Tag: voorpublicatie

  • Nation of strangers. Wat betekent het om thuis(loos) te zijn?

    Nation of strangers. Wat betekent het om thuis(loos) te zijn?

    Schrijver en politiek denker Ece Temelkuran schreef een persoonlijk boek over de begrippen ballingschap en migratie. En over het concept ‘thuis’, ‘een begrip dat in de eenentwintigste eeuw totaal nutteloos is’.

    Ece Temelkuran in de Balie

    Tijdens Dear stranger with Ece Temelkuran, op woensdag 22 april om 20:00 uur in de Grote Zaal van De Balie, gaat Temelkuran in gesprek over haar nieuwe boek Nation of Strangers. De avond draait om thema’s als ontheemding, democratie en de vraag wat het betekent om je ergens thuis te voelen.

    Tickets en meer informatie vind je via debalie.nl.

    Net als bij de valse profeten uit de ‘Hel’ van Dante is zijn hoofd [dat van de balling] voor eeuwig naar achteren gekeerd en lopen zijn tranen, loopt zijn speeksel, tussen zijn schouderbladen omlaag.
    Joseph Brodsky, On Grief and Reason

    Hamburg, juni 2022

    Lieve vreemdeling,

    Ik hoop dat je meer doet dan alleen overleven, als dat vandaag de dag tenminste mogelijk is voor wie dan ook. Boven op alle wereldwijde rampen die de westerse media als bijzaak behandelen, verkeert Europa momenteel ook nog eens in oorlog. En daardoor hoor ik veel mensen praten over het gevaar van het fascisme in West-Europa. Dat rotding achtervolgt me overal. Vrienden zeggen zelfs dat ik het met me meesleep.

    Ik schrijf je vanuit Hamburg, waar het koud is, bitter koud. Voor het eerst is het weer een gespreksonderwerp in mijn leven. Het is niet de ijskoude midzomer, maar het meedogenloze geweld van de wind. Hij laat je haar verdomme niet met rust en gaat uiteindelijk in je hoofd zitten.

    Waarom ben ik hier in godsnaam? Nou, het onomwonden antwoord is: na zes jaar Zagreb, mijn cocon ter grootte van een stad, moest ik een halfjaar weg uit Kroatië vanwege enkele stomvervelende kwesties rondom mijn verblijfsvergunning waar ik je niet mee zal vermoeien.

    Het plan voor na dat halve jaar is nog steeds vaag, maar het ziet ernaar uit dat ik voorlopig in Duitsland moet blijven, verdreven uit de cocon, terug de echte wereld met andere mensen in. Na zes comfortabele jaren als een nobody in mijn hoofd te hebben geleefd, waarvan de laatste twee in lockdown vanwege de pandemie, ben ik in de omgang met anderen net een te vroeg ontpopte vlinder.

    Mensen die elkaar voor het eerst ontmoeten stellen vaak vragen als: ‘En wat doe jij?’, wat betekent: ‘Wie ben jij?’ En binnen de kortste keren is ‘mijn situatie’ dan het gespreksonderwerp.

    Mensen die elkaar voor het eerst ontmoeten stellen vaak vragen als: ‘En wat doe jij?’, wat betekent: ‘Wie ben jij?’

    Zie je, ik had maar vier vrienden in Zagreb. Ze hadden allemaal de oorlog van de jaren negentig meegemaakt, en daarom namen ze nooit de moeite me stomme vragen te stellen over ‘situaties’. Tussen ons bestond de stilzwijgende overeenkomst om zonder sentimenteel gedoe door te gaan met ons leven, wat mijn bevroren hart goed uitkwam.

    Maar nu, in Hamburg, leer ik mensen kennen, en allemaal stellen ze me vragen. In elk geval heb ik het geluk dat een Hamburgse organisatie me benaderde voor een fellowship, net toen ik uit Zagreb weg moest. Al betekent dat wel dat ik hier moet schrijven en nadenken. Ik doe geen van beide. Ik hou me gewoon gedeisd.

    De afgelopen zes jaar waren een bikkelharde strijd, ik had voortdurend het idee dat ik aan het klimmen was. En nu, op dit volmaakt vlakke plateau, klamp ik me als een doordraaiende bergbeklimmer uit alle macht vast aan het leven.

    HO1 Nation of strangers compressed

    Comfort voelt gekmakend onzeker, als iets wat jeukt in je binnenste. Het is alsof ik ben vergeten wat je doet als je niet alleen maar bezig bent met overleven. Wat me zo raakt, denk ik, was dat ik wegging uit Zagreb en voor de tweede keer ontheemd raakte.

    Mijn kracht om helemaal opnieuw te beginnen moet zijn uitgeput en ik voel me inmiddels een vervloekt, duister, zwevend ding, een vreemde vogel, apart genomen en uitgezonderd van de zwaartekracht.

    Het is alsof ik ben vergeten wat je doet als je niet alleen maar bezig bent met overleven

    Het vermoeiendst is nog dat de inwoners telkens dezelfde zin herhalen: ‘Hamburg is de mooiste stad van Duitsland.’ Het probleem is dat het daar niet bij blijft en ze over de meren beginnen: ‘Zijn ze niet prachtig?’ Ik zou dolgraag zeggen: ‘Nee, dat zijn ze niet. Het zijn gewoon bruine modderpoelen!’
    Maar ja, als je een vreemdeling bent, moet je je beleefd tevredenstellen met wat de mensen die gesetteld zijn je toewerpen. Feit is dat nieuwe steden voor mij frustrerende speeltjes zijn geworden. Omdat ik weet dat ze me worden afgenomen zodra ik heb uitgevogeld hoe ze werken, veins ik slechts dat ik er belangstelling voor heb.

    Laatst stond ik, na het doktersbezoek, aan de oever van zo’n ‘prachtige’ bruine modderpoel. De zon ging onder en ik werd overvallen door een vlaag esprit de l’escalier na mijn diagnose: heimwee.

    Waarom had ik niet tegen de dokter gezegd dat het woord ‘heimwee’ passé is, en dat het concept ‘thuis’ in de eenentwintigste eeuw totaal nutteloos is, en dat je thuis voelen sowieso altijd al iets verraderlijk, ergerlijk conservatiefs was, en ik kan toch geen cliché zijn, en dat, nu we het er toch over hebben, aangezien ik uit Istanboel kom, ik bedoel maar, als je zó’n stad achterlaat, een stad zo schitterend dat je haar bij zonsondergang met stom ontzag vergeeft dat ze je de hele dag met huid en haar heeft verslonden, doet elke mindere stad je denken aan lelijke eega’s waarmee mensen getrouwd zijn om niet opnieuw met huid en haar te worden verslonden door de liefde, en dat, en dat…

    Maar ineens viel mijn blik per ongeluk zo op de poel dat die er precies zo uitzag als de Bosporus. Ik verstijfde. Voordat ik de vergissing inzag had ik mijn ogen al tot spleetjes geknepen, waardoor het was alsof ik de skyline van Istanboel voor me zag.

    Ik praatte wat in mezelf, lachte, huilde misschien zelfs een beetje

    En een fractie van een seconde – nee, ik miste thuis niet – was ik terug in mijn oude lichaam, was ik nog niet overmand door die bittere onverschilligheid, dat onvermogen om schoonheid te zien. Ik verlangde ergens naar, maar niet naar een stad. Ik miste wie ik ooit was, dat idee van in mezelf zijn, dat gevoel van compleetheid, echtheid, van kunnen voelen.

    Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. Ik bezatte me in een kroeg en werd overvallen door een vlaag van waanzin. Ik ging naast een olijfboom op de stoep zitten, leunde met mijn hoofd tegen de stam. Ik praatte wat in mezelf, lachte, huilde misschien zelfs een beetje. Ken je dat? Dat je met je hele wezen gelooft dat alleen de wijsheid van een oude zwerfhond of de compassie van een boom tegenwicht biedt aan alles wat ongezegd is gebleven?

    Wat een flauwekul, dacht ik, onze aanwezigheid hier, die van die olijfboom en mij, zo hoog in dat klotenoorden. Twee meiden van rond de Middellandse Zee, wankelend, huiverend, nog steeds verbitterd giechelend.

    Olijfbomen in Hamburg hebben langere blaadjes en zijn te hoog voor hun jaren. Na er de afgelopen maanden heel wat te hebben gezien weet ik zeker dat ze op hun tenen hebben leren staan in een wanhopige poging naar het zonlicht te reiken. Voor hun donkergroene, knoestige, dwergachtige weerbarstigheid is een bleke, broze kwetsbaarheid in de plaats gekomen. Ze nemen bizarre vormen aan om het te kunnen volhouden in deze nukkige landen, waar ze zich niet kunnen uitdrukken in hun moedertaal van zon en zout. Ze krijgen te weinig voedsel om tot bloei te komen, waardoor ze, wanneer het seizoen aanbreekt om vrucht te dragen, sprakeloos blijven, als een vrouw die door een miskraam uit het lood is geslagen.

    Het zijn geen olijfbomen meer, ze zijn iets heel anders, onherkenbaar, iets wat terugverlangt naar wat het ooit was. Ik omhelsde de broze, jonge olijfboom. Beiden even sprakeloos moeten we eruit hebben gezien als twee gevallen kameraden. Een vreemde vogel en een gemuteerde boom.

    Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben in dit onbekende oord, bedenk ik dat ik een andere stem moet zien te vinden, een nieuwe

    Twee dolende lichamen die hebben geleerd dat hun zenuwen worden doorgesneden wanneer ze ontworteld raken. En zenuwen groeien, anders dan huid, spieren en botten, nooit meer aan. Zijn ze eenmaal doorgesneden, dan verandert een aanraking van het vlees in data, in iets verstandelijks. Er opent zich een verwarrende kloof tussen weten hoe zwaar de aanraking weegt en het lichte gevoel ervan. De aanraking roept in de diepte van het vlees slechts een weerklank van zichzelf op. Na verloop van tijd raak je eraan gewend het besef van de aanraking te koppelen aan hoe die hoort te voelen. Je leert met gepaste vrolijkheid te glimlachen. Je laat je nooit uit over het gevoel dat anderen je koud laten, die bittere onverschilligheid waaruit je geleidelijk gaat bestaan. Weet je wat? Laat die anderen toch zitten. Je weet niet meer hoe je moet voelen en of je eigenlijk nog wel iets voelt.

    Daarom had ik zes jaar lang die scheve grijns, dat halfslachtige ding dat doet denken aan een verschrompelde olijftak die al heel lang dood is. Een laagje sarcasme om het medelijden van de mensen die gesetteld zijn mee af te weren. Make-up om de angst te verhullen dat zal blijken wie ik tegenwoordig ben: een automaat die niets voelt, een overlevingsmachine die het ontbreekt aan woorden om uit te drukken wie ze écht is.

    Elke keer wanneer ik die grijns tevoorschijn tover, dat gevoel dat ik niet echt leef, komt mijn stem me weerzinwekkend voor, zigzaggend tussen twee versleten clichés: het gejammer van het slachtoffer om het verloren land van herkomst en het cynische geblaas van de overlever naar een toekomst die er niet is. Misschien ken ik die nieuwe, ontheemde versie van mezelf niet, maar ik weet dat dit mijn stem niet kan zijn: dat ben ik niet. Een onhoudbare aarzeling, als een trillende olijfboom, uitgeput van op haar tenen staan. Na de dokterspraktijk weet ik dat ik moet gaan praten. Omdat ik inmiddels bang ben geworden dat ik echt ziek word van niet praten. En als je ontheemd bent, kun je het je niet permitteren om ziek te worden. Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben in dit onbekende oord, bedenk ik dat ik een andere stem moet zien te vinden, een nieuwe.

    HO1 Ece Temelkuran compressed
    © Maximilian Goedecke

    Thuisloos gemaakt

    De Turkse schrijver en politiek denker Ece Temelkuran neemt in Nation of Strangers haar eigen ervaring van ’thuisloos worden’ als uitgangspunt. Ze verliet Turkije in 2016 nadat ze hoorde dat ze gearresteerd kon worden wegens kritiek op Erdoğans regime. Sindsdien schrijft ze uitsluitend in het Engels.

    In een interview over haar recente boek met The Observer begint Temelkuran als eerste over het woord ‘exile’, dat voor haar een veel te romantische bijklank heeft. ‘Het leent zich te makkelijk voor een verhaal waarin ik een exotische jonkvrouw in nood ben die vlucht voor een tiran en toevlucht vindt in het beschaafde Westen.’ Omdat ze er niet op uit is om ‘mensen zich goed te laten voelen’, terwijl overal politieke branden woeden, kiest ze voor een universelere beschrijving en noemt zichzelf ‘unhomed’ – thuisloos gemaakt. Zelfs wie gewoon thuis op de bank zit kan moreel, politiek en spiritueel zijn thuis verliezen. Het Amerika van Trump, zegt ze, is daar het levende bewijs van.

    Over de psychologie van het verlies van thuis is ze concreet en nuchter: het splijt de persoonlijkheid in tweeën, je verdooft jezelf om die breuk te overleven, en je gevoel voor tijd raakt verstoord. Je wacht voortdurend op het moment dat alles weer wordt zoals het was – maar dat moment, stelt Temelkuran onomwonden, gaat niet meer komen. Zelfs in Davos, merkt ze droogjes op, gaven ze dat onlangs eindelijk toe.

    Dan is er een andere belangrijke woordkeuze, die van het begrip fascisme, dat ze consequent gebruikt in plaats van omschrijvingen als ‘alt-right’ of ‘extreemrechts’. Volgens haar omzeilen veel mensen die erkenning ‘omdat je er dan ook iets aan moet doen’. Ze beschrijft hoe ze tien jaar lang als een Cassandra rondliep, waarschuwend dat fascisme ook naar het Westen zou komen.

    Het boek is opgebouwd als een reeks persoonlijke brieven aan de lezer. Temelkuran wil een fluistering zijn te midden van al het lawaai, een uitnodiging tot een ander soort gesprek: ‘Wat hebben we verloren, en wat voor wereld willen we bouwen?’ Ze pleit voor bescheidenheid én vertrouwen, als tegengif voor het heersende cynisme.

    Een van de indringendste scènes in Nation of Strangers is haar ontmoeting met Miquel, een dakloze man die haar zonder omhaal ondervraagt. Die confrontatie laat haar inzien dat ze in twee werelden leefde: die van het intellectuele debat, met zijn eigen vocabulaire, en die van mensen die de harde realiteit van thuisloosheid elke dag voelen. Het verschil? ‘Niemand uit de eerste wereld, behalve misschien Yanis Varoufakis, vroeg me ooit of ik geld had. Wanneer je een immigrant ontmoet, is dat het eerste wat ze vragen.’

    Thuis is voor haar inmiddels meer een veilig gezelschap van vrienden dan een plek. In Berlijn, haar huidige woonplaats, verdween bijvoorbeeld iedereen met de kerst.

    Temelkuran gebruikt schoonheid als overlevingsstrategie en als moreel kompas. Ze keert zich expliciet tegen de neoliberale definitie van de mens als zelfzuchtig individu dat over anderen heen klimt. ‘Ik zeg precies het tegenovergestelde: we overleven alleen door schoonheid in elkaar te zien, en door samen schoonheid te scheppen.’ Het is, zegt ze, het enige wat ons menselijk houdt wanneer alles instort.
    (360 magazine)

  • Verwrongen perceptie: de kindertijd in Gaza

    Verwrongen perceptie: de kindertijd in Gaza

    Zover komen dat je niet meer bang bent.
    Dat is het ultieme doel van de mens.
    – Italo Calvino, Het pad van de spinnennesten

    Eind januari 2024. Hind Rajab is vijf jaar oud. Ze zit ineengedoken op de achterbank in de auto van haar oom en tante, samen met hun vier kinderen. Meteen nadat het zoveelste evacuatiebevel werd gegeven in het westelijke gebied van Gaza, is haar moeder met haar andere kinderen te voet gevlucht, maar vanwege de kou en de regen is Hind door haar oom en tante in de auto meegenomen.

    Het is vroeg in de middag, het gedreun van de bommen dringt de auto binnen en er lijkt een verkeersopstopping te zijn. Er is iets aan de hand. Haar oom en tante voelen het, ze zijn nerveus, zitten opgewonden te praten. Niet ver van een tankstation in de wijk Tel al-Hawa wordt de auto meermaals beschoten door Israëlische machinegeweren.

    Daarna een ijzige stilte. Hind kijkt om zich heen: niemand praat meer, ze zitten allemaal in elkaar gezakt. Met trillende handen pakt ze de telefoon uit de handen van haar vijftienjarige nichtje Layan, die is getroffen terwijl ze in gesprek was met iemand van de Rode Halve Maan. Hind vertelt: ‘De anderen zijn dood, of misschien slapen ze’, en smeekt om hulp. ‘De tank staat naast me. Hij rijdt. Komen jullie me halen? Ik ben zo bang.’ De medewerkster aan de andere kant van de lijn is hevig bezorgd, want ze weet hoe gevaarlijk de situatie is; ze noemt Hind liefdevol ‘habibti’, ‘schatje’, en blijft aan de lijn om haar gezelschap te houden.

    ‘De tank staat naast me. Hij rijdt. Komen jullie me halen? Ik ben zo bang’

    Na een drie uur durende communicatie – zo veel tijd hadden haar collega’s van de Rode Halve Maan nodig voor overleg met de Israëlische autoriteiten om de locatie van de auto te bepalen en toestemming te krijgen om het meisje in veiligheid te brengen – verzekert de medewerkster Hind dat er twee hulpverleners naar haar toe komen. De registratie van dit hartverscheurende gesprek, waarbij het leven van het kind aan een zijden draadje hangt, is bewaard gebleven voor de geschiedenis, en zal hopelijk ook ooit gebruikt kunnen worden door rechters, om de verantwoordelijken voor het bloedbad waarbij Hind door het Israëlische leger werd vermoord te straffen.

    Pas na twaalf dagen zal het levenloze lichaam van Hind worden gevonden, in die auto waarop iemand maar is blijven schieten, doorboord door 335 kogels, niet ver van de ambulance met daarin de lijken van de hulpverleners van de Rode Halve Maan, die haar niet op tijd hebben kunnen bereiken. Het Britse team van Forensic Architecture, onder leiding van professor Eyal Weizman, heeft de afstanden en de richting van de schoten gereconstrueerd. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat het ‘niet plausibel’ is dat de Israëlische soldaten die vanuit de tank schoten geen duidelijk zicht zouden hebben gehad op de burgers die in de auto zaten – onder wie dus kinderen.

    Het verhaal van Hind is een symbool geworden voor de wreedheid van de Israëlische aanval op de bevolking van Gaza, sinds 7 oktober 2023. Maar dit meisje is meer dan drie maanden na 7 oktober gedood, toen Israël al meer dan 26.000 mensen had vermoord, onder wie minstens 10.000 kinderen. Hoe heeft men dit allemaal kunnen laten gebeuren? En hoe is het mogelijk dat er ook nu – eind maart 2025, terwijl ik dit boek aan het redigeren ben –, nu het vastgestelde aantal omgekomen kinderen al meer dan 17.000 bedraagt, van wie er duizend nog geen één jaar waren, nog steeds straffeloosheid heerst, en dat de moordmachine die Israël in gang heeft gezet onvermoeibaar doorgaat? Het antwoord schuilt in decennia van manipulatief woordgebruik, dat heeft geleid tot een verwrongen perceptie van de machtsverhoudingen tussen Israëliërs en Palestijnen.

    Elk Palestijns leven wordt gezien als een mogelijk toekomstig gevaar voor de overleving van Israël

    De laatste dertig jaar heeft die bewuste manipulatie velen ertoe gebracht om te geloven dat de Palestijnen verantwoordelijk zijn voor hun eigen situatie, en dat ze een existentiële dreiging vormen voor Israël. Ook de kinderen? Ja, die ook, en misschien wel vooral de kinderen, want in de logica van de Israëlische aanval die na 7 oktober begon wordt elk Palestijns leven gezien als een mogelijk toekomstig gevaar voor de overleving van Israël.

    Hoeveel Palestijnse kinderen zijn er zo omgekomen? Met de straffeloosheid van de schuldigen, met het gruwelijke verdriet van hele families en gemeenschappen? Dat zijn er tienduizenden. Het verhaal van Hind, hoe afschuwelijk ook, is niet ongewoon in Palestina. Mohammed Tamimi was twee jaar oud toen hij, een paar maanden voor 7 oktober 2023, door het Israëlische bezettingsleger – dat formeel bekendstaat onder de naam Israëlisch defensieleger (Israël Defence Forces: IDF) – door zijn hoofd werd geschoten terwijl hij bij zijn vader in de auto zat op de bezette Westelijke Jordaanoever. Niemand werd er verantwoordelijk voor gehouden, zoals gewoonlijk.

    Dat is de kindertijd, in Palestina.

    Toen Max en ik in Jeruzalem woonden, grensde onze tuin aan een heuveltje waarop een reusachtige, ongelooflijke moerbeiboom stond, die maandenlang vruchten droeg. Onder die boom lag altijd een paars tapijt van gevallen moerbeien, en de kinderen kwamen ze vaak rapen.

    Dat is de kindertijd, in Palestina.

    Vlak naast ons huis was een stenen muurtje waar zo’n metalen hekwerk op stond, dat er ooit, jaren eerder, provisorisch moest zijn geplaatst. De kinderen kropen er altijd onderdoor om moerbeien te gaan rapen, waardoor er een opening was ontstaan. Op een dag zag ik ze en zei: ‘Hé kinderen, als jullie moerbeien willen mogen jullie ook bij mij aanbellen en dan doe ik de poort voor jullie open, dan hoeven jullie niet daar onderdoor te kruipen.’ De meesten van hen verstonden me niet, want bijna niemand van hen sprak Engels, behalve een jongetje met donkere wallen dat ik al vaker in de buurt had zien spelen met zijn tweelingzusje en hun vriendjes.

    ‘Hallo,’ herhaalde ik dus, nu rechtstreeks tegen hem. ‘Ik weet dat jullie hier in de wijk wonen, ik heb jullie al heel vaak zien spelen. Als jullie moerbeien willen is het geen probleem, vraag het dan gewoon aan ons, zodat je je niet bezeert aan dat hekwerk.’ Zijn beleefde maar vastberaden antwoord deed me versteld staan.

    ‘Nee, dank u,’ zei hij. ‘U hoeft de poort niet voor ons open te doen. Wij blijven onder het hekwerk door kruipen, zoals we altijd hebben gedaan.’ Die kleine Mohammed was al heel assertief op zijn elfde.

    Zijn familie was een van de eerste in de wijk Sheikh Jarrah geweest die door Israëlische kolonisten – gewapende burgers die de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever bevolken, met steun van het leger – uit hun huis was gezet.

    ‘U hoeft de poort niet voor ons open te doen. Wij blijven onder het hekwerk door kruipen, zoals we altijd hebben gedaan’

    In dit huis had Rifqa, de oma van Mohammed en van zijn zusje Muna, in 1948 haar toevlucht gezocht nadat ze was verdreven uit Haifa (sindsdien deel van Israël). Na een lange juridische strijd werd in 2009 het hoofdgebouw van hun bezit ingenomen door Israëlische kolonisten, terwijl de familie El-Kurd in de moestuin een huisje moest bouwen waar ze noodgedwongen met z’n allen in gingen wonen.

    De reactie van Mohammed verbaasde me, want het is niet vanzelfsprekend dat een kind van elf jaar – of zeven, twaalf, veertien jaar – zo’n duidelijk besef heeft van rechten, ruimte en identiteit. Maar dat is wel de realiteit voor de Palestijnen die zijn opgegroeid onder de bezetting, en voor de miljoenen Palestijnen die zijn geboren in de vluchtelingenkampen rondom Palestina. Generaties mensen zijn opgegroeid terwijl ze zagen dat hun land dag na dag onder hun voeten vandaan werd gerukt, wat de voedingsbodem vormt voor een eindeloze strijd om hun huis, hun waardigheid, en om alles wat op die leeftijd vanzelfsprekend zou moeten zijn.

    De kindertijd wordt afgepakt van de Palestijnen, ze worden volwassen in een kinderlichaam en gaan gebukt onder zorgen, spanningen, angsten en verantwoordelijkheden die ze op hun leeftijd niet zouden moeten hebben.

    Vandaar dat ik, als Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden, in 2023 besloot om mijn derde rapport aan de kindertijd te wijden, waarbij ik gebruikmaakte van een Engels woord dat de Palestijnse realiteit levendig beschrijft: unchilding, oftewel ‘de kindertijd ontnemen’. De keuze voor dat onderwerp ontstond uit de hoop dat ik het grote publiek meer inzicht zou kunnen geven in de ernst van de situatie als ik zou laten zien hoe het leven van een kind in Palestina daadwerkelijk is, naast de opgenomen statistieken en regelgeving.

    unchilding, oftewel ‘de kindertijd ontnemen’

    Toen ik mijn onderzoek deed, was alles heel anders dan nu: mijn rapport werd twee weken na 7 oktober 2023 gepresenteerd, maar ik had het twee weken voor die datum afgerond. En ook toen al was de situatie verschrikkelijk.

    Op dat moment in het najaar waren de gegevens over de Palestijnse kinderen die in vijftien jaar tijd (van 2008 tot september 2023) waren gedood al schrikbarend: het waren er meer dan 1400. Ieder van hen een klein universum dat voorgoed was uitgewist. Van 7 oktober 2023 tot maart 2025 was dat toch al huiveringwekkende aantal meer dan tien keer zo groot geworden: in zeventien maanden zijn er ruim 17.000 kinderen gedood, onder wie meer dan duizend baby’s, van wie het leven al abrupt werd afgebroken nog voordat ze hadden kunnen leren kruipen, praten en spelen.

    In augustus 2024 was Mohammed Abu al-Qumsan in Gaza bezig de geboortecertificaten op te halen van zijn tweeling, die drie dagen daarvoor was geboren, toen hij werd gebeld: je appartement is gebombardeerd, je vrouw en kinderen zijn in het ziekenhuis. We konden niets meer voor ze doen. Dood voordat ze hun ogen openden naar het leven.

    Dat is de kindertijd, in Palestina.

    Toen ik in 2023 niet het benodigde visum van de Israëlische regering kreeg om in de regio mijn onderzoek te gaan doen voor de Algemene Vergadering van de VN dat najaar, besloot ik een andere tactiek toe te passen. Met steun van Palestijnse maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen werden er focusgroepen opgericht, zodat ik de kinderen online kon interviewen.

    Dat is de kindertijd, in Palestina

    In die periode was ik met mijn gezin op vakantie op Sicilië, bij opa en oma (mijn schoonouders). Elke middag nadat ik met mijn kinderen had geluncht en even een duik in zee had genomen, ging ik naar het dakterras van ons verblijf, en nadat ik mijn computer daar had ingeplugd in een van de weinige stopcontacten die er waren begon ik met de afspraken, die elke dag uren doorgingen.
    Algauw bleek dat de groepen kinderen en pubers die ik interviewde goed gestructureerd en gedisciplineerd waren.

