Tag: welvaart

  • Kan een land te rijk worden?

    Kan een land te rijk worden?

    Dankzij zijn oliereserves heeft Noorwegen een economie opgebouwd die zijn bevolking op elk vlak steun kan bieden. Toch beginnen de valkuilen van uitzonderlijke welvaart aan de oppervlakte te komen.

    Noorwegens eerbetoon aan Edvard Munch, de beroemdste schilder van Scandinavië, is een indrukwekkend dertien verdiepingen tellend blok van gerecycled aluminium en glas aan de haven van Oslo. Het museum, dat in 2021 werd voltooid voor 350 miljoen dollar, liep tien jaar vertraging op en ging fors over budget – er kwam nog eens 200 miljoen dollar bij. Op een winterse middag, oprijzend uit de dichte zeemist, belichaamt het museum het land dat ervoor betaalde: verfijnd en zo rijk dat geld geen rol meer speelt.

    Noorse olie heeft een economie voortgebracht waar andere rijke landen jaloers op zijn – laat staan armere landen. Het bbp per hoofd bedraagt zo’n 90.000 dollar en wordt alleen overtroffen door dat van stadstaten, belastingparadijzen en Zwitserland. Sinds 1991 heeft de overheid een staatsinvesteringsfonds opgebouwd ter waarde van 2,2 biljoen dollar, oftewel 400.000 dollar per inwoner van de 5,6 miljoen tellende bevolking. De opbrengsten financieren een van de gulste verzorgingsstaten ter wereld.

    Vervormd gedrag

    Maar niet iedereen is daar even blij mee. In 2025 was de bestverkochte non-fictietitel van het land The Country that Became Too Rich, een aanval op het economische model van econoom en voormalig McKinsey-consultant Martin Bech Holte. Hij beschreef hiermee een groeiend sentiment. Bij de verkiezingen van afgelopen september ging de grootste winst naar de centrumrechtse Vooruitgangspartij, die stelde dat Noorwegen ‘problemen probeert op te lossen door er simpelweg meer geld tegenaan te gooien’. De zorg is dat de rijkdom ieders gedrag vervormt – van politici tot kantoormedewerkers en scholieren. Wie kan rekenen op een royale uitkering, maakt zich minder zorgen over de toekomst. Kan de welvaart van een land zijn vooruitzichten ondermijnen?

    Volgens Bech Holte heeft de groei van het staatsfonds – dat door olie-inkomsten en beleggingsrendementen in het afgelopen decennium is verdubbeld – Noorse politici spilzuchtig gemaakt. Hoewel het fonds alleen in het buitenland investeert om de binnenlandse economie niet te verdringen, vloeit er geld terug naar de overheid, die daarmee het gat tussen uitgaven en belastinginkomsten dicht. In 2008 bedroeg die bijdrage nog een bescheiden 36 miljard Noorse kronen (toen 6,4 miljard dollar), minder dan 5 procent van de overheidsuitgaven. In 2025 kwam een vijfde van de uitgaven – 414 miljard kronen (40 miljard dollar) – uit het oliefonds.

    Dat heeft ongewenste gevolgen. Politici kunnen moeilijke beslissingen uitstellen. Kiezers zien weinig reden om hun eisen te matigen. Neem de gezondheidszorg, de grootste uitgavenpost van de overheid. Medische zorg is in Noorwegen gemiddeld 30 procent duurder dan in de Europese Unie. Maar waarom ziekenhuizen hervormen als je er gewoon meer geld tegenaan kunt gooien? Denemarken, dat ongeveer evenveel per hoofd uitgeeft, heeft de wachttijden voor routineoperaties twee keer zo snel weten te verkorten als Noorwegen.

    Politici kunnen moeilijke beslissingen uitstellen. Kiezers zien weinig reden om hun eisen te matigen

    Weinig politici nemen nog de moeite om de kosten en baten van beleid zorgvuldig af te wegen, aldus een parlementariër. Dat probleem bestaat elders ook, maar Noorwegen lijkt er bijzonder gevoelig voor. Net als bij het Munchmuseum duurde de renovatie van het parlementsgebouw in Oslo vier jaar in plaats van één en waren de kosten zes keer zo hoog als begroot. In 2023 besteedde de regering 250 miljard kronen – de helft van haar belastinginkomsten op arbeid en kapitaal – aan buitenlandse hulp en binnenlandse liefdadigheidsorganisaties. Dat is een hoge prijs om goodwill in het buitenland te kopen en zorgen over het klimaat thuis te temperen. In Groot-Brittannië ligt dat aandeel onder de 10 procent.

    Noorse burgers zijn nauwelijks minder spilzuchtig dan hun vertegenwoordigers. De gemiddelde huishoudschuld bedraagt 250 procent van het jaarinkomen – het hoogste niveau in Europa. Als je erop kunt rekenen dat de nationale rijkdom je uit de brand helpt, voelt sparen voor slechtere tijden minder urgent.

    Ook de noodzaak om überhaupt inkomen te genereren neemt af. Bijna een op de tien Noren in de twintig is werkloos, tegenover een op de twintig Denen. Het percentage school- en universiteitsuitval behoort tot de hoogste in Europa. Het hoger onderwijs biedt onbeperkt gratis opleidingen en genereuze studieleningen. Dat moedigt studenten aan om hun studie uit te stellen, te wisselen en langer te blijven studeren. Het resultaat is een hoogopgeleide bevolking: meer dan 70 procent van de werknemers in laaggeschoolde dienstverlenende banen (zoals barista’s en callcentermedewerkers) heeft een masterdiploma. Mensen met een migratieachtergrond vervullen 100.000 onderzoeksbanen in wetenschap en techniek – de helft van het totaal. Nog eens 100.000 vacatures moeten tegen 2030 worden ingevuld.

    Houdbaarheid

    Deze financiële losbandigheid begint de economie al te schaden. De centrale bank aarzelt om de rente te verhogen ondanks hoge schulden, wat de kroon verzwakt en buitenlandse investeerders afschrikt. De arbeidsproductiviteit groeit niet meer. De reële lonen beginnen te dalen.

    Je zou kunnen stellen dat dit alles niet uitmaakt zolang het land voor zijn bevolking kan blijven zorgen. Economische groei is politiek gezien belangrijk omdat ze het welzijn van burgers garandeert: direct via werk en indirect via uitkeringen. In theorie kan dat welzijn ook worden gefinancierd uit vermogensopbrengsten in plaats van productie. Zolang het nationale vermogen sneller groeit dan de overheidsuitgaven, kan dat model blijven bestaan.

    Tot nu toe is dat het geval in Noorwegen. Hoewel de staat in 2025 tien keer zo veel geld uit het fonds haalde als in 2008, was dat relatief gezien een kleiner aandeel van het totale vermogen. Zolang de reële rendementen boven de 6 procent blijven, kan de overheid mogelijk nog lang na het opdrogen van de olie – over zo’n vijftig jaar – de belastingen verlagen en de uitgaven blijven verhogen.

    Zo’n redenering is echter zelfgenoegzaam, om twee redenen. Ten eerste is een rendement van 6 procent in de praktijk onzeker, tenzij kunstmatige intelligentie de wereldproductiviteit sterk verhoogt. Ten tweede – en belangrijker – heeft een bloeiende economie voordelen die verder gaan dan louter bestaanszekerheid. Politici zijn beter controleerbaar als ze belasting moeten heffen. Buitenlandse investeerders brengen kennis mee. Veel mensen halen voldoening uit werk. Dat alles draagt bij aan menselijk welzijn. Niemand hoeft Noorwegen zijn rijkdom te misgunnen – behalve, als ze verstandig zijn, de Noren zelf.

  • Nobelprijs voor Economie gaat naar onderzoek over ongelijkheid tussen landen

    Nobelprijs voor Economie gaat naar onderzoek over ongelijkheid tussen landen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » NASA-sonde gaat onderzoek doen naar leven op een maan van Jupiter

    » Crisis India-Canada: Ottawa en New Delhi zetten verschillende diplomaten uit

    ‘Toekomstige economen kunnen hierop voortbouwen’

    De Nobelprijs voor de Economie gaat dit jaar naar een onderzoek over ongelijkheden in rijkdom tussen landen. Maandag werd de prijs toegekend aan de Turks-Amerikaanse Daron Acemoglu en de Brits-Amerikaanse Simon Johnson en James A. Robinson.

    ‘Door de verschillende politieke en economische systemen te onderzoeken die door Europese kolonisatoren over de hele wereld werden geïntroduceerd, toonden de Amerikaanse onderzoekers het verband aan tussen de aard van politieke instellingen en welvaart’, legde de jury uit.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Samenlevingen met een slechte rechtsstaat en uitbuitende instellingen genereren geen groei of positieve verandering’, aldus de jury. ‘Het onderzoek van de laureaten vormt een breuk met theorieën die uitgaan van een onvermijdelijke, deterministische weg naar modernisering op basis van de historisch ongebruikelijke ervaringen van West-Europa’, merkte The Economist op.

    ‘Acemoglu, Johnson en Robinson zijn misschien niet in staat geweest om een volledige verklaring te geven waarom sommige landen rijk zijn en andere arm, maar toekomstige generaties economen hebben een solide basis waarop ze kunnen bouwen’, concludeert het tijdschrift.

  • Albanië wil het nieuwe Dubai zijn

    Albanië wil het nieuwe Dubai zijn

    Een stijgend bbp, politieke stabiliteit, explosieve toename van het toerisme – alle seinen staan op groen in Albanië, waar de economie een hoge vlucht neemt. Het Italiaanse dagblad Il Sole 24 Ore bezocht hoofdstad Tirana om de redenen voor dit succes te onderzoeken.

    Nog maar een paar jaar geleden was het een gigantische ruïne in het centrum van Tirana. Een gebouw met gebroken ruiten, vol met graffiti, een overblijfsel uit een verleden van armoede, ellende en chaos dat mensen het liefst zo gauw mogelijk vergeten. Maar sinds een paar weken is het voormalige piramidevormige mausoleum dat gewijd is aan Enver Hoxha, de communistische dictator die Albanië in de twintigste eeuw [tussen 1941 en 1985] met ijzeren vuist regeerde, het grootste technologiecentrum op de Westelijke Balkan geworden dat zich bezighoudt met start-ups en innovatie. Zodoende is men erin geslaagd de geschiedenis en een pijnlijk verleden te recyclen op een manier die consistent is met het nieuwe nationale verhaal van Albanië: de overgang van callcenters naar digitale centra, op weg om een soort Tel Aviv van de Balkan te worden.

    In de afgelopen dertig jaar, die werden gekenmerkt door turbulente politieke perioden – van postcommunistische anarchie tot maffiademocratie en tien jaar ‘ramistische’ regering (genoemd naar de premier, Edi Rama) – was Albanië vooral een land van economische activiteit gebaseerd op een grote, goedkope beroepsbevolking. Maar er is iets aan het veranderen in een staat die de herinnering aan een van de meest gesloten en paranoïde dictaturen van de twintigste eeuw lijkt te hebben verdrongen.

    Albanië heeft ook de bladzijde omgeslagen van de jaren negentig, de tijd van massale emigraties, gewapende bendes en de ‘virtuele burgeroorlog’ die werd uitgelokt door de ineenstorting van de ‘financiële piramides’ die door de staatstelevisie werden aangemoedigd en die het spaargeld van bijna 70 procent van de bevolking hadden opgeslokt. Dat was in 1997.

    Strategisch

    ‘Vandaag de dag is er nog steeds het grote voordeel van arbeidskrachten, met basissalarissen tussen de 410 en 420 euro per maand,’ merkt Antonio Nidoli op, voorzitter van de Italiaanse Kamer van Koophandel in Albanië. Maar dat is niet het enige wat het land te bieden heeft. ‘De regering heeft een wet aangenomen die gunstig is voor startende bedrijven en heeft voordelige belastingmaatregelen ingevoerd die nieuwe bedrijven aantrekken, met name in de digitale sector.’ 

    Op deze manier hoopt Tirana een land met minder dan 3 miljoen inwoners om te vormen tot een soort ‘nieuw Singapore of Dubai’, door zich te richten op informatietechnologieën, de digitale transitie en megadata. ‘Het is een klein land, maar wel een strategisch land,’ stelt Sergio Fontana, voorzitter van de Puglia-Albania-tak van de Italiaanse werkgeversorganisatie Confindustria. 

    Dus naast de traditionele uitbesteding van IT-contracten aan jonge Albanese software-ingenieurs, is er nu een markt gebaseerd op hightechbedrijven die hier flexibele arbeidskrachten vinden met een gedegen opleiding en een uitstekende beheersing van het Engels.

    ‘Tegenwoordig ligt de toekomst voor veel jonge mensen thuis en niet meer in de diaspora, vooral in de technologiesector,’ legt Nidoli uit. Maar in tegenstelling tot de vorige generatie, die twintig jaar geleden naar Italiaanse televisiezenders keek, spreken de jongeren van nu vaker Engels dan de taal van Dante.

    Ook op het gebied van onderwijs heeft het land schoon schip gemaakt met het oerwoud aan privéuniversiteiten die in het nieuwe Albanië floreerden en waarvan de neonreclames veel gebouwen in het centrum van de hoofdstad verlichtten.

    Tirana telde er zo’n dertig, waarvan de meeste diplomafabrieken waren. Nu zijn het er veel minder en de serieuzere, zoals de katholieke universiteit Notre-Dame-du-Bon-Conseil, leiden de middenklasse op door dubbele studieprogramma’s aan te bieden in samenwerking met bepaalde Italiaanse universiteiten. De kinderen van de nieuwe oligarchie studeren daarentegen rechtstreeks in Londen, Duitsland of de Verenigde Staten. 

    Tirana, de hoofdstad van Albanië, die zich nu uitstrekt langs de hellingen van de omringende bergen, is een weerspiegeling van al deze invloeden.

    ‘Als je de stad bekijkt vanaf een van de gebouwen die de afgelopen jaren zijn verrezen, zie je drie stedelijke lagen,’ legt Daniele Rielli uit, een schrijver die een paar jaar geleden een prachtige reportage over Albanië schreef. ‘De oude laagbouw uit het communistische tijdperk, die heeft plaatsgemaakt voor de bouwwerken uit het eerste democratische tijdperk; de flatgebouwen van tien tot twaalf verdiepingen, en tot slot het hedendaagse Tirana, met zijn wolkenkrabbers die voortdurend in aanbouw zijn.’

    Deze esthetische evolutie is vooral duidelijk rond het Skanderbergplein, dat omgeven is door departementen die tijdens het fascistische tijdperk werden gebouwd, toen Albanië in feite nog een kolonie van Mussolini was.

    ‘Tegenwoordig ligt de toekomst voor veel jonge mensen thuis’

    ‘Twintig jaar geleden telde Tirana 250 000 inwoners, nu zijn het er bijna een miljoen. Er staan kranen zover het oog reikt en de vastgoedprijzen rijzen de pan uit. Het is ook een erg veilige stad geworden, waar de politie zeer sterk aanwezig is. Kleine criminaliteit bestaat niet en zware criminaliteit is nauwelijks merkbaar,’ vat Francesco Milella samen, voormalig directeur van het bedrijf Publikompass in Bari, die in de Albanese hoofdstad een nieuwe roeping heeft gevonden sinds hij de kliniek voor cosmetische chirurgie Medicalba opgericht heeft.

    ‘Gezondheidstoerisme, van esthetiek tot orthodontie, is een andere snelgroeiende sector in Albanië,’ vervolgt Milella. ‘Onze patiënten komen voornamelijk uit Italië en Ticino, in Zwitserland.’ 

    In zijn postcommunistische geschiedenis heeft Albanië twee zeepbellen gekend: de financiële zeepbel van de financiële piramides en de vastgoedzeepbel. ‘Deze laatste bestaat vandaag de dag nog steeds, deels omdat veel Albanezen in de diaspora om emotionele redenen huizen in Albanië terugkopen, met de bedoeling om er later weer te gaan wonen, of gewoon om te bewijzen dat ze hun zaken goed op orde hebben,’ merkt Nidoli op.

    Naast de bouw-, technologie- en digitale sectoren zet het nieuwe Albanië nu ook zwaar in op de agrarische business. ‘Gezien de uitstekende waterbronnen en vruchtbare grond van het land is dit een sector die hoge groeipercentages belooft,’ aldus Fontana.

