Tag: voorsteden

  • Hoe we steden weer toegankelijk kunnen maken voor iedereen

    Hoe we steden weer toegankelijk kunnen maken voor iedereen

    Door gentrificatie dreigen steden te vervallen tot bevoorrechte eilanden te midden van zeeën van achterstand. Met het juiste beleid en de juiste investeringen kunnen we steden weer betaalbaar maken voor alle inwoners, schrijven auteurs Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.

    Meer dan de helft van de wereldbevolking woont nu in steden. In 2050 zal dat aandeel naar verwachting oplopen tot twee derde. Dat betekent dat de drijvende krachten achter het leven in de stad nu ook de drijvende krachten achter de wereld als geheel zijn. Door de geschiedenis heen zijn steden aanjagers geweest van vooruitgang, omdat ze ons dichter bij elkaar kunnen brengen – iets wat we nu meer dan ooit nodig hebben. Veel van de grootste problemen die we vandaag de dag hebben, kunnen we oplossen door onze steden te hervormen. Maar als we geen actie ondernemen, zullen diezelfde steden de gevaren die voor ons liggen alleen maar groter maken.

    Veel van de populistische politiek die we de afgelopen jaren hebben gezien, wordt gekenmerkt door afkeer tegen wereldsteden als Londen en New York. Deze steden hebben een hoge vlucht genomen, terwijl andere steden juist met grote problemen kampten. De kloof tussen opbloeiende steden en de rest van de wereld is niet alleen gegroeid, de ongelijkheid binnen deze steden is eveneens toegenomen. De ongelijkheid in de meeste metropolen in de Verenigde Staten wordt sinds de jaren tachtig steeds groter – het snelst in grote, welvarende steden zoals New York, San Francisco en Chicago. Daar is de ongelijkheid nu veel hoger dan het landelijke gemiddelde. Hoogopgeleide kenniswerkers verdienen meer dan ooit, terwijl laagopgeleide werknemers in de dienstensector juist minder verdienen. Die kloof wordt nog eens vergroot doordat de kosten van levensonderhoud in deze steden snel stijgen.

    Deze wereldmetropolen hebben steeds meer weg van ivoren torens: de welvaart is sterk geconcentreerd in het centrum, dat wordt bediend door een uitgestrekte, achtergestelde periferie. In stadscentra is de werkgelegenheid toegenomen, de criminaliteit gedaald en zijn openbare diensten aanzienlijk beter gaan functioneren. Pakhuizen en fabrieken van Kings Cross in Londen tot Brooklyn in New York zijn omgebouwd tot luxe appartementen voor hoogopgeleide (en doorgaans witte) professionals. Voormalige arbeiderswijken zijn gerenoveerd of herontwikkeld. Ze staan nu vol met hippe cafés en kroegen, dure sportscholen en biowinkels.

    Exurb

    Deze voormalige betaalbare arbeiderswijken zijn inmiddels aanzienlijk gegentrificeerd. Voor alle duidelijkheid: de bevolkingsgroei in de binnensteden is gering in vergelijking met de suburbanisatie. Er is in feite een nieuwe bevolkingsring ontstaan: de zogenaamde ‘exurb’. De sociaaleconomische samenstelling van deze concentrische cirkels van steden is daarentegen wel veranderd. Vroeger vluchtten rijke stedelingen naar de buitenwijken, nu verhuizen ze veelal juist terug naar de stedelijke kern. De armoede verplaatst zich ondertussen steeds meer naar de buitenwijken. Journalist Alan Ehrenhalt noemt het fenomeen terecht ‘de grote omkering’.

    Stadscentra zijn weer populair en dat is te zien aan de veranderende huizenprijzen binnen de concentrische cirkels van de stad. Uit een onderzoek naar de top twintig steden in de Verenigde Staten blijkt dat er de afgelopen decennia een grote verschuiving heeft plaatsgevonden in de verhouding tussen huizenprijzen en de afstand tot het stadscentrum. De huizenprijzen stegen in 1980 naarmate een woning verder van het centrale zakendistrict af lag, maar in 2010 was dat omgekeerd. De kosten voor woningen in stedelijke centra zijn sindsdien verder gestegen: de gemiddelde huizenprijzen in de vijf binnenste stadsdelen van New York City zijn tussen begin 2010 en begin 2020 vier keer zo snel gestegen als in de rest van de metropool. Tijdens de coronapandemie nam de groei van de huizenprijzen in de voorsteden snel toe, maar die ontwikkeling is inmiddels gestagneerd, waardoor het langetermijnbeeld grotendeels ongewijzigd blijft.

    Waarom verruilen goedbetaalde professionals hun vrijstaande huis met tuin in de buitenwijken voor dichtbevolkte buurten in stedelijke centra? Er spelen veel verschillende factoren mee. Dankzij strengere regulering en de terugloop van vervuilende industrieën zijn steden in rijke landen in de laatste decennia van de twintigste eeuw steeds schoner geworden. De rivier de Theems, die door het hart van Londen stroomt, was lange tijd een bron van afgrijzen voor de inwoners van de stad. In 1858 veroorzaakte de combinatie van industrieel, menselijk en dierlijk afval en warm weer zo’n vreselijke geur dat men sprak van ‘the Great Stink’. De Theems bleef, ondanks latere pogingen om de waterkwaliteit te verbeteren, ernstig vervuild. Het Natural History Museum verklaarde de Theems in 1957 zelfs ‘praktisch gezien dood’. Maar dankzij een schoonmaak- en zuiveringsprogramma dat meerdere decennia heeft geduurd, is de rivier indrukwekkend genoeg hersteld.

    In steden als Chicago vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Door verbeterde milieuregels, zoals het verbod op lood in brandstof, is de luchtkwaliteit van steden in rijke landen aanzienlijk verbeterd, hoewel er nog veel werk aan de winkel is. De luchtkwaliteit in Londen heeft een lange weg afgelegd sinds in 1952 de zogenaamde ‘great smog’ duizenden levens eiste.

    De afgelopen decennia heeft er bovendien een fundamentele verschuiving plaatsgevonden in onze leefgewoonten. Ook daardoor is het steeds wenselijker geworden om in stedelijke centra te wonen. Vanaf de jaren zestig werden stedelijke centra vooral aantrekkelijk voor mensen die niet leefden volgens gangbare burgerlijke normen. Leden van de lhbtq+-gemeenschap omarmden de binnenstad: het was een plek waar ze konden ontsnappen aan het oordeel van de middenklasse in de voorsteden. In de tweede helft van de twintigste eeuw vond er een aanzienlijke stijging plaats van het aantal immigranten. Er vormden zich in de binnensteden diasporagemeenschappen van etnische minderheden, die een contrast vormden met de overwegend witte buitenwijken. Als gevolg daarvan werden de binnensteden opvallend tolerant en open, in tegenstelling tot de buitenwijken.

    Binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt

    Een nieuw ontstane, hoogopgeleide elite draagt op esthetisch vlak een bepaalde tegencultuur uit die vermengd is met de economische voordelen die de overgang naar een kenniseconomie met zich meebrengt. Voor deze groep is niet een woning met een dubbele garage in een of andere buitenwijk een teken van succes, maar een woning in een centrale stadsbuurt, omringd door creativiteit, cultuur en comfort. De levenscyclus van gentrificatie volgde de afgelopen decennia een voorspelbaar patroon: als eerste komen de kunstenaars, dan de projectontwikkelaars en daarna de hoogopgeleide kenniswerkers. Dit proces zie je overal terug, van Shoreditch in Londen tot SoHo in New York en Surry Hills in Sydney.

    Gentrificatie is niet bepaald nieuw. In de afgelopen decennia is het proces echter versneld en uitgebreid naar veel buurten die ooit betaalbare woningen boden aan mensen met lagere inkomens, waardoor grote delen van de stad voor hen onbereikbaar zijn geworden. We mogen niet toelaten dat onze steden bevoorrechte eilanden worden te midden van zeeën van achterstand. Gelukkig is met het juiste beleid en de juiste investeringen een betere, inclusievere en duurzamere toekomst mogelijk.

    De groeiende vraag naar woningen in de binnenstad hangt samen met het feit dat millennials volwassen zijn geworden. Stedelijke centra oefenen een sterke aantrekkingskracht uit op mensen die net aan het begin van hun carrière staan, de wereld willen ontdekken en nieuwe ervaringen willen opdoen. Het is de levensfase waarin iemand net (of bijna) financieel onafhankelijk is geworden, maar nog geen grote woonruimte nodig heeft om zijn gezin te huisvesten. Ongehinderd door dergelijke beperkingen trekken deze mensen naar de stad om te genieten van de opwinding die deze biedt.

    Dat proces wordt nog eens versterkt doordat binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt. Zelfs in dit tijdperk van online daten zijn er maar weinig stellen die hun relatie op de lange termijn volledig virtueel houden. En hoe verder je van drukke, stedelijke centra vandaan woont, hoe kleiner de kans is om een goede match te vinden. Langzaamaan krijgen steeds meer singles een relatie en een gezin, zodat ze meer ruimte nodig hebben en te weinig tijd overhouden om te genieten van het leven in de grote stad. Het resultaat is een exodus: veel ouders met jonge kinderen trekken weg uit de stad.