    Ze waren verdeeld in leeftijdscategorieën en geografische ligging, en zowel de jongeren als hun ouders waren blij met deze kans om hun ervaringen en getuigenissen met mij te delen. Samen aan een tafel, of zittend op stoelen die soms veel te groot voor ze waren (zoals bij de kinderen in Jenin), zaten ze allemaal heel aandachtig voor het scherm.

    Er was iemand bij om te tolken, maar het merendeel van de kinderen spreekt goed Engels, vooral in Gaza, waardoor ik rechtstreeks met ze kon praten.

    Door die ontmoetingen werd ik geconfronteerd met een waar wonder van leven, vitaliteit en vriendelijkheid, een kader waarin de energie en de hoop leken voort te bestaan, ondanks alle ellende. Te midden van alle moeilijkheden van de permanente bezetting en de onophoudelijke oorlogen in Gaza, waar iedereen door de belegering in feite gevangen zat in een getto, en te midden van de verwoestende nabijheid van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, met veelvuldige arrestaties, continue invallen van soldaten en aanvallen van de kolonisten, vertoonden de kinderen die ik die zomer heb leren kennen een buitengewoon talent om de fundamentele waarden te behouden, op de eerste plaats hun liefde voor school. Ze hadden voor de gelegenheid hun nette kleren aan, het haar van de jongens was netjes gekamd, de meisjes hadden kleurige jurkjes aan en hun lange haar was bedekt met een hoofddoek, of ze hadden een hoofddoek los over hun schouders hangen. In hun stemmen hoorde ik een grote honger naar kennis en een vurig verlangen naar de toekomst.

    Ook dat is de kindertijd, in Palestina.

    PALESTINA ALS PLAATS DELICT

    De Italiaanse rechtsgeleerde Francesca Albanese, een uitgesproken criticus van Israël, werd aangesteld door de VN-Mensenrechtenraad (Human Rights Council) als onbetaalde onafhankelijke expert om toezicht te houden op mensenrechtenkwesties. Dat heeft ze met verve gedaan.

    Vervolgens riep ze expliciet op tot strafrechtelijke vervolging van bedrijven en hun leidinggevenden die Israëlische nederzettingen en/ of militaire acties en oorlogvoering faciliteren of ervan profiteren, waaronder wapenproducenten en grote vermogensbeheerders. VN-lidstaten moesten, vond zij, sancties en een wapenembargo tegen Israël instellen.
    Dat nam niet iedereen haar in dank af. Pro-Israëlische groepen en de VS bekritiseren Albanese regelmatig, waarbij de Amerikaanse regering haar werkwijze als ‘opruiend, juridisch twijfelachtig en antisemitisch’ bestempelt. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio legde sancties op aan de VN-expert, een hoogst ongebruikelijke maatregel, schrijft de Russisch-Amerikaanse journalist M. Gessen in The New York Times, aangezien het gaat om een aan de VN-gelieerde jurist.

    Haar boek Wanneer de wereld slaapt begint Albanese – die dagelijks wordt beschuldigd van antisemitisme – met een verklaring dat ze de moord en ontvoering van Israëlische burgers door Hamas op 7 oktober 2023 zonder voorbehoud veroordeelt.

    Albaneses kompas, schrijft Antonin Iommi-Amunategui in Le Monde, is het internationaal recht, de strijd tegen onrechtvaardigheid en solidariteit, die Albanese ‘een politieke vorm van liefde’ noemt.
    Palestijnen en hun bondgenoten beschouwen Albanese als een onverzettelijke voorvechter van Palestijnse rechten. Israël en Amerikaanse Joodse organisaties verwerpen echter haar beschuldigingen van genocide en stellen dat ze zelden geweld tegen Israëlische burgers veroordeelt of Palestijnse gewapende groepen zoals Hamas bekritiseert.

    Het boek is geen geschiedkundig of juridisch werk, maar geeft het woord aan tien mensen – Palestijnen, Israëliërs en anderen – die elk vanuit hun eigen perspectief de Palestijnse tragedie belichten.

    Een centraal verhaal is dat van Hind Rajab, een vijfjarig meisje dat op 29 januari 2024 door het Israëlische leger werd gedood. Als enige overlevende in de auto van haar oom was ze drie uur lang aan de telefoon met de hulpdiensten, die onderweg naar haar werden gedood door het Israëlische leger. Ook Hind overleefde het niet. Andere stemmen in het boek behandelen thema’s als bezetting en segregatie, antisemitisme, apartheid, trauma en genocide.

    Albanese beschouwt Palestina als een plaats delict waar ‘we allemaal onze vingerafdrukken hebben achtergelaten’. Toch probeert ze ook hoop over te dragen, geïnspireerd door Palestijnse kinderen die ondanks alles een ‘vurig verlangen naar de toekomst’ behouden.

  • De laatste prinses van Tibet. Een voorpublicatie

    De laatste prinses van Tibet. Een voorpublicatie

    1958, Ngawa, Tibet: Als de zevenjarige Gonpo, kroonprinses van de Mei-Dynastie, terugreist naar haar stad, ziet ze vanuit de verte bij hun paleis tenten van het Chinese Volksbevrijdingsleger staan. De Chinese invasie betekent het einde van de wereld zoals ze die heeft gekend.

    Voorpublicatie

    Dit is een voorpublicatie uit De laatste prinses van bekroond auteur Barbara Demick. In dit boek reconstrueert Demick de ongelofelijke levensverhalen van de inwoners van Ngawa, Tibet. Met oog voor detail beschrijft ze hoe de Tibetanen pogen hun cultuur, geloof en taal te behouden – in weerwil van de onderdrukking door een niets en niemand ontziende supermacht.

    The New York Times, The Washington Post en The Economist riepen het uit tot een van de beste boeken van 2020. ‘Je kunt China niet begrijpen zonder dit boek over Tibet te lezen’, schreef The New Yorker. Wij publiceren hoofdstuk 1 van deel 1, dat speelt tussen 1958 en 1976, genaamd ‘De laatste prinses’.

    Gonpo voelde de rook in haar neus prikken voordat ze zag wat er aan de hand was. Hoewel ze pas zeven was en weinig tot niets van politiek begreep, bevestigde dit het knagende gevoel van de laatste weken. Er was iets mis. Samen met haar moeder, zus, tante en een escorte van dienaren was ze nu onderweg naar huis. Ze waren weg geweest om de begrafenisrituelen voor haar overleden oom bij te wonen. Toen ze vertrokken naar het dorp van haar oom was het nog zomer. In totaal waren ze negenenveertig dagen gebleven, de traditionele boeddhistische rouwperiode tussen de dood en de wedergeboorte. Nu was het begin herfst en de avondkoelte fluisterde al van de sneeuw die weldra van de bergtoppen naar beneden zou kruipen. Gonpo droeg een dik, met bont afgezet gewaad van schapenvacht. Toch huiverde ze van de wind die van onder haar paard naar boven zwiepte. Het hele gezelschap zat te paard: zoals gebruikelijk voor Tibetanen was Gonpo al op jonge leeftijd een ervaren ruiter. Ze volgden een onlangs door Chinese militairen aangelegde, maar nog niet bestrate weg naar het westen, naar daar waar de zon onderging. Hun route splitste zich af bij een beek die noordwaarts leidde, richting Gonpo’s huis. Toen ze voorbij wat struikgewas reden, zag Gonpo waar de rook vandaan kwam. Vanaf haar paard had ze vrij zicht op zes kampvuren en evenzoveel tenten. Naarmate ze dichterbij kwamen, zag ze ook dat dit niet de door de Tibetanen gebruikte, van zwarte jakharen gemaakte tenten waren, maar de kleine witte tenten van het Volksbevrijdingsleger.

    In 1958 was het negen jaar geleden dat Mao Zedong de Volksrepubliek China had uitgeroepen, dus op het platteland stuitte je wel vaker op kampen van het Rode Leger. Maar dit kamp bevond zich óp het land van de familie – en juist dat maakte het zo vreemd. Tijdens de laatste etappe van hun tweedaagse tocht had Gonpo tegen de slaap zitten vechten, maar nu was ze klaarwakker, uit nieuwsgierigheid en ook door een vleugje angst. Als een van de eersten steeg ze af. Zonder op hulp van een dienaar te wachten, gleed ze van haar paard. Terwijl ze naar de poort rende, vroeg ze zich verbaasd af waarom niemand de terugkerende escorte kwam begroeten. Ze bonsde hard op de houten poort – die was twee keer zo hoog als een volwassen man en had bovenin een latei. Omdat een reactie uitbleef, schreeuwde ze zo hard ze kon: ‘Hallo, hallo! Waar is iedereen?’

    Haar moeder kwam achter haar aan en begon ook te roepen.

    Uiteindelijk verscheen Gonpo’s kinderjuffrouw om de poort te openen. Maar in plaats van een hartelijke begroeting boog ze zich over Gonpo heen alsof ze er niet was. Ze bracht haar gezicht zo dicht bij het oor van Gonpo’s moeder dat ze haar iets kon influisteren. Gonpo verstond niet wat ze zei, maar uit haar moeders reactie begreep ze wel dat het weinig goeds kon zijn. De laatste tijd had ze haar moeder veel zien huilen. De overleden oom was haar lievelingsbroer geweest en Gonpo dacht dat haar moeder nu weer huilde omdat ze nog steeds verdrietig was over diens dood. Dat was althans wat Gonpo graag wilde geloven, ook al wezen de rook, de tenten en het bloedserieuze gezicht van de kinderjuffrouw op het tegendeel. Intuïtief begreep ze dat dit het begin van het einde was van de wereld zoals ze die kende.

    Niet echt een meisjesachtige prinses

    Gonpo werd opgevoed als een prinses. Haar vader, Palgon Tinley Rapten [veel Tibetanen hebben geen achternamen zoals we die in het Westen kennen, maar meestal hebben ze wel meerdere voornamen], een naam die je kunt vertalen als ‘Achtenswaardig Verlichting Standvastig’, was de veertiende koning uit een geslacht van heersers van het zogeheten Mei-koninkrijk. De koninklijke hoofdstad was Ngawa, dat nu in de provincie Szechuan ligt. Toen Gonpo in 1950 werd geboren, was Ngawa een onbeduidend marktstadje waar handelaren hun zout en thee kwamen verkopen en herders hun boter, huiden en wol. De hele regio was een lappendeken aan kleine leengoederen die werden bestuurd door verschillende stamhoofden en koningen, prinsen, khans en warlords. De Chinezen verwezen met de term tusi, die vaak wordt vertaald als ‘grootgrondbezitter’, naar lokale heersers zoals Gonpo’s vader. Maar de Tibetanen noemden hem gyalpo, oftewel ‘koning’. In de Engelstalige kronieken uit begin twintigste eeuw wordt trouwens ook naar hem verwezen als iemand van koninklijken bloede. Dat was hoe dan ook zoals Gonpo de maatschappelijke status van haar familie zag.

    yu wang l2HkdiANeVg unsplash 1 1
    © Yu Wang / Unsplash

    Als kind droeg Gonpo zogenaamde chuba’s, gewaden die tot aan de enkels vallen en bij de taille worden aangehaald. Bijna alle Tibetanen droegen dezelfde kleding, waarbij je iemands status aan de kwaliteit kon aflezen. Gonpo’s chuba’s werden afgezet met otterbont. Rond haar nek droeg ze touwtjes met kralen zo dik als druiven – van koraal, barnsteen en het uiterst kostbare dzi, een Tibetaanse gestreepte agaat die haar moest beschermen tegen het boze oog. In andere opzichten was ze niet echt een meisjesachtige prinses. Ze was eerder schattig dan knap, met spleetjes tussen haar tanden en een stomp wipneusje dat haar op een ondeugend jongetje deed lijken. Zoals veel jonge meisjes in Ngawa had Gonpo kortgeschoren haar, wat aangaf dat ze niet van huwbare leeftijd was. Haar moeder en de andere volwassen vrouwen uit de koninklijke familie droegen lange vlechten, die door kwastjes en koraalsnoeren op hun plek werden gehouden en zo doorwrocht waren dat hun dienaressen soms wel twee dagen zoet waren met vlechten.

    De familie woonde aan de oostkant van Ngawa, net buiten het centrum in een imposant landhuis – strikt genomen was het een paleis, al leek het meer op een solide en sterk fort dat in de eerste plaats was neergezet om stand te houden. Het huis was in traditionele Tibetaanse stijl opgetrokken uit aangestampte aarde. Tijdens het droge seizoen, wanneer er geen gras op de hoogvlakte groeide, ging het donkere, grijsbruine huis volledig op in het om- liggende landschap. De massieve, onderaan bijna drie meter dikke muren liepen bovenin taps toe en boden zo extra stabiliteit in het geval van aardbevingen; ook de smalle, met houten latwerk omkaderde raamopeningen hadden zo’n toelopende vorm. De muren waren kaal, afgezien van twee uitstekende houten balkons. Die bevonden zich aan weerszijden: eentje aan de oostkant, eentje aan de westkant. Hoe elegant die balkons er ook uitzagen, daar bevonden zich wel de toiletten. De menselijke uitwerpselen vielen naar beneden, werden daar met as vermengd en vervolgens als mest over de velden verspreid.

    Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhistische rituelen

    Het gebrek aan moderne gemakken werd gecompenseerd door de enorme omvang van het huis. De meer dan 850 ruimtes waren verspreid over 7400 vierkante meter. Van de kerkers, stallen en voorraadkamers beneden tot de hogergelegen kamers die eleganter waren en een hogere functie hadden. Daar waren de slaapkamers voor de kinderen en hun moeder. En ook die van de hele schare aan medewerkers en persoonlijke functionarissen van de koning. De vertrekken op de bovenste verdiepingen waren voorzien van houten panelen die de gedroogde modder van de buitenmuren aan het oog onttrokken.

    Volgens deze logica paste het dat de bovenste verdieping was bestemd voor spirituele doeleinden. Die kamers werden verlevendigd met fresco’s en thangka’s, Tibetaanse banieren, met stuk voor stuk felle gouachekleuren die de ogen deden knipperen. Aangezien boeddhistische personages telkens opnieuw reïncarneren, komen ze voor in talloze verschijningsvormen: mannelijk of vrouwelijk en vertrouwd of juist vol verbeeldingskracht. Zo was er de vroegere en toekomstige Boeddha. En waren er vele bodhisattva’s, de verlichte wezens die de toestand van nirwana uitstellen om opnieuw geboren te worden en zo anderen te kunnen helpen. Het meest gekoesterde beeld was dat van Avalokitesvara of Chenrezig, de bodhisattva van compassie en de beschermheilige van de Tibetanen. Dit beeld, dat door de veertiende Dalai Lama aan de koning was geschonken, had een centrale plek in de kapel.

    De koning was een toegewijd bibliofiel en bezat een uitgebreide verzameling boeken en heilige geschriften, waarvan sommige in goud en zilver waren gedrukt. De ontvangstzaal onder de bibliotheek was ruim genoeg om duizenden monniken te ontvangen. Op boeddhistische feestdagen weergalmde het in het hele paleis van de kakofonie die werd voortgebracht door chants en klankbekkens, hoorns en schelpen. En natuurlijk door de onvertaalbare mantra die Tibetanen uiten om hun beschermheilige, de bodhisattva van compassie, aan te roepen:

    Om mani padme hum

    Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhistische rituelen. De koning begon elke ochtend met meerdere prosternaties voor een altaar. Hij ging rechtop staan en vouwde in gebed zijn handen ineen boven zijn hoofd, om vervolgens in één beweging door zijn lichaam languit op de vloer uit te strekken en weer op te staan. Met dit ritueel hield hij zijn lichaam slank en zijn geest helder.

    In hoeverre iets religie was en in hoeverre traditie of gewoonte viel onmogelijk te bepalen. Wanneer Gonpo bijvoorbeeld op gejok werd betrapt, moest ze verschillende rondjes om een nabijgelegen klooster lopen en talloze gebedsmolens laten draaien, grote verticale cilinders van metaal en hout, en al zwoegend de daarop geschreven gebeden lezen. Elke keer dat je een gebedsmolen op zijn spoel draaide, was het alsof je hardop een gebed opzei. Voor een kind waren ze best zwaar. De straf dwong haar na te denken over wat ze verkeerd had gedaan.

    thomas lipke WYYjLVf Wv8 unsplash 1 1
    @ Thomas Pilke / Unsplash

    De kinderen – Gonpo en haar zes jaar oudere zus – woonden met hun moeder in afzonderlijke vertrekken aan één kant van het huis. Wanneer ze wakker werden, nam hun moeder de meisjes mee naar de kamers van hun vader om hem goedemorgen te wen- sen. Tegen bedtijd herhaalden ze dit ritueel om hem welterusten te zeggen. Het gezin at de meeste maaltijden gezamenlijk. Daarbij zag hun vader streng toe op hun manieren. Vóór de maaltijd zei- den ze gebeden op. Vervolgens aten de ouderen eerst terwijl de kinderen wachtten. Hun vader at zijn bord altijd leeg tot op de laatste rijstkorrel, om zijn dochters eraan te herinneren hoe hard de boeren voor hun voedsel werkten. Ook stond hij erop dat zijn personeel dezelfde porties kreeg als hij – al aten zij vaak later, waar- door hun maaltijden al koud waren geworden. De koning was een scrupuleus man die wilde voorkomen dat zijn dochters, koninklij- ke afkomst of niet, werden verwend. Ook al wemelde het in huis van de dienaren, toch maakte de koning zijn eigen bed op.

    Om mani padme hum

    Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhis- tische rituelen. De koning begon elke ochtend met meerdere prosternaties voor een altaar. Hij ging rechtop staan en vouwde in gebed zijn handen ineen boven zijn hoofd, om vervolgens in één beweging door zijn lichaam languit op de vloer uit te strek- ken en weer op te staan. Met dit ritueel hield hij zijn lichaam slank en zijn geest helder.

    In hoeverre iets religie was en in hoeverre traditie of gewoonte viel onmogelijk te bepalen. Wanneer Gonpo bijvoorbeeld op ge- jok werd betrapt, moest ze verschillende rondjes om een nabijge- legen klooster lopen en talloze gebedsmolens laten draaien, grote verticale cilinders van metaal en hout, en al zwoegend de daarop geschreven gebeden lezen. Elke keer dat je een gebedsmolen op zijn spoel draaide, was het alsof je hardop een gebed opzei. Voor een kind waren ze best zwaar. De straf dwong haar na te denken over wat ze verkeerd had gedaan.

    De kinderen – Gonpo en haar zes jaar oudere zus – woonden met hun moeder in afzonderlijke vertrekken aan één kant van het huis. Wanneer ze wakker werden, nam hun moeder de meisjes mee naar de kamers van hun vader om hem goedemorgen te wensen. Tegen bedtijd herhaalden ze dit ritueel om hem welterusten te zeggen. Het gezin at de meeste maaltijden gezamenlijk. Daarbij zag hun vader streng toe op hun manieren. Vóór de maaltijd zeiden ze gebeden op. Vervolgens aten de ouderen eerst terwijl de kinderen wachtten. Hun vader at zijn bord altijd leeg tot op de laatste rijstkorrel, om zijn dochters eraan te herinneren hoe hard de boeren voor hun voedsel werkten. Ook stond hij erop dat zijn personeel dezelfde porties kreeg als hij – al aten zij vaak later, waardoor hun maaltijden al koud waren geworden. De koning was een scrupuleus man die wilde voorkomen dat zijn dochters, koninklijke afkomst of niet, werden verwend. Ook al wemelde het in huis van de dienaren, toch maakte de koning zijn eigen bed op.

    De koning was zijn tijd vooruit en hechtte er groot belang aan dat meisjes hetzelfde onderwijs kregen als jongens. Hij had geen zonen en ging ervan uit dat een van zijn dochters de nieuwe monarch zou worden. Gonpo had een leraar die haar elke ochtend het Tibetaanse alfabet onderwees. Daarvoor gebruikte ze een traditionele methode. Ze spreidde as uit op een leistenen bordje en gaf Gonpo een ganzenveer om de letters na te trekken. Tibetaans leren schrijven is nog niet zo gemakkelijk. Het schrift is in aangepaste vorm overgenomen uit Noord-India en de medeklinkers worden boven op elkaar geschreven. Gonpo zat urenlang met glazige blik naar de dwarrelende letters te staren.

    evgeny nelmin MTcz2q0HlNY unsplash 1 3 1
    Het Drekong-klooster in Tibet. – © Unsplash

    Als kind was ze rusteloos. Ze ergerde zich aan de strikt afgeba-kende grenzen van haar leven binnen de paleismuren. Toen ze een peuter was, bond haar kinderjuffrouw een bel rond Gonpo’s middel zodat ze het direct hoorde als Gonpo naar buiten probeerde te gaan. Pas veel later besefte Gonpo hoezeer deze afgezonderde periode van haar vroege kinderjaren van voorbijgaande aard was geweest. Ze had geen speelkameraadjes van haar eigen leeftijd. Haar oudere zus, die bleek zag en vlijtig studeerde, ging niet mee in Gonpo’s neiging om kattenkwaad uit te halen. Gonpo was het gelukkigst wanneer de monniken op bezoek kwamen, aangezien sommige monniken gewoon nog jongens van haar leeftijd waren. Een van hen was haar favoriet. Het toeval wilde dat hij was geïdentificeerd als een gereïncarneerde lama, een tulku. Terwijl de volwassenen deze jongen aanbeden, trok Gonpo aan zijn mouw en eiste ze dat ze in de ontvangstzaal samen een balletje gingen trappen. Ook glipte Gonpo regelmatig het paleis uit om met de kinderen in een van de naburige huizen te gaan spelen. En dan gedroeg ze zich allerminst als een prinses. Zo herinnerde een van die kinderen zich later hoe ze erop stond om bij hem thuis mee te helpen met huishoudelijke klusjes. Omdat ze het ongemakkelijk vond dat ze meer had dan andere kinderen probeerde ze kledingstukken weg te geven. Eenmaal sloop ze met de kinderen uit de buurt de privétuinen van het paleis in om bonen te pikken. Gonpo besefte niet dat de gepikte bonen eigenlijk van haarzelf waren.

    Toen ze ouder werd, maakte haar vader zich zorgen omdat ze zich niet als een prinses gedroeg. Hij probeerde te verhinderen dat ze omging met de buurtkinderen, het kroost van zijn onderdanen. Vanaf dat moment moest ze genoegen nemen met uit het raam staren naar de ommuurde binnenplaats en verder, naar de rollende heuvels die in het noorden overgingen in besneeuwde bergtoppen. Alles wat ze zag behoorde tot haar vaders koninkrijk.

    Het Mei-koninkrijk strekte zich in ieder geval uit tot Dzorge (Zoige in het Chinees), bijna 150 kilometer naar het noordoosten. Het was niet helemaal duidelijk hoeveel land er precies onder het koninkrijk viel, aangezien in deze samenleving de macht niet in gebied, maar in onderdanen werd uitgedrukt. Grenzen waren minder belangrijk dan loyaliteit. En weinig banden van loyaliteit waren zo sterk als familiebanden. Volgens Tibetaanse bronnen regeerde de Mei-koning over 12 stammen en 1900 huishoudens. Chinese documenten stellen dat 50.000 mensen rechtstreeks onder zijn gezag vielen. De rijkdom werd op overeenkomstige wijze gemeten, namelijk op basis van het aantal dieren dat een familie bezat. En dus staan die in de kronieken nauwgezet geboekstaafd: het koninkrijk bezat 450 paarden en 800 stuks vee, waaronder jaks, die soms met koeien werden gekruist.

    Hoewel er weilanden rondom het paleis lagen, werden de meeste dieren gehouden nabij Meruma, een dorp zo’n twintig kilometer naar het oosten dat speciaal was gebouwd voor de kuddes van het koninkrijk. In Meruma had de koning ook een zomerpaleis. Weer een ander, kleiner paleis bevond zich een aantal kilometer verder naar het westen. Dat stond op het terrein van het Kirti-klooster, dat ooit was gesticht door de voorouders van de koning. Dit paleis werd gebruikt tijdens bedevaarten en op boeddhistische feestdagen.

    Tientallen jaren later speurde ze de speelgoedwinkels van Azië af naar het soort speelgoedappel dat ze destijds had moeten achterlaten

    Gonpo wist niet beter dan dat haar vader de onbetwiste heerser van dit gebied was. Hij besloot op welke uren de markten open waren, wat er verkocht mocht worden en op welke dieren er mocht worden gejaagd. Hij was een vroom boeddhist en dus verbood hij de jacht op vogels, vissen, marmotten en andere kleine dieren. Aangezien men geloofde dat in elk dier een gereïncarneerde ziel huisde, was het beter om een groot dier zoals een jak of schaap te doden. Daarmee konden immers vele monden worden gevoed. Ook de verkoop van opium was streng verboden.

    Vanaf het ontbijt ontving de koning een stroom bezoekers die een beroep op hem deden om iets te doen met hun klachten of ge- schillen te beslechten. Iemand die met zijn buurman ruziede over een stuk land of juist een bedrijfje wilde beginnen, verzocht de ko- ning om een oordeel. Dergelijke verzoeken waren zo talrijk dat er altijd wel mensen in afwachting van hun audiëntie kampeerden op het veld voor het paleis. Er kwamen trouwens niet alleen Tibetanen om raad vragen. De streek herbergde mensen uit tientallen etnische groepen, waaronder de Mongolen, die in de dertiende eeuw op de hoogvlakte waren neergestreken, en de Qiang, die uiterlijk sterk leken op de Tibetanen maar wel hun eigen taal en cultuur hadden. En dan had je nog de Chinese moslims, de Hui (spreek uit: Hwee). Zij waren etnisch gezien Chinees, maar zagen er zeer opvallend uit. De mannen hadden pluizige baarden en vaak witte kalotjes, de vrouwen droegen hoofddoeken.

    Langzamerhand kwamen er ook steeds meer Han-Chinezen in het gebied wonen. De Han vormden de meerderheid in China. En de meeste Han-Chinezen die Gonpo tegenkwam, waren op de een of andere manier verbonden aan de Chinese regering. Maar ook zij leken haar vader met eerbied te behandelen. Gonpo had dan ook niets tegen hen. Verrukt maakte ze mee hoe Chinese ingenieurs en bouwvakkers evenwijdig aan de rivier een nieuwe weg aanlegden – dezelfde weg waarover ze na de begrafenisrituelen naar huis waren gereisd. In een van Gonpo’s vroegste herinneringen nam ze deel aan de ceremonie ter ere van de ingebruikname van de weg die Ngawa met Chengdu verbond en vlak langs hun paleis liep. Gekleed in hun mooiste Tibetaanse gewaden en getooid met kralen overhandigden ze bosjes bloemen aan de Chinese functionarissen die het lintjes knippen kwamen bijwonen. Tijdens die gelegenheid zagen de jonge meisjes voor het eerst motorvoertuigen. Na afloop maakte haar moeder het grapje dat de meisjes hadden geprobeerd de trucks gras te voeren, omdat ze dachten dat het paarden waren.