    Tot slot speelt ook het toerisme een belangrijke rol in deze lange economische transitie. Het bewijs: deze zomer ontving Albanië een recordaantal toeristen als gevolg van een stijging van 32 procent. De kustlijn die zich uitstrekt van Durrës en Vlorë tot aan de gouden stranden van Ksamil en Sarandë, tegenover Corfu, staat vol met prachtige locaties die sterk doen denken aan het Griekenland van begin jaren negentig. Landschappen op een ansichtkaart die de grote internationale ketens aantrekken die de nieuwe luxe hotels en vakantiedorpen moeten beheren die de nieuwe lokale bouwbaronnen blijven bouwen.

    ‘Begin oktober 2023 hadden we al 8,3 miljoen toeristen verwelkomd,’ vertelt de minister van Infrastructuur en Energie, Belinda Balluku. Het doel is om de grens van 10 miljoen te passeren en daarmee de cijfers van 2022 te verdubbelen. Daarmee zou het kleine Balkanland officieel op de radar komen van Europa’s populairste bestemmingen aan zee.

    Alle gemakken

    Naast toeristen zijn gepensioneerden een andere groep die graag voet aan de grond wil krijgen in Albanië, vooral sinds Portugal, dat een paar maanden geleden nog een gouden toevluchtsoord was, een einde heeft gemaakt aan de belastingvrijstelling voor buitenlandse gepensioneerden. Sinds 23 januari 2020 belast Albanië alleen nog inkomsten die in het land zelf zijn gegenereerd. In gewone taal betekent dit dat gepensioneerden die naar Albanië verhuizen met een geldige verblijfsvergunning het pensioen blijven ontvangen dat ze in Italië hebben verdiend, dat belast is door de Italiaanse belastingdienst maar niet door de Albanese belastingdienst, zodat dubbele belastingheffing wordt vermeden.

    Carmine Iampietro werkte zijn hele leven in Novara, vlak bij Milaan. Ongeveer tien jaar geleden verhuisde hij naar Durrës, waar hij de Vereniging van Italiaanse Gepensioneerden in Albanië oprichtte. Hij legt uit: ‘We hebben een overeenkomst met zorginstellingen, makelaars en advocatenkantoren.’ Net als de meeste van de bijna duizend Italiaanse gepensioneerden die in Albanië wonen, woont hij in Durrës, in een woonwijk aan de zee.

    ‘We zitten op minder dan een half uur rijden van Tirana, waar je artsen in alle specialismen hebt. Je bent hier van alle gemakken voorzien: de kosten van levensonderhoud zijn aanzienlijk lager dan in Italië, het hele jaar door een aangenaam klimaat, de zee, lekker eten en, niet in de laatste plaats, het feit dat iedereen boven de veertig Italiaans spreekt.

    Ondanks deze troeven neemt de levendigheid van het nieuwe Albanië zeker niet de enorme problemen weg van een land dat nog steeds in clantermen denkt, een erfenis van een plattelandswereld die standhoudt buiten Tirana en de grote steden. En dan is er nog de diaspora, die het gevolg is van het isolement en de langdurige dictatuur (1,25 miljoen Albanezen wonen nu in het buitenland, dat is 40 procent van de totale bevolking van het land).

    De diaspora ziet er echter niet meer zo hopeloos uit als aan het begin van de jaren negentig, toen het koopvaardijschip Vlora, overvol met wanhopige mensen, aanmeerde in de haven van Bari (op 8 augustus 1991) en de foto’s ervan de hele wereld over gingen.

    Arjan Vasjari, een Albanees die jurisprudentie studeerde in Bari, is een gecultiveerde en briljante man met een academische achtergrond die vandaag de dag consul-generaal van Albanië is in de hoofdstad van de Italiaanse regio Apulië. ‘Albanië is een tumultueuze democratie,’ geeft hij toe. ‘Onze geschiedenis na de dictatuur hangt ook van valpartijen aan elkaar, maar we zijn altijd weer opgestaan. We proberen onze problemen niet onder het tapijt te vegen, maar ze bij de horens te pakken.’

    ‘De huidige politieke en institutionele overgang in Albanië is zeker een goede zaak, vooral in vergelijking met andere Balkanlanden,’ aldus Fabrizio Bucci, de Italiaanse ambassadeur in Albanië. ‘Edi Rama is bezig aan zijn derde termijn, hij garandeert stabiliteit en blijft regeren met een grote meerderheid.’ Kredietbeoordelaar Moody’s geeft het land ‘een stabiele aanblik, met een groei van het bbp van naar schatting 3,5 procent in 2023, tegenover 5 procent in 2022’, aldus Vasjari.

    Edi Rama richt zich resoluut op Europa, maar blijft tegelijk Turkije en de Golfstaten in de gaten houden

    De afgelopen jaren heeft de regering grote hervormingen doorgevoerd, te beginnen bij de justitie. Er lopen nog steeds onderzoeken om zo’n achthonderd Albanese magistraten [verdacht van vriendjespolitiek en corruptie] te berechten en er zijn nog zo’n honderd zaken die onderzocht moeten worden. Tot nu toe heeft de procedure geleid tot het ontslag van 60 procent van de magistraten, terwijl anderen er de voorkeur aan hebben gegeven ontslag te nemen om aan de publieke veroordeling te ontkomen.

    ‘Albanië boekt ook vooruitgang op het internationale toneel en heeft officieel onderhandelingen geopend over het EU-lidmaatschap tijdens de eerste intergouvernementele conferentie in juli 2022,’ vervolgt Bucci.

    Meer in het algemeen rekent de internationale gemeenschap op Albanië om een turbulente Balkanregio te helpen stabiliseren. ‘Als ambassadeur herinner ik onze grote bedrijven er voortdurend aan dat Tirana binnenkort lid zal zijn van Europa en dat het de poort is naar de Balkan’ – een markt van 22 miljoen mensen die al geconcentreerd zijn in een vrijhandelszone, de ‘Open Balkan’ tussen Servië, Albanië en Noord-Macedonië.

    Toch zal Albanië nog minstens zeven of acht jaar moeten wachten voordat het officieel tot Europa kan toetreden. Het hangt er helemaal van af hoe snel Tirana voldaan heeft aan het stappenplan van Brussel. ‘Het belangrijkste is dat het proces al in volle gang is: de vraag is niet meer of, maar wanneer,’ concludeert Bucci.

    Edi Rama richt zich resoluut op Europa, maar blijft tegelijk Turkije en de Golfstaten in de gaten houden. ‘Vergeet niet dat het hart van deze regering en van Albanië weliswaar naar het Westen leunt, maar dat de portefeuille ondertussen aan de kant van het Oosten staat,’ waarschuwt Carlo Bollino, een Italiaanse journalist die al jaren in Albanië woont.

    Albanië is per slot van rekening nog altijd een overwegend islamitisch land.

  • Junkfood is toe aan een nieuwe definitie

    Junkfood is toe aan een nieuwe definitie

    Ons dieet bestaat voor een steeds groter gedeelte uit ultrabewerkte producten. Dat is niet bepaald goed voor de gezondheid. Maar voor veel mensen is ‘echt eten’ onbetaalbaar. Volgens de Britse arts infectie­ziekten Chris van Tulleken ligt hier een taak voor de overheid.

    Het lijkt misschien raar, maar toch is het echt zo: wereldwijd is niet langer tabak, maar voedsel de belangrijkste oorzaak van een vroegtijdige dood. Jaarlijks sterven in de Verenigde Staten meer mensen aan ziekten die zijn veroorzaakt door slechte voeding dan er soldaten zijn gesneuveld in alle Amerikaanse oorlogen bij elkaar. In het Verenigd Koninkrijk is de situatie al net zo ernstig.

    Volgens officiële bronnen zijn de gezondheidseffecten van voedsel direct gerelateerd aan de voedingswaarde ervan, dus de hoeveelheid vet, zout, suiker en vezels die het bevat. In het huidige systeem is het aan de consument om de uitgebreide informatie op de verpakking te lezen en op basis van de aanbevolen hoeveelheden te beslissen wat een geschikte portie is. Als je kinderen hebt, moet je die hoeveelheden ook voor hen kunnen inschatten. Voor de meeste mensen is dat vrijwel onmogelijk – maar zelfs als je precies zou kunnen berekenen hoeveel vet, zout en suiker je per hap binnenkrijgt, zou je nog steeds voorbijgaan aan een cruciale factor: in hoeverre het voedsel bewerkt is.

    Bewerkt voedsel

    Misschien klinkt dit je allemaal bekend in de oren, want mensen maken zich al lange tijd zorgen over ‘bewerkt voedsel’. Toch is dat niet altijd een duidelijk begrip geweest: we bewerken immers al honderdduizenden jaren voedsel. Het menselijk dieet is uitgevonden door huishoudelijk deskundigen, voornamelijk vrouwen, die planten en dieren bewerkten door ze te malen, schudden en stampen; of die ze transformeerden door ze te fermenteren en te verwarmen, waarna ze ze pekelden, rookten en droogden om ze te conserveren. Voedselbewerking heeft bijna elk onderdeel van het menselijk lichaam beïnvloed: van alle dieren met onze omvang hebben wij de kortste darmen, omdat we de darmfunctie deels hebben uitbesteed aan onze keuken. We zijn de enige diersoort die zijn voedsel moet bewerken om te overleven. Voedselbewerking is dus prima.

    Maar iets meer dan tien jaar geleden stuitte een groep wetenschappers op een paradox in de gegevens van Braziliaanse voedingsonderzoeken. Obesitas was uitgegroeid van een zeldzame kwaal tot het grootste volksgezondheidsprobleem van het land, terwijl mensen minder olie en suiker kochten dan voorheen. Wel aten ze meer industrieel bewerkt voedsel: koekjes, geëmulgeerd brood, snoepgoed enzovoort. Het team ontwikkelde een definitie die onderscheid maakt tussen enerzijds traditionele levensmiddelen, al dan niet bewerkt, en anderzijds industrieel bewerkte producten, die ze ultra processed foods [ultrabewerkt voedsel] noemden, kortweg UPF’s.

    De volledige definitie is pagina’s lang, omdat er zo veel verschillende producten onder vallen. Maar als je wilt weten of iets een UPF is, is een goede vuistregel dat het veelal in plastic is verpakt en een ingrediënt bevat dat je niet in een doorsneekeuken aantreft. Dankzij de uitgewerkte definitie kon de hypothese van het Braziliaanse team – dat UPF’s de oorzaak zijn van gezondheidsproblemen – worden getest. Er zijn inmiddels honderden wetenschappelijke onderzoeken die UPF’s op overtuigende wijze in verband brengen met gewichtstoename, beroertes, hartaanvallen, kanker, diabetes type 2, een hoge bloeddruk, leververvetting, chronische darmontsteking, depressie, dementie en een vroegtijdige dood.

    Volproppen met UPF’s

    UPF’s zijn in het Verenigd Koninkrijk goed voor zo’n 60 procent van de calorieën die we binnenkrijgen, en dat cijfer ligt voor jongeren nog hoger. Onze Britse eetcultuur draait inmiddels zodanig om UPF’s dat we onze kinderen ermee volproppen. Veel UPF’s staan al bekend als ‘junkfood’, maar het traditionele beeld dat daarbij hoort – patat, chips, frisdrank – moet worden bijgesteld. Supermarktbrood, ontbijtgranen, verpakte snacks, bewerkte vleesproducten en diepvriesmaaltijden vallen er eigenlijk ook allemaal onder. En pas op: veel UPF’s worden op de markt gebracht als producten die gezond en voedzaam zijn, of die je zelfs kunnen helpen afvallen.

    Additieven en textuur

    Onderzoek toont nu aan dat UPF’s niet alleen schadelijk zijn omdat ze zout, vet, suikerrijk en vezelarm zijn; het simpele feit dat ze bewerkt zijn, is de boosdoener. Als je goed naar de ingrediënten kijkt, zul je zien dat de meeste UPF’s zijn gemaakt van basisgewassen zoals maïs of soja, die zijn gereduceerd tot hun meest elementaire moleculen (eiwitisolaten, geraffineerde oliën en gemodificeerde koolhydraten). Deze worden vervolgens opnieuw samengevoegd en voorzien van additieven, om het voedsel in elke gewenste vorm of textuur te kunnen produceren.

    De manipulatie van de textuur van het voedsel is een belangrijk deel van het probleem. UPF’s zijn vaak erg zacht en droog. Met behulp van gommen en oliën wordt vochtigheid nagebootst, maar het watergehalte is laag zodat de producten lang houdbaar blijven. Dat zorgt ervoor dat ze een zeer hoge energiedichtheid hebben, wat er, in combinatie met de zachte textuur, voor zorgt dat je (te) snel eet. De systemen die ons lichaam in de loop van miljoenen jaren heeft ontwikkeld om een vol gevoel te signaleren, kunnen dat niet bijhouden. Er zijn veel mogelijke verklaringen voor de schade die UPF’s veroorzaken.

    Stofwisseling

    Fruit en groenten zijn bijvoorbeeld complex: ze bevatten tienduizenden fytochemicaliën, moleculen die essentieel zijn voor gezonde voeding. In UPF’s is het aantal fytochemicaliën drastisch verminderd. En veel van de gebruikte additieven (zoals emulgatoren, smaakversterkers en zoetstoffen) hebben directe ongewenste effecten op onze stofwisseling en ons microbioom.
    Vanuit wetenschappelijk oogpunt is dit allemaal fascinerend. Achterhalen wat UPF’s precies zo schadelijk maakt is belangrijk. Maar voor de volksgezondheid is het nuttiger om je af te vragen waarom ze überhaupt in de schappen liggen. Culinair deskundigen in de prehistorie vonden voedselproducten uit om hun gezin en hun omgeving te voeden.

    Een economisch voedselsysteem waarin het draait om winst

    Ultrabewerkt voedsel daarentegen is onderdeel van een economisch voedselsysteem waarin het draait om winst. Hierdoor persen we werkelijk elk verhandelbaar ingrediënt uit dingen die niet eens voor menselijke consumptie worden verbouwd: soja-eiwitisolaat, maïssiroop en gemodificeerd zetmeel zijn allemaal afkomstig van gewassen die op grote schaal worden verbouwd om dieren te voeden. Ons voedsel ondergaat decennialange cycli van productontwikkeling en -marketing; om de producten onweerstaanbaar te maken laten producenten ze steeds meer bewerkingsprocessen doorlopen en voegen ze steeds meer ingrediënten toe. Onderzoek wijst uit dat sommige UPF’s voor veel mensen, waaronder ikzelf, even verslavend zijn als sigaretten en andere drugs.

    Multinationals

    Voedsel dat is ontwikkeld door multinationals die uit zijn op winst doet iets anders met ons lichaam dan een maaltijd die is bereid door iemand die van ons houdt. Dat is misschien niet verrassend, maar het heeft lang geduurd voordat we het met zekerheid konden aantonen. Inmiddels raken onafhankelijke wetenschappers van toonaangevende instellingen zoals University College London, waar ik werk, er steeds meer van overtuigd dat ultra-processing een belangrijke motor is van de gezondheidsproblemen waaraan zo veel mensen lijden.

    Echt voedsel

    Dus wat moeten we doen? Nationale voedingsadviezen moeten niet alleen waarschuwen tegen zout, vet en suiker, maar ook tegen UPF’s. Dat lijkt een kleine stap, maar die is van cruciaal belang. Vervolgens moeten we voorzichtig te werk gaan. Voor veel mensen zijn UPF’s het enige betaalbare voedsel dat beschikbaar is. Beleidsveranderingen moeten voorkomen dat de kansarme groepen die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen ervan verder worden gestigmatiseerd. Het zou enorm helpen om de marketing van deze producten, vooral aan kinderen, te beperken. En we moeten ervoor zorgen dat alles wat in instellingen zoals scholen, ziekenhuizen en gevangenissen wordt geserveerd echt voedsel is. Uiteindelijk zullen we, net als bij tabaksproducten, moeten inzien dat een waarschuwing op de verpakking noodzakelijk is. En er zijn bredere inzichten die we in acht moeten nemen. We weten dat mensen die het kunnen betalen ook daadwerkelijk gezonder eten. Als we de gevolgen van UPF’s – gewichtstoename, diabetes en hartaanvallen – willen beperken, moeten we de oorzaken aanpakken waardoor ze voor veel mensen de enige optie zijn: armoede en ongelijkheid.

