Tag: wereldbank

  • Ontwikkelingsbanken geven miljarden klimaatsteun aan bioindustrie

    Ontwikkelingsbanken geven miljarden klimaatsteun aan bioindustrie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Trump Organization is het meest gehate bedrijf van de VS

    » Onderzoek: In 2050 heeft 1 op de 10 mensen wereldwijd diabetes

    Ontwikkelingsgeld naar landbouwgiganten

    De grootste ontwikkelingsbanken ter wereld – zoals IDB Invest, onderdeel van de Inter-American Development Bank, en de International Finance Corporation, de financiële tak van de Wereldbank – kwamen ooit overeen dat ze steun zouden geven aan bedrijven die ernaar streven de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Maar onderzoek toont dat ze precies het tegenovergestelde doen. Op 21 juni verscheen een analyse waaruit blijkt dat de banken juist miljarden hebben gegeven aan grote vee- en graanbedrijven die bezig zijn met de uitbreiding van landbouwsystemen die zorgen voor meer uitstoot, schrijft Inside Climate News.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het rapport, onderdeel van de campagne Stop Financing Factory Farming, stelt vast dat ’s werelds grootste ontwikkelingsbanken, die particuliere projecten in ontwikkelingslanden ondersteunen, tussen 2010 en 2021 4,6 miljard dollar hebben geïnvesteerd in de landbouw. Een groot deel vloeide naar grote bedrijven, zoals Smithfield, Danone en graangigant Louis Dreyfus.

    De banken gaven 2,6 miljard dollar aan deze grote vlees- en zuivelproducenten; Louis Dreyfus ontving 200 miljoen dollar voor de productie van soja en maïs in de Cerrado, een regio met een grote biodiversiteit in Brazilië waar ongeveer de helft van de bossen al is gekapt voor de landbouw. Veel van die gewassen gaan als veevoer naar grote landbouwbedrijven in Europa. Dreyfus, dat onder meer actief is in de landbouw, de voedingsmiddelenindustrie, de internationale scheepvaart, financiën, hedgefondsen, telecommunicatie en vastgoed, heeft zijn hoofdvestiging in Rotterdam.

    Lees ook:

  • Investeer in de zwarte neushoorn en cash als het aantal stijgt

    Investeer in de zwarte neushoorn en cash als het aantal stijgt

    De Wereldbank geeft unieke Wild Life Conservation Bonds uit ter waarde van 150 miljoen dollar. Met die investeringen moeten doelstellingen van natuurbescherming worden behaald, zoals de toename van het aantal zwarte neushoorns – een ernstig bedreigde diersoort.

    Op de dag dat Zuid-Afrika zijn vierde investeringsconferentie hield in Sandton, kregen investeerders een ongebruikelijk aanbod: een Wildlife Conservation Bond (WCB), ook wel Rhino Bond genoemd. Deze ‘neushoornobligatie’ biedt investeerders rendement gebaseerd op de toename van het aantal zwarte neushoorns in Zuid-Afrika. Eind maart werd de waarde van de obligatie vastgesteld door de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IBRD), een tak van de Wereldbank. 

    ‘De WCB is een uniek, resultaatgericht financieel instrument dat middels investeringen resultaat wil boeken op het gebied van natuurbehoud. In dit geval is de waarde afhankelijk van de groei van de populatie zwarte neushoorns’, aldus de Wereldbank.

    Van de opbrengst zal 152 miljoen Zuid-Afrikaanse Rand, circa 9,62 miljoen euro, worden gebruikt voor de bescherming en groei van de populatie zwarte neushoorns in het Zuid-Afrikaanse Addo Elephant National Park en de Great Fish River Nature Reserve. De neushoornpopulaties daar lopen terug door stropers, die aan de vraag naar hoorn in Azië proberen te voldoen. De rest van de opbrengst zal worden gebruikt voor de financiering van groene en sociale projecten in landen die zijn aangesloten bij de Wereldbank.

    Succes payment

    ‘Aan de hand van duidelijke doelstellingen voor natuurbeheer steunen beleggers de financiering van activiteiten om een ernstig bedreigde diersoort bescherming te bieden en in aantal te laten toenemen. Daarmee dragen zij rechtstreeks bij aan de biodiversiteit en aan het scheppen van banen in natuurbeheer op het achtergebleven platteland van Zuid-Afrika’, aldus de Wereldbank.

    In tegenstelling tot traditionele obligaties keert de WCB geen couponrente uit. ‘In plaats daarvan doet de uitgevende instantie investeringen in natuurbescherming om behoud van de neushoorns in de twee parken te financieren’, legt de Wereldbank uit. ‘Het resultaat zal worden gemeten aan de hand van de groei van de populatie, die onafhankelijk zal worden berekend door Conservation Alpha en geverifieerd door de Zoological Society of London. Als dit goed is, ontvangen beleggers op de vervaldag behalve de aflossing van de ingelegde hoofdsom ook een succes payment. Die betaalt de IBRD van een prestatieafhankelijke subsidie door de Global Environment Facility.’ Een success payment is de betaling die wordt gedaan als een bepaalde, in het contract vastgestelde doelstelling is gehaald.  

