De helft van de wereldbevolking heeft nog geen toegang tot internet. Soms zijn de obstakels van economische aard, zoals in India of Angola. Soms ook is er sprake van censuur, zoals in China, Cuba of Ethiopië. Voor bedrijven uit Silicon Valley zijn dit soort landen potentiële goudmijnen, waar een verbeten strijd om wordt gevoerd. Critici spreken van digitaal kolonialisme.
Onzeker wiebelend legt een jonge vrouw in sari haar eerste paar meters op de fiets af. Ze rijdt rondjes in een zanderige binnentuin in Ambaji, een plaatsje in Gujarat, in het noordwesten van India. Het is een stoere, blauwe fiets met brede banden, bedoeld om grip te bieden op oneffen terrein. Op de bagagedrager van de fiets staat een doos met kostbare inhoud: geen pizza, geen post, maar internet.
Google stuurt honderden van dit soort fietsen het Indiase platteland op. Elke fiets wordt geleverd met twee Androidsmartphones en twee tablets, met mobiele dataverbindingen die worden geleverd door de Amerikaanse zoekgigant. De vrouwen die de fietsen krijgen worden eerst getraind in het gebruik van internet voordat ze naar allerlei dorpen fietsen om hun kennis door te geven aan andere vrouwen.
Gamar Nirama Bhambroo, een tweeëntwintigjarige kleermaker uit Kochi, neemt kleine slokjes uit een kartonnen bekertje thee in een pauze van de anderhalve dag durende digitale cursus, die wordt gegeven in een eenvoudig pensionnetje dat normaal gesproken onderdak biedt aan gelovige pelgrims. Ze heeft net voor het eerst iets opgezocht op Google, terwijl haar dochtertje op een hoekje van de verpakking van de Androidtelefoon sabbelt. ‘Ik kan nu kijken wat de nieuwste mode is, hoe ik de stof moet knippen en hoe ik bepaalde dingen moet ontwerpen – dingen die ik nog niet weet,’ zegt ze, om eraan toe te voegen dat ze slechts herhaalt wat de docent heeft gezegd.
Gujarat is de streek van Ghandi, de streek waar de politiek leider is geboren en getogen en waar hij in 1930 een mars leidde om te protesteren tegen de zoutbelasting die de Engelse kolonialen hadden doorgevoerd. Nu komen de bedrijven uit Silicon Valley hierheen, onder aanvoering van Google en Facebook, die toegang bieden tot een onmisbare hulpbron in de eenentwintigste eeuw: connectiviteit.
Indiase criticasters, die bezwaar maken tegen bepaalde aspecten van zowel de aanpak als de retoriek van die bedrijven, spreken wel van ‘digitale kolonialen’. De verhitte toon van het debat maakt duidelijk hoeveel er op het spel staat: met een inwonertal van 1,2 miljard zou India kunnen uitgroeien tot de grootste open internetmarkt ter wereld (China, het land met de meeste inwoners ter wereld, maakt er geen geheim van dat het de toegang aan banden legt). In 2014, het meest recente jaar waarover gegevens beschikbaar zijn bij de International Telecommunication Union (ITU), een instituut van de VN, waren meer dan een miljard mensen in India verstoken van internet.
Zendelingen
Mensen op hoge posities bij zowel Google als Facebook praten met de gedrevenheid van zendelingen over de kansen die internettoegang zou bieden aan de gewone man en vrouw in India, over de manieren waarop het de armoede kan verlichten, het onderwijs kan verbeteren en voor nieuwe banen kan zorgen. Toch zijn de beweegredenen van de internetbedrijven complex. Ze hebben de macht om levens, regeringen en economieën te beïnvloeden op manieren die voor leveranciers van gewone consumentengoederen ondenkbaar zijn. Ze opereren vaak in wat economen een winner-takes-allmodel noemen. Dat betekent dat bedrijven, wanneer ze zich eenmaal hebben gevestigd, vaak garen spinnen bij het netwerkeffect: hoe meer mensen een app gebruiken, hoe aantrekkelijker die wordt en hoe minder ruimte er overblijft voor plaatselijke concurrentie. Het lot van Facebooks Free Basics-app, die onlangs werd verboden door de Indiase toezichthouder, biedt een glimp van de strijd die ons op breder vlak mogelijk nog te wachten staat in de ontwikkelingslanden, waar bedrijven met elkaar wedijveren om de gunst van miljarden toekomstige internetgebruikers.