  • Afrikaanse landen worstelen met de opkomst van diabetes en hoge bloeddruk

    Afrikaanse landen worstelen met de opkomst van diabetes en hoge bloeddruk

    In Sub-Sahara-Afrika is de levensverwachting spectaculair gestegen dankzij succesvolle bestrijding van infectieziekten. Maar niet-overdraagbare aandoeningen worden zelden gediagnosticeerd of behandeld.

    Hannah Wanjiru had jarenlang last van duizelingen en hoofdpijn. Pas na zes dure doktersafspraken werd hoge bloeddruk vastgesteld en kon ze medicijnen nemen. Intussen was ze twee jaar en verschillende flauwtes verder. In diezelfde periode kreeg haar man, David Kimani, een andere arts. Die stelde de diagnose diabetes, wat voor het echtpaar net zo onverwacht was.

    Met een andere ziekte waren ze misschien beter af geweest. Niet ver van hun kleine appartement in de hoofdstad van Kenia is een openbaar ziekenhuis waar gratis behandelingen voor hiv en tuberculose worden gegeven. Hun wijk – met lage inkomens – hangt vol posters die gratis hiv-preventiediensten aanbevelen.

    Dergelijke initiatieven zijn er niet voor hoge bloeddruk of diabetes, of voor andere ziekten zoals kanker en chronische ademhalingsaandoeningen. In Kenia en een groot deel van Sub-Sahara-Afrika is de gezondheidszorg – en de internationale donaties waarvan ze deels afhankelijk is – sterk gericht op de behandeling van besmettelijke ziekten zoals hiv en malaria.

    ‘Als ik mijn bloedsuiker laat testen, moet ik soms de hele dag wachten. Ik val dan bijna flauw in de rij,’ aldus Kimani.

    Dankzij de succesvolle bestrijding van hiv, tuberculose en andere dodelijke infectieziekten en de uitbreiding van basisvoorzieningen heeft Sub-Sahara-Afrika de afgelopen twintig jaar een buitengewone stijging van de levensverwachting gezien. Een verlenging van tien jaar, zo meldde de Wereldgezondheidsorganisatie onlangs. Het is de grootste stijging ter wereld.

    ‘Maar de dramatische toename van hypertensie, diabetes en andere niet-overdraagbare ziekten en het gebrek aan gezondheidszorg rondom deze ziekten werken deze verbeteringen tegen’, zo stelt de WHO in een rapport over Afrikaanse gezondheidszorg. De organisatie waarschuwt hierin dat de stijging van de levensverwachting vóór het einde van het volgende decennium alweer teruggedraaid kan zijn.

    Niet-overdraagbare ziekten zijn nu goed voor de helft van de ziekenhuisbedden in Kenia en meer dan een derde van de sterfgevallen. Die percentages komen min of meer overeen met de rest van Sub-Sahara-Afrika, waar mensen er bovendien op jongere leeftijd dan elders in de wereld door worden getroffen.

    ‘Vaccinatieprogramma’s lopen goed, en hiv-programma’s ook – maar diezelfde mensen zullen op jonge leeftijd sterven aan niet-overdraagbare ziekten,’ aldus dokter Gershim Asiki. Als onderzoeker bij het African Population and Health Research Center, een onafhankelijke organisatie in Nairobi, richt hij zich op de aanpak en preventie van de aandoeningen in kwestie.

    Diagnose

    De medicijnen en benodigdheden die Wanjiru (44) en Kimani (49) nodig hebben, kosten elke maand ruim 55 euro – een groot deel van het inkomen dat hun kleine buurtwinkel opbrengt, vertelt Wanjiru terwijl ze in haar woonkamer een kopje thee drinkt. Allebei slaan ze hun medicatie over in de maanden dat ze schoolgeld moeten betalen voor hun vier kinderen.

    ‘Eerst krijg ik hoofdpijn en voel ik me zwak, en dan voel ik me gestrest, omdat ik weet dat ik medicijnen moet kopen in plaats van eten voor mijn gezin,’ aldus Kimani.

    Het komt hier maar zelden voor dat controles op aandoeningen als hoge bloeddruk regelmatig worden uitgevoerd. Het aantal diagnoses is laag, en vaak is alleen in gespecialiseerde centra in stedelijke gebieden zorg te krijgen. Mensen zijn niet bekend met de kwalen: iedereen herkent malaria, maar slechts weinig mensen weten dat wazig zicht of uitputting een gevolg is van hoge bloeddruk. Veel zorgverleners weten ook niet waar ze op moeten controleren.

    Toen Asiki’s organisatie een paar jaar geleden in een arme gemeenschap in Nairobi willekeurige controles uitvoerde, ontdekten onderzoekers dat een kwart van de volwassenen hoge bloeddruk had. Tachtig procent van hen was daar echter niet van op de hoogte. Van degenen die het wel wisten, hield minder dan drie procent hun bloeddruk op peil met medicijnen.

    Iedereen herkent malaria, maar weinig mensen weten dat wazig zicht en uitputting gevolg zijn van hoge bloeddruk

    Slechts een fractie van het Keniaanse gezondheidsbudget wordt besteed aan niet-overdraagbare ziekten. Die fractie bedroeg elf procent in 2017 en 2018 – de meest recente cijfers in het strategisch plan van de regering. Bovendien zijn die middelen meestal bestemd voor dure curatieve diensten zoals bestralingsmachines in kankerklinieken en nierdialysecentra. ‘Ondertussen krijg ik mensen over de vloer die kanker in stadium vier hebben en een heel kleine overlevingskans, omdat ze maar geen diagnose kunnen krijgen,’ zegt Asiki.

    Volgens Catherine Karekezi knippen politici graag lintjes door voor nieuwe kankercentra maar zien ze geen politiek voordeel in een screeningprogramma voor de lange termijn. Karekezi is uitvoerend directeur van de Keniaanse afdeling van internationale patiëntenorganisatie Non Communicable Disease Alliance.

    ‘Tachtig procent van de sterfgevallen door niet-overdraagbare ziekten in dit land is te voorkomen,’ aldus Karekezi. ‘We kunnen de oorzaken voorkomen, en als je de aandoening eenmaal hebt, kunnen we voorkomen dat er verdere complicaties ontstaan.’

    Maar, zo vertelt ze, in plaats daarvan worden mensen op steeds jongere leeftijd ziek en ontwikkelen ze ernstige complicaties, waardoor ze soms niet kunnen werken. ‘Het economisch actieve deel van de bevolking wordt getroffen,’ zegt ze.

    Het komt veel voor dat mensen op hun vijftigste aan een niet-gediagnosticeerde hartziekte of aan de complicaties van diabetes sterven, wat vervolgens wordt toegeschreven aan ‘ouderdom’. Er zijn geen goede mechanismen om doodsoorzaken nauwkeurig mee op te sporen, wat betekent dat noch het publiek noch beleidsmakers de ware omvang van het probleem bevatten, aldus Asiki.

    In tegenstelling tot hiv-medicatie en -zorg, die gewoonlijk gratis is en gesubsidieerd wordt door internationale donoren, komt de behandeling van diabetes of hoge bloeddruk gewoonlijk voor eigen rekening. De kosten zijn vaak schrikbarend hoog, aldus dokter Jean-Marie Dangou, die het programma voor niet-overdraagbare ziekten van het regionale kantoor van de WHO in Afrika coördineert.

    ‘In de Democratische Republiek Congo kost de behandeling van hypertensie maandelijks twee derde van het gemiddelde gezinsinkomen,’ vertelt hij. ‘Voor een gezin is dat absurd. Toch komt het best veel voor.’

    Annah Mutindi (42) gaf al het geld dat ze als bediende in een kledingwinkel in Nairobi had opgespaard uit aan doktersbezoeken en tests. Totdat in januari 2021 werd vastgesteld dat de pijnlijke knobbel in haar borst kanker was. Ze kreeg een behandeling van twaalf tweewekelijkse chemokuren voorgeschreven. In principe had ze die tegen minimale kosten kunnen krijgen in een groot openbaar ziekenhuis in het centrum van de stad, maar de behandeling was almaar niet op voorraad.

    In plaats daarvan moest ze wachten tot haar familie en vrienden om de paar weken 340 euro bij elkaar konden schrapen, zodat ze de behandelingen een voor een kon betalen, verspreid over de daaropvolgende negen maanden.

    ‘Ik was in shock toen ze me vertelden dat het kanker was, want ik drink nooit alcohol en ik eet gezond,’ zegt Mutindi over haar diagnose. ‘Ze zeiden dat het misschien door omgevingsfactoren kwam.’

    Stijging

    Het aandeel van de sterfgevallen die door niet-overdraagbare ziekten veroorzaakt worden, neemt in de hele regio toe. Dit gebeurt het snelst in de dichtstbevolkte landen van het continent, aldus Dangou. In Ethiopië bijvoorbeeld bedroeg sterfte door dergelijke aandoeningen vorig jaar 43 procent van alle sterfgevallen. In 2015 was dat nog maar 30 procent. In Congo vond een vergelijkbare stijging plaats.

    Het is duidelijk dat een deel van deze stijging wordt veroorzaakt door de snelle verstedelijking en een toenemend sedentaire levensstijl. Een andere factor is dat er meer tabak, alcohol en bewerkt voedsel worden genuttigd.

    De regering van Kenia heeft lang gewacht met ontmoedigingsbeleid. En alle drie de industrieën hebben machtige lobbyorganisaties die erop gericht zijn wettelijke maatregelen zoals belasting op suikerhoudende dranken tegen te houden. Kenia is een belangrijke tabaksproducent en de tabaksindustrie blijft de regering erop wijzen op de hoeveelheid banen die ze biedt, vertelt Asiki.

    Het is natuurlijk ook zo dat mensen domweg langer leven door de succesvolle strijd tegen infectieziekten. Maar andere oorzaken, zoals mogelijke genetische factoren en een correlatie met blootstelling aan infectieziekten, worden minder goed begrepen.

    Het blijft een mysterie waarom niet-overdraagbare ziekten in deze regio zo snel en bij relatief jonge mensen toenemen. Overheden doen weinig om te onderzoeken hoe dat komt.

    ‘Toen ik tien jaar geleden als arts in een plattelandsgebied werkte, zag je per dag vijftig patiënten met deze aandoeningen. Nu zijn het er vijfhonderd tot duizend’

    De ervaring met hogelonenlanden is slechts beperkt relevant voor de situatie in een land als Kenia, aldus Asiki. Als mensen in hun kindertijd geen voedzame voeding krijgen, lijkt de kans toe te nemen dat ze op volwassen leeftijd met obesitas kampen. Er zijn aanwijzingen dat een malaria-infectie mensen vatbaar maakt voor hart- en vaatziekten; hepatitisinfecties vergroten de kans op kanker.

    Het jarenlang innemen van de antiretrovirale geneesmiddelen die hiv bestrijden, kan leiden tot een hoger risico op hartziekten. Stadsbewoners hebben bovendien vaker te maken met luchtvervuiling en milieuvergiftiging. Sommige kampen bovendien met stress, doordat ze wonen in een wijk waar geweld en onveiligheid aan de orde van de dag zijn. Al deze factoren spelen volgens Asiki mee, maar we weten nog weinig over het cumulatieve effect.

    Dokter Andrew Mulwa heeft de leiding over de programma’s voor preventie en gezondheidsbevordering van het Keniaanse ministerie van Volksgezondheid. Hij geeft aan dat de regering zich zorgen maakt over de forse stijging van het aantal niet-overdraagbare aandoeningen, maar dat het lang duurt om diagnostisering en behandeling in plattelandsgebieden mogelijk te maken.

    ‘Toen ik tien jaar geleden als arts in een plattelandsgebied werkte, zag je per dag vijftig patiënten met deze aandoeningen. Nu zijn het er vijfhonderd tot duizend, allemaal in dezelfde instelling,’ aldus Mulwa.

    Slechte voeding beïnvloedt de toename van niet-overdraagbare ziekten op meerdere manieren – een fenomeen dat Asiki ‘het dubbele nadeel van ondervoeding’ noemt. Deze regio kent zowel het grootste aantal onvolgroeide kinderen ter wereld als het snelst groeiende percentage zwaarlijvigen.

    In huishoudens met lage inkomens komen vaak zowel ondervoede kinderen voor als volwassenen die zwaarlijvig zijn. De kinderen missen eiwitten en voedingsstoffen die essentieel zijn voor hun groei; de obesitas is het gevolg van goedkoop, vet en energierijk straatvoedsel, dat vaak beter betaalbaar is dan groente en het gas dat nodig is om thuis te koken.

    ‘Het kan zijn dat je te veel slecht voedsel eet maar toch onvoldoende voedzaam voedsel binnenkrijgt,’ aldus Asiki. ‘Het lichaam slaat overtollige energie op als vet – maar uiteindelijk lijdt het alsnog aan schaarste.’

    Hij denkt dat de regering zo traag is geweest met het organiseren van screeningprogramma’s omdat ze de omvang van het probleem niet aankon.

    ‘Plotseling besef je: ik heb niet genoeg medicijnen voor hypertensie, ik heb niet genoeg medicijnen om mensen met kanker te behandelen,’ zegt Asiki. ‘Als je screent, kies je behandelbare gevallen. Maar hebben we wel de middelen om ze te behandelen?’

    Lees ook:

  • De kinderen van nu hebben een toekomst zonder illusies

    De kinderen van nu hebben een toekomst zonder illusies

    Op welke aarde zullen de nakomelingen van generatie Y – geboren tussen 1986 en 2000 – wonen? Van de privileges die wij ouderen bezitten, kunnen zij alleen dromen.

    Een baby. Hij is pas geboren, maar lijkt wanhopig, zijn beentjes spartelend in de zomerzon, zijn mondje open. Naast de baby staan de ouders, met de gebruikelijke, belangrijke vragen. Zorgen we wel goed voor hem, waarom huilt hij, zou hij pijn hebben? En jij, als toeschouwer, vraagt je af wat hem wordt aangedaan door hem in deze wereld geboren te laten worden. Zal hij een draaglijk leven hebben, wat zouden we kunnen doen om hem te helpen?

    Het zijn de weken van de grote bosbranden en lege rivierbeddingen. Van verdorde oogsten, overal droogte en groter wordende woestijnen. Het is zomer. De zee bij Mallorca is zo warm als het water in een badkuip. De bossen smeulen en het aanrollende onweer klinkt onheilspellend. Je wilt geen doemdenker worden en niet over de oorlog in Europa of de pandemie beginnen. Maar sinds je eigen jeugd in de jaren negentig is het allemaal wel een puinhoop geworden. Wanneer heeft het ooit zo gevoeld? Je kunt maar beter geen kinderen meer op de wereld zetten, zeggen ze tegenwoordig. Zeiden ze dat vroeger ook?

    Grote verantwoordelijkheid

    Weer een generatie die openbaringen krijgt als ze kinderen krijgen, zult u misschien spottend denken. Maar dit is de generatie die pas een paar jaar geleden heeft begrepen wat een bluts in de welvaart betekent. Dat het hun kinderen zijn die hoogstwaarschijnlijk de schuld aan de planeet die zijzelf hebben opgebouwd, moeten afbetalen. De generatie die nog in de openlucht overnachtte, stage liep en in duizend toekomsten geloofde. Zeker, diep weggestopt in hun geheugen herinneren ze zich iets wat na 9/11 en vóór de grote beurskrach gebeurde: een Amerikaanse vicepresident die over de wereld rondreisde met zijn inconvenient truth, de mensen probeerde uit te leggen dat ze een grote verantwoordelijkheid droegen en hen waarschuwde dat er een ramp stond te gebeuren.

    Dat was in 2006. Terwijl de woorden van Al Gore door de klas gonsden, waren er momenten van consternatie en irritatie. Maar wat betekende dat concreet voor een stel middelbare scholieren?

    Al sinds de jaren zeventig stelt de internationale gemeenschap zich ten doel de klimaatverandering te bestrijden. Desondanks is dat doel geen stap dichterbij gekomen. Integendeel, juist in de laatste dertig jaar is de snelheid waarmee de aarde opwarmt aanzienlijk toegenomen.

    Wie nog geen dertig is zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken’

    In zijn essay What If We Stopped Pretending (2019) geeft de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen het dubieuze advies dat we moeten erkennen dat het te laat is om de planeet te redden. Wie nog geen dertig is, schrijft Franzen, zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken: misoogsten, apocalyptische branden, imploderende economieën, epische overstromingen, honderden miljoenen vluchtelingen uit regio’s die door extreme hitte of droogte onbewoonbaar zijn geworden’. Je kunt er maar beter op voorbereid zijn. Franzen beschreef waar wetenschappers allang voor waarschuwden: zodra de opwarming van de aarde meer dan twee graden bedraagt, gaat de wereld veranderen. De mensheid zal wel blijven bestaan, maar onder veel en veel slechtere omstandigheden. Het point of no return kunnen we hoogstens uitstellen. ‘Er is geen hoop. Alleen voor ons.’

    Franzen ontwierp de strategie van het koele abstractievermogen, dat tegenover de aanstormende catastrofe veel verder gaat dan denken aan je eigen kinderen; een hyperidealistische bereidheid om ondanks de totale onmogelijkheid van idealisme en ondanks alle weerstand door te gaan. Wie nog op redding hoopt, zal alleen wanhopen en bij elke nieuwe brand verstijven van angst. Wie de ramp accepteert, kan beginnen na te denken over zijn eigen speelruimte, over ‘de absolute urgentie van vrijwel elke actie om de wereld te verbeteren’.

    Die gedachte is utopisch, omdat wij de idee van onze eigen sterfelijkheid al verontwaardigd van de hand wijzen. Om nog maar te zwijgen over de sterfelijkheid van de moderne beschaving. Maar wie zou niet graag eens het grote geheel van een afstand willen bekijken? De eerste foto’s van de aarde vanuit het heelal zijn symbolen geworden van deze kijk van buitenaf, van ons besef hoe fragiel we zijn. Naar dit moment verwijst het ‘planetaire denken’. Wie claimt planetair te denken, accepteert dat de mens niet langer het middelpunt van de wereld is. Alexander von Humboldt is een van de vaders van het planetaire denken, dat zijn oorsprong vindt in de kosmologie van inheemse volkeren. Klimaatactivisten hebben het altijd over de grenzen van de planeet. Het gaat, zoals Frederic Hanusch, Claus Leggewie en Erik Meyer het in Planetary Thinking schrijven, om een poging beter naar de stem van de bezielde en onbezielde natuur te luisteren. En dat bedoelen ze geenszins esoterisch. Onopvallend, stap voor stap en zonder paniek wil het planetaire denken ons voorbereiden op de catastrofe die Franzen zo plastisch beschrijft.

    De golf voor zijn

    Dus wat heeft de natuur ons eigenlijk te zeggen? Er zitten nog geen vertegenwoordigers van rivieren, bergen en velden in het parlement, en ze hebben ook geen wettelijke status zoals de Maori. Maar de auteurs maken melding van seismische mechanismen die de stem van de natuur hoorbaar maken, en van het seismische lawaai van de mens, dat tijdens de pandemie iets minder is geworden. Ook al drukt Frederic Hanusch zich voorzichtig uit, het komt neer op de volgende boodschappen van de natuur. Ten eerste: ‘Uw daden zijn al door mijn daden bepaald.’ Om ‘de golf voor te zijn’, zoals dat in de taal van de pandemie heet, moet zo’n beetje alles veranderen. Ten tweede: ‘Dit is waarschijnlijk een van de koudste zomers van de rest van je leven.’

    Hanusch, midden dertig, doet onderzoek naar democratie en planetaire verandering en is directeur van het Panel on Planetary Thinking. Hij heeft onderzocht hoe de kwaliteit van democratieën de kwaliteit van het klimaatbeleid beïnvloedt (goed). Maar om de versnelling van de opwarming van de aarde een halt toe te roepen, moet het politieke systeem veel sneller en radicaler veranderen. Met een grondwet die tot stand is gekomen toen het begrip ‘klimaatverandering’ nog niet was uitgevonden, komen we er in elk geval niet; en radicale politieke stappen zijn tot nu toe alleen gezet na middelgrote rampen. Droogte is niet genoeg, eerst moeten binnensteden afbranden.

    Er is toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft

    Zo drastisch drukt Hanusch zich niet uit, hij is tenslotte wetenschapper. In zijn vakgebied gaat het erom grote samenhangen interdisciplinair te onderzoeken, de scheiding tussen natuur- en geesteswetenschappen op te heffen, iets wat klimaatonderzoekster en kandidaat-astronaute Insa Thiele-Eich ook op scholen wil doen, met de nadruk op de maatschappelijke uitdagingen van de klimaatverandering. Misschien is de generatie van Hanusch’ studenten al beter voorbereid op wat komen gaat dan midden-dertigers, maar hij aarzelt: ‘Dat de komende generaties wat betreft duurzaamheid per se progressiever stemmen, kan niet worden aangetoond.’ Er is eerder sprake van toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft.

    Het ligt aan het begrip van tijd. De generatie die nu rond de dertig is, is opgegroeid met een lineair vooruitgangsidee in het hoofd, zegt Hanusch. Met de gedachte dat er wel een technologie zal worden uitgevonden die als het kritiek wordt, alles oplost. Of, nog erger, ze heeft het idee verinnerlijkt van ‘great again’, de cyclus van opkomst, hoogtepunt, chaos, verval en nieuwe opkomst. Een door de natuur bepaald alternatief scenario is moeilijk voorstelbaar. Maar de verhalen van vooruitgang en triomf worden steeds meer overstemd door wat de planeet zelf steeds luider verkondigt.

    Complexiteit van de globale verandering

    In hun boek grijpen Hanusch en zijn collega’s terug op een gedachte van Thomas Jefferson. In 1789, te midden van allerlei ingrijpende politieke veranderingen en op de drempel van een nieuwe tijd, schreef Jefferson, een van de grondleggers van de Verenigde Staten, aan zijn collega James Madison dat hij zich zorgen maakte over het feit dat generaties van elkaar afhankelijk zijn. Volgens Jefferson zou de aarde wat betreft het vruchtgebruik moeten toebehoren aan de levenden. Ze mocht niet worden ‘opgebruikt’, maar moest tenminste in gelijkwaardige staat en vrij van schulden aan de volgende generatie worden overgedragen. Dit begin in vrijheid moest democratisch worden vastgelegd: elke generatie mocht een nieuwe grondwet maken en afschaffen wat vroeger goed en nu schadelijk was. Anders zouden de doden heersen over de levenden.

    James Madison praatte Jefferson diens idee van een contingente toekomst uit het hoofd. Maar ervan afgezien dat het te laat is om voor elke nieuwe generatie om de wereld in gelijkwaardige toestand achter te laten, heeft Jeffersons idee voor Hanusch een voordeel: het zou niet langer noodzakelijk zijn de complexiteit van de globale verandering te begrijpen. Wat je aantrof, zou je aan de volgende generatie moeten doorgeven. Er zouden minder overgeërfde schulden zijn en er zou beter worden stilgestaan bij hoe we dingen zelf willen aanpakken.

    De uitbuiting van milieu en hulpbronnen zou een nieuwe context krijgen. Wie zonder consideratie te werk gaat, vergooit zijn onafhankelijkheid, nog afgezien van de vrees dat zijn eigen kleinkinderen in de natte kelders van overstroomde steden moeten wonen. De verantwoordelijkheid voor komende generaties zou deel zijn van het politieke proces dat theoretisch tot in het oneindige zou kunnen worden gebruikt. Theoretisch.

    Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd

    Terug naar de schuldvraag en het kind. Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd. Het verschijnsel van de shifting base lines beschrijft hoe mensen de toestand van het milieu dat ze in hun kinderjaren aantreffen als gezond beschouwen, hoe ver dat milieu ook van zijn natuurlijke oorsprong verwijderd is. Voor vissers wier vaders twee keer zo veel vis vingen als zijzelf, is hun eigen ervaring het referentiekader: die handvol vissen in hun net. Natuurlijk zijn er de herinneringen van hun ouders en grootouders. Maar er zijn geen data over hoe de planten- en dierenwereld er destijds uitzag, steeds minder mensen hebben in hun dagelijks leven nog iets met de natuur te maken. De kennis daarvan neemt af. Iemand die er heilig van overtuigd was dat het gras altijd groen en budgetmaatschappijen altijd goedkoop zouden blijven, heeft het de laatste tijd niet makkelijk gehad. Wat dertig jaar geleden normaal leek, de onuitputtelijkheid van hulpbronnen, vormde de basis van hun perceptie van vandaag.

    Hoe kunnen we daar ons voordeel mee doen? Met het oog op de over elkaar buitelende crises spreekt socioloog Heinz Bude van een ‘terugkeer van de toekomst’. Het denkbeeld van het steeds breder wordende heden van gelijktijdigheden, dat steeds weer nieuwe, problematische, even belangrijke verledens produceert, loopt op zijn eind. In plaats daarvan registreert Bude een ‘toegenomen gerichtheid op de toekomst’. Wat komen gaat, gebeurt niet meer in zekere zin vanzelf, ‘maar vraagt dat de mensen met een zekere vastberadenheid opkomen voor zichzelf en voor wat in de toekomst belangrijk zal zijn’.

    De omstandigheden waarin je als middertiger van nu geboren bent, waren onbeschrijflijk bevoorrecht. Dat erkennen is pas de eerste stap. In de toekomst zullen we met veel tegenstrijdigheden moeten leren leven. Aan sommige kunnen we wat doen. 

  • Lula wordt opnieuw president van Brazilië ‘dat niet meer hetzelfde is’

    Lula wordt opnieuw president van Brazilië ‘dat niet meer hetzelfde is’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Datacenters Duitse overheid moeten duurzamer worden

    » VS: grootschalige fraude met corona-uitkeringen

    Lula behaalt niptste overwinning in Braziliaanse geschiedenis

    Luiz Inácio Lula da Silva heeft in de verkiezingen van zondag nipt zittend president Jair Bolsonaro verslagen en gaat na de periode 2003-2010 aan een derde termijn beginnen als president van Brazilië. Sinds de terugkeer van de democratie in Brazilië in de jaren tachtig heeft een president nog nooit drie termijnen gediend. ‘Onze meest urgente verplichting is het opnieuw uitbannen van honger,’ zei Lula in zijn overwinningstoespraak in São Paulo. Ook beloofde het Amazonegebied te beschermen en verklaarde hij dat ‘wij één volk zijn’. Er zijn niet ‘twee Braziliës’, citeert Correiro Braziliense.

    De kloof tussen de twee kandidaten in de tweede ronde was de kleinste in de geschiedenis, volgens Rio Times. Lula kreeg 50,89 procent van de stemmen en Bolsonaro 49,11 procent. Een verschil van ongeveer 2 miljoen stemmen, met een totaal van 120 miljoen Brazilianen die naar de stembus gingen. Zoals The New York Times opmerkt ‘blijft er bezorgdheid bestaan over de gezondheid van een van ’s werelds grootste democratieën’. Maandenlang heeft Bolsonaro bij voorbaat de uitslag van de verkiezingen in twijfel getrokken. ‘Nu vraagt een deel van het land: zal hij zijn nederlaag accepteren?’ aldus het dagblad. Volgens verschillende Braziliaanse kranten weigerde Bolsonaro, de eerste president die niet werd herkozen, zondag elk bezoek aan huis, ook van zijn familie. Ook heeft hij zijn tegenstander nog niet gefeliciteerd.

    ‘Brazilië kan weer ademhalen met het einde van het tijdperk-Bolsonaro’

    Het Braziliaanse dagblad O Globo verwelkomt de overwinning van Lula: ‘Brazilië kan weer ademhalen met het einde van het tijdperk-Bolsonaro’. Lula staat echter voor een ‘groot aantal uitdagingen’, waarschuwt La Tercera. Het Chileense dagblad noemt de inflatie, de terugkeer op het internationale toneel na het unilateralisme van Bolsonaro en de ontbossing in het Amazonegebied. De Argentijnse krant Clarín herinnert Lula eraan dat sinds zijn twee mandaten in het begin van de jaren 2000 ‘het land niet meer hetzelfde is’. De welvaart in Brazilië is niet meer dezelfde als tien jaar geleden, door hoge schulden en de economische gevolgen van de pandemie.

    Ook politiek gezien is de Zuid-Amerikaanse natie veranderd. ‘Ondanks zijn staat van dienst heeft het bolsonarisme zich geconsolideerd als een populaire rechtse optie in een verdeeld land’, merkt Folha de São Paulo op. Bolsonaro ‘heeft Donald Trump altijd als zijn idool gehad’ en de voormalige Amerikaanse president ‘is er zelfs buiten de macht in geslaagd het trumpisme in de VS levend te houden’. Lula kan daarom vijandige oppositie verwachten.

    In het buitenland moet de 74-jarige leider juist rekenen op de steun van zijn buren. El País merkt op dat ‘de vijf belangrijkste Latijns-Amerikaanse economieën voor het eerst door links zullen worden geregeerd’. De leiders van Colombia, Mexico, Chili en Argentinië zullen de eerste zijn die Lula’s terugkeer op het wereldtoneel zullen steunen. ‘Deze zondag heeft de coalitie van Lula niet alleen Bolsonaro verslagen, maar ook de leiding genomen in een nog nooit eerder vertoonde regionale alliantie die geen precedent zal kennen‘, benadrukt het Spaanse dagblad.

    Lees ook:

  • Waarom het ene land rijk is en het andere arm

    Waarom het ene land rijk is en het andere arm

    Oded Galor deed onderzoek naar de economische geschiedenis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden. Volgens de Israëlisch-Amerikaanse econoom hebben samenlevingen die diversiteit accepteren meer succes.

    Al lange tijd houden vooraanstaande denkers zich keer op keer bezig met twee fundamentele vragen. De eerste luidt: welke oorzaken leidden tot de industriële revolutie waarmee de mensheid zich wist te bevrijden uit een onvermijdelijk lijkende armoedeval? En de tweede: waarom profiteren niet alle landen in gelijke mate van de vruchten van materiële welvaart, die onder andere tot uiting komen in een hogere levensverwachting, een betere gezondheid en al met al een aangenamer leven? Juist in een tijd waarin veel economen zich steeds vaker lijken te wijden aan steeds specifiekere onderzoeken, verdient de poging deze belangrijke vragen van de mensheid te willen oplossen grote waardering.

    Oded Galor houdt zich er al decennialang mee bezig. Met zijn ‘uniforme groeitheorie’ draagt de uit Israël afkomstige, en sinds vele jaren aan de Amerikaanse Brown University docerende econoom de overtuiging uit dat een betrouwbare en volledige kennis van de mondiale economische ontwikkelingsfactoren slechts mogelijk is wanneer we de primaire drijvende krachten achter het gehele ontwikkelingsproces in beschouwing nemen, en niet alleen die van bepaalde perioden. De uniforme groeitheorie omvat ‘de reis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden, door het hele verloop van de geschiedenis heen’.

    Nadat Galor gedurende vele jaren in deels zeer ambitieus opgezette wetenschappelijke artikelen zijn thesen heeft ontwikkeld, zoekt hij nu met een toegankelijk geschreven werk (De reis van de mensheid) een breder publiek.

    Voorwaarde voor economische bloei

    Je zou tegen Galors pretentie in kunnen brengen dat het niet ontbreekt aan plausibele verklaringen voor de ontwikkeling van welvaart en ongelijkheid. Een bekende stelling, gepopulariseerd door de Nobelprijswinnaar Douglas North, ziet in het bestaan van instituties die eigendomsrechten garanderen, een juridisch kader scheppen voor een profijtelijk samenleven en de concentratie van economische macht verhinderen een allesbeheersende voorwaarde voor een positieve economische ontwikkeling.

    Enkele jaren geleden hebben Daron Acemoglu en James Robinson in hun bestseller Waarom naties mislukken het begin van de industriële revolutie in Engeland verklaard uit gunstige institutionele veranderingen na de Glorious revolution van het jaar 1688. Men kan in het zoeken naar sporen van institutionele veranderingen nog verder teruggaan. Economiehistoricus Werner Plumpe uit Frankfurt onderkent in zijn boek over het kapitalisme (Das kalte Herz) in de vroegmiddeleeuwse herendienstwetgeving van de Karolingers een ontwikkeling die samen met andere invloeden, veel later in het noordwesten van Europa de voorwaarden schiep voor een economische opbloei.