    Het aantrekkelijke voor beleggers is dat zij kunnen bijdragen aan natuurbescherming en er ook nog iets voor terugkrijgen

    De maximale ‘Conservation Success Payment’ bedraagt 13,76 miljoen dollar. Dat is de maximale betaling die beleggers na vijf jaar kunnen ontvangen bovenop de hoofdsom, op voorwaarde dat de streefcijfers voor de neushoornpopulatie worden gehaald. Het rendement komt daarmee neer op ongeveer 9 procent over vijf jaar. Dat is minder dan 2 procent per jaar, maar er volgt nog extra rendement omdat de obligatie bij uitgifte ‘onder pari’, ofwel onder de nominale waarde, wordt verkocht. De heraanbiedingsprijs bedraagt 94,84 procent van de hoofdsom.

    Het aantrekkelijke voor beleggers is dat zij kunnen bijdragen aan natuurbescherming en er ook nog iets voor terugkrijgen. Mogelijk vindt dat weerklank in dit tijdperk waarin ESG’s razend populair zijn; investeringen op basis van sociale, beleids- en milieucriteria. Het proces rond de emissie van de obligaties is in handen van Credit Suisse in samenwerking met Citibank. Beoogde investeerders zijn institutionele beleggers. 

    Er zijn nog ongeveer 5500 zwarte neushoorns in Afrika; enkele decennia geleden waren dat er nog tienduizenden. De zwarte neushoorn is kleiner en temperamentvoller dan zijn grotere neef, de witte neushoorn. 

    Als westerse stedelingen de Afrikaanse natuur willen beschermen, moeten ze dus betalen. 

    Een van de aantrekkelijke aspecten van de nieuwe obligatie is dat hij investeringen in de particuliere sector kan aantrekken. Het behoud van groot wild in Afrika kent veel voorvechter onder de middenklasse in welvarende, ontwikkelde economieën, kortom voor mensen die er ver vanaf staan. 

    Zuid-Afrika heeft de meest ongelijke economie ter wereld. Met een werkloosheidscijfer dat volgens de breedste definitie de vijftig procent nadert, moet de regering een balans zien te vinden tussen de financiering van natuurbehoud en dringende sociale behoeften. Als westerse stedelingen de Afrikaanse natuur willen beschermen, moeten ze dus betalen. 

    Wanbeleid

    Het valt nog te bezien hoe dit alles zal uitpakken, en of het de neushoorns en investeerders iets zal opleveren. Het feit dat een van de betrokken reservaten wordt beheerd door het wanordelijke provinciebestuur van de Oostkaap zal bij sommigen een alarm doen afgaan. Maar volgens de Wereldbank zijn de parken ‘geselecteerd op basis van hun ecologische, bestuurlijke en financiële kwaliteiten, waarmee resultaten kunnen worden geboekt op het gebied van neushoornbehoud‘. Tussen al het wanbestuur zullen zich ook enkele uitblinkers bevinden.

    Initiatieven zoals de Rhino Bond zijn natuurlijk welkom, maar volgens particuliere neushoornbezitters voert de Zuid-Afrikaanse regering tegelijkertijd een beleid dat de groei van de soort juist tegenwerkt. Een Zuid-Afrikaanse overheidscommissie heeft aanbevolen om het fokken van neushoorns in gevangenschap geleidelijk af te bouwen, ondanks het feit dat de particuliere sector goed werk heeft verricht voor het behoud van de dieren, althans wat de aantallen betreft. De meeste van de ruwweg 12.500 witte neushoorns in Zuid-Afrika zijn in particuliere handen

    En dan zijn er ook nog mensen die betogen dat het legaliseren van de wereldwijde handel in de hoorn van neushoorns veel meer geld zou opleveren voor het behoud van de soort, maar dat is op zijn zachtst gezegd een netelige kwestie.

    Misschien volgen er, afhankelijk van de resultaten, soortgelijke initiatieven na de introductie van de neushoornobligatie. Een olifantenobligatie wellicht, of een leeuwen- of tijgerobligatie? Het rendement lijkt misschien wat karig, maar het dividend voor de natuur zou wel eens een klapper kunnen zijn.

    Lees ook:

  • Afrikaanse kikkersprongen

    Afrikaanse kikkersprongen

    De snelle verspreiding van technologische ontwikkelingen heeft Afrikaanse landen de kans gegeven een sprong vooruit te maken. Maar daar is nog altijd deugdelijk bestuur voor nodig.

    Kotiogo Ng’usilo kan zich nog levendig herinneren dat hij voor het eerst een auto zag. 
Het was in de jaren vijftig en Ng’usilo, een jager-verzamelaar van de Ogiek-stam in het Mau-woud in Kenia, dacht dat het een ‘bewegend huis’ was. Inmiddels 86 jaar oud probeert hij met het verzamelen van honing en het vangen van een klipdas hier en daar nog vast te houden aan zijn oude levensstijl, maar verder is hij meegegaan met de vaart der volkeren. Hij draagt westerse kleren, koopt voedsel op de markt en gebruikt, net als zijn jongere familieleden, een mobiele telefoon. Terwijl hij boven een kalebas heilig honingbier over vroeger vertelt, wordt hij continu onderbroken door getjirp, niet van vogels maar van telefoontjes met nieuws uit de stad.