    Dit cyclische patroon is duidelijk terug te zien in de netto migratiestromen in en vanuit de binnenste stadsdelen van Londen. Hoewel veel tieners na de middelbare school de stad verlaten om naar de universiteit te gaan, keren ze na hun studie terug en brengen ze nog veel meer jongvolwassenen uit het hele land met zich mee. Als gevolg hiervan verandert de netto migratie naar het centrum van Londen onder volwassenen van begin twintig van negatief naar positief. Dat aandeel blijft stijgen tot ze midden twintig zijn – daarna neemt de migratie af. Het aandeel wordt uiteindelijk weer negatief als ze kinderen krijgen en naar de buitenwijken en forensensteden vertrekken.

    Kentering

    De afgelopen twintig jaar is dat patroon echter op twee belangrijke manieren veranderd. Ten eerste is de netto migratie van volwassenen van midden twintig naar het centrum van Londen bijna verdrievoudigd. Ten tweede is de leeftijd waarop de netto migratie omslaat – waarbij er plotseling meer volwassenen vertrekken dan binnenkomen – met wel tien jaar verschoven: van 34 naar 44 jaar. De reden hiervoor ligt in de veranderende demografie. De gemiddelde huwelijksleeftijd is de afgelopen decennia aanzienlijk gestegen. Toen prins Charles en Lady Diana in 1981 trouwden, lag in het Verenigd Koninkrijk de gemiddelde leeftijd van het eerste huwelijk voor vrouwen op 22 en voor mannen op 24 jaar; toen prins Harry en Meghan Markle in 2018 trouwden, was deze leeftijd gestegen tot respectievelijk 30 en 32. In dezelfde periode is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen in het Verenigd Koninkrijk gestegen van 27 naar 31 jaar. Jonge mensen wachten dus langer totdat ze trouwen en een gezin stichten, waardoor de stedelijke levensstijl langer aantrekkelijk blijft. In steden als Londen wordt wonen steeds minder betaalbaar, waardoor een groeiend aantal jonge mensen de stad uit wordt gedreven. Velen van hen zouden echter liever blijven.

    Deze grote kentering heeft een enorme tol geëist van veel van de meest achtergestelde groepen in de samenleving. Terwijl rijke bewoners zich in de stad vestigen, worden de oorspronkelijke, arme bewoners weggedreven. Voor mensen die toevallig een huis bezitten in een gentrificerende wijk, kan dit een financieel buitenkansje opleveren. Maar jammer genoeg zijn de meest achtergestelde bewoners in deze gebieden vaak huurders, die geconfronteerd worden met snel stijgende woonprijzen. De effecten van gentrificatie zijn minder voelbaar als de buurt in kwestie ooit voornamelijk bestond uit industrieel en commercieel vastgoed. Maar de voorraad van dergelijk vastgoed is in New York, Chicago en Londen al heel snel uitgeput geraakt. Het resultaat is een combinatie van steeds meer geconcentreerde achterstand in een klein aantal binnenstedelijke buurten – zoals de Bronx in New York of Englewood in Chicago – en een algemene trek van armere mensen naar de buitenwijken.

    Vaak komen mensen die door gentrificatie zijn verdrongen in verre buitenwijken terecht. De huizen zijn daar goedkoop, maar er is maar weinig werkgelegenheid. De reistijden naar het stadscentrum zijn slopend, vooral voor mensen die zich geen auto kunnen veroorloven en afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. Sheila James, die in de gezondheidszorg werkt, vertelde in een interview met The New York Times dat de vastgoedprijzen in San Francisco haar zo ver buiten de stad hadden gedreven dat haar werkdag om 02:15 uur begon. Tussen 2000 en 2015 is het aantal buitenwijken in de Verenigde Staten met een armoedepercentage van meer dan 20 procent meer dan verdubbeld. De gemiddelde tijd van het woon-werkverkeer neemt in de Verenigde Staten over de hele linie toe, maar stijgt veel sneller onder zwarte en Latijns-Amerikaanse werknemers. Vroeger woonden de meest achtergestelde mensen in arme buurten in de binnensteden, maar nu zitten ze steeds vaker vast in gebieden aan de stadsrand, waar de bevolkingsdichtheid laag is.

    Dat binnensteden worden overgenomen door hoogopgeleide professionals eist duidelijk een hoge tol. Maar het is onduidelijk of het alternatief aantrekkelijker is. In de huidige economie kunnen steden alleen succesvol worden als ze erin slagen om hoogopgeleide kenniswerkers aan te trekken. Deze werknemers willen in trendy stedelijke centra wonen tot ze eind dertig zijn, en misschien zelfs nog langer. Het is geen toeval dat gentrificatie trager verloopt of nagenoeg afwezig is in minder welvarende steden zoals Detroit en Cleveland.

    Hoe kunnen we dit veranderen? Om ervoor te zorgen dat steden toegankelijk zijn voor alle inwoners, en niet alleen voor een gelukkige minderheid, zijn er drie pijlers nodig: eerlijker huisvesting, eerlijker openbaar vervoer en eerlijker onderwijs. Om met het onderwijs te beginnen is het nuttig om te kijken naar rijke landen die erin geslaagd zijn leerlingen, ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond, relatief gelijke resultaten te laten behalen. Het Japanse onderwijssysteem staat dan misschien voornamelijk bekend om de hoge eisen die het aan leerlingen stelt, maar het is tevens een van de meest egalitaire systemen ter wereld.

    Tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd

    Het Japanse onderwijssysteem biedt een aantal waardevolle inzichten. Het eerste is dat de financiering van scholen niet langer afhankelijk moet zijn van lokale inkomensstromen. In de Verenigde Staten is bijna de helft van de financiering van scholen afkomstig van lokale overheidsinkomsten, die sterk afhankelijk zijn van de welvaart van een gebied. In Japan daarentegen is de financiering van lerarensalarissen, schoolgebouwen en andere uitgaven voornamelijk afkomstig van nationale en provinciale besturen. Het feit dat heel weinig leerlingen in het lager en lager middelbaar onderwijs in Japan naar privéscholen gaan, betekent ook dat vrijwel iedereen tijdens deze formatieve jaren deelneemt aan hetzelfde onderwijssysteem.

    Het tweede inzicht is dat leraren niet rechtstreeks door scholen moeten worden ingehuurd. In Japan worden leraren ingehuurd door provincies en daardoor komen ze in de loop van hun carrière meestal bij een aantal verschillende scholen te werken. Hierdoor kan de overheid goed presterende leraren naar achterstandsgebieden sturen. Op die manier wordt de sociaaleconomische kloof in schoolprestaties niet vergroot door ongelijke spreiding van de beste leerkrachten.

    Er bestaan veel andere ideeën over hoe we de ongelijkheid in het onderwijs kunnen verminderen – sommige zijn gemakkelijk te realiseren, andere moeilijker. Onderzoek door Roland Fryer, die aan Harvard werkt, heeft aangetoond dat de prestaties van leerlingen op openbare scholen al sterk kunnen verbeteren door schooldirecteuren simpelweg meer training aan te bieden. In Groot-Brittannië heeft de lerarenvakbond ervoor gepleit om een bepaald aantal plekken op goed presterende scholen te reserveren voor kansarme leerlingen van buiten het schoolgebied. In de Verenigde Staten bestaat er een vergelijkbaar concept: de zogenaamde ‘magneetschool’, die tot doel heeft om getalenteerde leerlingen ongeacht hun achtergrond bij elkaar te brengen. Wat voor effect dit heeft op de kansarme leerlingen die niet geselecteerd worden, is echter nog onduidelijk. Betaalbare huisvesting is misschien wel de meest effectieve manier om de verschillen in onderwijsresultaten binnen steden te verkleinen. Zo krijgen armere gezinnen toegang tot de betere scholen in rijkere buurten.

    In de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er steeds meer zorgen over de levenskwaliteit van arme arbeiders, die zichzelf gedwongen zagen in overvolle en krakkemikkige woningen in binnensteden te wonen. Veel rijke landen leverden daarom grote inspanningen om dergelijke gebieden te ontruimen en de woongelegenheid te vervangen door sociale huisvesting, een proces dat in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling raakte. Groot-Brittannië was hierin bijzonder voortvarend: tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd. Dergelijke initiatieven gingen natuurlijk gepaard met de nodige kritiek. Stedenbouwkundige Jane Jacobs hield in de jaren zestig bijvoorbeeld een krachtig pleidooi tegen de aanpak die in New York City gangbaar was: sloppenwijken werden platgewalst en vervangen door levensloze, slecht ontworpen woonprojecten die ten koste gingen van de lokale gemeenschappen.

    Toch heeft sociale huisvesting een belangrijke rol gespeeld in het verminderen van ongelijkheid in steden, doordat alle inwoners van onderdak worden voorzien. Als sociale woningen door de stad verspreid liggen, helpen ze bovendien om sociaaleconomische segregatie tegen te gaan.

    In Londen werden in de naoorlogse decennia bijvoorbeeld ook sociale woningen gebouwd in welgestelde wijken als Chelsea of Primrose Hill. Een voordeel hiervan was dat achtergestelde gezinnen toegang kregen tot dezelfde scholen en lokale diensten als hun welgestelde buren. Vanaf de jaren tachtig gold echter het neoliberale beleid van onder andere Thatcher en Reagan. Sociale huisvesting raakte in veel landen uit de gratie. Het kooprechtbeleid van Thatcher leidde er in Groot-Brittannië toe dat miljoenen woningen aan huurders werden verkocht, waardoor de staat in de daaropvolgende jaren niet langer mensen in nood kon huisvesten.