    Een tweede interpretatie richt zich op de geografische omstandigheden van het economisch handelen. In zijn boek Arm en rijk verklaart de evolutiebioloog Jared Diamond de vroege bloei van de Mesopotamische cultuur met gunstige klimatologische omstandigheden voor de akkerbouw. De opkomst van Europa is volgens hem te danken aan een gefragmenteerde geografie, die de vorming van duurzame grote rijken verhinderde.

    De landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling

    Galor wijst de op instituties en geografie gebaseerde verklaringen zeker niet af. Hij beschouwt ze als nuttig om afzonderlijke ontwikkelingen te verhelderen, maar volgens hem bezitten ze geen omvattende verklarende kracht. Zo verklaren, vanuit Galors gezichtspunt, de institutionele veranderingen wel waarom de industriële revolutie juist in Engeland uitbrak, maar niet waarom die industriële revolutie zich überhaupt voordeed.

    Galors verklaring is gebaseerd op een allesbeheersende rol van de technische vooruitgang en de bereidheid van de mensen om daarop in te haken, vooral door scholing. Toen ongeveer 60.000 jaar geleden mensen Oost-Afrika begonnen te verlaten en zich over de wereld verspreidden, bleef hun aantal lange tijd gering. Twaalfduizend jaar geleden bevolkten naar schatting slechts 2,5 miljoen mensen de aarde. Deskundigen duiden deze periode die tot de industriële revolutie duurde aan als de ‘malthusiaanse plafond’, ter herinnering aan de Britse econoom Thomas Malthus. De meeste mensen worstelden om te overleven; planning van het leven op langere termijn was helemaal niet mogelijk. Elke verbetering van de economische situatie verhoogde het aantal kinderen dat hun eerste levensjaren overleefde. Volgens Malthus’ beroemde formule groeide de bevolking in een meetkundige reeks (1,2,4,8….), maar het aanbod van voedingsmiddelen slechts met een rekenkundige reeks (1,2,3,4…). Een toename van de bevolking moest daarom wel tot een zware crisis leiden omdat er niet genoeg te eten was voor het snel groeiende aantal hongerige monden. Lange tijd maakte de mensheid niet echt vorderingen: de landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling. De meeste mensen leefden gevaarlijk dicht bij het minimale bestaansniveau.

    Storm onder de oppervlakte

    Toch zou het fout zijn om de tijd tot aan het uitbreken van de industriële revolutie te beschouwen als een volledige stilstand in economisch opzicht, net zo min als men zich de industriële revolutie moet voorstellen als een plotselinge explosie van economische dynamiek. Galor spreekt van een ‘storm onder de oppervlakte’. Voor de industriële revolutie verliep de technische vooruitgang slechts langzaam, maar ze was er wel. Ze toonde zich niet in een toename van materiële rijkdom voor veel mensen – de meesten bleven straatarm – maar de vooruitgang was zichtbaar in het vermogen een groeiende bevolking te voeden. Aan het begin van onze jaartelling leefden er naar schatting ongeveer 200 miljoen mensen op aarde, rond het jaar 1600 zouden het er toch al 600 miljoen kunnen zijn geweest.

    Toen begon zich langzaam een dynamiek te ontwikkelen, want het aanbod en de vraag naar technologie hangen af van de bevolkingsgrootte. Hoe meer mensen er zijn, hoe meer hoofden iets nieuws kunnen bedenken. Met de groei van de bevolking nemen ook de mogelijkheden toe van een arbeidsdeling die de productiviteit verhoogt. Tegelijkertijd ontstaat door een groeiende bevolking ook de economische prikkel om innovatieve producten te ontwikkelen omdat het aantal potentiële kopers toeneemt. Een op gang komende technische vooruitgang zorgt voor steeds meer prikkels om verdere innovaties te ontwikkelen.

    Zo kwam het tot de industriële revolutie, die er veel begrijpelijker uitziet als ze niet als een plotselinge eruptie wordt opgevat, maar als een langdurig proces. Er is in deze fase op geen enkel tijdstip sprake geweest van een ‘schok’, schrijft Galor. ‘Weliswaar voltrok zich de overgang, in verhouding tot de hele geschiedenis van de mens, heel snel, maar de toename van de productiviteit in deze periode voltrok zich in kleine stapjes. In het begin van de industriële revolutie groeide de bevolking vanwege de toenemende technologische veranderingen wel sprongsgewijs, maar het gemiddelde inkomen groeide slechts in zeer bescheiden mate, precies zoals de malthusiaanse theorie voorspelde.’

    De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing

    Het slechten van de malthusiaanse plafond lukte pas ongeveer een eeuw later, toen de bevolkingsaanwas in de opkomende industrielanden terugliep, en daardoor het inkomen per capita konden stijgen. Volgens de opvatting van Galor was het de omgang met de technologie die deze verandering tot stand bracht. Want de mensen begonnen te begrijpen dat een succesvolle omgang met de technische vooruitgang een duidelijk betere scholing vereiste. In plaats van hun materiële hulpbronnen te verbruiken in kinderrijke gezinnen gaven veel mensen de voorkeur aan kleinere gezinnen die het mogelijk maakten de middelen te investeren in de opleiding van de kinderen. Samen met de materiële vooruitgang verbeterden de levensomstandigheden en de levensverwachting. Steeds meer mensen beschikten over spaargeld; pas nu werd een vooruitziende planning van het leven mogelijk. De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing. Technische vooruitgang staat niet alleen bevolkingsgroei toe, ze heeft ook invloed op de samenstelling van de bevolking.

    Maar industrialisering kan ook een valkuil zijn. Galor haalt als voorbeeld Noord-Frankrijk aan, dat bij het begin van de industrialisering, toen het bijvoorbeeld veel textielindustrie bezat, tot de rijkste delen van het land behoorde. Die fabrieken vroegen veel eenvoudige arbeid, maar dwongen niet tot een steeds betere scholing om gelijke tred te kunnen houden met de steeds modernere technologieën. Tegenwoordig zijn die regio’s rijk waar de toepassing van technische vooruitgang het betalen van hogere arbeidslonen toestaat. 

    Galor is duidelijk geen aanhanger van historisch determinisme: niets is voorbestemd. Geen samenleving heeft altijd materiële rijkdom gekend; omgekeerd is ook geen samenleving gedoemd om voor altijd tegen de mathusiaanse plafond te blijven aanlopen.

    Diversiteit

    Waarom zijn sommige landen dan al lange tijd rijk terwijl andere zich nooit wisten te bevrijden uit de ijzeren greep van de armoede? Voor Galor luidt het antwoord: het komt in een samenleving aan op een optimale mate van diversiteit, verbonden met het vermogen om vaak duizenden jaren oude tradities te overwinnen. Hij geeft een interessant voorbeeld. Voordat mensen enkele duizenden jaren geleden de ploeg uitvonden, deelden mannen en vrouwen het werk op het land. Omdat het voor gebruik van de ploeg lichaamskracht nodig was, waardoor mannen voor deze bezigheid in het voordeel waren, bevorderde de uitvinding van de ploeg in de visie van Galor een arbeidsdeling waarbij de man zich meer concentreerde op het werk op het veld, en de vrouw op het werk in het huis. Vanwege de verschillende bodemgesteldheden speelde de ploeg in de Europese geschiedenis in het zuiden een belangrijkere rol vroeger dan in het noorden. De observatie dat de beroepsmatige emancipatie van de vrouw in moderne samenlevingen in het noorden van Europa vandaag sterker ontwikkeld is dan in het zuiden verklaart Galor dan ook met de verschillen in het gebruik van de ploeg in de landbouw van vele jaren geleden.

    Diversiteit heeft in de visie van de econoom aanzienlijke voordelen, maar die hebben hun prijs. Diversiteit in samenlevingen, in combinatie met opleiding(sniveau) verhoogt de kans op technische vooruitgang. De Verenigde Staten, waar studenten uit vele landen ook aan de beste universiteiten kunnen studeren, zijn een schoolvoorbeeld voor deze stelling. Maar diversiteit kan eveneens gepaard gaan met aanzienlijke kosten in de vorm van sociale spanningen, zoals ook juist in de Verenigde Staten is waar te nemen. De samenlevingen in andere landen laten diversiteit slechts met tegenzin toe; vaak zijn ze economisch dan ook niet succesvol.

    ‘Waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen omvattende hervormingen vaak in het honderd’

    Een succesvol recept voor het oplossen van deze problemen ligt volgens Galor niet algemene beleidsaanbevelingen, zoals ze in het verleden niet zelden door internationale organisaties werden uitgesproken. ‘Privatisering van de industrie, liberalisering van de handel en het vastleggen van eigendomsrechten kunnen groeibevorderende maatregelen zijn voor landen waarin al sociale en culturele voorwaarden voor economische groei bestaan, maar daar waar deze voorwaarden ontbreken, waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen zulke omvattende hervormingen vaak in het honderd’, schrijft de econoom.

    ‘Geen hervorming, al is die nog zo efficiënt, zal een verarmd land in een handomdraai veranderen in een vooruitstrevende economie, want het grootste deel van de kloof tussen ontwikkelingslanden en industrielanden komt voort uit al millennia bestaande processen. Institutionele, culturele, geografische en sociale kenmerken uit een ver verleden hebben de beschavingen voortgestuwd op hun verschillende historische wegen en hebben de verschillen in welvaart tussen de naties verdiept.’ Een goede politieke strategie om de armoede te overwinnen is niet eenvoudig, maar ze is naar het inzicht van Galor wel mogelijk. De boodschap van zijn boek is optimistisch.

    Oded Galor, De reis van de mensheid. Waar welvaart en ongelijkheid vandaan komen, in vertaling van Pon Ruiter en Linda Broeder, is in maart 2022 verschenen bij De Bezige Bij.

  • Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Hoe moet het verder met deze wereld? Ontwerper Bruce Mau ziet het zo: er zijn twee keuzes die zich opdringen. Of gebruikmaken van alle mogelijkheden die dit tijdperk ons biedt en een sprong in de ongewisse toekomst maken. Of ons blijven wentelen in veilige, vertrouwde patronen.

    2018 was de vijftigste verjaardag van wat ik als de laatste grote revolutie beschouw: de chaos van 1968, het jaar toen in de Vietnamoorlog het tij begon te keren, overal studentenprotesten uitbraken en de Praagse lente hardhandig de kop werd ingedrukt. Tegenwoordig wordt Noord-Amerika geconfronteerd met niet één, maar twee revoluties: een revolutie van kansen en een revolutie van afwijzing. Het voelt misschien niet als een revolutionaire tijd, maar wie goed om zich heen kijkt, ziet dat economische, sociale en politieke krachten ons momenteel in twee richtingen trekken. De ene richting zal ons verder vooruit stuwen, de andere zal ons terugduwen. Ons lot hangt af van welke revolutie wij omarmen.

    De revolutie van kansen wordt gedreven door onderwijs, wetenschap, innovatie en design. Ons dagelijks leven kan altijd slimmer, sneller, gemakkelijker, lichter, groener, rechtvaardiger, opener, toegankelijker en mooier. Van de energiebronnen die we gebruiken tot de producten die we kopen, van het voedsel dat we eten tot de manier waarop we omgaan met onze omgeving en met elkaar, alles wordt zo ontworpen dat het steeds beter aan onze behoeften voldoet.

    Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit

    Praktisch elke meetbare trend van belang is in de afgelopen tweehonderd jaar ten goede gekeerd. Grote problemen zijn opgelost, van de bestrijding van besmettelijke ziektes tot gratis openbaar onderwijs. We zijn op de maan geland. We hebben continu mensen aan het werk in een internationaal ruimtestation, we laten een wagentje over Mars karren en lanceren kneitergrote raketten die op eigen kracht kunnen landen. Vele naties bundelen hun krachten in de strijd tegen polio, malaria, aids, ebola, armoede, honger en klimaatverandering. We hebben een wereldwijde infrastructuur voor de productie en het vervoer van goederen, voor vliegverkeer en telecommunicatie. Meer dan vier miljard mensen hebben inmiddels toegang tot internet, en daarmee tot enorme hoeveelheden informatie en nieuwe kansen, en de landbouwproductie is ten opzichte van 1961 meer dan verdrievoudigd.

    Toch zijn veel commentatoren er op de een of andere manier van overtuigd dat we achterop raken. ‘In Amerika neemt het vertrouwen af,’ kopte The Atlantic in januari 2018 bij een artikel over het dalende vertrouwen in de overheid, de media en het bedrijfsleven. In een Ipsos-enquête zei meer dan de helft van de Canadese ondervraagden in 2017 dat de jongeren van nu slechter af zijn dan de generatie van hun ouders. We zijn ervan overtuigd dat we slecht presteren, dat onze instellingen falen, dat we niet in staat zijn de belangen van de wereldgemeenschap boven onze persoonlijke of nationalistische belangen te stellen, niet van onze fouten leren en niet bereid zijn ons gedrag te veranderen in het algemeen belang.

    In 1820 leefde naar schatting 94 procent van alle wereldburgers in extreme armoede. Het verschil tussen rijk en arm was gigantisch. Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit. We kunnen allebei onderwijs genieten, met het vliegtuig reizen en op vakantie gaan, we hebben mobiele telefoons, computers en internet, we drinken koffie van Starbucks en maken gebruik van Google. Dat al die mogelijkheden wereldwijd openliggen voor miljarden mensen is hét kenmerk van onze tijd.

    Nooit is er in de geschiedenis zoveel rijkdom gecreëerd als in de afgelopen vijftig jaar. Miljarden mensen zijn toegetreden tot de mondiale middenklasse. Die groep telt volgens één studie nu 3,8 miljard mensen en is daarmee voor het eerst in de geschiedenis groter dan de groep mensen die in armoede leeft. Door nieuwe vormen van betalingsverkeer en economische uitwisseling hebben ook de allerarmsten tegenwoordig toegang tot de rijkdom van de markt. De Keniaanse mobiele betaaldienst M-Pesa schijnt twee procent van de Keniaanse huishoudens uit de armoede te hebben getild, louter door deze mensen voor het eerst toegang te bieden tot een bankrekening. Dat is de revolutie van kansen: zorgen dat iedereen die kansen kan benutten.

    © Josh Barwick
    © Josh Barwick

    De revolutie van afwijzing staat voor wanhopig vasthouden aan verouderde technologieën, industrieën en energiesystemen, ongeacht de gevolgen voor mens, milieu en economie. G20-landen geven nog steeds 444 miljard dollar subsidie aan fossiele brandstoffen. (In 2016 gaf Canada 3,3 miljard dollar aan de fossiele-brandstofindustrie.) Ondanks de dalende vraag naar steenkool hamert president Trump erop dat de Amerikaanse steenkoolindustrie moet worden gered, en zijn regering heeft tientallen milieuvoorschriften geschrapt, waaronder veiligheidsvoorschriften voor het boren in zee.

    De revolutie van afwijzing leidt ook tot een steeds grotere concentratie van rijkdom in de handen van een steeds kleinere groep, zodat één procent van de mensheid nu meer dan veertig procent van alle rijkdom ter wereld bezit. De inkomensongelijkheid is in Noord-Amerika, Rusland, China en India sinds 1980 heel snel toegenomen en in Europa matig, zo blijkt uit het World Inequality Report van 2018. In regio’s waar de ongelijkheid niet is gestegen, was die al extreem hoog: ongeveer zestig procent van alle rijkdom in het Midden-Oosten blijft in handen van de rijkste tien procent van de bevolking. Zelfs in Canada, een land met een levensstandaard die voor velen een ideaal is, is het bezit van de rijkste 87 families gelijk aan dat van alle bewoners van de provincies Newfoundland en Labrador, Prince Edward Island en New Brunswick samen. Het gevaar dreigt dat de rijkste burgers een leven gaan leiden dat volledig is afgescheiden van het onze en zo hun binding met de maatschappij verliezen. De toekomst ligt niet in ommuurde villawijken en vip-lounges, maar in platforms die de voordelen van onze tijd binnen ieders bereik brengen.

    Gezondheid

    Onze levensduur is ontegenzeggelijk de beslissende graadmeter voor de mate waarin we beschikken over goede gezondheidsvoorlichting, goede zorg en een gezonde leefomgeving. De levensduur neemt wereldwijd al tweehonderd jaar toe. Op sommige plaatsen gaat dat sneller dan op andere en in tijden van crisis of conflict kan de levensduur ook weleens afnemen. Maar de algemene trend is onmiskenbaar. De technologische en wetenschappelijke vooruitgang heeft onze mogelijkheden voor medisch ingrijpen vergroot, resulterend in nieuwe vormen van gezondheidszorg, een lagere kindersterfte en een langere levensduur. Op het vlak van medische innovatie worden er voortdurend nieuwe technologieën voor ingrijpen in het menselijk lichaam bedacht en gerealiseerd.

    Armen, benen, handen, gewrichten, tanden, ogen, hart, nieren, huid, oren, alvleesklier, botten, kraakbeen, lever en longen: allemaal kunnen we die nu vervangen of herstellen. Hugh Herr, die aan het Massachusetts Institute of Technology prothesen ontwikkelt en bij het bergbeklimmen zelf zijn onderbenen heeft verloren, grapt weleens dat hij medelijden heeft met mensen die hun ledematen niet kunnen upgraden. Zijn eigen kunstbenen worden steeds beter – hij heeft nu al speciale benen om te hardlopen en om te klimmen – terwijl de rest van zijn lichaam gewoon veroudert, net als dat van andere mensen. Hij voorziet een toekomst waarin prothesen niet alleen worden gebruikt om ontbrekende ledematen te vervangen, maar om het menselijk lichaam te verbeteren, een toekomst waarin kunstmatige alternatieven te verkiezen zijn boven onze eigen botten en organen.

    Als wij mensen de handen ineen slaan, kunnen we ziekten compleet van de aardbodem vagen. De pokken was de eerste ziekte die officieel uitgeroeid werd verklaard. Het uitroeien van malaria zal niet lukken, maar de verspreiding ervan kan tegen die tijd wel sterk worden teruggedrongen. Sinds er in 1988 een begin werd gemaakt met het uitroeien van polio, is het aantal ziektegevallen al met minstens 99 procent gedaald.

    Ondertussen worden in de revolutie van afwijzing pseudowetenschap en complotdenken verkozen boven wetenschappelijke feiten. Sinds 2009 is in twaalf staten van de VS een stijging te zien van het aantal mensen dat vaccinaties weigert met een beroep op hun ‘wereldbeschouwing’. Ook in Europa grijpt de weerstand tegen vaccinatie eveneens om zich heen. Ongefundeerde geruchten over neveneffecten worden breed uitgemeten en nieuw leven ingeblazen op internet, vooral via sociale media. In dit geval geeft de nieuwe technologie een stem aan groepen die angst willen zaaien en zo de fundamenten van kennis en waarheid ondermijnen.


    De revolutie van kansen belooft politieke vrijheid en een ingrijpende machtsverschuiving naar echte democratie in maatschappelijke processen en marktmechanismen. Dat betekent vrij verkeer van mensen, vrijheid van meningsuiting en een vrije pers.

    Al sinds halverwege de jaren zeventig stijgt het aantal democratische regeringen ter wereld. In 2016 waren volgens het Pew Research Center bijna zes op de tien regeringen democratisch. Dat is een enorme prestatie, als je bedenkt dat er tweehonderd jaar geleden nog maar één officiële democratie bestond (de Verenigde Staten), waarin je toen alleen nog stemrecht had als je man, blank en grondbezitter was. De afgelopen zeventig jaar heeft een enorme afname van politiek geweld laten zien. In Canada is de maatschappelijke betrokkenheid gegroeid: meer Canadezen zijn lid van groepen en organisaties binnen hun gemeenschap, en volgens cijfers uit 2013 over politieke en culturele organisaties is meer dan de helft van de leden daarin actief via internet. Het internet en alle platforms die daarop mogelijk zijn, maken de weg vrij voor een ongekende participatiegraad in onze democratie.

    Soms voelt dat misschien niet zo, en met reden. Wereldwijd zit de vrijheid al tien jaar in het slop: Turkije, Polen, Venezuela en Hongarije glijden af naar een vorm van autocratie. Crowdfunding, sociale media en videoplatforms zijn gebruikt om mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van verbinding te zoeken. In Myanmar heeft het leger gebruikgemaakt van Facebook om mensen tot geweld tegen de Rohingya aan te zetten op een manier die doet denken aan het gebruik van de radio tijdens de genocide in Rwanda. En extreemrechtse partijen in Europa zetten sociale media in om de angst voor migranten aan te wakkeren en aan te dringen op sluiting van de landsgrenzen.

    Ook de vrijheid van meningsuiting wordt bedreigd. Freedom House constateerde dat van juni 2016 tot mei 2017 dertig van de vijfenzestig regeringen die deze onafhankelijke Amerikaanse mensenrechtenorganisatie volgt, geprobeerd hebben het online debat de kop in te drukken. In Turkije zijn meer dan 180 mediakanalen en uitgeverijen opgedoekt. Staatshoofden als Donald Trump en de Filipijnse Rodrigo Duterte worden steeds feller in hun aanvallen op de media. De laatste heeft persvrijheid zelfs ‘een privilege’ genoemd en gezegd dat journalisten die zijn vermoord waarschijnlijk ‘wel iets gedaan’ zullen hebben om dat te verdienen. In die trends ontwaar ik de revolutie van afwijzing, waarbij leiders angst zaaien om in naam van nationalisme en nationale veiligheid burgerrechten te ontmantelen.

    Of we het nou willen of niet, we zijn allemaal afhankelijk van elkaar

    Waarom is dat van belang? Omdat we, of we het nou willen of niet, allemaal van elkaar afhankelijk zijn. Op de lange termijn is het succes van de burgers van één land volledig afhankelijk van het succes van alle andere landen. Ideeën, goederen en mensen gaan tegenwoordig met grote snelheid de hele wereld rond. Onze grootste problemen op het gebied van economie, gezondheidszorg, politiek en milieu lopen over landsgrenzen heen. Net als mensen: of je nu denkt aan vluchtelingen die willen ontkomen aan vervolging (of aan de gevolgen van de klimaatverandering) of aan immigranten op zoek naar werk. In 2036 kan één op de twee Canadezen een immigrant of een kind van een immigrant zijn. We moeten daar niet voor terugdeinzen en geen hindernissen opwerpen, maar blij zijn met een wereld waarin culturen, rassen en talen zich vermengen en nieuwe vormen van rijkdom en schoonheid opleveren.

    Klimaatverandering

    De tweesprong waar we voor staan wordt het scherpst geïllustreerd in de klimaatverandering. Volgens het laatste rapport van het VN-Klimaatpanel hebben we nog maar elf jaar om te voorkomen dat de mensheid te kampen krijgt met verwoestende overstromingen, droogtes en vluchtelingencrises. Als de temperatuur met twee graden stijgt, zal 99 procent van alle tropische koraalriffen sterven, zal een vijfde van de insecten meer dan de helft van hun leefgebied verliezen en zullen miljoenen mensen uit tropische gebieden geëvacueerd moeten worden om te ontkomen aan droogtes en overstromingen. Beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 graad of minder – een doel dat het rapport schetst – zou vereisen dat de CO2-uitstoot in 2050 wereldwijd is teruggedrongen tot nul.

    Bij zulke sombere voorspellingen is het gemakkelijk om pessimistisch te worden. Maar hoewel we vaak slecht op problemen anticiperen, hebben we ook bewezen dat we kunnen doorpakken als er een crisis voor de deur staat. Er is goed nieuws: overal ter wereld komen mensen en overheden in actie. Een non-profitorganisatie in Michigan is bezig sequoia’s te klonen om met de aanplant daarvan de oude oerbossen te herstellen. Op een strand in Mumbai hebben meer dan duizend vrijwilligers onder leiding van een jonge advocaat 3,5 miljoen kilo afval opgeruimd. China heeft plannen voor een enorme markt in emissierechten en India heeft inmiddels wereldwijd de grootste markt voor het veilen van duurzame energieprojecten.

    De twee revoluties die ik heb geschetst, lijken misschien een simplistisch model voor een complexe, steeds veranderende wereld. Maar ze helpen ons te zien hoe we verder moeten. We hebben uiteindelijk allemaal het recht om onze revolutie zelf te kiezen, en zo zal elk land en elke regio zijn eigen keuze maken. Maar als we niet samen kiezen, als we niet samen de revolutie van kansen zien zullen we vanzelf vervallen in de revolutie van afwijzing. En dan lopen we onze kansen mis.

    Auteur: Bruce Mau
    Vertaler: Frank Lekens

    The Walrus
    Canada | verschijnt 10 x per jaar | oplage 60.000

    The Walrus publiceert longreads over Canadese en internationale actualiteiten evenals fictie en poëzie van Canadese auteurs.

  • Chinese millennials zijn kinderen van het internet

    Chinese millennials zijn kinderen van het internet

    De kinderen van Xi Jinping worden ze genoemd, ofwel de gouden generatie. De Chinezen die na 1992 zijn geboren zijn rijk, internetwijs en internationaal georiënteerd.

    De Chinese jongeren die na 1992 zijn geboren, worden vaak gezien als een ‘gouden generatie’. Ze zijn nu rond de 25 jaar en hebben als eersten echt kunnen genieten van het resultaat van de economische hervormingen, het verplichte onderwijs en de eenkindpolitiek. Ze zijn geboren in de tijd dat internet opkwam, leven in het digitale tijdperk en zijn ook de consumenten die het China van de toekomst zullen vormgeven.

    Volgens Zhang Yiwu, hoogleraar Hedendaagse literatuur aan de Universiteit van Beijing, is de generatie van onder de 26 jaar de rijkste die China ooit heeft gekend, een generatie die de blik van het Westen met trots kan doorstaan. Dankzij de rijkdom die hun familie heeft vergaard, kunnen ze nu naar 
hartenlust consumeren. Ze vormen een immens reserveleger van de middenklasse: ‘Kinderen die in de jaren tachtig werden geboren, vormden de eerste generatie die opgroeide na de start 
van de hervormingen en het opendeurbeleid in China [1979]. De kinderen van na 1992 [het jaar waarin de hervormingen van Deng Xiaoping weer werden voortgezet, drie jaar nadat de democratische beweging van 1989 de kop was ingedrukt] kun je zien als de tweede generatie van na de hervormingen, en hun geboorte viel samen met de grootste industriële ontwikkeling die het land ooit heeft gekend.’

    In die periode is het aantal Chinezen met een middeninkomen in alle regio’s van het land geëxplodeerd. En terwijl van 1992 tot 2002 – en zelfs al in het decennium daarvoor – de middenklasse zich vooral in de grote steden bevond, breidde die zich later uit tot 
in de kleinste plaatsen.

    ‘Ze zijn niet bang om geld uit te geven, want ze weten dat ze het hele bezit van hun ouders zullen erven’

    In feite zijn de jongeren die nu onder de 26 zijn de kinderen van deze nieuwe middenklasse. Zij hoeven zich totaal geen zorgen te maken of ze te eten hebben, of ze vlees kunnen kopen of kleding. Daar komt nog bij dat China geen successierechten kent en ze, als enig kind, alle moeizaam verworven bezittingen van hun beide ouders zullen erven. Ze zullen dus straks over een veel groter vermogen beschikken dan hun voorouders. Volgens een enquête die begin 2017 onder 1648 jongeren werd gehouden, kocht 79 procent van de jongeren onder de 26 in het jaar daarvoor consumptiegoederen voor een bedrag dat 20 procent hoger lag dan hun maandinkomen. Nu creditcards en online gespreid betalen gemeengoed zijn geworden, gaan jonge consumenten veel vaker dan oudere generaties overconsumeren. Dat komt volgens Zhang Yiwu door een veranderde 
mentaliteit, maar ook doordat jongeren van die leeftijd relatief weinig kosten hebben, terwijl hun koopkracht enorm is. ‘Ze zijn niet bang om geld uit te geven, want ze weten dat ze het hele bezit van hun ouders zullen erven.’

    Deze jongeren zijn opgegroeid met internet en hebben geprofiteerd van het ruimere wervingsbeleid van universiteiten. Daardoor hebben ze een veel beter opleidingsniveau en een veel bredere kennis dan de generaties voor hen. Mensen die in de jaren tachtig werden geboren, zoals de bekende schrijvers Han Han en Guo Jingming, deden hun kennis nog vooral op uit papieren boeken. De kinderen van 
nu zitten al vanaf de basisschool op berichtendienst WeChat over hun huiswerk te chatten. Internet zit bij 
de jongeren van na 1992 ingebakken.

    Ook zijn ze onder veel betere omstandigheden opgegroeid. Zelfs kinderen uit eenvoudige milieus hadden ouders die zorgden dat ze meededen aan 
buitenschoolse activiteiten op het gebied van kunst en cultuur. Pianoles en schildercursussen zijn niet langer alleen hobby’s van een kleine elite.

    ‘Die materiële omstandigheden zijn bepalend geweest voor hun gedrag,’ benadrukt Zhang Yiwu: de Chinezen van na 1992 zien zich als gelijken van westerse jongeren, ze hebben meer zelfvertrouwen en aarzelen ze niet 
om spullen te kopen om hun levenskwaliteit te verbeteren. Zo vinden jongeren die 5000 à 6000 yuan verdienen het heel normaal om 1000 yuan [ca. 130 euro] uit te geven aan een koptelefoon, elektrische tandenborstel 
of cosmetica. Iets wat veertigers en vijftigers onbegrijpelijk vinden.

    Pianoles en schildercursussen zijn niet langer alleen hobby’s van een kleine elite

    Elke jonge generatie is opstandig. 
De lichting uit de jaren tachtig kwam openlijk in botsing met de oudere generaties, maar de kinderen van 
na 1992 kiezen voor een ‘parallelle’ omgang. Anders gezegd: deze jongeren bewaren afstand tot hun ouders, die ze vaak zien als vreemdelingen omdat ze niet dezelfde taal spreken.

    Terwijl de ‘boze jongeren’ van de jaren tachtig uiting probeerden te geven aan hun verzet tegen de maatschappij, is de internetgeneratie van de jaren negentig veel gematigder. Jongeren van onder de 26 gaan voor virtuele 
consumptie die hun psychologische voldoening geeft. En dat heeft rechtstreeks invloed op hun kijk op geld. ‘Vroeger vond men in China dat je rijkdom moest verwerven door te werken. Maar de generatie die in de jaren negentig geboren is, ziet niets meer in dat idee. Dat is een enorme mentaliteitsverandering,’ zegt Zhang Yiwu. De jongste generatie kijkt volgens hem nog wel op tegen rijke mensen, maar niet langer tegen mensen die op een traditionele manier fortuin hebben gemaakt.

    Hun nieuwe idolen zijn mensen als 
Bill Gates en Mark Zuckerberg. De post-1992-generatie kiest ook liever voor deelfietsen of voor gemeenschappelijke sportvoorzieningen. Deze dingen, die horen bij een nieuwe vorm van consumeren die uit internet is voortgekomen, zijn niet per se duur, maar horen helemaal bij deze tijd en sluiten aan op hun voorliefde voor een nichecultuur, ver van de traditionele economie van hun ouders. Ook in dat opzicht zijn ze beïnvloed door de wereldwijde internetcultuur. Wat hen ook heel goed bevalt aan de internetmiljardairs, is dat die hechten aan bepaalde waarden, zoals de bescherming van het milieu, tolerantie tegenover homoseksualiteit en zelfs erkenning van de deugden van de markteconomie. ‘Dus eigenlijk aan alles wat is voortgekomen uit de beweging van opstandige westerse jongeren in de jaren zestig…’ Toch ontbreekt bij de Chinezen van na 1992 die westerse hippiegeest van de jaren zestig, want ze zijn lang niet zo heethoofdig, maar veel gematigder en zachter.

    Hun hang naar waarden komt waarschijnlijk voort uit het feit dat ze steeds meer met zichzelf bezig zijn

    Hun hang naar waarden komt waarschijnlijk voort uit het feit dat ze steeds meer met zichzelf bezig zijn. Zhang Yiwu benadrukt dat de jongeren van nu een veel bredere horizon en een rijker wereldbeeld hebben, waardoor dit soort kwesties hen meer aanspreken.

    Doordat ze op elk moment en overal hun stem kunnen laten horen op de sociale media en op elkaar reageren via apps op hun smartphones [al is er wel geregeld sprake van censuur], zijn ze voortdurend op de hoogte van het leven van succesvolle mensen. Toch lukt het de meesten niet om zelf zoveel geld te verdienen als ze hopen. Met als gevolg dat ze zich, net als elke generatie jongeren, heen en weer geslingerd en mislukt voelen. ‘Over Beijing ligt een deken van vervuilde lucht, de luchtkwaliteit is er beroerd, terwijl in hun geboortestreek de bergen groen zijn en het water helder is. Toch willen jongeren daar beslist niet blijven wonen, maar in Beijing ergeren ze zich aan de milieuvervuiling… Ze beseffen niet dat de verschillen op milieugebied tussen China en het 
Westen deels het gevolg zijn van de verschillende stadia in industriële ontwikkeling,’ zegt Zhang Yiwu. De jongeren van na 1992 hebben hun eigen nichecultuur en hun levensomstandigheden zijn veel beter, maar ze beklagen zich dat ze nog een lange weg te gaan hebben voordat ze op hetzelfde niveau zitten als de jongeren elders in de wereld.

    Toch is er één ding dat optimistisch stemt: nu de invloed van China op het internationale toneel groeit, kunnen de jongeren van na 1992 zich meer onderscheiden; wie weet zijn het over een paar decennia wel juist hun gewoonten en denkwijzen die dan een deel van de westerse jongeren beïnvloeden.

  • Waarom is het armste land ter wereld zo arm?

    Waarom is het armste land ter wereld zo arm?

    Waarom lukt het China zich aan de armoede te ontworstelen, en veel Afrikaanse staten niet? Die Zeit zocht naar antwoorden in de Centraal-Afrikaanse Republiek.

    De president van het armste land ter wereld resideert achter een grote zwarte toegangspoort, die wordt bewaakt door een handvol mannen met machinegeweren. Wie de poort passeert, stuit op een kantoorcontainer met een schotelantenne op het dak. Een achteringang voert naar een met hout betimmerde werkkamer met zware gordijnen, die de middaghitte buiten moeten houden. Daar bezet president Faustin-Archange Touadéra een van de kolossale leren stoelen, waarin hij er op de een of andere manier ietwat verloren uitziet.

    Eigenlijk is Touadéra hoogleraar in 
de wiskunde. Een paar jaar geleden ging hij de politiek in om zijn land te dienen, zegt hij. En vrij snel werd hem duidelijk dat dat ingewikkelder is dan de ingewikkeldste wiskundige vergelijking. Touadéra’s land is namelijk de Centraal-Afrikaanse Republiek.

    581 dollar

    Als je op een kaart van het Afrikaanse continent ongeveer in het midden een lijn van noord naar zuid trekt en dat ook van oost naar west doet, dan ligt het land nagenoeg op het snijpunt van die lijnen. Eén keer per jaar publiceren de Verenigde Naties een lijst die de landen ter wereld op welvaartsniveau rangschikt. De Centraal-Afrikaanse Republiek staat op de laatste plaats. Slechts 581 dollar bedraagt er het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking – in Duitsland is dat 43.919 dollar.

    Hoe komt dat?

    Waarom staat de burgemeester van Paderborn een hoger budget ter beschikking dan de president van een land dat twee keer zo groot is als de Bondsrepubliek?

    Waarom rollen er in Duitsland jaar 
in, jaar uit bijna zes miljoen auto’s 
van de band en in het rijk van Faustin-Archange Touadéra niet een?

    Waarom worden Duitsers gemiddeld 81 jaar oud en de mensen in het hart van Afrika maar amper 51 jaar?

    Met andere woorden: waarom zijn arme landen arm en rijke landen rijk?

    Ontelbare economen hebben zich over die vraag gebogen. Ze hebben de oorzaken van de armoede onderzocht en erover nagedacht waarmee de armen geholpen zouden kunnen zijn. Maar ze zijn met hun ideeën maar nauwelijks doorgedrongen in de zenuwcentra van de internationale politiek.

    Door het koele 
klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen

    Zoals zo vaak in de economie is er niet één maar zijn er vele theorieën waarmee geprobeerd wordt te verklaren waarom arme landen arm zijn. Sommige deskundigen schrijven armoede toe aan de geografische ligging van een land, door te stellen dat de toegang tot de open zee een belangrijke voorwaarde voor economische ontwikkeling is, omdat de handel erdoor wordt vergemakkelijkt. Dat klinkt logisch, maar een land als Zwitserland ligt behoorlijk ver van zee en is toch een van de rijkste landen ter wereld.

    Anderen zien het klimaat als een belangrijke oorzaak: door het koele 
klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen. Dat verklaart evenwel niet waarom tropische landen als Maleisië relatief rijk zijn geworden.

    Weer andere economen betogen dat de armen arm zijn omdat de rijken rijk zijn: het Noorden schermt zijn markten af, waardoor de landen van het Zuiden hun producten daar niet kunnen verkopen. Toch heeft China dat juist wel gedaan en daarmee miljoenen Chinezen een weg uit de armoede geboden.

    Tot zover de theorieën van de deskundigen. Maar wat is de visie van Faustin-Archange Touadéra in hoofdstad Bangui, voor wie de armoede net zo bij het dagelijks regeren hoort als het pensioendebat voor Angela Merkel?

    Kinderen in een opvangkamp in de Centraal-Afrikaanse Republiek. – © Jean Chung / Getty
    Kinderen in een opvangkamp in de Centraal-Afrikaanse Republiek. – © Jean Chung / Getty

    Meneer de president, waarom is uw land zo arm?

    ‘We hebben praktisch geen regering. We zijn niet in staat de bevolking te beschermen. We moeten dat allemaal weer opbouwen.’

    Waar ontbreekt het aan?

    ‘Vooral de infrastructuur baart ons zorgen. Er zijn nauwelijks wegen en 
er is te weinig elektriciteit.’

    De bewoners van het land waarvan de geschiedenis, net als die van zoveel Afrikaanse landen, tot nog toe weinig aanleiding tot hoop heeft geboden, hebben die hoop gevestigd op Touadéra. Na de laatste coup in 2013 richtten rivaliserende milities bloedbaden aan, waarbij duizenden mensen de dood vonden en honderdduizenden op de vlucht werden gedreven. Touadéra is de eerste president sinds jaren die na min of meer eerlijk verlopen verkiezingen aan de macht is gekomen.

    Aan de andere kant zal er vrijwel geen politicus op aarde zijn die zich niet zou beklagen over de staat van de wegen in zijn land. Daarom loont een bezoek aan Jean-Christophe Carret, die veel weet over elektriciteit en wegen, en nog meer over de oorzaken van armoede. Carret is namelijk econoom en hij werkt voor de Wereldbank. De Wereldbank is een halve eeuw geleden opgericht om de armoede op de wereld te verslaan. De bank heeft meer dan tienduizend werknemers in ruim honderdtwintig landen. Het kantoor van Jean-Christophe Carret ligt vlak bij het presidentiële paleis.

    Meneer Carret, waarom zijn de mensen hier arm?

    ‘Stap in, dan zal ik u iets laten zien.’

    Eén onderneming

    Carret stuurt zijn terreinauto richting het noorden. Hij wordt begeleid door een groep zwaarbewapende blauwhelmen, omdat milities het gebied nog altijd onveilig maken. Het konvooi rijdt door de levendige buitenwijken van Bangui, waar op markten fietsbanden, flessen benzine, ondergoed en een uitgebrande Citroën worden aangeboden. Daarna zijn er alleen nog maar her en der lemen hutten te zien en omzomen schier eindeloze struikgewassen de stoffige weg. Na anderhalf uur rijden wordt het landschap bergachtiger en is het geraas van een enorme waterval te horen.

    Carret zet koers naar een fabriekshal. Binnen zet het vallende water vijf turbines in beweging, die generatoren ter grootte van een minibus aandrijven. ‘Dit is hier de enige officiële energiebron, een hoogspanningsleiding transporteert de stroom naar Bangui,’ zegt Carret. ‘We hebben de centrale gerenoveerd. Een stuwdam zorgt ervoor dat er ook in de droge tijd genoeg water is. We kunnen van hieruit de stad van stroom voorzien, maar het is niet voldoende om fabrieken in bedrijf te houden.’

    In de hele Centraal-Afrikaanse Republiek is er zegge en schrijve één grote onderneming, een brouwerij in een buitenwijk van Bangui. Die behoort tot het Franse drankenconcern Castel, dat daar een moutbier brouwt en de helft van zijn energiebehoefte op een dure manier moet opwekken met behulp van een eigen generator, een wijdverbreid fenomeen in Afrika. Volgens een onderzoek van consultancybureau McKinsey produceren de 49 landen ten zuiden van de Sahara jaarlijks ongeveer 423 terawattuur elektrische energie. De VS verbruiken iets meer dan het negenvoudige. De slechte stroomvoorziening weerhoudt veel ondernemingen ervan investeringen te doen.

    Als er meer stroom was, dan zouden zich dus meer bedrijven in Afrika vestigen – en dat zou helpen in de strijd tegen armoede. Bedrijven spelen daarin namelijk een sleutelrol, zo blijkt uit onderzoek. Dertig jaar geleden was China nog een straatarm land. Toen werden er enorme fabrieken gebouwd, die miljoenen eenvoudige mensen werk bezorgden. Met hun loon konden die mensen zich een betere opleiding voor hun kinderen permitteren, die vervolgens werk kregen als ingenieur of geschoold arbeider. Nu is China de op een na grootste economie ter wereld.

    In de afgelopen jaren is het echter enigszins uit de mode geraakt om stuwdammen en krachtcentrales in ontwikkelingslanden te bouwen. Dat komt doordat bij dergelijke grote projecten vaak maar weinig rekening werd gehouden met het milieu en de getroffen mensen. En in plaats van elektrische leidingen en generatoren werden keuterboertjes en kredietverenigingen gefinancierd. Er zijn zelfs deskundigen, zoals Nobelprijswinnaar voor de Economie Angus Deaton, die ontwikkelingshulp radicaal willen schrappen omdat de betalingen alleen maar corrupte regimes in stand houden en in het ergste geval zelfs schade aanrichten. Een regering die bijvoorbeeld regelmatig geld uit het buitenland krijgt voor de staatshuishouding, hoeft er niet voor te zorgen dat de mensen in eigen land genoeg verdienen om belasting te kunnen betalen.

    Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar

    Ook Carret heeft zich met dergelijke theorieën beziggehouden. Maar zijn grootste zorg is dat de Centraal-Afrikaanse Republiek in een spiraal van geweld terechtkomt als de bevolking niet het gevoel heeft dat het haar met een democratisch gekozen president ook financieel beter gaat. Daarom financierde hij met Wereldbankgeld de salarissen van de ambtenaren toen de regering daar niet toe in staat was. Daarom liet hij wegen opknappen om arbeidsplaatsen voor de bevolking te creëren. En daarom wil hij ervoor zorgen dat eindelijk ook de turbines worden geïnstalleerd die al jaren op een bouwplaats naast de waterkrachtcentrale liggen. En dat misschien zelfs met hulp van Chinese investeerders een zonne-energiecentrale wordt gebouwd, zodat stroom in Bangui geen schaars goed meer is.

    En is het land echt niet meer arm als dat allemaal zou lukken?

    Een paar kilometer buiten Bangui bevindt zich een kazerne, beschermd door muren en prikkeldraad. Hier maakt Masse Noudjoutar de dienst uit, commandant van het derde bataljon infanterie van het Centraal-Afrikaanse leger. Zijn soldaten staan in rijen van twee op het exercitieterrein. Het ruikt naar vis, die boven een open vuur wordt gebraden. Merkwaardig is alleen dat vrijwel niemand een wapen draagt.

    Commandant Noudjoutar, waarom is het land arm?

    ‘Kijk om u heen. We zijn met te weinig. We hebben nauwelijks uitrusting, zegt hij. Noudjoutar bouwt met steun van Belgische en Franse militairen het leger van het land op. Zij leren soldaten hoe je controleposten bemand, wat in de strijd is toegestaan en hoe je met gevangenen omgaat. Het probleem daarbij is dat het leger tot nog toe niet meer dan een paar honderd man sterk is – en dat is niet genoeg om de rust in het land te herstellen.

    Niet alleen zijn er te weinig soldaten, er zijn ook te weinig politieagenten, te weinig leraren en te weinig belastingambtenaren. Het ontbreekt aan onafhankelijke rechters, ambtenaren op ministeries, accountants. Op papier is de Centraal-Afrikaanse Republiek een keurig geordend staatsbestel met zestien prefecturen en 179 gemeenten. Maar de praktijk ziet er anders uit. Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar. En dus moeten ze toekijken hoe de in het oosten van het land gewonnen diamanten de grens over worden gesmokkeld, waar ze in de zakken 
van de militieleiders terechtkomen 
in plaats van bij de eigen bevolking.

    Zelfs als er geld is, wordt het vaak zodanig gebruikt dat het land er meer schade van ondervindt dan baat bij heeft. Daar kan de enige grootindustrieel van het land over meepraten; de directeur van de brouwerij is een zeer actieve Fransman die al meer dan twintig jaar in Afrika werkt. Ooit moest hij tijdens onlusten de werkzaamheden staken omdat de diesel voor de aandrijving van de generatoren was gestolen – samen met ongeveer vijftienduizend flesjes bier. Het grootste probleem zijn echter de autoriteiten, zegt de directeur. Een paar jaar geleden had hij een tiental werknemers moeten ontslaan omdat de zaken slecht gingen. Het ontslag was door de rechtbank goedgekeurd, maar niet veel later door dezelfde rechtbank onrechtmatig verklaard. Hij werd tot een boete veroordeeld, met als motivatie dat de wet was gewijzigd.

    Straatbeeld in de hoofdstad Bangui. – © Jean Chung / Getty
    Straatbeeld in de hoofdstad Bangui. – © Jean Chung / Getty

    Vroeger beschouwden veel ontwikkelingsdeskundigen de overheid als overbodig, als een bureaucratisch apparaat dat de economische groei remde. Tegenwoordig weten ze dat economisch succesvolle landen doorgaans over een sterke overheid beschikken, die ervoor instaat dat privébezit wordt beschermd, dat de maatschappij niet uit elkaar valt, dat scholen en universiteiten functioneren en dat de regels van vandaag ook morgen nog gelden. Een nieuwe fabriek is vaak pas na jaren rendabel. Zonder een minimum aan rechtszekerheid zal geen investeerder er geld in willen steken.

    In de meeste Afrikaanse landen is de overheid niet sterk, maar opgeblazen: ze doet zich gelden waar ze niets te zoeken heeft en is afwezig waar ze gewenst is. Zo is het bijzonder ingewikkeld om een bedrijf te registreren, kunnen ondernemingen maar moeilijk nieuwe kredieten krijgen en worden voorschriften geïnterpreteerd zoals het de overheid uitkomt. In een recent onderzoek van de Wereldbank naar de kwaliteiten van hun lidstaten als vestigingsland neemt de Centraal-Afrikaanse Republiek van de 190 landen plaats 185 in. Ook de meest gewiekste ondernemers kunnen onder dergelijke omstandigheden niet groeien en arbeidsplaatsen creëren.

    Dat een hogere plaats er niet in zit na de zware onlusten van de afgelopen jaren is niet verwonderlijk, maar het is opvallend dat onder de zakenmensen, ontwikkelingswerkers, politici en militairen in Bangui niemand de geografie verantwoordelijk stelt voor de misère van het land, en nauwelijks iemand zich beklaagt over het klimaat of over het feit dat het Noorden zijn markten afschermt. Voor hen lijkt het belangrijker wat er in het land zelf gebeurt.

    Dat sluit aan bij de stelling van economisch onderzoeker Daron Acemoglu van het Massachusetts Institute of Technology. Acemoglu meent dat de welvaart van een land afhangt van de manier waarop dat land zijn zaken regelt. In de meeste arme landen heeft een kleine elite de macht over politieke en economische hulpbronnen en gebruikt ze die om zichzelf te verrijken. Omdat werken niet loont, blijft de vooruitgang uit. Rijke landen zijn daarentegen rijk omdat economische en politieke vrijheidsrechten grenzen stellen aan de uitbuiting van de bevolking, en het overheidsoptreden zich meer richt op het algemeen welbevinden.