    Heel erg mis

    Toen de koninklijke familie die avond in 1958 thuiskwam van de begrafenis, had Gonpo geen idee waarom de Chinezen vlak voor haar huis hun tenten hadden opgeslagen. Ze stoof naar binnen en rende naar de tweede verdieping. De dienaren keken al even strak als haar kinderjuffrouw. Sommigen hadden tranen in hun ogen. Er was iets mis, heel erg mis. Ze kon haar vader nergens vinden – iemand zei dat hij naar een bijeenkomst was gegaan, maar dat overtuigde haar niet. Op zoek naar hem, of naar iemand die haar kon vertellen wat er aan de hand was, rende ze van kamer naar kamer. Niemand gaf haar antwoorden. De dienaren bewogen zich met hun armen vol kleren en beddengoed tussen de vertrekken. Dat ergerde Gonpo alleen maar meer. Op de typische manier waarop heel kleine kinderen heel harde geluiden kunnen maken, dreunden haar voetstappen na op de houten vloeren – bons, bons – totdat de kinderjuffrouw haar inhaalde en bij de arm greep.

    Ze moest stil zijn, waarschuwde de kinderjuffrouw haar. Begreep ze soms niet dat dit ernstig was? Nee, dat begreep ze niet. Helemaal niet zelfs. Maar aangezien iedereen aan het inpakken was, bedacht Gonpo dat ze dat ook maar moest gaan doen. Ze ging naar haar kamer en zocht haar speelgoed bij elkaar.

    ‘Die spullen zul je niet nodig hebben. Laat ze hier,’ snauwde haar kinderjuffrouw, die al voor Gonpo zorgde sinds ze een baby was en nooit eerder zo scherp tegen haar was uitgevallen.

    En dus nam ze afscheid van haar dierbaarste bezit: een plastic appel uit India, die als je hem opende steeds kleinere plastic appels bevatte, net als een Russische matroesjka. Tientallen jaren later, toen ze al ver voorbij de middelbare leeftijd was, grijs werd en last had van jicht, speurde ze de speelgoedwinkels van Azië af naar het soort speelgoedappel dat ze destijds had moeten achterlaten.

    Toen het de volgende ochtend licht werd, zag Gonpo dat het hele huis werd verzegeld. De soldaten bevestigden aanplakbiljetten met daarop grote handgeschreven Chinese karakters. Die leken een dringende politieke boodschap te verkondigen, maar Gonpo wist niet welke want ze las geen Chinees. Rond het kordon soldaten stonden de buren. Tranen stroomden over hun gezichten. Onder hen bevonden zich ook de kinderen met wie ze bonen was gaan stelen.

    Nog altijd zag Gonpo de ernst van de situatie niet in. Ze had vooral oog voor de auto die klaarstond om hen mee te nemen. Dat was gewoon een jeep van Russische makelij, die zelfs naar de maatstaven van het China van de jaren vijftig weinig bijzonders had. Maar Gonpo had nooit eerder een ritje in een privéauto gemaakt, alleen in een bus. Dit vooruitzicht vond ze zo spannend dat ze even vergat welke tragedie er gaande was, naar de auto rende en van opwinding op en neer sprong.

    Haar moeder riep haar met een felle tik op haar wang tot de orde – de enige keer dat een van haar ouders haar ooit heeft geslagen. Gonpo had een kernprincipe van de Tibetaanse gedragsregels overtreden door niet op eerbiedige wijze uit huis te vertrekken. Bedeesd voegde ze zich weer bij haar zus, twee nichtjes en tante. Als in gebed staken ze tegelijk hun handen in de lucht en wierpen ze zichzelf op de grond, om te laten zien dat ze dankbaar waren voor het huis dat hen al die jaren had geherbergd en beschermd. Vervolgens klommen ze in de jeep. De auto werd gstart en met hun koffers opgestapeld op het dak reden ze weg.

    Barbara Demick De laatste prinses Recensie 1 1

    De laatste prinses (Eat the Buddha) van Barbara Demick verscheen eind mei bij uitgeverij Nieuw Amsterdam in een vertaling van Alexander van Kesteren en Dhr. Koos Mebius.

  • David Sedaris ten voeten uit

    David Sedaris ten voeten uit

    Gestolen voorwerpen, een dikke pil met dagboekaantekeningen van de Amerikaanse tragikomische schrijver David Sedaris, is net verschenen, maar voor die paar lezers die niet in hun slaapzak voor de winkel lagen, een kleine appetizer. Alles komt voorbij, drugsverslaving, idiote baantjes, zijn inmiddels bekende neurotische familieleden, hijzelf en niet te vergeten het International House of Pancakes.

    Niet lang nadat ik had besloten een boek met dagboekaantekeningen uit te brengen vond ik een biljet van 5 pond. Ik was afval aan het oprapen op een landweggetje in West Sussex toen ik het zag liggen, tussen een lege chipszak en een halfvol bierblikje met verdronken naaktslakken erin. Met de wisselkoers van dat moment was het briefje ongeveer 8,15 dollar waard, wat, zoals mijn moeder gezegd zou hebben, ‘niks was’. Een paar dagen later had ik in Londen afgesproken met mijn vriendin Pam. We hadden het over meevallertjes, en toen ik over het geld begon vroeg ze of ik het had uitgegeven.

    ‘Ja, natuurlijk,’ zei ik.

    ‘Als je in Engeland iets van waarde vindt en je houdt het, heet dat “gestolen voorwerpen”,’ vertelde ze. 
‘Je moet onderzoeken of het verloren of gestolen is, hoewel het in dit geval – 5 pond – natuurlijk geen probleem is.’

    Heb je nog een appeltje te schillen met je stiefmoeder of de bedrijfsleider van de plek waar je tot gisteren hebt gewerkt? Laten we het er alsjeblieft over hebben!

    Gestolen voorwerpen. Het leek me de perfecte titel voor dit boek. Wat onderwerpen betreft zijn alle dagboekschrijvers verschillend. Ik schreef bijvoorbeeld nooit over mijn gevoelens, deels omdat ze niet bijzonder interessant waren (zelfs voor mij niet), maar vooral omdat ze hoogstwaarschijnlijk zouden veranderen. De gevoelens van anderen daarentegen waren een ander verhaal. Heb je nog een appeltje te schillen met je stiefmoeder of de bedrijfsleider van de plek waar je tot gisteren hebt gewerkt? Laten we het er alsjeblieft over hebben!

    In elk geval leer je van een dagboek waar je interesse ligt. Misschien dat je jezelf in het begin beperkt tot onderwerpen als maatschappelijk onrecht of de onfortuinlijke mensen die vastzaten onder het puin in Turkije of Italië of ergens anders waar een zware aardbeving heeft toegeslagen. Je houdt je dagboek bij zoals je vindt dat je dat moet doen, het soort dagboek waarvan je moeder of je kamergenoot op de campus zou denken: Was ik maar zo betrokken / grootmoedig / wijs als Edward!

    Na een jaar besef je dat het tijd kost om tekeer te gaan over onrecht, tijd die je misschien beter kunt besteden aan het plaatsen van vraagtekens bij fonduen of het beschrijven van de fretten die je je niet kon permitteren. Tenzij natuurlijk maatschappelijk onrecht je ding is, en in dat geval: leef je uit. Het gaat erom dat je erachter komt wie je bent en dat je trouw bent aan die persoon. Want dat is vaak niet mogelijk. Zullen de mensen zich niet van me afkeren als ze zien hoe ik werkelijk ben? vraag je je af. Dat ik in werkelijkheid een hekel heb aan mijn eigen kind, mijn volkomen gezonde hond heb laten inslapen? Dat ik stiekem vind dat The Wire wordt overschat?*

    Het liefst noteer ik aan het eind – of sinds kort aan het begin – van de dag opmerkelijke gebeurtenissen die ik heb waargenomen (een knokpartij, een ongeluk, iemand die met een volle winkelwagen bij de snelkassa staat), flarden van gesprekken die ik heb opgevangen of verrassende dingen die mensen me hebben verteld. Dat zou een vriend kunnen zijn, maar net zo makkelijk een kapper, een onbekende in het vliegtuig of een caissière. Sommige van die verhalen bleken broodjes aap te zijn: de buurman van een familielid wiens dode kat uit de kofferbak van een auto was gestolen enzovoort. Ik hoop dat ik die eruit heb gehaald. En dan zijn er de grappen die ik door de jaren heen op feestjes en signeersessies hoorde. Ze zijn natuurlijk ooit door iemand bedacht – zoals alle moppen –, maar de bedenkers worden bij het navertellen zelden genoemd.

    schermafbeelding 2017 06 29 om 9 35 37 am

    Iets anders wat me opviel bij het doorlopen van veertig jaar dagboeken is dat veel data niet kloppen. Zo waren er bijvoorbeeld drie 1 oktobers 1982. Hoogstwaarschijnlijk doordat ik niet wist welke dag het was. Als je geen baan hebt, heeft tijd de neiging aan elkaar te smelten. In dat prelaptoptijdperk moest je een krant of een kalender raadplegen om te weten 
of het woensdag de achtste of woensdag de negende was. Daarvoor moest je opstaan, dus meestal bleef ik waar ik was en deed een gok. Vaak gokte ik zelfs de maand verkeerd.

    Het kan lijken alsof mijn dagelijkse dagboekaantekeningen uit niet meer dan zeven regels bestaan, maar in feite besteed ik mateloos veel tijd aan het schrijven over mijn dag – doorgaans ongeveer drie kwartier. Als er niets bijzonders is gebeurd schrijf ik wat over een krantenartikel of iets wat ik op de radio heb gehoord. Ik ben niet zo dol op schrijven over het weer, maar ben er niet principieel op tegen. Dus als het leven werkelijk saai wordt, kijk ik gewoon uit het raam en beschrijf ik de kleur van de lucht. Heel vaak leidt dat tot iets anders: een vogel die gemeen doet tegen een andere vogel of het lawaai dat een vliegtuig maakt.

    Vanaf ongeveer 1979 ben ik mijn aantekeningen gaan nummeren.

    Die gewoonte heb ik tot nu toe gehandhaafd.

    28 december 2016
    Een. Het is pas december en nu al…
    Twee. Pa belde me op mijn verjaardag. ‘Ik probeer me een voorstelling te maken van waar je woont,’ zei hij. ‘Zijn er veel hoogspanningskabels?’
    Drie. Hugh stormde gisteren de keuken uit en liet mij, Candy en Amy achter, en ook Ingrid, die net een verhaal over haar moeder aan het vertellen was.
    Vier. Ik liep Michael tegen het lijf in de Waitrose… Vijf. Carrie Fisher is gisteren overleden…
    Zes. Hugh kwam het net vertellen…

    Zo deden holbewoners het voor de uitvinding van 
§de alinea, en ik weet niet waarom ik niet gewoon inspring of twee keer op de spatiebalk druk. Een andere ouderwetse gewoonte die ik in stand houd is dat ik altijd als ik de deur uit ga een notitieboekje bij me draag, een kleintje, in de borstzak van mijn overhemd. Daarin schrijf ik allerlei opvallende dingetjes op, niet heel gedetailleerd, maar gewoon even snel. Dan zoek ik de volgende ochtend in mijn aantekeningen naar het meest betekenisvolle moment van de vorige dag, waar ik me echt bij aanwezig voelde. Dat kon zijn dat ik een oude vriend had gezien, maar net zo goed dat ik naar een onbekende had zitten kijken die met gesloten ogen een boterham at. (Dat is onlangs gebeurd, fascinerend.) Zo nu en dan maak ik een aantekening die misschien iemand amuseert of verheldering brengt, maar dat zijn de stukjes die ik terzijde leg. Ik dacht dat ze uiteindelijk wel in een boek met dagboekaantekeningen terecht zouden komen, maar toen de uitdraai meer dan twintig centimeter dik werd besloot ik dat het misschien zinniger zou zijn om er twee delen van te maken – waarvan deel twee dan de jaren 2003-2017 zou beslaan. Voor de goede orde zeg ik erbij dat dit míjn bewerking is. Van de grofweg acht miljoen woorden die ik sinds 5 september 1977 handmatig of op de typemachine in mijn dagboek heb geschreven, heb ik maar een klein deel gebruikt. In een totaal ander boek met hetzelfde bronmateriaal zou ik ook kunnen overkomen als slecht, zelfzuchtig, genereus of zelfs, als ik zo vrij mag zijn, gevoelig. Op een willekeurige dag ben ik dat allemaal en ook nog stom, opgewekt, misantropisch, wreed, bekrompen, open, kleinzielig – er komt geen eind aan.

    schermafbeelding 2017 06 29 om 9 39 36 am

    Een andere bewerking, ongetwijfeld een nauwkeurigere, zou hebben betekend dat ik mijn dagboek aan iemand had moeten overdragen, maar dat is iets wat ik me niet kan voorstellen, tenzij die ander een journalist is misschien. (Ze komen nooit verder dan bladzijde 3, wat ze dan ‘de helft’ noemen: ‘Ik had het graag uitgelezen voor ons interview, maar ik ben pas op de helft!’)

    Dat gezegd hebbende verwacht ik niet dat iemand dit van begin tot eind zal lezen. Het zal meer iets zijn waar je zo af en toe induikt, zoals in iemands jaarboek of een moppenverzameling.

    Het was niet gemakkelijk om het dagboek te herlezen dat inmiddels 156 delen omvatte. Ik heb het opgedeeld – een maand of twee per dag –, maar na over mezelf te hebben gelezen moest ik de rest van de dag ook nog mezelf zíjn. Ik weet niet of iets me ooit zo heeft uitgeput. Hugh hoorde me in de aangrenzende kamer dingen roepen als: ‘Kun je alsjeblieft je bék houden!’ of ‘Wie kan die pochet wat verdommen!’

    ‘Tegen wie heb je het?’ vroeg hij dan. ‘Tegen mezelf 
in 2001,’ antwoordde ik dan.

    Toen zag ik al wat licht aan het eind van de tunnel. De eerste jaren, 1977 tot 1983, waren het deprimerendst. Ik schreef alles toen nog met de hand. 
Paginalange piepklein geschreven aantekeningen, aangedreven door amfetamine – ondoordringbare muren van woorden die stuk voor stuk totale bullshit waren. Uit die tijd heb ik maar heel weinig in dit boek opgenomen. Het is net alsof je een gek hoort praten. Meer dan een indruk heb je eigenlijk niet nodig.

    Vliegen vangen

    Het dagboek klaarde wat op toen ik naar Chicago verhuisde, deels omdat ik vanaf dat moment in een grote stad woonde, maar vooral omdat ik een veel beter gevoel over mezelf had. Ik had eindelijk gedaan waar ik het al jaren over had: weggaan uit de stad waarin ik was opgegroeid. Ik was weer gaan studeren en was zelfs afgestudeerd. Een nog belangrijkere reden om me goed te voelen: in het najaar van 1990 was ik naar New York verhuisd. Indertijd schreef ik alleen maar ’s nachts, dronken of op weg dat te worden. Je zou verwachten dat ik het ten minste in mijn privédagboek over mijn drankgebruik zou hebben gehad, maar dat komt nauwelijks ter sprake. Als ik het woord ‘alcoholist’ zou hebben getypt, zou het werkelijkheid zijn geworden, dus de reprimandes van Hugh en behulpzame mensen in mijn familie heb ik nooit op papier gezet.

    Op een vergelijkbare manier heeft het in de jaren zeventig een tijdje geduurd voordat ik het woord ‘gay’ kon opschrijven. ‘Alsjeblieft zeg,’ zei ik op mijn twintigste hardop tegen mezelf toen ik mijn allereerste dagboeken las. ‘Wie wil je nou voor de gek houden?’

    Dit project heeft alle fasen zichtbaar gemaakt waar ik al die jaren doorheen ben gegaan, met alle intensiteit van dien. En al die inkt die ik heb verspild met schrijven over het zoeken naar het juiste telefoonnummer van iemand die me duidelijk – en met reden – een verkeerd nummer had gegeven, over afvallen, over mijn huiswerk voor Frans. Verderop stortte ik me op het vangen van vliegen, die ik aan spinnen voerde, waardoor ik me afvraag: wat krijgen we nog meer? Naar mijn verleden te oordelen kan het van alles zijn: haar verzamelen, knaagdieren kruisen in mijn kelder – wie weet.

    Het viel me tijdens het herlezen van mijn dagboeken ook op hoeveel mensen ik in 1980 kende met wie ik nog steeds bevriend ben. Het is moeilijk te voorspellen welke vriendschappen blijvend zijn en welke zullen vervagen. Als ik verhuisde, raakte ik vaak de helft van mijn contacten kwijt, mensen van wie ik dacht dat ze altijd bij me zouden blijven. Dat kwam niet eens doordat we elk een andere richting insloegen. Het was eerder dat ze geen zin hadden om een postzegel op een brief te plakken. Of ik. Nu we e-mail hebben, is het natuurlijk een stuk makkelijker.

    Maar dat is het probleem met een dagboek. Om je leven te kunnen vastleggen, zul je het toch moeten leven

    Het was interessant om in oude dagboekaantekeningen te stuiten op mensen die later heel belangrijk bleken te zijn, die zomaar ten tonele verschenen en mijn hele leven een andere richting gaven: Hugh, Jim McManus, Meryl Vladimer, Geoff Kloske, Ira Glass, Andy Ward. Ik zou hebben verwacht dat die eerste ontmoetingen gedenkwaardig zouden zijn geweest, dat ik mijn redding zou hebben herkend als die zich aandiende – ‘Ben je daar eindelijk!’ –, maar in de meeste gevallen waren het mensen die ik gewoon een hand had gegeven en van wie ik later achter mijn bureau dacht: Hoe héétte die ook alweer? Met Hugh was het anders. Die eerste ontmoeting herinnerde ik me wel. Wat de anderen betreft is het eigenlijk wel bemoedigend. Je weet nooit wie je een hand geeft.

    En dan waren er degenen die dood waren: mijn moeder, mijn zus Tiffany, Don Congdon, de geweldige David Rakoff. Ik heb de aantekeningen die over hen gingen opnieuw gelezen en mezelf vervloekt dat ik niet meer heb opgeschreven. Waarom heb ik niet alles wat ze zeiden volledig uitgeschreven? En zou ik niet de handjes moeten laten wapperen zodat ik later, als vrienden of familieleden overlijden, iets groters, iets troostrijkers heb om aan terug te denken? Maar dat is het probleem met een dagboek. Om je leven te kunnen vastleggen, zul je het toch moeten leven. Niet achter je bureau, maar ook verder. In de wereld waar het zo mooi en complex en pijnlijk is dat je er soms gewoon over móét schrijven.

    * Ik vind niet dat The Wire wordt overschat.

    Auteur: David Sedaris
    Vertalers: Theo Schoemaker, Monique ter Berg, Lydia Meeder, Annette van der Heijden, Bart Graavendaal, Gerda Baardman

    Openingsbeeld: David Sedaris in 1999. – © Hollandse Hoogte / Sueddeutsche Zeitung Photo

    schermafbeelding 2017 06 29 om 9 47 46 am

    Gestolen voorwerpen is verschenen bij Lebowski Publishers. Maandag 25 september treedt Sedaris op in Carré. Hij vertelt over zijn nieuwe boek en leest voor uit eigen werk. Aanvang 20:00 uur.

  • In de ban van de boom

    In de ban van de boom

    De Duitsers hebben altijd een liefdevolle verhouding met hun bossen gehad. Geen wonder dus dat een boek over het verborgen leven van bomen een bestseller werd. Maar tegelijk neemt het houtverbruik bij onze oosterburen toe. Een reportage over houthakkers en bomenknuffelaars, en over de vraag of bomen kunnen voelen.

    Hoe het hart van een land eruitziet, wordt ook in zijn periferie bepaald. In bowlingcentra, cafés, verenigingsgebouwen. En zelfs in het bos. Dus is het van belang dat op deze winterochtend in Oberbayern een boom valt. 
Vannacht heeft het gesneeuwd, maar nu is het bos onder een vale lucht druppend aan het ontdooien 
en valt er natte sneeuw van de takken. Horen doe je dat niet, want midden in het winterlandschap is 
een dreunende en dampende machine, voorzien 
van grijparmen, zagen, walsen en messen, zich als een hongerig insect door het bos heen aan het bijten. De gevelde boom wordt stevig vastgepakt: een spar, misschien wel negentig jaar oud. Sneeuw spat op, boomschors barst, spaanders vliegen in het rond. 
Een paar tellen later ligt de stam in stukken op de grond, pasklaar voor op de vrachtwagen, vakkundig doorgesneden als een gehalveerd varken.

    Op een paar meter afstand staat een man roerloos toe te kijken. Laarzen en spijkerbroek, gewatteerde jas en vilthoed, grijs haar en een montere blik. De Beierse boseigenaar Florian von Schilcher (1944), 
de zesde generatie van een adellijke familie, ziet 
deze ochtend bomen vallen die zijn opa Hubert 
heeft geplant.

    Voelt hij weemoed? ‘Ach, welnee! Bomen groeien om te worden gekapt,’ zegt Von Schilcher. Hij vindt het goed om te zien dat waar zojuist nog de oude boom stond er nu licht en ruimte is, zodat de volgende 
spar ‘gas kan geven’. Over een paar decennia zullen zijn zoons of kleinkinderen die vellen.

    Zo simpel is dat.

    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke
    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke

    Hetzelfde jaar, dezelfde winter, hetzelfde land, 
alleen een ander deel van de periferie en een ander bos, waar een uit de kluiten gewassen man in een olijfgroen boswachterspak boven de bladeren en 
takken uitsteekt. Het is muisstil, alleen kraakt er zo nu en dan een tak in het gemeentebos van het Eifeldorp Hümmel in Rheinland-Pfalz. De man in het bos draagt een bril met een zwart montuur en heeft een baard van drie dagen; hij zou zomaar een therapeut uit de grote stad kunnen zijn. Plotseling gaat hij op zijn hurken zitten en veegt oude bladeren, mos en modder weg. In de grond zit iets ruws. Knoestig, donker, dood. ‘Schraapt u er maar eens overheen,’ zegt hij. ‘Wel voorzichtig.’ Onder het donker wordt het licht. Dat is hout. Leven.

    Een paar jaar geleden was het Peter Wohlleben zelf die – nieuwsgierig en onthutst – met zijn zakmes over deze donkere klomp schraapte. Een oeroude boomstronk, het overblijfsel van een beuk. Hoe kon die nog leven, zonder stam, zonder bladeren, zonder fotosynthese? Met biologen van de nabijgelegen 
Universiteit van Aken bekeek Wohlleben de stronk in het bos nauwkeuriger. Kennelijk pompten de bomen eromheen al vierhonderd jaar een suikeroplossing naar hun verminkte soortgenoot, via diens wortels. ‘Dat noem ik nou burenhulp,’ zegt Wohlleben.

    Peter Wohlleben (1964) is de afgelopen tijd een beroemdheid geworden. In zijn afgelegen 
boswachtershuis heeft hij een boek geschreven dat de Duitsers recht in het hart treft. Het verborgen leven van bomen stond in 2015 het langst boven aan de 
bestsellerlijst voor non-fictie van Der Spiegel. De boodschap: bomen zijn niet alleen dingen, maar ook wezens. Het zijn ‘oude vrienden’ van elkaar. Maar ook van de mens. Inmiddels hebben 400.000 Duitsers het boek gekocht.

    Florian von Schilcher mag dan waarschuwen voor ‘behaaglijkheidslectuur’ en een ‘nieuwe romantisering’ van het bos, Peter Wohlleben krijgt onophoudelijk uitnodigingen voor debatten en aanvragen 
voor seminars. En liefdesbrieven van alleenstaande vrouwen, die zijn boek onder – jawel – de kerstboom hebben gelezen.

    Zo gecompliceerd ligt dat.

    Het bos is zo Duits als brood en bier

    De twee mannen wonen hemelsbreed 500 kilometer van elkaar vandaan en schelen twintig jaar in leeftijd. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet. Hun confrontatie komt alleen tot stand door een journalistieke constructie, het onderzoek voor deze reportage. Je zou de twee en hun meningsverschillen simpelweg kunnen laten voor wat ze zijn, ware het niet dat de Duitsers hun liefde voor het bos uitgerekend hebben ontdekt in een tijd waarin ze heel veel bomen voor zichzelf laten kappen.

    Vrijwel iedereen zal zichzelf hierin herkennen: wie hout koopt, voelt zich goed, of het nu om speelgoed, meubilair of terrasdelen gaat. Wie hout koopt, is een goed mens. Dat daarvoor bomen moeten sneuvelen, wordt snel vergeten.

    Onderzoekers van de universiteit van Hamburg schatten het jaarlijkse ‘boshoutverbruik’ van de Duitsers op 1,06 kubieke meter per persoon. De vraag van 
articuliere huishoudens is tussen 1990 en 2010 verdubbeld. Hout geeft warmte, ook als het niet brandt. Als het wel brandt, dan geeft het des te meer warmte: verwarmen met hout geldt als knus en effectief tegelijk. In het afgelopen decennium is het aantal pelletkachels verviervoudigd. Voor het eerst sinds meer dan honderd jaar wordt in Duitsland weer meer hout verbrand dan er in de bouw wordt gebruikt. Volgens Von Schilcher is de houthonger in Duitsland alleen te stillen met snelgroeiende bomen, gekapt zonder rekening te houden met welk wezen ook.

    Wohlleben vindt dat een redenering die zo van iemand uit de bio-industrie zou kunnen komen. Von Schilcher vraagt zich hierop af wat er aan levensvreugde 
overblijft als we allemaal vegetariër zouden worden. Het antwoord van Wohlleben: tot nog toe heeft dat niemand kwaad gedaan.

    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Het debat, dit artikel, de bestseller: ze zouden er 
allemaal niet zijn als Peter Wohlleben een boek had geschreven over het verborgen leven van de suikerbieten. Of over tarwe. Maar het bos? Dat is voor de Duitsers meer dan een verzameling bomen. In het bos wortelt de nationale identiteit, het is natuurlijk en cultureel erfgoed, de Germaanse geesteswereld, die sprookjes en mythen voortbrengt.

    In het bos was Hermann de Cherusk de Romeinen te slim af. In het bos nam Siegfried een bad in drakenbloed. In het bos daar zijn de rovers. Hans en Grietje verdwaalden in het bos. Joseph von Eichendorff noemde het bos de ‘echokamer van de ziel’, Caspar David Friedrich schilderde de ene boom na de andere. Schilderijen, lyriek en prentenboeken met het bos 
als thema vullen musea en bibliotheken. Het bos is zo Duits als bier en brood.

    In moeilijke tijden trekken de Duitsers zich terug in het bos, als wild waarop wordt geschoten. Onthaasting en escapisme, in elk geval mentaal. Een dood vluchtelingenkind op het strand? Poetins strategische spelletjes met Syrië? Aanrandingen op het domplein in Keulen? In het bos, waar geen televisie is en op plekken geen bereik, is nog aan nieuws te ontsnappen. Bos is wellness. Een vlucht uit de werkelijkheid, zoals ooit in de romantiek.

    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons
    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons

    Er is geen romanticus te bekennen wanneer op een waterkoude ochtend in het bos van Von Schilcher 
de kettingzagen beginnen te huilen. Zoals zoveel branches besteedt ook de bosbouw al sinds lange tijd opdrachten uit aan externe bedrijven, die het zware werk door seizoenarbeiders laten doen.

    En dus kijkt Florian von Schilcher toe hoe twee zwijgzame Roemenen zich door het kreupelhout heen werken. Vlad en Vasile zwaaien met hun 
kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer in Rambo. Ze hebben opdracht om jonge beuken weg te halen en ‘zo andere bomen in staat te stellen te groeien,’ zegt Von Schilcher. En wel zo veel mogelijk sparren. Waarom eigenlijk?

    ‘De beuk is vanaf het eerste tot het laatste moment van zijn leven een bron van ergernis,’ zegt Von Schilcher.
De bladeren nemen te veel licht weg voor andere bomen. De stam vertakt zich te vroeg in een brede kruin, waarmee je vrijwel niets kunt beginnen. 
‘En een beuk die omvalt, slaat in als een bom. Daar groeit dan de eerste jaren niets meer.’

    Vlad en Vasile zwaaien met hun kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer

    De strijd tussen Wohlleben en Von Schilcher ontbrandt al bij dit detail, dat voor beiden geen detail is. De beuk is namelijk de meest Duitse van alle Duitse bomen, meer nog dan de eik. Als Peter Wohlleben groepen rondleidt door het bos bij Hümmel, laat hij hen vierduizend jaar oude beuken zien, en zegt: ‘Zo zag het er vroeger in vrijwel het hele land uit.’ Voordat kolenbranders, mijnwerkers en scheepsbouwers Europa in de zeventiende eeuw in belangrijke mate hadden ontbost, was het gebied dat tegenwoordig Duitsland heet grotendeels bedekt met beukenbossen. Nog altijd buigen taalonderzoekers zich over de vraag of de Duitse woorden Buch en Buchstabe zijn ontstaan doordat de Germanen hun runen in het harde hout van de beuk [Buche in het Duits] krasten.

    Wohlleben vraagt zich af: waarom niet laten groeien wat inheems is? De spar is een importplant. Hij noemt die een ‘boom voor luie mensen’. Sparren groeien niet naar het licht, maar kaarsrecht tegen de aantrekkingskracht van de aarde in, snel en pasklaar 
de zagerij in. Desondanks, vindt Wohlleben, doen ze alleen maar alsof ze rendabel zijn. In warme zomers worden ze aangevreten door kevers. En bij een storm kieperen ze om, omdat ze ondiepe wortels hebben. De beuk daarentegen wortelt diep en opent zijn kruin als een waaier om elke drup regen op te vangen. ‘Welke boom zou nou beter zijn opgewassen tegen 
de opwarming van de aarde?’

    Von Schilcher vindt het grappig dat uitgerekend een eco-auteur zich uitspreekt tegen het idee van duurzaamheid. Hij vertelt dat Hans Carl von Carlowitz, net als Von Schilcher van adel, in 1713 in een manifest voor het eerst als voorwaarde heeft gesteld dat er altijd net zoveel hout moet aangroeien als er wordt gekapt. Hoe sneller er wordt gerooid, des te sneller er dus ook moet worden aangeplant. ‘Daar houd ik me aan.’ Ook zegt Von Schilcher dat hij zijn hele leven een gemengd bos heeft onderhouden: 70 procent naaldbomen, ondersteund door 30 procent loofbomen – als ‘bijmenging’. Als er iemand is die een monocultuur wil, dan is het die schrijver uit de Eifel wel. Anonieme stemmen noemen Wohlleben een ‘boomracist’ en een ‘plantenfascist’, die niets anders dan de beuk wil accepteren. Wohlleben zegt hierop dat hij gemengde bossen wantrouwt. Wat eruitziet als de wil van de natuur, zijn ‘bomenakkers’, geplant naar de behoeften van de markt.

    Zo gaat het over en weer. Niet alleen tussen Wohlleben en Von Schilcher, maar ook tussen het 
Bundesamt für Naturschutz, dat meer ‘natuurlijke ontwikkeling van het bos’ wil, en het Deutscher Energieholz- und Pellet-Verband, dat snel veel nieuw hout nodig heeft. Zelfs in de Bondsregering wijzen de neuzen niet dezelfde kant op. Het door een SPD-minister geleide ministerie voor Milieu wil tot 2020 10 procent van alle openbare bossen tot oerbos maken. In het door een CSU-minister geleide ministerie van Landbouw noemt een hoge ambtenaar oerbossen ‘bosruïnes’. Als de Bondsrepubliek ‘het tijdperk van de decarbonisatie’ wil binnengaan, zich onafhankelijk wil maken van smerige kolen, Poetins gas en de olie van de Saoedi’s, dan kan dat alleen met zon, water, wind – en hout.

    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Aan al deze tegenstrijdige opvattingen valt op dat de verschillende partijen er tot nog toe alleen maar over gediscussieerd hebben met welke mix van bomen de mensheid het meest geholpen is, als koks die hartstochtelijk van gedachten wisselen over een optimaal recept. Maar nu verovert deze boswachter uit de Eifel het hart en het brein van zijn lezers met de bewering dat de bomen zelf van belang zijn en een geheugen en gevoelens hebben.

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens, door de mens onderschat en afgeslacht? Staan we binnenkort met beuken te knuffelen zoals we dat nu met dolfijnen doen?

    Er zijn seminars waarbij je bomen kunt omhelzen. En het is waar dat tijdens een boswandeling de bloeddruk daalt. Verscheidene onderzoeken hebben aangetoond dat zelfs het aantal antikankercellen in het lichaam toeneemt. Onduidelijk is nog waarom. Waarschijnlijk vanwege de zogenaamde phytoncides, gasvormige stoffen die bomen afscheiden ter bescherming tegen schadelijke insecten en dieren.

    Op een mistige, waterkoude dag leidt Peter Wohlleben weer een groep rond in zijn bos. Mannen en vrouwen met stevige schoenen en kleurrijke outdoorkleding van dure merken. Ze hebben veldkijkers, fototoestellen, thermosflessen en wandel- en nordic walking-stokken bij zich. De uitrusting van stedelingen die een bezoek aan het platteland brengen. Liefdevol streelt Wohlleben de jonge scheuten van beuken, zoals een moeder in het voorbijgaan de hoofden van haar kinderen. ‘Het is toch jammer,’ zegt hij, ‘dat vrijwel elke boom in Duitsland voor zijn natuurlijke dood wordt omgehakt.’

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens?

    In de groep wordt geknikt. Dat zijn gasten soms in imposante auto’s naar de Eifel komen, daarover spreekt Wohlleben niet. Hoeveel hout ze verbruiken, vraagt hij niet. En dat hij vindt dat elk meubelstuk net als eieren een herkomststempel zou moeten 
hebben, houdt hij voor zich. Tijdens de urenlange natuurwandelingen onthoudt Wohlleben zich consequent van kritiek op zijn publiek en leidt hij de bezoekers van zijn bos van wonder naar wonder zoals zijn lezers van anekdote naar anekdote. In Het verborgen leven van bomen schrijft Wohlleben dat ‘hele bossen’ via een ‘wood wide web’ met elkaar in verbinding staan. ‘Beukenouders’ bieden schaduw en brengen hun kinderen geduldig groot. Als je ze ongemoeid laat, groeien beuken dicht bij elkaar: ‘Groepsknuffels 
zijn aangenaam.’ Wohlleben schrijft dat ‘bomen 
pijn ervaren en een geheugen hebben’.

    Florian von Schilcher zegt: ‘Hij schrijft best aardig, dat moet ik hem nageven. Maar kinderen en ouders? Enorme flauwekul. Daarmee verslijt hij de mensen voor dom.’

    Rondvraag onder wetenschappers levert aanvankelijk niets op. Er is vrijwel geen onderzoeker die het boek van Wohlleben heeft gelezen. Omdat het onomstreden is? Er niets nieuws in staat? Of omdat het onzin is? Christian Ammer, professor Bosbouw en Bosecologie in Göttingen, mailt aan Die Zeit: ‘Het boek zegt meer over de lezers dan over bomen. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kun je – zwak uitgedrukt – bij sommige passages alleen maar het hoofd schudden.’


    Waar Wohlleben ook verschijnt, telkens weet hij de rust te bewaren van iemand die het recht aan zijn zijde weet en een meerderheid achter zich waant. Niet hij verslijt de mensen voor dom, zegt Wohlleben, maar de houtindustrie, een conservatief kartel van zwijgers en mooipraters. Iedere Duitser weet tot op de komma nauwkeurig wat het brandstofverbruik van zijn auto is en hoeveel stroom zijn huishouden verbruikt. Maar hoeveel kubieke meter van zijn bloedeigen grondstof hout hij jaarlijks nodig heeft, weet niemand. Waarom niet?

    Ik ontmoet hem bij hem thuis, in zijn boswachterswoning in het bos. In de tuin heeft hij met zijn vrouw mais, aardappels, pastinaken en courgettes geplant, om zo zelfvoorzienend mogelijk te kunnen leven. Wohlleben zegt dat hij is opgegroeid in decennia van angst. Club van Rome, bossterfte, Koude Oorlog, opgedroogde rivieren, Tsjernobyl. ‘Ik heb altijd de vaste overtuiging gehad dat ik niet aan seniliteit zal sterven.’

    Als hij over zichzelf vertelt, klinkt hij een beetje minder zelfverzekerd dan tijdens zijn rondleidingen in het bos. Hij weet dat elke tijd en elk milieu hun eigen verschijningsvormen hebben. Op het gymnasium was hij onder de indruk van ‘de jonge leraren, die allemaal hadden meegedaan aan de studentenprotesten van eind jaren zestig’. Wohlleben nam 
deel aan demonstraties van Greenpeace en het WNF. Hij probeert ‘zo weinig mogelijk vlees’ te eten. Aan 
de muren van zijn huis hangen de verentooi van e
en Sioux, een parelketting van de Yokut-stam en armbanden van de Crow. Peter Wohlleben heeft altijd hart gehad voor de indianen.

    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons
    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher neigt meer naar een cowboy. Hij is voorzitter van de schietvereniging van Dietramszell. Onlangs was hij op antilopejacht in Oeganda. De geweien aan de muren van zijn huis strengelen zich bijna ineen. De angst voor bossterfte vond hij dertig jaar geleden al overdreven.

    Als Von Schilcher zijn leven moet samenvatten, pookt hij eerst eens het vuur op en laat vervolgens op vrijwel elke anekdote een zelfvoldaan lachje volgen. Zijn jeugd heeft voor een groot deel uit ‘vlegelachtig gedrag’ bestaan: ‘We reden als waanzinnigen. Op mijn veertiende zat ik zonder rijbewijs achter het stuur.’

    Een ‘rampzalige leerling’ was hij, zegt Von Schilcher, zeven keer wisselde hij van school. Hij had een baantje in het orang-oetanhuis in de dierentuin van Berlijn, deed alsnog examen, trouwde met een Braziliaanse, studeerde biologie in Edinburgh en schreef zijn proefschrift over het seksleven van de fruitvlieg. In de open haard ligt het hout zachtjes te knapperen, Von Schilcher legt er nog een paar blokken op. Tussen Dietramszell en Hümmel, op die 500 kilometer tussen de twee mannen, gaat het om veel meer dan het bos. En ook om meer dan ecologie en economie of een generatieconflict.

    Het gaat om de levensinstelling alles goed te willen doen, zoals Wohlleben, en het niet iedereen naar de zin te hoeven maken, zoals Von Schilcher. Het gaat om verschillende mannenrollen. En om het eeuwige contrast tussen stad en platteland.

    Al 25 jaar onderhoudt Peter Wohlleben het bos van Hümmel, maar hij zegt zelf dat hij ‘in de stad gesocialiseerd is’. Een eengezinswoning in de buurt van Bonn, vader werkte bij het ministerie van Financiën en ’s avonds werd er onder het eten over politiek gesproken. Al die gesprekken hadden een hoog 
theoretisch en moralistisch gehalte. Vanuit de stad bekeken lijkt de plattelandsbevolking soms gecorrumpeerd door de eigen economische belangen. 
Hoe zou iemand die in een mestveehouderij werkt tegen mestveehouderijen kunnen zijn?

    © dominikla / Flickr Creative Commons
    © dominikla / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher vindt deze manier van denken ‘schijnheilig’. Buiten de steden gaat het er nu eenmaal niet zo idyllisch aan toe als het tijdschrift Landlust in de stationskiosk doet vermoeden. ‘Hoe intensiever de verstedelijking, des te sterker de romantisering van de natuur,’ zegt Von Schilcher. Het komt er immers op neer dat de plattelandsbevolking het vuile werk doet voor de stedelingen. Zaaien en maaien, mesten en slachten. ‘En wat krijgen ze voor dank?’

    Het heeft weer eens gesneeuwd, misschien wel voor het laatst deze winter. Peter Wohlleben loopt met een oudere dame door zijn stijf bevroren bos. In de kwarteeuw die hij tot nog toe in het bos van Hümmel heeft doorgebracht, heeft Wohlleben 15 procent ervan ongemoeid gelaten, zodat boomouders en -kinderen ongehinderd kunnen groeien. Dat zijn werk desondanks lucratief is voor de gemeente heeft een andere oorzaak: hij verkoopt grafplaatsen, die hij ‘rustbiotopen’ noemt. Begraven worden in het bos is een trend.

    De Duitse verbondenheid met het bos is eeuwigdurend. Sinds Wohlleben dertien jaar geleden zijn rustbos opende, zijn hier 3400 mensen ter aarde besteld. Ze liggen in cirkels om de stammen heen, 
in biologisch afbreekbare urnen. Vandaag leidt Wohlleben de 75-jarige Eleonore Rottscheid-Zölliken van stam naar stam. Ze wil een boomgraf voor zichzelf en haar man reserveren.

    ‘Wilt u liever een schaduw- of een zonplek?’ vraagt Wohlleben.

    ‘Graag een beetje verscholen,’ zegt ze.

    ‘Vindt u de boomsoort belangrijk?’

    Uit de zijzak van zijn wandelbroek haalt Wohlleben een tablet tevoorschijn. Op het scherm verschijnt een landkaart met honderden stippen. Geel staat voor eiken. Rood voor douglassparren. Groen voor beuken. Grijs voor bezet. Grijs overheerst. Na een halfuurtje wikken en wegen staat Eleonore Rottscheid-Zölliken tussen boom 4243 en boom 4249 wolkjes adem het bos in te blazen. De eerste boom is een grote, rechte beuk, de laatste een krom, scheefgegroeid ding. ‘Ik wil die kleine wel,’ zegt mevrouw Rottscheid-Zölliken.

    Wohlleben tikt op zijn tablet en een groene stip wordt grijs. Over enkele dagen zal mevrouw Rottscheid-Zölliken voor de prijs van 2990 euro ‘bijzettingsgerechtigde’ bij boom 4249 zijn en ooit deel gaan uitmaken van een reservaat, ook biologisch.

    99 jaar

    Peter Wohlleben heeft met deze transactie weer een stukje bos beschermd voor de komende 99 jaar. 
Tegen de houtlobby, tegen alle Von Schilchers, en tegen alle mogelijke opvolgers die in de verre toekomst zijn bos zullen overnemen en misschien wel andere ideeën en idealen najagen.

    Van het geld dat Wohlleben met zijn bestseller heeft verdiend, wil hij zijn oude boswachtershuis laten renoveren. De muren isoleren, zonnepanelen op het dak. Tot nog toe stookt Peter Wohlleben met hout. Hij verbruikt geen 1,06 kubieke meter per jaar, zoals de gemiddelde Duitser. Hij verstookt 10 kubieke meter.

    Auteur: Henning Sussebach
    Vertaler: Pieter Streutker

    Peter Wohllebens Het verborgen leven van bomen, 
verschijnt half april bij AW Bruna. Vertaling: Bonella van Beusekom.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • Googles zoektocht naar het perfecte team

    Googles zoektocht naar het perfecte team

    Waarom zijn sommige teams succesvol en falen andere hopeloos? Internetgigant Google zocht het uit en komt met verrassende conclusies.

    Julia Rozovsky was vijfentwintig jaar en onzeker over wat ze nou met haar leven aan moest toen ze besloot dat het tijd was voor verandering. Ze had een bachelor wiskunde en economie aan Tufts University in Massachusetts en had bij een bedrijf voor consultancy gewerkt, wat ze nogal onbevredigend vond. Daarna had ze gewerkt als onderzoeker voor twee professoren aan Harvard, wat leuk was maar 
ze kon er geen carrière opbouwen.

    Misschien paste een groot bedrijf beter bij haar, dacht ze. Of misschien was een academische carrière iets, of misschien moest ze gaan werken bij een start-up. Het was allemaal nogal verwarrend. Dus koos ze 
iets waarvoor ze geen beslissing hoefde te nemen: 
ze schreef zich in bij een paar businessopleidingen, en werd in 2010 aangenomen bij de Yale School of Management.

    Aardig zijn voor elkaar, daar draait het om – ook bij Google. – © PENSON / HH
    Aardig zijn voor elkaar, daar draait het om – ook bij Google. – © PENSON / HH

    Klaar om haar klasgenoten te leren kennen, kwam ze aan in New Haven en werd net als de andere nieuwe studenten op de eerste dag in een studiegroep ingedeeld. Studiegroepen vormen een gebruikelijk onderdeel bij de meeste mba’s, ze vormen voor de studenten een oefening in het samenwerken in teamverband. Studiegroepen zijn zorgvuldig samengesteld om studenten met verschillende achtergronden, zowel professioneel als cultureel, bij elkaar te brengen. Eigenlijk verschilden de studenten in haar groep 
niet zo heel erg van elkaar. Twee groepsleden waren managementconsultant geweest, net zoals Julia. 
Een ander had bij een start-up gewerkt. Ze waren allemaal slim, nieuwsgierig en sociaal. Hun overeenkomsten zouden het makkelijk maken om een band met elkaar te krijgen, hoopte ze. ‘Er zijn legio mensen die zeggen dat ze sommigen van hun beste businessschoolvrienden hebben leren kennen in hun studiegroep,’ zei Julia. ‘Maar zo ging het bij mij niet.’

    Groepsstress

    Bijna onmiddellijk voelde de studiegroep als een dagelijkse dosis stress. ‘Ik voelde me nooit helemaal ontspannen,’ vertelde ze. ‘Ik had altijd het gevoel dat ik mezelf moest bewijzen.’ Al snel ontstond er een dynamiek die haar zwaar irriteerde. Iedereen wilde zijn leiderschapskwaliteiten laten zien, dus wanneer de studiegroep een opdracht kreeg, was er een subtiele strijd over wie de baas was. ‘Mensen probeerden autoriteit uit te stralen door harder te praten, of door de ander heen te praten,’ zei Julia. ‘Misschien kwam het door mijn eigen onzekerheid, maar ik had het gevoel dat ik altijd uit moest kijken dat ik in hun buurt geen fouten maakte.’

    Dus begon Julia uit te kijken naar andere groepen om zich bij aan te sluiten. Iemand vertelde haar dat er studenten waren die een team aan het samenstellen waren om mee te doen aan ‘case-wedstrijden’ waarin studenten van de businessschool innovatieve oplossingen bedachten voor businessproblemen uit de ‘echte’ wereld. Teams kregen dan een case voor hun neus, waren een paar weken bezig met een businessplan en legden dat vervolgens voor aan belangrijke mensen uit de top van een bedrijf en professoren 
die dan bepaalden wie de winnaar was. Julia schreef zich in.

    Teams zijn succesvol als iedereen zich kan uitspreken en men rekening houdt met elkaars gevoelens

    Aan Yale waren er zo’n twaalf verschillende teams voor de case-wedstrijden. Julia sloot zich aan bij de groep waar een voormalig militair in zat, een onderzoeker van een denktank, de directeur van een non-profitorganisatie op het gebied van gezondheidseducatie en een medewerker van een vluchtelingenorganisatie. In tegenstelling tot haar studiegroep had iedereen hier een andere achtergrond.

    Maar ze werkten vanaf het begin prima samen. ‘Een van onze beste cases ging over Yale zelf,’ zei Julia. ‘Er was altijd een winkeltje met snacks geweest dat door studenten werd gerund, maar de universiteit ging de verkoop van eten overnemen en daarom sponsorde de businessschool een wedstrijd voor het omvormen van de studentenwinkel tot iets anders. We verzonnen allerlei gekke plannen. Niemand brandde een suggestie af, we vonden elkaars domme ideeën altijd geweldig.’ Uiteindelijk kwam Julia’s caseteam uit op het idee om de studentenwinkel om te bouwen tot een mini-gym, uitgerust met fitnessapparaten. Ze werden de winnaar en de mini-gym is er gekomen.


    Julia vond het altijd vreemd dat de twee teams zo anders vóélden. Beide groepen bestonden uit grofweg dezelfde soort mensen. Allemaal pientere lui 
en iedereen kon buiten de groep goed met elkaar opschieten.

    Er was geen reden te verzinnen waarom de dynamiek in Julia’s studiegroep zo competitief was terwijl de sfeer in het caseteam zo ontspannen was. ‘Ik kon niet bedenken waarom ze zo verschillend waren,’ vertelde Julia me. ‘Zo had het helemaal niet hoeven gaan.’

    Leiderschap

    Na het behalen van haar diploma ging Julia aan het werk bij Google, bij de afdeling Personeelsanalyse, die zo ongeveer alle aspecten van de tijdsbesteding van Googlemedewerkers bestudeerde. Het was haar taak de data te gebruiken om te doorgronden waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen.

    Zes jaar lang werd Google door het blad Fortune gerekend tot een van de beste bedrijven om voor te werken. De reden daarvoor was volgens de top van het bedrijf dat Google enorm veel geld besteedde om te onderzoeken hoe gelukkig en productief werknemers waren, zelfs nu er 53.000 mensen werkten. De afdeling Personeelsanalyse, onderdeel van Personeelszaken, hielp vast te stellen of werknemers tevreden waren met hun leidinggevenden en collega’s, of ze zich overwerkt voelden, intellectueel geprikkeld en eerlijk betaald, of de balans werk-privé wel goed zat en ze onderzochten nog honderden andere dingen.

    Individuele slimheid of sterk leiderschap bleek niet doorslaggevend

    De afdeling vervulde ook een rol bij besluiten over het aannemen en ontslaan van mensen en de analisten verschaften inzicht in wie promotie moest krijgen en wie wellicht te snel opgeklommen was. In de periode voordat Julia bij de afdeling kwam werken, had Personeelsanalyse bepaald dat Google een sollicitant maar vier keer hoefde te interviewen om te voorspellen, met een betrouwbaarheidspercentage van 86 procent, of hij of zij een aanwinst zou zijn voor het bedrijf.

    De afdeling had er met succes op aangedrongen betaald zwangerschapsverlof te verlengen van 12 tot 18 weken omdat computermodellen aantoonden dat een langer verlof het percentage nieuwe moeders dat stopte met werken met 50 procent zou verminderen. Het basisidee van de afdeling was om het leven bij Google een beetje beter en veel productiever te maken. Met genoeg data, zo dacht de afdeling Personeelsanalyse, zou ongeveer elk gedragsraadsel opgelost kunnen worden.

    Het grootste project van de afdeling Personeelsanalyse in de voorgaande jaren was een onderzoek – met de codenaam Project Zuurstof – dat bestudeerde waarom sommige managers effectiever werkten dan andere. De onderzoekers hadden uiteindelijk acht doorslaggevende managementvaardigheden ontdekt.

    
‘Zuurstof was een enorm succes voor ons,’ zei Abeer Dubey, manager bij Personeelsanalyse. ‘Het hielp om duidelijk te krijgen waardoor een goede manager zich onderscheidde van anderen en hoe we konden ondersteunen dat mensen zich verbeterden.’

    Een open kringgesprek op zijn tijd doet wonderen. – © PENSON / HH
    Een open kringgesprek op zijn tijd doet wonderen. – © PENSON / HH

    Project Zuurstof

    Uit Project Zuurstof bleek dat een goede manager:
    1. een goede coach is;
    2. kracht geeft en niet managet op microniveau;
    3. interesse en aandacht toont voor het succes en welzijn van zijn ondergeschikten; 
4. resultaatgericht is;
    5. luistert en informatie deelt;
    6. behulpzaam is bij loopbaanontwikkeling;
    7. een heldere visie en strategie voor ogen heeft;
    8. cruciale technische vaardigheden heeft.

    Het project was zelfs zo nuttig, dat ongeveer op het moment dat Julia werd ingehuurd Google met een andere reuzeonderneming begon, dit keer onder de codenaam Project Aristoteles.

    Dubey en zijn collega’s hadden opgemerkt dat veel Googlewerknemers het er in bedrijfsonderzoeken altijd maar weer over hadden hoe belangrijk hun team was. ‘Googlers zeiden dingen als: “Ik heb een fantastische leidinggevende, maar in mijn team liep het nooit zo lekker”, of: “Mijn leidinggevende is niet geweldig maar het team is zo goed dat het niet uitmaakt”,’ zei Dubey. ‘En dat was een soort eyeopener, omdat Project Zuurstof naar leiderschap had gekeken, maar niet had onderzocht hoe teams functioneren, of dat er misschien wel een perfecte verdeling bestaat voor allemaal verschillende mensen met een andere achtergrond.’ Dubey en zijn collega’s wilden uitzoeken hoe ze een perfect team konden samenstellen. Julia werd een van de onderzoekers van dit project.

    Het project begon met een breed overzicht van de wetenschappelijke literatuur. Sommige wetenschappers hadden ontdekt dat teams het beste functioneerden als ze vooral bestonden uit mensen die allemaal even introvert en extravert waren, terwijl andere hadden ontdekt dat een evenwichtige 
verdeling van persoonlijkheden de sleutel was. Er bestonden onderzoeken over het belang van teamleden met allemaal dezelfde smaak en hobby’s, 
en andere verheerlijkten juist diversiteit in groepen. Er was onderzoek dat beweerde dat teams moesten bestaan uit mensen die graag samenwerkten; maar ander onderzoek meldde dat groepen succesvoller waren als er een gezonde rivaliteit was tussen de leden. Kortom, het ging alle kanten op in de literatuur.

    Een middelmatig team dat goed samenwerkt, doet dingen die een superster nooit voor elkaar krijgt

    Maar hoe ze de data ook rangschikten, het was bijna onmogelijk om een patroon te ontdekken – of enig verband tussen succes en de samenstelling van een team. ‘We bekeken 180 teams uit het hele bedrijf,’ zei Dubey. ‘We hadden legio data, maar niets duidde erop dat een mix van specifieke karakters 
of vaardigheden of achtergronden enig verschil 
uitmaakte. Het “wie”-deel van de vergelijking leek 
er niet toe te doen.’

