Tag: Wang

  • Dit is de man naar wie Xi Jinping luistert

    Dit is de man naar wie Xi Jinping luistert

    Xia Ming, hoogleraar politieke wetenschappen in New York, schetst een portret van zijn voormalige studiegenoot Wang Huning, de belangrijkste adviseur van de Chinese president.

    Hij heeft zich weten te onderscheiden in een vijver van 1,4 miljard mensen, en dat verdient op zichzelf al respect! Of je nu met de prins of de tijger optrekt, het is één pot nat. Wang Huning heeft zich aangepast aan de politieke zeden van Zhongnanhai, de zetel van de Chinese regering, om er drie generaties monarchen te dienen. Dankzij zijn grote kennis van het raderwerk van de staat is hij steeds verder opgeklommen, een onmiskenbaar teken van zijn opmerkelijke intellectuele en emotionele kwaliteiten. Maar weinig mensen zullen die kwaliteiten betwisten: hij is een innemende man die in staat is om een missie tot een goed einde te brengen en problemen op te lossen, en hij loopt niet met zijn talenten te koop. Toch gaan we hier proberen zijn profiel wat verder uit te diepen.

    Ik heb Wang Huning veelvuldig meegemaakt tussen 1981 en 1991 op de faculteit voor Internationale politiek van de Fudan-universiteit in Shanghai. In die tijd verkeerde hij nog niet in de hoogste kringen, zodat het mogelijk was zijn ware gezicht en zijn werkelijke karakter te zien. En ook al heb ik een jaar of twintig geen direct contact meer met hem gehad, ook daarna heb ik zijn levensloop kunnen volgen aangezien onderzoek naar de Chinese politiek mijn vakgebied is.

    Hervormingstendensen

    We zaten op dezelfde faculteit en woonden beiden in gebouw nr. 7 op de campus van Fudan. In 1981, toen ik aan mijn bachelor begon, was Wang, die tien jaar ouder is dan ik, bezig met zijn master. Na zijn afstuderen werd hij docent op Fudan en in het studiejaar 1982-1983 heb ik colleges geschiedenis van het westerse politieke denken bij hem gevolgd. In die tijd volgde hij als docent nog het voetspoor van zijn eigen leermeester Chen Qiren, hoogleraar politieke economie en een orthodoxe marxistisch leninist.

    Maar naarmate de belangstelling voor het westerse denken en de hang naar politieke hervormingen toenamen, wist Wang Huning zijn vergelijkend onderzoek naar politieke regimes steeds verder uit te breiden. In de jaren tachtig kwamen onze interessesferen dichter bij elkaar te liggen. Hij en mijn scriptiebegeleider waren in 1987 samen verantwoordelijk voor het ‘Politieke verslag van het dertiende Partijcongres van de Communistische Partij van China’. De tekst van Wang is getiteld ‘Scheiding van partij en staat’ en ik heb meegeschreven aan het hoofdstuk ‘Deconcentratie van machten’, twee typerende thema’s voor de hervormingstendensen in de jaren tachtig, waartoe Deng Xiaoping in 1979 de aanzet had gegeven.

    We zijn allebei in 1984 lid geworden van de Communistische Partij van China en ik heb lange tijd tot dezelfde cel behoord als hij. Onze werkkamers waren trouwens maar een paar stappen van elkaar verwijderd. Tijdens mijn master hebben we vaak samengewerkt; ik heb bijvoorbeeld meegewerkt aan de redactie van enkele van zijn boeken, waaronder aan Fubai he fan fubai (‘Corruptie en strijd tegen corruptie’).

    Maar in 1989 werden we ongewild tegenstanders. In februari van dat jaar liet de universiteit haar studenten ‘de beste jonge docent’ kiezen, en ik eindigde volgens een van mijn studenten, de vicevoorzitter van de studentenvereniging, op de eerste plaats. Maar als gevolg van een ‘democratische centralisering’ van de uitslagen, een ironische verwijzing naar de handelwijze van de Communistische Partij, was het Wang Huning die won. Kort daarna spatte de democratische studentenbeweging van 1989, bekend van het bloedig onderdrukte Tiananmenprotest, uit elkaar.
    Wang had zonder aarzelen de kant van Partij en regering gekozen, terwijl ik de kant van de studenten koos. Van toen af aan hebben onze wegen zich gescheiden. Na deze gebeurtenissen besloot ik naar de Verenigde Staten te gaan om te promoveren, terwijl Wang aan zijn beklimming van de machtsladder begon.