In 2013 gaf Mark Zuckerberg, de oprichter en algemeen directeur van Facebook, een tien pagina’s tellend witboek uit met als titel ‘Is Connectivity a Human Right?’ (Is internettoegang een mensenrecht?) Het was een retorische vraag: Zuckerberg stelde dat we ‘door iedereen internettoegang te bieden niet alleen miljarden mensen een beter bestaan bieden, maar er ook zelf bij gebaat zijn doordat we ons voordeel doen met de ideeën en productiviteit die deze mensen bijdragen aan de wereld als geheel’. Momenteel staat de Facebookpagina van de eenendertigjarige Zuckerberg vol met foto’s van de twee bezoeken die hij het afgelopen jaar heeft gebracht aan India, waar zijn bedrijf dit uitgangspunt handen en voeten wil geven.
India is ook het speerpunt van Googles streven om ‘het volgende miljard’ internettoegang te bieden. Google richt zich daarbij op India, Indonesië en Brazilië. De zevenenveertigjarige Rajan Anandan, die aan het hoofd staat van India en Zuidoost-Azië, deelt Zuckerbergs bezieling. ‘Om de belofte van India waar te maken, moeten we zorgen dat onze bevolking internettoegang krijgt,’ zegt hij.
De leidinggevenden in Silicon Valley laten zich in evangelische, haast filantropische bewoordingen uit over wereldwijde internettoegang
De bedrijven onderschrijven niet alleen het standpunt van de Verenigde Naties, dat wereldwijde internettoegang heeft opgenomen in de duurzame ontwikkelingsdoelen voor 2030, maar ook dat van de Indiase regering, dat zijn eigen langetermijnplanning heeft – hoewel die regelmatig wordt opgeschoven – om tot een ‘digitaal India’ te komen. Silicon Valley is stellig van plan voortvarender te werk te gaan.
Google en Facebook, die een geweldig kapitaal achter de hand hebben en een vrijwel onaantastbare positie innemen binnen de westerse markt, investeren in een aantal verschillende projecten. Google hoopt met de hulp van Tata Trusts, een ngo, tegen het einde van dit jaar met de internetfietsen in zo’n honderdduizend dorpen de vrouwen te hebben bereikt (op het platteland hebben beduidend minder vrouwen dan mannen internettoegang). Het bedrijf hoopt ook dit jaar een pilotproject op te starten met de ambitieuze ‘Project Lion’-technologie, waarbij boven India ballonnen de lucht in worden gestuurd om afgelegen gebieden te voorzien van internet. Het bedrijf heeft ook de handen ineengeslagen met het ministerie van vervoer om nog dit jaar op honderd treinstations snelle wifi te installeren.
Het meest prestigieuze project van Facebook is ‘Free Basics’, een mobiele app die deel uitmaakt van het Internet.org-initiatief van het sociale netwerk. Facebook gebruikt de app om gebruikers van telecompartners gratis toegang te bieden tot Facebook en een beperkt aantal andere sites zoals Wikipedia, BBC News, AccuWeather en enkele gezondheidssites. Sinds Free Basics in 2014 is geïntroduceerd in Zambia, is het uitgerold over achtendertig andere landen, waaronder India (in samenwerking met Reliance Communications), Kenia (in samenwerking met Bharti Airtel) en Indonesië (in samenwerking met Indosat). Het bedrijf werkt ook samen met telecomgroepen om meer dorpen te voorzien van wifi, waarbij via lokale ondernemers toegang kan worden gekocht. Ook Facebook wil de lucht in: er worden drones op zonne-energie ontwikkeld om afgelegen gebieden internettoegang te bieden.
Terwijl de leidinggevenden in Silicon Valley zich in evangelische, haast filantropische bewoordingen uitlaten over wereldwijde internettoegang, financieren Google en Facebook hun connectiviteitsprojecten niet met geld dat is gereserveerd voor maatschappelijk verantwoord ondernemen – nee, ze gebruiken hun kernkapitaal. Daaruit blijkt dat er wel degelijk een bedrijfsmatige logica zit achter het project om te investeren in internettoegang in India en andere opkomende markten.
