooljaar. Op die laatste dag zijn de tapijten aan de beurt. Nou hadden we in die tijd wel een stofzuiger, een Amerikaanse Hoover, maar mijn moeder gelooft niet echt in de moderne technieken en daarom komt er een paar keer per jaar een aantal ‘tapijtkloppers’ naar ons huis om de tapijten op professionele wijze uit te kloppen en, waar nodig, te reinigen. Uiteraard heeft mijn moeder geen idee dat dit de laatste keer is dat de tapijten schoongemaakt zullen worden.

    Ik ren door de stofwolk die de tapijtkloppers in ons voortuintje opwerpen, vind mijn moeder naast de wasmachine (net als bij de stofzuiger heeft mijn moeder weinig vertrouwen in de werking van de wasmachine en daarom blijft ze er soms naast staan om de boel in de gaten te houden) en roep: ‘Mam, de oorlog is uitgebroken!’ Gevolgd door een zin die alleen van een bijna dertienjarige jongen kan komen: ‘Moeten we morgen toch naar school?’

    12 oktober 1980, Abadan, Iran

    Met mijn twee oudere broers, een paar neven en hun vrienden slaap ik sinds een aantal dagen op de stoep van ons huis. Ik vind het fijn om zo op de stoep te slapen, want met alle bommen en raketten die op onze stad afgevuurd worden, is het veiliger om buiten te slapen – bij een inslag kan het plafond naar beneden komen. Maar veiligheid is niet de enige reden waarom ik buiten slapen fijn vind. Het is vooral heel stoer om naast oudere jongens met hun wapens te liggen. Maar aan de andere kant vind ik het ook vies: niet de stoep zelf, want we liggen op onze Perzische tapijten, maar vanwege de roetdeeltjes die ’s nachts neerdalen en alles zwart maken. Die roetdeeltjes zijn ontstaan doordat de raffinaderij al weken in de fik staat. Je moet het meegemaakt hebben of op de tv gezien hebben (denk aan de beelden van de hevige bosbranden aan de Amerikaanse westkust anno 2021) om het te kunnen geloven, maar soms duurt het een paar dagen voordat we de blauwe hemel weer zien.

    Begin november 1980, Mahshahr, Iran

    Abadan is praktisch, maar gelukkig niet hermetisch omsingeld door de Iraakse troepen. Als je erin slaagt om de eerste dertig tot veertig kilometer (niemand weet precies hoeveel) door de woestijn te lopen en daarmee de Irakezen te omzeilen, kom je op een gegeven moment Iraanse troepen tegen die je meenemen naar het veilige Mahshahr, zo’n honderd kilometer verderop. In de ochtendschemering brengen mijn broers ons gezin met de auto naar de rand van de stad, tot aan de plek waar een auto niet verder kan omdat hij anders door het zand zou zakken.

    Mijn vader had ik wel eens met een pet op gezien, want als lasser werkzaam in de olie-industrie in het zuidwesten van Iran moest hij vaak onder de felle zon werken en daarom had hij meerdere petten. Maar mijn moeder met een pet op, over haar hoofddoek? Er zijn van die beelden die je niet gauw vergeet.

    4 november 1980, VS

    Jimmy Carter, de eerste Amerikaanse president die ik bewust heb meegemaakt, verliest op die dag de presidentsverkiezingen van Ronald Reagan. Net als vele andere Iraniërs heb ik geen idee wie Reagan is, maar die vervloekte Carter ken ik wel degelijk: sinds de aanloop naar de Islamitische Revolutie in de zomer van 1978 (die een halfjaar later tot de val van de sjah van Perzië leidde), is Carter als supporter van de sjah niet van de Iraanse radio en tv weg te slaan. Natuurlijk hebben we nu, midden in de oorlog met Irak, andere zaken aan ons hoofd dan de Amerikaanse verkiezingen, maar het bericht van Carters smadelijke nederlaag (hij wint slechts in
    zes staten!) vormt een kleine pleister op de oorlogswonde. Niet alleen door zijn steun aan de sjah werd Carter in Iran gehaat, maar ook omdat hij de architect was van de schandelijke Camp David-akkoorden, waarmee Egypte en Israël een jaar eerder vrede met elkaar hadden gesloten en waarmee ze, in onze ogen, de Palestijnse zaak in de uitverkoop hadden gedaan.

    Zonder de bemiddeling van president Carter zou Israël zich misschien niet uit de Sinaï teruggetrokken hebben en zou de schutter Suleiman Khater niet in de Sinaï gestationeerd zijn geweest, waar hij, vijf jaar na de ondertekening van de Camp David-akkoorden, een bloedbad zou aanrichten.

    Oktober 1982, Bandar Abbas, Iran

    Na een jaartje als vluchteling eerst in Mahshahr en later in Khorramabad gewoond te hebben en af en toe familie in andere steden bezocht te hebben, denk ik zo ongeveer te weten wat discriminatie betekent. Maar pas als we ons in de loop van 1982 permanent in Bandar Abbas vestigen (mijn vader ging ons voor en wij volgden later) ervaar ik hoe verschrikkelijk het is om ergens te – moeten – wonen waar je niet oorspronkelijk vandaan komt. Neem mijn gemiddelde dag als scholier in Bandar Abbas: de busrit van ongeveer een halfuurtje naar school is al een ware nachtmerrie. Ik reis met een paar andere vluchtelingenkinderen per bus en er zijn altijd oudere lokale jongens die direct aan ons kunnen zien (hier hebben wij een lichtere huid dan de oorspronkelijke bevolking) en horen dat we niet uit Bandar Abbas komen. Het treiteren begint in de bus, met soms een vechtpartij bij het uitstappen. En aangezien we een lange middagpauze hebben waarin we naar huis gaan, kan het gebeuren dat ik soms op één dag meerdere keren in een vechtpartij terechtkom.