    Sommige productieve teams bij Google bestonden bijvoorbeeld uit vrienden die buiten het werk met elkaar sportten. Andere bestonden uit mensen die buiten de vergaderkamer praktisch vreemden voor elkaar waren. Sommige groepen prefereerden sterke leidinggevenden. Andere wilden een plattere structuur. Het meest verwarrend was wel dat sommige teams met bijna gelijke samenstelling en een overlap in teamleden een totaal verschillend niveau van effectiviteit hadden. ‘Bij Google zijn we goed in het vinden van patronen, maar hier waren geen duidelijke patronen,’ zei Dubey.

    Groepsnormen

    Dus Project Aristoteles ging over op een andere aanpak. Er kwam een tweede ronde wetenschappelijk onderzoek die zich concentreerde op zogenoemde ‘groepsnormen’. ‘Bij elke groep ontstaan op een gegeven moment collectieve normen over gepast gedrag’, had een team psychologen in Sociology of Sport Journal geschreven. Normen zijn de tradities, gedragsstandaarden en ongeschreven regels die uitmaken wat we doen. Als een team zwijgend overeenkomt dat het waardevoller is om verschil van mening te vermijden dan te discussiëren, is dat een norm die zichzelf bevestigt. Als een team een cultuur ontwikkelt die het uiten van een andere mening aanmoedigt en groepsdenken afwijst, zwaait een andere norm de scepter. Het individuele gedrag van teamleden – misschien gaan ze tekeer tegen autoriteiten of werken ze liever op zichzelf – wordt binnen een groep vaak overruled door de groepsnormen die 
respect voor het team aanmoedigen.

    De onderzoekers van Project Aristoteles stortten 
zich weer op hun data, analyseerden ze opnieuw, deze keer op zoek naar normen. Ze zagen dat het in sommige teams altijd geoorloofd was dat mensen elkaar onderbraken, bij andere moest er om beurten gesproken worden. Sommige teams vierden verjaardagen en begonnen elke bijeenkomst met informele gesprekjes. Andere kwamen meteen ter zake. Er waren teams met extraverte leden die zich tijdens bijeenkomsten voegden naar de bezadigde groepsnormen, en in weer andere kwamen introverte teamleden uit hun schulp zodra de bijeenkomsten begonnen.

    En sommige normen, zo lieten de data zien, correleerden consequent met een hoge effectiviteit van een team. Er was bijvoorbeeld een technisch ingenieur die de onderzoekers vertelde dat zijn teamleider ‘direct en recht door zee is, wat een veilige plek 
creëert om risico’s te durven nemen. […] Ze neemt ook de tijd om te vragen hoe het met ons gaat, te kijken hoe ze je kan helpen en ondersteunen.’ Dit was een van de effectiefste groepen binnen Google.

    Anderzijds vertelde een andere ingenieur de onderzoekers dat zijn ‘teamleider een slechte beheersing over zijn emoties heeft. Hij raakt in paniek over kleine dingen en probeert telkens de controle te grijpen. Ik zou niet graag autorijden met hem naast me, want hij zou het stuur proberen te pakken en de auto in de prak rijden.’ Dit team presteerde slecht. Maar de werknemers hadden het vooral over hoe de verschillende teams vóélden. ‘En dat vond ik begrijpelijk, misschien door mijn ervaringen aan Yale,’ zei Julia. ‘Ik had in een paar teams gezeten die me totaal uitputten, terwijl ik van andere groepen juist energie kreeg.’

    Het lijkt erop dat groepsnormen een doorslaggevende rol spelen voor de manier waarop deelname aan een groep ervaren wordt. Onderzoek door psychologen van Yale, Harvard, Berkeley, de University of Oregon en andere universiteiten geeft aan dat normen 
bepalen of we ons veilig of bedreigd voelen, krachteloos of opgewonden, gemotiveerd of ontmoedigd door de andere teamleden. Julia’s studiegroep aan Yale bijvoorbeeld, putte haar uit omdat ze altijd op haar hoede was vanwege de heersende normen – het gedoe over leiderschap, de druk om voortdurend te laten zien wat je kon, de neiging om steeds kritiek te leveren. Daartegenover kon in het caseteam iedereen vriendelijk en ongedwongen zijn door de daar gehanteerde normen, enthousiasme voor elkaars ideeën, door niet altijd kritiek te leveren, positief 
te zijn – of iemand nou leiderschap wilde uitoefenen of meer op de achtergrond wilde blijven. Samenwerken was hier makkelijk.

    Maar het was wel de vraag welke normen er het meest toe deden. Het onderzoek van Google had tientallen normen gevonden die belangrijk leken – maar soms spraken de normen van de verschillende effectieve teams die even succesvol waren elkaar tegen. Was het maar beter om iedereen naar believen te laten praten of zou een strenge leider 
de discussie moeten inperken? Was het effectiever 
als mensen openlijk met elkaar van mening verschilden of moesten conflicten worden afgezwakt? 
Wat waren de cruciaalste normen?

    Googlemedewerkers in het Europese hoofdkantoor van het bedrijf in Londen. © PENSON / HH
    Googlemedewerkers in het Europese hoofdkantoor van het bedrijf in Londen. © PENSON / HH

    Collectieve intelligentie

    Stel je voor dat je gevraagd bent om je bij een van twee teams aan te sluiten: A of B.

    Team A bestaat uit acht mannen en twee vrouwen, allemaal uitzonderlijk slim en succesvol. Als je een opname ziet waarin ze samenwerken, zou je welbespraakte professionals zien die elkaar niet in de rede vallen en zich beleefd en hoffelijk gedragen. 
Als er op een bepaald moment een vraag opkomt, is één persoon – duidelijk een expert op dat terrein – geruime tijd aan het woord terwijl alle anderen luisteren. Niemand onderbreekt hem. Als iemand anders van het onderwerp afdwaalt herinnert een collega hem aan de agenda, en stuurt het gesprek weer in de goede richting. Het team is efficiënt. De vergadering is precies op het afgesproken tijdstip afgelopen.

    Bij team B gaat het anders. Er zijn daar evenveel mannen als vrouwen, van wie sommigen succesvol in de top zitten, terwijl anderen middenmoters zijn die professioneel weinig gepresteerd hebben. In een video-opname zie je de leden van het team lukraak hun zegje doen in de discussie. Sommigen praten maar door, anderen houden het kort. Het gesprek 
is lastig te volgen omdat ze elkaar zo vaak in de rede vallen. Als iemand uit het team abrupt het onderwerp verandert of afdwaalt, sjeest de rest van de groep met hem dat zijpad op. De bijeenkomst wordt niet echt beëindigd: iedereen blijft gewoon zitten roddelen.

    Bij welke groep zou je je liever aansluiten?

    In 2008 vroeg een groep psychologen van Carnegie Mellon University en het MIT zich af of ze zouden kunnen ontdekken welke van de teams duidelijk beter was. ‘Omdat onderzoek, leidinggeven en veel andere taken steeds meer in groepen worden uitgevoerd – zowel in levenden lijve als “virtueel” – wordt het steeds belangrijker om te begrijpen wat bepalend is voor de groepsprestatie’, schreven de onderzoekers in 2010 in Science. ‘In de twintigste eeuw hebben 
psychologen belangrijke voortgang geboekt bij het definiëren en systematisch meten van individuele intelligentie. Wij hebben de statistische benadering die zij ontwikkelden voor het meten van individuele intelligentie, gebruikt om systematisch groepsintelligentie te meten.’

    Anders gezegd: de onderzoekers wilden weten of er een collectieve intelligentie bestaat die binnen een team ontstaat en die anders is dan de slimheid van welk individueel lid dan ook.

    Even geen teamwerk in Tech City, een andere Googlevestiging in Londen. – © Getty Images
    Even geen teamwerk in Tech City, een andere Googlevestiging in Londen. – © Getty Images

    Iedereen op zijn plek

    Om dit voor elkaar te krijgen ronselden de onderzoekers 699 mensen, verdeelden die in 152 teams 
en gaven elke groep een reeks opdrachten die verschillende vormen van samenwerking vereisten. 
De meeste teams begonnen met een brainstorm van tien minuten over de mogelijke gebruikswijze van een baksteen en kregen een punt voor elk uniek idee. Daarna kregen ze de opdracht een boodschappenritje te plannen alsof ze huisgenoten waren met slechts één auto. Ieder teamlid kreeg een andere boodschappenlijst en een plattegrond waarop de prijzen van verschillende winkels stonden. De enige manier waarop een team de hoogste score kon krijgen, was dat iedere persoon één felbegeerd artikel van zijn lijstje opofferde in ruil voor iets wat bij de hele groep in de smaak viel. Daarna werd de teams opgedragen tot een uitspraak te komen in een zaak waarbij een student-basketballer kennelijk zijn docent had omgekocht. Sommige teamleden vertegenwoordigden de belangen van de faculteit; andere spraken vanuit de sportsectie. De uitspraak die maximaal tegemoetkwam aan het belang van beide groepen werd met punten beloond.

    Al deze opdrachten vereisten de medewerking van het hele team, en elke opdracht vroeg om een andere manier van samenwerken. Tijdens de observatie van de groepen zagen de onderzoekers overal een andere dynamiek ontstaan. Een paar teams verzonnen tientallen slimme gebruikswijzen voor de baksteen, kwamen tot een uitspraak die iedereen tevreden stemde en hadden het boodschappenritje in een oogwenk gepiept. Andere bleven dezelfde functie voor de baksteen in steeds andere woorden beschrijven, kwamen tot uitspraken die sommige deelnemers links lieten liggen en het lukte hen niet om meer dan ijs en fruitmuesli te kopen omdat niemand concessies wilde doen. Interessant was dat wanneer teams één taak goed vervulden, ze de andere taken er ook goed van afbrachten. Omgekeerd leken de teams die één taak niet goed deden, alles niet goed te doen.

    De sterke teams bevatten ook meer vrouwen

    Je zou kunnen denken dat de ‘sterke teams’ succesvol waren omdat de leden ervan slimmer waren – dat groepsintelligentie misschien niets meer was dan 
de bij elkaar opgetelde individuele intelligentie van de afzonderlijke teamleden. Maar de onderzoekers hadden vooraf het iq van de deelnemers getest en ontdekt dat de individuele intelligentie niet correleerde met het groepsresultaat. Tien slimme mensen bij elkaar in een kamer zetten, betekende niet dat ze vraagstukken op een intelligentere manier oplosten – nee, die slimme mensen werden vaak overtroefd door groepen die bestonden uit mensen die lager scoorden op intelligentie, maar die als groep toch slimmer leken.

    Of je zou kunnen beweren dat de sterke teams vastberadener leiders hadden. Maar het onderzoek liet zien dat ook dat niet klopte. Uiteindelijk kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat de sterke teams 
het niet alleen goed hadden gedaan door de aangeboren kwaliteiten van de teamleden, maar ook door de manier waarop ze met elkaar omgingen. 
Anders gezegd, de succesvolste teams hanteerden normen waardoor iedereen zich op zijn plek voelde.

    ‘Alles leidt naar bewijs voor een overkoepelend collectief intelligentie-element dat voor een breed scala aan taken de groepsprestatie verklaart’, schreven de onderzoekers in hun artikel in Science. ‘Een dergelijke collectieve intelligentie is een eigenschap van de groep zelf, niet van de afzonderlijke individuen.’ Het waren de normen, niet de mensen, die het team slim maakten. De juiste normen konden de collectieve intelligentie van een groep middelmatige breinen omhoogtrekken. De verkeerde normen konden als struikelblok fungeren voor een groep die bestond uit mensen die ieder afzonderlijk bijzonder slim waren.

    Maar toen de onderzoekers de opnames bekeken van de interacties van de sterke teams, zagen ze dat niet alle normen er hetzelfde uitzagen. ‘Het was opvallend dat een aantal zich heel anders gedroeg,’ zei Anita Woolley, hoofdauteur van het onderzoek. ‘In sommige teams zaten een paar slimmeriken die uitpuzzelden hoe ze het werk gelijk konden verdelen. Andere groepen hadden gemiddeld intelligente teamleden maar verzonnen een manier om zo goed mogelijk te profiteren van ieders relatieve kracht. Sommige groepen hadden een sterke leider. Bij andere groepen was het wat meer in beweging en nam iedereen een leiderschapsrol op zich.’

    Twee soorten gedrag

    Maar er waren twee soorten gedrag die bij alle sterke teams voorkwamen.

    Ten eerste: de leden van sterke teams waren zo ongeveer allemaal even lang aan het woord, een fenomeen dat de onderzoekers betitelden als ‘een evenredige distributie van gespreksbijdragen’. In sommige teams deed bijvoorbeeld tijdens de opdrachten iedereen zijn zegje. In andere groepen was het aandeel in de conversatie bij elke opdracht anders, maar uiteindelijk was iedereen wel ongeveer even lang aan het woord geweest. ‘Zolang iedereen de kans kreeg om iets te zeggen, presteerde het team goed,’ zei Woolley. 
‘Maar als er maar één iemand of een kleine groep 
de hele tijd het woord voerde, zakte de collectieve intelligentie.

    Niet bij elk gesprek hoefde er een gelijke inbreng te zijn, maar in totaal moest het wel in evenwicht zijn.’

    Ten tweede: de sterke teams hadden een ‘hoge gemiddelde sociale sensitiviteit’ – een hoogdravende manier om te zeggen dat de groepen intuïtief begrepen hoe teamleden zich voelden, gebaseerd op de manier van praten, hoe mensen zich voordeden en de uitdrukking op hun gezicht.


    Een van de makkelijkste manieren om sociale gevoeligheid te meten is om iemand foto’s te laten zien van de ogen van mensen en hun te vragen om te beschrijven wat die persoon denkt of voelt. Dit is 
een ‘test om te meten hoe goed iemand zich kan verplaatsen in iemand anders’ hoofd, en kan “afstemmen” op hun mentale staat’, schreef de bedenker van de ‘gedachten in ogen lezen’-test, Simon Baron-Cohen van de University of Cambridge. Mannen raden gemiddeld slechts 52 procent van de emoties van de persoon op de foto correct, vrouwen meestal 61 procent.

    Mensen in de sterke teams in Woolleys experiment scoorden bovengemiddeld bij de ‘gedachten in ogen lezen’-test. Ze leken te zien wanneer iemand van de kaart was of zich buitengesloten voelde. Ze vroegen elkaar waar de ander aan dacht. De sterke teams bevatten ook meer vrouwen.

    Maar terugkomend op de vraag bij welk team je je liever zou aansluiten ingeval je de keus kreeg tussen de serieuze club, het professionele team A, of het vrijere, meer informele team B: je zou het beste kunnen opteren voor team B. Team A is slim en zit vol effectieve collega’s. Individueel zullen de leden stuk voor stuk succesvol zijn. Maar als team neigen ze ernaar om hun individuele gedrag voort te zetten. Er is weinig aanleiding om te denken dat ze als groep een collectieve intelligentie zullen ontwikkelen, omdat uit niets blijkt dat iedereen een gelijke stem heeft in het geheel en dat de leden gevoelig zijn voor de gevoelens en behoeften van teamgenoten.

    Team B is in tegenstelling daarmee rommeliger. Mensen praten door elkaar heen, ze springen van de hak op de tak, ze zijn gezellig aan het doen in plaats van zich aan de agenda te houden. Maar iedereen praat zoveel als voor hem of haar nodig is. Ze voelen zich allemaal even gehoord en snappen elkaars non-verbale communicatie en manier van uitdrukken. Ze proberen te anticiperen op elkaars reactie. Team B mag dan minder individuele uitblinkers hebben, de som van de groep is veel groter dan de afzonderlijke delen.

    Psychologische vrijheid

    Tegen de zomer van 2015 hadden de onderzoekers van het Google Project Aristoteles twee jaar lang onderzoeken verzameld, vraaggesprekken gehouden, informatie vergeleken met data uit het verleden en statistieken geanalyseerd. Ze hadden tienduizenden afzonderlijke data nauwkeurig onderzocht en tientallen softwareprogramma’s ontworpen om de ontwikkeling te analyseren. Uiteindelijk waren ze zover om hun conclusies te openbaren aan de medewerkers van het bedrijf.

    Ze belegden een bijeenkomst in het hoofdkantoor in Mountain View. Duizenden medewerkers kwamen opdagen en nog veel meer keken via een videostream. Laszlo Bock, hoofd van de afdeling Personeelszaken bij Google, liep het podium op en bedankte iedereen voor zijn aanwezigheid. ‘Het belangrijkste wat jullie van dit onderzoek zouden moeten meenemen is dat het er in veel opzichten meer toe doet hóé een team werkt, dan wíé erin zit,’ zei hij.

    Voor hij het podium op ging, had hij nog wat tegen me gezegd: ‘We dragen allemaal een mythe mee in ons hoofd. We denken dat we supersterren nodig hebben. Maar dat kwam niet uit ons onderzoek. 
Als je een team middelmatige krachten neemt en 
je leert ze op de goede manier met elkaar werken, dan zullen ze dingen doen die een superster nooit voor elkaar zou krijgen. En er zijn nog andere mythen, zoals dat salesteams anders geleid moeten worden dan technische teams, of dat de beste teams het over alles wat ze doen eens moeten zijn, of dat goed presterende teams heel veel werk nodig hebben om zich betrokken te blijven voelen, of dat teamleden in elkaars nabijheid moeten werken.

    ‘We richten ons nooit op het debuggen van menselijke interactie. We zetten goeie mensen bij elkaar en hopen dan dat het gaat lukken, en soms is dat zo en soms niet, en meestal weten we niet waarom’

    Maar we kunnen nu wel zeggen dat dat niet klopt. De data laten zien dat er een universele waarheid is voor het slagen van sterke teams. Het is belangrijk dat alle leden van het team zich gehoord voelen, maar het lijkt niet veel uit te maken of ze echt ergens een stem in hebben of beslissingen nemen. De hoeveelheid werk of de nabijheid van teamleden maakt ook niet uit. Wat ertoe doet is dat ze gehoord worden en sociaal fijngevoelig zijn.’

    Bock liet op het podium een reeks afbeeldingen zien. ‘Er zijn vijf sleutelnormen die ertoe doen,’ vertelde hij het publiek.
    1. Teams moeten geloven dat hun werk belangrijk is.
    2. Teams moeten het gevoel hebben dat hun werk voor hen persoonlijk betekenisvol is.
    3. Teams hebben duidelijke doelen en afgebakende rollen nodig.
    4. Teamleden moeten weten dat ze op elkaar kunnen rekenen.
    5. Maar het belangrijkste: teams hebben psychologische veiligheid nodig.

    Om psychologische veiligheid te creëren, moesten teamleiders het juiste gedrag voordoen, zei Bock. Daarvoor konden ze checklists gebruiken die ontworpen waren door Google: teamleiders zouden de leden van hun team tijdens een gesprek niet moeten onderbreken, want daardoor ontstaat een interruptienorm; ze zouden moeten laten zien dat ze luisterden door het gezegde, nadat het teamlid uitgesproken was, samen te vatten; ze zouden eerlijk moeten zijn over wat ze niet wisten; ze zouden een bijeenkomst pas moeten afsluiten wanneer alle leden van een team ten minste één keer hun zegje hadden gedaan; ze zouden mensen die ontdaan zijn, moeten aanmoedigen hun frustraties te uiten, en leden van het team aanmoedigen om onbevooroordeeld te reageren; ze zouden conflicten tussen groepen niet moeten verdoezelen en ze door open discussie moeten oplossen.

    Op de checklist stonden tientallen tactieken. Maar ze draaiden allemaal om twee algemene principes: teams zijn succesvol wanneer iedereen het gevoel heeft zich te kunnen uitspreken en wanneer de leden laten zien dat ze rekening houden met elkaars gevoelens.

    ‘Er zijn veel kleine dingen die een leider kan doen,’ zei Abeer Dubey. ‘Kapt de leider mensen tijdens een vergadering af met de opmerking “Ik wil hier graag een vraag over stellen”, of wacht ze af tot iemand klaar is met zijn verhaal? Hoe reageert de leider op een ontdaan iemand? Dat zijn zulke subtiele dingen, maar ze kunnen een enorme impact hebben. Ieder team is anders, en het is niet ongebruikelijk in een bedrijf als Google dat technici of verkoopmedewerkers opgeleid zijn om de strijd aan te gaan voor datgene waar ze in geloven. Maar je moet wel de juiste normen hebben om verschil van mening productief in plaats van destructief te laten zijn. Anders wordt een team nooit beter.’

    Bewuster

    Drie maanden lang reisde Project Aristoteles van het ene naar het andere district, lichtte hun bevindingen toe en begeleidde teamleiders. De mensen aan de top van Google verschaften instrumenten die teams konden gebruiken om te evalueren of de leden zich psychologisch veilig voelden en werkoverzichten om teamleden en -leiders hun scores te helpen verbeteren.

    ‘Ik heb een achtergrond in kwantitatief onderzoek. Als ik iets moet gaan geloven, dan moet je me data geven om het te staven,’ zei Sagnik Nandy, die als hoofd van Googles afdeling Technische Analyse een van de grootste teams van het bedrijf leidt. ‘Dus het zien van al deze data heeft een ommekeer voor me betekend. Technici halen heel graag fouten uit software omdat we weten dat we met slechts een paar tweaks de effectiviteit met 10 procent verhogen. Maar we richten ons nooit op het debuggen van menselijke interactie. We zetten goeie mensen bij elkaar en hopen dan dat het gaat lukken, en soms is dat zo en soms niet, en meestal weten we niet waarom. Door Aristoteles debuggen we onze mensen nu. Het heeft de manier waarop ik vergaderingen leid totaal veranderd. Ik denk nu zoveel bewuster na over hoe ik laat zien dat ik luister, of ik interrumpeer, of hoe ik iedereen aanmoedig zijn zegje te doen.’

    Het project heeft ook effect op het team Aristoteles. ‘Een paar maanden geleden zaten we in een vergadering en maakte ik een fout,’ vertelde Julia Rozovsky me. ‘Geen grote fout, maar het was wel beschamend, en achteraf stuurde ik een berichtje rond waarin ik uitlegde wat er was misgegaan, waarom het was gebeurd en hoe we het zouden oplossen. Meteen daarna kreeg ik een e-mail van een teamlid met alleen maar “Au” daarin.

    Het was alsof ik een stomp in mijn maag kreeg. 
Ik was al ontdaan dat ik een fout had gemaakt, en deze mail appelleerde precies aan mijn onzekerheden. Maar omdat we al lang samenwerkten, mailde ik hem terug en zei: “Er gaat niets boven een flinke ‘au’ om het gevoel van ochtendlijke psychologische vrijheid te vernietigen!” En hij reageerde met: “Ik probeer gewoon even je veerkracht uit.” Dat zou bij iemand anders verkeerd gevallen kunnen zijn, maar hij wist dat dit precies was wat ik nodig had. Met een interactie van dertig seconden losten we de spanning op. Het is grappig om je in teamverband bezig te houden met een project over teameffectiviteit, want je kunt alles wat je leert al doende uitproberen. Ik realiseerde me dat zolang iedereen maar het idee heeft dat ze ook wat mogen zeggen en we echt laten zien dat we naar elkaar willen luisteren, je het gevoel hebt dat iedereen je steunt.’

    Auteur: Charles Duhigg

    Dit is een voorpublicatie uit Slimmer, sneller, beter – Het geheim van productiviteit thuis en op het werk, dat binnenkort verschijnt bij Ambo|Anthos. Vertaling: René van Veen, Louise Koopman

  • Een man van goede hoop

    Een man van goede hoop

    De Zuid-Afrikaanse auteur Jonny Steinberg kreeg alom lof voor zijn non-fictieboek A Man of Good Hope, dat binnenkort in Nederlandse vertaling verschijnt. In het boek tekent hij het levensverhaal op van de Somalische vluchteling Asad, die naar Amerika wil maar in Zuid-Afrika terechtkomt. In deze voorpublicatie beschrijft Steinberg hoe zijn samenwerking met Asad tot stand kwam.

    Asad Abdullahi zit tegenover me aan een tafel in de Compagniestuinen. Om ons heen zitten oudere blanke mannen te schaken. Mijn schrijfblok ligt open op tafel, ik heb een pen in mijn hand. Ik vraag Asad naar de wijk Kaaraan in Mogadishu, waar hij ongeveer de eerste acht jaren van zijn leven heeft doorgebracht. Hij zegt dat hij zich er maar weinig van herinnert.

    ‘Het geeft niet,’ zeg ik. ‘Probeer maar niet het je te herinneren, vertel gewoon wat in je opkomt als je aan Mogadishu denkt.’

    Er valt me nu iets heel vreemds op. Hij draagt een nauwsluitende gele sweater met capuchon en blauwe skinny jeans, en in deze strakke kleding lijkt hij niet alleen groot en dun, maar ook als het ware verlengd. Elk deel van hem – zijn neus, zijn wangen, zijn handpalmen en vingers, zijn romp – lijkt heel zorgvuldig te zijn uitgerekt. Het resultaat is elegant.

    Ineens bedenk ik dat hij precies op de plek zit waar Kaapstad is ontstaan. De tuinen om ons heen zijn bijna op de dag af 358 jaar geleden aangelegd. Hier zit Asad, op heel oude grond, terwijl hij zelf zo jong is en zo overduidelijk niet welkom.

    In zijn slanke vingers houdt hij een twijgje. Dat heeft hij waarschijnlijk gevonden toen we vanaf de bibliotheek hierheen liepen. Nu breekt hij het in tweeën en brengt het naar zijn neus.

    Hij trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op. Hij ruikt er nog eens aan.

    ‘Wat gek,’ zegt hij. ‘Vanaf het moment dat ik het op de grond zag liggen, wist ik waar de geur me aan zou doen denken.’

    Asad woont in Blikkiesdorp: de aars van Kaapstad, de kringspier waardoor de stad de delen uitscheidt die hij niet wil hebben

    Hij begint te vertellen hoe hij inkt maakte. Hij was een jaar of zeven en leerling van een madrassa. Daar maakte hij het houtskoolmengsel waarin hij zijn pen zou dopen om de Koran over te schrijven. Om de inkt te binden heb je het sap van de agreeg-boom nodig. Je splijt een takje open en knijpt met je vingers het sap eruit en laat dat in de houtskool en het water druppelen. Terwijl je in het mengsel roert, breng je onwillekeurig je vingers naar je neus. Je ademt diep in. Ah!

    Op zijn gezicht verschijnt een intens weemoedige glimlach, en ik denk dat ik weet waar hij met zijn gedachten is.

    Hij weet dat ik er nog ben, dat aan de tafel naast ons mannen zitten te schaken. Maar hij is ook ergens anders en hij geniet ervan, omdat hij beseft dat het maar heel even zal duren. Hij is meer dan twintig jaar in de tijd teruggegaan. Dankzij het twijgje dat 
hij in de Compagniestuinen heeft gevonden, beleeft hij een vergeten hoogtepunt opnieuw, want uit de uitdrukking op zijn gezicht blijkt duidelijk dat het sap van de agreeg bedwelmend is.