Het belangrijkste is misschien nog wel de kans om honderden miljoenen nieuwe smartphonegebruikers meteen vanaf het begin bij de hand te kunnen nemen – als er nog geen gewoonten zijn ingesleten. Facebook zou het moeilijk krijgen in een wereld waarin Google de toegang tot de gebruikers beheert door middel van haar Android-operating system, dat momenteel marktleider is. Op dezelfde manier zou Google grote moeite hebben om data te vergaren als de gebruikers al hun tijd doorbrengen op WhatsApp, dat weer in bezit is van Facebook. En hoewel de advertentiemarkt in India momenteel heel klein is – afgelopen jaar maar net 940 miljoen dollar, afgaande op gegevens van het onderzoeksinstituut eMarketer – praat Facebook al met groot enthousiasme over multinationals zoals Coca-Cola en Nestlé, die zich met specifieke mobiele advertenties op het Indiase platteland zouden willen richten.
Kiran Jonnalagadda roert een lepeltje boter door zijn zwarte koffie, net als de mensen in Silicon Valley die op dieet zijn. De zevenendertigjarige Kiran, die als ‘hobby’ software ontwikkelt, voor zijn werk techconferenties organiseert en die bekendstaat als internetactivist, zit in een aangenaam briesje op de bovenste verdieping van een café in Bangalore, India’s technologiehoofdstad in het zuiden van India. Hij draagt een blauw hemd met korte mouwen, uit de kraag bungelt een koptelefoontje, om zijn ene pols zit een Fitbit en om de andere een smartwatch. Hij legt uit waarom hij vindt dat Facebook de bijnaam ‘digitale koloniaal’ verdient.
Facebook was nooit van plan zich te verzetten tegen netneutraliteit. Sterker nog, in Amerika heeft het bedrijf zich hard gemaakt voor netneutraliteit. Wereldwijd gezien zou het bedrijf geld kunnen verliezen als dit principe in het geding zou komen waardoor, bijvoorbeeld, telecombedrijven extra geld zouden kunnen vragen voor WhatsApp omdat ze de pest in hebben dat ze sms-inkomsten mislopen.
Volgens Chris Daniels, de veertigjarige vicepresident van Facebook die aan het hoofd staat van Internet.org, zag het bedrijf Free Basics als een manier om mensen het internet op te krijgen door ze gratis te laten kennismaken met de voordelen van internet – een soort voorproefje.
Voor Facebook werd het pas echt pijnlijk toen de Indiase toezichthouder in februari de zogeheten ‘gedifferentieerde prijsstelling’ van internetbedrijven verbood, waarmee de facto Facebooks Free Basics-systeem van tafel was. Het bedrijf liet weten teleurgesteld te zijn over de uitspraak maar verder te gaan met andere internettoegangsprojecten in India. Vervolgens wekte Marc Andreessen, een investeerder en lid van de raad van bestuur van Facebook, de woede van velen met zijn tweet: ‘Antikolonialisme al decennia economische ramp voor Indiase bevolking. Waarom nu stoppen?’ Zuckerberg was er als de kippen bij om die opmerking scherp te veroordelen. Hij noemde de opmerking ‘ronduit schokkend’. Andreessen bood zijn excuses aan maar volgens Jonnalagadda hebben zijn opmerkingen velen gesterkt in de opvatting dat Facebook volkomen terecht als koloniale macht wordt gezien.
Het is niet eenvoudig om het hele land van internet te voorzien: er moeten greppels worden gegraven, er moeten websites worden vertaald en er moeten zelfs apen worden getemd
‘Vanuit economisch perspectief is kolonialisme het onttrekken van bronnen en handel aan de consument zonder dat er een kapitalistische tussenklasse wordt gecreëerd,’ zegt hij. ‘En dat is precies wat we nu zien: ze onttrekken data aan de consument, ze proberen persoonlijke gegevens los te krijgen en ze proberen hun diensten te verkopen. Maar ze willen niet dat daar mensen tussen staan.’
De kapitalistische klasse die voor Jonnalagadda’s gevoel ontbreekt in de plannen van Facebook komt naar zijn idee van de grond in Bangalore, een stad die hard bezig is op te klimmen van een geliefde outsourcinglocatie voor westerse bedrijven tot een bedrijvig centrum van plaatselijke start-ups. Jonnalagadda was een van de vier oorspronkelijke leden van Save The Internet, een groep van zo’n honderd activisten die destijds de strijd aanbonden met Facebooks Free Basics-app – een strijd die afgelopen februari in hun voordeel is beslecht.