    Economen begonnen te pleiten voor een marktvriendelijker model: voor arme gezinnen moesten er directe financiële steun komen in de vorm van huisvestingsvouchers. Als gevolg hiervan nam de sociaaleconomische segregatie in veel steden toe, omdat huishoudens met lage inkomens samenklonterden in buurten waar de huren laag waren. In de afgelopen jaren heeft Groot-Brittannië geprobeerd dit probleem te verhelpen door te eisen dat nieuwe woonwijken boven een bepaalde omvang een bepaald aantal woningen onder de marktprijs aanbieden. Maar zelfs als deze woningen worden meegerekend, is het aantal sociale en goedkopere woningen in Groot-Brittannië sinds de jaren tachtig gestaag gedaald.

    Onbereikbaar

    Steden als Wenen laten zien dat het anders kan. Meer dan 60 procent van de inwoners van Wenen woont in gesubsidieerde huurwoningen – terwijl dat in Londen ongeveer 20 procent is en in New York iets meer dan 5 procent. Ongeveer de helft daarvan is eigendom van de gemeentelijke overheid, de andere helft is in het bezit van gesubsidieerde non-profitcoöperaties. De liberale bovengrens voor een huishoudinkomen om in aanmerking te komen voor gesubsidieerde huisvesting ligt relatief hoog: 53.340 euro voor een alleenstaande bewoner en 79.490 euro voor een stel. Dat betekent dat in deze woonblokken mensen uit een relatief breed sociaaleconomisch spectrum worden samengebracht.

    Door de snelle stijging van de huizenprijzen in veel grote steden is woningbezit – en de rijkdom die dat met zich meebrengt – voor veel mensen steeds onbereikbaarder geworden. De huizenprijzen in Londen, Parijs, New York en Sydney zijn de afgelopen decennia veel sneller gestegen dan het gemiddelde inkomen. Dat maakt het moeilijk om genoeg geld te sparen voor een eerste koophuis.

    Er zijn twee grote boosdoeners die ervoor zorgen dat huizen steeds minder betaalbaar worden. De eerste is dat de rentes jarenlang heel laag zijn geweest, waardoor een hypotheek tot voor kort ongewoon goedkoop was. Mensen die al over het startkapitaal voor een aanbetaling beschikten, konden daarom meer geld inleggen voor een woning, of die nu voor henzelf was of een belegging. Daardoor stegen de prijzen en werd het voor mensen zonder spaargeld moeilijker om een woning te kopen. De recente stijging van de rentetarieven heeft niet geholpen, omdat de kosten van woningkredieten meer zijn gestegen dan de huizenprijzen zijn gedaald. 

    De tweede boosdoener is de langetermijnvertraging in de bouw van nieuwe huizen. Als we de veranderde bevolkingsgrootte in ogenschouw nemen, bouwen rijke landen nu minder dan de helft van het aantal huizen dat ze in 1970 bouwden. Het probleem is vooral nijpend in binnensteden, waar het woningaanbod de afgelopen decennia nauwelijks is gegroeid en de bouwactiviteit vooral is gericht op het opknappen van de al bestaande voorraad. Tussen 2010 en 2019 steeg het totale aantal woningen in de vijf stadsdelen van New York City met slechts 6 procent, terwijl de werkgelegenheid met 21 procent toenam.

    Steden moeten stoppen met uitdijen aan de randen en in plaats daarvan de dichtheid verhogen. Dit hoeft geen eindeloze hoogbouw en vernietiging van erfgoed te betekenen – er kan veel bereikt worden door gebruik te maken van middelhoogbouw en door voormalige kantoren en industriële ruimtes sneller te verbouwen. Aangezien de bevolking in rijke landen vergrijst en jongeren langer alleen wonen, kan het ook helpen om eengezinswoningen sneller op te splitsen in eenpersoonswoningen.

    De laatste pijler voor eerlijkere steden is eerlijker openbaar vervoer. Toegang tot goedkoop vervoer is lange tijd van essentieel belang geweest om de kansarme inwoners van steden toegang te geven tot betaald werk. Toch zijn de bestaande openbaarvervoersystemen in veel grote steden meer dan een eeuw geleden ontworpen en gebouwd, in een tijd waarin armoede heel anders verdeeld was. Naarmate de binnensteden meer gegentrificeerd raken en de armoede zich naar de buitenwijken verplaatst, bestaat het risico dat de infrastructuur in veel steden uiteindelijk de bewoners bedient die haar het minst nodig hebben. De kosten van een maandabonnement zijn in Londen bijvoorbeeld het hoogst voor mensen die van de buitenwijken naar de binnenstad moeten pendelen, terwijl de armoede juist in deze gebieden het snelst toeneemt.

    Ook moet worden nagedacht over hoe het openbaar vervoer gefinancierd wordt. In Londen is meer dan 70 procent van de inkomsten uit het openbaar vervoer afkomstig van kaartjes, twee keer zo veel als in Parijs. Een maandabonnement in Londen voor de zones een tot en met drie – min of meer de binnenste wijken – kost op het moment van schrijven 211 euro. In Parijs kost een metrokaart voor alle zones – waarmee eenzelfde afstand kan worden afgelegd – 84 euro.

    De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen

    Een vervoerssysteem zoals dat van Londen, dat meer afhankelijk is van ticketinkomsten dan van algemene belastingen, legt een grotere financiële druk op de armste inwoners van de stad en vergroot het risico dat ze vast komen te zitten in problematischer buurten. Toch is het Londense systeem, ondanks al zijn gebreken, veel beter dan de infrastructuur in Amerikaanse steden als Los Angeles of Atlanta, die volledig is gericht op autorijden. Het gebrek aan openbaar vervoer houdt de inwoners aldaar die zich geen auto kunnen veroorloven arm.

    Door de pandemie zijn steeds meer mensen op afstand gaan werken. Drie jaar later hebben we een duidelijker beeld van wat voor invloed dat op steden heeft gehad. De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen: bewoners hechten waarde aan meer dan alleen reistijd. Toch eist de daling van het woon-werkverkeer in de centrale zakenwijken een grote tol: kantoren staan leeg, het openbaar vervoer is onderbenut en de winkels en restaurants die forenzen bedienden, hebben moeite te overleven. De verpaupering van het centrum van San Francisco illustreert dergelijke risico’s. Het langdurig daklozenprobleem waaronder de stad gebukt gaat, wordt verergerd door onbetaalbare huisvesting. Het is tijd voor gedurfd beleid, gebaseerd op een verfrissende, nieuwe aanpak.

    Steden zijn in alle samenlevingen een bron van vernieuwing. Al vijfduizend jaar vormen ze de motor van vooruitgang en stimuleren ze samenwerking, specialisatie en creativiteit: de drijvende krachten achter de ontwikkeling van de mensheid. Vandaag leven er meer mensen in steden dan ooit tevoren. Het is noodzakelijk dat we leren hoe we steden kunnen verduurzamen en toegankelijk kunnen maken voor iedereen, en niet alleen voor die paar gelukkigen.

    Dit is een bewerkt uittreksel uit Age of the City: Why Our Future Will Be Won or Lost Together door Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.

  • Waarom de banlieue de Franse staat haat

    Waarom de banlieue de Franse staat haat

    De rellen van de laatste weken in de Franse banlieues hebben hun wortels in de Franse koloniale geschiedenis, betoogt Andrew Hussey in zijn boek De Franse intifada.

    Op 27 maart 2007 was ik laat in de middag na een werkdag in Parijs-Oost met de metro onderweg naar huis. Op het Gare du Nord stapte ik uit om van trein te wisselen. Als in trance liep ik, opgaand in de muziek op mijn koptelefoon, werktuiglijk naar de winkelgalerij die de verbinding vormt tussen de boven- en benedenverdieping van het station. Normaliter kocht ik hier een krant en koffie en pakte ik daarna een trein naar mijn at in zuid.

    Maar het was geen gewone avond. Toen ik de trap naar de uitgang op liep, drong de geur van rook mijn neus binnen en hoorde ik geschreeuw. In de gangen was het meer dringen dan gewoonlijk en waren de mensen iets gespannener en slechter gehumeurd dan doorgaans tijdens het spitsuur. Toen ik het hoofdplein van de galerij naderde, prikte rook in mijn ogen en neusgaten en werd het geschreeuw luider. Ik zag gewapende politieagenten en honden. Niettemin had ik niet het idee dat er echt iets mis was. Het enige wat me zorgen baarde, was hoe ik door de inmiddels tot stilstand gekomen stroom forenzen naar de trein kon komen die me naar huis zou brengen.

    Ik wurmde me door de menigte, stapte het plein op en zat plots gevangen in een lege ruimte tussen twee gevechtslinies – aan de ene kant politiemensen in zwart-blauwe uitrusting die met wapenstokken op hun doorzichtige, harde schilden sloegen, aan de andere kant een ordeloze verzameling kinderen en jongeren, voornamelijk zwart of Arabisch, jongens en meiden in hiphopkleding die zongen, lachten en met dingen gooiden. Je kon uit hun accent en manier van doen opmaken dat het geen Parijzenaars waren; het waren kinderen uit de banlieues – de arme voorsteden ten noorden van Parijs die via treinen met Gare du Nord als eindbestemming waren verbonden met de stad. Een Afrikaans uitziende jongen slingerde met een kreet een ijzeren staaf de lucht in, die tegen een fotocabine en een drankautomaat knalde. Een paar meter verderop werd brandgesticht bij een loket.

    Vrolijk

    De sfeer was vreemd genoeg vrolijk. Achter het staal en glas van de eindhalte van de Eurostar escorteerden soldaten met machinegeweren net gearriveerde passagiers uit Londen naar Parijs, de schitterende hoofdstad van Europa, waar het nu zo te zien oorlog was. Ze sloegen het tafereel met afschuw gade. Jongeren sprongen over metropoortjes, rookten stickies, schreeuwden, liepen waar ze wilden en negeerden de normaal geldende regels rond de toegang naar het station. Het was een vermakelijk gezicht, maar riep tegelijkertijd angst op, want deze jongeren konden je nu zomaar iets aandoen als ze er zin in hadden. Regels en wetten – ze trokken zich nergens iets van aan.

    In de dagen daarna las ik de kranten erop na. De meeste reporters en ooggetuigen waren het eens over de chronologie. Om halfvijf ’s middags was een Congolese jongeman, een bekende van de politie, opgepakt toen hij zonder kaartje het station probeerde binnen te komen. Bij de arrestatie ging het niet zachtzinnig toe, en toen de politieagenten op de jongen begonnen in te slaan, kwamen voorbijgangers tussenbeide om het op te nemen voor de underdog. De agenten grepen naar hun geweren en knuppels, en algauw ontstond een niet meer een-twee-drie in te tomen rel.

    De rellen op Gare du Nord in maart 2007. Gare du Nord, dat het grensgebied vormt met de banlieues, veranderde ‘binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder in een wetteloos stukje Frans grondgebied’. – © Reuters / Charles Platiau
    De rellen op Gare du Nord in maart 2007. Gare du Nord, dat het grensgebied vormt met de banlieues, veranderde ‘binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder in een wetteloos stukje Frans grondgebied’. – © Reuters / Charles Platiau

    Maar hoe had dit kunnen gebeuren? Wat maakte het Gare du Nord tot een zodanig explosief kruitvat dat het binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder was veranderd in een wetteloos stukje Frans grondgebied? Op dit punt liepen de interpretaties uiteen. In Le Parisien, de krant die verslag doet van het dagelijks leven in de stad, werden de gebeurtenissen omschreven als ‘une émeute populaire’ (een volksoproer). De toon was er een van gematigde instemming. Le Parisien is niet bepaald links te noemen, maar staat altijd, zo wil een diep gekoesterde Parijse mythe, aan de kant van het ‘volk’. Dit woordgebruik plaatste de gebeurtenissen in het Gare du Nord in een lange traditie van volksopstanden in de stad – ze behoren, te beginnen bij de tijd van La Fronde en zo door tot de Franse Revolutie en de Commune, tot de onlosmakelijke elementen van de geschiedenis van Parijs. Een paar andere kranten, waaronder de rechtse Le Figaro, schreven erover met een huivering van afkeer en meldden dat de oproerkraaiers ‘A bas l’état, les flics et les patrons’ (Weg met de staat, de wouten en de bazen) hadden gescandeerd, waarmee ze de rel een plek gaven in de rebelse folklore van de stad.

    Maar het probleem met deze berichtgeving was dat er weinig van klopte. De jongeren die ik zag gaven geen moer om de staat of de ‘bazen’. De meesten van hen hadden sowieso geen werk. En ze hadden weliswaar een grondige hekel aan de politie, maar zouden nooit een ouderwets scheldwoord als flics hebben gebruikt, dat behoort tot het Parijse equivalent van de generatie van de Krays. Politieagenten waren voor de relschoppers keufs of schmitts. Het gescandeer dat ik hoorde ging voornamelijk in het Frans: ‘Nik les schmitts’ (Rot op, juten), en soms in het Engels: ‘Fuck the police!’ Maar er was nog een slogan, die werd gescandeerd in gewoon Arabisch en het hardst leek aan te komen: ‘Na’al abouk la France!’ (Fuck Frankrijk!). Deze slogan – het is eigenlijk meer een vloek – staat volledig los van Franse tradities van opstandigheid.

    Frankrijk herbergt vandaag de dag de grootste moslimbevolking in Europa. Daartoe behoren ruim vijf miljoen mensen uit Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de zogeheten ‘zwarte landen aan de Atlantische Oceaan’, het langgerekte gebied in West-Afrika dat zich uitstrekt van Mali tot Senegal. Bij een korte wandeling in de overbevolkte wijk Barbès in het noorden van Parijs, waar bijna al deze nationaliteiten vertegenwoordigd zijn, krijg je een goed beeld van de diversiteit van deze bewoners en kun je aardig wat opsteken over het Franse koloniale verleden.

    Het Gare du Nord in het hart van deze wijk is grensterrein. Het vormt de scheidslijn tussen de miserabele omstandigheden in de banlieues, de voorsteden rond Parijs, en de relatieve overvloed in het centrale deel van de stad. Dit is de plek waar jonge banlieusards naartoe gaan om rond te hangen, de andere sekse te ontmoeten, te winkelen, te roken, zich te laten zien en te flirten – de dingen die jonge mensen graag doen. Parijs is zowel dichtbij als veraf; je bent er in een wip, maar als het gaat om banen, huisvesting, een leven opbouwen, is het voor deze jonge mensen net zo ontoegankelijk en ver weg als Amerika. En dus koesteren ze dit kleine stukje van de stad dat hun toebehoort.

    In het Gare du Nord kunnen de gemoederen daarom snel hoog oplopen. De sfeer is er over het algemeen gespannen maar stabiel: iedereen houdt zich bij het zijne, van het politie tot de dealers. Maar wanneer de politie hard optreedt, kan dat lijken op het zoveelste vertoon van koloniale macht. De strijdkreet ‘Na’al abouk la France!’ is zodoende ook een kreet van pijn en woede. Er komen oude emoties van verlies, schaamte en angst in tot uitdrukking. En daarom is het zo’n krachtige vloek.

    De relschoppers in de banlieues afficheren zich vaak als soldaten in de “lange oorlog” tegen Frankrijk en Europa

    De relschoppers in het Gare du Nord en in de banlieues afficheren zich daarnaast ook vaak als soldaten in de ‘lange oorlog’ tegen Frankrijk en Europa. Een begrip als ‘beschaving’, dat ze zien als een Europese uitvinding, is voor hen iets om zich tegen af te zetten. De zogenoemde ‘Franse intifada’, de guerrillaoorlog met de politie aan de randen en in het hart van Franse steden, is slechts de nieuwste en meest dramatische vorm van confrontatie met de vijand.

    Het geweld begon op 27 oktober 2005 na de dood door elektrocutie van twee jongemannen die waren weggevlucht in een transformatorhuisje om te ontsnappen aan de politie. Bijna een week lang ontstonden daarna elke avond rellen, waarbij duizenden auto’s in brand werden gestoken. Vervolgens sloeg de onrust over naar andere Franse plaatsen. President Jacques Chirac kondigde de noodtoestand af, die op 8 november om middernacht inging. De regering en de politie kregen hierdoor speciale bevoegdheden om mensen op te pakken en het recht om een avondklok in te stellen en huiszoekingen te doen. Maar dit maakte de situatie er niet beter op. Op 11 november viel in een deel van Amiens de stroom uit toen een elektriciteitscentrale werd belaagd – wat tot schrik van de politie een vaak gebruikte en doeltreffende tactiek werd. Verder werden kerken bestookt met brandbommen.

    Uiteindelijk was het na twee weken gedaan met de rellen. Maar het was voor de politie allesbehalve een makkelijke overwinning – integendeel zelfs. Het geweld werd deels gevoed door het agressieve optreden van de politie en door de onverzettelijke houding van Nicolas Sarkozy, op dat moment minister van Binnenlandse Zaken, die een beleid van zero tolerance afkondigde en zei dat hij het ‘racaille’ (tuig) van de straat zou vegen. Deze harde woorden deden de verontwaardiging in de banlieues alleen maar toenemen – het was onmiskenbaar oorlogstaal. Toen de Franse regering eind november aan het bijkomen was van de onthutsende gebeurtenissen, kon de rekening opgemaakt worden: de rellen in Frankrijk hadden duidelijk gemaakt dat de jongeren van de banlieues met succes de strijd konden aanbinden met de autoriteiten wanneer ze maar wilden.

    De gebeurtenissen in 2005 hebben onvermijdelijk geleid tot een bijna eindeloze stroom artikelen, boeken en debatten in Frankrijk. Hoewel menigeen zich te buiten ging aan luidruchtige retoriek, waren er een paar belangrijke punten waarop rechts en links het met elkaar eens waren. Ten eerste waren beide kampen van mening dat de ernst van de crisis was overdreven door de Engelstalige media, die weinig wisten van Frankrijk en de rellen hadden aangegrepen om de aandacht af te leiden van hun eigen problemen met immigratie en immigranten in hun eigen landen. Uiteraard is dit iets wat de perfide Britten en Amerikanen altijd al hebben gedaan.

    Ten tweede was er de breed gedeelde consensus dat de rellen weinig of niets te maken hadden met de islam en de historische aanwezigheid van Frankrijk in delen van de islamitische wereld. Linkse intellectuelen sloofden zich in Le Monde en Libération uit om aan te tonen dat de rellen op geen enkele wijze terug te voeren waren op de woede die ook een voedingsbodem was geweest voor radicaliserende islamisten. Volgens deze journalisten waren de rellen te wijten aan een ‘fracture sociale’ en een gebrek aan ‘justice sociale’. Zelfs de Franse inlichtingendienst, de Renseignements Généraux, droeg haar steentje bij. Ze kwam met een rapport waarin de rellen werden omschreven als een ‘volksopstand’ en de rol van islamistische groepen en de allochtone afkomst van de relschoppers werden gebagatelliseerd. Aldus werden de rellen van 2005 ontdaan van hun bijzondere lading en weggezet als een zoveelste uitbarsting van traditioneel Frans protest.

    Er is in het hedendaagse Frankrijk echter sprake van een hoogst reëel conflict tussen de tegengestelde beginselen laïcité en communautarisme, dat tot uiting kwam in de rellen. Het begrip laïcité is moeilijk te vertalen; de strekking ervan is simpel gezegd dat het volgens de Franse wet verboden is om onderscheid te maken tussen individuen op grond van hun godsdienst. De Franse notie laïcité is, anders dan het Engels-Amerikaanse model van de seculiere staat, waarin staatsbemoeienis met religieuze aangelegenheden uit den boze is, te beschouwen als een dam tegen elke vorm van religieuze inmenging in staatsaangelegenheden. Dit dateert van de revolutie van 1789 en wordt traditioneel gezien als een manier om de katholieke kerk kort te houden. De Dreyfus-affaire, die in 1905 leidde tot de officiële scheiding tussen kerk en staat, dient nog altijd als schoolvoorbeeld waarom de katholieke kerk op deze wijze in toom gehouden dient te worden. Laïcité garandeert als specifiek antireligieus concept, zo wordt gesteld, de morele eenheid van de Franse natie – de ‘République indivisible’.

    In de voorbije jaren is tegenover deze kernwaarde van de Franse Republiek iets anders komen te staan: communautarisme, waarin de behoeften van de ‘gemeenschap’ worden afgezet tegen de behoeften van de ‘maatschappij’. Opnieuw is er voor het losse Engels-Amerikaanse model, waarin ‘verschillen’ op grond van seksualiteit, godsdienst of handicaps worden getolereerd of zelfs op prijs worden gesteld, geen plaats in Frankrijk, waar ‘verschillend zijn’ wordt gezien als een vorm van sektarisme en een bedreiging voor de Republiek. Het acuutste probleem voor de recente generaties moslimimmigranten in Frankrijk is dat de met nadruk beleden universaliteit van de republikeinse waarden, en met name laïcité, algauw doet denken aan de ‘beschavingsmissie’ in de koloniale tijd. Met andere woorden, als moslims ‘Frans’ willen zijn, moeten ze eerst leren burgers van de Republiek te zijn en pas op de tweede plaats moslims; dit is voor velen niet te doen, en vandaar de zorgen of de moslims in Frankrijk musulmans de France zijn of musulmans en France.

    Heftige emoties

    Maar in dit conflict gaat het niet alleen om politiek of godsdienst. Het gaat daarin ook om heel heftige emoties. De meeste mensen zijn banger voor aftakeling dan voor de dood. Dit is vertrouwd terrein voor psychiaters die patiënten behandelen voor stoornissen als schizofrenie en depressies. Een deel van het proces van geestelijk verval dat kenmerkend is voor deze aandoeningen is een gevoel van gedeeltelijke of algehele vervreemding. Wanneer mensen niet meer het idee hebben een eigen identiteit te bezitten en er van hun ik-gevoel nog maar zo weinig over is dat ze in hun beleving niet meer bestaan, kunnen ze letterlijk vreemden voor zichzelf worden.

    Dit is wat er in de koloniale tijd gebeurde in de door Frankrijk veroverde gebieden en wat er nu gebeurt in de banlieues. En daarom is het voor immigranten uit voormalige Franse kolonies bijna onmogelijk om zich echt ‘thuis’ te voelen in Frankrijk. Ondanks al hun moderniteit lijken deze stadswijken qua ontwerp nog het meest op immense gevangenenkampen. De banlieue staat in de meest letterlijke zin voor ‘anders-zijn’ – het anders-zijn van uitsluiting, van de onderdrukten, van angstige en geminachte mensen, die fysiek en cultureel worden weggehouden van de mainstream van de Franse ‘beschaving’.

    Dit is de stelling die de politicoloog Gilles Kepel poneert in zijn boek Quatre-vingt-treize (2012), een titel die verwijst naar Victor Hugo’s grootse roman over het schrikbewind in 1793 en naar de beruchte Parijse wijk Seine Saint-Denis, die vanwege de postcode bekendstaat als ‘Drieënnegentig’. In dit boek onderwerpt Kepel de recente geschiedenis van dit stadsdeel aan een diepgaand onderzoek, en zijn conclusie is dat de diverse varianten van de islam elkaar weliswaar bestrijden, maar dat ze verenigd zijn in hun vijandigheid tegenover de seculiere Franse staat.

    Kepel is er daarnaast van overtuigd dat de Franse Republiek moet vrezen voor bedreigingen van ‘buiten’, waarmee hij zowel de banlieues als de voormalige Franse gebieden in de moslimwereld bedoelt. In tegenstelling tot veel van zijn vakgenoten denkt hij dat de recente veranderingen in de Franse maatschappij nauw verband houden met gebeurtenissen in de Arabische wereld, die in het Westen amper begrepen worden. ‘Veel Franse politieke commentatoren zijn blind,’ vertelde hij me in zijn krappe werkkamer vlak bij boulevard Saint-Germain. ‘Ze weigeren verder te kijken dan Frankrijk. En dus snappen ze niet dat wat hier gebeurt te maken heeft met onze relatie met de Arabische wereld en ons verleden daar.’

    Kepel beklemtoont dat de huidige spanningen in Frankrijk niet los te zien zijn van de zogenoemde ‘Arabische Lente’ – de golf van opstanden die in 2011 de moslimwereld overspoelde. Ofwel preciezer gezegd: de Arabische Lente heeft ertoe geleid dat de algemeen aanvaarde waarheden over Noord-Afrika, waarvan de wereld tot nu toe een door Franse ogen bepaald beeld had, flink op de schop zijn gegaan.


    De voorstad Aulnay sur Bois in november 2005, tijdens de zevende nacht van de rellen in de banlieues in 2005. – © Reuters / Victor Tonelli
    De voorstad Aulnay sur Bois in november 2005, tijdens de zevende nacht van de rellen in de banlieues in 2005. – © Reuters / Victor Tonelli

    Op 14 januari 2011 ontvluchtte president Zine Ben Ali eindelijk zijn paleis om in ballingschap te gaan in Saoedi-Arabië. In Parijs heerste die dag op straat net zo’n feeststemming als in de steden in Tunesië. Dit kwam doordat het ondenkbare was gebeurd: Ben Ali was sinds 1987 aan de macht geweest, en het leek een uitgemaakte zaak dat hij nog lang aan het roer zou blijven – wat gezien zijn goede gezondheid en eigenwaan heel lang had kunnen zijn – maar binnen een paar weken was hij weg.
    De katalysator voor de woedende demonstraties die hadden geleid tot zijn vertrek was de zelfdoding van Mohammed Bouazizi, een zesentwintigjarige straatverkoper in de tot dan toe onbekende Tunesische plaats Sidi Bouzid. Op 17 december 2010 zette ‘Besboos’, zoals hij plaatselijk bekendstond, om acht uur ’s morgens zoals gebruikelijk zijn kar met fruit neer in het centrum van Sidi Bouzid. Rond tien uur kreeg hij het aan de stok met politieagenten die zeiden dat hij geen vergunning had en daarom niet mocht staan waar hij stond.

    Het werkelijke probleem was dat Mohammed de lokale politie niet genoeg smeergeld had betaald, hoewel hij zich door geld te lenen al voor tweehonderd dollar in de schulden had gestoken om beambten om te kopen. Maar Mohammed was die dag niet in de stemming om met zich te laten sollen en hield voet bij stuk toen een agente van middelbare leeftijd hem beledigde, zijn overleden vader vervloekte en zijn kar in beslag probeerde te nemen. Toen de agente zijn weegschaal pakte, zijn duurste apparaat dat hij, wilde hij zakendoen, absoluut niet kon missen, werd het hem te veel. Hij raakte buiten zichzelf van woede en rende, niet meer in staat zijn tranen te bedwingen, naar het kantoor van de lokale gouverneur om zijn beklag te doen over het hem aangedane onrecht. De gouverneur weigerde vlakaf hem te ontvangen.

    Mohammed verliet heftig gefrustreerd het kantoor van de gouverneur en overgoot zichzelf buiten met een blik benzine. Tot afschuw van de groep mensen die om hen heen was komen staan, stak hij de benzine vervolgens in brand. De vlammen sloegen van zijn lichaam terwijl hij in stille pijn rondwankelde. Dit was om halftwaalf, ongeveer een uur na aanvang van de ruzie over zijn kar.

    Mohammed overleed een paar dagen later in een ziekenhuis. Zijn dood staat nu te boek als de vonk die het vuur van de Tunesische revolutie deed ontbranden. Toen hij op sterven lag, stonden de gewone mensen van Sidi Bouzid op tegen de lagere ambtenaren die hen tot dan toe in toom hadden gehouden. Toen de opstand aan kracht won, staakte het leger zijn pogingen om er paal en perk aan te stellen en beseften honderdduizenden Tunesiërs dat dit hun eerste kans was om in verzet te komen tegen de autoriteiten. De rellen verspreidden zich over het land, en een paar spannende weken later maakte president Ben Ali, voor wie de haat van zijn volk niet meer te trotseren viel, zich uit de voeten.

    Het was het sprookjesachtige karakter van de revolutie dat op de dag van Ben Ali’s vertrek in de straten van Parijs werd gevierd. In Frankrijk wonen ruim zevenhonderdduizend Tunesiërs, grotendeels geconcentreerd in de regio Parijs. Tijdens de revolte in Tunesië stonden overal waar je in Parijs kwam in winkels, afhaalrestaurants en cafés draagbare tv’s waaruit op volle geluidssterkte een polyglot, polyfoon gebabbel op- rees van Al-Jazeera, Al-Arabiya en Franstalige kanalen uit de Maghreb. Iedereen was opgewonden en wilde praten, vooral de Tunesiërs zelf.