    President Xi Jinping in de Grote Volkszaal in Beijing met zijn gevolg: premier Li Keqiang (r), Li Zhanshu (l) en Wang Huning. – © AP
    President Xi Jinping in de Grote Volkszaal in Beijing met zijn gevolg: premier Li Keqiang (r), Li Zhanshu (l) en Wang Huning. – © AP

    In de ogen van de meeste mensen is Wang Huning een gevierde geleerde, maar in werkelijkheid draagt hij de littekens van zijn tijd met zich mee. Hij heeft proefschriften begeleid, maar zelf heeft hij nooit een bachelor gedaan en is hij nooit gepromoveerd [zie de bio onder aan de tekst].
    Omdat Wang Huning geen klassieke opleiding heeft genoten, vertoont zijn onderzoek grote methodologische tekortkomingen en een gebrek aan conceptualisering. Wanneer hij bijvoorbeeld een historische ‘balans’ opmaakt van de corruptie in China, volstaat hij met een gedetailleerde en subjectieve beschrijving, zonder zich ooit (of vrijwel nooit) in oorzaak en gevolg te verdiepen. Dat heeft hem 
uiteindelijk vatbaar gemaakt voor de 
theorieën van de Chinese ‘nationale specificiteit’, al in zwang sinds het begin van de eenentwintigste eeuw, 
en van het ‘cultuurrelativisme’.

    Desondanks heeft Wang Huning ontdekt hoe hij moet slagen. In zijn boek over corruptie onderkent hij de ‘alomvattende, allesoverheersende aard van de Chinese overheid’, die systematisch tot uitdrukking komt op elke positie binnen een complex hiërarchisch systeem. Gedurende zijn hele carrière heeft hij zijn ellebogen gebruikt om een begeerde positie te bereiken, om vervolgens de aan die positie verbonden voordelen te monopoliseren en de weg naar een nog hogere functie te vinden.

    In 1986, toen hij betrokken werd bij het schrijven van het politieke verslag van het dertiende Partijcongres, begon Wang Huning een sterke neiging tot “neo-autoritarisme” te vertonen

    Wang is een typische apparatsjik. Hij is geboren in Shanghai in een familie van middelhoge ambtenaren en trouwde met een van zijn medestudenten, Zhou Qi, wier vader hoogleraar-onderzoeker was aan het Instituut voor Contemporain Internationaal Onderzoek in Beijing. Daarna begon een carrière die nauw verbonden was met het Partijapparaat.

    Begin jaren tachtig behoorden de briljantste jonge onderzoekers op de campus van Fudan bijna allemaal tot het liberale kamp, dat economische en sociale hervormingen voorstond, en in mindere mate politieke hervormingen. Maar nadat tijdens een seminar van de filosofische faculteit van Fudan het marxistisch leninisme ter discussie was gesteld, werden ze het doelwit van een ‘campagne tegen geestelijke vervuiling’ die werd gelanceerd in 1983.

    Toen Wang Huning in 1984 lid werd van de Partij, werd Wang Bangguo, hoofd van het onderzoekslaboratorium en de politicologische faculteit van Fudan, zijn mentor, met de bedoeling het liberale tij te keren. Met steun van hogerhand maakt Wang Huning daarna een bliksemcarrière. Hij werd de jongste universitair hoofddocent van Fudan. Dat was slechts de voorbode van talrijke andere roemrijke titels. Volgens sommigen is hij ‘gesmeed door de Partij’. Waarschijnlijk is in elk geval dat hij in die tijd de aandacht trok van Zeng Qinghong, destijds adviseur van Jiang Zemin in het stadhuis van Shanghai.

    In 1986, toen hij betrokken werd bij het schrijven van het politieke verslag van het dertiende Partijcongres, begon Wang Huning een sterke neiging tot ‘neo-autoritarisme’ te vertonen, een stroming die zowel economisch liberalisme als een moderne dictatoriale macht voorstond en het liberaal-democratische gedachtegoed een halt wilde toeroepen. Toen de democratische beweging in 1989 uit elkaar spatte, nam hij het op voor Jiang Zemin, die door de liberale intellectuelen werd bekritiseerd omdat hij in mei van dat jaar de Shijie Jingji Daobao (World Economic Herald) had gesloten, een van de eerste liberale kranten van China, met als motief dat deze de democratische beweging ‘begunstigd’ zou hebben. Na het bloedbad van 4 juni 1989 op het Tiananmenplein in Beijing is het aantal liberalen in universitaire en politieke kringen in China vrijwel gedecimeerd, door middel van repressie of verbanning.

    Chinese Hegel

    Voor een vertegenwoordiger van het neo-autoritarisme als Wang Huning openden zich nieuwe horizonten. Hij werd de architect en goochelaar van een steeds reactionairder politiek regime.

    Wang was tamelijk sterk beïnvloed door het marxistisch leninisme en andere Europese politieke theorieën. Ik herinner me dat in zijn colleges over de geschiedenis van het westerse politieke denken zijn bewondering voor Plato doorklonk, de ‘koning van de filosofie’, en voor boeken als De vorst van Niccolò Machiavelli en Leviathan van Thomas Hobbes. Zijn masterscriptie ging over nationale soevereiniteit, een geliefd onderwerp van de Franse politiek filosoof Jean Bodin (1529-1596), die manieren bestudeerde om de koning te helpen zijn absolute macht te consolideren en een eind te maken aan het feodalisme van de middeleeuwen.