De activisten bepleitten dat telecombedrijven niet in staat gesteld zouden mogen worden om bepaalde sites of apps gratis aan te bieden terwijl voor het overige internetgebruik wel betaald moet worden, aangezien ze op die manier een inherente ongelijkheid aanbrengen in het systeem van internettoegang. Gewapend met een grappige video die viraal is gegaan, heeft het bedrijf gelobbyd voor ‘netneutraliteit’, een ruim begrip dat erop neerkomt dat al het internetverkeer gelijk moet worden behandeld. Dat uitgangspunt is inmiddels wettelijk vastgelegd in vele landen, van Amerika tot Nederland.
Free Basics was in de meeste landen probleemloos van start gegaan, maar in India was het al snel omstreden. Toen activisten en mensen van diverse start-ups hun vraagtekens plaatsten bij de beweegredenen van Facebook om een dergelijke beperkte versie van internet beschikbaar te stellen, reageerde het bedrijf nogal agressief. Er verschenen paginagrote advertenties in kranten waarin de beweringen van de activisten werden weerlegd, in alle grote steden werden posters geplakt en Facebookgebruikers werd gevraagd de toezichthouder te laten weten dat men achter het bedrijf stond. Wat de activisten vooral in het verkeerde keelgat schoot was het feit dat Facebook met alle geweld het beeld probeerde uit te stralen dat het bedrijf een weldoener was die arme mensen internettoegang bood, terwijl ondertussen werd verzwegen dat het bedrijf er garen bij spon.
Het is niet eenvoudig om het hele land van internet te voorzien: er moeten greppels worden gegraven, er moeten websites worden vertaald en er moeten zelfs apen worden getemd. Toen Jonnalagadda in 2007 bezig was met een publiek-privaat project om internetcentra op te zetten in Indiase dorpen, kwam hij tot de ontdekking dat apen het enig vinden om satellietschotels van het dak te duwen.
Van de 1,2 miljard inwoners van India zijn er meer dan driehonderd miljoen mensen (voornamelijk in de steden, voornamelijk in de hogere of middenklasse) die internet gebruiken, afgaande op cijfers van de Internet and Mobile Association of India. De technologieindustrie in Bangalore doet het bijzonder goed dankzij een groep ondernemers, en vele Indiërs maken carrière bij Amerikaanse techbedrijven (zoals Googles bestuursvoorzitter Sundar Pichai, of Satya Nedella, die aan het hoofd staat van Microsoft – beiden zijn in India geboren en na hun studie naar Amerika gegaan om te promoveren). Over het hele land neemt het aantal internetverbindingen jaarlijks toe met zo’n twee tot drie procent, afgaande op gegevens van ITU. Die toename valt deels toe te schrijven aan de sterke economische groei in India en de dalende prijs van smartphones – in 2015 heeft India de koppositie van Amerika overgenomen als de op een na grootste smartphoneproducent ter wereld, volgens Counterpoint Research.
Lessen trekken
Een onderzoek van Deloitte, uitgevoerd in opdracht van Facebook, toont aan dat met een vergroting van de internetdekking in India de economische-groeicijfers op zijn minst zouden kunnen verdubbelen, waarmee het bruto nationaal product zou stijgen met vijfhonderd dollar per hoofd van de bevolking. Maar de bestaande programma’s om de technologie door het land te verspreiden – programma’s die zijn opgezet door de Indiase overheid, telecombedrijven en ngo’s – krijgen maar heel langzaam hun beslag. De trage voortgang is een van de redenen dat veel activisten de pogingen van Silicon Valley om het internet te verspreiden, niet geheel en al verwerpen. Google wordt geprezen om een pr-beleid dat fijnzinniger zou zijn dan dat van Facebook, maar ook projecten van Facebook hebben geen massale kritiek gekregen – zo lang ze maar toegang boden tot het héle internet.
Silicon Valleys kapitaal, technologie en de wil om snel te handen, zouden de implementatie van internet kunnen versnellen. Wanneer er wordt gepraat over connectiviteitsprojecten laten Google en Facebook weten dat ze alleen al in de komende paar jaar honderdduizenden gemeenschappen hopen te bereiken. Techbedrijven kunnen investeren in grootschalige projecten en ze kunnen talent inhuren om satellieten, drones en ballonnen te vervaardigen die overal ter wereld kunnen worden ingezet. De kosten die hiermee gepaard gaan zijn betrekkelijk voor bedrijven als Facebook en Google.
Caesar Sengupta, het veertigjarige hoofd productmanagement van Google, zegt dat India op twee manier heel leerzaam blijkt te zijn voor het bedrijf. Om te beginnen wordt duidelijk hoe men producten moet maken voor mensen die voor het eerst in aanraking komen met internet via een smartphone. Door deze lessen kan het bedrijf niet alleen producten ontwikkelen die geschikt zijn voor opkomende markten, maar ook de apps in het westen verbeteren, zegt hij. Want ook daar komt de nieuwe generatie als eerste via een mobieltje in aanraking met internet.
Het Free Basics-debacle heeft de Indiase regering en de telecombedrijven met de neus op de feiten gedrukt: men zal voortvarender te werk moeten gaan bij het verbinden van mensen zonder verbinding. Parminder Jeet Singh van IT for Change, een in Bangalore gevestigde ngo die zich inzet om technologie te gebruiken voor sociale doeleinden, zegt dat door deze strijd, die op hoog niveau is uitgevochten, internettoegang nu voor het eerst op de politieke agenda terecht is gekomen.
In een Facebookpost de avond voor de Free Basics-uitspraak liet Zuckerberg ook al doorschemeren dat het bedrijf lessen probeerde te trekken uit het mislukken van dit project.
‘Naarmate onze community in India groter is geworden ben ik beter gaan begrijpen dat we ons moeten verdiepen in de geschiedenis en de cultuur van India,’ schreef Zuckerberg. ‘Ik vind het zeer inspirerend om te zien hoeveel vooruitgang India heeft geboekt bij het opbouwen van zowel een sterk land als de grootste democratie ter wereld, en ik verheug me erop om mijn banden met het land nog verder aan te halen.’
Het is goed om snel lessen te trekken uit de rel rond het digitale kolonialisme, aangezien dit geschil zich in razend tempo over de wereld zou kunnen verspreiden. Mishi Choudhary van het Software Freedom Law Center, dat pro bono diensten verleent aan ontwikkelaars van opensourcesoftware en dat zich sterk heeft gemaakt voor netneutraliteit in India, is al benaderd door activisten die maar wat graag elders de strijd aanbinden met Free Basics.
‘Ik heb gehoord van mensen in Kenia, in Mexico en ook in landen in Zuidoost-Azië, die zeggen dat wat hier is gebeurd als lichtend voorbeeld dient,’ zegt ze. ‘Men heeft zich gedwongen gezien nog eens goed te kijken naar de zogenaamde keuze die Facebook hen in de maag probeert te splitsen.’
Maar de misschien wel belangrijkste les beperkt zich niet tot India. Die gaat over het beeld dat de rest van de wereld heeft van de complexe drijfveren van Silicon Valley, en hoe dat beeld botst met het beeld dat de Valley zelf uitdraagt: een stel technici met goede ideeën. In India leiden de zorgen over de macht van de Amerikaanse techbedrijven tot debatten over kolonialisme; in Europa leiden ze tot campagnes over belastingvoordelen en privacy.
De techbedrijven in India zullen ook onder ogen moeten zien dat het verhelpen van sommige problemen die wereldwijde internettoegang verhinderen, domweg tijd zal kosten. Zolang de stroomvoorziening in bepaalde gebieden gebrekkig is en geregeld uitvalt, zal ook de toegang tot internet moeizaam verlopen. Daarnaast zullen dorpelingen die nooit hebben leren lezen en schrijven niet optimaal gebruik kunnen maken van internet, zelfs al zou het beschikbaar zijn. Zo heeft Google in bepaalde gebieden grote moeite moeten doen om voldoende geschoolde vrouwen te vinden voor de blauwe fietsen.
Een moeder en haar drie kinderen zitten op een smartphone naar een Bollywoodfilm te kijken die ze binnenhalen via de wifiverbinding van het station
Op het centraal station van Mumbai heeft Google onlangs snelle wifi geïnstalleerd: dit station is het eerste van honderd stations die dankzij een samenwerking van Google en RailTel van wifi zullen worden voorzien. Dit project staat vermeld in de Indiase begroting als een voorbeeld van een publiek-private samenwerking die, hoewel het nog drie jaar kan gaan duren, het soort internettoegang biedt waar de Indiërs naar hunkeren.
Om halfzes die middag, terwijl het station zich opmaakt voor een zweterige spits en de mensen binnenstromen om de trein naar Delhi te nemen, is er één gezin dat niet voor de trein is gekomen maar voor de wifi. Een moeder en haar drie kinderen zitten op een smartphone naar een Bollywoodfilm te kijken die ze binnenhalen via de wifiverbinding van het station, terwijl de vader even wat dingen in de buurt doet. Het drama ontvouwt zich, de dansjes wekken verwondering en de film wordt afgespeeld zonder ook maar één seconde te haperen.
Auteur: Hannah Kuchler
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Hannah Kuchler is correspondent voor de Financial Times in San Francisco.
In nummer 92 van 360 kunt u een controverse teruglezen over de vraag of de kritiek op Free Basics in India terecht was.
Financial Times
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000
Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.
Chinezen die in een internetcafé het web op willen, moeten hun identiteitsbewijs tonen. Om zich te registreren op sociale media moet men vaak het eigen telefoonnummer opgeven
China: Een niet zo nette reus
1367 miljard inwoners van wie 50,3 % online
In juni 2015 telde China 688 miljoen internetgebruikers, bijna een op de twee Chinezen, volgens het ‘Jaarrapport ontwikkeling internet’, aangehaald in het tijdschrift Zhongguo wenhua bao. Dat betekent dat het aantal gebruikers in zes maanden tijd met 19 miljoen was toegenomen. Van deze gebruikers heeft 90 procent toegang tot internet via de smartphone.
Bijna de helft van de nieuwe gebruikers woont op het platteland, waar men bezig is met een forse inhaalslag. De plattelandsbevolking vertegenwoordigt nu slechts 28 procent van de Chinezen met toegang tot internet, hoewel zij nog ongeveer de helft van de totale bevolking uitmaakt. De meest achtergebleven delen van het land (Tibet, Qinghai, Xinjiang) hebben ook het laagste internetgebruik.
De censuur blokkeert met regelmaat pagina’s, of delen van een site waarvan de inhoud de censor niet bevalt, en laat aansluitingen opheffen. Tegelijkertijd is de toegang tot internet sinds 2009 steeds vaker onderworpen aan het bekendmaken van de identiteit van de gebruiker. Chinezen die in een internetcafé het web op willen, moeten hun identiteitsbewijs tonen. Om zich te registreren op sociale media moet men vaak het eigen telefoonnummer opgeven, waarvan het verkrijgen doorgaans weer afhankelijk is van het tonen van een identiteitsbewijs.
Buitenlandse websites kunnen binnenkort de verplichting tegemoetzien zich te registreren bij een in China gevestigde provider als zij voor de Chinese internetgebruikers bereikbaar willen blijven.
Informaticapiraten hebben de gratis diensten van Wikipedia en Facebook gebruikt om de Angolese burger vrije toegang te verschaffen tot films, televisieprogramma’s en muziek
Angola: Piraterij via Facebook en Wikipedia
20 miljoen inwoners van wie 19,4 % online
Zoals onder elk autoritair regime speelt vindingrijkheid een grote rol in Angola. Informaticapiraten hebben de gratis diensten van Wikipedia en Facebook gebruikt om de Angolese burger vrije toegang te verschaffen tot films, televisieprogramma’s en muziek, zo meldt de Amerikaanse website Motherboard.
In 2014 sloot Wiki een samenwerkingsovereenkomst met de distributeur van telecommunicatie Unitel om de Angolezen met hun smartphone gratis toegang te geven tot de databank van Wikipedia. Het programma, met de naam ‘Wikipedia Zero’, bestaat in 64 landen. Tezelfdertijd introduceerde Facebook in de voormalige Portugese kolonie zijn gratis app Free Basics (die in India de voorpagina’s haalde – zie hoofdartikel).
Nadat zij data hadden verstopt in de pagina’s van Wikipedia in de Portugese versie, bedienden de Portugese piraten zich van Facebook om hun verbindingen te delen met hun vrienden op het sociale netwerk.
Dat misbruik van zijn pagina’s stoort de Wikimedia Foundation, die een ‘interventiegroep’ heeft samengesteld om de piraterij tegen te gaan. ‘Indien men in overweging neemt dat Angola al meer dan dertig jaar wordt geleid door een alleenheerser [president José Eduardo dos Santos kwam in 1979 aan de macht], zouden de talenten van de piraten op een dag zeer wel van pas kunnen komen,’ aldus de website. ‘Zij hebben geleerd zich online te organiseren, hun sporen te wissen en documenten te verstoppen en te delen.’
Op 28 maart van dit jaar werden zeventien politieke tegenstanders van het regime in Angola veroordeeld tot gevangenisstraffen van twee tot achtenhalf jaar.
Vandaag de dag betalen de Cubanen twee dollar voor een uur toegang tot een naar adem snakkend internet, een bedrag dat gelijk staat aan tien procent van het gemiddelde maandsalaris
Cuba: Google in het kielzog van Obama
Cuba: 11 miljoen inwoners van wie 27,5 % online
Tijdens zijn officiële bezoek aan Cuba in maart kondigde Barack Obama een enthousiasmerende overeenkomst aan: de komst naar het eiland van de gigant Google in een zaal van het cultureel centrum van een bekende beeldhouwer in Havana, Kcho, met een internetproject dat zeventig keer sneller is dan het bestaande. De ruimte is door Google ingericht met computers, smartphones en onlineverbindingen, en kan veertig mensen tegelijk ontvangen voor gratis toegang tot het web. ‘Een luxe in een land waar de toegang tot een snelle internetverbinding niet hoger is dan één procent,’ aldus de Cubaanse website 14ymedio.
De inwoners van Cuba moeten met tot dusver doen met een van de veertig plekken waar een wifistation is die tot nu toe door de autoriteiten sinds juli 2015 zijn toegestaan (aan het eind van het jaar zullen het er tachtig zijn), een honderdtal centra waar internet tegen betaling toegankelijk is en een zeer klein aantal privéverbindingen met uitdrukkelijke toestemming van de overheid. En alles wordt beheerd door de officiële en enige provider van alle telecommunicatie op het eiland, Etecsa.
Vandaag de dag, meldt de website El Toque (een nieuwssite gericht op de jeugd), betalen de Cubanen twee dollar voor een uur toegang tot een naar adem snakkend internet, een bedrag dat gelijk staat aan tien procent van het gemiddelde maandsalaris. De verbinding wordt in 91 procent van de gevallen gebruikt om nieuwe vrienden te maken op Facebook.
CONTEXT: Welke technologie is nodig voor een snel internet?
Om van internet gebruik te kunnen maken, moet men er vooraleerst toegang toe hebben. En dat dan met minder vertraging dan eertijds met de oude modems het geval was. In India bijvoorbeeld – waar de verbindingssnelheid een van de traagste ter wereld is, volgens een rapport uit 2015 van Akamai Technologies – zijn er diverse initiatieven van de overheid en uit de privésector om internet met een hoge capaciteit (en dus snelheid) te ontwikkelen. ‘Het Indiase ministerie van telecommunicatie heeft aangekondigd dat het staatsbedrijf BSNL tussen nu en 2017 2500 nieuwe wifistations zal bouwen met een spreiding over het hele land,’ aldus de Amerikaanse website Mashable. ‘Microsoft werkt onderwijl aan het gebruik van de ruimte in het spectrum die niet wordt benut voor het doorgeven van tv-signalen om de Indiërs een betere wifiverbinding te bezorgen.’
Andere grote Amerikaanse ondernemingen, waaronder Google en Facebook, werken aan de ontwikkeling van innovatieve toegangswegen tot internet voor gebieden die nu nog moeilijk bereikbaar zijn. Beide richten zich vooral op drones die het internetsignaal zouden kunnen doorgeven vanuit de stratosfeer, op meer dan 18 kilometer boven het aardoppervlak. Het Loon-project van Google, waarbij ballonnen worden gebruikt en dat al op kleine schaal is getest, zal in de nabije toekomst op grotere schaal worden ingezet om Sri Lanka te bedienen.
Volgens Bloomberg is Loon ‘een minder dure oplossing dan onderzeese kabels, die drukke knooppunten als Singapore en Hongkong zouden moeten passeren’. Maar het tijdschrift MIT Technology Review waarschuwt dat alle lopende projecten belangrijke wijzigingen noodzakelijk maken op het gebied van nationale en internationale regelingen en verdragen.
Beeld bovenaan: Een vrouw checkt haar smartphone in bed. Driehonderd miljoen Indiërs, voornamelijk stedelingen uit de middenklasse, maken nu al gebruik van internet. – © Ramnath Bhat