    Ik krijg een ingeving. Ik weet dat ik als ik erover nadenk, al is het maar heel even, een reden zal vinden om het niet te doen, dus denk ik er niet over na. Een man die zomaar een twijgje opensplijt en daardoor zo levendig, zo krachtig naar een andere wereld wordt teruggevoerd, dat is een man over wie ik een boek zou moeten schrijven.

    Kinderen in Blikkiesdorp. – ©  Dan Kitwood / Getty Images
    Kinderen in Blikkiesdorp. – © Dan Kitwood / Getty Images

    Enkele weken eerder was ik naar zijn hut gereden om daar te ontbijten. Volgens mijn agenda was dat op 24 september 2010, een nationale feestdag in Zuid-Afrika. Pearlie Joubert, een journaliste die ons aan elkaar had voorgesteld, was bij me. Ik had eerst een heel ander boek in gedachten. Ik had Pearlie gevraagd me te introduceren bij mensen die in mei 2008 uit Kaapstad waren gevlucht na de geweldsuitbarsting tegen buitenlanders die in Zuid-Afrika woonden. Die periode had ik willen vergelijken met gebeurtenissen van vijftig jaar eerder.

    Asad kwam naar buiten om ons te begroeten. Hij droeg een turquoise macawi, die rond zijn middel was geknoopt en tot op zijn enkels viel. Pearlie had me verteld dat hij zevenentwintig was. Ik vond dat hij ouder leek, misschien omdat ik een macawi associeerde met iemand van middelbare leeftijd.

    Hij nodigde ons uit binnen te komen in de hut, die overal bedekt was met prachtige, geplooide stoffen. Er hingen er een stuk of tien van het plafond in de hoek bij zijn bed om het af te schermen van de rest van de kamer. Ook de blikken muren waren bedekt met stoffen. De kleuren ervan waren donker en gedempt: kastanjebruine en donkergroene tinten. Ze hulden de kamer in schaduwen, alsof het schemerde en niemand het licht had aangedaan, en ik schrok toen ik ineens zijn vrouw zag. Ze zat op een kruk in de hoek. Haar mollige gezicht staarde ons aan vanonder een hoofddoek die haar wangen bijna helemaal bedekte.

    Asad nodigde ons uit te gaan zitten en boog zich over een bunsenbrander. Hij zei dat hij voor ons het Somalische ontbijt wilde maken waar hij het over had gehad: pannenkoeken. Naast hem stond het deeg in een plastic kom, en op het fornuis stond een pan met reepjes vlees en uien en paprika’s te sissen.

    Asad Abdullahi – © Sam Barker
    Asad Abdullahi – © Sam Barker

    Asad woont in Blikkiesdorp. Het wordt soms de aars van Kaapstad genoemd, de kringspier waardoor de stad de delen uitscheidt die hij niet wil hebben. Dat klopt wel zo ongeveer. Het dorp dat in 2007 door de gemeente is gebouwd, bestaat uit zestienhonderd identieke eenkamerbouwsels die in zestien identieke vierkante blokken zijn verdeeld. Het is neergezet om mensen onderdak te bieden die uit illegaal bewoonde woningen waren gezet, een dump waar de uitgestotenen van de stad op een hoop zijn gegooid. Doordat het meer dan dertig kilometer van het centrum van Kaapstad ligt, is het economische hart van de stad alleen bereikbaar via een lange, dure taxirit. Het is het ultieme getto: de bewoners zijn ingesloten door afstand, armoede en hun eigen achtergrond. Begin 2010 hebben de stad en het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen in hun gezamenlijke wijsheid besloten om vierendertig Somalische en Congolese families in Blikkiesdorp te plaatsen. Ze hadden in 2008 allemaal hun huis moeten ontvluchten met een bende Zuid-Afrikanen op hun hielen. Allemaal hadden ze het grootste deel van de afgelopen twee jaar moeten doorbrengen in geïmproviseerde vluchtelingenkampen, omdat ze te bang waren om terug te gaan naar Kaapstad. Blikkiesdorp was voor hen de plaats om te re-integreren. Ze mochten zonder huur te betalen in een eenkamerhut wonen te midden 
van de verschoppelingen van de stad, mensen die misschien niet anders konden dan hen haten.

    Twee maanden voordat ik Asad leerde kennen, ging er een gerucht door Blikkiesdorp. Het was de dag voor het einde van het wk voetbal, dat zo trots op Zuid-Afrikaanse bodem werd gehouden. Blikkiesdorp, aldus het gerucht, zou dat vieren door de daar wonende buitenlanders te vermoorden. Die avond verzamelde zich bij Asads hut een menigte, die stenen tegen de blikken wanden begon te gooien. Asad belde Pearlie, die iedereen in Kaapstad leek te kennen, onder wie iemand in de hogere rangen van de politie. Een afdeling ordepolitie haastte zich naar het strijdtoneel.

    Tijdens het ontbijt vertelde Asad ons hoe hij zijn kostje bij elkaar scharrelde.

    Elke morgen ging hij naar Mitchells Plain Town Centre, ongeveer tien kilometer verderop, een druk winkelcentrum in de grootste township van Kaapstad, dat door Somalische handelaren was overgenomen. Hij bleef daar dan rondhangen tot hij iemand vond die een chauffeur nodig had om voorraden op te halen in een van de groothandels in Kaapstad, of om enkele mensen naar een andere stad te brengen, of voor wat dan ook. Asad bood aan tegen een vergoeding te rijden.

    Hij zei dat het nauwelijks iets opleverde, dat hij een handelaar was, een zakenman, en dat hij om te overleven een winkel moest openen hier in Blikkiesdorp, maar dat hij daarvoor alleen het geld nog bijeen moest krijgen.

    Dit was geen loze praat. Ik zou de komende weken tijd van hem kopen. Hij zou me door de Somalische delen van de stad leiden, me naar de hostels en 
restaurants daar brengen en me voorstellen aan de ondernemers. Ook zou hij ontmoetingen regelen met mensen die in mei 2008 uit allerlei delen van de stad waren gevlucht. Met zijn hulp zou ik een verhaal schrijven over de ervaringen van de Somaliërs tijdens die beruchte periode van gewelddadigheden. Ik zou hem zevenduizend rand betalen voor zijn tijd, exact het bedrag dat hij nodig had om een winkel te kunnen beginnen.

    Ik zat in zijn hut en at het ontbijt dat hij had klaargemaakt, toen ik ineens bedacht dat onze overeenkomst zijn leven een stuk gevaarlijker zou maken.

    ‘Wil je hier een zaak runnen waar alleen contant 
geld in omgaat?’ vroeg ik. ‘Wat zal je buren er dan van weerhouden je neer te schieten en je dagopbrengst 
te stelen?’

    Hij lachte. Niet alleen met zijn ogen, maar met zijn hele mond. Zijn tanden waren hagelwit en volmaakt regelmatig.

    ‘Het is niet aan gangsters om te bepalen wanneer 
ik zal sterven,’ antwoordde hij. ‘Terwijl je nog in de baarmoeder zit, heeft Allah al de hele loop van je leven bepaald.’

    Hij keek me ondeugend aan. Ik had het gevoel dat hij me een privégrapje had verteld.

    Bewoners van Blikkiesdorp ten tijde van het WK Voetbal in 2010. – © Dan Kitwood / Getty Images
    Bewoners van Blikkiesdorp ten tijde van het WK Voetbal in 2010. – © Dan Kitwood / Getty Images

    Een week nadat ik hem in de Compagniestuinen had gesproken, ging ik naar hem toe in Blikkiesdorp. Hij had een gat in een van de blikken wanden gesneden en dat dichtgemaakt met een metalen draadwerk. Erachter stond een krukje en daarachter bevonden zich schappen tot aan het plafond, vol sigaretten en chips en ingeblikt eten en zakken mieliemeel.

    Aanvankelijk vertel ik hem niet waar ik op hoop. Ik bezoek hem twee keer per week in Blikkiesdorp. We zitten dan op zijn bed en praten ongeveer een uur. Daarna vertrek ik.

    Aan het einde van een van deze bezoekjes vraag ik of hij wil nadenken over het idee dat ik een boek schrijf over zijn leven. Ik zeg dat hem dit, als we het erover eens worden, veel tijd zal kosten: twee ochtenden per week en dat misschien wel een jaar lang. Ik was van plan de plaatsen te bezoeken waar hij had gewoond – of in elk geval de plaatsen waar je naartoe kon – en ik wilde mensen gaan zoeken die hem hadden gekend, de huizen zien waar hij had geslapen en door de straten lopen waar hij had gelopen. Ik beloof hem 25 procent van de royalty’s wanneer het boek uitkomt, en noem het bedrag waar het waarschijnlijk om zal gaan. Hij hoeft me niet meteen een antwoord te geven; ik vind dat hij er eerst over moet nadenken.

    Met gemengde gevoelens rij ik over de n2 terug naar Kaapstad. Ik ben opgewonden. Zodra ik terug ben op de universiteit van Kaapstad zal ik, nog voordat ik mijn kantoor binnenloop, regelrecht naar de bibliotheek gaan en er vier of vijf van de meest gezaghebbende boeken over Somalië halen en me erin verdiepen. Ik voel me ook ongemakkelijk. Dit is niet de eerste keer dat ik het zeer persoonlijke levensverhaal opteken van iemand die veel armer is dan ik. Het geeft me een bijzonder ongemakkelijk gevoel om geld te betalen voor toegang tot de privéwereld van iemand die arm is. Per slot van rekening is datgene wat ik maak een commercieel product, en het idee dat ik de enige ben die eraan verdient is onaangenaam.

    Bij eerdere gelegenheden heb ik geprobeerd het beste uit beide te halen. Ik vroeg iemands medewerking zonder hem daarvoor geld aan te bieden; zijn beweegredenen om daarmee in te stemmen waren steevast ingewikkeld en vaak ondoorgrondelijk. We werken lang samen. Ik laat hem de conceptversies zien van het manuscript dat zal worden uitgegeven. En vervolgens, zodra ik helemaal zeker ben van zijn toestemming zonder betaling, bied ik hem een deel van de royalty’s aan.

    Ik ben het beu om op deze manier te werken. Het is me gaan tegenstaan: de aanmatiging, het verzwijgen, de autoriteit die ik mezelf heb gegeven om de overeenkomst er tot de laatste druppel uit te persen. En dus bied ik Asad op voorhand een handelsartikel aan waarvan we de opbrengst zullen delen. Dat lijkt me veel zuiverder en eerlijker.

    Toch lost dit lang niet alles op. Het geld dat ik hem heb betaald om zijn winkel op te zetten, heeft hem de ruimte gegeven om met mij te praten. Je kunt van een man die elke dag om werk loopt te schooien niet verlangen dat hij twee dagen per week vrij neemt om zijn herinneringen door te spitten. De beloofde royalty’s zullen er ongetwijfeld voor zorgen dat hij zijn verplichtingen nakomt tot het einde van het project, ongeacht hoe diep ik in zijn privéleven graaf. Ik heb nog geen manier gevonden om een boek te schrijven zonder macht uit te oefenen.

    ‘Het is niet aan gangsters om te bepalen wanneer ik zal sterven’

    Uiteindelijk zorgt ons project voor een veel directer en onverwachter ongemak.

    Het begint met de vraag wat er met Asads winkel moet gebeuren in de uren die hij met mij doorbrengt. Zijn vrouw kan achter de toonbank staan wanneer hij met me praat, maar ze spreekt heel weinig Engels en geen Xhosa of Afrikaans, en dus moet Asad, die deze drie talen steeds beter beheerst, altijd in de buurt zijn. Soms ga ik met hem mee naar Mitchells Plain of naar Bellville, of naar een klusje waarvoor 
hij in het centrum van de stad moet zijn. Over het algemeen moeten we onze gesprekken echter binnen roepafstand van zijn zaak voeren.

    In het begin spreken we af in zijn hut. Ik zit op de rand van zijn bed en hij zit op een plastic stoel. Maar hij voelt zich niet op zijn gemak met deze regeling. Hij friemelt voortdurend met zijn handen. Bij het minste of geringste geluid van buiten spitst hij zijn oren. Toen we een uur bezig waren aan ons tweede gesprek, had hij er genoeg van. Hij laat me kortaf weten dat we niet meer in zijn hut kunnen afspreken en staat erop dat we naar mijn auto verkassen.

    En dat wordt dus, keer op keer, de plaats waar we elkaar treffen. Ik zit op de plaats van de bestuurder, hij op die van de passagier, mijn schrijfblok gaat telkens van mij naar hem en weer terug terwijl ik korte aantekeningen neerkrabbel van zijn verhaal en hij tekeningen maakt bij de taferelen die hij beschrijft. Ik sta evenwijdig aan zijn hut geparkeerd, niet meer dan een meter of twee van het met een metalen draadwerk afgedekte gat waardoor zijn vrouw de klanten bedient. Iedereen die iets bij hem gaat kopen, strijkt langs mijn autoportier.

    Hij zegt dat hij dit wil omdat zijn hut te klein is, maar dat is niet zo. Het is een heel prettige ruimte om te praten, in feite veel gezelliger dan een auto. Ik vraag me af wat de werkelijke reden is en waarom hij die voor me verborgen wil houden.

    Wanneer er een ritme ontstaat in de tijd die we samen doorbrengen en dat ritme betekenis begint te krijgen, dringt het langzaam tot me door. Ronduit gezegd, het dringt tot me door zodra ik me de bizarre en perverse aard van onze ontmoetingen realiseer.

    Ik ben een ingezetene van mijn land, en veel vreemdelingen om me heen weten dat. Een van hen wil misschien wel een kogel door mijn hoofd schieten, maar hij weet dat hij daarmee een hele machinerie op gang brengt en dat ze naar hem zullen zoeken. 
Ik en degenen om me heen, wij bevinden ons in dezelfde kring. We kennen allemaal de regels.

    Asad bevindt zich niet in die kring. Hij staat erbuiten, want de regels zijn niet op hem van toepassing. Zijn winkel levert elke dag contant geld op en hij weet dat zijn buren weten dat als iemand hem door zijn hoofd zou schieten en zijn geld zou stelen, de machinerie van de staat in een reflex haperend in beweging en dan tot stilstand zou komen. Het dringt langzaam tot me door dat deze wetenschap zijn leven bepaalt. Bij elke beslissing die hij neemt, botst het imperatief om vrij te zijn met het imperatief om veilig te zijn. Op zijn schouders rust de permanente last om niet vermoord te worden.

    Het is onze derde week samen. We zitten in mijn auto te praten.

    ‘Start de auto,’ zegt hij.

    Ik kijk hem aan. Een ogenblik geleden was hij nog diep verzonken in jeugdherinneringen, zijn hoofd gebogen, uit gewoonte met zijn hand over het dashboard strijkend. Nu zit hij kaarsrecht met zijn ogen strak gericht op de achteruitkijkspiegel.

    Ik draai me om.

    ‘Niet doen,’ zegt hij. ‘Start de motor nou maar.’

    Ik doe wat hij zegt. Daarna draai ik aan mijn zijspiegel om te zien wat hij ziet. Een paar honderd meter achter ons komen drie jonge mannen op ons af lopen met de capuchon van hun trui ver over hun wenkbrauwen getrokken. Ik ben niet bang. Ik weet zeker dat ze zo meteen rechtsaf of linksaf zullen gaan en een andere straat in zullen lopen. Het zijn gewoon drie inwoners van Blikkiesdorp die met hun eigen zaken bezig zijn. Iedereen onder een bepaalde leeftijd draagt immers zo’n trui met capuchon. Die van Asad ligt keurig opgevouwen bij de kleren in zijn hut.

    We wachten.

    Ik begin Asads angst te voelen.

    Alsof het een virus is, alsof het van hem is af gesprongen en in mijn huid is gedrongen en nu door mijn aderen kruipt.

    Dit moment levert heel veel op. Doordat een deel van hem in mijn bloed zit, kan ik het begrijpen. Ik weet nu waarom hij erop staat dat we elkaar in mijn auto treffen. Belangrijker nog, ik weet welke overwegingen hebben meegespeeld toen hij me toeliet in zijn leven.

    ‘Elke keer dat ik je bezoek ben je bang,’ zeg ik.

    ‘Ja,’ antwoordt hij, met zijn ogen nog steeds gericht op de mannen achter ons.

    ‘Je bent bang dat een blanke in een mooie auto 
mannen met wapens aantrekt, dat jij en je gezin minder veilig zijn als ik er ben.’

    ‘Ik maak me daar heel veel zorgen over,’ zegt hij.

    ‘Je wil ook per se dat we elkaar ’s morgens treffen, omdat de gangsters dan slapen.’

    ‘Dat klopt.’

    ‘En je wil me in de auto ontmoeten, zodat je het gevaar kunt zien aankomen.’

    ‘In de hut,’ zegt hij, ‘kun je niets zien. Het eerste wat je van ze ziet, is een wapen voor je neus.’

    De drie jonge mannen zijn ons inmiddels voorbijgelopen en we kijken hen na terwijl ze verdwijnen.

    Ik zet de motor af en pak mijn pen en schrijfblok. Ik wil hem niet vertellen wat ik nu nog meer denk te weten. Dat hardop zeggen zou gevaarlijk zijn. Het zou ons dwingen om onze regeling nader te onderzoeken in al haar naakte perversiteit; het zou het 
ons moeilijker maken door te gaan.

    Ik stel me zijn overwegingen voor. Hij wil heel graag met mij in contact blijven, want ik ben net als Pearlie iemand van de andere kant, iemand die binnen 
de baan van het recht reist. Wie weet wanneer hij 
de hulp van zo iemand nodig heeft? Misschien vanavond al.

    Maar om onze relatie in stand te houden, moet hij urenlang naast me zitten en in zijn verleden duiken. Anders verlies ik mijn belangstelling in hem en ga ik weg. Hij moet die herinneringen ophalen in de buurt van zijn woning en gezin, want hij kan zijn nieuwe zaak niet zo vaak en zo lang in de steek laten. Niettemin denkt hij dat mijn regelmatige bezoekjes waarschijnlijk mannen met wapens zullen aantrekken.

    Dus jongleert hij. De delen van mij die veiligheid brengen, haalt hij dichterbij en de delen die gevaar kunnen betekenen, probeert hij zo veel hij kan te reduceren.

    Vandaar mijn auto. Tussen oktober 2010 en september 2011 hebben we daar vele uren doorgebracht. Terwijl hij met zijn innerlijke oog naar zijn jeugd kijkt, scannen de twee ogen aan weerszijden van zijn neus de straat.

    Auteur: Jonny Steinberg

    Een man van van goede hoop, vertaald door Marianne Palm, verschijnt op 22 februari bij Atlas Contact.
    Een man van van goede hoop, vertaald door Marianne Palm, verschijnt op 22 februari bij Atlas Contact.
  • Help ons in godsnaam

    Help ons in godsnaam

    Sicilië is verworden tot een desolaat eiland zonder elektriciteit, met roedels wilde honden en lege snelwegen. Een virus heeft alle volwassenen uitgeroeid, alleen de jeugd is gespaard gebleven. Niccolò Ammaniti (1966) schreef de bestsellers Ik haal je op, ik neem je mee (300.000 exemplaren verkocht in Nederland), Ik ben niet bang (160.000 exemplaren) en Zo God het wil. Iedere dag is er een voor de Ammaniti-fans die halsreikend naar de nieuwe Anna uitkijken. Houd vol. Het duurt niet lang meer. Hier alvast een voorpublicatie.

    Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen T-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.

    De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug 
te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.

    Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed. Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.

    De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden. Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf 
met open ogen.

    Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fluisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.

    De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.

    Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man 
die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.

    Hij liep wankelend verder, alsof hij zijn beentjes niet in bedwang kon houden. Op een andere brancard, naast een poster die maande tot borstkankerpreventie en een andere met een foto van de Sint-Pauluskathedraal in Luik, lag het lijk van een bejaarde vrouw. Het kleintje liep verder onder een knetterende gele tl-lamp.

    Een jongen in nachthemd en badstof slippers lag dood in de deuropening van een langgerekte slaapzaal, een arm naar voren, de vingers samengetrokken alsof hij zich niet wilde laten opslokken door een draaikolk. Aan het eind van de gang vocht de 
duisternis tegen de lichtstralen die door de hoofdingang van het ziekenhuis naar binnen schenen.

    Het jongetje bleef staan. Links van hem de trap, de liften en de receptie. Achter de roestvrijstalen balie zag je omgevallen computerschermen op de bureaus en een glazen wand die in duizenden stukjes uiteen was gevallen. Hij liet het treintje vallen en rende naar de uitgang. Hij kneep zijn ogen dicht, strekte zijn arm uit, duwde tegen de grote deuren en 
verdween in het licht. Buiten, voorbij de grote trap, voorbij de rood-witte plastic afzetlinten, staken de zwarte silhouetten van de politieauto’s, de ambulances, de brandweerwagens af.

    Iemand schreeuwde. ‘Een jongetje. Daar loopt een jongetje…’ Een lompe figuur rende naar hem toe en verduisterde de zon. Het jongetje had nauwelijks 
tijd om te zien dat de man was ingepakt in een gele plastic overall.

    Toen werd hij vastgepakt en afgevoerd.

    Vier jaar later…

    Anna rende over de snelweg en kneep in de riempjes van de rugzak die op haar rug stuiterde. Nu en dan keek ze achterom. De honden waren er nog steeds. Keurig in een rij achter elkaar. Zes, zeven. Een paar haveloze honden waren onderweg afgehaakt, maar de grootste, voorop, kwam steeds dichterbij. Ze had ze twee uur daarvoor in de verte op een afgebrande akker tevoorschijn zien komen tussen de donkere keien en geblakerde stronken van de olijfbomen, maar ze had er verder geen aandacht aan besteed.

    Het was haar wel eerder overkomen dat ze werd 
achtervolgd door roedels wilde honden, die kwamen even achter je aan, kregen er vervolgens genoeg van en gingen dan weer hun eigen gang.

    Maar toen ze deze roedel niet meer zag had ze een zucht van verlichting geslaakt. Ze was gestopt om het water dat ze nog over had op te drinken en was verder gelopen.

    Ze vond het leuk om te tellen tijdens het lopen. Ze telde hoeveel stappen er in een kilometer gingen, ze telde de donkerblauwe auto’s en de rode, ze telde de viaducten.
    Toen waren de honden weer verschenen.

    Het waren wanhopige stakkers, stuurloos op drift in een zee van as. Ze had er al zoveel gezien, met kale plekken in hun vacht, trossen teken die aan hun oren hingen, uitstekende ribben. Ze verscheurden elkaar om de resten van een konijn. De zomerbranden hadden de vlakte verschroeid en er was bijna niets meer te eten.

    Ze liep langs een rij auto’s met ingeslagen ruiten. 
Er groeide onkruid en koren rondom de karkassen, die bedekt waren met een laag as.

    De sirocco had de vlammen tot aan de zee voortgestuwd en daarbij een woestijn achter zich gelaten. 
De strook asfalt van de A29 die Palermo verbond met Mazara del Vallo sneed een dode vlakte in tweeën waaruit zich de geblakerde rompen van de palmbomen en een paar rookpluimen verhieven. Links, voorbij de overblijfselen van Castellammare del Golfo, vermengde een stukje grijze zee zich met de lucht. Rechts dreef een rij lage, donkere heuvels op de vlakte als verre eilanden.

    De rijbaan was versperd door een gekantelde vrachtwagen. De oplegger had de middenvangrail geramd en wastafels, bidets, toiletpotten en scherven wit keramiek lagen over tientallen meters verspreid. 
Het meisje liep ertussendoor.

    Haar rechterenkel deed pijn. Ze had in Alcamo de deur van een kruidenierswinkel opengetrapt.

    En dan te bedenken dat alles voorspoedig was verlopen totdat de honden kwamen.

    T

    © Hollandse Hoogte
    © Hollandse Hoogte

    Toen ze was vertrokken was het nog donker. Ze moest steeds iets verder weg om eten te zoeken. Eerst was het makkelijk, dan ging je gewoon naar Castellammare en vond je wat je wilde, maar de branden hadden alles ingewikkeld gemaakt. Ze had drie uur lang gelopen onder een zon die klom in een bleke, onbewolkte hemel. De zomer was al een tijdje voorbij, maar de hitte wilde niet wijken. Na het vuur te hebben aangewakkerd was de wind verdwenen, alsof 
dat deel van de schepping hem niet meer interesseerde. In een kwekerij had ze naast een krater die was veroorzaakt door een ontplofte benzinepomp een grote doos vol etenswaren onder stoffige zeilen gevonden.

    In haar rugzak had ze zes blikjes Cirio-bonen, vier blikjes Graziella-gepelde tomaten, een fles Lucano Amaro, een grote tube gecondenseerde melk van Nestlé, een rol beschuiten die gebroken waren maar nog goed om op te lossen in water, en een pond vacuümverpakte pancetta. Ze had zich niet ingehouden, de pancetta had ze meteen opgegeten, in stilte gehurkt op de zakken teelaarde die lagen opgestapeld op de met muizenkeutels bedekte grond. Het was taai als leer en zo zout dat haar mond ervan brandde.

    De zwarte hond won terrein. Anna versnelde haar pas, haar hart pompte op het ritme van haar voetstappen. Ze zou het niet lang meer volhouden. 
Ze moest stoppen en het gevecht aangaan. Had ze ten minste maar een mes. Ze droeg er altijd een bij zich, maar die ochtend was ze het vergeten. Ze was vertrokken met een lege rugzak en een fles water.

    De zon stond op vier vingers van de horizon. Nog heel even en hij zou worden opgeslokt door de vlakte. De maan aan de andere kant was dun als een nagel.
    Ze keek om.

    De hond was er nog steeds. De andere hadden een voor een opgegeven, maar hij niet. In de laatste 
kilometer was hij niet dichterbij gekomen, maar zij rende en hij dribbelde.

    Misschien wachtte hij met aanvallen tot het donker was, maar dat leek haar onwaarschijnlijk, honden kunnen niet logisch nadenken. En hoe dan ook zou zij het nooit volhouden tot het donker werd. Haar enkel bonkte en haar kuit was hard van de pijn.

    Ze passeerde een groen bord. Nog vijf kilometer naar Castellammare. Om recht te blijven rennen volgde ze de onderbroken streep op het midden van de rijweg. Als ze niet doof was door haar eigen ademhaling en haar voeten die stampten op het asfalt, had ze de 
stilte gehoord. Geen zuchtje wind was er, geen vogels, geen krekels, geen cicaden.

    Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong

    Toen ze langs een auto rende, fluisterde de vermoeidheid dat ze erin moest gaan zitten, maar 
haar verstand zei dat ze dat niet moest doen. Ze kon proberen hem de beschuiten toe te werpen, of door het hek langs de snelweg te glippen, maar dat had dichte mazen en geen gaten waar je doorheen kon.

    Op de middenberm stonden oleanders die het vuur hadden overleefd, vol rode bloemen en hun takken bogen zwaar door. De zoetige geur vermengde zich met die van brand.

    De barrière was hoog.

    Maar jij bent de kangoeroe, zei ze tegen zichzelf. Op school noemde juffrouw Pini, de gymlerares, haar 
de kangoeroe omdat ze nog beter kon springen 
dan de jongens. Anna was niet blij met die bijnaam, kangoeroes hebben flaporen. Ze was liever een 
luipaard geweest, die kan ook springen maar is veel mooier.