    Hij was in zekere zin een Chinese Hegel, die het bestaan van een dictatoriaal regime verdedigde en van mening was dat ‘de staat zijn bestaan dankt aan de komst van God naar de wereld’ (Hegel, Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie, 1820). Maar hij was ook een Chinese Heidegger, de beroemde filosoof die 
de denker van het fascistische regime werd. En als je in het politieke verslag van het negentiende Congres van de Communistische Partij van China, gepubliceerd in november 2017, de 
passage over de grote strijd, de grote werken en de grote dromen leest, te verwezenlijken door de Partij, moet je onwillekeurig ook aan een andere Duitse nazifilosoof denken, Carl Schmitt (1888-1985), voor wie ‘het specifieke politieke onderscheid het verschil tussen vriend en vijand is’. Met andere woorden, het belangrijkste van alles is om te weten wie er aan jouw kant staat en wie tot degenen behoort die bestreden moeten worden. Zonder deze potentieel dodelijke strijd zou de politiek niets voorstellen.

    Het is niet zo abnormaal om te denken dat de weg naar “een sterk leger voor een sterk land” uiteindelijk tot hetzelfde historische lot zullen leiden dat Duitsland en Japan was beschoren

    In zijn boek Meiguo fandui meiguo (Amerika tegen Amerika) uit 1991 poneert Wang Huning duidelijk voor welke uitdaging Azië naar zijn idee staat: dat Japan, het Land van de Rijzende Zon, de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog zware militaire klappen heeft toegebracht, en zware economische klappen in de jaren tachtig van de vorige eeuw, komt volgens hem doordat het individualisme, het hedonisme en de democratie zijn overwonnen door collectivisme, zelfopoffering en autoritarisme. Ziedaar de waarden 
en de historische ontknoping van de droom van een ‘rood Rijk van de Rijzende Zon’ dat hij samen met Xi Jinping wil realiseren.

    Momenteel is het niet zo abnormaal om te denken dat de weg naar ‘een sterk leger voor een sterk land’, waarvoor het politieke verslag van het negentiende Congres onder de bezielende leiding van Wang Huning pleit, en het idee dat ‘de Partij almachtig is in het hele land’, uiteindelijk tot hetzelfde historische lot zullen leiden dat Duitsland en Japan was beschoren. Toch schrijft Wang Huning in zijn boek Zhengzhi di rensheng (Een politiek leven) uit 1994: ‘Het is verschrikkelijk dat wij meestal niet in staat zijn lering te trekken uit de gruwelen van het verleden.’ Volgens sommigen is Wang Huning het prototype van een geleerde in regeringskringen die liever in de schaduw vertoeft. Hij heeft misschien ongefundeerde verwachtingen gewekt, maar hij heeft zich nooit de ideeën van Socrates toegeëigend, die een ‘paardenvlieg voor Athene’ wilde zijn en een ‘wereldburger’ (Plato, Apologie van Socrates). Zijn kritische geest is slechts op één ding gericht: het door het slijk halen van de westerse mogendheden. Wellicht zal hij er ooit in slagen herboren te worden en zichzelf te overstijgen door een eind te maken aan de symbiotische relatie die hij met de totalitaire machthebbers onderhoudt en China in een meer liberale en democratische richting kunnen stuwen.

    Toen ik in 1991 toestemming vroeg om Fudan te verlaten en in de Verenigde Staten te gaan studeren, zei Wang Huning me drie dingen: ten eerste dat hij zich niet tegen mijn vertrek zou verzetten; ten tweede dat de VS een grote machine was waarvan je absoluut het ritme diende te volgen om niet vermorzeld te worden; en ten derde dat zolang hij invloed had op Fudan, hij me altijd zou terugnemen als ik dat zou willen. Het eerste punt betrof een gunst aan mijn adres, het tweede was een nuttig advies en het derde zal me naar ik hoop nog eens van pas komen.

    In ‘Een politiek leven’ schrijft Wang Huning: ‘De politieke belofte is een begrip dat nadere uitwerking verdient; het is misschien het logische beginpunt voor het creëren van een politieke filosofie in China.’ Maar dit voornemen mag geen pact van Faust met de duivel worden. Noch op persoonlijk vlak, noch wat het land betreft.

    Auteur: Xia Ming
    Vertaler: Peter Bergsma

    Duanchanmei
    China | theinitium.com

    Duanchuanmei is een Chinese website, opgezet in 2015 door de advocaat Will Cai, die in Hongkong de kritiek kreeg dat hij op al te goede voet zou staan met Xi Jinping.