    De snelle opkomst van mobiele technologie in de derde wereld – met name in Afrika, dat bij Azië en Latijns-Amerika achterblijft in het dichten van de inkomenskloof met het Westen – heeft geleid tot de kikkersprongtheorie. Volgens deze theorie, zo staat geformuleerd in een studie van de Wereldbank, kunnen landen een ‘snelle economische groeisprong maken’ door technologische innovatie te omarmen.

    Sommigen zien in de kracht van technologie een verbluffende potentie om problemen op te lossen die veel regeringen, vooral in Afrika, niet adequaat aanpakken: slechte gezondheidszorg, slechte scholen, een gebrekkig wegennetwerk, gebrekkige elektriciteitsvoorziening en een tekort aan banen. Afgelopen zomer riep Alibaba-oprichter Jack Ma nog een 
prijs van 10 miljoen dollar in het leven voor jonge Afrikaanse techondernemers die ‘de weg plaveien voor een betere toekomst’.

    Technologie

    De opkomst van mobiele en digitale technologie wordt gezien als de sleutel tot de kikkersprong. 
Volgens schattingen van de GSMA, de mondiale brancheorganisatie van de telecomsector, telden landen bezuiden de Sahara in 2017 in totaal 444 miljoen mobieletelefoongebruikers, een penetratiegraad van 44 procent, tegen een wereldwijd gemiddelde van 
66 procent. In Zuid-Afrika en Nigeria, waar 9 van de 10 inwoners een abonnement heeft, zijn mobieltjes net zo gewoon als in de VS, blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse denktank Pew Research Center. 


    Met de prijsdaling van mobiele telefoons is de verwachting dat de kloof tussen het merendeel van de 50 Afrikaanse landen en de rest van de wereld geleidelijk zal worden gedicht. In Ethiopië produceert het Chinese bedrijf Transsion Holdings al toestellen die niet meer dan 10 dollar kosten. ‘Inmiddels is toegang tot mobiele telefoons bijna universeel,’ zegt de Zimbabweaanse neurowetenschapper Precious Lunga, oprichter van Baobab Circle, een techbedrijf dat kunstmatige intelligentie gebruikt om patiënten in Kenia en 
Zimbabwe consulten te geven. ‘Er zijn plekken waar geen stromend water is, maar waar je wel een video kunt 
streamen,’ zegt ze.

    De verspreiding van smartphones, die een derde uitmaken van alle mobiele telefoons in Afrika, opent nieuwe perspectieven, jubelen techadepten. Een deel van de elite in bruisende steden als Lagos in Nigeria of Dar es Salaam in Tanzania, die beide tot de snelst groeiende steden ter wereld behoren, gebruikt taxiapps als Uber of Taxify en bestelt maaltijden en kleding online. In Ivoorkust heeft bankengroep Standard Chartered haar eerste louter digitale consumentenbank opgericht, als proef voor digitale diensten wereldwijd. Nog belangrijker voor de kikkersprongtheorie is de impact die mobiele technologie heeft op het platteland, waar zes van de tien Afrikanen leven. Op vrijwel het hele Afrikaanse continent voltrekt zich een revolutie op het vlak van financiële inclusie.

    Kenia was in 2007 voortrekker met de lancering van M-Pesa, de mobiele betaaldienst van telefoonbedrijf Safaricom. Tientallen miljoenen mensen die voordien zonder bankrekening door het leven gingen, zoals Ng’usilo, kunnen nu met een paar vingerbewegingen geld naar familieleden overmaken of inkopen doen. De doorbraak van mobiel geld, dat volgens de GSMA inmiddels door ongeveer 690 miljoen mensen wordt gebruikt, van wie de helft Afrikaans is, vormt de 
ruggengraat voor tal van andere diensten. In steden en middelgrote plaatsen kunnen kleine ondernemingen online adverteren en mobiele betalingen ontvangen.

    Op het platteland is er een snelle groei van pay-as-you-go-zonnestroom waarbij klanten met mobiel geld voor luttele bedragen als 50 cent per dag elektriciteit kunnen kopen. De panelen worden op afstand gedeactiveerd wanneer de betaling stopt. In het dorp Sahabevava in het noordoosten van Madagascar, op een paar uur rijden van de dichtstbijzijnde stad en ver verwijderd van het dichtstbijzijnde elektriciteitsnetwerk, woont boerin Lydia Soa. Ze is de trotse bezitter van een zonnepaneel, dat genoeg stroom opwekt om haar huis mee te kunnen verlichten – handig voor wanneer de kinderen huiswerk maken – een boombox te laten werken en, natuurlijk, om haar mobiele telefoon op te laden.

    Er zijn plekken waar geen 
stromend water is, maar waar je wel een video kunt streamen

    Afrika is goed voor 16 procent van de wereldbevolking maar heeft slechts 2,8 procent van de mondiale capaciteit voor stroomopwekking. Slechts 37 procent van de Afrikanen ten zuiden van de Sahara heeft 
toegang tot elektriciteit, wat betekent dat zo’n 600 miljoen mensen zonder stroom leven. Maar in 2017, bleek uit een brancherapport, hadden 73 miljoen huishoudens bezuiden de Sahara al toegang tot zonne-energie. Deze snelle toename, die ervoor gezorgd heeft dat afgelegen delen van Afrika in één klap van geen stroom naar groene stroom zijn gegaan, is een schoolvoorbeeld van de kikkersprongtheorie.