    Ze haalde haar rugzak los en gooide die over de 
struiken. Ze nam een aanloop, zette een voet op 
de betonnen kantsteen, liep door de begroeiing 
en was op de andere rijbaan.

    Ze pakte de rugzak op en telde hijgend tot tien. 
Ze hief een vuist in de lucht en glimlachte. Ze had een mooie glimlach vol witte tanden die ze zelden toonde.
    Hinkend liep ze verder. Nu hoefde ze alleen nog 
over het hek te klimmen en dan was ze veilig.

    Aan de andere kant was een talud dat uitkwam op een weggetje dat parallel aan de snelweg liep. 
Niet het beste punt om met die gehavende enkel overheen te klimmen. Ze legde de rugzak neer en draaide zich om.

    Ze zag de hond uit de oleanderstruiken tevoorschijn springen en op haar af galopperen.

    Hij was niet zwart maar wit, zijn vacht bedekt met as, en had een afgehapt oor. Het was de grootste hond die ze ooit in haar leven had gezien.

    En als je niet in beweging komt vreet hij je op. Ze klampte zich vast aan de mazen van het hek, maar haar armen waren verlamd van angst. Ze draaide zich om en gleed op de grond.

    Het dier vloog over de laatste meters snelweg en sprong over de vangrail en de bermgoot. Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong.

    Anna hief haar elleboog op en stootte die tussen de ribben van de hond, die ineenkromp en naast haar neersmakte. Ze krabbelde overeind.

    Het beest lag languit op het gras. Een bijna menselijke verbazing gleed over zijn inktzwarte pupillen.

    Het meisje griste haar rugzak van de grond en schreeuwend sloeg ze hem daarmee. Een, twee, drie keer. Eerst op zijn kop, toen tegen zijn nek, en nog eens op zijn kop.

    De hond jankte stomverbaasd terwijl hij probeerde op te staan. Anna draaide als een kogelstoter die gaat werpen in een volmaakte cirkel om haar eigen as, maar de riem van de rugzak liet los en ze verloor haar evenwicht. Ze stak haar been uit maar de pijnlijke enkel kon haar niet houden. Ze viel.

    De twee lagen naast elkaar en staarden elkaar aan, toen kromde de hond zich grommend en stortte zich met opengesperde bek op haar.

    Anna trok haar gezonde voet op en zette haar hak in het borstbeen van de hond waardoor hij met zijn rug tegen de vangrail vloog.

    Het dier belandde op zijn zij. Hij hijgde, de lange tong gekruld onder zijn neus en zijn ogen gereduceerd tot donkere spleten.

    Terwijl de hond probeerde op te staan zocht Anna iets waarmee ze hem kon afmaken. Een steen, een stok, maar er was niets, alleen verbrand afval, plastic zakken, ingedeukte blikjes.

    ‘Wat wil je van me? Laat me met rust!’ schreeuwde 
ze tegen hem. ‘Heb ik je soms kwaad gedaan?’

    © Getty Images
    © Getty Images

    Het beest staarde haar aan met ogen vol haat terwijl hij zijn zwarte lippen optrok en zijn gelige tanden en de kwijlbellen tussen zijn kiezen toonde. Een laag, dreigend gegrom trilde in zijn borstkas.

    Het meisje maakte zich uit de voeten, slingerend naar rechts en naar links, struikelend over haar schoenveters. De oleanders, de donkere lucht, het geblakerde geraamte van een boerenhuis zonder 
dak vervaagden en verschenen opnieuw bij elke stap. Ze bleef staan en keek om.

    De hond volgde haar.

    Anna hinkte naar een donkerblauwe stationcar met een ingedeukte voorkant. Het voorportier stond wijd open en in de achterklep ontbrak het glas. Met haar laatste krachten kroop ze erin en trok ze aan het 
portier, maar dat klemde. Ze probeerde het met twee handen. Het portier knarste in de verroeste scharnieren en stuiterde tegen het geoxideerde slot. Ze probeerde het nog eens, zonder resultaat. Uiteindelijk kon ze het sluiten door de veiligheidsgordel om het handvat te binden. Ze legde haar hoofd tegen het stuur en ademde met gesloten ogen de lucht, die verzadigd was van vogeluitwerpselen, in en uit. De met as en stof bedekte ruiten maakten dat het donker was in de cabine. Op de passagiersstoel hield een skelet bedekt met witte guano haar gezelschap. De perkamentachtige resten van het donzen Moncler-jack waren versmolten met de bekleding van de stoel, en uit de scheuren in de stof staken veertjes en gele ribben. De schedel bungelde op de borst, vastgehouden door de verdroogde pezen. Aan de voeten nubuckleren laarzen met hoge hakken. Anna kroop naar de achterbank, klauterde eroverheen, strekte zich uit in de bagageruimte en keek door de glasloze achterklep. Ze had niet de moed haar hoofd naar buiten te steken, maar de hond was verdwenen.

    Ze rolde zich op naast twee leeggehaalde trolleys. 
Ze kruiste haar armen over haar borst en stak haar handen onder haar bezwete oksels. Al haar adrenaline was verbruikt en het kostte haar moeite haar ogen open te houden. Vijf minuutjes slapen zou 
voldoende zijn. Ze pakte de koffers en probeerde die in de opening van de achterklep te zetten. De ene was te klein, maar de andere kon wel blijven staan 
als ze er met haar voeten tegenaan duwde. Ze streek over haar lippen. Haar blik bleef hangen op een 
vieze bladzijde uit een schrift. Bovenaan stond in hoofdletters: HELP ONS IN GODSNAAM!

    Dat moest van de vrouw op de passagiersstoel zijn geweest. Ze zei dat ze Giovanna Improta heette, dat ze stervende was en dat ze twee kinderen had in Palermo, Ettore en Francesca, op de bovenste verdieping van Via Re Federico 36. Ze waren pas vier en 
vijf jaar en zouden omkomen van de honger als 
niemand ze ging redden. In de la van de commode 
in de gang lag vijfhonderd euro.

    Anna gooide het papier weg, liet haar hoofd rusten tegen het raampje en sloot haar ogen.

    Ze werd met een schok wakker, ondergedompeld in de duisternis en de stilte. Het duurde een paar seconden voordat ze weer wist waar ze was. Even flitste het idee door haar heen om naar buiten te gaan en 
te plassen, maar ze bedacht zich. Er was geen maan. Ze zou blind en weerloos zijn.

    Ze had een regel. Altijd een schuilplaats vinden voordat de zon onderging. Een paar keer had ze zich laten verrassen door de duisternis en had ze zich moeten verbergen in het eerste het beste huis dat ze tegenkwam.

    Dan maar liever plassen in de kofferbak en naar de achterbank kruipen. Ze knoopte haar korte broek los. Terwijl ze zich liet zakken benam een plotseling geluid, als een tak die breekt, haar de adem. Een geluid van snuffelende honden.

    Ze hield haar hand voor haar mond en viel met blote billen op de bekleding van de kofferbak, proberend niet te ademen, niet te trillen, niet eens haar tong 
te bewegen.
    De nagels van de honden krabden tegen het staal en deden de auto heen en weer schudden.

    Haar blaas ontspande zich en een natte warmte gleed langs haar bovenbenen. Het tapijt onder haar billen werd drijfnat en er was een kort moment van puur genot waarop ze haar lippen half opende.

    Ze begon te bidden. Een wanhopig verzoek om hulp dat tot niemand gericht was.

    De honden vlogen elkaar in de haren. Ze liepen om de auto heen. Hun nagels tikten op het asfalt.

    Ze stelde zich voor dat het er duizenden waren. 
De auto was omringd door een tapijt van honden 
dat reikte tot aan de zee en tot aan de bergen en dat de hele planeet omwikkelde met hondenvacht.

    Ze drukte haar handen tegen haar oren.

    Denk aan ijsjes.

    Zoet en koud als hagelstenen, in alle smaken. Uit de gekleurde bakken kon je kiezen welke je het lekkerst vond en ze gaven het in biscuithoorntjes. Ze herinnerde zich dat ze een keer bij het stalletje was van strandtent Le Sirene. Ze had haar gezicht tegen het glas van de koelvitrine gedrukt: ‘Ik wil chocola en citroen.’

    Mama had een gezicht getrokken. ‘Bah, wat vies…’

    ‘Hoezo?’

    ‘Dat zijn smaken die niet samengaan.’

    ‘Mag ik het toch hebben?’

    ‘Ja, maar dan moet je het wel helemaal opeten.’

    En zo was ze met haar hoorntje in de hand het strand op gegaan en bij de branding gaan zitten. De meeuwen liepen met die stokkepootjes van ze achter elkaar aan.
    Vóór de brand was er nog chocola te vinden. Marsen, mueslirepen, Bounty’s en chocolaatjes. Ze waren uitgedroogd, bedekt met schimmel of aangevreten door de muizen, maar soms, als je geluk had, vond je nog lekkere. Maar nooit zo lekker als ijsjes.

    Koude dingen waren samen met de Grote Mensen verdwenen.

    Ze haalde haar handen van haar oren af.

    De honden waren er niet meer.

    Het was dat moment van de dageraad waarop de nacht en de dag hetzelfde gewicht hebben en de 
dingen groter lijken dan ze zijn. Een melkwitte streep tekende het einde van de vlakte en de wind ruiste tussen de toefjes koren die door het vuur waren gespaard. Anna klauterde uit de auto en rekte zich uit. Haar enkel was stijf maar deed, na de rust, minder pijn.

    De snelweg ontrolde zich als een dropveter. Om de auto’s heen was het asfalt bedekt met pootafdrukken. Ongeveer vijftig meter verderop lag iets, op de onderbroken streep. Eerst dacht ze dat het een rugzak was, toen een deken en daarna een hoop vodden. Vervolgens stonden de vodden op en transformeerden in een hond.

    Auteur: Niccolò Ammaniti
    Vertaler: Etta Maris

    Niccolò Ammaniti (1966) is een Italiaanse schrijver. Hij maakte deel uit van de ‘giovani cannibali’, de ‘jonge kannibalen’, een schrijversgroep van relatief jonge Italiaanse auteurs die een nieuw soort literatuur schreef: ruig, gewelddadig en conventieloos.

    Anna van Niccolò Ammaniti verschijnt op 20 januari 
bij Lebowski Publishers.

  • Weg met de homo economicus

    Weg met de homo economicus

    De economische mens – rationeel, berekenend, uit op eigen voordeel – 
is al sinds Adam Smith de held van de aanhangers van de vrije markt. Maar volgens de Zweedse journaliste Katrine Marçal is het hoog tijd om afscheid te nemen van deze mannelijke creatie. In haar boek 
Je houdt het niet voor mogelijk breekt ze een lans voor een meer vrouwelijke kijk op economie, waarin ook plaats is voor emoties, altruïsme en zorgzaamheid. Een voorpublicatie.

    De schrijver van de boeken over Winnie de Poeh, A.A. Milne, merkte eens op dat vooral kinderen dol waren op verhalen over onbewoonde eilanden. Het idee om te stranden in een geïsoleerde wereld sprak op een bijzondere manier tot hun verbeelding.

    Milne meende dat dit was omdat het eenzame eiland het kind de meest effectieve mogelijkheid bood om te vluchten uit de werkelijkheid. Geen moeder, geen vader, geen broertjes en zusjes; geen sociale controle, plichten, conflicten of machtsspelletjes. Een heel nieuwe wereld. Helder en duidelijk. Je bent vrij en alleen, met slechts je eigen voetsporen in het zand. En vooral: het is een wereld waarin het kind zelf de macht kan opeisen.

    De troon bestijgen en zichzelf uitroepen tot zonnegod.

    Je kunt zeggen dat economen een beetje op kinderen lijken. Velen van hen zijn dol op Robinson Crusoe. De meeste mensen die economie hebben gestudeerd, hebben hun docent wel een versie van Daniel Defoe’s roman uit 1719 horen vertellen. Je kunt je natuurlijk afvragen wat een verhaal over een blanke, racistische man, die zesentwintig jaar in zijn eentje op een onbewoond eiland woont voor hij vriendschap sluit met ‘een wilde’, te zeggen heeft over moderne economieën.

    Maar dan heb je nog niet begrepen waar het in de economische wetenschap om draait.

    Daniel Defoe’s schipbreukeling wordt gezien als de ultieme economische mens. Crusoe is terechtgekomen op een onbewoond eiland zonder sociale codes en wetten. Er is niets wat de economie hindert en het eigenbelang kan ongestoord worden nagejaagd. Op Crusoe’s eiland is de economische impuls van de rest van de wereld afgescheiden en daarom is Crusoe voor economen een schoolvoorbeeld.

    Op de markt worden wij geacht anoniem te zijn. Daarom zou de markt ons vrijmaken. Het doet er niet toe wie je bent. Karaktereigenschappen en persoonlijke relaties spelen geen rol. Alleen je betaalvermogen is van betekenis. De keuzes die mensen maken, zijn vrij en onafhankelijk, we staan los van onze achtergrond of omgeving, als eenzame eilanden in een lege oceaan. Niemand beoordeelt ons en niemand houdt ons vast of tegen. Er zijn alleen begrenzingen van technische aard: het eindige aantal uren in een dag en de eindige voorraden natuurlijke hulpbronnen. Robinson Crusoe is vrij en zijn relaties met andere mensen zijn vooral gebaseerd op het nut dat ze voor hem kunnen hebben.
    Niet omdat hij slechts is, maar omdat dat rationeel is – zoals rationeel in dit verhaal wordt voorgesteld.

    Robinson Crusoe is hét voorbeeld van de economische mens

    In de roman wordt Robinson Crusoe in York in Groot-Brittannië geboren. Zijn vader is koopman en Robinson heeft twee oudere broers. De ene sterft in een oorlog en de andere verdwijnt. Robinson studeert rechten maar voelt zich niet erg aangetrokken tot het veilige bestaan van de Britse middenklasse. In plaats daarvan monstert hij aan op een schip naar Afrika. Na een aantal reizen komt hij uiteindelijk in Brazilië. Daar begint hij wat ten slotte een zeer succesvolle plantage zal worden. Robinson Crusoe wordt rijk. Maar Robinson Crusoe wil nog rijker worden. Er varen schepen naar Afrika om slaven te halen en hij gaat aan boord. Tijdens zijn laatste reis vergaat zijn schip en Robinson Crusoe spoelt als enige aan op een nabijgelegen onbewoond eiland.

    Hier begint het avontuur.

    © Roel Burgler / HH
    © Roel Burgler / HH

    Probleemoplossend vermogen

    Robinson leeft vele jaren in isolement, met slechts een paar dieren als gezelschap. ‘Wilden’ en kannibalen plunderen de stranden. In zijn logboek houdt hij in kolommen niet alleen bij over hoeveel geld en materieel hij beschikt, maar ook hoeveel geluk en pech hij heeft.
    Hij mag dan op een onbewoond eiland zijn – maar hij leeft.
    Hij mag dan geïsoleerd zijn van de anderen – maar hij verhongert niet.
    Hij mag dan geen kleren hebben – maar het klimaat is aangenaam.
    In iedere situatie berekent Robinson de winst. En hij is heel tevreden. Vrij van begeerte, jaloezie en trots. Vrij van andere mensen. Triomfantelijk schrijft hij dat hij kan doen en laten wat hij wil. Hij kan zich koning of keizer van het eiland noemen. Wat een feest! Vrij van afleiding en lichamelijke lusten richt hij zich op bezit en controle. Het eiland ligt daar om door hem veroverd te worden en de natuur is er om door hem getemd te worden.
    De roman over Robinson Crusoe wordt vaak verteld als illustratie van het probleemoplossend vermogen en de vindingrijkheid van de mens. Robinson kweekt mais, maakt aarden kruiken en melkt geiten. Hij maakt kaarsen van geitentalg en twijnt pitten van gedroogde brandnetels. Maar het is niet alleen Robinsons vindingrijkheid waarop het kleine eenmansmaatschappijtje is gebouwd. Hij gaat in totaal dertien keer naar het gestrande schip om materialen en werktuigen te halen. Die gebruikt hij om het eiland en op den duur ook andere mensen aan zich te onderwerpen.
    Die werktuigen en materialen zijn geproduceerd door anderen, ook al zijn ze nog zo ver weg. En Robinson is volledig van hun werk afhankelijk.
    Na vijfentwintig jaar op het eiland komt Robinson uiteindelijk in aanraking met een inboorling. Hij redt hem van de kannibalen en geeft hem de naam van de dag waarop ze elkaar hebben ontmoet. Vrijdags dankbaarheid kent geen grenzen. Hij houdt van Robinson als van een zoon en werkt voor hem als een slaaf. Vrijdag, die zelf een kannibaal is, verlangt wel naar mensenvlees maar verandert zijn eetgewoonten uit consideratie met Robinson. Bijna drie jaar brengen ze met elkaar door in wat de schrijver Daniel Defoe beschrijft als een staat van volkomen geluk. Ten slotte worden ze ontdekt en varen ze terug naar Europa.
    Na aankomst in Lissabon ontdekt Robinson dat hij ongelooflijk rijk is geworden. De plantage in Brazilië is tijdens zijn afwezigheid door zijn arbeiders gaande gehouden en heeft al die jaren dat hij weg was grote winsten gemaakt. Robinson verkoopt zijn aandeel, trouwt en krijgt drie kinderen. Daarna sterft zijn vrouw. Die serie gebeurtenissen – huwelijk, kinderen en dood – wordt in de roman met één enkele zin beschreven.
    En Crusoe gaat weer scheep.

    Alles moet gekocht, geruild en verkocht worden met een zo groot mogelijke winst

    Homo economicus

    De Ierse schrijver James Joyce beschreef Robinson Crusoe als de belichaming van de ‘mannelijke zelfstandigheid, onbewuste wreedheid, koppigheid, trage maar effectieve intelligentie, seksuele apathie en berekende zwijgzaamheid’.
    Robinson Crusoe leeft in afzondering, en economen houden ervan mensen af te zonderen. De op zijn onbewoonde eiland gestrande Robinson maakt het mogelijk na te denken over de manier waarop de mens zonder of los van zijn omgeving zou reageren. Dat is precies wat de meeste economische standaardmodellen doen. Ceteris paribus, oreert de hoogleraar economie enthousiast in het Latijn. ‘Het overige blijft gelijk.’ In een economisch model dat meerdere variabelen kent, moet je één enkele variabele isoleren – anders werkt het niet. Slimme economen zijn zich altijd bewust geweest van het probleem van deze redeneerwijze, maar zij vormt nog steeds de basis van ‘hoe een econoom moet denken’. Je moet de wereld kunnen vereenvoudigen om eraan te kunnen rekenen en men heeft ervoor gekozen om dat op Adam Smiths wijze te doen.
    In het boek schept Robinson Crusoe snel een economie. Hoewel er geen geld is op het eiland, koopt en ruilt hij naar hartelust – de waarde van goederen wordt bepaald door de vraag.
    Het principe dat de waarde van een goed wordt bepaald door de vraag, wordt ook verteld in de vorm van een verhaal over twee gestrande mannen.
    Stel je twee mannen op een onbewoond eiland voor: de ene heeft een zak rijst en de andere heeft tweehonderd gouden kettingen. Thuis op het vasteland had je met een gouden ketting een hele zak rijst kunnen kopen, maar nu zijn de mannen niet op het vasteland. Ze zijn gestrand en dat verandert de waarde van hun spullen.
    De man met de rijst kan plotseling alle gouden kettingen vragen voor één portie rijst. Misschien wil hij zelfs wel helemaal niet ruilen. Wat moet hij op het eiland met een gouden ketting? Economen zijn dol op dit soort verhalen, ze knikken en vinden dat ze iets ongehoord diepzinnigs hebben ontdekt over hoe mensen functioneren.
    In hun standaardmodellen is er namelijk nooit sprake van dat twee mensen op een verlaten eiland misschien wel met elkaar gaan praten of dat ze zich eenzaam voelen. Bang zijn. Elkaar nodig hebben. Na een tijdje te hebben gekletst, zouden ze erachter zijn gekomen dat ze als kind geen van beiden van spinazie hielden en dat ze ooms hadden die lange periodes aan de drank waren. Nadat ze daar een tijdje over hadden gepraat, hadden ze de rijst waarschijnlijk gedeeld. Het feit dat wij mensen op deze manier kunnen reageren, heeft dat geen economische betekenis?
    De mannen in het verhaal zitten niet zozeer vast op een onbewoond eiland, ze zitten vooral vast in zichzelf. Solistisch. Geïsoleerd. Onbereikbaar. Slechts door middel van handel en concurrentie in staat tot interactie met elkaar. Niet in staat de wereld om zich heen als iets anders te zien dan een reeks goederen. Alles moet gekocht, geruild en verkocht worden met een zo groot mogelijke winst.
    Robinson Crusoe is hét voorbeeld van de economische mens. Homo economicus wordt hij genoemd, en deze ligt ten grondslag aan alle bekende economische theorieën. De economische wetenschap meende dat de studie zich moest richten op het individu. Om die reden moest men een vereenvoudigd verhaal bedenken over hoe het individu zich gedroeg. Zo ontstond er een model van menselijk handelen dat het economisch denken sindsdien heeft bepaald. En bovendien is dit individu een ongehoord charismatische persoon.
    Wie economie studeert, moet een sprookje leren over een man die de wereld intrekt om zijn winst te maximaliseren. Onder de geldende omstandigheden en beperkingen. Hij wordt geacht een algemeen geldende, zij het vereenvoudigde, beschrijving te zijn van wat de mens is. Het gaat op voor zowel mannen als vrouwen, rijken als armen, ongeacht cultuur of religie, voeten of handen. De economische mens beweert in ieder van ons een puur economisch bewustzijn te beschrijven. Waardoor we wensen formuleren en die vervolgens proberen te vervullen.
    De economische mens is rationeel en wordt geleid door zijn verstand, hij doet niets wat hij niet hoeft te doen en als hij het toch doet dan is het om genot te verkrijgen of pijn te vermijden. Hij zal altijd pakken wat hij pakken kan, alles doen om te winnen, om degenen die in de weg staan te slim af te zijn of desnoods uit de weg te ruimen.
    De economische standaardmodellen zeggen dat wij in feite allemaal zo zijn. In elk geval voor zover wij voor economen relevant zijn. En daarom moet dát deel door economen bestudeerd worden. De meest fundamentele eigenschap van mensen is dat wij eindeloos veel willen hebben. Alles. Nu. Meteen. Maar dat kan niet. De eindeloze wensen van mensen worden begrensd door de beperkte hoeveelheid middelen op de wereld en door het feit dat ieder ander natuurlijk ook dingen wil hebben. Alles. Nu. Meteen. En als je niet alles kunt krijgen, dan moet je kiezen. Schaarste maakt keuze noodzakelijk.
    Keuze betekent alternatieve kosten, gemiste inkomsten van de niet-gekozen mogelijkheden. Kies je het ene pad, dan kun je niet tegelijkertijd ook het andere kiezen. De economische mens heeft bepaalde voorkeuren.
    Als hij liever tulpen wil dan rozen en liever rozen dan margrieten, dan kiest hij ook eerder tulpen dan margrieten. Bovendien is hij altijd rationeel – hij kiest de minst kostende weg om zijn doelen te bereiken.
    We bedenken wat we willen hebben en vervolgens komen we in actie om het te verkrijgen. We berekenen de kortst mogelijke afstand tussen A en B. We willen zo veel mogelijk tegen zo laag mogelijke kosten. 
Daar gaat het allemaal om. Je beslist wat je wilt en in welke volgorde. Vervolgens probeer je eraan te komen. Klaar voor de start … af. Dan begint het leven. En zo eindigt het trouwens ook. Goedkoop inkopen, duur verkopen.
    Het grote voordeel van de economische mens is dat hij voorspelbaar is. Daarom kun je alle problemen die hij ontmoet in elegante wiskunde uitdrukken. De mens als homo economicus is berekenbaar. Er is slechts eigenbelang en uit een dood universum kunnen we de natuurwetten van de samenleving afleiden.

    Je kunt zeggen dat economen een beetje op kinderen lijken
    © Roel Burgler / HH
    © Roel Burgler / HH

    Rationeel en egoïstisch

    Net als Robinson Crusoe was de economische mens een moderne mens die zich had vrijgemaakt van ouderwetse, irrationele onderdrukking. Net als Robinson Crusoe kon hij zichzelf redden, was er geen koning of keizer die hem kon voorschrijven wat hij moest doen. Hij was zijn eigen koning of keizer, hij was vrij en van niemand. Zo was de nieuwe mens, waarmee de economische wetenschap de moderne tijd betrad.
    De economische mens bepaalde zijn eigen leven en liet anderen hun leven bepalen. Hij was ongehoord competent. Domweg omdat hij mens was. Zijn 
superieure verstand maakte hem tot heer over zijn eigen wereld, en niet tot dienaar of ondergeschikte. Hij was vrij. Hij kon in iedere situatie bliksemsnel alle mogelijke alternatieven overzien en tegen elkaar afwegen. Zoals een schaker op wereldniveau doorkruiste hij met al zijn keuzemogelijkheden het bestaan. Zo was de menselijke natuur, zeiden de economen van de negentiende eeuw. Bovendien was de mens tolerant: de economische mens beoordeelde anderen niet op hun afkomst maar op hun (mogelijke) toekomst. Hij was bovendien nieuwsgierig en flexibel. Hij streefde er altijd naar het beter te krijgen. Meer te hebben. Meer te zien. Meer te beleven.
    Werken heeft geen intrinsieke waarde, vindt de economische mens, maar het is nodig om ergens te komen. Hij stelt doelen, komt in actie, vinkt ze af en gaat verder. Hij blijft nooit staan bij wat voorbij is, kijkt alleen maar vooruit. Wil hij jou hebben, dan doet hij er alles aan om jou te krijgen. Liegen, stelen, vechten, alles verkopen wat hij heeft. Hij is solistisch maar zijn solisme is wellustig. Hij doet altijd alles om zijn verlangens te bevredigen. Liever door af te dingen en te onderhandelen dan door geweld te gebruiken. Niet iedereen kan nu eenmaal tegelijk aan de trog. De goederen en diensten in de wereld zijn begrensd. Hij bewondert mensen die geslaagd zijn. Het gaat erom te krijgen wat je wilt. Het in je handen te houden en te zeggen: ‘Dit is van mij’.
    Aan het eind van de film zal hij altijd in zijn eentje wegrijden, de zonsondergang tegemoet.
    Emoties, altruïsme, zorgzaamheid komen niet in de economische standaardtheorieën voor. De economische mens kan een voorkeur hebben voor saamhorigheid of voor een bepaald gevoel maar het is slechts een voorkeur – net zoals je appels kunt prefereren boven peren. Soms wil hij iets voelen – vanwege de ervaring. Maar gevoelens zijn geen onlosmakelijk deel van hem. Voor de economische mens is er geen kindertijd, hij is van niets of niemand afhankelijk en er is geen maatschappij die hem beïnvloedt. Hij herinnert zich zijn eigen geboorte. Die was niet anders dan al het andere.
    Rationeel, egoïstisch en niet afhankelijk van zijn omgeving. Alleen op een eiland of alleen in de maatschappij, het maakt niet uit. Er bestaat geen samenleving, er zijn alleen individuen.
    Economie wordt dus de wetenschap van het ‘conserveren van liefde’. De samenleving wordt bijeengehouden door eigenbelang. Uit Adam Smiths onzichtbare hand wordt de economische mens geboren. De liefde kon worden bewaard voor de privésfeer. Het was belangrijk die apart te houden.
    Anders zou de honingpot weleens leeg kunnen raken.