    Het verbluffendste aan deze gebeurtenissen – althans voor mensen die Tunesië niet kenden – was dat ze in gang waren gezet in een land dat het Westen beschouwde als een gematigde, stabiele en onopvallende speler in de politiek van de regio. Tot dat moment was Tunesië in de ogen van de buitenwereld een goedkope vakantiebestemming geweest, een land met een gedienstige houding jegens het Westen. De Tunesiërs wisten dat dit beeld op zijn best niet meer dan wensdenken was, en op zijn slechtst een bewuste leugen.

    De pesterijen waarmee Bouazizi te maken had, waren in Tunesië een alledaags fenomeen. Ze waren rechtstreeks terug te voeren tot de mensen op hoge, machtige posities, die deze intimidatie op laag niveau niet alleen toestonden, maar zelfs actief aanmoedigden. Toen Mohammed Bouazizi zichzelf in brand stak, wekte dat zo veel verontwaardiging bij de Tunesiërs dat ze alles op het spel zetten voor de vrijheid. Het recht kreeg met de vlucht van Ben Ali eindelijk zijn beloop. ‘Toen Ben Ali wegging, was dat een prachtig moment,’ kreeg ik te horen van een jonge vrouw die in Tunis de straat op was gegaan om tegen hem te protesteren. ‘Ik wist niet dat mensen zo blij konden zijn.’

    Verrast

    In de regeringsburelen van Frankrijk heerste die dag, anders dan onder de Tunesische bevolking in Parijs, geen jubelstemming. De val van Ben Ali was wel het laatste wat de Franse regering had gewild. Vanaf het moment dat hij in 1987 aan de macht kwam, hadden de opeenvolgende Franse leiders zich achter zijn regime geschaard, daartoe aangezet door zijn verwijzingen naar Algerije en de mogelijke dreiging van islamistisch terrorisme in Tunesië. De Fransen hadden Ben Ali op zijn woord geloofd en zich blind gehouden voor de wanpraktijken waarvan hij zich bediende om in Tunesië de ‘stabiliteit’ te handhaven. Daarnaast hadden ze in de veronderstelling verkeerd dat zijn positie onaantastbaar was.

    ‘We werden verrast,’ zei Henri Guaino, speciaal adviseur van Nicolas Sarkozy op het terrein van mediterrane aangelegenheden. ‘Niemand had door wat er gaande was. Het ging allemaal heel snel, een reeks gebeurtenissen waardoor de boel razendsnel uit de hand liep.’ Verder gaf hij toe: ‘Ik was niet waakzaam genoeg geweest ten aanzien van de ontwikkeling van het regime en de Tunesische publieke opinie.’ Dit was wel heel zwak uitgedrukt. Sinds eind jaren tachtig waren de opeenvolgende Franse regeringen verstrikt geraakt in compromitterende en inconsistente relaties met Tunesië. Franse diplomaten hadden al in 1990 melding gemaakt van het brute karakter van Ben Ali’s regime, maar de autoriteiten in Parijs hadden de andere kant op gekeken.

    Michèle Alliot-Marie, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, zette zich op 11 januari 2011 schandelijk te kijk toen ze ten overstaan van de Nationale Assemblee in Parijs meedeelde dat de opstand in Tunesië ‘een complexe situatie’ was, en dat het niet aan de Franse regering was om ‘het regime de les te lezen’. Een arrogantere en zelfgenoegzamere verklaring was moeilijk voorstelbaar op het moment dat het Tunesische volk vocht voor zijn vrijheid. Maar het werd allemaal nog erger: Alliot-Marie bood Ben Ali’s regime vervolgens het ‘wereldbefaamde savoir-faire’ van het Franse leger aan en zei bereid te zijn dit ‘savoir-faire’ over te laten brengen naar Tunis. Alle Assembleeleden, het maakte niet uit van welke partij, reageerden vol ongeloof. Bedoelde de Franse minister daadwerkelijk dat Franse soldaten of politiemensen ingezet zouden worden om de mensenmenigten in Tunis onder vuur te nemen?

    Sarkozy nam in het openbaar onmiddellijk afstand van haar – zijn adviseur deelde mee dat Alliot-Marie haar ‘eigen persoonlijke analyse van de situatie’ had gegeven. Links reageerde trager, deels omdat veel linkse politici, onder wie de burgemeester van Parijs, zelf problemen hadden met Tunesië. In de regio en in de banlieues van Frankrijk wekte de toespraak echter woede. In Algerije stelde het dagblad Liberté dat Michèle Alliot-Marie in haar arrogantie ‘kennelijk niet bang is om de herinneringen op te rakelen van mensen die in het verleden al kennis hebben gemaakt met het militaire “savoir-faire” van Frankrijk. Deze herinneringen zijn feiten: ten aanzien van Algerije kunnen we terugdenken aan 11 december 1960 in Algiers, in de wijk Belcourt, en aan 17 oktober in Parijs in 1961 – om slechts twee voorbeelden te noemen.’ Tunesische bloggers – bloggen was inmiddels de voornaamste vorm van communicatie in het land – waren furieus en sarcastisch. ‘Merci la France!’ luidde de reactie in een campagne op Facebook.

    De controverse liep in de volgende paar dagen nog hoger op toen aan het licht kwam dat Alliot-Marie, die hechte vriendschappelijke banden onderhield met Ben Ali, de kerst van 2010 had doorgebracht in een luxeresort in Tabarka, en dat ze daarheen was gereisd in een privévliegtuig van een goede vriend van Ben Ali, die tevens een crimineel was. Daarna werd bekend dat ze recent een appartement had gekocht in het vakantiecomplex te Gammarth niet ver van Tunis. En ondertussen ging Tunesië op in vlammen.

    Deze Franse dubbelhartigheid wekte bij de Tunesiërs amper verbazing. In de voorbije paar jaar hadden ze moeten aanzien hoe Ben Ali en zijn familie en vrienden schatrijk waren geworden door de natie te plunderen. Tunesië was geen rijk Arabisch land – het heeft bijvoorbeeld geen inkomsten uit olie. Maar dit weerhield Ben Ali en zijn kompanen er niet van om zich de nationale hulpbronnen toe te eigenen en het geld te spenderen in Frankrijk.

    Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn “echte hoofdstad”, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan

    Toen ik op een middag in de herfst van 2012 in Tunis uit het vliegtuig stapte, waren er vrijwel geen andere westerlingen te bekennen. Ik zag meteen dat alles was veranderd na mijn laatste bezoek in 2011. Ik had Tunis vanaf 2005 vrij vaak bezocht, maar sinds de revolutie was ik er niet meer geweest. De stad had nu een heel ander aanzien.

    Tijdens de korte rit van het vliegveld naar de stad zagen de buitenwijken er smeriger en vervallener uit dan tevoren. De meest in het oog lopende verandering in de stad was de afwezigheid van de enorme portretten van Ben Ali, die tot de revolutie langs elke hoofdstraat in en rond de stad hadden gestaan. Toen we het stadscentrum in reden, was er overal graffiti te zien, vaak in diverse talen, niet alleen het Arabisch; in de graffiti in het Engels, Frans en Spaans werd opgeroepen tot meer revolutie en de oorlog verklaard aan het Westen en iedereen die de islam haatte.

    Een paar dagen eerder was de Amerikaanse ambassade in Tunis belaagd en de American School in brand gestoken door een salafistische menigte die naar verluidt demonstreerde tegen de provocerende anti-islamitische film The Innocence of Muslims. Slechts een paar dagen hiervoor was de Amerikaanse ambassadeur in Libië vermoord door een jihadistische militie. De Amerikanen hadden in Tunesië al hun personeel en burgers weggehaald om de Tunesiërs duidelijk te maken dat ze niet gediend waren van agressie. De sfeer werd nog onbestendiger door de publicatie in Frankrijk van afbeeldingen van de Profeet in het satirische tijdschrift Charlie Hebdo. Toen de salafisten daarna met doodsbedreigingen kwamen, achtte de aanzienlijke populatie Fransen in Tunesië het verstandiger om niet meer de straat op te gaan en thuis te blijven.

    Bij mijn vorige bezoeken aan Tunis was het er steeds makkelijk werken geweest, vond ik; het was er veilig en alles was goed geregeld. Maar ondanks de schoonheid en ogenschijnlijke orde had het leven in Tunesië altijd een geheime en sinistere kant. Je had er niet te maken met het soort geweld en extremisme waardoor Algerije werd geteisterd, en de armoede was er minder schrijnend dan in Marokko. Desalniettemin deed Tunesië me denken aan mijn tijd in Roemenië begin jaren negentig, waar gewone mensen zelfs na de val van Ceausescu nog zo bang waren dat ze liever niet zeiden wat ze werkelijk dachten. De Roemenen noemden dit ‘zelfcensuur’ en zeiden dat het veel effectiever was dan de Securitate, de geheime politie. Bijna iedereen die ik voor de revolutie ontmoette in Tunesië, had zich deze gewoonte eigengemaakt. Het was een land waar je met niemand echt contact kon krijgen. De geheime politie was overal, luisterde overal mee en hield alles in de gaten. Maar feitelijk was hun werk overbodig, want de mensen durfden sowieso geen kritiek te leveren op de regering.

    Toen de journalist Christopher Hitchens in 2007 hier was om een stuk voor Vanity Fair te schrijven, noteerde hij dat zijn vriend Edward Said hem had verteld dat Tunesië het ‘aangenaamste land van Afrika’ was. Hij werd niet teleurgesteld: de elegantie van de avenue Habib Bourguiba, de verkeersslagader in Tunis, sprak hem zeer aan, en datzelfde gold voor de olijfgaarden en de adembenemende pracht van het eiland Djerba (waar in 2002 overigens negentien toeristen waren omgekomen bij een aanslag van Al-Qaida). Tunesië was in Hitchens’ ogen een ‘mild’ land, en hoewel hij vraagtekens had bij de twintig jaar dat Ben Ali aan de macht was, de alomtegenwoordigheid van diens portret en de onwil van de mensen om over politiek te praten, was het voor hem bemoedigend dat je er anticonceptiemiddelen kon krijgen, dat jonge men- sen elkaars hand vasthielden, dat er andere duidelijk zichtbare tekenen van ‘westerse waarden’ te bespeuren waren, en dat er onverschilligheid heerste ten aanzien van de puriteinse waarden van het islamisme. Dit was wat iedereen zag wanneer je voor het eerst in Tunesië was. Onder de oppervlakte telde de Tunesische werkelijkheid echter tal van wrange facetten die de psyche van de natie niet onberoerd lieten.

    Net als in Algerije en Marokko behoorden voetbalwedstrijden tot de schaarse gelegenheden waar je een glimp kon opvangen van de innerlijke woede van de Tunesiërs. In september 2008 zag ik hoe een groep van niet meer dan honderd fans van Espérance Sportive Tunis – de grootste club van het land – het in de achterafstraten rond place de Carthage en place de Barcelone opnam tegen de oproerpolitie. Wat vooral indruk op mij maakte, was dat de ‘hooligans’ behendig en goedgeorganiseerd te werk gingen – ze vormden een beweeglijke, voortdurende veranderende formatie, maar bleven desondanks een solide geheel. Ze sloegen ruiten stuk en trokken al schreeuwend door de stegen en straatjes. Ze hadden de situatie volledig onder controle en vonden het zo te zien prachtig om het gevecht aan te gaan met de voetsoldaten van het regime. Later sprak ik in bar Celestina, een met rook gevuld dranklokaal nabij het metrostation, met een aantal van hen. Ze maakten meteen al duidelijk dat ze niet vochten met fans van andere clubs, alleen met de politie, die de gewapende vleugel van de regering vormde. Niemand had het over Ben Ali, maar hij was uiteraard de grote vijand.

    En de andere grote vijand waren de Fransen. Tunesië was ten tijde van Ben Ali onofficieel Frankrijks meest begunstigde natie in de Maghreb. De banden tussen Ben Ali en een reeks Franse presidenten, van Mitterrand tot Chirac en Sarkozy, waren altijd stevig. Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn ‘echte hoofdstad’, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan. Ben Ali’s tweede vrouw Leila was lid van de Trabelsifamilie, een maffia-achtige organisatie met onderkomens in de duurste quartiers van Parijs en Nice die in Tunesië feitelijk de dienst uitmaakte als was het hun persoonlijke bezit. De Tunesiërs wisten dat de val van Ben Ali niet alleen was toe te schrijven aan de ideologische steriliteit van zijn regering, maar ook aan het feit dat op korte termijn aan het licht zou komen dat hij het land samen met de Trabelsi’s flink had geplunderd. Dat was de reden waarom hij zo snel Tunesië ontvluchtte.

    De rebellie duurde slechts vier weken. Maar het veranderde alles in Tunesië en de rest van de Arabische wereld: gewone mensen van Marokko tot Jemen raakten zo begeesterd dat ze hun angst opzijzetten en zich tegen hun leiders keerden. De meeste Tunesiërs, niet alleen de salafisten, voelen zich nu tweemaal verraden door Frankrijk, het land dat de politieke en culturele identiteit van Tunesië ruim een eeuw lang heeft gedomineerd en vormgegeven. Of ze nu wilden of niet, ze waren opgegroeid in de overtuiging dat Frankrijk hun moederland was, en dat de Fransen het beste met hen voorhadden. Nu was echter in de onstuimige tijd van de revolutie gebleken dat Frankrijk een cynische en corrupte vijand was.


    Op 14 oktober 2008 was er ’s avonds in het Stade de France een vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Tunesië. Sinds de rellen in Clichy-sous-Bois in 2005 waren wedstrijden tegen Noord-Afrikaanse teams aldoor een potentiële aanleiding geweest voor trammelant in Parijs. Niettemin werd Tunesië voor een minder instabiel en gevaarlijk land gehouden dan Marokko of Algerije en werden Tunesiërs in Parijs niet beschouwd als gangsters of islamitische radicalen. Maar om mogelijke spanningen weg te nemen hadden de autoriteiten besloten dat de elftallen voor aanvang door elkaar in de rij zouden gaan staan, en dat de ‘Marseillaise’ gezongen zou worden door Laam, een jonge r&b-zangeres van Frans-Tunesische komaf.

    Zodra Laam de microfoon oppakte, begon het gefluit, en algauw klonk het zo hard dat het van links naar rechts door het stadion galmde. De jonge vrouw keek om zich heen voor hulp, maar die bleef uit. Ze probeerde er ondanks de orkaan van herrie toch nog iets van terecht te brengen, maar het was hopeloos. Toen ze eindelijk klaar was, lachten de Tunesische fans en gaven ze elkaar high fives alsof ze met 3-0 voorstonden.

    ‘Waar kwam dat vandaan, die muur van haat?’ vroeg ik een Tunesische gozer naast me in de bar waar ik de wedstrijd bekeek. Hij glimlachte sullig en sloeg zijn laatste restje bier achterover: ‘Made in France!’

    Dit is een voorpublicatie uit De Franse intifada van Andrew Hussey, dat onlangs verscheen bij De Arbeiderspers.
    Vertaler: Jan Braks

    ISBN: 9789029510455
    Prijs: € 22,99

    schermafbeelding 2017 03 09 om 10 54 29
  • Franse rellen: in dertig jaar is er niets veranderd

    Franse rellen: in dertig jaar is er niets veranderd

    In 1990 vonden de eerste rellen plaats in de Parijse voorstad Aulnay-sous-Bois. Sindsdien zijn de sociale en institutionele problemen die de oorzaak waren van dit geweld niet afgenomen.

    Eind 1990, begin 1991 vonden in een tiental Franse voorsteden geweldsuitbarstingen plaats, van Lyon tot Parijs. Die boezemden destijds veel angst in, omdat ze werden geassocieerd met woorden als ‘drugs’, ‘getto’, ‘stedelijk geweld’ et cetera.

    De ontwikkelingen die zich dezer dagen voltrekken in Aulnay-sous-Bois in het departement Seine-Saint-Denis zijn hiervan een klassiek voorbeeld; ze herinneren ons er alleen maar aan dat we in 27 jaar niets hebben geleerd en dat er niets is veranderd aan de sociale en institutionele problemen waardoor dit soort geweldsuitbarstingen regelmatig wordt uitgelokt.

    Het gaat altijd op dezelfde manier: op een dag is het buitensporige politiegeweld de druppel die de emmer doet overlopen – de emmer waarin de rancune van een groot deel van de bewoners van arme wijken zich dag in dag uit heeft opgehoopt. De politie wordt enkele dagen lang de belichaming van alle kwaad. ’s Nachts organiseren de opstandelingen zich en komt het tot een treffen.

    De politie probeert de ‘leiders’ te arresteren om anderen te ontmoedigen. Meestal pakken ze alleen de jongsten op of degenen die het minst hard rennen. Nadat die voor het parket zijn gebracht, wordt er meestal snelrecht toegepast en krijgen ze een fikse gevangenisstraf die niet in verhouding staat tot wat ze hebben gedaan. Alsof bepaalde rechters zich in de collectieve emotie meer bekommeren om de openbare orde dan om individuele vrijheid.


    Een man met een brandende afvalcontainer tijdens de onlusten in Parijs. – © Getty
    Een man met een brandende afvalcontainer tijdens de onlusten in Parijs. – © Getty

    Dat deze ontwikkeling helaas niet de laatste is in een heel oude reeks, komt doordat geen enkele regering de elementen van het scenario de afgelopen 27 jaar heeft veranderd. De arme wijken zijn nog altijd arm. De miljarden die in het beton van de ‘stadsvernieuwing’ zijn gestoken hebben niets veranderd aan de dagelijkse problemen van de bewoners. Om te beginnen de werkloosheid, die in veel wijken ruim de helft van de jongeren onder de dertig treft. De crisis van 2008 heeft de problemen alleen nog maar verergerd, omdat de bewoners van deze ‘gevoelige stadswijken’ er het hardst door zijn geraakt.

    Ook is er niets veranderd aan de discriminatie waardoor een deel van onze medeburgers nog altijd moeilijk toegang krijgt tot werk, huisvesting, goederen en diensten. Alleen is de etnisch-raciale discriminatie voor een deel vervangen door discriminatie op grond van godsdienst, die vooral vrouwen met een hoofddoek treft. In deze wijken zijn gezinnen nog altijd even bang dat hun kinderen mislukken op school – en terecht, want de ongelijkheid op onderwijsgebied is nog altijd even groot. Op een school in een welgestelde buurt slaagt meer dan 95 procent voor zijn eindexamen; in de ‘gevoelige wijken’, een paar kilometer verderop, slaagt minder dan 50 procent van de kinderen.

    Ook de relatie met de politie is nog altijd even slecht. Er is in 27 jaar niets veranderd, ondanks de ontelbare waarschuwingen, rapporten en boeken die over dit onderwerp zijn gepubliceerd. Ten eerste omdat meer politie in de wijk, waar de bewoners zowel hier als elders op aandringen, een politiek taboe is geworden. In 2002 heeft een bekende politicus, die nu overigens wordt verdacht van ernstige zakelijke fraude [Nicolas Sarkozy], dit beleid in diskrediet gebracht. Zijn opvolgers bij het ministerie van Binnenlandse Zaken hebben zijn gebod tot het eind van de conservatieve regeringsperiode gerespecteerd. Toen in 2012 de socialist François Hollande aan de macht kwam, hoopte men op verandering, omdat meer politie in de wijken een van zijn verkiezingsbeloftes was. Die is helaas niet ingelost en snel begraven door de nieuwe bewoner van het ministerie op het Place Beauvau, Manuel Valls.

    Rellen dringen alleen door tot de media als beelden op de sociale netwerken de autoriteiten verhinderen de woede- en wanhoopskreten bijtijds te smoren

    Frankrijk heeft dus nog steeds geen nationale politie die in staat is wijkagenten aan te stellen die dagelijks patrouilleren, te voet of op de fiets, die bewoners, middenstanders en verenigingsbestuurders ontmoeten, informatie inwinnen, diensten verlenen, maar ook boetes uitdelen en wetsovertreders zo nodig aanhouden.
    Nee, de bewoners zien nog altijd auto’s passeren die nooit stoppen, behalve om een controle uit te voeren. Ze kennen alleen maar een interventiepolitie, gevormd door jonge rekruten van elders, die zich tijdens hun opleiding hebben bekwaamd in ‘interventietechnieken’ en strafwetsregels, maar niet in conflictbeheersing of menselijke betrekkingen. Jongeren die vaak met angst in hun buik naar wijken worden gestuurd waar ze alleen oog hebben voor het (vaak reële) gevaar en niet voor de burgers, en waar ze blindelings te werk gaan, zonder aanziens des persoons.

    Onder deze omstandigheden doen zich dagelijks incidenten voor, maar die interesseren meestal niemand. Ze dringen alleen door tot de media als ze uitzonderlijk ernstig zijn en als beelden op de sociale netwerken de autoriteiten verhinderen de woede- en wanhoopskreten bijtijds te smoren.

    Zolang thema’s als veiligheid en geweld in de wijken er alleen maar toe dienen om politici carrière te laten maken, zolang de noodzaak van openbare orde elke analyse het zwijgen oplegt, zolang de politie hetzelfde type agenten naar de wijken blijft sturen en zolang de bewoners van de arme wijken met dezelfde problemen blijven kampen, kunnen we met een gerust hart voorspellen dat Aulnay-sous-Bois nog heel wat navolging zal krijgen.

    Auteur: Laurent Mucchielli
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • De Amerikaanse voorstad gaat op de schop

    De Amerikaanse voorstad gaat op de schop

    Decennialang werden Amerikaanse buitenwijken volledig ingericht op de auto. Het resultaat: onbeheersbare files en een obesitasepidemie. Daarom gooien planologen nu het roer om.

    Stel, je woont in Prince George’s County, een district in de Amerikaanse staat Maryland, en je wilt een pak melk kopen. Ook voor zo’n eenvoudige boodschap moet je dan meestal in de auto stappen. Daar komt verandering in, als het aan de plaatselijke planologen ligt. Al jaren spelen zij met de gedachte gemeentes her in te richten, op zo’n manier dat inwoners een eenvoudige boodschap voortaan met de fiets of te voet kunnen doen. Dat zou de files flink terugdringen.

    Verkeersproblemen oplossen is echter niet de enige zorg van die planologen. Ze hebben ook oog voor de gezondheidsrisico’s van steden waarvan het uitgestrekte patroon helemaal op autogebruik is afgestemd.

    Bijna 70 procent van de volwassenen in Prince George’s County lijdt aan overgewicht. Er zijn weinig trottoirs en het voelt er op veel plekken te onveilig aan om te wandelen, te fietsen of buiten te spelen – door auto’s of door criminaliteit. De woon-werkafstand is gemiddeld een van de grootste in de regio rond Washington. Veel inwoners hebben dus weinig tijd om de hond uit te laten, en nog minder om naar een sportschool te gaan.

    Vorig jaar is de levensverwachting in de VS voor het eerst sinds 1993 gedaald

    In hun streven de volksgezondheid te verbeteren willen de ambtenaren van Prince George’s verder gaan dan verkeersbeperkende maatregelen invoeren. De bebouwde omgeving moet op de schop. Dat wil zeggen: de manier waarop gebouwen, straten en overige nieuwbouw worden ontwikkeld – en op welke plekken – moet anders.

    Een meer op gezondheid gerichte stedelijke planning is inmiddels bittere noodzaak in de Verenigde Staten. Het aantal kinderen en volwassenen met obesitas is explosief toegenomen, evenals type 2 diabetes, hart- en vaatziekten en andere aandoeningen die te maken hebben met overgewicht. Voorlichtingscampagnes en waarschuwingen van artsen hebben weinig uitgehaald. Vorig jaar is de levensverwachting in de VS voor het eerst sinds 1993 gedaald, deels als gevolg van hart- en vaatziekten, beroertes en diabetes. Dit staat allemaal in een onlangs vrijgegeven rapport van de federale overheid.

    En het gaat niet alleen om lichamelijke gezondheid. Het behoud van bomen en groene ruimtes lijkt cruciaal voor de geestelijke gezondheid van een gemeenschap. Uit recent onderzoek van de Stanford-universiteit blijkt dat tijd die je doorbrengt in de natuur zowel je humeur als je werkgeheugen kan stimuleren, en hersenactiviteit die samenhangt met depressie juist terugdringt. In voorsteden, waar garagedeuren veranda’s hebben vervangen, hunkeren sommige bewoners naar sociaal contact, zo zeggen deskundigen.

    Een parkeerplaats van een Walmart in Mount Prospect, Illinois. – © Tim Boyle / Getty
    Een parkeerplaats van een Walmart in Mount Prospect, Illinois. – © Tim Boyle / Getty

    ‘Mensen beginnen echt te begrijpen wat er mis is gegaan in de manier waarop we onze steden en voorsteden de afgelopen vijftig jaar hebben ingericht. Hoe we die helemaal hebben afgestemd op autogebruik,’ zegt Susan Powers, president van Urban Ventures, een bedrijf uit Denver dat in deze stad bezig is een grote, ‘gezondheidsgerichte’ gemeenschap van zo’n acht hectare op te richten.

    De gemeenschap, die al een aantal bewoners heeft, propageert ‘een gezonde levensstijl en simpeler wonen’, met tuinen, miniatuurparkjes en een netwerk van paden.
    Het verband tussen ruimtelijke ordening en volksgezondheid krijgt ook elders meer aandacht. Veel voorsteden streven naar herontwikkeling van hun verkeerscorridors: brede straten, geflankeerd door winkelcentra, tankstations en parkeerterreinen uit de jaren vijftig. Die op auto’s afgestemde inrichting blijkt gevaarlijk voor voetgangers en fietsers, aldus planologen, en is ook steeds minder van deze tijd: grote bevolkingsgroepen als millennials en babyboomers hebben een voorkeur voor compacter wonen, waarbij veel op loopafstand bereikbaar is.

    Die focus op gezondheid is een van de redenen dat er volgens planologen zo veel trottoirs worden verbreed, straatverlichting verbeterd, en wegen ‘afgeslankt’ door fietspaden en trottoirs aan te leggen.

    Verschuiving in het denken

    Het district Fairfax County, in het noorden van de staat Virginia, breidde zijn nieuwe economische ontwikkelingsplan onlangs uit met een paragraaf ‘gezonde leefomgeving’. Gloria Addo-Ayensu, directeur gezondheid van Fairfax: ‘De mensen beseffen het nog niet, maar ruimtelijke ordening, bestemmingsplannen, huisvestingsbeleid: ze vallen allemaal onder gezondheidsbeleid. Het is een verschuiving in het denken.’

    Gezondheidsambtenaren zeggen dat mensen braaf ja knikken als de dokter hun adviseert beter te eten en meer te bewegen, maar dat hier niets van terechtkomt als er geen goede supermarkt in de buurt is, en er geen veilige plekken zijn om te wandelen, te joggen en buiten te spelen.

    Xuemei Zhu, universitair hoofddocent architectuur aan de Texas A&M-universiteit, heeft studie gedaan naar de bewoners van Mueller, een op voetgangers ingestelde gemeente van zo’n 300 hectare die net buiten de stad Austin wordt gebouwd. Een verkennend onderzoek van Zhu en haar collega’s uit 2014 laat zien dat 65 procent van de inwoners van Mueller zegt er fysiek actiever te zijn geworden. De gezondheid van 48 procent zou naar eigen zeggen zijn verbeterd.

    In Montgomery County in Maryland zegt directeur planologie Gwen Wright dat het district streeft naar ‘10 minuten-wonen’, ofwel: de mogelijkheid kantoren, winkels, horeca en scholen te bereiken in een ‘uitnodigende’ wandeling van maximaal 10 minuten.

    ‘Volgens mij is het een kwestie van instelling,’ aldus Wright. ‘We moeten zeggen: Wij worden een gemeente waar je goed kunt wandelen en in de openbare ruimte kunt toeven, en waar mensen dat ook graag willen. Misschien kan niet iedereen drie keer per week sporten, maar we weten allemaal dat we meer zouden kunnen lopen.’

    Auteur: Katherine Shaver
    Vertaler: Carl Stellweg

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.