Tag: vooruitgang

  • Noord-Korea experimenteert met kapitalisme

    Noord-Korea experimenteert met kapitalisme

    Al jaren geleden werd in Noord-Korea een liberalisering van het economische systeem in gang gezet. Een journalist uit Hongkong ging ter plaatse kijken en gaf zich uit voor investeerder.

    Onder de grijze hemel strekt een vlak landschap zich tot in het oneindige uit. Een oude trein, afkomstig uit Dandong in de Chinese provincie Liaoning en met bestemming de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang, doorkruist het landschap onder het uitspuwen van rookpluimen.

    Het verstoort de rust van deze geïsoleerde plek. De wagon zit vol oude Chinezen die de Culturele Revolutie van 1966 tot 1976 nog hebben meegemaakt en die de afstand en de moeilijke reis trotseren om in Noord-Korea hun oude socialistische droom nieuw leven in te blazen.

    Dan komen er plotseling enkele vrouwen met gouden kettingen, met edelstenen bezette oorbellen en zijden blouses de coupé binnen. Vanwege hun reistassen van Hugo Boss en hun perfecte beheersing van het Mandarijn hield ik hen in eerste instantie voor Chinezen die een uitstapje maakten, maar vervolgens zag ik op hun borst een bordje gespeld met ‘Kim Il-sung, Kim Jong-il’, en dat verried hun identiteit. Een koude douche voor de groep oude Chinezen. ‘Voor nostalgie is geen plaats meer’, leek het verzorgde uiterlijk van deze Noord-Koreaanse vrouwen duidelijk te maken.

    Modelstad

    Het eerste halfjaar van 2018 was rijk aan opzienbarend nieuws op het Noord-Koreaanse schiereiland, maar nu was dan toch de tijd aangebroken voor de langverwachte opheffing van de sancties en de openstelling van het land. Een week voor de top tussen de Verenigde Staten en Noord-Korea begaf ik me naar vijf grote Noord-Koreaanse steden, waar ik me uitgaf voor investeerder.

    Gedurende deze dagen heb ik proefondervinderlijk kunnen vaststellen wat de deskundigen van internationale betrekkingen bedoelen als ze het hebben over de ‘risico’s’ (stroomuitval in het hotel, een geannuleerde vlucht…). Maar één ding blijft als een paal boven water: de Engelstalige boodschap van het ontvangstcomité: ‘We welcome foreign investment’.

    We vertrekken vanuit hotel Ryugyong.

    Deze piramidevormige wolkenkrabber van 105 verdiepingen in de wijk Potonggang van Pyongyang is onlangs op het elektriciteitsnet aangesloten – een hele gebeurtenis. Het is een prestigeproject dat een mooi beeld geeft van de staat van de Noord-Koreaanse economie. Het kostte niet minder dan dertig jaar om het hotel te bouwen; het werd ‘het langst durende bouwwerk uit de geschiedenis’ genoemd. De werkzaamheden lagen een tijdlang stil als gevolg van geldgebrek en diverse keren moesten delen weer worden gesloopt. Aan het interieur lijkt nog het een en ander te moeten gebeuren, maar de gevel kan als voltooid worden beschouwd.

    Als je naar een plattegrond van Pyongyang uit 2012 kijkt, ontbreken er drie verkeersaders: Changjon Street, Mirae Scientists Street (straat van de Toekomstige Wetenschappers) en Ryomyong Avenue. Deze straten zijn pas na 2012 aangelegd – overigens wel binnen een jaar, dankzij een mobilisatie van het leger. De ‘modelstad’ die Pyongyang is, blijft zich voortdurend vernieuwen: er worden nieuwe hotels gebouwd en andere gerenoveerd, en er worden nieuwe winkelcentra in gebruik genomen.

    Als de werkzaamheden zijn voltooid, hebben de rode slogans op een witte ondergrond van weleer dikwijls plaatsgemaakt voor in grijs graniet gegraveerde inscripties met een minder uitgesproken politieke connotatie. Het belang van de economie laat zich steeds sterker voelen en de skyline van Pyongyang blijft nauwelijks meer achter bij die van Hongkong.

    Duizenden Noord-Koreanen stromen toe voor de openingsceremonie van Ryomyong Street, een nieuw woongebied in Pyongyang met 5000 hypermoderne flats. – © Getty
    Duizenden Noord-Koreanen stromen toe voor de openingsceremonie van Ryomyong Street, een nieuw woongebied in Pyongyang met 5000 hypermoderne flats. – © Getty

    De ene wolkenkrabber na de andere schiet uit de grond, want volgens Noord-Koreakenners is Kim Jong-un commerciëler ingesteld en minder aan ideologie gehecht dan Kim Il-sung en Kim Jong-il, zijn grootvader en vader. Terwijl het land eerder voorrang gaf aan het leger en daarop mikte voor zijn ontwikkeling, heeft Kim Jong-un duidelijk te kennen gegeven dat hij ‘alle pijlen op de economie’ wil richten.

    Eerder al had de jonge leider in alle discretie enkele maatregelen genomen om de economie te liberaliseren, zoals het vaststellen van productiequota per huishouden, het toestaan dat landbouwers oogstoverschotten voor eigen gebruik behielden en het creëren van verscheidene speciale economische zones.

    Al moet de effectiviteit van deze maatregelen nog worden aangetoond, de inwoners van Pyongyang kunnen eindelijk op een andere manier door het leven. De mensen gaan niet langer gekleed in ‘de kleuren van het socialisme’ (zwart, wit, grijs of blauw) en de wachtkamer voor binnenlandse vluchten op Sunan International Airport biedt inmiddels een totaal andere aanblik dan die van uitgehongerde en sjofele Noord-Koreanen die ik had verwacht: de jonge moeders doen denken aan pas getrouwde Japanse vrouwen, met hun ton sur ton-outfits en hun westers geklede kinderen. Zelfs de ajumma (wat boerse vrouwen van middelbare leeftijd) pronken met tassen van Prada.

    Natuurlijk, het gaat hier maar om een minderheid van nieuwe rijken, maar in slechts zeven dagen heb ik kunnen constateren dat ook buiten de hoofdstad, zoals in Sinuiju, kinderen rondlopen op sneakers van Adidas. Zijn dat geïmporteerde producten die worden gedistribueerd door de staat? ‘Zeker niet, die hebben de mensen zelf gekocht’, zegt een inwoner. Het laat niet alleen zien dat ouders bereid zijn veel geld uit te geven voor hun kind, maar ook dat de Noord-Koreanen over talrijke kanalen beschikken om artikelen te kopen die zijn geïmporteerd.

    150 noord korea 1

    ‘Toen hij in 2011 zijn vader opvolgde als leider van Noord-Korea, kondigde Kim Jong-un niet aan dat hij het economische beleid van zijn land drastisch wilde veranderen. Dat beleid is in grote lijnen gehandhaafd, al zijn er onmiskenbaar veranderingen doorgevoerd’, meldt het Zuid-Koreaanse weekblad Sisa In. De Noord-Koreaanse economie zou langzaam gezonder worden, al ‘blijft het aandeel van de buitenlandse handel in de sterke ontwikkeling beperkt’.

    Er zijn verscheidene verklaringen gegeven voor deze verbetering: ‘Allereerst wordt op institutioneel niveau de vrije markt inmiddels getolereerd. Ook bemoedigend is dat de staat zijn investeringen heeft herverdeeld in het kader van een pragmatischere benadering, die voorrang geeft aan terreinen met een snel rendement. Bovendien heeft, naast de diversificatie van de in het land geproduceerde producten, de vooruitgang op het gebied van wetenschap en technologie positieve effecten, zoals de modernisering van talrijke sectoren.’

    Het blad licht toe: ‘Op de markten en in de winkels concurreren steeds meer lokaal gefabriceerde producten met producten die uit China zijn geïmporteerd. Apparaten waaraan nieuwe technologie te pas komt, hebben de wind mee dankzij de toegenomen welvaart van de beter gesitueerden, en de assemblage ervan vindt vaak plaats in het land zelf, met enkele geïmporteerde onderdelen.’ Ook op energiegebied zou de situatie sterk verbeteren, dankzij door de staat toegestane investeringen in de renovatie van hydro-elektrische en thermische centrales, evenals in duurzame energie.

    Volgens een andere inwoner kost een Adidas-outfit 200 dollar, ‘en dat kunnen de mensen nog betalen’. Al heeft de langdurige boycot verhinderd dat Noord-Korea veel buitenlands kapitaal kon aantrekken, toch is het land erin geslaagd talrijke buitenlandse producten naar zijn grondgebied te halen. Om de koopkracht van de Noord-Koreanen te meten is er geen betere maatstaf dan de spullen van Adidas.

    Wat het bruto binnenlands product per inwoner betreft, bevindt Noord-Korea zich op het niveau van Myanmar en Cambodja, de twee laatste landen met een autocratisch regime voordat ze hun handelsgrenzen opengooiden. ‘In 2017 bedroeg het gemiddelde jaarinkomen per inwoner 1500 dollar, maar volgens andere schattingen is dat 2000 à 3000 dollar’, zegt Rick Chu, de eerste academicus die onderwijs over Noord-Korea geeft in Taiwan.

    Volgens hem blijven de regionale verschillen groot en komt men, zodra men Pyongyang verlaat, in een andere wereld. Desondanks erkent de onderzoeker ‘dat de economische situatie van Noord-Korea de afgelopen zes jaar aanzienlijk is verbeterd’. Ik had nooit kunnen vermoeden dat ik zo veel dure merken (Gucci, Michael Kors, Louis Vuitton) zou tegenkomen tijdens mijn verblijf. In een kledingzaak aan Ryomyong Avenue telde ik een keur aan merken waarop de ‘buitenwereld’ jaloers kan zijn.

    Ook al gaat het bij deze merken veelal om fraaie kopieën, goedkopere luxeartikelen zijn volop aanwezig. De inwoners van de wijk, veelal docenten aan de Kim Il-sung-universiteit, zijn behoorlijk koopkrachtig. Volgens een inwoner die elke dag de winkels afgaat, ‘kun je beter iets kopen als je het ziet, want morgen is het er niet meer’. Je hoort geregeld dat Noord-Koreaanse vrouwen een voorkeur hebben voor Franse parfums en tassen van Hermès. Hier steken de mensen hun liefde voor dure merken niet onder stoelen of banken, al zijn die meestal nep. Als ik een tas van Hermès omdraai om de prijs te bekijken, lees ik ‘90 dollar’.

    Het is een beetje een déjà vu. ‘Noord-Korea doet denken aan China rond 1980’, zeggen veel analisten de laatste tijd, en ze constateren ‘een overdaad aan goede namaak’. In China konden maar weinig mensen in de jaren tachtig zich een echte Louis Vuitton veroorloven. Als het in een land dat economisch achterloopt beter begint te draaien, kunnen de burgers maar zelden echte producten betalen. Hoeveel Noord-Koreanen zouden deze ‘Hermès’ kunnen betalen als er twee nullen achter de prijs zouden staan? Het voorbeeld van China laat zien dat het tijd kost om consumenten van dure producten te kweken.

    Handelhausse

    Maar hoe heeft een land dat lange tijd onder een embargo gebukt is gegaan, zich zodanig kunnen ontwikkelen? Sinds 1995 publiceert Noord-Korea geen cijfers meer, maar Zuid-Korea maakt elk jaar een schatting. Daaruit blijkt dat Noord-Korea in 2016 een groei van 3,9 procent zou hebben gerealiseerd, de hoogste van de afgelopen zeventien jaar en hoger dan die van Zuid-Korea zelf.

    In feite is dit land ‘achter een ijzeren gordijn’ niet langer op zichzelf aangewezen: de handel met het buitenland beleeft een hausse en levert deviezen op. Noord-Korea exporteert voornamelijk wapens, drugs (met name heroïne) en steenkool. De wapens vinden vooral aftrek in Afrika, de andere twee producten in China. De lange duur van het embargo heeft de ‘immuniteit’ van Noord-Korea alleen maar versterkt, en de ‘Koreaanse rijkdom’ heeft zich steeds meer gediversifieerd.

    Het socialistische Noord-Korea kent allang geen planeconomie meer. ‘Rantsoenen zijn van twintig jaar geleden, alle mensen slaan hun slag op de zwarte markt’, legt een zekere meneer Kim me uit, rustig gezeten in zijn huis in Zuid-Korea. Ik interview hem via Skype over zijn leven in Noord-Korea, voordat hij de wijk nam naar het zuiden. Tijdens de grote hongersnood van de jaren negentig is het rantsoeneringssysteem bezweken: omdat de staat geen middelen meer had om in voedsel en andere basisbehoeften te voorzien, begonnen de mensen stiekem onderling handel te drijven.

    Volgens een enquête die de Nationale Universiteit in Seoul in 2015 hield onder Noord-Koreaanse vluchtelingen, kwam meer dan de helft van het voedsel in die tijd van de zwarte markt. Maar wat het meest opleverde, volgens meneer Kim, waren ‘drugs, artikelen voor dagelijks gebruik, Zuid-Koreaanse tv-series, usb-sticks en cd’s met K-pop’.

    Donju

    Deze zwarte markt heeft op een verkapte manier aan de wieg gestaan van de eerste generatie Noord-Koreaanse kapitalisten. Die maakten aanvankelijk naam met smokkelwaar, om vervolgens langzaam maar zeker geld te verdienen aan het doorverkopen van goederen. Tegelijkertijd werd hun handel steeds exclusiever, van eenvoudige zaken als mais tot bankbiljetten in buitenlandse valuta (deviezen).

    Twintig jaar later, na het vergaren van een flink fortuin, zijn ze ‘geldmeesters’ geworden, donju in het Koreaans. Ze vormen een opkomende kapitalistische klasse die zich vooral bezighoudt met grensoverschrijdende handel, bijvoorbeeld het samen met Chinezen exploiteren van mijnen, het met grote winstmarges exporteren van farmaceutische producten of thee naar Europa, of de handel in zeevruchten.

    De Noord-Koreaspecialist Andrej Lankov schat dat privéondernemingen 30 tot 50 procent bijdragen aan het Noord-Koreaanse bbp. Ook de gewone arbeiders profiteren van het nieuwe elan dat de donju aan de economie verlenen. De afgelopen tien jaar zijn de salarissen in de staatsbedrijven met meer dan 250 procent gestegen, en in de niet-officiële sector (zoals privéondernemingen) zelfs met 1200 procent. Dat schept nieuwe commerciële perspectieven voor de donju op de binnenlandse markt, met name voor consumptieartikelen van de lichte industrie.

    Noord-Korea is al lange tijd een geïndustrialiseerd land, maar voorheen waren politici geneigd voorrang te geven aan de zware industrie. Volgens de Duitse econoom Rüdiger Franck heeft Noord-Korea zijn lichte industrie herhaaldelijk opgeofferd aan de chemische en zware industrie. Vóór het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, aan het eind van de jaren tachtig, hielpen socialistische landen elkaar nog. Ook kon Noord-Korea, hoewel zijn lichte industrie niet in staat was aan de binnenlandse vraag te voldoen, kleding onder zijn inwoners distribueren, al was die qua snit niet bepaald origineel en qua kleur nog minder.

    De Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un opent Ryomyong Street. – © Getty
    De Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un opent Ryomyong Street. – © Getty

    Maar dat is allemaal verleden tijd. Als je over de grote avenues wandelt, zie je dat de Noord-Koreanen bijdetijds zijn geworden en liefhebbers van buitenlandse producten. Hoe komen ze daaraan? Via de vrije markt. De staat gedoogt dat mensen bedrijfjes beginnen, bijvoorbeeld een dameskledingwinkel. ‘Veel Noord-Koreaanse vrouwen zouden graag een winkel openen, maar ze laten zich vaak afschrikken door de administratieve rompslomp’, wordt me uitgelegd door een Noord-Koreaanse die vaak een handje helpt in dat soort winkeltjes.

    Talrijke plekken die onzichtbaar zijn voor de ogen van toeristen bruisen van de commerciële activiteit. Zo werd me in een wijk in de buurt van het Kim Il-sung-plein (die vanwege zijn vele wolkenkrabbers door buitenlandse inwoners ‘Pyongattan’ wordt genoemd, een samentrekking van Pyongyang en Manhattan) verteld dat een winkel daar zeer veel winst maakt met de verkoop van kleding van Uniqlo.

    Om succesvol te zijn in de verkoop van confectie in Noord-Korea, moet men twee belangrijke zaken in het oog houden. Ten eerste moeten de kleren voldoen aan de kledingregels: Noord-Koreaanse vrouwen dragen over het algemeen vrij elegante kleren die ze opluisteren met een broche. Ze dragen gewoonlijk jasjes die de armen bedekken en rokken die tot de knieën reiken. Strakke kleding is verboden, evenals kleding die lichaamsdelen bloot laat.

    In de tweede plaats verdient het aanbeveling om Japanse kleding te importeren, want als verstandige consumenten weten Noord-Koreanen dat die wereldwijd bekend staat om de kwaliteit.

    Ze mopperen over de Chinese producten van slechte kwaliteit die je aantreft op Taobao, de Chinese verkoopsite die tal van Noord-Koreanen hebben uitgeprobeerd.

    Europese producten daarentegen zijn te duur en hebben vaak een snit die niet beantwoordt aan de Noord-Koreaanse normen. Wel tref je artikelen aan van het Chinese merk Miniso, dat door sommigen in Hongkong wordt beschouwd als een illegale kopie van het Japanse Muji. Ze zijn erg gewild in Pyongyang, vooral bij de elite die zich de luxe kan permitteren, en worden veel verkocht door de winkels aan Ryomyong Avenue. Toch vertelde een vertegenwoordiger van het merk me dat het bedrijf geen filiaal in Noord-Korea heeft.

    De Chinezen hebben oog gekregen voor de enorme commerciële mogelijkheden die de stad biedt: ‘Je kunt een fortuin verdienen als je het goed aanpakt’

    Gezien de ontwikkeling die Noord-Korea doormaakt, is Pyongyang niet meer de enige bestemming waar de mensen naartoe stromen. Ze begeven zich ook naar Sinuiju, een stad die door zijn ligging in de buurt van het Chinese Dandong veelvuldig contact met Chinezen mogelijk maakt.

    Onder hun invloed hebben de mogelijkheden om via internet te communiceren zich vermenigvuldigd, en veel inwoners van Sinuiju zijn bekend met Taobao, het sociale netwerk WeChat en ‘Xi Dada’, zoals [de Chinese] president Xi Jinping wel in de volksmond heet. De Chinezen hebben oog gekregen voor de enorme commerciële mogelijkheden die de stad biedt: ‘Je kunt een fortuin verdienen als je het goed aanpakt’, vertrouwde een inwoner me toe. ‘Sinuiju is tamelijk vrij.’

    Hervormers

    De woorden ‘vrijheid’ en ‘kiezen’ maken steeds vaker deel uit van het dagelijkse spraakgebruik in Noord-Korea. In zijn boek See You Again in Pyongyang: A Journey into Kim Jong-un’s North Korea schrijft de Amerikaanse auteur Travis Jeppesen dat de donju een klasse vormen waarvan de regering niet op aan kan, omdat ze geen onvoorwaardelijke aanbidders van Kim Jong-un zijn en niet klakkeloos geloven wat de propaganda zegt.

    De hervormers zijn altijd bang geweest dat het ‘gif van het kapitalisme’ de Noord-Koreanen zal besmetten en tot oproer zal leiden. De term ‘donju’ heeft een zeer individualistische connotatie, die misplaatst lijkt in een land dat onbekend is met het begrip privébezit – maar geen enkele regel is heilig.

    De onroerendgoedsector beleeft inmiddels een ongekende bloei. Volgens Zuid-Koreaanse onderzoeksorganisaties geven verscheidene Noord-Koreaanse steden tot op zekere hoogte toestemming om onroerend goed in privébezit te nemen. Zo kent Pyongyang een regeling die transacties tussen particulieren toestaat. Ook Sinuiju en Nampo gedogen dat een deel van het bestand aan onroerend goed in privébezit overgaat.

    Maar laten we niet vergeten dat we in Noord-Korea zijn. ‘Natuurlijk, marktwerking wordt inmiddels oogluikend toegestaan, maar iedereen moet zich wel naar de staatsmarkt richten’, zegt de naar Zuid-Korea uitgeweken meneer Kim. De regering heeft privéhandel verboden; elke markt valt onder staatstoezicht, ‘zodat er belasting kan worden geheven’. De ‘onzichtbare hand’ begint zich te roeren in Noord-Korea, hetgeen Travis Jeppesen doet opmerken dat ‘als Noord-Korea een verdrag met de Verenigde Staten sluit, Kim Jong-un zelf misschien ook wel tot de gelederen van de donju zal toetreden’.

    Andrej Lankov op zijn beurt legt uit dat ‘privéondernemingen op zijn Noord-Koreaans ondernemingen in handen van de staat zijn, die worden geleid door iemand die een deel van de winst zelf mag houden en de rest moet afdragen aan de overheid’. Deze ondernemingen, die actief zijn in onroerend goed, de mijnbouw en zelfs het toerisme, werken geheel volgens een kapitalistisch model. Maar uiteindelijk heet de directeur… Kim Jong-un.

    CONTEXT: 1,46

    
… miljoen Zuid-Koreaanse won (ca. 1140 euro). Dit was het bruto nationaal product per inwoner van Noord-Korea in 2017, volgens berekeningen van de centrale bank van Zuid-Korea. Dat komt neer op 4,4 procent van de inkomsten per inwoner van Zuid-Korea.

    CONTEXT: Krimp

    In 2017 heeft de Noord-Koreaanse economie zwaar te lijden gehad onder de internationale sancties ten gevolge van de ballistische en nucleaire proeven van het land.

    Auteur: Lee Yun-yan

    Shun Po Monthly
    Hongkong | maandblad | monthly.hkej.com

    Het maandblad Shun Po (Hong Kong Economic Journal), dat sinds 1977 verschijnt, biedt lange reportages en onderzoeksartikelen op economisch gebied, maar ook over politiek, cultuur en maatschappij. Het richt zich voornamelijk op Hongkong en China, maar ook op de rest van de regio. Een deel van de artikelen is alleen toegankelijk via de website.

  • Iraanse wetenschap wil de wereld in

    Iraanse wetenschap wil de wereld in

    Iran heeft een ambitieuze jonge elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie van het land.

    Kon je het raam maar open gooien. De lucht is benauwd in de Iraanse hoofdstad, de straten zitten verstopt met oude rammelkasten. Hier en daar een hybride Lexus of een SUV van Duitse makelij die verbazend schadevrij door de drukte heen slalommen en toch de indruk wekken van een onbeholpen protest van de seculiere vooruitgang tegen de muffe lucht in het land van de religieuze deugdpolitie.

    In dit ronkende tumult, dat overdag veertien miljoen mensen omvat en ’s avonds, wanneer de forenzen weg zijn, inkrimpt tot acht miljoen, is alles voortdurend in beweging. Olie en gas, dat hoor en ruik je op elk straathoek, vormen de brandstof voor deze moloch. Zonder de fossiele energie was het organisme Iran allang uitgedroogd, daarin onderscheidt het zich niet van de buurlanden in het Midden-Oosten. 68 soorten mineralen en waardevolle metalen, koper, zink, ijzer, maar vooral de grootste gasreserves van de wereld en de op drie na grootste oliereserves, de grootste markt voor voertuigen in Voor-Azië, maar geopolitiek gezien toch ook een doodzieke patiënt.

    In isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed

    Iran was en is een land in isolement. Het conflict over atoomenergie en de jarenlange sancties tegen het land in de regeringsperiode van de Iraanse populist Mahmoud Ahmadinedjad hebben, tot het nucleaire verdrag met de ‘5+1 staten’ van twee jaar geleden, een politieke puinhoop achtergelaten die tot enige tijd geleden in elk geval op het gebied van de wetenschappen misschien alleen vergelijkbaar is met wat overtuigde pessimisten voorspellen voor de aartsvijand, de Verenigde Staten: isolationisme tot aan internationale marginalisering toe.

    Maar uitgerekend Iran, deze streng geïsoleerde chronische patiënt met zijn autoritair-religieuze bovenbouw, lijkt na de eerste aarzelende opening nu een supermagneet te worden voor een westers wetenschappelijk establishment. Er wordt wederzijds contact gezocht en afgetast. Zoals de Robert Bosch-Stiftung, die we bij hun aftastpogingen aan enkele van de grootste universiteiten van Teheran vergezelden. De Iraanse ‘onderzoekskracht’ waarvan de secretaris van de stichting, Joachim Rogall, vooral onder de indruk was, was tot dusver hoofdzakelijk opgevallen door de zeer getalenteerde studenten en ambitieuze doctorandi die hun heil vonden in Noord-Amerika.

    Maar ook Europa is al jaren een bestemming: alleen al de Max-Planck-Gesellschaft biedt momenteel werk aan ongeveer tweehonderd overwegend jonge Iraniërs. Het academisch milieu wordt in het algemeen gekenmerkt door de vele jongeren en vrouwen. Al onder het regime van Ahmadinedjad verdubbelde het aantal studenten binnen zeven jaar tot bijna vierenhalf miljoen, het aandeel van de vrouwen is net iets minder dan de helft. De explosieve groei van de wetenschap aan honderden openbare, private en religieuze universiteiten is het resultaat van de drang tot zelfbehoud in een rijk, maar politiek geïsoleerd land. Deze heeft een ambitieuze jonge elite voortgebracht die onmogelijk in haar geheel naar het buitenland kon emigreren – een elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie en de opening is de kans op vers bloed voor het zieke organisme.

    ‘Het venster gaat open’: met ongeveer deze woorden begroette Mahdi Jahangiri, een van de leidende figuren in de Iraanse Kamer van Koophandel en daar verantwoordelijk voor de hightechstrategie, de delegatie van de stichting. De Iraanse Kamer van Koophandel is het scharnier- en middelpunt geworden van een culturele en academische beweging die de weg naar buiten zoekt. De voortrekker daarvan is geen man, maar een vrouw: Ferial Mostofi. Een bekwame, doortastende zakenvrouw, een netwerkster die het wetenschappelijke potentieel wil benutten voor een economische ‘upgrade’ van het land: ‘Wij hebben het potentieel van een grote handelsnatie,’ zegt ze, en in de ‘strijd van de kennisgemeenschappen’ om de knapste koppen ziet ze haar land een vooraanstaande positie innemen. Als ze spreekt, klinkt dat oppervlakkig naar zelfpromotie, en ze springt even makkelijk om met statistieken en slogans over ‘investment service centers’, technologietransfers en ‘science & technology-parken’ als iedere westerse wetenschapsmanager. Maar ze weet ook: in isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed: ‘Wij hebben buitenlandse investeringen en samenwerkingsverbanden nodig.’

    De Robert Bosch Stiftung is echter niet naar Teheran gereisd om geld te brengen. ‘Wij dragen de naam van de firma Bosch, maar als onafhankelijke stichting kunnen we hooguit wegbereiders zijn, die dingen mogelijk maken,’ maakte Rogall duidelijk, nadat de ene jonge Iraanse ondernemer na de andere na afloop van zijn korte toespraak in de Kamer van Koophandel geïnformeerd had naar mogelijke directe investeringen uit Stuttgart. In drie jaar tijd is het aantal start-ups en spin-offs dat uit de kennispool van de Iraanse academies is voortgekomen gestegen van enkele tientallen tot meer dan drieduizend, en het aantal ‘science & technology-parken’ gegroeid tot bijna veertig. Overdracht van technologie geldt als de koninklijke weg naar welvaart, de universiteiten pronken met ondernemersstrategieën, maar men is vooral bang dat de technologische vooruitgang in het isolement op enig moment zal stagneren.

    Een robot op de 11e international Robo-Cup-competitie in Teheran, Iran. – © Fatemeh Bahrami / HH
    Een robot op de 11e international Robo-Cup-competitie in Teheran, Iran. – © Fatemeh Bahrami / HH

    Het wetenschapspark van de Universiteit van Teheran bijvoorbeeld, met meer dan 55.000 studenten de grootste van het land, beslaat al meer dan een half miljoen vierkante meter ten noorden van de hoofdstad. Maar voor Mahmoud Nili Ahmadabadi, de eerste democratisch gekozen president van een Iraanse universiteit, is het eigenlijke doel niet de vergroting van het universiteitsterrein, maar een uitbreiding naar het buitenland: ‘Samenwerkingsverbanden met het buitenland bestaan tot dusver helaas alleen op papier.’ Dat geldt niet alleen voor projecten, maar ook voor de uitwisseling van academici: van de buitenlandse studenten aan de Teheran Universiteit komen de meesten uit de buurlanden, uit Afghanistan en Pakistan bijvoorbeeld. Slechts enkelen uit Europa of Noord-Amerika. Volgens de voorzitter van het ingenieurscollege, Nasser Soltain, kan men aan zijn universiteit de gevolgen zien van het jarenlange isolationisme: ‘Wij moeten eerst weer gewend raken aan echte samenwerking,’ zegt hij, en hij rekent daarbij op Europa. De studenten zouden in contacten met Amerikaanse of Canadese professoren tot dusver veel sneller antwoorden en toezeggingen gekregen hebben. ‘Maar onze eerste keus was eigenlijk Europa.’

    De reden is eenvoudig: de meeste hoogbegaafde studenten en doctorandi die voor hun afstudeerprojecten naar Noord-Amerika zijn gegaan, zijn daar ook gebleven. De kans dat de begaafde jongeren weer terugkeren naar het land en meewerken aan de opbouw van Iran als wetenschapsnatie is duidelijk hoger na leerjaren in Europa.

    Ambitie

    Thomas Andersson, een Zweedse wetenschapper die onlangs een rapport heeft geschreven voor de Conferentie over Wereldhandel en Ontwikkeling van de Verenigde Naties, en die de weg naar Iran geëffend heeft voor de Bosch-Stiftung, is er zeker van: ‘Dit is de ideale tijd voor samenwerkingsverbanden met Europa.’ Het gaat beter, dat is duidelijk, maar zo ideaal is het toch ook weer niet, als je luistert naar jonge wetenschappers als de elektro-ingenieur Mahdi Pourfath, die vertelt over de moeilijkheid om middelen te verwerven voor Iraanse projecten: ‘Zolang we geen publicaties in Nature of Science kunnen overleggen, zijn wij oninteressant voor Europese geldschieters. En hier bijt de slang zich in de staart, want zonder die gelden kunnen we ook geen onderzoek afleveren dat voor zulke tijdschriften interessant is.’

    Bij elke ontmoeting bespeur je de ambitie om daar absoluut iets aan te veranderen. Het is voor de Iraanse elites niet meer voldoende nummer 1 in het Midden-Oosten te zijn wat betreft citaties in wetenschappelijke publicaties. Ze presenteren voortdurend internationale rankings die allemaal de academische opkomst aantonen – een bewijs van het eigen potentieel, maar ook van de worteling in het internationale wetenschapsbedrijf. Dat blijkt het duidelijkst bij het bezoek aan de Sharif-universiteit. Een universiteit die Andersson karakteriseert als de ‘talentsmederij van Voor-Azië’. Nummer 38 op de internationale ranglijst van citaties, een plaatsje onder de zon. Daar staan ze niet voor niets. Elk jaar zijn er meer dan honderd jonge geslaagden van de middelbare school die een zeer selectieve test doen om toegelaten te worden tot de Sharif-universiteit. 97 procent valt uiteindelijk af, een derde van de besten zijn jonge vrouwen, ook al ligt het zwaartepunt op het terrein van de technische disciplines – ingenieurstechniek, wiskunde, tot en met nanotechnologie (of juist daarom). Bijna alle leidinggevende professoren hebben aan een Amerikaanse of Europese elite-universiteit gewerkt. Velen brachten enige tijd door in Max Planck-instituten, bijna allemaal hebben ze nog contacten. Dat komt de citatieranking ten goede, en daarmee ook het aanzien, dat stijgt.

    Maar het is de president van de universiteit, Mahmoud Fotouhi, nog lang niet genoeg: ‘Wij willen studenten opleiden die bij ons carrière kunnen maken,’ zegt hij. De massieve toename van Iraanse doctoraal- en Ph.D.-diploma’s van minder dan 20.000 tot meer dan 73.000 in nog geen tien jaar is grotendeels terug te voeren op het stimuleren van elitevorming, zoals die aan de Sharif-universiteit al in de restrictieve periode van het Ahmadinedjad-regime werd bespoedigd.

    ‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis’

    Toch zijn de leidende figuren in de wetenschap niet langer tevreden met academische successen alleen. Ze willen hogerop. Daarbij worden ze ook aangedreven door een geïmporteerde promotiedwang die niet alleen de geleerde zou kunnen vleien, maar ook de machtige conservatieven in het land – vaak genoeg de spelbrekers op het gebied van cultuur. Graag wordt het bericht geciteerd van het McKinsey Global Institute van juni vorig jaar, waarin sprake is van de ‘eenmiljarddollar-kans’ voor Iran. Bedoeld worden de groeiprognoses van het land tot het jaar 2035 – bij een jaarlijkse economische groei van zes procent.

    Westerse bezoekers zijn minder verrast door dat getal dan door de conclusies die de Iraniërs eruit trekken. Die komen neer op een paradigmawisseling in de wetenschapspolitiek, als we de president van Sharif Fotouhi mogen geloven. Industriepartnerschappen tegen de klippen op. Met industriegelden, graag ook met zulke buitenlandse investeerders en intussen ook met Iraans durfkapitaal moet de weg worden vrijgemaakt voor het hightechland Iran. Men is van vijftig industrieprojecten aan de universiteit in 2010 in vijf jaar opgeklommen tot meer dan driehonderd. Aan de Sharif-universiteit heeft men daarvoor niet alleen een bijzondere plaats ingeruimd voor de klassieke technologieoverdracht, met alle marketing- en consultancybombarie die erbij hoort, ook een groep studenten, in meerderheid vrouwelijk, heeft zich blijkbaar een hoog aanzien verworven. Hun ‘Sharif-versneller’ moet partnerschappen en samenwerkingsverbanden bespoedigen, maar vooral goede ideeën stimuleren.

    Nanotechnici

    Elke start-up krijgt 20.000 dollar startkapitaal. Hoewel ze pas in 2014 begonnen zijn, hebben een paar van deze kleine ondernemingen het op de Iraanse markt gemaakt. Maar ze zijn niet allemaal zo succesvol als de afgestudeerden die de computeringenieur Hamid Rabiee presenteert: 500 publicaties en 20 technologiepatenten in vijf jaar, en daarbij 45 start-ups uit de ‘incubator’ met big data en cloudexperts, een eigen sociaal netwerk, een gezondheidscloud en spin-offbedrijven, waarvan de een of de ander jaarlijks tot 75 miljoen dollar omzet moet maken.

    Die bekwaamheid in zaken brengt ook de Raad van Wachters in het geweer. Toen de Iraanse regering een paar jaar geleden het ‘nanocouncil’ oprichtte, een nationaal stimuleringsprogramma, dat onlangs gevolgd werd door een programma voor hersenonderzoek ter waarde van 10 miljoen dollar en al snel uitgebreid kon worden met een biotechprogramma, telde men in het land 10 nano-onderzoekers met acht publicaties per jaar. Nu, tien jaar later, heeft Iran naar men zegt 20.000 nanotechnici, verdient het geld met 400 nanobedrijven, exporteert het naar zeventig landen en is het in de internationale ranking van het nano-onderzoek gestegen naar de zesde plaats.

    In het ministerie van Wetenschap heet het daarom officieel: ‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis.’ Zulke signalen komen aan. Helga Novotny, medeoprichtster en voormalige presidente van de Europese Onderzoeksraad, een van de vurigste pleitbezorgers van een vrije uitwisseling van wetenschappelijk onderzoek, die met de delegatie van de Bosch Stiftung is meegereisd naar Iran, ziet daarin ondanks al het Amerikaanse isolationisme en ondanks de Brexit een teken voor de toekomst: ‘De tijd is rijp om de internationale samenwerkingsverbanden opnieuw vorm te geven.’ Een opening zonder mitsen en maren? Een commentaar daarop van de religieuze hardliners in het centrum van Teheran was niet te krijgen.

    Auteur: Joachim Müller-Jung
    Vertaler: Piet Meeuse

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.