    Als technologie over grenzen, het bankwezen en elektriciteitsnetwerken kan ‘springen’, zeggen enthousiastelingen, dan zal ze zeker een weerslag hebben op alle industrieën én alle levensterreinen. Keun Lee, hoogleraar economie aan de Nationale Universiteit van Seoul, heeft bestudeerd hoe technologische ontwikkelingen vooruitgang kunnen 
aanzwengelen. ‘Bij de opkomst van een nieuwe technologie of paradigma begint iedereen op hetzelfde punt; laatkomers lopen niet achter,’ zegt hij. ‘Voorlopers zijn de laatsten die op nieuwe technologieën overstappen,’ voegt hij eraan toe.

    Lee, die de regering van Rwanda adviseert over haar ambities om van 
het kleine centraal-Afrikaanse land een digitale hub te maken, zegt dat technologische verschuivingen landen als India, Brazilië en een aantal Afrikaanse economieën de kans geven een sprong vooruit te maken. ‘Afrikaanse landen, waar men voorheen voor verlichting op kerosinelampen was aangewezen, kunnen in één keer overgaan op zonne-energie, zonder de tussenstap van een traditioneel elektriciteitsnet.’

    Weinigen zullen betwisten dat landen in Afrika en elders door gebruikmaking van technologieën die in het Westen zijn ontwikkeld of van eigen innovaties, zoals mobiel geld, het ontwikkelings-proces kunnen bekorten. Groot-Brittannië deed er 150 jaar over om, via een industriële revolutie die draaide om water, wind en stoomkracht, van een landbouweconomie tot een geavanceerde economie uit te groeien. Japan deed er korter over, en landen als Singapore, Taiwan, Zuid-Korea en China maakten de sprong naar de positie van een 
land van midden- en hoge inkomens in een paar generaties.

    Fonkelnieuwe apps

    De kikkersprongadepten zijn in hun definitie van technologie geneigd om te focussen op de digitale revolutie en de transformerende kracht van ‘fonkelnieuwe apps’, zoals Lunga van Baobab Circle het uitdrukt. Robert Gordon, econoom aan de Northwestern University in Chicago, zegt echter dat de grootste productiviteitsgroei niet zozeer te danken is aan het internet 
of mobiele telefoons maar aan technologieën die we nu als vanzelfsprekend beschouwen: sanitaire voorzieningen, wegen en stoomkracht.

    Als Gordon gelijk heeft, dan zou Afrika door die ontwikkelingen over te slaan en direct aan te haken bij wat men in 2016 op het World Economic Forum in Rwanda ‘de vierde industriële revolutie’ noemde, de belangrijkste productiviteitsstijging mislopen – en dus ook economische groei. Inderdaad kunnen de groeicijfers van Afrika, omgerekend per hoofd van de bevolking, zelden worden uitgedrukt in bedragen van twee cijfers voor de komma, zoals wel het geval is in Noordoost-Azië, waar de levensstandaard omhoog is geschoten.

    Bill Gates zegt dat de voornaamste technologieën die in Afrika levens 
veranderen in het verleden zijn ontwikkeld en nu pas in de verste uithoeken van de wereld doordringen. ‘Ik heb het over technologie in de vorm van een injectie door de plaatselijke arts, of een pil die dorpelingen kunnen slikken of een zaadje dat ze kunnen planten,’ zegt hij. Gates, wiens Bill & Melinda Gates Foundation miljarden dollars bijdraagt aan het bevorderen van zulke ontwikkelingen, zegt dat het relatieve gemak van de verspreiding landen in staat stelt om sneller op de rest van de wereld in te lopen, vooral op het gebied van de volksgezondheid. ‘Wat vaccineren betreft zijn we aardig op weg om alle kinderen op de hele wereld te bereiken.’

    Solutionism

    Sommige claims van de kikkersprongadepten zwemen naar ‘solutionism’: het idee dat technologie zelfs de lastigste problemen kan oplossen. Volgens sceptici toont Afrika net zo goed de beperkingen 
van technische oplossingen bij de afwezigheid van fatsoenlijk bestuur en een basisinfrastructuur. 
Ontwikkelingen op gebied van landbouw en volks-gezondheid laten zowel het potentieel als de tekortkomingen van technologie zien. Neem de landbouw, waarin meer dan de helft van de volwassen bevolking van Afrika werkzaam is.

    In heel Afrika probeert men het probleem van de lage productiviteit door middel van technologische oplossingen te lijf te gaan. In Ghana stuurt CocoaLink cacaoboeren via sms praktische informatie en de actuele marktprijzen. In Kenia gebruikt de onlinemarktplaats Twiga Foods technologie om duizenden groothandelaren een directe afzetmarkt te bieden en boeren een transparante markt te garanderen. Volgens Twiga-topman Grant Brooke biedt de mobiele technologie boeren meer zekerheid, waardoor ze hun opbrengst kunnen verhogen. Maar fonkelende apps kunnen niet de waarheid verdoezelen. Afrikaanse boeren zijn bleven steken in de 19de eeuw.

    Het merendeel van de boerderijen heeft geen irrigatie, geen gesubsidieerde zaden of kunstmest, geen toegang tot de markt en onzekere eigendomsrechten. Boeren nemen niet 
de moeite gewassen te verbouwen die, bij gebrek aan een koelsysteem, gaan rotten voordat ze de consument bereiken. Slechts 44 procent van de rurale bevolking in Kenia en 32 procent van de Ethiopiërs woont op twee kilometer afstand van een weg die het hele jaar begaanbaar is, een gegeven dat de 
Ethiopische oud-premier Meles Zenawi zwaarder vond wegen dan het bbp om te bepalen hoe zijn land ervoor stond.

    M-Pesa (Pesa betekent geld in Swahili) is een door Vodafone ontwikkelde betaaldienst dat betalen per sms mogelijk maakte voor miljoenen Kenianen zonder bankrekening. – © HH
    M-Pesa (Pesa betekent geld in Swahili) is een door Vodafone ontwikkelde betaaldienst dat betalen per sms mogelijk maakte voor miljoenen Kenianen zonder bankrekening. – © HH

    Of neem de medische zorgvoorziening. In heel Afrika proberen technologen een fundamenteel 
probleem op te lossen: het gebrek aan goede, betaalbare gezondheidszorg. Babyl Health Rwanda, de dochteronderneming van Babylon, een Britse maker van een dokter-in-je-zakapp, biedt dorpelingen die op grote afstand van een kliniek wonen onlineconsulten. ‘Technologie kan wel degelijk een gat vullen,’ zegt Lunga, die met haar Baobab Circle teleconsulten biedt aan diabetespatiënten en mensen met bloeddrukproblemen.

    ‘Er zijn te weinig artsen, er zijn te weinig verpleegsters,’ zegt ze. ‘Met behulp van kunstmatige intelligentie kun je dat probleem in één klap verhelpen.’ Maar net als bij de landbouw lijken deze vernieuwingen in de gezondheidszorg eerder lapmiddelen voor een falend systeem. Veel Afrikaanse regeringen zijn te arm, te slecht georganiseerd of te druk bezig met het vullen van eigen zakken om 
de bevolking fatsoenlijke gezondheidszorg te leveren. De enige kikkersprongen op zorggebied zijn die van rijke Afrikanen die voor een behandeling uitwijken naar het buitenland en hun eigen gebrekkige zorgvoorziening laten voor wat het is.

    ‘Niemand kan beweren dat goede technologie een substituut is voor goed bestuur,’ zegt Bill Gates. ‘Ik maak me geen illusie dat je geholpen bent met een gratis computer als je malaria hebt, of als er geen leraren of zelfs geen klaslokalen zijn.’ Calestous Juma, de vorig jaar overleden hoogleraar internationale ontwikkeling aan de Harvard Kennedy School, geloofde heilig in de kracht van technologie om levens in Afrika te veranderen, maar hij waarschuwde voor de valse voorstelling 
van zaken dat Afrika met één grote sprong in de diensteneconomie zou kunnen belanden zonder eerst een industriële basis te leggen. ‘Geen kikkersprong kan op tegen slecht leiderschap.’

    Auteur: David Pilling

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | 
oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • Waarom is het armste land ter wereld zo arm?

    Waarom is het armste land ter wereld zo arm?

    Waarom lukt het China zich aan de armoede te ontworstelen, en veel Afrikaanse staten niet? Die Zeit zocht naar antwoorden in de Centraal-Afrikaanse Republiek.

    De president van het armste land ter wereld resideert achter een grote zwarte toegangspoort, die wordt bewaakt door een handvol mannen met machinegeweren. Wie de poort passeert, stuit op een kantoorcontainer met een schotelantenne op het dak. Een achteringang voert naar een met hout betimmerde werkkamer met zware gordijnen, die de middaghitte buiten moeten houden. Daar bezet president Faustin-Archange Touadéra een van de kolossale leren stoelen, waarin hij er op de een of andere manier ietwat verloren uitziet.

    Eigenlijk is Touadéra hoogleraar in 
de wiskunde. Een paar jaar geleden ging hij de politiek in om zijn land te dienen, zegt hij. En vrij snel werd hem duidelijk dat dat ingewikkelder is dan de ingewikkeldste wiskundige vergelijking. Touadéra’s land is namelijk de Centraal-Afrikaanse Republiek.

    581 dollar

    Als je op een kaart van het Afrikaanse continent ongeveer in het midden een lijn van noord naar zuid trekt en dat ook van oost naar west doet, dan ligt het land nagenoeg op het snijpunt van die lijnen. Eén keer per jaar publiceren de Verenigde Naties een lijst die de landen ter wereld op welvaartsniveau rangschikt. De Centraal-Afrikaanse Republiek staat op de laatste plaats. Slechts 581 dollar bedraagt er het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking – in Duitsland is dat 43.919 dollar.

    Hoe komt dat?

    Waarom staat de burgemeester van Paderborn een hoger budget ter beschikking dan de president van een land dat twee keer zo groot is als de Bondsrepubliek?

    Waarom rollen er in Duitsland jaar 
in, jaar uit bijna zes miljoen auto’s 
van de band en in het rijk van Faustin-Archange Touadéra niet een?

    Waarom worden Duitsers gemiddeld 81 jaar oud en de mensen in het hart van Afrika maar amper 51 jaar?

    Met andere woorden: waarom zijn arme landen arm en rijke landen rijk?

    Ontelbare economen hebben zich over die vraag gebogen. Ze hebben de oorzaken van de armoede onderzocht en erover nagedacht waarmee de armen geholpen zouden kunnen zijn. Maar ze zijn met hun ideeën maar nauwelijks doorgedrongen in de zenuwcentra van de internationale politiek.

    Door het koele 
klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen

    Zoals zo vaak in de economie is er niet één maar zijn er vele theorieën waarmee geprobeerd wordt te verklaren waarom arme landen arm zijn. Sommige deskundigen schrijven armoede toe aan de geografische ligging van een land, door te stellen dat de toegang tot de open zee een belangrijke voorwaarde voor economische ontwikkeling is, omdat de handel erdoor wordt vergemakkelijkt. Dat klinkt logisch, maar een land als Zwitserland ligt behoorlijk ver van zee en is toch een van de rijkste landen ter wereld.

    Anderen zien het klimaat als een belangrijke oorzaak: door het koele 
klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen. Dat verklaart evenwel niet waarom tropische landen als Maleisië relatief rijk zijn geworden.

    Weer andere economen betogen dat de armen arm zijn omdat de rijken rijk zijn: het Noorden schermt zijn markten af, waardoor de landen van het Zuiden hun producten daar niet kunnen verkopen. Toch heeft China dat juist wel gedaan en daarmee miljoenen Chinezen een weg uit de armoede geboden.

    Tot zover de theorieën van de deskundigen. Maar wat is de visie van Faustin-Archange Touadéra in hoofdstad Bangui, voor wie de armoede net zo bij het dagelijks regeren hoort als het pensioendebat voor Angela Merkel?

    Kinderen in een opvangkamp in de Centraal-Afrikaanse Republiek. – © Jean Chung / Getty
    Kinderen in een opvangkamp in de Centraal-Afrikaanse Republiek. – © Jean Chung / Getty

    Meneer de president, waarom is uw land zo arm?

    ‘We hebben praktisch geen regering. We zijn niet in staat de bevolking te beschermen. We moeten dat allemaal weer opbouwen.’

    Waar ontbreekt het aan?

    ‘Vooral de infrastructuur baart ons zorgen. Er zijn nauwelijks wegen en 
er is te weinig elektriciteit.’

    De bewoners van het land waarvan de geschiedenis, net als die van zoveel Afrikaanse landen, tot nog toe weinig aanleiding tot hoop heeft geboden, hebben die hoop gevestigd op Touadéra. Na de laatste coup in 2013 richtten rivaliserende milities bloedbaden aan, waarbij duizenden mensen de dood vonden en honderdduizenden op de vlucht werden gedreven. Touadéra is de eerste president sinds jaren die na min of meer eerlijk verlopen verkiezingen aan de macht is gekomen.

    Aan de andere kant zal er vrijwel geen politicus op aarde zijn die zich niet zou beklagen over de staat van de wegen in zijn land. Daarom loont een bezoek aan Jean-Christophe Carret, die veel weet over elektriciteit en wegen, en nog meer over de oorzaken van armoede. Carret is namelijk econoom en hij werkt voor de Wereldbank. De Wereldbank is een halve eeuw geleden opgericht om de armoede op de wereld te verslaan. De bank heeft meer dan tienduizend werknemers in ruim honderdtwintig landen. Het kantoor van Jean-Christophe Carret ligt vlak bij het presidentiële paleis.

    Meneer Carret, waarom zijn de mensen hier arm?

    ‘Stap in, dan zal ik u iets laten zien.’

    Eén onderneming

    Carret stuurt zijn terreinauto richting het noorden. Hij wordt begeleid door een groep zwaarbewapende blauwhelmen, omdat milities het gebied nog altijd onveilig maken. Het konvooi rijdt door de levendige buitenwijken van Bangui, waar op markten fietsbanden, flessen benzine, ondergoed en een uitgebrande Citroën worden aangeboden. Daarna zijn er alleen nog maar her en der lemen hutten te zien en omzomen schier eindeloze struikgewassen de stoffige weg. Na anderhalf uur rijden wordt het landschap bergachtiger en is het geraas van een enorme waterval te horen.

    Carret zet koers naar een fabriekshal. Binnen zet het vallende water vijf turbines in beweging, die generatoren ter grootte van een minibus aandrijven. ‘Dit is hier de enige officiële energiebron, een hoogspanningsleiding transporteert de stroom naar Bangui,’ zegt Carret. ‘We hebben de centrale gerenoveerd. Een stuwdam zorgt ervoor dat er ook in de droge tijd genoeg water is. We kunnen van hieruit de stad van stroom voorzien, maar het is niet voldoende om fabrieken in bedrijf te houden.’

    In de hele Centraal-Afrikaanse Republiek is er zegge en schrijve één grote onderneming, een brouwerij in een buitenwijk van Bangui. Die behoort tot het Franse drankenconcern Castel, dat daar een moutbier brouwt en de helft van zijn energiebehoefte op een dure manier moet opwekken met behulp van een eigen generator, een wijdverbreid fenomeen in Afrika. Volgens een onderzoek van consultancybureau McKinsey produceren de 49 landen ten zuiden van de Sahara jaarlijks ongeveer 423 terawattuur elektrische energie. De VS verbruiken iets meer dan het negenvoudige. De slechte stroomvoorziening weerhoudt veel ondernemingen ervan investeringen te doen.

    Als er meer stroom was, dan zouden zich dus meer bedrijven in Afrika vestigen – en dat zou helpen in de strijd tegen armoede. Bedrijven spelen daarin namelijk een sleutelrol, zo blijkt uit onderzoek. Dertig jaar geleden was China nog een straatarm land. Toen werden er enorme fabrieken gebouwd, die miljoenen eenvoudige mensen werk bezorgden. Met hun loon konden die mensen zich een betere opleiding voor hun kinderen permitteren, die vervolgens werk kregen als ingenieur of geschoold arbeider. Nu is China de op een na grootste economie ter wereld.

    In de afgelopen jaren is het echter enigszins uit de mode geraakt om stuwdammen en krachtcentrales in ontwikkelingslanden te bouwen. Dat komt doordat bij dergelijke grote projecten vaak maar weinig rekening werd gehouden met het milieu en de getroffen mensen. En in plaats van elektrische leidingen en generatoren werden keuterboertjes en kredietverenigingen gefinancierd. Er zijn zelfs deskundigen, zoals Nobelprijswinnaar voor de Economie Angus Deaton, die ontwikkelingshulp radicaal willen schrappen omdat de betalingen alleen maar corrupte regimes in stand houden en in het ergste geval zelfs schade aanrichten. Een regering die bijvoorbeeld regelmatig geld uit het buitenland krijgt voor de staatshuishouding, hoeft er niet voor te zorgen dat de mensen in eigen land genoeg verdienen om belasting te kunnen betalen.

    Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar

    Ook Carret heeft zich met dergelijke theorieën beziggehouden. Maar zijn grootste zorg is dat de Centraal-Afrikaanse Republiek in een spiraal van geweld terechtkomt als de bevolking niet het gevoel heeft dat het haar met een democratisch gekozen president ook financieel beter gaat. Daarom financierde hij met Wereldbankgeld de salarissen van de ambtenaren toen de regering daar niet toe in staat was. Daarom liet hij wegen opknappen om arbeidsplaatsen voor de bevolking te creëren. En daarom wil hij ervoor zorgen dat eindelijk ook de turbines worden geïnstalleerd die al jaren op een bouwplaats naast de waterkrachtcentrale liggen. En dat misschien zelfs met hulp van Chinese investeerders een zonne-energiecentrale wordt gebouwd, zodat stroom in Bangui geen schaars goed meer is.

    En is het land echt niet meer arm als dat allemaal zou lukken?

    Een paar kilometer buiten Bangui bevindt zich een kazerne, beschermd door muren en prikkeldraad. Hier maakt Masse Noudjoutar de dienst uit, commandant van het derde bataljon infanterie van het Centraal-Afrikaanse leger. Zijn soldaten staan in rijen van twee op het exercitieterrein. Het ruikt naar vis, die boven een open vuur wordt gebraden. Merkwaardig is alleen dat vrijwel niemand een wapen draagt.

    Commandant Noudjoutar, waarom is het land arm?

    ‘Kijk om u heen. We zijn met te weinig. We hebben nauwelijks uitrusting, zegt hij. Noudjoutar bouwt met steun van Belgische en Franse militairen het leger van het land op. Zij leren soldaten hoe je controleposten bemand, wat in de strijd is toegestaan en hoe je met gevangenen omgaat. Het probleem daarbij is dat het leger tot nog toe niet meer dan een paar honderd man sterk is – en dat is niet genoeg om de rust in het land te herstellen.

    Niet alleen zijn er te weinig soldaten, er zijn ook te weinig politieagenten, te weinig leraren en te weinig belastingambtenaren. Het ontbreekt aan onafhankelijke rechters, ambtenaren op ministeries, accountants. Op papier is de Centraal-Afrikaanse Republiek een keurig geordend staatsbestel met zestien prefecturen en 179 gemeenten. Maar de praktijk ziet er anders uit. Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar. En dus moeten ze toekijken hoe de in het oosten van het land gewonnen diamanten de grens over worden gesmokkeld, waar ze in de zakken 
van de militieleiders terechtkomen 
in plaats van bij de eigen bevolking.

    Zelfs als er geld is, wordt het vaak zodanig gebruikt dat het land er meer schade van ondervindt dan baat bij heeft. Daar kan de enige grootindustrieel van het land over meepraten; de directeur van de brouwerij is een zeer actieve Fransman die al meer dan twintig jaar in Afrika werkt. Ooit moest hij tijdens onlusten de werkzaamheden staken omdat de diesel voor de aandrijving van de generatoren was gestolen – samen met ongeveer vijftienduizend flesjes bier. Het grootste probleem zijn echter de autoriteiten, zegt de directeur. Een paar jaar geleden had hij een tiental werknemers moeten ontslaan omdat de zaken slecht gingen. Het ontslag was door de rechtbank goedgekeurd, maar niet veel later door dezelfde rechtbank onrechtmatig verklaard. Hij werd tot een boete veroordeeld, met als motivatie dat de wet was gewijzigd.

    Straatbeeld in de hoofdstad Bangui. – © Jean Chung / Getty
    Straatbeeld in de hoofdstad Bangui. – © Jean Chung / Getty

    Vroeger beschouwden veel ontwikkelingsdeskundigen de overheid als overbodig, als een bureaucratisch apparaat dat de economische groei remde. Tegenwoordig weten ze dat economisch succesvolle landen doorgaans over een sterke overheid beschikken, die ervoor instaat dat privébezit wordt beschermd, dat de maatschappij niet uit elkaar valt, dat scholen en universiteiten functioneren en dat de regels van vandaag ook morgen nog gelden. Een nieuwe fabriek is vaak pas na jaren rendabel. Zonder een minimum aan rechtszekerheid zal geen investeerder er geld in willen steken.

    In de meeste Afrikaanse landen is de overheid niet sterk, maar opgeblazen: ze doet zich gelden waar ze niets te zoeken heeft en is afwezig waar ze gewenst is. Zo is het bijzonder ingewikkeld om een bedrijf te registreren, kunnen ondernemingen maar moeilijk nieuwe kredieten krijgen en worden voorschriften geïnterpreteerd zoals het de overheid uitkomt. In een recent onderzoek van de Wereldbank naar de kwaliteiten van hun lidstaten als vestigingsland neemt de Centraal-Afrikaanse Republiek van de 190 landen plaats 185 in. Ook de meest gewiekste ondernemers kunnen onder dergelijke omstandigheden niet groeien en arbeidsplaatsen creëren.

    Dat een hogere plaats er niet in zit na de zware onlusten van de afgelopen jaren is niet verwonderlijk, maar het is opvallend dat onder de zakenmensen, ontwikkelingswerkers, politici en militairen in Bangui niemand de geografie verantwoordelijk stelt voor de misère van het land, en nauwelijks iemand zich beklaagt over het klimaat of over het feit dat het Noorden zijn markten afschermt. Voor hen lijkt het belangrijker wat er in het land zelf gebeurt.

    Dat sluit aan bij de stelling van economisch onderzoeker Daron Acemoglu van het Massachusetts Institute of Technology. Acemoglu meent dat de welvaart van een land afhangt van de manier waarop dat land zijn zaken regelt. In de meeste arme landen heeft een kleine elite de macht over politieke en economische hulpbronnen en gebruikt ze die om zichzelf te verrijken. Omdat werken niet loont, blijft de vooruitgang uit. Rijke landen zijn daarentegen rijk omdat economische en politieke vrijheidsrechten grenzen stellen aan de uitbuiting van de bevolking, en het overheidsoptreden zich meer richt op het algemeen welbevinden.

    Dat gold lang geleden misschien ook wel voor de Centraal-Afrikaanse Republiek. De mensen leefden er in relatief stabiele omstandigheden, tot vanaf de vijftiende eeuw zoals in zoveel landen ten zuiden van de Sahara eerst slavenhandelaren uit Noord-Afrika en vervolgens Europeanen – in dit geval de Fransen – het land teisterden. Uit recente onderzoeken blijkt dat deze rooftochten de bestaande maatschappelijke structuren ontwrichtten, zodat uitbuitende regimes vaste voet konden krijgen. De instituties van de betreffende landen hebben daar nog altijd onder te lijden.

    Armoede is geen lot

    Maar – en dat is de eigenlijke boodschap van het onderzoek van Daron Acemoglu – armoede is geen lot. Als het bijvoorbeeld zou lukken om in het noorden van Bangui de extra turbines te installeren, als Masse Noudjoutar meer soldaten zou krijgen en als de rechters de wetten zouden interpreteren in plaats van ze te breken, dan zou de Centraal-Afrikaanse Republiek stijgen in de welvaartstabel.

    Een dag nadat president Touadéra van achter zijn zwarte poort de wederopbouw van zijn land heeft aangekondigd, komen in het Franse cultureel centrum in Bangui een stuk of twaalf mannen en vrouwen bijeen. Daar vindt een soort grondleggersbazaar plaats; de mensen zijn gekomen om hun ideeën te presenteren. De een is van plan om van oude plastic flessen een soort wegdek te maken, een ander heeft een houten koelkast ontwikkeld die weinig energie zou verbruiken, een derde wil een energiedrankje produceren uit de bladeren van de mierikswortel, die in de tropische gebieden van Afrika op elke hoek groeit. ‘Mijn doel is massaproductie. Ik zou graag een fabriek bouwen,’ zegt hij. Dat is nu precies waar het om gaat.

    Auteur: Mark Schieritz
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.