    Mei 1985, Bandar Abbas, Iran

    Ik zet op een rijtje wat de opties zijn voor een scholier als hij zijn diploma heeft gehaald, want met mijn bijna achttien jaar en de dienstplicht die in mijn nek hijgt, heb ik de tijd niet mee:

    1) Je gaat direct het leger in:

    • In het ergste geval ga je gedurende de twee jaar durende dienst dood.

    Iran telde zo veel oorlogsgehandicapten dat wij op de Paralympische Spelen bij de grootste sportnaties hoorden

    • Als je méér pech hebt, raak je gewond, waarbij het verlies van benen (geen ondenkbaar vooruitzicht met eindeloze mijnenvelden die dagelijks honderden slachtoffers eisen) het vaakst voorkomt. Op een gegeven moment telde Iran zo veel oorlogsgehandicapten dat wij op de Paralympische Spelen bij de grootste sportnaties hoorden: olympisch goud voor het zit-volleybalteam in 1984, 1988, 1992, 1996 en 2000 om maar een voorbeeld te noemen.

    • En als je nóg meer pech hebt, raak je gewond bij een chemische aanval, met levenslange gevolgen voor je huid, longen en ogen.

    2) Je wordt aangenomen op een universiteit:

    Tijdens de studietijd krijg je vrijstelling van de dienstplicht, maar na het behalen van je bul, en dat kan je tot zes jaar oprekken, moet je alsnog het leger in.

    Klinkt niet slecht, want wie weet is die vervloekte oorlog tegen de tijd dat je afgestudeerd bent, afgelopen, maar de kans om toegelaten te worden, zelfs op een onbeduidende universiteit ergens in het achtergebleven zuidoosten van het land, is in die tijd even groot als de kans dat het Iraans elftal wereldkampioen voetbal wordt. En met honderdduizenden dienstplichtigen die via die route de dienstplicht willen omzeilen, is de concurrentie moordend.

    3) Je wordt aangenomen op de lerarenopleiding:

    Tijdens de opleiding van twee jaar krijg je vrijstelling van de dienstplicht en zolang je daarna lesgeeft hoef je ook niet het leger in. Maar je moet wel tegen het streng islamitische regime van de lerarenopleiding bestand zijn. In mijn laatste jaar van de middelbare school deed het verhaal van een aanstaande leraar de ronde die de islamitische regels op de lerarenopleiding zo zat werd dat hij zich vlak voor het afstuderen officieel voor gek liet verklaren (vergelijkbaar met het Nederlandse S5) om van de opleiding af te mogen gaan. Om vervolgens alsnog het leger in te moeten, want je kunt het zo gek niet bedenken, de oorlog weet wel raad met alle soorten kanonnenvlees.

    4) Je vlucht naar het buitenland:

    Afhankelijk van je budget en de route (via land, naar Turkije of Afghanistan/Pakistan, of via de zee, naar Dubai) schat ik mijn slagingskans ergens tussen nul en nihil in, vanwege het feit dat wij als armlastige vluchtelingen niet genoeg geld hebben om een dergelijke onderneming te betalen en de grenzen bovendien heel streng gecontroleerd worden. Als je als dienstplichtige opgepakt wordt, krijg je een ‘vermelding’ in de overheidsadministratie als deserteur (oftewel: einde verdere carrière) en moet je daarbovenop een extra jaar aan de grens met Irak dienen. En de grens met Irak is op dit moment de laatste plek in het universum waar je wil zijn.

    Geen vlucht naar het buitenland dus.

    5 oktober 1985, Ras Burqa, Egypte

    Suleiman Khater, volledige naam: Suleiman Mohammed Abdul-Hamid Khater, werd geboren in 1961 in het plaatsje Ikayyad, in het noorden van Egypte, op zo’n tweeënhalf uur rijden van de hoofdstad Caïro. Hij was het jongste kind van een gezin met drie zoons en twee dochters. Op 4 oktober 1982 begint de dienstplicht van Suleiman en hij wordt op 1 mei 1983 bij de centrale veiligheidstroepen in Zuid-Sinaï gestationeerd, bij Ras Burqa, of zoals het leger het officieel noemt: Point 46. Point 46 bestaat uit twee gebouwen om te slapen en te werken, en één gebouw waarvandaan de omgeving in de gaten gehouden wordt. Suleiman werd, en wordt nog steeds vaak ‘soldaat’ genoemd terwijl er volgens de Camp David-akkoorden van 1979 geen soldaten op die plek mochten zijn (en de Egyptenaren die er wel waren mochten geen automatische wapens dragen zoals Suleiman deed). De term die later gebruikt zal worden om zijn functie aan te geven, is police conscript serving in a special border patrol unit, wat je als ‘dienstplichtige politieagent werkzaam bij de grensbewaking’ kunt vertalen.

    Schoot Suleiman Khater, zoals veel Arabische bronnen melden, op een groep Israëlische spionnen die verkleed als toeristen én met kinderen als ultieme afleidingsmanoeuvre zijn geavanceerde communicatieapparatuur wilden stelen? Waren het eigenlijk wel kinderen? Sommigen van hen waren behoorlijk lang voor hun leeftijd, vond een aantal Egyptische journalisten en schrijvers die later over de schietpartij schreven. Of was Suleiman een geradicaliseerde moslim die een steeds grotere hekel kreeg aan Israëli’s die onbeschaamd in de Sinaï vakantie kwamen vieren nadat hun regering een vernederend akkoord had gesloten met Egypte? Of zou hij door zijn lange verblijf in de Sinaï simpelweg zijn doorgedraaid (bevangen door kwaadaardige woestijndjinns)?

    Rond 16 uur beginnen drie volwassenen, Ilana, Haman en Anita, en negen kinderen aan de beklimming van de zandduin waarop de uitkijkpost van de Egyptische militairen zich bevindt.