    Wij zijn bezig de mannen te worden met wie we vroeger wilden trouwen

    Greed is good

    Bernard de Mandeville, een Nederlandse arts die in Engeland werkte, publiceerde in 1714 zijn beroemde fabel over bijen. Grinnikend beschrijft hij hoe zij, als iedere bij zelf doet wat zij wil, ook het beste resultaat voor de hele kast bereiken. Het eigenbelang dient het algemeen belang, zolang de bijen maar hun gang mogen gaan. Als je je ermee bemoeit, komt er geen honing. IJdelheid, jaloezie en hebzucht vergroten merkwaardig genoeg het geluk in de kast. Die lage gevoelens doen bijen harder werken. Zo krijgen we economische groei en blijft de honing altijd vloeien. Greed is good. Op eigenbelang kunnen we bouwen.
    Als iedereen egoïstisch handelt, vindt er een magische omwisseling plaats naar wat het beste is voor het geheel. Net zoals bij Smith. Ons egoïsme en onze hebzucht kunnen door de onzichtbare hand van de economie worden omgezet in harmonie en balans – een verhaal dat qua zingeving en vergiffenis niet onderdoet voor de diepste mysteriën van de Katholieke Kerk. Jouw hebzucht en egoïsme vormen eigenlijk jouw verzoening met andere mensen.
    ‘Amerika functioneert niet zonder diepgeworteld geloof – en het doet er niet toe welk’, zei president Dwight D. Eisenhower.
    Het idee dat de economie door een onzichtbare hand gestuurd werd, ontwikkelde zich tot de gedachte dat de markt ook een einde zou maken aan de geschiedenis. Als onze economische belangen steeds verder vervlochten zouden raken, zouden de primitieve conflicten van daarvoor niet langer nodig zijn. Je schiet je neef niet neer omdat hij moslim is als je gemeenschappelijke economische belangen hebt. Je rent niet naar je buurman om die te vermoorden omdat je dochter met hem naar bed is geweest als jouw bedrijf van hem afhankelijk is.
    De onzichtbare hand houdt je tegen.
    De bloedige gebeurtenissen van de twintigste eeuw hebben laten zien dat de mens niet zo eenvoudig in elkaar zit. Maar het is een goed verhaal. En de meeste mensen willen een goed verhaal niet nader onderzoeken.
    In elk geval niet grondig en vrijwillig.
    Het mechanisme van de markt zou wereldvrede en geluk voor iedereen kunnen produceren uit zoiets simpels als onze ordinaire smerige gevoelens. Het is dus niet zo vreemd dat we ons hebben laten verleiden. Exploitatie was niet langer persoonlijk. De vrouw die haar rug ruïneert voor 6 dollar per uur doet dat niet omdat iemand slecht is of haar daartoe heeft veroordeeld. Niemand is schuldig, niemand is verantwoordelijk. Het is gewoon de economie. En die is aangeboren. Die is in feite ons diepste wezen.
    Omdat wij allemaal als de economische mens zijn.

    Katrine Marçal

    Je houdt het niet voor mogelijk verscheen begin oktober bij De Geus.

    Wie is Katrine Marçal?
    Katrine Marçal (1983) is een Zweedse journaliste en woont in Londen. Op haar 22ste begon ze met schrijven voor het grote Zweedse dagblad Aftonbladet en op haar 25ste werd haar eerste boek gepubliceerd. Je houdt het niet voor mogelijk stond in Zweden op de shortlist voor de Augustprijs en werd bekroond met de Lagencrantzer Award.

    Ontmoet Katrine Marçal
    360 Magazine organiseert samen met De Balie en De Geus op 21 oktober een bijeenkomst met Katrine Marçal. Zij gaat in gesprek met schrijfster Myrthe Hilkens. Kaarten kunt u bestellen bij de kassa van De Balie. www.debalie.nl

    Foto’s
    Fotograaf Roel Burgler volgt Marjolein en gezin sinds 2010. Boven: Marjolein gebruikt een insectenzuigpompje om het gif van een wesp uit de voet van dochter Linda (4) te zuigen, voor de tent op de camping. Onder: Marjolein schilt aardappelen terwijl zoon Thomas op haar smartphone en laptop wilt spelen. Links: Marjolein werkt op haar laptop op een deken in het park. © Roel Burgler / HH

  • De H is van havik

    De H is van havik

    Als de vader van valkenier Helen Mcdonald plotseling sterft, besluit ze een havik te nemen om haar verlies te verwerken. In haar alombejubelde en meermaals bekroonde bestseller H is van havik beschrijft ze hoe ze de felle roofvogel stapje voor stapje tam maakt. Een voorpublicatie.

    Drie kwartier ten noordoosten van Cambridge bevindt zich een landschap waaraan ik verknocht ben geraakt. Vochtig veen maakt er plaats voor droge zandgrond. Het is een gebied met kromme naaldbomen, uitgebrande auto’s, door kogels doorzeefde verkeersborden en Amerikaanse luchtmachtbases. Er waren geesten rond: op genummerde bospercelen staan huizen te vervallen. In grasrijke grafheuvels achter vier meter hoge hekken zijn ruimtes gemaakt voor kernraketten die per vliegtuig worden aangevoerd, er zijn tatoeagesalons en er liggen golfbanen voor de Amerikaanse luchtmacht. In het voorjaar is het er een kabaal van jewelste: aanhoudend vliegverkeer, bulderende gaskanonnen op erwtenvelden, boomleeuweriken, vliegtuigmotoren. Het gebied heet de Brecklands – de ‘gebroken gronden’ – en daar belandde ik die ochtend in het vroege voorjaar zeven jaar geleden, tijdens een totaal onverwacht uitstapje. Om vijf uur ’s ochtends had ik naar een rechthoekig vlak straatlicht op het plafond liggen staren, luisterend naar een paar late feestgangers die op de stoep stonden te praten. Ik voelde me raar: hondsmoe, overspannen, een naar gevoel alsof mijn hersenen waren gelicht en mijn schedel een magnetron vol verfrommelde, geblakerde en kortsluitingachtig vonkende aluminiumfolie was. Nnngh, ik moet eruit, dacht ik terwijl ik de dekens wegsloeg. Eruit! Ik schoot een spijkerbroek, laarzen en een trui aan, brandde mijn mond aan gloeiendhete koffie, en pas halverwege de A14 kreeg ik in mijn ijskoude, aftandse Volkswagen in de gaten waar ik naar onderweg was en waarom. Daarbuiten, achter de beslagen voorruit en de witte lijnen, bevond zich het bos. Het ‘gebroken’ bos. Daar ging ik naartoe. Om haviken te zien.

    Op zoek gaan naar haviken is alsof je op zoek bent naar verlossing

    Ik wist dat het lastig zou worden. Haviken zíjn lastig. Heb je ooit in je achtertuin een havik een vogel zien verschalken? Ik niet, maar ik weet dat het gebeurt. Ik heb sporen gevonden. Af en toe kleine stukjes op de terrastegels: een insectachtig zangvogelpootje met een verkrampt, door de pees aangetrokken klauwtje of, gruwelijker nog, een losse snavel, bijvoorbeeld de boven- of onderkant van die van een huismus, een staalgrijs, enigszins doorschijnend kegeltje met een rossige gloed en een paar ragfijne snavelveertjes er nog aan. Maar jij misschien wel: misschien keek jij wel uit je raam en zag je op je gazon een duif, merel of ekster vermoord worden door een grote, bloeddorstige roofvogel die eruitzag als het grootste, indrukwekkendste brok ongerepte natuur dat je ooit hebt aanschouwd, als een in je keuken gedumpte sneeuwluipaard die je op heterdaad betrapt terwijl hij de kat opeet. Ik heb weleens meegemaakt dat er in de supermarkt of de bibliotheek iemand met ogen als schoteltjes op me af kwam gestormd en riep: ‘Vanochtend heb ik een havik een vogel in mijn achtertuin zien grijpen!’ Ik sta op het punt mijn mond open te doen om: ‘Je bedoelt een sperwer!’ te roepen als diegene zegt: ‘Ik heb het opgezocht in de vogelgids. Het was een hávik.’ Maar dat is het nooit; die gidsen bieden geen uitkomst. Als een roofvogel op je gazon worstelt met een duif, lijkt hij groter dan hij in werkelijkheid is, en illustraties uit vogelgidsen stroken nooit met je herinnering. Kijk, daar heb je de sperwer. Hij is grijs, met een zwart-wit gestreepte borst, gele ogen en een lange staart. Die ernaast is de havik. Ook die is grijs met een zwart-wit gestreepte borst, gele ogen en een lange staart. Hmm, denk je. Je leest de beschrijving. Sperwer: dertig tot veertig centimeter groot. Havik: vijftig tot zestig centimeter. Zie je wel. Hij was gigantisch. Het moet wel een havik zijn geweest. Ze zien er precies hetzelfde uit. Alleen zijn haviken groter. Dat is alles. Gewoon groter.

    Een havik met een kap.  Andrea Pokrzywinski/Flickr Creative Commons
    Een havik met een kap. Andrea Pokrzywinski/Flickr Creative Commons

    Geheimzinnige graal

    Niet dus. In werkelijkheid lijken haviken net zo veel op sperwers als luipaarden op huiskatten. Ja, ze zijn groter, maar ook steviger, bloeddorstiger, dodelijker en angstaanjagender en veel, veel schuwer. Als vogels van het diepe woud, en niet van de tuin, zijn ze de geheimzinnige graal van vogelaars. Je kunt een week in een bos vol haviken doorbrengen en er niet één zien, hooguit een spoor van hun aanwezigheid. Een plotselinge stilte, gevolgd door de roep van bange bosvogels en het idee dat iets zich net buiten je blikveld verroert. Wie weet vind je een uiteengereten, half opgegeten duif tussen her en der verspreid liggende witte veren op de bodem van het bos. Of misschien heb je geluk, als je bij zonsopgang tijdens een wandeling over een nevelig bospaadje omkijkt en in een fractie van een seconde een vogel voorbij ziet suizen, zijn enorme poten met de klauwen enigszins samengeknepen, zijn ogen gericht op een ver doel. Een fractie van een seconde waarin dat beeld in je geheugen wordt gegrift en die je doet verlangen naar meer. Op zoek gaan naar haviken is alsof je op zoekt bent naar verlossing: die komt, al is het niet vaak, en je kunt niet zeggen waar of wanneer. Maar je maakt iets meer kans op een heldere, windstille ochtend vroeg in het voorjaar, want dan verlaten haviken hun wereld onder de bomen om elkaar in de open lucht het hof te maken. Dat hoopte ik te gaan zien.

    Daar waren ze. Een paartje, hoog boven het bladerdek

    Ik sloeg het roestige portier van mijn auto dicht en trok met mijn verrekijker een bos in dat door de vorst de kleur van tin had gekregen. Hele bospercelen waren verdwenen sinds ik er voor het laatst was geweest. Ik stuitte op vierkante stukken verwoeste grond: open gekapte, omwoelde arealen met stukgetrokken wortels en her en der verspreide dorre naalden. Open plekken. Precies wat ik zocht. Langzaam hervond mijn brein zijn evenwicht in een gebied als dit, waar het maandenlang niet was geweest. Heel lang had ik namelijk in bibliotheken en universiteitskamers naar beeldschermen zitten turen en artikelen aangevinkt, op jacht naar wetenschappelijke verwijzingen. Dit was een ander soort jacht. Hier was ik een ander dier. Heb je ooit een hert zijn schuilplaats zien verlaten? Het zet een paar stappen, staat stil, steekt zijn neus in de lucht en blijft roerloos staan kijken en snuffelen. Misschien loopt er een trilling van een zenuw over zijn flank. En dan, als het zeker weet dat de kust veilig is, komt het uit het kreupelhout gelopen en begint te grazen. Die ochtend voelde ik me als zo’n hert. Niet dat ik stond te snuffelen of bang bleef stilstaan, maar net als een hert was ik onderhevig aan een oeroud instinct dat geheel zelfstandig mijn lichaam stuurde en waardoor ik op alles gespitst was. Iets in me zei hoe en waar ik mijn voeten moest neerzetten zonder dat het echt tot me doordrong. Misschien komt het door een miljoen jaar evolutie of is het intuïtie, maar wanneer ik in het volle zonlicht naar haviken speur ben ik gespannen en sluip ik onbewust in de richting van een plek waar het licht minder fel is, of glip de smalle, kille schaduw naast tussenliggende dennenbosjes binnen. Ik krimp ineen bij een kreet van een Vlaamse gaai of een getergd raspende, alarmerende kraaienroep. Allebei kunnen ze: ‘Pas op, een mens!’ of: ‘Pas op, een havik!’ betekenen. Die ochtend probeerde ik de laatste te vinden door de eerste aan het zicht te onttrekken. Dat oude, spookachtige instinct dat ziel en zenuw al duizenden jaren met elkaar verbindt had het overgenomen, ging zijn eigen gang, zorgde ervoor dat ik me in fel zonlicht slecht op mijn gemak voelde, met tegenzin aan de verkeerde kant van een richel ging lopen en om een of andere ongrijpbare reden via de achterkant van een bult met vergeeld gras ergens aan de andere kant verderop uitkwam, bij iets wat een meertje bleek te zijn. Vogels verhieven zich in wolken van de oever: vinken, kepen en een vlucht staartmezen die zich als bezielde wattenstaafjes aan wilgentakken vastklampten.

    Het meertje was een krater, ontstaan door een van de vele bommen die een Duitse bommenwerper in de oorlog boven Lakenheath had laten vallen. Het was een anomalie, een watertje in de duinen op vele kilometers van zee, met volle bossen zandzegge eromheen. Ik schudde mijn hoofd. Het was vreemd. Maar ja, alles hier is heel vreemd. Als je door het bos loopt stuit je op allerlei onverwachte dingen. Complete vlakten rendiermos, bijvoorbeeld: sterretjes, bloemetjes en aanwijzingen die oeroude, op schrale grond gedijende flora doen vermoeden. Het spul, in de zomer bros als je erop trapt, is net een flard poolgebied dat op de verkeerde plaats op de aarde is beland. Overal vind je botachtige knobbels en lemmeten van vuursteen. Op vochtige ochtenden kun je scherven rapen die door neolithische ambachtslieden van vuursteenknollen zijn geslagen, kleine flinters die glanzen dankzij een dun laagje koud water. De streek was in neolithische tijden het centrum van de vuursteenindustrie. Later werd hij vermaard om de konijnen die er voor vlees en bont werden gefokt. Dwars door het zanderige landschap strekten zich reusachtige omheinde konijnenparken uit waaraan de gebieden – Wangford Warren, Lakenheath Warren – hun naam ontlenen. Uiteindelijk veroorzaakten de konijnen een ramp. Doordat ze het land in eendrachtige samenwerking met schapen intensief begraasden, veranderde het korte gras in een dunne korst wortels op het zand. Waar het meest was gegraasd ontstonden door de wind zandbanken die zich vervolgens over het land verplaatsten. In 1688 blies een krachtige zuidwester de gebroken grond de lucht in. Een gigantische gele wolk verduisterde de zon. Tonnen land verschoven, werden verplaatst, vielen neer. Brandon raakte ingesloten door zand, Santon Downham werd verzwolgen, de rivier slibde volledig dicht. Toen de wind ging liggen strekten zich tussen Brandon en Barton Mills kilometers lange duinen uit. Het gebied werd berucht omdat het zo vreselijk ontoegankelijk was: ’s zomers waren de zachte duinen gloeiend heet en ’s avonds wemelde het er van de struikrovers. Zo kreeg Groot-Brittannië zijn hoogsteigen Arabia deserta. De zeventiende-eeuwse schrijver John Evelyn noemde het gebied het ‘Wandelende Zand’ dat ‘het land dermate beschadigde door her- en derwaarts te rollen, als het Zand in de Woestijn van Libië, dat het hele landgoederen van enkele eerzame heren overweldigde’.


    Daar stond ik dan, te midden van Evelyns wandelende zand. De meeste duinen gaan schuil onder naaldbomen – het bos werd hier in de jaren twintig aangeplant om tijdens oorlogen in timmerhout te kunnen voorzien – en de struikrovers zijn allang verdwenen. Maar het heeft nog altijd iets gevaarlijks, half onderaards, beschadigds. Ik kom er graag omdat ik geen enkele andere Engelse streek met zo’n wilde natuur ken. Het is geen ongerepte wildernis, als op een bergtop, maar een rommelige, eigenaardige woestenij waaraan mens en gebied in gelijke mate hebben bijgedragen. Het brengt je op het idee dat het platteland ook een andere geschiedenis heeft gekend; niet louter de grootse, bevoorrechte droomlevens van de landadel, maar een geschiedenis van industrie, bosbouw, rampspoed, handel en werk. Ik kon geen geschiktere locatie bedenken om naar haviken te speuren. Die passen vrijwel naadloos in dit vreemde Brecklands-landschap, want de geschiedenis van de havik is al evenzeer door de mens gevormd.

    Soms is het ongerepte mensenwerk

    Uitgestorven

    Het is een fascinerend verhaal. Havikachtigen kwamen ooit overal op de Britse eilanden voor. ‘Er zijn diverse Soorten en Maten Haviken,’ schreef Richard Blome in 1618, ‘die in uitnemendheid, kracht en onversaagdheid verschillen naargelang het Land in hetwelk ze zijn gefokt; doch geen ander land voorziet in zulke voortreffelijke als die van Moskovië, Noorwegen en het Noorden van Ierland, met name het Graafschap Tyrone.’ Maar de kwaliteiten van jachtvogels raakten in vergetelheid doordat privéterrein werd omheind, wat de mogelijkheden voor de gewone man om met roofvogels te vliegen aan banden legde, en door de komst van precisievuurwapens, waardoor jagen met geweren in plaats van vogels in de mode raakte. Haviken werden als ongedierte beschouwd, niet als jachtgezelschap. Dat ze door jachtopzieners werden vervolgd betekende de nekslag voor de populatie, die toch al leed onder inperking van haar leefgebied. Aan het einde van de negentiende eeuw waren haviken in Groot-Brittannië uitgestorven. Ik heb een foto van de geprepareerde overblijfselen van een van de laatste die werden geschoten, een zwart-witkiekje van een verfomfaaid, opgezet exemplaar met troebele ogen, afkomstig van een Schots landgoed. Ze waren er niet meer.

    Maar in de jaren zestig en zeventig zetten valkeniers stilzwijgend een onofficieel programma op om ze te laten terugkeren. De Britse valkeniersvereniging, de British Falconers’ Club, had ontdekt dat je tegen het bedrag waarvoor je vanaf het Europese vasteland een havik voor de valkerij importeerde er een tweede bij kon nemen, die je de vrijheid kon geven. Koop er twee, laat er één vrij. Dat vrijlaten was een koud kunstje met een dier dat zo onafhankelijk en roofzuchtig is als een havik. Je zocht gewoon een bos uit en zette de doos open. Valkeniers die het idee een warm hart toedroegen deden overal in Groot-Brittannië hetzelfde. De vogels waren afkomstig uit Zweden, Duitsland en Finland: de meeste waren enorme, lichtgekleurde haviken uit de taiga. Sommige werden met opzet vrijgelaten. Andere ging er zelf vandoor. Ze overleefden, zochten elkaar op en plantten zich voort, in afzondering en met succes. Tegenwoordig telt hun nageslacht ongeveer vierhonderdvijftig paartjes. Het doet me plezier dat de ongrijpbare, spectaculaire havik zich in Groot-Brittannië volledig op zijn gemak voelt. Zijn bestaan logenstraft het idee dat de harten én de handen van de mensen de wilde natuur onberoerd hebben gelaten. Soms is het ongerepte mensenwerk.

    Helen Macdonald met Mabel
    Helen Macdonald met Mabel

    Het was exact halfnegen. Ik keek naar beneden, naar een aan de turf ontsproten mahoniascheut met bladeren die wijnrood waren, als pasgewreven varkensleer. Ik keek omhoog. En toen zag ik de haviken. Daar waren ze. Een paartje, hoog boven het bladerdek in de snel opwarmende lucht. De zon lag als een hete hand in mijn nek, maar ik rook ijs toen ik de vogels daarboven zag zweven. Ik rook ijs, varens en dennenhars. Een havikencocktail. Ze lieten zich meevoeren op de thermiek. In de lucht hebben haviken een moeilijk te duiden kleur. Ze zijn lei- noch duifgrijs, eerder een soort regenbuigrijs. En ook al waren ze ver weg, ik zag de grote, verwaaide poederdons van witte broekveren, de stevige, stompe staart erachter en de fraai gewelfde en gedraaide kleine slagpennen, waardoor een havik op thermiek er zo anders uitziet dan een sperwer. Ze werden lastiggevallen door kraaien, maar het hinderde ze niet in het minst, zo van: Nou en! Een kraai stortte zich omlaag naar het mannetje, dat achteloos een vleugel optrok om hem door te laten. De kraai was ook niet gek en dook niet al te diep onder de havik door. De haviken lieten niet alles zien wat ze in huis hadden: ze maakten niet van die vrije vallen die ik uit de boeken ken. Maar ze genoten van de ruimte tussen hun lijven en kliefden er allerlei prachtige concentrische koorden en afsnijdertjes in. Een paar vleugelslagen en het mannetje, de tarsel, vloog boven het wijfje, waarna hij zich noordwaarts van haar weg liet drijven om vervolgens snel, als een mes, met een fraaie kalligrafische haal onder haar door te glijden, waarop zij een vleugel liet zakken en ze zich samen weer omhoog lieten stuwen. Ze vlogen pal boven een dennenbosje iets verderop. En toen waren ze weg. Het ene moment beschreef mijn havikenpaartje nog figuren in de lucht die ik uit natuurkundeboeken kende, het volgende moment was er helemaal niets. Ik kan me niet herinneren dat ik omlaag- of wegkeek. Misschien had ik met mijn ogen geknipperd. Misschien was het niet meer dan dat. En tijdens zo’n piepklein zwart interval dat het brein buitensluit waren ze het bos in gedoken.

    Jonge havik met een boek over het trainen van haviken.  Andrea Pokrzywinski/Flickr Creative Commons
    Jonge havik met een boek over het trainen van haviken. Andrea Pokrzywinski/Flickr Creative Commons

    Geduld

    Moe en voldaan ging ik zitten. De haviken waren verdwenen, de hemel was leeg. De tijd verstreek. De golflengte van het licht om me heen nam af. De dag zwol aan. Een sperwer, licht als een stuk speelgoed van balsahout en gelakt zijdepapier, zoefde op kniehoogte langs en zweefde over een braambos het geboomte in. Ik zag hem verdwijnen, in gedachten verzonken. Het waren hevige, onontkoombare herinneringen. Ze roken naar dennenhars en bijtend bosmierenzuur. Ik voelde mijn door het gaashek gehaakte kleinemeisjesvingers en het gewicht van een Oost-Duitse verrekijker die om mijn nek hing. Ik verveelde me. Ik was negen. Pap stond naast me. We speurden naar sperwers. Ze nestelden in de buurt, en die julimiddag hoopten we op zo’n waarneming die ze ons soms gunden: een soort onderwatergolf die door de toppen van de naaldbomen trok wanneer er daar een aankwam en weer vertrok, een glimp van een geel oog, een gestreepte borst tegen de achtergrond van bewegende naalden of een zwart, snel silhouet dat een stempel in de hemel boven Surrey zette. Het was een tijdje spannend om te turen naar het donker tussen de bomen en het bloedsinaasappelrood-met-zwarte mozaïek van de zon op de dennen. Maar als je negen bent valt wachten je zwaar. Ik trapte met mijn gelaarsde voeten tegen de onderkant van een hek. Draaide en wiebelde. Zuchtte. Ging aan mijn vingers aan het hek hangen. Mijn vader keek me half geërgerd, half geamuseerd aan en begon iets uit te leggen. Hij legde uit wat ‘geduld’ was. Het belangrijkste wat je volgens hem moest onthouden was dit: als je iets dolgraag wilde zien, moest je soms heel lang op dezelfde plek blijven zitten, bedenken hoe graag je het wilde zien en geduld hebben. ‘Als ik aan het werk ben, foto’s neem voor de krant,’ zei hij,‘moet ik soms urenlang in de auto zitten om de foto te krijgen die ik wil hebben. Ik kan niet weg voor een kop thee en zelfs niet om naar de plee te gaan. Ik moet gewoon geduldig blijven. Als je sperwers wilt zien, moet je ook geduldig zijn.’ Hij was bloedserieus, niet geërgerd; hij vertelde een Grotemensenwaarheid, maar ik knikte pruilend en keek naar de grond. Het klonk als een preek, niet als goede raad, en ik begreep niet wat hij wilde zeggen.

    Een mens wordt wijzer. Ik was geen negen meer, verveelde me niet langer en dacht: Vandaag ben ik geduldig geweest en zijn de haviken gekomen. Ik kwam langzaam overeind, mijn benen een beetje slaperig omdat ik zo lang had stilgezeten, en werd me ervan bewust dat ik een klompje rendiermos in mijn hand had, zo’n klein stukje zich vertakkend, licht groengrijs korstmos dat zo ongeveer alles weerstaat wat de wereld erop loslaat. Het is het vleesgeworden geduld. Bewaar rendiermos in het donker, vries het in, droog het tot het knapperig wordt en nog gaat het niet dood. Het trekt zich terug en wacht betere tijden af. Indrukwekkend spul. Ik voelde het gewicht van het bolletje minitwijgjes in mijn hand. Alsof het er bijna niet was. In een opwelling borg ik het kleine gestolen aandenken aan het moment waarop ik de haviken had gezien in mijn binnenzak op en ging naar huis. Ik legde het op een boekenplank naast de telefoon. Drie weken later keek ik ernaar toen mijn moeder me belde om me te vertellen dat mijn vader dood was.

    Helen Macdonald

    Van H is van havik werden in Engeland meer dan 100.000 exemplaren verkocht. Het boek werd bekroond met de Samuel Johnson Prize en de Costa Book Award. De Nederlandse editie verschijnt deze maand bij De Bezige Bij.

    360 Magazine organiseert samen met De Balie en De Bezige Bij een bijeenkomst met Helen Mcdonald op 28 september. Zij gaat in gesprek met publicist en vogelkenner Kester Freriks. Kaarten kunt u bestellen bij de kassa van De Balie.


    (Foto boven Jo Garbutt/Flickr Creative Commons)