    Dat gold lang geleden misschien ook wel voor de Centraal-Afrikaanse Republiek. De mensen leefden er in relatief stabiele omstandigheden, tot vanaf de vijftiende eeuw zoals in zoveel landen ten zuiden van de Sahara eerst slavenhandelaren uit Noord-Afrika en vervolgens Europeanen – in dit geval de Fransen – het land teisterden. Uit recente onderzoeken blijkt dat deze rooftochten de bestaande maatschappelijke structuren ontwrichtten, zodat uitbuitende regimes vaste voet konden krijgen. De instituties van de betreffende landen hebben daar nog altijd onder te lijden.

    Armoede is geen lot

    Maar – en dat is de eigenlijke boodschap van het onderzoek van Daron Acemoglu – armoede is geen lot. Als het bijvoorbeeld zou lukken om in het noorden van Bangui de extra turbines te installeren, als Masse Noudjoutar meer soldaten zou krijgen en als de rechters de wetten zouden interpreteren in plaats van ze te breken, dan zou de Centraal-Afrikaanse Republiek stijgen in de welvaartstabel.

    Een dag nadat president Touadéra van achter zijn zwarte poort de wederopbouw van zijn land heeft aangekondigd, komen in het Franse cultureel centrum in Bangui een stuk of twaalf mannen en vrouwen bijeen. Daar vindt een soort grondleggersbazaar plaats; de mensen zijn gekomen om hun ideeën te presenteren. De een is van plan om van oude plastic flessen een soort wegdek te maken, een ander heeft een houten koelkast ontwikkeld die weinig energie zou verbruiken, een derde wil een energiedrankje produceren uit de bladeren van de mierikswortel, die in de tropische gebieden van Afrika op elke hoek groeit. ‘Mijn doel is massaproductie. Ik zou graag een fabriek bouwen,’ zegt hij. Dat is nu precies waar het om gaat.

    Auteur: Mark Schieritz
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • Iraanse wetenschap wil de wereld in

    Iraanse wetenschap wil de wereld in

    Iran heeft een ambitieuze jonge elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie van het land.

    Kon je het raam maar open gooien. De lucht is benauwd in de Iraanse hoofdstad, de straten zitten verstopt met oude rammelkasten. Hier en daar een hybride Lexus of een SUV van Duitse makelij die verbazend schadevrij door de drukte heen slalommen en toch de indruk wekken van een onbeholpen protest van de seculiere vooruitgang tegen de muffe lucht in het land van de religieuze deugdpolitie.

    In dit ronkende tumult, dat overdag veertien miljoen mensen omvat en ’s avonds, wanneer de forenzen weg zijn, inkrimpt tot acht miljoen, is alles voortdurend in beweging. Olie en gas, dat hoor en ruik je op elk straathoek, vormen de brandstof voor deze moloch. Zonder de fossiele energie was het organisme Iran allang uitgedroogd, daarin onderscheidt het zich niet van de buurlanden in het Midden-Oosten. 68 soorten mineralen en waardevolle metalen, koper, zink, ijzer, maar vooral de grootste gasreserves van de wereld en de op drie na grootste oliereserves, de grootste markt voor voertuigen in Voor-Azië, maar geopolitiek gezien toch ook een doodzieke patiënt.

    In isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed

    Iran was en is een land in isolement. Het conflict over atoomenergie en de jarenlange sancties tegen het land in de regeringsperiode van de Iraanse populist Mahmoud Ahmadinedjad hebben, tot het nucleaire verdrag met de ‘5+1 staten’ van twee jaar geleden, een politieke puinhoop achtergelaten die tot enige tijd geleden in elk geval op het gebied van de wetenschappen misschien alleen vergelijkbaar is met wat overtuigde pessimisten voorspellen voor de aartsvijand, de Verenigde Staten: isolationisme tot aan internationale marginalisering toe.

    Maar uitgerekend Iran, deze streng geïsoleerde chronische patiënt met zijn autoritair-religieuze bovenbouw, lijkt na de eerste aarzelende opening nu een supermagneet te worden voor een westers wetenschappelijk establishment. Er wordt wederzijds contact gezocht en afgetast. Zoals de Robert Bosch-Stiftung, die we bij hun aftastpogingen aan enkele van de grootste universiteiten van Teheran vergezelden. De Iraanse ‘onderzoekskracht’ waarvan de secretaris van de stichting, Joachim Rogall, vooral onder de indruk was, was tot dusver hoofdzakelijk opgevallen door de zeer getalenteerde studenten en ambitieuze doctorandi die hun heil vonden in Noord-Amerika.

    Maar ook Europa is al jaren een bestemming: alleen al de Max-Planck-Gesellschaft biedt momenteel werk aan ongeveer tweehonderd overwegend jonge Iraniërs. Het academisch milieu wordt in het algemeen gekenmerkt door de vele jongeren en vrouwen. Al onder het regime van Ahmadinedjad verdubbelde het aantal studenten binnen zeven jaar tot bijna vierenhalf miljoen, het aandeel van de vrouwen is net iets minder dan de helft. De explosieve groei van de wetenschap aan honderden openbare, private en religieuze universiteiten is het resultaat van de drang tot zelfbehoud in een rijk, maar politiek geïsoleerd land. Deze heeft een ambitieuze jonge elite voortgebracht die onmogelijk in haar geheel naar het buitenland kon emigreren – een elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie en de opening is de kans op vers bloed voor het zieke organisme.

    ‘Het venster gaat open’: met ongeveer deze woorden begroette Mahdi Jahangiri, een van de leidende figuren in de Iraanse Kamer van Koophandel en daar verantwoordelijk voor de hightechstrategie, de delegatie van de stichting. De Iraanse Kamer van Koophandel is het scharnier- en middelpunt geworden van een culturele en academische beweging die de weg naar buiten zoekt. De voortrekker daarvan is geen man, maar een vrouw: Ferial Mostofi. Een bekwame, doortastende zakenvrouw, een netwerkster die het wetenschappelijke potentieel wil benutten voor een economische ‘upgrade’ van het land: ‘Wij hebben het potentieel van een grote handelsnatie,’ zegt ze, en in de ‘strijd van de kennisgemeenschappen’ om de knapste koppen ziet ze haar land een vooraanstaande positie innemen. Als ze spreekt, klinkt dat oppervlakkig naar zelfpromotie, en ze springt even makkelijk om met statistieken en slogans over ‘investment service centers’, technologietransfers en ‘science & technology-parken’ als iedere westerse wetenschapsmanager. Maar ze weet ook: in isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed: ‘Wij hebben buitenlandse investeringen en samenwerkingsverbanden nodig.’

    De Robert Bosch Stiftung is echter niet naar Teheran gereisd om geld te brengen. ‘Wij dragen de naam van de firma Bosch, maar als onafhankelijke stichting kunnen we hooguit wegbereiders zijn, die dingen mogelijk maken,’ maakte Rogall duidelijk, nadat de ene jonge Iraanse ondernemer na de andere na afloop van zijn korte toespraak in de Kamer van Koophandel geïnformeerd had naar mogelijke directe investeringen uit Stuttgart. In drie jaar tijd is het aantal start-ups en spin-offs dat uit de kennispool van de Iraanse academies is voortgekomen gestegen van enkele tientallen tot meer dan drieduizend, en het aantal ‘science & technology-parken’ gegroeid tot bijna veertig. Overdracht van technologie geldt als de koninklijke weg naar welvaart, de universiteiten pronken met ondernemersstrategieën, maar men is vooral bang dat de technologische vooruitgang in het isolement op enig moment zal stagneren.

    Een robot op de 11e international Robo-Cup-competitie in Teheran, Iran. – © Fatemeh Bahrami / HH
    Een robot op de 11e international Robo-Cup-competitie in Teheran, Iran. – © Fatemeh Bahrami / HH

    Het wetenschapspark van de Universiteit van Teheran bijvoorbeeld, met meer dan 55.000 studenten de grootste van het land, beslaat al meer dan een half miljoen vierkante meter ten noorden van de hoofdstad. Maar voor Mahmoud Nili Ahmadabadi, de eerste democratisch gekozen president van een Iraanse universiteit, is het eigenlijke doel niet de vergroting van het universiteitsterrein, maar een uitbreiding naar het buitenland: ‘Samenwerkingsverbanden met het buitenland bestaan tot dusver helaas alleen op papier.’ Dat geldt niet alleen voor projecten, maar ook voor de uitwisseling van academici: van de buitenlandse studenten aan de Teheran Universiteit komen de meesten uit de buurlanden, uit Afghanistan en Pakistan bijvoorbeeld. Slechts enkelen uit Europa of Noord-Amerika. Volgens de voorzitter van het ingenieurscollege, Nasser Soltain, kan men aan zijn universiteit de gevolgen zien van het jarenlange isolationisme: ‘Wij moeten eerst weer gewend raken aan echte samenwerking,’ zegt hij, en hij rekent daarbij op Europa. De studenten zouden in contacten met Amerikaanse of Canadese professoren tot dusver veel sneller antwoorden en toezeggingen gekregen hebben. ‘Maar onze eerste keus was eigenlijk Europa.’

    De reden is eenvoudig: de meeste hoogbegaafde studenten en doctorandi die voor hun afstudeerprojecten naar Noord-Amerika zijn gegaan, zijn daar ook gebleven. De kans dat de begaafde jongeren weer terugkeren naar het land en meewerken aan de opbouw van Iran als wetenschapsnatie is duidelijk hoger na leerjaren in Europa.

    Ambitie

    Thomas Andersson, een Zweedse wetenschapper die onlangs een rapport heeft geschreven voor de Conferentie over Wereldhandel en Ontwikkeling van de Verenigde Naties, en die de weg naar Iran geëffend heeft voor de Bosch-Stiftung, is er zeker van: ‘Dit is de ideale tijd voor samenwerkingsverbanden met Europa.’ Het gaat beter, dat is duidelijk, maar zo ideaal is het toch ook weer niet, als je luistert naar jonge wetenschappers als de elektro-ingenieur Mahdi Pourfath, die vertelt over de moeilijkheid om middelen te verwerven voor Iraanse projecten: ‘Zolang we geen publicaties in Nature of Science kunnen overleggen, zijn wij oninteressant voor Europese geldschieters. En hier bijt de slang zich in de staart, want zonder die gelden kunnen we ook geen onderzoek afleveren dat voor zulke tijdschriften interessant is.’

    Bij elke ontmoeting bespeur je de ambitie om daar absoluut iets aan te veranderen. Het is voor de Iraanse elites niet meer voldoende nummer 1 in het Midden-Oosten te zijn wat betreft citaties in wetenschappelijke publicaties. Ze presenteren voortdurend internationale rankings die allemaal de academische opkomst aantonen – een bewijs van het eigen potentieel, maar ook van de worteling in het internationale wetenschapsbedrijf. Dat blijkt het duidelijkst bij het bezoek aan de Sharif-universiteit. Een universiteit die Andersson karakteriseert als de ‘talentsmederij van Voor-Azië’. Nummer 38 op de internationale ranglijst van citaties, een plaatsje onder de zon. Daar staan ze niet voor niets. Elk jaar zijn er meer dan honderd jonge geslaagden van de middelbare school die een zeer selectieve test doen om toegelaten te worden tot de Sharif-universiteit. 97 procent valt uiteindelijk af, een derde van de besten zijn jonge vrouwen, ook al ligt het zwaartepunt op het terrein van de technische disciplines – ingenieurstechniek, wiskunde, tot en met nanotechnologie (of juist daarom). Bijna alle leidinggevende professoren hebben aan een Amerikaanse of Europese elite-universiteit gewerkt. Velen brachten enige tijd door in Max Planck-instituten, bijna allemaal hebben ze nog contacten. Dat komt de citatieranking ten goede, en daarmee ook het aanzien, dat stijgt.

    Maar het is de president van de universiteit, Mahmoud Fotouhi, nog lang niet genoeg: ‘Wij willen studenten opleiden die bij ons carrière kunnen maken,’ zegt hij. De massieve toename van Iraanse doctoraal- en Ph.D.-diploma’s van minder dan 20.000 tot meer dan 73.000 in nog geen tien jaar is grotendeels terug te voeren op het stimuleren van elitevorming, zoals die aan de Sharif-universiteit al in de restrictieve periode van het Ahmadinedjad-regime werd bespoedigd.

    ‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis’

    Toch zijn de leidende figuren in de wetenschap niet langer tevreden met academische successen alleen. Ze willen hogerop. Daarbij worden ze ook aangedreven door een geïmporteerde promotiedwang die niet alleen de geleerde zou kunnen vleien, maar ook de machtige conservatieven in het land – vaak genoeg de spelbrekers op het gebied van cultuur. Graag wordt het bericht geciteerd van het McKinsey Global Institute van juni vorig jaar, waarin sprake is van de ‘eenmiljarddollar-kans’ voor Iran. Bedoeld worden de groeiprognoses van het land tot het jaar 2035 – bij een jaarlijkse economische groei van zes procent.

    Westerse bezoekers zijn minder verrast door dat getal dan door de conclusies die de Iraniërs eruit trekken. Die komen neer op een paradigmawisseling in de wetenschapspolitiek, als we de president van Sharif Fotouhi mogen geloven. Industriepartnerschappen tegen de klippen op. Met industriegelden, graag ook met zulke buitenlandse investeerders en intussen ook met Iraans durfkapitaal moet de weg worden vrijgemaakt voor het hightechland Iran. Men is van vijftig industrieprojecten aan de universiteit in 2010 in vijf jaar opgeklommen tot meer dan driehonderd. Aan de Sharif-universiteit heeft men daarvoor niet alleen een bijzondere plaats ingeruimd voor de klassieke technologieoverdracht, met alle marketing- en consultancybombarie die erbij hoort, ook een groep studenten, in meerderheid vrouwelijk, heeft zich blijkbaar een hoog aanzien verworven. Hun ‘Sharif-versneller’ moet partnerschappen en samenwerkingsverbanden bespoedigen, maar vooral goede ideeën stimuleren.

    Nanotechnici

    Elke start-up krijgt 20.000 dollar startkapitaal. Hoewel ze pas in 2014 begonnen zijn, hebben een paar van deze kleine ondernemingen het op de Iraanse markt gemaakt. Maar ze zijn niet allemaal zo succesvol als de afgestudeerden die de computeringenieur Hamid Rabiee presenteert: 500 publicaties en 20 technologiepatenten in vijf jaar, en daarbij 45 start-ups uit de ‘incubator’ met big data en cloudexperts, een eigen sociaal netwerk, een gezondheidscloud en spin-offbedrijven, waarvan de een of de ander jaarlijks tot 75 miljoen dollar omzet moet maken.

    Die bekwaamheid in zaken brengt ook de Raad van Wachters in het geweer. Toen de Iraanse regering een paar jaar geleden het ‘nanocouncil’ oprichtte, een nationaal stimuleringsprogramma, dat onlangs gevolgd werd door een programma voor hersenonderzoek ter waarde van 10 miljoen dollar en al snel uitgebreid kon worden met een biotechprogramma, telde men in het land 10 nano-onderzoekers met acht publicaties per jaar. Nu, tien jaar later, heeft Iran naar men zegt 20.000 nanotechnici, verdient het geld met 400 nanobedrijven, exporteert het naar zeventig landen en is het in de internationale ranking van het nano-onderzoek gestegen naar de zesde plaats.

    In het ministerie van Wetenschap heet het daarom officieel: ‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis.’ Zulke signalen komen aan. Helga Novotny, medeoprichtster en voormalige presidente van de Europese Onderzoeksraad, een van de vurigste pleitbezorgers van een vrije uitwisseling van wetenschappelijk onderzoek, die met de delegatie van de Bosch Stiftung is meegereisd naar Iran, ziet daarin ondanks al het Amerikaanse isolationisme en ondanks de Brexit een teken voor de toekomst: ‘De tijd is rijp om de internationale samenwerkingsverbanden opnieuw vorm te geven.’ Een opening zonder mitsen en maren? Een commentaar daarop van de religieuze hardliners in het centrum van Teheran was niet te krijgen.

    Auteur: Joachim Müller-Jung
    Vertaler: Piet Meeuse

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.