    Omstreeks 16.20 begint Suleiman Khater te schieten.

    • Haman Shelach (44) wordt in zijn buik geraakt. Later verklaart de Israëlische minister van Gezondheid Mordechai Gur namens de artsen die de dodelijke slachtoffers hebben onderzocht dat de wond van Haman ernstig was, maar dat hij, als hij (en dat gold ook  voor een aantal andere slachtoffers) snel naar een ziekenhuis was gebracht, de aanslag zou hebben overleefd.

    • Ilana Shelach (43) wordt in het hoofd geraakt en overlijdt direct.

    • Tzlil Shelach (12) wordt in haar ruggengraat getroffen en overlijdt door bloedverlies. Volgens de artsen was ze te redden geweest, maar zou ze verlamd zijn geraakt.

    • Ofri Turel (12) wordt in het hoofd geraakt en overlijdt direct.

    • Dina Barri (10) wordt in haar been geraakt en overlijdt door bloedverlies.

    • Amir Baum (10) wordt in zijn been geraakt en overlijdt door bloedverlies.

    • Ook Anita Griffel (35) overlijdt uiteindelijk door bloedverlies, nadat ze is geraakt in de arm en de heup.

    Dat zijn de doden.

    • Ehud, de broer van Amir, wordt in zijn keel geraakt door rondvliegende scherven. Bloedend, maar verrassend kalm weet hij achter een rots te schuilen en hij roept naar de andere kinderen om hem te volgen. Zo leidt de twaalfjarige Ehud zijn broertje Moshi (vijf jaar, geraakt aan zijn rechter schouder door een afgeketste kogel), Amnon Barri (zeven jaar, ongedeerd) en Na’ama Korn (acht jaar, ongedeerd) naar beneden.

    • Tali Griffel (vijf jaar) overleeft de schietpartij doordat haar moeder Anita zich over haar heen werpt en de kogels opvangt die anders Tali zouden hebben geraakt.

    Net als de verschillende verhalen over wat voorafging aan de schietpartij (zoals de als kind verklede spionnen) zijn er verschillende verhalen over wat er in de eerste uren na de schietpartij is gebeurd.

    In grote lijnen zijn de meeste bronnen het eens over de volgende punten:

    • In de eerste uren na de schietpartij mocht niemand bij de lichamen komen die op de zandduin lagen. Over de reden daarvan verschillen de bronnen (van ‘zorgen dat de plaats delict niet vervuild raakt’ tot ‘Egyptenaren zien graag Joden sterven’) maar het heeft volgens de Israëlische artsen waarschijnlijk geleid tot onnodig bloedverlies en het overlijden van sommige slachtoffers.

    • Ergens tussen 19.30 uur en 20.30 uur geeft Suleiman zich over. Hij wordt vastgehouden in de Fanara-gevangenis, vlak bij de stad Suez.

    • De doden en een aantal gewonden worden eerst naar een ziekenhuis in Nuweiba, Egypte, gebracht (één uur rijden ten zuiden van Ras Burqa), en uit-eindelijk naar het Yoseftal-ziekenhuis in Eilat, Israël (45 minuten rijden ten noorden van Ras Burqa).

    • Bij Ras Burqa kwam op zaterdag 5 oktober 1985 de zon om 05.36 uur op en ging om 17.23 uur onder. De temperatuur schommelde overdag rond de dertig graden Celsius.

    December 1985, Bandar Abbas, Iran

    Nooit heb ik een wonderlijker kerel gekend dan Nasser. Met Nasser, een man van begin dertig en net als ik een vluchteling uit Abadan die als ‘lader’ in de haven werkt, maak ik kennis tijdens een van mijn inspectierondjes als tallyman. We raken met elkaar in gesprek: hij blijkt overal en nergens in Abadan gewoond te hebben, strooit met namen van dealers, pooiers, verzetsstrijders (zowel uit de tijd van de sjah als van na de revolutie), topvoetballers, gokkers, corrupte politiechefs, illegale bierbrouwers en tapijthandelaren etc. die allemaal uit mijn geboortewijk komen en vergeet blijkbaar dat ik een jongetje van dertien was toen ik Abadan verliet en dus geen weet had van wat er in – de onderwereld van – Abadan gebeurde. Ik vertel Nasser dat ik mijn middelbareschooldiploma heb gehaald en over een paar maanden in dienst moet. Volgens Nasser is het ontzettend stom als ik met al mijn ervaring in de haven de mogelijkheid om te ontsnappen niet benut en in plaats daarvan een ongewisse toekomst in het leger tegemoetga.

    Maar wat als ik opgepakt word? vraag ik hem. We gaan het heel slim aanpakken, zegt Nasser.

    Zei hij nou ‘wij’?

    17 december 1985, Bandar Abbas, Iran

    Onder het streng toeziende oog van de Filipijnse bemanning beginnen de Iraanse laders het schip te verlaten, maar dat gaat zoals altijd langzaam en tamelijk chaotisch, met als voordeel dat alle aandacht van de bemanning naar de arbeiders uitgaat, waardoor ik ongestoord via het luik dat Nasser op een kiertje heeft gezet, het ruim in kan gaan. Op klaarlichte dag.

    Naast Nasser zitten Hafez en Jalil, mijn twee andere reisgenoten. Hafez is al één jaar en Jalil al twee jaar op de vlucht voor de dienstplicht, en net als ik hebben zij geen geld voor een smokkelaar. Nog altijd, na 35 jaar, kan ik er met mijn hoofd niet bij dat ik een van de gevaarlijkste dingen in mijn leven heb ondernomen met drie mensen die ik amper kende. Maar misschien is dat iets wat je alleen kunt doen als je jong bent en geen echt besef van de gevaren hebt. Tijdens de research voor dit boek vind ik in de krantenarchieven afschuwelijke berichten over verstekelingen die overboord zijn gegooid in de periode dat ik als verstekeling Iran verliet. Zo werden kapitein Antonis Plytzanopoulos van het schip Garifalia en zijn crew opgepakt en veroordeeld omdat ze elf Afrikanen voor de kust van Somalië in het water hadden gegooid. Die zaak kwam aan het rollen omdat de scheepskok het geheim niet voor zich kon houden en naar de politie stapte.

    Na ongeveer één week varen bereiken we het Suezkanaal, waar tot mijn onbeschrijfelijke ontsteltenis een rossige Egyptenaar met zangerig Perzisch accent me vertelt hoe een aanslag in zijn land tussen mij en mijn vrijheid staat. De volgende dag kijk ik uit de patrijspoort en zie ik Egypte aan me voorbijtrekken.

    Eind december 1985, Egypte/Israël

    Op 28 december 1985 veroordeelt de rechtbank Suleiman Khater tot 25 jaar gevangenis plus dwangarbeid. Twee dagen later wordt hij van de gevangenis in Suez naar een militaire gevangenis in Caïro gebracht.

    Kerst 1985, Limasol, Cyprus

    Jalil, die in de keuken werkt, hoort van de kok dat we onderweg zijn naar Cyprus. Daar herhaalt zich bijna hetzelfde tafereel als bij het Suezkanaal; als de Cypriotische douanebeambten onze hut binnenkomen, vertel ik namens ons allemaal dat we uit Iran gevlucht zijn én dat de kapitein ons terug wil brengen naar Iran zodra hij zijn vracht heeft opgehaald in Europa (we weten nog steeds niet in welk land, maar volgens de kok wordt het zeker een Europese haven).

    Ik weet niet meer welke reden ze daarvoor hebben gegeven, of ze überhaupt een reden hebben gegeven, maar na drie dagen voor anker gelegen te hebben voor de haven van Limasol vertellen de Cyprioten dat we – ‘so sorry, sad situation unfortunately’ – niet welkom zijn in hun land. Hoe kunnen deze mensen, die gedurende drie dagen onze verhalen hebben gehoord, ons in de steek laten?

    In 2019 publiceert onderzoeksjournalist Linda Polman een boek over tachtig jaar Europees vluchtelingenbeleid met de veelzeggende titel Niemand wil ze hebben.

    7 januari 1986, Egypte

    De Egyptische staatsradio maakt bekend dat een bewaker van de ochtendploeg in de militaire gevangenis in Nasr City bij Caïro het lichaam van Suleiman Khater in zijn cel heeft gevonden, met een laken opgehangen aan de raamtralies.

    Half januari 1986, Rotterdam

    Op zaterdag 11 januari 1986, vier dagen na het over-lijden van Suleiman, meert ons schip aan bij de Wilhelminakade in Rotterdam-Zuid. Er wordt op de deur van onze hut geklopt, en nadat de barricadebalk verwijderd en de deur van het slot is gehaald, lopen twee geüniformeerde douanebeambten onze hut binnen. Hun hoofden raken bijna het plafond, waarmee voor mij het bewijs is geleverd: inderdaad, we zijn nu echt in Holland. De blonde reuzen vertellen dat ze al door de kapitein op de hoogte gebracht zijn van onze situatie, maar willen voor de zekerheid van onszelf weten wat ons verhaal is. ‘En graag kort en bondig.’

    Ten einde raad smeek ik om in Nederland te mogen blijven

    Ten einde raad smeek ik om in Nederland te mogen blijven want gedwongen terugkeer naar Iran, zoals de kapitein dat wil, zou een ramp voor ons zijn. Als we na een dag nog niets van de Hollanders hebben gehoord, vrezen we hetzelfde scenario als in Egypte en Cyprus. Maar gelukkig hebben we een ongelooflijke meevaller: ondanks het feit dat de patrijspoort in onze hut vrij klein is, waardoor we de omgeving niet goed kunnen verkennen, zien we dat er midden in het hekwerk op de kade (dat minstens drie meter hoog en dus niet te beklimmen is) een lichtmast staat. We bedenken een plan om de muurplanken van onze hut los te schroeven en via de aangrenzende hut, die leegstaat, te ontsnappen en één verdieping hoger naar het dek te gaan, de loopplank af te lopen, een meter of vijftig naar de lichtmast te rennen, de lichtmast op te klimmen zoals je een ladder op klimt, en aan de andere kant weer naar beneden te klimmen. Wie plaatst er in godsnaam een lichtmast in het hekwerk?

    April 2019, Jeruzalem, Israël

    Op het moment dat ik haar opzoek, is Tali 38 jaar oud, lichaamstherapeut van beroep met een eigen praktijk, moeder van vier kinderen en getrouwd met de Amerikaan Mitch, die als vertaler werkt. ‘Een paar weken na de aanslag ben ik met mijn Amerikaanse vader naar de VS gegaan. Het eerste jaar verkeerde ik in een shocktoestand, was echt bang voor alles, maar het scheelde enorm dat ik in Amerika was, want daar was ik veilig. Na een paar sessies met de kinderpsychiater kreeg ik te horen dat alles goed was. ‘In de VS gedroeg ik me als een all American girl: ik deed erg mijn best op school, sportte fanatiek en had veel vrienden. Een overachiever, zoals wij Amerikanen dat noemen. Maar ik vertelde niemand over wat mij als kind was overkomen, de trauma’s die ik daaraan had overgehouden: zo was ik en ben ik nog altijd bang voor vuur. Zelfs het aansteken van de kandelaars voor de viering van sjabbat vind ik angstaanjagend. In de eerste jaren na de aanslag raakte ik behoorlijk van slag als ik harde knallen hoorde, vooral als die klinken als geweerschoten.’

    Ik vertel Tali dat ik van plan ben om ook de familie van Suleiman Khater op te zoeken om te kijken wat de impact van die aanslag én zijn zelfmoord op hun leven is geweest. Zal ik je op de hoogte houden van die kant van het verhaal, vraag ik haar. ‘Nee hoor, ik hoef dat allemaal niet te weten. Die man heeft mijn moeder van mij afgenomen, de vrouw die de kogels heeft opgevangen die anders mij zouden hebben geraakt. Ik zie wel eens oma’s met hun kleinkinderen in het park en denk dan: als mijn moeder nog had geleefd, had zij dat ook kunnen meemaken. Ik hoef echt niet te weten hoe het met de familie van die man gaat.’

    November 2019, Caïro – Ismaïlia, Egypte

    Terwijl ik duizend doden sterf omdat mijn Egyptische fixer die achter het stuur zit twee telefoons in zijn handen houdt waarmee hij om de haverklap belt of waarop hij gebeld wordt, berichtjes ontvangt én verstuurt, en wonderbaarlijk genoeg in staat blijkt tegelijkertijd te roken, ben ik onderweg van Caïro naar Ismaïlia, de dichtstbijzijnde stad bij het geboortedorp van de schutter Suleiman Khater die over hotels beschikt. ‘Ik hoorde op de radio dat iemand uit onze provincie zeven Israëli’s had gedood. Pas de daaropvolgende dag hoorde ik dat Suleiman de schutter was geweest, toen er iemand langskwam die zich voorstelde als collega van Suleiman en ons vertelde dat Suleiman zeven Israëli’s had gedood. Met mijn moeder en zus zijn we direct met de auto naar Nuweiba gegaan,’ vertelt Abd Almoneim, de broer van Suleiman. Suleiman verzekert zijn familie dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Hij heeft alleen maar gedaan wat een goede militair zou doen. Drie maanden later hoort Abd Almoneim, wederom op de radio, dat zijn broer zelfmoord heeft gepleegd. ‘We hebben om een tweede autopsie gevraagd, maar de regering weigerde. Er werd gezegd dat kolonel Khadafi, de toenmalige  leider van Libië, artsen wilde sturen om het lichaam van Suleiman te onderzoeken, maar daar gaf Mubarak geen toestemming voor. Wat ik het ergste vind, is dat we nog altijd geen doodsakte hebben. Er is niemand van de regering geweest die officieel heeft verteld hoe Suleiman is overleden. Mijn broer leeft officieel nog.’

    Bahram Sadeghi

    Bahram Sadeghi (1967, Iran) schrijft voor landelijke dag-bladen, is programmamaker en een veelgevraagd presentator. In het jaar dat covid-19 zijn mooi opgebouwde freelance-bestaan deed instorten, schreef hij een boek dat in november verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact.

  • Berlijn, Merkel en een hoofdkussen

    Berlijn, Merkel en een hoofdkussen

    De prominente Turkse journalisten Can Dündar en Hayko Bagdat richtten eind januari in Berlijn het platform Özgürüz op, waar vrije journalistiek wordt bedreven. Een van hun eerste stukken was deze column van Bagdat.

    Ik groet je, mijn dierbare broer, ik bid hier elke ochtend tot Jezus Christus om welzijn, gerechtigheid en vrede voor alle mensen in mijn land. Natuurlijk neem ik jou heel speciaal in mijn gebeden op. Tenslotte zijn we al 27 jaar lang vrienden.

    Naar ik heb gehoord heeft men onlangs bij jou naar mij geïnformeerd. Nu wil ik je graag tot in detail over mijn leven hier in Duitsland vertellen, zodat je in zo’n situatie niet in verlegenheid raakt.

    Eerst het allerbelangrijkste: mijn vrouw en kinderen zijn hier. Je weet dat de vrouw van Can in Turkije gegijzeld wordt gehouden en het land niet uit mag. Zoiets deden zelfs de farao’s niet, maar daar laat ik het liever bij. Wie weet openen ze de brief. Niet dat jij ook nog problemen krijgt. Die kerels daar lopen rood aan en kunnen het je heel lastig maken.

    Toen mijn gezin hier aankwam, ben ik eerst een woning gaan zoeken. Alles begon heel gemakkelijk, echt waar. Tenslotte leven we hier midden in de grote Duitse beschaving, dat wil wel wat zeggen toch? Ze breken zich hier al honderd jaar het hoofd om het de mensen gemakkelijker te maken. Ze zoeken naar mogelijkheden om de problemen te decimeren. Van die problemen ben ik niet zo zeker, maar de wereldbevolking hebben ze indertijd behoorlijk gedecimeerd.

    Maar nu zijn ze niet meer zo, naar ik hoor. Op school vertellen ze zelfs dat racisme een verschrikkelijke ziekte is. Onlangs was onze Garo [Paylan, een Turks politicus van Armeense afkomst] in Berlijn en omdat hij parlementslid is, bracht hij ook een bezoek aan de Bondsdag. Nou, toevallig is hij er precies op het moment dat in de plenaire vergadering de in de Holocaust vermoorde joden herdacht worden. In tranen applaudisseert de voltallige volksvertegenwoordiging voor een oude jodin die de Holocaust heeft overleefd. Garo heeft in ons Turkse parlement wat woordjes over de volkenmoord op de Armeniërs gemompeld en is toen in de kraag gevat en de zaal uit gesmeten. Het heeft hem werkelijk aangegrepen. Overigens laat hij je heel hartelijk groeten.

    Hoe dan ook, ik wilde je over de woning vertellen.

    Als ik een keer een geschikte woning vind, ben ik voor de bezichtiging ervan zo opgewonden, alsof ik een familie moet gaan vragen om de hand van hun dochter

    Om een woning te kunnen huren, moet je een verblijfsvergunning hebben, werd mij verteld. Onze Can kreeg die binnen vier dagen. Mooi, dacht ik, dan duurt het bij mij hooguit vijf dagen. Drie zou te weinig zijn, misschien ervaart Can dat als een belediging. Jij en ik weten immers dat hij beroemd is.

    Dus ben ik naar het bureau gegaan en heb de ambtenaar mijn verzoek kenbaar gemaakt. ‘Voor een verblijfsvergunning moet u kunnen aantonen over een vaste woonplek te beschikken,’ zei ze. Ik heb haar onmiddellijk van repliek gediend. ‘Maar mij is verteld dat ik eerst een verblijfsvergunning moet hebben om een vaste woonplek te krijgen,’ zei ik met mijn zeven woordjes Engels.

    Dat is nu 27 dagen geleden. Ik geloof dat het de laatste logische zin was die mij in deze warboel is gelukt. In de mallemolen van ‘eerst woonplek, dan verblijfsvergunning’ en ‘eerst verblijfsvergunning, dan woonplek’ ben ik geen stap verder gekomen.

    En dat is nog niet alles: zelfs als ik een keer een geschikte woning vind, ben ik voor de bezichtiging ervan zo opgewonden, alsof ik een familie moet gaan vragen om de hand van hun dochter. Woningen kunnen eenmaal per week bezichtigd worden en dan maar voor een of twee uur. En voor alle gegadigden tegelijk. Dan bevolken dertig mensen de woning en praten over de inrichting van de badkamer. Iedereen doet een beetje geheimzinnig. Je mag bijvoorbeeld niet laten zien dat je de woning prima vindt. Tegenover de andere gegadigden moet je je op de vlakte houden.

    Ik zei tegen onze zoon: ‘Aras, deze kamer is fantastisch. Die krijg jij.’ Hardop, en ik deed zelfs een high five met hem. Sindsdien praat mijn vrouw niet meer met mij. Het is mijn schuld dat die prachtige woning aan onze neus voorbij is gegaan, denkt ze.

    Om als Turk hier een woning te krijgen is toch al niet eenvoudig, zeggen de mensen.

    Merkel

    Thuis Armeniër, hier Turk… weet je, het zit me langzamerhand tot hier. In deze grote wijde wereld valt voor mij nog geen twee vierkante meter grond te vinden waar ik een normaal, doodgewoon mens kan zijn.

    Oké, laat verder maar, ik heb je immers nog niet verteld hoe het met de woning afliep.

    Om een woning te mogen huren, moet je bankafschriften van de laatste drie maanden overleggen. En daar is ook een speciale naam voor – hoe het heet, geen idee. Alleen krijg ik te horen dat om een rekening bij een Duitse bank te openen, ik eerst een verblijfsvergunning moet hebben. En voor een verblijfsvergunning heb je een woonplek nodig, zoals je vast nog wel weet. En voor de woonplek een rekeningnummer, enzovoort.

    Zo wordt het nooit wat, zei ik uiteindelijk tegen mezelf, ik moet relaties inschakelen. Tenslotte ben ik niet de eerste de beste, ik verdien wat meer prioriteit.

    Geweldig toeval: juist dezer dagen zou onze Can worden voorgesteld aan bondskanselier Merkel. Bij het jubileum van een krant, meen ik, zoiets. Merkel zou daar zijn en Can ook, en ze zouden met elkaar praten.

    Hoewel ik Can alles uit-en-te-na heb verteld, hield hij tegenover Merkel zijn mond. ‘Mevrouw de bondskanselier, uw systeem is verkeerd, zelfs een intelligent man als Hayko lukt het al een maand lang niet om een woning te huren en zich hier te vestigen. Het is treurig dat hij met zijn hele hebben en houden ergens tijdelijk opeengepropt moet wonen. Staat u me toe dat ik u het systeem in Turkije uitleg, zodat u het ook hier in kunt voeren? En kan Hayko niet even bij u langskomen? Wellicht kunt u in deze woningkwestie iets betekenen.’ Dat zei hij allemaal niet.

    Ze hebben gesproken over de reis naar Turkije die de bondskanselier binnenkort gaat maken en over haar ontmoeting met Erdogan, en dat soort dingen. Alsof dat iets nieuws is. Bij alle verkiezingen komt Merkel immers bij ons langs en geeft ze steun aan Erdogan.
    Mijn probleem is in de hele reutemeteut al weer ondergegaan.

    Overigens lieg ik als ik zou beweren dat ik me niet nogal ergerde aan het feit dat Merkel zich vlak voor haar bezoek aan Turkije liet fotograferen met journalisten die Erdogan haat. Als ze zulke figuren wil stangen, kan zij zeker toch wel iets eigens doen. Ze is tenslotte bondskanselier.

    De brief is lang geworden. Ik schrijf je volgende week weer, broer.

    Ach, voor ik het vergeet: filmregisseur Mustafa Altioklar is hier ook. We zijn meteen goede vrienden geworden. Supervent. Hij is, zoals je weet, dan wel kemalist, maar geloof me: een fantastische kerel. Volgende week kan ik ook over hem vertellen. We hebben hier een internetkrant opgericht. Ook daarover zal ik vertellen.

    Hartelijke groeten aan moeder en vader. Hartelijke groeten aan je broers. Geef de kleine een kus van mij.

    PS: In al die hectiek ben ik er nog niet in geslaagd een kussen te kopen. Ik weet niet waar zoiets te krijgen is. En ik heb geen idee welke formaliteiten je daarvoor moet vervullen. Al een maand zonder kussen; ik heb een ontzettend stijve nek, zonder dollen. Informeer alsjeblieft eens of het moeilijk is om mij van daaruit een kussen te sturen…

    Auteur: Hayko Bagdat
    Vertaler: Marten de Vries

    Beeld bovenaan: Steunbetuigingen voor vluchtelingen in de Berlijnse wijk Neukölln. – © Emmanuele Contini / Getty

    unnamed

    Özgürüz
    Duitsland | ozguruz.org

    Özgürüz (’Wij zijn vrij’) is een Turks-Duitse website, gevestigd in Berlijn, die zich met van de Turkse regering onafhankelijke berichtgeving vooral richt op de vier miljoen Turken in Duitsland. De leiding berust bij twee Turkse journalisten die hun land zijn ontvlucht: de Turks-Armeense Hayko Bagdat en Can Dündar, voormalig hoofdredacteur van de Turkse oppositiekrant Cumhuriyet.

    Özgürüz wordt ondersteund door het Duitse journalistieke onderzoekscollectief Correctiv. De site is sinds eind januari van dit jaar ‘in de lucht’.

    Dündar werd in november 2015 in Turkije gearresteerd op beschuldiging van het lidmaatschap van een terreurorganisatie en ‘het lekken van staatsgeheime informatie’. Zijn krant had bericht over Turkse wapenleveranties aan islamistische strijdgroepen in Syrië. In afwachting van zijn proces werd hij op vrije voeten gesteld.

    In juni 2016 mislukte een aanslag op zijn leven toen hij op weg was naar de slotdag van het proces dat tegen hem was aangespannen. Dündar nam onmiddellijk de wijk naar Duitsland en verblijft daar sindsdien, tot groot ongenoegen van de regering-Erdogan.

    Eind januari van dit jaar riep het ministerie van Buitenlandse Zaken in Ankara de Duitse chargé d’affaires op het matje. Deze kreeg de boodschap dat Turkije de uitnodiging van Dünbar door het Duitse ministerie van Justitie voor een officiële receptie in Berlijn als ‘een provocatie’ opvatte, zeker aan de vooravond van het bezoek van bondskanselier Angela Merkel aan Turkije. Inmiddels waren eind oktober 2016 nog eens zestien journalisten van Cumhuriyet gearresteerd en is de krant zelf onder regeringscensuur gesteld.

  • Van Syrië naar de pampa’s

    Van Syrië naar de pampa’s

    De Syrische studente Haneen Nasser vluchtte niet naar Europa, maar naar het Argentijnse dorpje Parera in de provincie La Pampa. Argentijnen zijn even hartstochtelijk als Syriërs. Ze voelt zich er thuis.

    Haneen Nasser, vierentwintig jaar oud, verliet haar door oorlog geteisterde vaderland Syrië voor een nieuwe toekomst in Argentinië, met de hulp van een vriendin met een soortgelijke achternaam die ze op internet had leren kennen.

    Belén Nazer, een Argentijnse inwoonster van de provincie La Pampa, was op sociale media op zoek naar haar Syrisch-Libanese voorouders toen ze Haneen vond, die in een Syrisch dorpje aan de Middellandse Zee woonde. Eerst dachten ze dat ze achternichten van elkaar waren, omdat in hun beider stamboom een overgrootvader met dezelfde naam voorkwam, die eind negentiende eeuw naar Argentinië was geëmigreerd. Ze hebben nooit kunnen vaststellen of het om dezelfde man ging, maar er groeide wel zo’n hechte vriendschap tussen hen dat Belén zich garant stelde voor Haneen, zodat ze naar Argentinië kon komen in het kader van een humanitair hulpprogramma. Half juli kwam Haneen aan, met een vlucht van Turkish Airlines, en inmiddels is ze geïnstalleerd in het huis van haar vriendin.

    ‘Mijn dorp wordt niet gebombardeerd, maar alle vrijheden zijn wel ingeperkt’

    Vorig jaar september wist ze dat ze uit Syrië weg moest. Eerst verbleef ze twee maanden in het Turkse Antalaya, waar ze samen met haar beste vrienden Diala en Khalil ‘de schoonheid van het leven’ herontdekte, zo verklaarde ze tegenover La Nación. Ze kon zich weer vrij bewegen, ze kon naar de markt gaan zonder bang te zijn voor bommen die in de verte vielen en ze kon overdag foto’s maken van mensen en voorwerpen die haar aandacht trokken, altijd met een poëtisch oog, zelden om te documenteren. In Turkije was er geen avondklok en werd ze niet voortdurend ondervraagd door militairen, zoals in haar eigen land. Daar mocht ze niet eens fotograferen in haar woonplaats, het schilderachtige dorpje Latakia recht tegenover Cyprus, waar het tegenwoordig wemelt van de ontheemden en dat veranderd is in ‘een zwaarbewaakte gevangenis’, waarin van achter de bergen constant het geweld van de burgeroorlog te horen is.

    Die geografische ligging werkte tot nu toe als een soort isolerend scherm, waarachter het Syrische leger, de milities, de islamistische terroristen, de Koerden en wisselende bendes elkaar naar hartenlust beschoten.

    Haneen (in het wit in het midden) wordt ontvangen door de familie van Belén in Parera. – © La Nacion
    Haneen (in het wit in het midden) wordt ontvangen door de familie van Belén in Parera. – © La Nacion

    Haar vader, een ingenieur, en haar moeder, huisvrouw, bleven achter in Latakia. Haar broer en zus – Lilian, die binnenhuisarchitectuur studeert, en Tarek, de jongste, die medicijnen gaat studeren – bleven op de Universiteit van Damascus. Maar Basam, haar vader, met wie ze een sterke oedipusrelatie heeft, zoals ze zelf aangeeft, was onverbiddelijk: ‘Tegenwoordig is geen enkele plek in het Midden-Oosten veilig,’ waarschuwde hij haar, en zij wist wel beter dan haar vader tegen te spreken.

    Kort nadat ze op de Argentijnse luchthaven Ezeiza was geland, ontving ze een woedende reactie van haar zus. Die had op sociale media gelezen dat ze in Argentinië de vluchtelingenstatus kreeg, iets waar gestudeerde Syriërs uit de middenklasse tegen zijn omdat ze niet mee willen doen aan de overlevingsloterij waar bootvluchtelingen zich in storten.

    Studie fotografie

    ‘Wat voor mij op het spel staat is de mogelijkheid zelf mijn toekomst vorm te geven,’ zegt ze terwijl ze koffie Syrische stijl inschenkt, met het drab op de bodem van het kopje.

    ‘Mijn dorp wordt niet gebombardeerd, maar alle vrijheden zijn wel ingeperkt, zo ver zelfs dat ik alleen nog maar foto’s op mijn eigen kamer mocht maken. En soms kon dat niet eens, want je wist nooit wanneer er elektriciteit was. Ik had geen enkele gelegenheid tot vrije expressie meer,’ vertelt Haneen.

    Ze zegt heel erg blij te zijn met het dorpje van tweeduizend inwoners op de Pampa waarin ze woont. Het feit dat ze ontworteld is en gescheiden van haar geliefden houdt haar minder bezig dan de opbouw van haar eigen toekomst, vrij van angst, met uitoefening van haar eigen vrije wil, die voor haar nú begint. ‘Grote steden zijn niets voor mij en aangezien de Argentijnen even hartstochtelijk zijn als de Syriërs, heb ik het gevoel dat ik hier volmaakt op mijn plaats ben,’ zegt ze.

    Morgen begint ze meteen al met Spaanse les. Ze heeft zichzelf vier maanden de tijd gegeven om de taal te leren alvorens de volgende fase van haar assimilatieplan in te gaan: haar studie fotografie voortzetten, misschien in [provinciehoofdstad] Santa Rosa.

    ‘Ik wil iemand zijn die gehoord wordt. Ik weet niet hoe ik dat voor elkaar moet krijgen, maar ik wil het in elk geval proberen,’ zegt ze. Wat ze niet zegt, misschien uit schroom, is dat haar meest kostbare bezit heeft moeten afstaan: ze was gedwongen haar camera te verkopen om de reis per auto naar Beiroet te betalen, waar ze haar visum heeft gekregen. Maar materieel verlies kan uiteindelijk gecompenseerd worden, zegt ze, en is niet te vergelijken met het verlies van veiligheid en gemoedsrust om aan je toekomst te bouwen.

    Haneen vertelt zonder brok in de keel over de geliefden die ze heeft moeten achterlaten

    Ze zit in de woonkamer van het huis dat ze, ‘misschien voor een jaar, misschien langer’, zal delen met haar vriendin Belén, die haar ticket betaalde en als ‘gastfamilie’ fungeerde, zodat ze een humanitair visum kon krijgen om twee jaar in Argentinië te wonen.

    Op de tafel staat de blauwe shisha (waterpijp) die ze als cadeau voor haar vriendin heeft meegenomen, en door het huis banjert druk kwispelend de poedel die Belén haar gisteren cadeau heeft gedaan en die Haneen Joy heeft genoemd, alsof hij een visioen is.

    ‘Ik moet me veilig kunnen voelen, ik moet het idee hebben dat ik ergens thuishoor, ik moet wortel kunnen schieten, werk doen dat ik leuk vind, en als het mogelijk is wil ik Argentijns burger worden,’ zegt ze.


    Het land heeft ze leren kennen door haar contact met Belén en met een andere Argentijnse vriend, Robert Fuhr, die in Servië woont. En de film Medianeras van Gustavo Taretto heeft bij haar de indruk achtergelaten dat Buenos Aires een raadselachtige stad is en de Argentijnen een interessante cultuur hebben, met veel kunst en literatuur. Maar vroeger al was ze diep onder de indruk van de vindingrijkheid van Borges, toen haar moeder haar op tienjarige leeftijd Het boek van de denkbeeldige wezens voorlas. Ze herinnert zich die fascinerende droomwereld via de tekeningen in dat boek, zoals ze ook nog levendig de halve finale van het laatste WK Voetbal tegen Nederland en de finale tegen Duitsland voor ogen heeft. Haneen, die als jong meisje voetbalde, juichte hartstochtelijk voor Argentinië.

    Ze behoort tot de islamitische geloofsgemeenschap der Alawieten, volgelingen van Ali ibn Aboe Talib, maar ze heeft zelden voet in een moskee gezet, ze is niet praktiserend gelovig en verafschuwt extremisme. De islam is voor haar een ethisch richtsnoer, een leidraad voor het gedrag, waarbij de waarde van het menselijk leven vooropstaat.

    Ze zegt geen voorstander te zijn van Bashar al-Assad, maar ze staat wel achter het Syrische leger. ‘Alle Syriërs moeten twee jaar in militaire dienst en iedereen heeft wel een familielid in het leger,’ zegt ze over de pogingen orde te brengen in een uiterst complex en roerig gebied, dat na de Arabische Lente elke vorm van dictatuur lijkt af te wijzen.

    Haneen vertelt zonder brok in de keel over de geliefden die ze heeft moeten achterlaten. Haar vriendinnen hebben beloofd haar volgend jaar te zullen opzoeken, waar ze ook zit, en via sociale media kan ze doorlopend in contact blijven met haar ouders en broer en zus. Opnieuw toont ze haar besluitvaardigheid: ‘Nu wil ik iemand worden die een stem heeft.’

    Auteur: Loreley Gaffoglio
    Vertaler: Jos den Bekker

    Beeld bovenaan: Aankomst van de Syrische Haneen in Argentinië waar ze dankzij vriendin Beén een humanitair visum kon krijgen voor twee jaar. – © Rodrigo Nespolo

    La Nación
    Argentinië | dagblad | oplage 185.000

    Conservatieve, in 1870 door de toenmalige president opgerichte krant die altijd heeft vastgehouden aan hetzelfde format en dus ietwat verouderd overkomt. Desondanks een van de meest gelezen kranten van het land, en de eerste die ook digitaal nieuws aanbood.