Klimaatactivisten dringen aan op verboden, marktfanatici begrijpen de grenzen van de planeet niet. Hoog tijd voor een derde weg, vindt deze journalist van Frankfurter Allgemeine Zeitung: het ecoliberalisme.
Wie zich rond de millenniumwisseling begon bezig te houden met de wereldwijde ecologische crisis, had niet kunnen vermoeden dat nu, twee decennia later, jongeren zich aan de weg vastplakken, schoolkinderen op vrijdag spijbelen en activisten kunstwerken ondergooien met aardappelsoep uit bezorgdheid over de planeet. Wat destijds een probleem in de verre toekomst leek, is nu een acute dreiging.
De debatten erover zijn echter zo warrig, zo versnipperd en worden tussen zo totaal verschillende kampen gevoerd dat je je afvraagt of de partijen het eigenlijk wel over hetzelfde hebben. Team-Geheelonthouding en Team-Technologie houden voortdurend elkaars tekortkomingen tegen het licht. Midden in de grootste energiecrisis sinds het midden van de jaren zeventig subsidieert de staat eerst tankstations om gedragsveranderingen uit te stellen tot de toekomst. Even later wil zij de installatie van nieuwe oliegestookte verwarmingsinstallaties verbieden. En er is een culturele strijd losgebarsten over het einde van verbrandingsmotoren in auto’s.
Het feit dat deze kwesties zo bitter worden uitgevochten, is het gevolg van volledig uiteenlopende visies op de wereldwijde milieucrisis en op wat geschikte instrumenten zijn om deze op te lossen. Velen die van het begin van de jaren zeventig de doctrine hebben omarmd dat de biosfeer door de menselijke activiteit tot een breekpunt wordt gedreven, zullen sympathieker staan tegenover strenge maatregelen. Voorstanders van vrijemarktoplossingen daarentegen onderschatten vaak de ernst van de overbelasting van natuurlijke putten van verontreinigende stoffen, zoals de atmosfeer en de oceanen. Milieuactivisten roepen om verboden, markteconomen bagatelliseren de milieuproblemen.
Toch zou het eigenlijk andersom moeten zijn. Want in theorie en praktijk is een marktgerichte benadering efficiënter, goedkoper en effectiever gebleken om de doelstellingen van het economisch beleid te bereiken. Het vrije spel van de markt is dus zeker wel verenigbaar met het stellen van ecologische grenzen. Maar op een andere manier dan velen tot nu toe voor ogen hadden. Het is dringend tijd om duurzaamheid vanuit vrijheid te realiseren.
Uitstervingen
In maart 2021 oordeelde het Bundesverfassungsgericht dat de Duitse politiek bij het klimaatbeleid alleen vrijheidsbeperkende maatregelen mag nemen als dat noodzakelijk is om de aarde te redden. Maar vrijheid is om nog een andere reden cruciaal: duurzaamheid werkt alleen als genoeg mensen eraan meewerken. Noch dirigisme, noch marktgerichte laissez-faire zullen dit bereiken. Veelbelovender is de filantropische stroming van het ecoliberalisme.
Nooit eerder in de menselijke geschiedenis moest een probleem zo groot als dat van de klimaatverandering in zo’n korte tijd worden opgelost. Om te begrijpen hoe ernstig het probleem is, is het de moeite waard om eens terug in de tijd te blikken, zoals ook de Amerikaanse wetenschapsjournalist Peter Brannen deed als onderzoek voor zijn boek The Ends of the World. Hij stelde zich ten doel om met de hulp van paleontologen op zoek te gaan naar de oorzaken van de vijf bekende massale uitstervingen van soorten op aarde in de afgelopen 445 miljoen jaar, van het uitsterven van de trilobieten tot en met het einde van de dinosauriërs in het Krijt.
Meer dan ooit begrijpen we dat overexploitatie van grondstoffen en overbelasting van de oceanen en de atmosfeer het goede leven op aarde bedreigen
Zijn bevindingen gaan radicaal in tegen een belangrijk argument van klimaatveranderingsontkenners. Zij beweren dat klimaatverandering altijd heeft bestaan en daarom niet zo erg is. Het klopt dat het klimaat ook in het verleden is veranderd. Maar dat heeft wel vijf keer het gevolg gehad dat er nauwelijks nog leven op aarde overbleef. Brannen concludeert dat bij elk van de vijf massa-extincties een verstoring van de tot dan toe bestaande koolstof-zuurstofkringloop een zeer grote rol heeft gespeeld, zo niet de doorslag heeft gegeven.
De mensheid kon haar welvaart pas exponentieel vergroten toen ze manieren vond om de fossiele brandstoffen in de aardkorst te benutten. Zij zijn de sleutel tot de huidige bloei en tegelijkertijd het potentiële einde ervan. In korte tijd zijn zo veel van deze miljoenen jaren oude planten- en dierenresten verbrand dat nu een CO2-niveau in de atmosfeer is bereikt vergelijkbaar met dat vóór de vijf grote aardhistorische rampen.
Hier komen de belangen van paleontologen, klimaatwetenschappers en economen op een productieve manier bij elkaar. De een erkent en definieert ecologische grenzen. De anderen vinden manieren om ze op een zinvolle manier na te leven. Met meer kennis dan begin jaren zeventig kunnen begrijpen we nu waarvoor onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) waarschuwden in hun sensationele rapport The Limits to Growth dat gericht was aan de Club van Rome: dat overexploitatie van grondstoffen en overbelasting van de oceanen en de atmosfeer het goede leven op aarde bedreigen. Wanneer de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering aanbeveelt de CO2-uitstoot tegen het midden van de eeuw tot nul te reduceren en staten zich daartoe laten verbinden, is dat een erkenning van een stelling die al veel te lang wordt betwist: de biofysische grenzen zijn bereikt.
Degrowth
Dat één onderzoeksgebied zich al ruim vijftig jaar bezighoudt met alle oorzaken en gevolgen van deze erkenning en toch nog een schimmig bestaan leidt, kan nauwelijks anders verklaard worden dan door de bekrompenheid van anderen. De ecologische economen rond Nicholas Georgescu-Roegen, Kenneth Boulding en Herman Daly waren er vroeg bij om ons te herinneren aan de materiële basis van economische activiteit. Door concepten van de thermodynamica op te nemen in de economische analyse konden zij aantonen hoe gevaarlijk onomkeerbare schade aan de planeet is.
Zij stelden hun discipline open voor wetenschappelijke kennis en kregen een duidelijker beeld van de aanpak van de ecologische crisis. Ze zijn de enigen in de economie die consequent de biofysische grenzen hebben erkend als een beperking van de economische ontwikkelingsmogelijkheden. Dit heeft ervoor gezorgd dat ze nu aansluiting kunnen vinden bij klimaatwetenschappers, die deze grenzen vanuit een andere invalshoek benaderden.
Ook al hebben sommige deskundigen geflirt met het idee van een selectieve inkrimping van de economie (‘degrowth’), de meerderheid van de ecologische economen is stevig verankerd in de vrijemarkttraditie van Adam Smith via David Ricardo tot John Stuart Mill. Hun voorwerk vormt ook de basis van de socialemarkteconomie die in Duitsland zo succesvol is geweest. In het tijdperk van biodiversiteit en klimaatcrises moet dit echter een orde zijn die biofysische grenzen respecteert. Want zonder begrenzing kunnen de temperatuurstijging en het uitsterven van soorten niet worden gestopt.
In het ecoliberalisme is emissiehandel een goed instrument om vervuilende stoffen te beperken
Daarom is er in deze onderzoekslijn veel sympathie voor een ‘cap and trade’-systeem, zoals dat in Europa is ingevoerd met de CO2-emissiehandel. Dit stelt een fysieke limiet aan de uitstoot van koolstofdioxidel; in de huidige concentraties een natuurlijke maar gevaarlijke vervuilende stof. Van handelsperiode tot handelsperiode worden de emissierechten verminderd, tot ze in 2050 tot de nul zijn teruggebracht. Dan zal de prijs van de CO2-uitstoot onbetaalbaar zijn en zal de uitstoot binnen de industrie, de energieproductie, het vervoer en de verwarming illegaal zijn. In het ecoliberalisme is emissiehandel een goed instrument om vervuilende stoffen te beperken. De staat stelt harde grenzen aan het gebruik, maar laat het aan de handelende personen en instellingen over om te beslissen hoe ze zich daaraan houden.
Wie de huidige discussies over verbrandingsmotoren, olieverwarming en vleesconsumptie volgt, vindt daarin slechts een rudimentaire versie van dit idee terug. Bijna niemand houdt rekening met de ernstige veranderingen waartoe een CO2-prijs in combinatie met de handel in emissierechten zal leiden. Om te zien wat klimaatneutraliteit in het dagelijks leven betekent, loont het te experimenteren met de online calculators van het Federaal Milieuagentschap en het Wuppertal Instituut voor Klimaat, Milieu en Energie. Vandaag bedraagt de gemiddelde uitstoot van broeikasgassen per inwoner in Duitsland elf ton, als de invoer wordt meegerekend. In slechts zeventwintig jaar moet de genoemde waarde van de grondstof die het meest cruciaal is voor onze welvaart, dalen tot nul ton.
Om in zo’n korte tijd een volledige decarbonisatie te bereiken, zijn noch technische vooruitgang noch geheelonthouding voldoende. Als we de klimaatverandering met succes willen bestrijden, hebben we beide nodig, een mix van strategieën: minder gemotoriseerd particulier vervoer (onthouding), betere verwarmingssystemen en woningisolatie (vooruitgang), een ander dieet (onthouding), hernieuwbare energie in intelligente netwerken (vooruitgang).
John Stuart Mill
Het ecoliberalisme heeft een aantal voorvaders van wie we veel kunnen leren over de aanpak van klimaatverandering. John Stuart Mill veredelde de klassieke economische theorie in het midden van de negentiende eeuw. Hij volgde Adam Smith op, die eigenbelang beschouwde als de motor van economische ontwikkeling, maar als moraaltheoloog ethische deugden eiste van de mens. Mill was een vroege ecoloog. Hij onderkende het gevaar dat economische activiteit de natuur zou kunnen vernietigen. Hij geloofde in een stabiele toestand zonder verdere groei – ergens in de toekomst, na een lang proces van vooruitgang. Daarmee voorzag hij wat ons zou kunnen overkomen als het ecoliberalisme met harde ecolimieten wordt doorgevoerd. Het is onduidelijk wat er dan met de groei zal gebeuren. Die kan tot stilstand komen, of losgekoppeld worden van de milieuconsumptie. Op Smith en Mill volgde de Oostenrijkse Friedrich August von Hayek, die in Der Weg zur Knechtschaft van begin jaren veertig afstand nam van de toen wijdverbreide socialistische ideeën over de juiste aanpak.
Hij maakte duidelijk dat een economie waarin de gedecentraliseerde kennis van alle marktdeelnemers is verwerkt, veel innovatiever is dan een centraal geplande economie. Bureaucraten konden nooit beter dan de uit alle informatie afgeleide prijs weten welke kant een ontwikkeling op ging. Dat dit in zijn tijd niet ter harte werd genomen, was voor Hayek een bewijs van de arrogantie van geleerden.
Naar aanleiding van het besluit van EU-parlementariërs over wanneer verbrandingsmotoren of kolencentrales moeten worden afgebouwd, is het de moeite waard Hayek nog eens aan te halen. Vanuit thermodynamisch oogpunt is er veel voor te zeggen dat elektrische auto’s technisch efficiënter zijn dan auto’s die op e-brandstoffen rijden. Maar zou het niet beter zijn om door middel van een bindend reductiepad een grens te stellen voor het Europese verkeer en autofabrikanten vrij te laten om te beslissen of zij zich dure experimenten met waterstof en synthetische brandstoffen op andere continenten willen veroorloven? Wie weet of de investering van een fabrikant zal leiden tot de uitvinding van een processtap die de technologie vooruitbrengt.
De derde ecoliberale pionier die moet worden genoemd is de Indiase econoom en filosoof Amartya Sen. Hij heeft een complex concept van vrijheid geschetst dat veel verder gaat dan de opvatting dat mensen helemaal vrij moeten zijn om te bepalen wat ze willen consumeren. In enkele zeer scherpzinnige lezingen en essays heeft Sen duidelijk gemaakt dat de mens alleen in harmonie met de natuur kan leven als hij zijn eigen behoeften niet centraal stelt in alle overwegingen – zoals de economische wetenschappen vaak meer normatief dan descriptief doen.
Alternatieven
Er zijn veel hindernissen op de weg naar een functionerend ecoliberalisme. Bijvoorbeeld de toenemende spanningen tussen sociale kampen, die worden aangewakkerd door de sociale media. In het regelgevingsvacuüm dat er nog altijd is, wordt de politiek vervangen door morele terechtwijzingen: individuele groepen beschuldigen anderen van hun nalatigheid ten aanzien van duurzaamheid. Tegelijkertijd mogen we bij de poging om vanuit vrijheid een concept van duurzaamheid te vinden niet opnieuw de fout maken die veel politici de afgelopen decennia maakten: doen alsof er geen alternatieven zijn. Natuurlijk is het spectrum breed. Het loopt vanaf het model van een aan de ecologische behoeften aangepaste oorlogseconomie, voorgesteld door de bestsellerauteur Ulrike Herrmann, tot en met een ecoliberale benadering met verantwoordelijke consumenten die ook zonder regelgeving wel beseffen wat er aan de hand is.
Het ecoliberalisme heeft als voordeel dat het aantrekkelijker is dan deze alternatieven. Met het beprijzen van ecosysteemdiensten biedt het een aanpak om de dreigende uitsterving van soorten een halt toe te roepen. Het is verenigbaar met ideeën zoals de Transition Towns, die al twee decennia lang een grondstofbesparende levensstijl met sterke regionale netwerken uitproberen om indien mogelijk te leven alsof er geen olie meer beschikbaar zou zijn op aarde. En het laat ruimte om te zoeken naar de beste duurzame oplossingen voor die plaatsen waar mensen het meest geconfronteerd worden met de gevolgen ervan en erover kunnen meepraten: in hun eigen stad, in hun eigen dorp.
De mens moet zijn onverzadigbare honger naar meer laten varen en de weg terugvinden naar de matigheid
Kenneth Boulding, pionier van de ecologische economie, schetste ooit hoe groot de opgave van de omslag in duurzaamheid is: gedurende honderdduizend jaar, en vooral in de afgelopen tienduizend jaar, heeft de mensheid eigenschappen ontwikkeld die nodig waren om hem te ondersteunen in zijn expansie. Nu loopt het tijdperk van expansie echter ten einde. Daarom moeten zo snel mogelijk nieuwe instellingen en ideeën worden ontwikkeld.
Of, om de woorden te gebruiken van twee andere pioniers van deze onderzoekstroming, de Heidelbergse economen Malte Faber en Reiner Manstetten: de mens moet zijn onverzadigbare honger naar meer laten varen en de weg terugvinden naar de matigheid. Dit is het laatste ontbrekende stukje van de puzzel voor duurzaamheid vanuit vrijheid. De mens moet laten zien dat hij de fundamenten van het leven op aarde wil beschermen en zijn economisch gedrag vrijwillig aan de regel van matigheid onderwerpen. Een indicator voor deze matigheid is de ecologische voetafdruk. Naast de politiek draagt ieder individu daarvoor verantwoordelijkheid.
Lees ook:




