Tag: wereldeconomie

  • Sancties als wapen: is het middel erger dan de kwaal?

    Sancties als wapen: is het middel erger dan de kwaal?

    Financiële sancties zijn een krachtig oorlogswapen, maar kunnen blijvende schade aanrichten. Sinds de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne zijn we volgens economen Julia Friedlander en Josh Lipsky in het niemandsland tussen handel en oorlog een keerpunt gepasseerd.

    In Christopher Nolans film Oppenheimer, over de vader van de atoombom, horen we de natuurkundige Niels Bohr waarschuwen: ‘We moeten de politici aan het verstand brengen dat dit niet zomaar een nieuw wapen is, maar een nieuwe wereld.’ Veel economen die de film zien, zal die gedachte misschien akelig bekend voorkomen. Politici hebben in hun buitenlandbeleid de afgelopen jaren zwaar geleund op economische maatregelen; het sanctiewapen. De omvang varieert van embargo’s tot exportbeperkingen en de bevriezing van buitenlandse tegoeden: allemaal instrumenten waarmee men een concurrerend of vijandig land wil treffen zonder direct in een militair conflict verzeild te raken. 

    Sancties zijn natuurlijk geen atoombom. Maar er gaapt een gevaarlijke kloof tussen de verwachtingen van de mensen die de sancties uitvaardigen en degenen die er uitvoering aan moeten geven; economen en de particuliere sector. Want inmiddels zijn we in dit vage niemandsland tussen handel en oorlog een keerpunt gepasseerd. 

    Het sanctiemiddel is niet van vandaag of gisteren, landen zijn in de loop van de geschiedenis nooit vies geweest van het instellen van embargo’s, creatieve invoerrechten of andere heffingen. Maar de moderne economische oorlogsvoering die op de integratie van financiële markten berust, is minder oud – die dateert om precies te zijn van 22 jaar terug, van de aanslagen van elf september. Na die ongekende terroristische aanslag op eigen grondgebied gaf Amerika zijn federale instanties verregaande bevoegdheden om met behulp van zijn wereldwijde financiële macht de geldstromen van Al-Qaida en bondgenoten af te knijpen. Daarnaast zette Washington die instrumenten ook in als internationaal machtsmiddel om zijn burgers tegen terreur te beschermen – niet in plaats van, maar bovenop de gewapende strijd tegen Al-Qaida.

    Op één lijn

    Tien jaar later kregen sancties stilaan een andere rol in het buitenlandbeleid. Zo moest Iran met multilaterale – en van de kant van de VS ook steeds meer unilaterale – economische strafmaatregelen naar de onderhandelingstafel worden gedreven. Hier werden sancties gebruikt als drukmiddel, waarbij ook de dreiging van militair ingrijpen altijd boven de gesprekken bleef hangen en de onderhandelingen sterk beïnvloedde. En vorige maand werd bij het uitbreken van de oorlog tussen Israël en Hamas weer eens duidelijk dat deze combinatie van economische sancties met militaire afschrikking de primaire reactie van het Westen is.

    Maar de aard van de sancties is in de afgelopen jaren zodanig geëvolueerd dat we met Niels Bohr nu werkelijk van ‘een nieuwe wereld’ kunnen spreken. Na de Russische inval in Oekraïne heeft de G7 de meest verregaande sancties afgekondigd die ooit tegen een grote economie zijn ingesteld. Niet alleen vanwege de omvang van het sanctiepakket en het aantal banken dat uit SWIFT is gegooid, maar ook door de verregaande exportbeperkingen op allerlei artikelen, van handtassen tot airbags, en het bevriezen van zo’n 300 miljard dollar aan Russische tegoeden. En was er in eerdere gevallen nog sprake van onenigheid tussen de VS en de Europese bondgenoten over hoe streng en hoe verreikend de sancties moesten zijn, nu zitten ze op één lijn. Daarbij heeft het Westen, ook anders dan vroeger, duidelijk gemaakt dat het géén militaire confrontatie met Rusland wil.

    In de beginfase van de oorlog, toen men er nog van overtuigd was dat Oekraïne binnen enkele weken zou vallen, werd met de sancties geprobeerd de Russen hard genoeg te raken om hun invasie werkelijk lam te leggen. En al klinkt dat nu misschien naïef, volgens ons had deze gewaagde en ambitieuze tactiek kunnen slagen. Met alle financiële en economische onzekerheden die zo’n schok voor de wereldeconomie met zich meebrengt, was het denkbaar dat dit tot zo’n diepe financiële crisis zou leiden dat Rusland eraan onderdoor zou gaan.

    Maar we kijken er ook niet van op dat dit niet is gebeurd. Vraag een econoom van het Amerikaanse ministerie van Financiën of van het IMF waarom Rusland niet onder dat spervuur van economische sancties is bezweken, en deze zal antwoorden dat het land in zijn geschiedenis al vaker financiële crises heeft doorstaan en dat we lering moeten trekken uit het nu al decennia durende sanctiebeleid tegen het Iraanse regime – een regime dat de komende maanden opnieuw op de proef zal worden gesteld. Economen zullen er bovendien op wijzen dat bij elke maatregel al snel dempende substitutie-effecten optreden, en dat de wereldeconomie steeds meer multipolair van karakter is.

    Handel en ontwikkelingshulp zijn als instrument krachtiger dan welke strafmaatregel dan ook

    Maar dat wil nog niet zeggen dat de sancties gefaald hebben. Ze hebben de Russen gedwongen nieuwe en minder betrouwbare markten op te zoeken en hun mogelijkheden voor krediet beperkt, wat de Russische oorlogsvoering bemoeilijkt. En de langetermijngroei van het Russische bbp zal nu beduidend lager uitvallen dan voor de invasie was beraamd, mede door de sancties en de daarmee gepaard gaande uittocht van hoogopgeleide jonge Russen.

    Het succes van de sancties tegen Rusland is dus niet eenduidig. Maar heeft Washington genoeg zicht op de mogelijke gevolgen voor het buitenlandbeleid in de toekomst? Sommige economen maken zich zorgen over wat er met hun hulp is ontketend. Begin vorig jaar waarschuwden wij al dat het sanctiepakket van de G7 tegen Rusland de lakmoesproef zou worden voor het middel van economische oorlogsvoering, en dat de VS en zijn bondgenoten bepaalde instrumenten weleens konden uitputten als die niet genoeg opleverden. En dat ze ook vooral niet moesten denken dat ze nu een blauwdruk hadden voor toekomstige conflicten. Met de inzet van bijna het volledige economische wapenarsenaal tegen Rusland bleek het Westen een aanvaardbaar risico te hebben genomen. Ook de economische terugslag bleek behapbaar voor een handelsblok dat anderen kon overbieden op alternatieven voor de Russische energie, en dat sinds het begin van Poetins agressie tegen Oekraïne in 2014 niet veel handelsbelangen meer in Rusland had.

    Maar de afweging tussen nationaal veiligheidsbeleid en de wereldwijde macro-economische realiteit zou weleens anders kunnen uitvallen wanneer de tegenstander meer financiële slagkracht heeft. Uit onderzoek van de denktanks Atlantic Council en de Rhodium Group blijkt bijvoorbeeld dat bij een Chinese escalatie in de Straat van Taiwan de toepassing van zo’n verregaand sanctiepakket de westerse economieën triljoenen dollars kan kosten en zo de wereldwijde economische invloed van het Westen kan uithollen. In het mondiale Zuiden wordt de snelle uitbreiding van het arsenaal aan economische strafmaatregelen al twee jaar met argusogen gevolgd. En in gesprekken met centrale banken van landen die niet in de G7 zitten, horen we een sterke behoefte om hun land minder afhankelijk te maken van de dollar. De recente uitbreiding van de BRICS is daar het laatste openlijke voorbeeld van.

    In lijn hiermee hebben wij onlangs in een rapport aangetoond dat je met sancties riskeert dat landen hun dollarreserves afbouwen. En tijdens de top van het IMF en de Wereldbank in Marrakech legde de Indiase minister van Financiën aan de Atlantic Council uit waarom veel landen, waaronder het hare, bang zijn voor al te grote afhankelijkheid van de dollar. Deze landen zijn nog lang niet in staat zich volledig los te maken van de dollar, zei ze, maar ze zoeken wel naar alternatieven, en dat is een teken aan de wand. Landen die van het financieel systeem van Europa en de VS afhankelijk zijn, hebben het recht om te weten hoe het Westen over de inzet van sancties denkt en verdienen een stem in de uitvoering ervan. Niet om ‘aardig’ te zijn, maar om de stabiliteit van ons eigen financiële systeem te behouden en de risico’s te beperken.

    Dus hoe kan men aan hun zorgen tegemoetkomen? Ons voorstel is om een nieuw raamwerk op te stellen voor het gebruik van economische machtsmiddelen. Net zoals de VS ooit de Atomic Energy Commission in het leven riep om toezicht te houden op de ontwikkeling van kernwapens, zouden de VS en Europa samen richtlijnen moeten opstellen over welke sancties en andere economische maatregelen geoorloofd zijn en wanneer. Mogen de dollar- of eurotegoeden van een oorlogvoerende natie bevroren worden? Wanneer wordt het punt bereikt dat op die tegoeden beslag mag worden gelegd? Als de VS een verbod instellen op de export van bepaalde microchips naar China, wat zijn dan de consequenties als een bevriend land een vergelijkbaar product aan China levert? Zolang op die vragen geen duidelijk antwoord bestaat, moeten andere landen maar raden naar wat het Westen zal doen – en zullen ze op zoek gaan naar economische alternatieven.

    Gereedschapskist

    De tweede stap is dat we het mondiale Zuiden (en onszelf) herinneren aan de positieve kracht van economische maatregelen. Handel en ontwikkelingshulp zijn als instrument net zo krachtig, zo niet sterker dan welke strafmaatregel dan ook. Toch is men zeker in de VS veel te veel bezig met manieren om economieën te straffen en denkt men te weinig na over manieren om andere landen voor zich te winnen. Wel zijn er enkele stapjes in de goede richting in de vorm van recente nieuwe overlegorganen, zoals de Handels- en Technologieraad EU-VS en het Indo-Pacific Economic Framework for Prosperity, en de kapitaalinjectie voor de Wereldbank.

    Toen wetenschappers zich in 1944 opmaakten voor de allereerste kernproef in New Mexico, kwamen in Bretton Woods 44 landen bijeen om de IMF en de Wereldbank op te richten – de oorspronkelijke gereedschapskist voor internationale economische maatregelen. Ze werden niet opgericht om sancties of andere strafmaatregelen op te leggen, maar om enorme leningen te verstrekken voor de wederopbouw na de oorlog en het voorkomen van nieuwe conflicten. En het financiële en handelsnetwerk dat rond deze instellingen ontstond, hielp de VS en Europa in hun ontwikkeling en genereerde bovendien groei in tal van andere economieën.

    Maar nu er zulke zware sanctiepakketten en andere strafmaatregelen worden ingezet – zonder serieuze pogingen om op grond van de veranderende wereldeconomie tot hervormingen te komen of om de slinkende middelen van deze instellingen aan te vullen – zullen het IMF en de Wereldbank in de komende jaren aan belang inboeten. Rivaliserende geldverstrekkers zullen aan invloed winnen. De instrumenten voor economische oorlogsvoering zijn krachtig en kunnen blijvende schade aanrichten. We moeten ervan doordrongen zijn dat het experiment met Rusland een keerpunt was, na twee decennia van gestaag escalerend economisch machtsvertoon. Nu is het moment gekomen om eens goed en strategisch na te denken over de volgende stappen in de evolutie van internationale economische maatregelen.

    Lees ook:

  • Globalisering heeft niet geleid tot de economie die we nodig hebben

    Globalisering heeft niet geleid tot de economie die we nodig hebben

    Veel mensen zijn bezorgd over de slechte toestand van de wereldeconomie. Om die te verbeteren, moet de politiek een nieuw systeem bedenken dat de nationale en mondiale belangen beter in evenwicht brengt, betoogt columnist Rana Foroohar.

    Er heerst veel algemene verwarring, zo niet regelrechte angst, over de toestand van de wereldeconomie. De oorlog in Oekraïne, de schommelende gasprijzen, de torenhoge hypotheekrente, de aanhoudende gevolgen van de pandemie en het dreigende vooruitzicht van een recessie: al deze factoren lijken samen te smelten tot één grote chaos.

    Die angst is reëel. Maar de chaos is van voorbijgaande aard – deze wordt grotendeels veroorzaakt door het tumult dat gepaard gaat met elke overgang van een oude naar een nieuwe economische orde. Elke economie maakt cycli door van groei en krimp, maar de belangrijkste indicator binnen die cycli heeft niet zozeer te maken met marktprijzen of werkloosheidscijfers als wel met de onderliggende politieke filosofie.

    Ongeveer een halve eeuw lang was onze politieke economie gebaseerd op het heersende concept van het neoliberalisme – het idee dat kapitaal, goederen en mensen grenzen moeten kunnen overschrijden op zoek naar het productiefste en meest winstgevende rendement. Veel mensen associëren dit principe met de trickledowneconomie van Ronald Reagan en Margaret Thatcher, of zelfs met de ondernemersvriendelijke economische ideeën over financiële markten en handel die Bill Clinton en Barack Obama omarmden. Maar de wortels van de filosofie gaan verder terug.

    Ongelijkheid

    De term ‘neoliberalisme’ werd in 1938 bedacht op een bijeenkomst in Parijs van economen, sociologen, journalisten en zakenlieden die zich zorgen maakten over de – in hun ogen buitensporige – staatscontrole op de markten na de Great Depression. Ze dachten dat de belangen van de natiestaat en de democratie wel eens problemen zouden kunnen gaan opleveren voor de economische en politieke stabiliteit. Het stemgerechtigde publiek kon niet worden vertrouwd, en dus moesten nationale belangen (of, meer in het bijzonder, nationalisme) worden in-geperkt door internationale wetten en instellingen, zodat markten en de samenleving als geheel goed konden functioneren.

    Mondiale instellingen als het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank en latere organisaties als de Wereldhandelsorganisatie – instellingen die in wezen gaan over grensoverschrijdende mondiale financiën, handel en ondernemingen – werden beïnvloed door deze neoliberale filo-sofieën. Zij pleitten krachtig voor de Washington-consensus, een reeks economische beginselen die waren afgeleid van de hoofdingrediënten marktliberalisering en onbelemmerde globalisering. Dit recept zorgde voor meer groei dan ooit tevoren; de vier jaar voorafgaand aan de financiële crisis van 2008 behoorden wereldwijd tot de sterkste groeiperioden in de afgelopen halve eeuw. Maar ze leidden ook tot grote ongelijkheid binnen de afzonderlijke landen.

    Geld beweegt zich veel sneller over grenzen dan goederen of mensen

    Hoe kon dat? Voor een deel doordat geld zich veel sneller over grenzen beweegt dan goederen of mensen. De ‘goedkoop kapitaal voor goedkope arbeid’-afspraak tussen de Verenigde Staten en Azië, vanaf de jaren tachtig, kwam voornamelijk ten goede aan multinationals en de Chinese staat, zo blijkt uit academisch onderzoek. De Reagan-Thatcher-revolutie bevrijdde het wereldkapitaal door de financiële sector te dereguleren, en de wereldhandel werd vervolgens volledig vrij-gelaten in het Clinton-tijdperk, met overeenkomsten als NAFTA en de uiteindelijke toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie. Qua beleidsbelangen sloeg de balans tussen het scheppen van binnenlandse banen en de integratie van de wereldmarkt door naar het laatste. Het idee was dat goedkopere consumentenprijzen van importgoederen de afgevlakte of zelfs dalende lonen zouden compenseren.

    martijn baudoin LAfUhkyRPOI unsplash kopie
    © Martijn Baudoin / Unsplash

    Maar dat gebeurde niet. Al vóór de pandemie en de oorlog in Oekraïne stegen de prijzen van goederen en diensten die essentieel zijn voor de middenklasse – van huisvesting tot onderwijs en gezondheidszorg – veel sneller dan de lonen. Dat is nog steeds het geval, zelfs met de recente looninflatie. Het gevoel dat de wereldeconomie te ver af is komen te staan van nationale belangen speelde een rol bij de opkomst van het populisme, nationalisme en zelfs fascisme (in de vorm van Donald Trump en de Make America Great Again-beweging) waar we nu mee worstelen. Het is van een bittere ironie dat juist de filosofieën die bedoeld waren om politiek extremisme in te dammen, het tegenovergestelde hebben bewerkstelligd, omdat ze te ver zijn gegaan.

    Neoliberale filosofie

    De neoliberale filosofie is failliet, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook elders, getuige het verzet in Groot-Brittannië tegen het mislukte experiment van oud-premier Liz Truss met belastingverlagingen met een beoogd trickledowneffect. Door arbeid uit te besteden aan meerdere landen zou de maakindustrie productiever en het bedrijfsleven efficiënter worden. Maar die vermeende efficiëntie bleek bij elke vorm van wereldwijde stress grotendeels in te storten, of het nou ging om pandemieën, tsunami’s, storingen in havens of andere onvoorziene gebeurtenissen.

    Complexe toeleveringsketens leidden al ver voor de mondiale crises van de afgelopen jaren tot verschillende rampen. Denk bijvoorbeeld aan Rana Plaza in Bangladesh, de fabriek die kleding maakte voor diverse mondiale merken (die geen idee hadden van risico’s in hun toeleveringsketen) en die in 2013 instortte, waarbij ruim elfhonderd mensen om het leven kwamen. Ondertussen werd de vrijhandel, die geacht werd de vrede tussen landen te bevorderen, zelf een systeem dat door commercieel ingestelde landen en door de staat geleide autocratieën kon worden misbruikt, met diepe politieke tegenstellingen in binnen- en buitenland als gevolg.

    Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen

    Gelukkig zwaait de slinger van de politieke economie uiteindelijk weer terug en maken uitgespeelde filosofieën plaats voor nieuwe. Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen. Zo’n verschuiving maken we nu door. De wereld is zich aan het herschikken – niet terug naar het ‘normaal’ van conventionele neo-liberale economische modellen, maar naar een nieuw normaal. Zowel in beleidskringen als in het bedrijfsleven en de academische wereld wordt nagedacht over het juiste evenwicht tussen mondiaal en lokaal.

    Het handelsbeleid houdt steeds meer rekening met arbeids- en milieunormen, vanuit de gedachte dat goedkoop niet altijd goedkoop is, bijvoorbeeld als producten het milieu aantasten of door kinderhanden worden gemaakt. Om rekening te houden met privacy en liberale waarden wordt er opnieuw nagedacht over de handel in digitale diensten. (Willen we echt dat onze persoonlijke gegevens worden overgedragen aan big tech of grote controlestaten zoals China?) Leveringsketens worden niet alleen korter vanwege de geopolitiek, maar ook door nieuwe technologieën (zoals gedecentraliseerde landbouw en 3D-printers) die het mogelijk maken om productie en consumptie dichter bij huis onder te brengen.

    En nu?

    En nu? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de economische globalisering niet opnieuw te ver vooruitloopt op de nationale politiek? En hoe kunnen we problemen oplossen zonder te verzanden in het protectionisme van de jaren dertig of in valse nostalgie naar een voorbije tijd?

    Er bestaat nog geen nieuwe ‘theorie van alles’ voor de post-neoliberale wereld. Maar dat betekent niet dat we de oude filosofie niet ter discussie moeten blijven stellen. Een van de hardnekkigste neoliberale mythen was dat de wereld plat was en dat nationale belangen ondergeschikt zouden zijn aan de wereldmarkten. De afgelopen jaren hebben dat idee onderuitgehaald. Het is aan degenen die de liberale democratie een warm hart toedragen om een nieuw systeem te bedenken dat lokale en globale belangen beter in evenwicht brengt.

  • Nicholas Mulder: ‘Economie ondervindt dramatische gevolgen van sancties’

    Nicholas Mulder: ‘Economie ondervindt dramatische gevolgen van sancties’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Russische moeder roept Poetin op om geen dienstplichtigen in te zetten in Oekraïne

    » Britse justitie weigert hoger beroep van Julian Assange

    Sancties gevaar voor economie

    Nicolas Mulder, universitair hoofddocent geschiedenis aan de Amerikaanse Cornell-universiteit en expert op het gebied van sanctiemaatregelen, voorspelt in The Economist dat het economisch isoleren van Rusland dramatische gevolgen zal hebben voor de wereldeconomie. Rusland is een toonaangevende leverancier van verschillende belangrijke grondstoffen en de sancties zullen het Westen daarom dwingen tot pijnlijke aanpassingen, omdat ze van invloed zijn ‘op het vermogen van Rusland om wereldwijd grondstoffen te leveren’, aldus Mulder. Het Russische aandeel is aanzienlijk. Wereldwijd komt het neer op 6 procent van de aluminiumproductie, 7 procent van de nikkelvoorziening, 12 procent van de productie van ruwe olie, 18 tot 19 procent van de tarwe en aardgasexport en een kwart van de kopervoorraad.

    ‘Egypte, Tunesië, Irak en Libanon hebben nu al te maken met stijgende prijzen door de sluiting van Oekraïense havens; sancties maken continuering van hun voedselvoorziening gevaarlijk afhankelijk van de beslissingen van westerse beleidsmakers’, stelt Mulder. ‘Financiële markten zullen steun van centrale banken nodig hebben om de afwezigheid van Russische deviezenoverschotten te compenseren op de valutamarkten.’

    Lees ook: